Opvoeding en onderwijs

image_pdf

1 maart 1982

Als begin van de bijeenkomst wil ik u er graag aan herinneren dat wij niet alles weten en niet onfeilbaar zijn.

We hopen dat u zelf nadenkt, probeert u zichzelf een mening te vormen. Onze mening is zeker niet beslissend, maar misschien zijn er een paar punten waar u wat aan hebt. Het onderwerp is opvoeding en onderwijs en neem me niet kwalijk dat ik de volgorde heb veranderd, maar ik vind dat opvoeding eigenlijk belangrijker is dan onderwijs, ofschoon het onderwijs dat waarschijnlijk niet met mij eens zal zijn. Ik zal proberen te vertellen waar het om gaat.

Wanneer u geboren bent op aarde dan wordt je gehele relatie met de wereld eigenlijk al bepaald in de eerste maanden. Meeste mensen denken daar niet zo aan, maar laten we maar een paar dingen nemen, voldoende huidcontact met de moeder bv.: erg belangrijk, en zekerheid die van de vader uitgaat: erg belangrijk. Je kunt wel zeggen, ach dat kan je allemaal anders doen, maar het kind heeft in deze periode zeg maar een behoefte aan warmte, aan geduld, maar ook aan contacten. Je zult dus kunnen zeggen: elke opvoeding moet de dus eigenlijk beginnen met de liefde en vooral de aandacht die het kind, zeg maar de eerste zes maanden, zeker nodig heeft. Hierdoor wordt nl. de omgeving meebepaald.

Wanneer je een kind dus alleen maar de nodige zorg geeft, al doe je het nog zo goed, wanneer je het kind alleen maar laat schreeuwen, want dat is goed, dan leert het omdat het niet anders kan, dan ontstaat in het kind een soort wrok tegen de wereld en deze wrok wordt dan al overspoeld door latere gebeurtenissen en conditioneringen, maar ze blijft emotioneel voortdurend aanwezig. Zolang als deze wrok tegenover de wereld aanwezig blijft, zul je altijd reacties zien die niet aangepast zijn. D.w.z. dat het normale samenwerkingspatroon in feite wordt omgezet in een geldingspatroon. En aangezien dat bij kinderen toch al erg sterk is – elk kind heeft de behoefte zich te laten gelden – zult u begrijpen dat een versterking van dit effect vaak ten detrimente gaat van alle opvoedkundige strevingen, maar ook t.a.v. het hele leergedrag. We hebben te maken bij een kind, met wat men zegt, een ongevormde persoonlijkheid. Dat is waar wanneer je uitgaat van de kennis die een volwassene normalerwijze moet hebben.

Het kind heeft dus minder ervaring, maar juist omdat het die minder heeft, beleeft het veel intenser en is het emotioneel dus veel meer absorberend t.a.v. het gebeuren dan volwassenen. Wat heeft het kind verder nodig: het moet weten waar het aan toe is. Dat klinkt misschien gek. De meeste mensen zeggen: nu ja discipline, dat hoort er toch eigenlijk niet bij. Discipline omwille van de discipline zou ik ook altijd af willen wijzen. Maar er moeten regels zijn, men moet weten waar men zich aan te houden heeft. En het is beter dat je je pak slaag krijgt wanneer je het verdiend hebt, dan dat je tien keer geen pak slaag krijgt en dan een keer tegelijk voor al die tien keer ontlading van de ouderlijke woede. In dat laatste geval heb je geen vaste regel waarop je je kunt oriënteren, dientengevolge alweer haat en wrok.

Aangezien je gebonden bent aan de gezinssamenleving, althans aan de ouders bij wie je vertoeft, is het niet veilig om je alleen daar tegenover te uiten, je transponeert het dus in een houding tegenover de buitenwereld. Kinderen die gewend zijn om voor zichzelf op te komen, kennen enige discipline, hebben daarnaast voldoende gevoelswarmte en zijn zeker geen doetjes. Ze zijn heus bereid om voor zichzelf op te komen en ze zijn heus bereid te menen wat ze vinden waar ze recht op hebben. Maar aan de andere kant hebben ze ook begrip voor een ander, er is geen misgunnen. De afgunst die juist bij emotioneel armere kinderen vaak een bijzonder grote rol speelt, treedt veel minder op. Wanneer we die opvoeding dan verder bekijken, dan zal u duidelijk zijn dat het kind juist door zijn afhankelijke positie – en die afhankelijkheid, vergeet dat niet – is genetisch ingelegd. Elk jong, elk dier heeft zijn periode van afhankelijkheid, heeft zijn periode van ik-projectie in de ouders of in personen. Op deze manier moet het kind dus een zekerheid vinden, een warmte vinden, waarop het terug kan vallen, hierdoor zal het zich in de wereld gemakkelijker bewegen. Het zal wat meer aandurven op zijn tijd. Het moet vaste regels kennen, want door die regels juist wordt het zich bewust van bepaalde beperkingen. Maar ook van een vaste relatie, een verhouding dus van eigen wil en de wereld waarin je leeft. Hoe meer je die dingen wegneemt, hoe moeilijker het kind zich zal oriënteren. Wanneer het zich oriënteert doet het dit dan vanuit een eigen geneigdheid. Er zijn mensen die zeggen: ja dat is dan een kwestie van een bepaald talent of een knobbel alleen. Dat is niet waar. Maar er zijn kinderen die bijvoorbeeld zich helemaal als het ware onderdompelen in historische fantasieën en dus de geschiedenisles vinden als het belangrijkste wat er voor hen bestaat, of aardrijkskunde of iets anders. Maar die gelijktijdig moeite krijgen met formuleren, die vaak niet gemakkelijk taalregels absorberen. Hun spellingswijze is vaak zo dat ze te modern zijn zelfs voor de moderne tijd. En op die manier eigenlijk ontstaat een onevenwichtigheid die zich ook doorzet in het leerpatroon later. Men komt niet tot een evenwichtige benadering van de kennis. Het is een zeer selectieve, op persoonlijke gevoelens gebaseerd. En het eindresultaat is iemand die misschien wel bepaalde zaken heel goed weet, maar die op andere gebieden niet mee kan komen. En juist daardoor later de kans niet krijgt zijn eigen specialisme verder te ontwikkelen.

De onderwijssituatie is ook alweer zoiets. Ik weet dat tegenwoordig onderwijs wordt gezien als een heel specialistisch gebied. Het is het in feite niet. Een kind is gewend om te leren uit zijn omgeving. Daarvoor is het een kind en het oriënteert zich voortdurend aan het gedrag van de volwassenen.

Er zijn bepaalde stammen geweest – misschien zijn ze er nog wel, op de eilanden zult u ze misschien nog vinden – waarbij eigenlijk het kind een zeker voorrecht heeft te midden van de stam, het wordt door iedereen beschermd, maar ook gelijktijdig mee mag doen bij alle arbeid van de volwassenen.

Hierdoor ontwikkelt het kind een overzicht over alles wat er in de stam bestaat. Het ontwikkelt ongetwijfeld nog steeds zijn eigen begaafdheid, maar het is allround, het kan zich gemakkelijk inpassen. Door de spontane manier waarop dat gebeurt, is er weinig of geen pressie op het kind, er is geen dwang, er is geen drang.

En juist in de beschermde maatschappij, zoals dat dan heet, zien we juist die dwang en die drangverschijnselen sterk op de voorgrond treden. Wat is het doel van onderwijs? Op het ogenblik zegt men: het is het vormen van de mens. Ik ben zo vrij om met degenen die dat stellen van mening te verschillen. De eerste taak van het onderwijs is het kind de instrumenten te verschaffen waarmee het zich binnen de maatschappij, zoals deze bestaat kan handhaven.

Het is dus een kennisoverdracht die doelmatig dient te zijn, evenwichtig dient te zijn en zoveel mogelijk althans ingesteld dient te zijn op het eigen vermogen zich te oriënteren en kennis op te doen van het kind. Wat dit betreft geef ik dus de voorkeur aan bv. het Montessori systeem boven vele anderen. Dit is, ik geef het toe, een kwestie van persoonlijke smaak en zal ongetwijfeld ook bestreden kunnen worden, omdat nu eenmaal onderwijs op deze manier ook weer bepaalde feilen heeft. Maar daar heb je in ieder geval een kans om je met leerblokken, dus met blokken leermaterie per vak, verder te ontwikkelen en de dwang en drang die er dan nog ontstaat is eigenlijk een van toch wel gelijk blijven met je vriendjes en vriendinnetjes en dat is normaal.

Wanneer je zegt: ik wil de mens vormen, dan bega je een grote fout volgens mij. Ik zal proberen om het heel kort en duidelijk te zeggen. Wanneer het niet duidelijk is, kunt u er later op terugkomen. Een mens vormen, is een kwestie van omstandigheden, van gezin en van ervaring. Iemand speelt nu eenmaal een bepaalde rol, of hij dat wil of niet in die gemeenschap. Hij kan van de ene rol naar de andere overstappen, ongetwijfeld, maar dan moet hij daarvoor niet alleen de mentale, maar het geheel van de psychische kwaliteiten bezitten die erbij passen. Iemand die de psychische kwaliteiten heeft, zal over het algemeen ook de kennis wel kunnen verwerven. Wanneer hij de psychische kwaliteiten niet heeft, heeft aan de kennis alleen voldoende om zich te handhaven volgens zijn eigen geestelijk patroon, plus zijn conditionerings- en achtergrondpatroon zoals het uit zijn omgeving voortkomt. Tussen twee haakjes, iemand die vindt dat ik onzin zit te verkondigen tot zover? Nu dat is dan erg prettig. Want we gaan nu natuurlijk nog gemener worden en ik moet het uitleggen waarom. Wanneer je in een bepaald milieu leeft dan zul je je zelden daaraan geheel kunnen ontworstelen. Je zult juist eigenlijk altijd ergens delen van dat oorspronkelijke milieu blijven behouden. Dit bewijst hoe sterk de invloed is van je onmiddellijke omgeving. In de plaats van die omgeving kan de school niet komen omdat zij de persoonlijke relatie in veel mindere mate kan geven dan het eigen gezin bijvoorbeeld als de groep waarin je opgroeit.

Onthoud u één ding, een kind heeft zijn oriënteringspunt nodig en kiest daarvoor een mens, een grotere mens, een sterkere mens. Het imiteert. Wanneer het die sterkere mens imiteert, dan heeft het geen moreel besef. Moraal is in wezen aangeleerd, geweten is weer iets anders. Dat wil zeggen dat iemand die in een milieu komt waarin degene die het hardste slaat de beste is, zal proberen om hard te leren slaan. Dan kun je duizend keer zeggen dat je met algebra verder komt, maar het kind gelooft je niet. Het zal algebra zien als nodeloze ballast; boks-les, dat is je ware. Of hoe heet het tegenwoordig, judo, karate, enz. Dan moet de school dus beseffen dat het enige wat ze kan doen aan de vorming van het kind in feite is, een aanvullen van de tekorten. Maar om die tekorten goed te kunnen aanvullen, moet er een zeer persoonlijke relatie ontstaan. Die relatie kun je niet handhaven, zeker niet wanneer je te maken hebt met (wanneer ik mij vergis, kunt u mij corrigeren) te maken hebt met klassen tussen de 30 en 40 kinderen. Een dergelijke relatie tussen een volwassene en tien kinderen is denkbaar,

Te veel kinderen is voor volwassenen bijna niet doenlijk. En is voor de kinderen gezien de verdeelde aandacht in feite al te weinig. Worden de aantallen groter dan wordt de figuur voor de klas iemand die je aanbidt of haat, en vaak allebei tegelijk, maar het is niet meer iemand die je zonder meer gaat imiteren. En dat wil zeggen dat er dus een scheiding ontstaat tussen het onderwijs en het oorspronkelijke milieu. Wanneer je de opvoeding naar het onderwijs wilt verschuiven dan schiet je dus tekort juist op die emotionele basis. En dat kun je dan proberen op te vangen door gespreksgroepjes en gezellige opdrachtjes en weet ik wat nog meer, maar ergens blijft het falen en het tekort. Verder zien we dat in het onderwijs ook heel vaak men probeert om een gemeenschappelijke ordening op te leggen. Heel begrijpelijk en t.a.v. de onderwijzer en de onderwijzeres moet een zekere orde blijven bestaan. Dat is nu eenmaal de rangorde, zoiets als de pikorde in een kippenhok. Onderling echter moeten de kinderen hun eigen plaats kunnen bepalen in de gemeenschap. Dit vloeit voort uit hun eigen instinctief gedrag plus hun oriëntatiebehoefte op het ogenblik dat je dat patroon laat vervagen of bv. probeert de lichamelijke kwaliteiten op de achtergrond te schuiven om daar door bv. het woord vaardigheid in de plaats te stellen, dan vervals je dit patroon.

Door vervalsing van het patroon wordt het voor het kind innerlijk niet meer aanvaardbaar. En waar dit gebeurt – als je kinderen hebt kun je het zelf uitrekenen – daar zal het kind misschien uiterlijk zich nog conformeren omdat het niet anders kan, maar het zal zoeken naar alle wegen en methoden om zich juist te verzetten tegen een ordening die het niet wil aanvaarden. Een dergelijk resultaat is dan iemand die misschien wel op school redelijk heeft mee kunnen komen, maar die zodra dit onderwijs wegvalt, of zelfs maar de verplichting en noodzaak wegvalt, probeert zich uit te leven in een verzet tegen al die patronen die men in feite tijdens het onderwijs heeft opgelegd.

Ik hoop dat ik duidelijk heb gemaakt waarom ik ben voor een opvoeding die toch werkelijk bij de ouders ligt en nergens anders. Een uiteindelijk gezag dat bij die ouders ligt en niet bij iemand anders. Nu, laten we dan eens gaan kijken wat het onderwijs doet. Het onderwijs zegt men, bereid je voor op de maatschappij, de school. Het onderwijs vormt in zich een klein maatschappijtje, dat is iets anders. Dit kleine maatschappijtje heeft zijn eigen taakverdeling en zijn eigen wetten. Een kind heeft werkuren die, als je ze vergelijkt met wat volwassenen aanvaardbaar vinden, vaak aan de zware kant zijn. Het kind heeft een eigen rangorde, maar ook een eigen wereldvisie. En daar komt weer iets om de hoek kijken wat niet helemaal zuiver is. Wanneer ik iemand religieus onderwijs geef, christelijk of iets anders, dan ga ik daarmee het kind vormen tot een bepaalde denkwijze, maar die denkwijze heeft niet alleen te maken met geloof, dat is een hele oriëntatie t.a.v. de wereld, en die wereldoriëntatie kan gevaarlijk worden. Laten we een heel eenvoudig voorbeeld nemen, de bekende doctorandus van Buitenveldert. Deze man heeft, dat kan je onmiddellijk merken, een christelijke achtergrond. Dit komt nog steeds naar voren in de wijze waarop hij zijn stem gebruikt en argumenteert, maar ook in iets anders. In de typisch dogmatische eenzijdigheid waarmee hij zijn problemen pleegt te benaderen en zijn selectieve blindheid voor alles wat zou spreken tegen zijn gelijk. Nog een ander voorbeeld: je voedt iemand zo vrij mogelijk op. Wanneer daar een gezin naast staat met zijn eigen riten en zijn eigen ordening is het bezwaar niet groot. De meest ideale methode zou misschien wel zijn om de kinderen gewoon de kans te geven om het met elkaar uit te vechten, waarbij de onderwijzer alleen maar aanwezig is om leiding te geven zodat ze mekaar niet helemaal doodslaan. En wanneer ze met een probleem zitten op het gebied van leerstof of anderszins, er een volwassene beschikbaar is bij wie ze eventueel raad kunnen halen. Maar ja dat zijn dan weer de soort mensen die ook niet welkom zijn, want in een dergelijke gemeenschap leer je niet alleen voor jezelf op te komen, maar ook heel goed na te denken. En als je heel goed nadenkt dan ben je in de fabriek misschien iemand die niet goed mee kan draaien omdat hij te logisch denkt t.a.v. bepaalde procedures. Het is iemand die politiek niet aanvaardbaar is, want hij denkt na voordat hij stemt en iemand die kerkelijk helemaal niet aanvaardbaar is, omdat hij zegt: “waarom”, in plaats van: “het staat geschreven, dus is het..” Maatschappelijk gezien is deze onderwijsvorm voorlopig dus niet haalbaar. Wat kunnen we dan doen? We kunnen proberen de kinderen te leren om zich te uiten. Een heel bekend verschijnsel tegenwoordig, kinderen moeten zich kunnen uiten. Ja maar wat uiten kinderen? Kinderen uiten, net zoals veel primitieve mensen, datgene waarvan ze denken dat anderen het willen horen. En dan kiezen ze hun eigen rol, of ze zijn dus de aanklager, ze zijn tegen, of ze zijn vóór. Kijk je wat hun meningen in feite zijn, dan blijken het herkauwsels te zijn die ze hier of daar gehoord hebben en slechts zelden van werkelijk, oorspronkelijke gedachte. Voed je die kinderen zo op, dan komen ze op een gegeven ogenblik tot het denkbeeld: Het is niet belangrijk wat je weet, maar wat je zegt. Maar je kunt zeggen wat je wilt, als je niets doet, kom je niet verder. Zo iemand denkt dan: wanneer ik maar duidelijk genoeg spreek, krijg ik wat ik wil hebben en de maatschappij zegt: je kunt praten wat je wil, maar je moet verdienen. Alweer een conflict. Je kunt de kinderen proberen te oriënteren in de richting van sociale rechtvaardigheid. Maar sociale rechtvaardigheid bestaat niet. Sociale rechtvaardigheid is de mythe die gebruikt wordt om de macht van de sterkste voortdurend te verhullen. Dus dat kind begint te geloven dat het rechten heeft, en wat meer is, het ziet de relatie vaak niet meer tussen rechten en plichten. Dat betekent dat het in die maatschappij met iedereen en alles in conflict komt. Krijg je rebellen, krijg je opstandige mensen, maatschappelijk gezien niet aanvaardbaar. Komt het voort uit de huiselijke achtergrond, dan is het wat anders, dan is het een startpunt, dan is het een beginpunt, en dan is het hele kind toch georiënteerd op een samenwerking binnen dit patroon en niet meer op een zich opleggen aan de omgeving. Dus alweer de opvoeding mag in deze richting geschieden, maar dient dan te geschieden in een huiselijke omgeving, waarin personen zijn die tijd hebben voor het kind, waarin het kind vertrouwen heeft en die t.a.v. het kind ook een in regels uitdrukbare relatie hebben opgebouwd. Even kijken, is er al iemand die een protest wil maken?

Dan t.a.v. de ontwikkelingen van het onderwijs: Kijk, hele grote denkers zijn voortgekomen uit scholen die men tegenwoordig als zodanig niet eens meer zou durven aanduiden. Het systeem van de school is veel minder belangrijk dan de volwassenen vermoeden, want voor het kind is het systeem eenvoudig een gegeven. En aangezien het kind eenvoudig niet genormeerd reageert, want het heeft wel zijn eigen normen, maar die normen stemmen nooit volledig overeen met de norm die wetenschappelijk wordt vastgesteld. U weet het, wanneer je een gemiddelde neemt, dan heb je een waarde die op iedereen van toepassing wordt verklaard, terwijl hij in feite op niemand van toepassing is. Dat is dan wat je met onderwijssystemen krijgt. Dus wat moeten we doen. Ik geloof dat we moeten beginnen met gewoon te zeggen dat wat het kind nodig heeft, dat is een basiskennis. In die basiskennis zijn al die dingen nodig die je in het leven gebruikt en dan denk ik bv. aan schrijven, rekenen, lezen, als hoofdbestanddelen. Daarnaast misschien verdere vormen van rekenkunde, die je later technisch zult kunnen gebruiken, eventueel talen die kunnen belangrijk zijn. Taalvaardigheid, het vermogen om je schriftelijk zowel als mondeling goed en samenhangend uit te kunnen drukken, lijkt me ook erg belangrijk.

En daarnaast, een beetje algemene kennis mag er wel zijn. Maar kijk, geschiedenis, dat is toch over het algemeen de leugen van het verleden, omtrent zijn eigen zgn. glorie. Daar moet je maar niet al te veel mee bezig zijn. Je kunt spreken over systemen natuurlijk, maar wat is bv. het verschil tussen fascisme en communisme, weet u dat? Dat is de naam. Omdat men in beide gevallen uitgaat van de meerwaardigheid van een bepaalde groep of klasse, de onfeilbaarheid van een bepaald systeem en de noodzaak van eenieder om zich op te offeren voor het systeem en de instandhouding ervan. Dus wanneer je met die dingen bezig bent, ik bedoel het is wel goed als die kinderen weten dat er communisten zijn, dat er fascisten geweest zijn, dat er democraten zijn, die soms eigenlijk communistische fascisten zijn die een ander laten praten, dit is het bekende kiessystem, u weet het wel, u mag kiezen wie u bedriegt en op die manier kan je dus langzaam maar zeker wel een beetje inzicht geven. Maar is het belangrijk voor de kinderen bv. – laten we Nederland nemen – dat de haat van de oudere generatie voor de Duitsers aan de jongeren wordt overgedragen? Ik geloof dat dat absoluut zinloos is. Is het werkelijk belangrijk dat iedereen een Rus gaat zien als een levensgevaarlijk wezen, het is een gewoon mens. Is het erg belangrijk dat je leert bepaalde dingen te verheerlijken? Zoals in sommige groepen op het ogenblik bij jongeren bv. toch het gebruik van stimulerende middelen, andere dan de algemeen aanvaarde vorm van seksualiteit, e.d. worden voorgesteld als eigenlijk iets wat veel beter is. Het is niet beter, het is niet slechter, het is alleen anders. En wat drugs betreft, nu ja goed, vroeger hadden ze, vader drinkt niet meer en nu is het junkie kick-off. Dat is het enige verschil. Die dingen zijn er altijd geweest. Leer de kinderen dus de betrekkelijkheid van de dingen zien vooral. Leer ze om de dingen niet zo absoluut te benaderen.

Vrije expressie, ook zoiets waar men in het onderwijs steeds meer aan is gaan doen. Dat is natuurlijk erg leuk. Kinderen die een mooi gedichtje kunnen zeggen, die een mooie tekening kunnen maken, die heerlijk kunnen kliederen met klei of wat anders, het is heerlijk. En sommigen van hen hebben zelfs talenten. Over het algemeen hebben kinderen dus gaven om met kleuren te werken die alleen door idioten wordt geëvenaard in de maatschappij, omdat ze nl. instinctief dingen doen die je bewust eigenlijk niet meer kunt doen. Een werkelijk goede kunstenaar die met kleur werkt bv. moet altijd voor een deel kind blijven, anders kan hij het niet. Dat is heel gek. Maar goed, daar hebben we het niet over. Tussen twee haakjes, als iemand een noodkreet wil slaken, zeggen dat het niet juist is, of: “ik ben het er niet mee eens”, vertelt u het maar he? We gaan verder.

  • Ja ik ben het niet eens met die geschiedenis, het zit me erg dwars. Ik beschouw dat persoonlijk als één van de meest belangrijke vakken. Ik vind het erg belangrijk dat de mensen een beetje weten over de voorafgaande tijden, landen, noem het maar op, wat er zo’n beetje gebeurd is. Ik vind het eigenlijk erg naïef dat mensen nu niet weten hoe een eerste, een tweede wereldoorlog is ontstaan of de verscheidenheid van de verschillende landen enz.

Ja, je mag er wel iets aan doen. Maar ik zeg: het is niet het belangrijkste en ik zal proberen duidelijk te maken waarom. Wat denkt u van nationalisme? Wat denkt u dus van rassenwaan? Want denkt u van de aanhankelijkheid voor bepaalde achterhaalde denksystemen? Deze komen voort, juist uit een verering van het verleden,

Het is nl. zo wanneer je met de geschiedenis bezig gaat, dan is het net als de tv die in haar voorlichting ook alleen maar de extreme momenten toont, en niet de normale gang van zaken. Het kind krijgt een totaal verkeerd beeld van de werkelijkheid. En dat is ook te begrijpen, want de werkelijkheid van vroeger, kunnen vaak de historici zelf niet eens achterhalen. Dan ga je die kinderen dus belasten met een hypotheek, een hypotheek van vooroordelen. Een hypotheek van geweld, en rechtvaardigingen. De hypotheek van persoonsverering. Je legt een hele zware last op ze wanneer je daar te veel de nadruk op legt. De kinderen zullen heus, wanneer ze daar interesse voor hebben, zelf die dingen wel nagaan. Maar is het nodig om meer te doen, dan hen duidelijk te maken dat er iets is geweest? Wie kan er een werkelijk oordeel geven, zelfs op dit moment, een historisch juist oordeel, op de bezetting van Nederland? Omdat de werkelijke bewegingen, de menselijke achtergronden wegvallen. Wat overblijft is een feitenmateriaal dat dan heel vaak tot een niet geheel onpartijdig wordt gesorteerd, waarbij beweegredenen vaak terzijde worden geschoven of worden geperverteerd tot iets wat past in een historisch concept. U moet me dus niet kwalijk nemen – ik heb al gezegd aan het begin – ik ben niet onfeilbaar, niet alwetend dat is niemand van onze groep in de geest. U mag er nog steeds over denken als het belangrijkste vak als u dat wilt. Maar vanuit mijn standpunt heeft het in de opvoeding een betrekkelijk geringe rol, is het een bijkomstigheid, omdat de historische achtergrond geen vaardigheid geeft die voor de maatschappij en voor het kind belangrijk is, maar wel over het algemeen veel tijd, veel denken en wat meer is, veel vooroordelen produceert. Tijd die beter voor andere dingen gebruikt zou kunnen worden.

Vooroordelen die ingebouwd zijn in praktisch elk geschiedenisboekje: Wie van u heeft er ooit wel eens verteld dat de Oranjes eigenlijk aan het bewind zijn gekomen door verraad t.a.v. hun vorst, en dan ontkennen van een eed die ze hadden afgelegd. Dat heeft nog niemand gedaan. Zul je ook in geen Nederlands geschiedenisboekje vinden, er zijn nog wel verouderde Spaanse boekjes waar het in staat. Dus realiseer je, het onderwijs heeft niet de taak het kind te vormen. Dat is de taak van de opvoeder. Het onderwijs heeft de taak het kind al die instrumenten te verschaffen waardoor het zich maatschappelijk op een redelijk niveau kan handhaven. Het onderwijs moet niet een mens vormen, het moet een mens die gevormd wordt in zijn eigen omgeving, al die middelen ter beschikking stellen, al die kennis, waardoor die mens, volgens zijn eigen kwaliteiten zijn eigen uiteindelijk opgebouwde persoonlijkheid, in staat is zich in die maatschappij te handhaven.

Mag ik even afwijken en iets zeggen van meer geestelijke zijde? Want uiteindelijk, ik kom uit mijn wereld en dan mag ik ook een lans breken voor datgene wat in onze wereld belangrijk is. Wij hebben vanuit onze wereld natuurlijk ook onze lijntjes naar de wereld toe, dat hebt u wel begrepen. We zijn zelfs van de meest recente ontwikkelingen vaak op de hoogte. Wij zien heel vaak dat juist het onderwijs gaat falen, omdat het niet in staat is de scheiding te erkennen die moet bestaan tussen opvoeding en onderwijs.

De nadruk wordt verkeerd gelegd en dat is menselijk allemaal heel mooi, maar het gaat er niet om of Pietje het erg zal vinden wanneer Pietje een jaar moet blijven zitten, het gaat erom of Pietje beschikt over de kennis die hij nodig heeft. En dan kun je het arme kinderzieltje wel troosten, maar het resultaat is dat Pietje op zijn vijftigste jaar nog de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, dat Pietje nog steeds stommiteiten schrijft en het enige waarin hij waarschijnlijk handiger is geworden is het rekenen; hij vergist zich nog steeds, maar alleen naar zich toe. Maar dat is de bedoeling niet lieve mensen. Op het ogenblik dat je een genormde mens wilt maken, met die maat zo en zoveel, dan kan ik begrijpen dat je met het onderwijs begint, dan moet je de kinderen ook onmiddellijk bij de ouders weghalen, dan moet je ze allen onder gelijke condities, onder gelijke omstandigheden opvoeden, een gelijke mate van liefde, een gelijke mate van discipline geven. Dan kom je wel niet terecht bij de mensen die je idealistisch had verlangd, maar dan bereik je iets. Want is het voor een kind werkelijk belangrijk dat het een vast geloof heeft, dat het een vaste wereldvisie heeft? Wanneer dat kind rijper wordt, veranderen die tóch. En wanneer er iemand in geslaagd is om een bepaalde reeks denkbeelden, stellingen, thesen, veronderstellingen en weet ik wat nog meer in te pompen in dat kind, dan blijkt dat grotendeels ballast, omdat het dan belemmerd wordt in zijn eigen vrije ontwikkeling binnen een maatschappij waarin het uiteindelijk zichzelf moet zijn. We hebben helemaal niets tegen de godsdienstigheid van de mensen, integendeel, we vinden ze erg belangrijk vaak, maar we hebben er iets tegen dat een kind wordt opgevoed met denkbeelden, waar het later niet meer van af kan stappen. Wanneer je het kind opvoedt met het kindeke Jezus, dan komt er een ogenblik waarop het kindeke Jezus meer werkelijkheid geworden is voor het kind dan de wereld. En wanneer dan blijkt dat al dat zoete en liefdevolle van god, waarover het zoveel gehoord heeft in de praktijk geen steek uithaalt, dat er nog mensen verhongeren, dat er nog mensen vermoord worden, dan komt er een ogenblik dat het zegt: ben ik nu gek? Is God gek? Of bestaat Hij niet? De ontkerstening is voor een groot gedeelte voortgekomen uit de dwingende opleg van een zeer bepaalde geloofsvisie. Een geloof heeft iedereen wel. Elk kind neemt uit zijn omgeving, zijn ouderlijke omgeving ongetwijfeld iets mee van het geloof, en dan vooral het praktische geloof waarmee de ouders leven. Maar wanneer je dat door lessen gaat versterken, dan blijkt dat geestelijk gezien vaak een soort, ja ik zou bijna willen zeggen, een castratie van het werkelijke geloofsbeleven te worden. De innerlijke beleving wordt vervangen door de droge formule. Op dezelfde manier zien we heel vaak dat men zegt: nu ja, we moeten het de kinderen niet te moeilijk maken. Maar als je het kinderen niet te moeilijk maakt dan gebeurt er iets, dan denken ze: zo is het leven; maar het leven is moeilijk. Iedereen kent in zijn bestaan bepaalde perioden waarin het verduveld moeilijk is, waarin je werkelijk met hand en tand bezig bent je geestelijke gezondheid te bewaren en je een klein beetje te handhaven. Daar moet een kind op voorbereid zijn. Juist doordat men te veel de kinderen a.h.w. een gelukkige en harmonische jeugd wil geven, stuurt men ze later in een wildernis waar ze niet op voorbereid zijn. En dan kun je in een verzorgingsstaat als Nederland misschien zeggen: nu ja, het loopt nogal los, maar de denkbeelden die ze hadden, het hele gevoel van leven en van belangrijkheid wordt kapotgeslagen.

Als u mij niet gelooft, moet u maar eens naar de jeugdwerklozen kijken. Het product, ook in hun benadering van hun eigen toestand, van een onderwijs dat hun met zachtheid heeft willen vormen. Dat daar geestelijke problemen uit voortkomen die niet één-twee-drie op te lossen zijn, zult u later aan onze kant ongetwijfeld kunnen constateren. Wij prediken verdraagzaamheid. Verdraagzaamheid is – we hebben het al heel vaak gezegd – niet een kwestie van over je laten lopen, maar aanvaarden dat een ander anders is en doet, zolang hij jou niet dwingt om af te wijken van hetgeen jij bent; je de kans geeft om zonder anderen te schaden, zo te leven en datgene te doen wat jij nodig vindt. Maar we zeggen er ook bij: elk mens heeft zijn eigen verantwoordelijkheid, een verantwoordelijkheid die niet algemeen bepaald kan worden, maar die in jezelf is vastgelegd; een denkbeeld waarmee je tegenover de wereld staat en waaraan je voortdurend moet beantwoorden, wil je vrede kunnen hebben met jezelf als mens. Vervals je dit beeld, dan maak je het een mens onmogelijk om vrede te hebben met zichzelf.

En dan zult u me ongetwijfeld vergeven wanneer ik zeg dat opvoeding zowel als het onderwijs in deze dagen naar mijn opinie werkelijk tekortschieten. Het kind is niet meer, zoals het zou behoren te zijn, het belangrijkste in het gezin. Het wordt een factor die je wel liefhebt, maar die toch uiteindelijk storend is. Het is ook een onbetrouwbare factor, dus je kunt hem niet toegang geven zelfs tot de geborgenheid van het eigen huis. Moeder komt wat later thuis hoor, want ik ga gezellig de stad in met tante Mien; hier heb je een rijksdaalder, dan koop je maar een patatje en dan ga je maar een beetje met je vriendje spelen. Eén keer gebeurd is niet erg, als het tien keer is gebeurd, wordt het kwetsend en als het honderd keer is gebeurd, dan is dat huis niet meer jouw huis; je mag er alleen maar in onder toezicht van anderen. Het is natuurlijk begrijpelijk, vader en moeder moeten werken, uiteindelijk moeten we zorgen dat we aan onze trekken komen en je wilt uiteindelijk ook nog wel eens een keertje lekker op vakantie, nietwaar, al is het maar naar Benidorm of zo. En de kleuren tv moet afbetaald worden en ja, de benzine wordt ook duurder en vader wil toch ook graag met de familie gaan rijden, nietwaar? Maar wat gebeurt er met die kinderen? Denkt u dat het voor die kinderen belangrijker is om naar Benidorm te gaan dan de aandacht te hebben en de voortdurende uitlaat, de mogelijkheid om te klagen, ‘de klaagmuur’, maar ook gelijktijdig die correctieve factor die steeds beschikbaar is? Het is maar een vraag. Het is allemaal zo gemakkelijk, maar is het juist?

En dan krijgen we het onderwijs. Het onderwijs wordt meer en meer beheerst door theoretici, vergeeft u mij. Het onderwijs waar zeergeleerde heren bezig zijn veronderstellingen te uiten die later blijken niet juist te zijn. Waarbij kostbare en veelomvattende hervormingen worden opgelegd, waarbij vaak ook het onderwijzend personeel zich niet kan aanpassen. Waardoor het om het nu onder ons eens eerlijk te zeggen, vaak tot een janboel wordt, waarbij de onderwijzers en het hoofd een voortdurende ruzie hebben omdat ze er op één of andere manier toch uit moeten komen en toch net aan de voorschriften moeten voldoen. Denkt u dat dat leuk is voor die kinderen? Die kinderen zijn dus een middel geworden om de juistheid van het systeem te bewijzen, de vaardigheid van de onderwijzer en het perfecte gezag en de goede leiding van het schoolhoofd. Dacht u dat kinderen dat niet ergens aanvoelden?

Die kinderen weten verduveld goed waarom juist dit van hen gevraagd wordt en dat niet. Die weten ook dat het met alle schijnbare vrijzinnigheid een kwestie is van opzitten en pootjes geven. Die kinderen voelen zich een beetje verloren in dat onderwijs Soms is er een goede relatie met één of andere leerkracht; best, daar leren ze van, dan doen ze hun best wel. Soms worden ze geboeid door een bepaald onderwerp, dan zullen ze daar inderdaad veel tijd aan besteden. Maar voor de rest is het toch eigenlijk niet belangrijk? Je moet een goed figuur slaan en de rest komt er niet zo op aan. En dan kunt u zeggen: ja, dat is nu een beetje eigen aan het onderwijs en we geven ze toch alle kansen? Ja, u geeft ze alle kansen, behalve de kans om te leren wat je ze toch ook zou moeten leren: dat je voor alles moet vechten. Ook voor je plaatsje op die andere school met meer mogelijkheden, ook voor je plaatsje op de universiteit, ook voor je plaatsje in de maatschappij. Dat vechten niet alleen betekent hard schreeuwen en eisen stellen en dan een minimum presteren, maar dat het betekent niet alleen presteren wat er van je gevraagd wordt, maar gelijktijdig nog andere prestaties leveren, zodat je een beetje verder komt.

Wat ik probeer u duidelijk te maken is dit: Onderwijs dient een aanvulling te zijn op de opvoeding en kan niet in de plaats daarvan treden. Opvoeding is in feite het psychisch vormen van de jonge mens. Onderwijs is het de jonge mens kennis verschaffen. Die kennis dient dan het hoofddoel te zijn van het onderwijs, zoals de psychische vorming in het gezin het hoofddoel zou moeten zijn van datgene wat de ouders, de verzorgers voor het kind doen. Iedereen wil ergens bij horen, dat is erg belangrijk. De mens is wat dat betreft een kuddedier, hij moet zijn eigen groep hebben, hij moet zijn eigen geborgenheid hebben. Dan moet je eerst het kind de mogelijkheid geven de geborgenheid te ervaren, je moet hem de mogelijkheid geven de groepen te erkennen waarbij het kan behoren en de consequentie voor zichzelf van een dergelijke groep te ervaren, doordat het reeds in zijn eerste kleine groep het gezin de consequenties van het behoren daarbij heeft leren kennen. Beleving van de expressie en de vaardigheden die men daarbij heeft geleerd, zijn in feite van belang voor eigen oriëntatie in de wereld, nadat men het onderwijs heeft beëindigd, en misschien ook de banden met het gezin zo zwak zijn geworden dat men op zichzelf staat. M.a.w. de expressie op zichzelf kan erg belangrijk zijn wanneer het erom gaat om in het kind alles te ontdekken wat erin is.  Maar aan de andere kant moet je dan toch ook wel zeggen: wat heb je aan al die dingen wanneer ze in de maatschappij zelf niet van betekenis en niet toepasbaar zijn? Daarom zou ik zeggen: ongetwijfeld zou ik op de lagere school bv. wat tekenen en wat expressie willen hebben, al is het alleen maar om daardoor mogelijkheden van de pupil te kunnen constateren, maar ik zou er nooit de nadruk op willen leggen en ik zou zeker dit vak in belangrijkheid voortdurend laten terugtreden achter de feitelijke vaardigheidsvakken waaraan men wel iets heeft.

  • Maar denkt u niet dat het met de toenemende vrije tijd toch wel belangrijk zou kunnen zijn, ook later?

Wanneer ik kijk wat dit alles tot nu toe heeft opgeleverd, dan kom ik tot de conclusie dat deze zelfexpressie voornamelijk resulteert in vele graffiti op de meest plaatsen aangebracht in een voortdurende vernietigingsdrang, waarbij datgene wat men een enkele keer opbouwt over het algemeen alleen wordt opgebouwd om anderen tot grotere vernietiging aan te zetten. Wanneer dat het gevolg is van vrije expressie kan ik dat maatschappelijk, ook als vrijetijdsbesteding, niet bepaald bemoedigend vinden. En dan kunt u zeggen: ja, maar er zijn andere kanten. Dan stel ik hier tegenover: wanneer je vrije tijd eenmaal hebt, bv. door werkloosheid of een aanmerkelijk grotere verkorting van de arbeidstijd – zeg een werkweek van dertig uren – dan kun je zeggen, dan is het belangrijk. Zorg dan dat de mogelijkheid om zich daarmee bezig te houden aanwezig is. Maar probeer niet het kind alvast vóór te vormen, zodat het eigenlijk begint te rekenen op de mogelijkheid om zich ongeremd en vrijelijk voortdurend uit te kunnen drukken, want dan bereik je het tegendeel van hetgeen je beoogt. U heeft in ieder geval één voordeel wanneer u zich met die expressie bezighoudt, dan weet u dat op het ogenblik vele psychologen en ontzettend veel onderwijs-desonkundigen daar bijzonder op gesteld zijn en het van het allergrootste belang achten. En als ik dan eventjes een oude mop mag herhalen, vergeet u één ding niet:

Dr. Spock begon: spaar hem de stok.

Maar dr. Spock werd ouder.

De kinderen werden bouder,

en toen riep Spook :waar is mi je stok?

  • Hoe staat u ertegenover dat, zoals het op dit moment is in de maatschappij, dat beide ouders werken en waar één derde van de kinderen praktisch alleen opgevoed wordt door of de vader of de moeder?

Ik vind dit over het algemeen onjuist, tenzij er een gemeenschappelijk milieu is, waarin die kinderen dus te allen tijde een oudere – dat mag van mij dan een oom of tante of wat anders zijn – kunnen aantreffen, die de rol van vader of moeder over kan nemen. Dus niet alleen de moeder of alleen de vader, geen te eenzijdig gerichte oriëntatie, maar altijd een oriëntatie waarbij meerdere volwassenen bij voortduring toegankelijk zijn en er t.a.v. die volwassenen een contact bestaat, dat niet altijd verbaal moet zijn, maar waarbij ook lichamelijke contacten e.d. aanwezig moeten zijn. M.a.w. ik vind het niet erg wanneer een moeder een kind heeft, een vader een kind en verder niet, maar dan moet er wel iemand als opvang kunnen dienen en die opvang moet dan aanvaard kunnen worden als een gelijkwaardige met de ouders, dus bedienend personeel is daar alweer minder voor geschikt.

  • Dus de opvang in crèches beschouwt u als onvoldoende?

Ik beschouw de opvang in crèches in zoverre als onvoldoende, dat wanneer de crèche in de plaats gaat treden van het ouderlijk contact, of voor een zeer groot gedeelte in de plaats gaat treden van het ouderlijk contact, hierdoor in feite een gevoelsarmoede bij het kind ontstaat. En dat vind ik onaanvaardbaar. Dus ik ben geen liefhebber van de kinderen in de crèche en de ouders werken, tenzij moeder werkt, maar moeder heeft dan wel de tijd om twee keer per ochtend en twee keer per middag zeg een half uur bij dat kind te zijn, twintig minuten, maar dat is dan ook het minimum, terwijl het kind daarna meegaat naar de huiselijke kring en het normale contact krijgt. U ziet, ik wil helemaal niet de zaak wegdrukken; ik zeg alleen: je kunt het niet als vervangend beschouwen.

Een crèche waarbij een peuter van 3 à 4 jaar sociale contacten gaat opdoen is, ongetwijfeld goed en aanvaardbaar, maar het mag dan niet verdergaan dan het uithoudingsvermogen van een dergelijk kind, d.w.z. dat je voor een kind van 4 à 5 jaar kunt volstaan met 2 of 3 uur crèche per dag en dat daarna de ouders dan werkelijk beschikbaar moeten zijn, al is het maar omdat het kind op die ouders zijn nieuwe ervaringen moet proberen en afreageren.

Nu ben ik benieuwd wat u zo dadelijk in de pauze gaat zeggen: “Was dat een reactionaire knar”, of dat u zegt: “Het was een zeer gematigd progressief” of “het was een eigenwijs ventje”, het mag allemaal. Want, weet u, ik heb u gewoon punten gegeven om over te denken, onthoudt u dat nu maar. Ik zeg niet dat het alleen zo is, zoals ik het zeg. Ik zeg wel dat naar mijn beste weten en waarneming, ook dus datgene dat we vanuit de geest hebben waargenomen, hetgeen ik gesteld heb, juist is. Of daar veranderingen of aanpassingen op mogelijk zijn, is een kwestie waarover ik me moeilijk kan uitspreken, al is het alleen maar omdat men onmiddellijk in Nederland uitroept: het is niet haalbaar, hoewel wel mooi. Dus houdt me ten goede dat ik niet te veel positieve voorstellen heb gedaan. Ik heb wel geprobeerd om de situatie te schetsen zoals die voor het kind bestaat in de termen waarin volwassenen plegen te denken. Ik heb geprobeerd daarnaast om de goede en de kwade kanten en betekenis van opvoeding en onderwijs aan u voor te leggen en het enige dat ik misschien niet voldoende heb gedaan – maar daar ben ik werkelijk niet aan toegekomen – is duidelijk maken dat, wanneer partnership tussen onderwijzers en opvoeders moet bestaan, deze alleen gebaseerd kan zijn op volledige samenwerking plus een volledig onderling vertrouwen, en ik meen dat het daaraan heel vaak ontbreekt

Tweede deel

  • Het onderwijs dient afgestemd op de taak die straks in de maatschappij verricht dient te worden, zo stelde u globaal. Is het grote knelpunt niet dat althans deze maatschappij zo sterk op prestatie is gebaseerd? Is dit wel juist? Zal dit in de toekomst (met grotere automatisering, veel geringere arbeidstijden) dit niet geheel anders liggen?

De maatschappij is gebaseerd op de omzetting van rang en kwaliteit in bezit als statusobject, dat is punt één.

En, punt twee, op arbeidsprestatie en voortdurend grotere productie. Nu is het duidelijk dat een maatschappij op den duur daarmee nooit door kan gaan. Maar het is ook duidelijk dat wanneer eenmaal een bepaalde denk- en leefwijze ontstaan is, je deze niet binnen korte tijd kunt veranderen, ook niet wanneer je de hele jeugd zou oriënteren op een andere maatschappij. Dan blijft dat mechanisme nog een tijd lang doorlopen. En dus zou ik zeggen: inderdaad, er is een betere maatschappelijke vorm denkbaar. Ze zal ongetwijfeld wel ontstaan – ik vermoed binnen tweehonderd jaar – maar we moeten aan de andere kant er rekening mee houden dat de kinderen die in deze tijd onderwijs krijgen, moeten leven niet in een ideale maatschappij van later, maar in deze maatschappij. En denkt u niet dat een politiek systeem veranderen, betekent dat je een maatschappij verandert. Want wanneer we kijken bv. naar de Sovjetblokken, dan blijkt dat men daar onder diezelfde prestatiedrang gebukt gaat, en zelfs in een licht gewijzigde, maar grotere mate dan dit in de westerse maatschappij het geval is. Dus we moeten er rekening mee houden dat het onderwijs het kind moet voorbereiden op een maatschappij zoals deze nu ontstaat en daarnaast moeten we proberen het kind voldoende objectiviteit en vermogen tot relativeren te geven, dat het zich aan kan passen aan de veranderingen naarmate die zich in de maatschappij zullen afspelen.

  • Onderwijs is grotendeels in de greep van staat, bedrijfsleven en kerken soms ook. Deze instanties wensen gemakkelijk manipuleerbare, aangepaste pionnen. Hoe kan het onderwijs hier meer uit bevrijd worden?

Wanneer een onderwijzer een missionaris zou worden van een vrij en toch moreel passend besef, dan zou je natuurlijk zo’n school kunnen beginnen en dan zou je met een minimum aan kosten veel kunnen doen. Maar de praktijk is toch wel zo, dat iemand die in het onderwijs zit ook voor zijn moeite op zijn minst passend beloond wil worden. En het is ook duidelijk dat, gezien de mogelijkheden, zelfs als de ouders zouden willen betalen; en van de doorsnee-ouders dat dat er alleen inzit, wanneer we te maken hebben met een groot gemeenschappelijk apparaat dat het onderwijs stimuleert maar ook gelijktijdig reguleert. En daaraan verbind ik dus de conclusie dat we in ieder geval af moeten van alle overbodigheden in alle soorten van onderwijs. Waarschijnlijk zullen zeer vele mensen die aan christelijk onderwijs geloven zeggen dat dit onmogelijk is, maar ik meen dat je een school moet creëren waarin op staatskosten – let wel op staatskosten – de werkelijk noodzakelijke basiskennis voor maatschappelijke basiskennis wordt overgedragen en dat daarnaast – maar dan mede op kosten van de ouders – de mogelijkheid moet bestaan om aanvullende vakken en die dan eventueel volgens de wil van de ouders gespecialiseerd te onderwijzen in de lokalen van die school, maar niet gedurende de lestijden van die school. Dan zal iedereen waarschijnlijk onmiddellijk op zijn achterpoten staan, maar dat lijkt mij de enige oplossing.

  • Als uw zienswijze, waarbij een zekere basiskennis verplicht zou blijven en de rest facultatief, ingang zou vinden, waar zouden dan vooral weerstanden te verwachten zijn? Verwacht u dat uw zienswijze ook concreet verwerkelijkt zal worden?

Op den duur zal deze visie wel concreet verwerkelijkt moeten worden, maar de grootste weerstand verwacht ik voorlopig uit de kringen van het onderwijs, want deze mensen hebben nu eenmaal een apparaat en binnen dit apparaat functioneren ze en hebben ze hun betekenis. Maar verander je het apparaat, dan verandert hun eigen functie en daarmee hun zekerheid; ik denk dat ze daar absoluut op tegen zullen zijn. En dat daarnaast de grote weerstand natuurlijk komt van een groot aantal theoretici, die zich bezighouden met studies omtrent het onderwijs en daarmee in feite werkelijke prestatie van het onderwijs voortdurend belemmeren.

  • Zou het wellicht niet beter zijn om het onderwijs zelf ook in handen van de opvoeders, de ouders te leggen of gaat dat te ver?

In de huidige maatschappij gaat dit te ver en ik geloof dat ik daaraan toe mag voegen dat de meeste opvoeders in deze dagen zich onvoldoende bewust zijn van hun verantwoordelijkheid t.a.v. de kinderen en daarnaast te weinig begrip hebben van de eigen waarde die zich ontwikkelen moet in de kinderen. Ze proberen zichzelf gewoon op te leggen aan het kind zonder meer en het zal duidelijk zijn dat in dat geval alle doctoren hun kinderen dokter willen laten worden, alle advocaten advocaat en alle politici politicus en wat dat betreft behoede ons de here.

  • Hoe staat men in de geest ten opzichte van het vrije schoolonderwijs?

Ik heb dit in mijn inleiding in het kort aangestipt. Wij menen dat het werkelijke vrije schoolonderwijs voor de juiste vorming van het kind eigenlijk de meest aangepaste, de meest juiste methode zou zijn. Maar, zoals u bemerkt hebt, heb ik onmiddellijk daar achteraan gezegd: wat je zo in feite tot stand brengt, zijn zelfstandig denkende, zelfstandig handelende en ook kritische kinderen. En dat worden kritische en zelfstandige burgers. En de meeste apparaten die zich op het ogenblik als besturen opwerpen hebben alles liever dan dat.

  • Wat is de consequentie voor het kind, wanneer de moeder geen borstvoeding kan geven?

Die consequentie zal niet zo erg groot zijn, er zijn op het ogenblik vele mogelijkheden om die voeding te vervangen, maar de moeder zou zich dan moeten aanwennen om toch het kind gedurende de voeding een huidcontact te geven. Wanneer dit nl. wegvalt, valt iets van de geborgenheid en de associatie van welbehagen met dit contact weg en hierdoor ontstaat toch een lichte verwijdering.

  • Acht u het juist dat alle kinderen veel beter allemaal op één school ondergebracht worden? U noemde een basisschool op staatskosten i.p.v., zoals nu, een verscheidenheid van bijzondere scholen, niet alleen vanwege de vooroordeel vormende werking, maar misschien ook vanwege het psychologische effect van zich bevoorrecht gaan voelen.

Dat heb ik eveneens in mijn inleiding al aangestipt. Inderdaad, vanuit ons standpunt is het beter wanneer er één soort school is en daarnaast zult u zich misschien herinneren dat ik me heb uitgesproken voor een ander dan het huidige klassikaal onderwijs, voor het systeem van leerstofblokken die de leerling in zijn eigen tempo kan afwerken, zodat daarbij degenen die genialer zijn niet geremd worden door degenen die beneden de middelmaat zijn, terwijl omgekeerd degenen die beneden de middelmaat zijn op hun eigen specialisme goed op kunnen schieten en toch de tijd krijgen om zich werkelijk te verdiepen in die materie die voor hen wat zwaarder is.

  • Kunt u nog iets zeggen over het onderwijs in Rusland en China? Zijn er misschien nog bepaalde punten, principes waar we hier nog iets van kunnen leren?

Het principe van een discipline dat zou men in Nederland ongetwijfeld kunnen gebruiken. Maar er zit iets anders bij wat mij volledig onaanvaardbaar voorkomt, dat is nl. de voortdurende indoctrinatie, die nog veel verder gaat dan in de meest fijne christelijke school.

image_pdf