Ordening en anarchie

image_pdf

  9 september 1960

Allereerst wil ik u er nog even op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Verder vestig ik uw aandacht erop, dat de volgende week na de pauze gelegenheid zal worden gegeven tot algemene vraagstelling. Mijn onderwerp is: Ordening en anarchie.

Wanneer wij over ordening spreken, bedoelen wij daarmee de regels, volgens welke wij ons leven moeten leiden en de wetten, waaraan wij in de maatschappij gebonden zijn. Wij geven daarmee verder een vaste regelmaat of sleur aan, waaraan wij gebonden zijn. Deze kan ons een zeker gevoel van zekerheid en geborgenheid geven. Onder anarchie verstaat men over het algemeen een soort chaos. Dit is niet helemaal juist.
Op zich wil anarchie slechts zeggen: een wegvallen van alle, als vaste, geldende regels en normen, dus een superieure uiting van het individu. Staande aan het begin van een nieuwe tijd is het voor ons misschien wel eens goed het begrip “anarchie” verder te overwegen, na te gaan in hoeverre deze mogelijkheden heeft. Daarnaast dienen wij natuurlijk na te gaan, in hoeverre ordening ons helpen kan.

Wanneer wij op aarde komen vanuit een geestelijke wereld, zo geschiedt dit, omdat wij een zuiver persoonlijke reeks van belevingen door willen of moeten maken. Voor de geest is daarbij alleen het totaal van de opgedane geestelijke ervaringen belangrijk. Wat men stoffelijk doet, blijft buiten beschouwing, tenzij men geestelijk hiermede onmiddellijk gebonden is. Bij het einde van het leven zal de stof vervallen en haar oorspronkelijke vorm weer aan kunnen nemen, ook al is dit vanuit menselijk standpunt een vergaan. De materie verandert misschien wel, maar in deze verandering verwerft zij niet, begrijpt zij niet, verrijkt zij zich niet. Zij is alleen de grondstof van het leven.
Een stoffelijke ordening kan ons dan ook rustig koud laten, tenzij wij ons gedwongen voelen iets in die stof te beleven, wat volgens de stoffelijke begrippen van ordening verboden is. Denk niet, dat een tegen de stoffelijke orde ingaan, niet of zelden vanuit een geestelijke behoefte voort kan komen. Wij zien voorbeelden daarvan tijdens de inquisitie, bij de zending in Afrika gedurende een kortere tijd en verder ook tijdens het optreden van de conquistadores in Mexico. Stoffelijke en geestelijke belangen lopen soms vreemd dooreen.

Vrijheid van denken en van innerlijk beleven is voor de mens noodzakelijk. Hij is hierdoor nog wel niet in staat geheel zichzelf en geheel meester van zichzelf te zijn. Een perfecte anarchie met algehele vrijheid voor het individu is onvoorstelbaar, omdat er in het Al een kracht is, die te allen tijde de mens regeert: God. Nu weet ik, dat God een beginsel is, waarover gestreden kan worden. Wel gelooft, naar mijn inzien, iedere mens ergens in zijn wezen aan een God, maar niet een ieder is geneigd dit te erkennen en de naam God ook te gebruiken. Heel vaak geeft men aan God een andere naam om daardoor voor zich een soort superioriteit te verkrijgen. Deze superioriteit verkrijgt de mens echter zo nooit in feite, want hij blijft gebonden aan de onzichtbare wetten, ook wanneer hij dit ontkent. Hij blijft gebonden aan hetgeen voor hem was en is in de reeks van oorzaak en gevolg, de wetten, die de ontwikkeling regelen van stof en geest gebonden.

Dit houdt in, dat ook voor de wereld een vaste wet moet bestaan. Deze wet zal niet in een menselijke opvatting van ordening kunnen worden uitgedrukt, maar zal alleen in een concept van Goddelijke  ordening ingepast kunnen worden. Gods ordening voelt voor de mens vaak wat eigenaardig aan. Indien het niet zo erg oneerbiedig klonk, zou ik zeggen: God is vast een liberaal, want God geeft vrijheid. Voor God kunt u desgewenst zeggen: “Het scheppend principe”. Er is nergens iets, wat u belemmert handelingen te begaan, die u zelf wenst te begaan. Er is geen sprake van bliksemstralen, die uit de hemel komen vallen, wanneer u iets doet, wat tegen de wil Gods is. Er is geen sprake van een wereld, die zich voor uw voeten opent om u te verslinden. U kunt zo goed of slecht zijn volgens de menselijke of zelfs kosmische normen, als u zelf maar wilt. In de wereld bent u helemaal vrij om te doen naar eigen goeddunken.
Alleen zegt God, stelt de Schepping daarbij: Je moet de gevolgen ervan aanvaarden. Het gevolg, dat je ondergaat, ligt steeds in jezelf verankerd. Daardoor zal de mens automatisch komen tot een leven, waarbij bepaalde aspecten, die werkelijk met de Goddelijke wetten in strijd zijn, zullen worden vermeden.

De mens is geheel vrij. Hoe groter de vrijheid is, die de mens geniet, hoe eenvoudiger het voor hem wordt om zijn noodzakelijke ervaringen op te doen. Ben je gebonden aan een groep, maatschappij, of een vereniging, dan ben je meestal niet in staat geheel op de juiste wijze te leven en uitdrukking te geven aan je zijn. Er zijn dan allerhande wetten van “doe en doe niet”, die met uw eigen behoeften en leven feitelijk niets te maken hebben, maar het u toch ook vaak onmogelijk zullen maken dingen te doen, die voor uw verdere bewustwording noodzakelijk zijn. De ordening van de mensen is gebaseerd op de samenleving. Men tracht deze samenleving zo lang mogelijk in stand te houden en is in het geheel van de wetgeving in feite conservatief. Men tracht het bereikte te bewaren, te behouden en houdbaar te maken. Men tracht grote en alomvattende veranderingen zoveel mogelijk uit de weg te gaan. In zekere zin is de ordening dan ook een vijand van alle vooruitgang.

Toch is ordening noodzakelijk, omdat de mensheid te zeer uiteenloopt in types van bewustzijn, om een samenleving zonder ordening mogelijk te maken. Voorbeeld: In de mensheid treffen wij incarnerende geesten aan, die ternauwernood het dierlijk peil van bewustzijn ontwassen zijn. Hun eerste schreden op het menselijke pad zijn onbeheerst. Zij zijn onzelfstandig en laten zich maar al te vaak door stromingen drijven. Van een zelfstandig denken is weinig of geen sprake, hoogstens een schijn hiervan treedt op. Deze wezens zijn geneigd veel van hetgeen anderen voor zich hebben opgebouwd, te vernietigen, alleen maar omdat het boven hun eigen bereik staat, of buiten hun eigen begrip valt. Zij zijn in wezen vaak prooizoekers d.w.z., dat zij te allen tijde trachten ten koste van anderen te leven en te verwerven. Voor hen staat niet de bereiking, de prestatie, maar de verwerving in het leven op het eerste plan. Deze kunnen natuurlijk niet in een ongeordende maatschappij worden toegelaten. Wat er gebeurt, wanneer dergelijke typen de overhand krijgen, ziet u op het ogenblik gedemonstreerd in de geschiedenis van verschillende onderontwikkelde volkeren. In de beschaafde maatschappij vinden wij soortgelijke typen, maar hun werking is daar minder opvallend.

Daarnaast kennen wij de zuiver materiële levende en denkende geesten. Er is de laatste tijd een golf van deze wezens op de aarde geïncarneerd. Deze zielen hebben zeer waarschijnlijk een reeks ervaringen achter de rug – op aarde of in de geest – waarin bijgeloof, geloof, dat geen werkelijke grond of zin heeft, het leven beheerste. Het gevolg is, dat zij, de pijnlijke ervaringen daarvan geestelijk nog kennend, al het geloofwaardige van zich afzetten. In plaats daarvan zoeken zij zich ten koste van alles vast te houden aan een materialistische werkelijkheid. Voor deze wezens is regel en ordening het enige houvast aan het bestaan. Ook voor hen zou een wegvallen van ordening en wetten in menselijke zin ondragelijk zijn.

Ten derde hebben wij te maken met geesten, die reeds meerdere malen redelijk bewust geleefd hebben. Wij zouden dezen dus “meerdere malen geborenen” of Brahmanen kunnen noemen. Dezen hebben reeds een behoorlijke wijsheid gewonnen, maar kunnen deze wijsheid nog niet in een vrijheid van wezen geheel juist openbaren. Zij zoeken nog naar formules, vaste leringen en stellingen. Zij brengen daarom de wereld steeds weer een stoffelijke ordening, die gebaseerd is op en voortkomt uit innerlijk en esoterisch kennen of bewustzijn. Voorbeelden hiervan vindt u binnen bepaalde theocratieën, terwijl in andere landen hogere kasten van priesters of geleerden blijken te regeren. Hier zou een wegvallen van ordening kunnen voeren tot geestelijke terugval. Dit is o.m. gebleken in Atlantis, waar het niet meer erkennen als bindend van bepaalde esoterische wetten, voerde tot een verandering van de materiële wetgeving, die steeds meer de zelfzucht als basis had. Hierdoor zijn de delen van Atlantis vernietigd en in zee verzonken.

Door dit voorbeeld zal u duidelijk zijn geworden, dat voor het merendeel van de op aarde levende wezens ordening nog noodzakelijk is. Als gevolg kan deze hoogste trap niet als maatstaf gelden. De hoogste trap is de geestelijk vrije mens, die zijn krachten en bewustzijn uit het hogere weet te putten. De geest van een dergelijke mens zal weten uit te stralen naar hogere vlakken en sferen. Wanneer een dergelijke ziel zich in menselijke vorm een geestelijk levensdoel stelt, zal deze de menselijke ordening en regels dan ook niet ontkennen. Integendeel, ook deze zal de ordening, als voor zijn broeders en zusters noodzakelijk, blijven handhaven en steunen, waar hem dit maar mogelijk is. Toch is voor de hogere geest zelf een andere stoffelijke toestand nog begeerlijker.

Dit voert mij tot het tweede deel van mijn betoog: een beschouwen van de ware anarchie. Wanneer er geen regering meer is, geen gezag meer is buiten mijn eigen gezag, zo zal dit voor mij goed en aangenaam zijn, zolang ik mij van mijn taak op en mijn verantwoordelijkheid tegenover de wereld bewust blijf. Indien ik mij bewust ben van de positie, die ik binnen het Goddelijke ten overstaan van anderen inneem, is er geen behoefte meer aan algemene regels of wetten. Het vraagt een buitengewoon grote wilskracht, een grote scherpte van denken en inzicht, evenals een zeer grote zelfkennis, om geheel anarchistisch te kunnen leven.

De rijpe ziel heeft in zijn laatste stoffelijke incarnatie behoefte aan een stoffelijk beleven, waarbij hij helemaal eigen meester is. Slechts zo zal hij in staat zijn voor zich alle doeleinden van zijn geest, die hij immers steeds bewuster en sterker begint te erkennen, ook in het stoffelijke voertuig helemaal tot uiting te brengen. Als gevolg hiervan zal de rijpere mens zich vaak voor langere of kortere tijd uit de maatschappij terugtrekken en helemaal volgens eigen wetten en regels leven. Zijn gehoorzamen aan de wetten en regels van de maatschappij is over het algemeen geheel uiterlijk. Op deze wijze kwetst men niemand en geeft geen aanleiding tot het verwerpen van orde en regel door hen, die zwakker zijn. Voor de mens zelf bestaat dan een volledige stoffelijke en geestelijke vrijheid.

Deze anarchie is eigenlijk – goed bezien – voor de geest het meest begeerlijke, wat men zich op aarde maar voor kan stellen: een wereld, waarin ieder volgens eigen wetten en inzichten, maar ook geheel voor eigen verantwoording leeft, terwijl hij zich gelijktijdig van de rechten van anderen bewust blijft en deze niet schendt, brengt ons niet slechts vrijheid, maar tevens de snelst mogelijke ontwikkeling in stoffelijk en geestelijk opzicht. Daarnaast zal blijken, dat de stof én de geest gezamenlijk onder deze omstandigheden komen tot een snel en juist ontwikkelen van de eigenschappen, die men op de wereld nu nog occult of paranormaal heet. Het gevolg zal zijn, dat een dergelijke maatschappij op aarde, voor een betrekkelijk lange tijd deze in een soort paradijstoestand herscheppen kan.

In de Openbaringen van Johannes wordt gesproken over een 1000-jarig rijk. Dit rijk wordt voorgesteld als een soort pauze, die ligt tussen de beproeving van de wereld door de ruiters en de doodsengel, én het laatste oordeel, het Grote Einde. De symbolieken van de Openbaringen, die grotendeels van Assyrisch kabbalistische oorsprong zijn, maakt bij de juiste duiding een verdere uitleg mogelijk. Er komt een ogenblik, dat de mens in zijn bewustzijn met zijn God zal worden geconfronteerd en deze zal moeten aanvaarden of verwerpen. Dit is dan het Laatste Oordeel. Er zal ook een tijd zijn, dat de mens – ofschoon hij nog niet voor zijn God is getreden – zijn eigen plaats binnen Schepping en kosmos toch reeds bewust en vrijelijk in zal weten te nemen. Op het ogenblik, dat dit gebeurt door een meerderheid, ontstaat, stoffelijk gezien, een toestand, die volgens de huidige opvattingen zeker een anarchie is. Een dergelijk rijk zal tevens de hoogste ordening kennen, die op aarde bestaan kan: het volledig beleefde en zuivere zedelijke bewustzijn, waardoor de mens de wetten van naastenliefde, verdraagzaamheid en rechtvaardigheid geheel in praktijk brengt, ook in kosmische zin, als doel van eigen wezen en zonder enige van buiten komende dwang.

Zo ik reeds zei, is er in de wereld een grote verandering op til. De tekenen daarvan hebt u zo hier en daar al kunnen bemerken en de meesten onder u zullen wel aanvoelen, dat hetgeen op dit ogenblik in de wereld gaande is, slechts het begin is van een veranderingsproces en niet de verandering zelf. De wereld zal zich moeten gaan ontwikkelen. Indien wij de huidige wereld en haar vormen vergelijken met wat kan en moet bereikt worden, zo vinden wij het volgende:

In haar angst voor wat zal gaan komen, is de wereld overgegaan tot een steeds verder in- grijpende ordening, waarbij zelfs de vrijere staten – bijvoorbeeld uit angst voor een dictatuur – op de duur steeds meer dictatoriaal op gaan treden. Het is een politiek verschijnsel, dat zich – typisch genoeg – herhaalt in godsdienst en economische verhoudingen, dat in alle denkbare vormen van organisatie zal worden weerspiegeld.
In plaats van een samenwerking is er de regel, de wet, in de plaats getreden. In de plaats van het menselijke weten hanteert men het wetboek, in de plaats van het persoonlijk denken komen de vaste regels, de gebruiksaanwijzingen, de handleiding. Een maatschappij, die zozeer tracht de huidige toestand te continueren en te bevestigen, moet wel zeer onzeker zijn van zichzelf. Deze onzekerheid pleit voor het aanwezig zijn van anarchistische tendensen in de mens zelf. De lethargie, zodra het politiek en sociale verhoudingen betreft, is hiervan een kenmerk. Het komt voort uit een strijdigheid tussen weten en begeren. Men zoekt nog de beschutting van de regel en de wet, maar de interesse is reeds op andere punten gericht.

Volgens “Openbaringen” moet een dergelijke absolute ordening een deel van het Grote Gebeuren worden geacht. Immers: in die dagen zullen slechts zij, die het merkteken van het beest in de hand, of op het voorhoofd dragen, gerechtigd zijn om handel te drijven. De handelaren van vroeger waren de machthebbers; zij omspanden de bekende wereld, regeerden de wereld voor een groot deel, terwijl zij de berichtgeving grotendeels in handen hadden en vaak konden beslissen over oorlog en vrede.
Het is duidelijk, dat met handeldrijven niet alleen wordt gedoeld op kopen en verkopen. Er wordt ook bedoeld: het innemen van een bepaalde functie, een sociale functie. Er bestaan op de wereld nu reeds landen, waar men alleen mag reizen in vrijheid, indien men voorzien is van een partijkaart en een paspoort, ook binnenlands. Daar is men alleen dan vrij in zijn bewegingen, wanneer men zich helemaal heeft overgeleverd aan het gezag van de partij. Niet, dat ik deze partij nu het “beest” wil noemen. Het beest is het principe, waaruit deze partij, maar ook heel wat andere religieuze en politieke beginselen voortkomen. Een geestelijke invloed, die kenbaar wordt als een mentaliteit.

Je vraagt je natuurlijk af – waar deze toestand nu reeds op aarde komt – wat verder volgen zal. Wij weten, dat de eerste ruiters zijn uitgegaan. Dit is geen grap, hiermede mogen wij niet spotten. In twee oorlogen zijn de mensen letterlijk weggemaaid door bommentapijten, geschut en zelfs atoombommen, als korenaren op het veld. Dit beeld is zuiver en juist. De andere ruiters vertegenwoordigen o.m. hongersnood, ziekte en pest. Ziekte en hongersnood kondigen zich op het ogenblik in vele gebieden weer aan. Zelfs de meest intense pogingen van de beschaafde wereld deze te bestrijden, worden door omstandigheden steeds weer teniet gedaan. Wat op het ogenblik in China gebeurt, kunt u niet overzien, maar de ellende daar is zeer groot, groter dan bv. in het dal van de Ganges, waar ook grote overstromingen zullen zijn. Het gevaar voor ziekten in China is aanmerkelijk groter dan in de Filipijnen. De bevolking van andere gebieden, als bv. Indonesië, lijdt sterk aan ondervoeding. Ziekten en ook melaatsheid beginnen steeds meer voor te komen in het vroegere Indië. Daarnaast kan worden gesproken van een voor dit volk haast ondenkbare verwildering van zeden. Ook dit is een soort ziekte. Ook de hongersnood komt steeds nader en is reeds duidelijk kenbaar. In Indonesië wordt de steun, die door andere landen werd besteed, bv. grotendeels besteedt aan ambtenarensalarissen, import van prestigegoederen als auto’s e.d. Er zijn de meest vreemde dingen gebeurd daar. Er zijn kostbare fabrieken gebouwd, die na voltooiing onbruikbaar bleken te zijn. Nieuw materiaal werd vaak afgekeurd, omdat men niet wist, hoe er mee om te gaan, of hoe het te repareren. De honger onder het volk wordt steeds sterker. In China zijn, door het mislukken van de oogst in Hankow en de verdere noordelijke provincies, situaties te verwachten, waarbij de mensen weer aarde eten. Hongersnood! Het lijkt er dus wel op, dat deze ruiters hun tocht over de wereld begonnen zijn.

Wij mogen dit proces niet zien als een algehele vernietiging van deze wereld, zelfs is er geen sprake van een probleem, dat de mensheid uiteindelijk niet aan kan. Zo erg is het niet. Er is eerder sprake van een worsteling met de krachten van dood en verderf. In het Oude Testament vind ik een verhaal, dat mij zeer sterk aan de huidige wereldtoestand herinnert: De oude Tobias zit in de zon. Een duif laat iets vallen en Tobias is blind. Zijn zoon gaat uit om een geneesmiddel te zoeken. Hij worstelt daarbij met een engel. Driemaal wordt hij overwonnen en op de grond geworpen. Daarna krijgt hij het recept, het geneesmiddel.

Ik denk, dat deze wereld op soortgelijke wijze zal moeten worstelen. Elk van de dreigingen, die de wereld op het ogenblik verzadigen, die van geweld, hongersnood door zelfzucht veroorzaakt, en van ziekten door gebrek aan naastenliefde ontstaan, zal de wereld moeten overwinnen. Ik vrees, dat in deze strijd de wereld drie maal zal moeten falen. Drie maal zal zij haar onmacht moeten erkennen. Maar drie maal gefaald hebbende en toch nog eerlijk strevend naar naastenliefde, menselijk recht en menselijke eerlijkheid en broederschap, zal zij het recept verkrijgen: de nieuwe instelling, waardoor de ogen van de mensen open gaan en de huidige lethargie op sociaal, politiek en godsdienstig gebied zal gaan verdwijnen. De mensheid zal weer ziende worden. Dan komt, wat men noemt, het duizendjarig rijk.

Wanneer wij dit alles bezien vanuit het heden, ligt dit rijk voor de mensen nog betrekkelijk ver weg: bijna 750 jaren. U zult dit gebeuren wel zien, maar vermoedelijk eerder van onze zijde dan van de uwe. Deze periode betekent een groeien naar de vrijheid. Men moet groeien naar de mogelijkheid zelf rechter te zijn over jezelf en vrij te zijn in bezitten en niet bezitten, het gebruiken van je krachten en het zoeken naar geestelijke wijsheid óf stoffelijk genoegen. Maar tot dan verlopen er nog minstens 700 jaar, die gekenmerkt zullen worden door zeer vele stoffelijke ordeningen, die steeds weer elkaar af zullen wisselen.

Er zijn veel wezens op deze wereld op het ogenblik, die nog niet rijp zijn voor geestelijke vrijheid, er zijn te veel wezens in deze wereld, die nog niet in de geringste mate in staat zijn te beseffen, wat geestelijk bouwen en geestelijk streven kunnen betekenen. Dientengevolge mogen wij wel aannemen, dat zich in de komende jaren meer en meer groepen van mensen gaan vormen, die in zich en in hun eigen gemeenschap anarchistisch zullen gaan leven, die alle wetmatigheid buiten de Goddelijke wet, die in hun wezen is uitgedrukt, terzijde zullen stellen. Tevens zullen deze voor de wereld werken en de wereld helpen tot een steeds juistere en ruimere ordening van stoffelijke en ook geestelijke zaken, die langzaam maar onophoudelijk het de mens en de wereld mogelijk maakt te groeien tot een punt, waarop voor elke mens een gelijke vrijheid mogelijk is.

Ik zou nu natuurlijk verder kunnen gaan uitspinnen, wat er zo in de komende jaren zal gaan gebeuren, maar mijn gedachten drijven mij eerder terug naar het verleden. Ik zie voor mijn ogen oude steden herrijzen, die nu nog slechts een naam zijn en lang geleden reeds teloor gingen. Steden, waarvan men misschien één enkele ruïne heeft teruggevonden, meer niet. Waar is de trotse handelsstad Ur? Waar zijn de rijke steden, de miljoenensteden gebleven, die eens als trotse rijken lagen onder het tempelgebied in Noord India? Waar zijn de steden gebleven, die eens Afrika maakten tot het centrum van de wereld? Zij zijn vergaan. Zelfs het oude Rome is vergeten en op de puinhopen verrees een stad, die misschien het oude gelijkt, maar zich de ware kracht en grootheid van het oude niet meer herinnert.

Wanneer ik die oude steden zie, denk ik aan hun wording en hun ondergaan. Daarbij ontdek ik dit: telkenmale, wanneer een stadstaat wordt geboren, telkenmale, wanneer een rijk vorm krijgt en stijgt tot wat men cultuur noemt en geestelijk inzicht, bestaat de kern uit  individualisten: mensen, die vechten en strijden. Denk niet, dat de oudheid vol van heiligen was. Ur werd groot dank zij zijn handelsheren, die tevens piraten waren. Zelfs Salomo, de grote vorst, die heerste in de eens zo belangrijke stad Jeruzalem, de heer van 10.000 wagens, stuurde rustig zijn soldaten op rooftocht en zond ook zijn schepen niet alleen voor handel, maar ook voor roof uit. Die oude stedenbouwers waren geen brave mensen, maar hun wereld was er een van spanningen, van actie, van steeds weer werkzaam zijn. Vooral gold voor hen steeds weer: jezelf geheel inzetten voor dat wat je zoekt te bereiken, zonder enig voorbehoud.

Ook de grootheid van Egypte werd zo geboren: degenen, die daar worstelen tegen de opdringende woestijn en een rijk in het noorden stichten, zijn in voortdurende strijd met de Nubiërs gewikkeld. Het rijk in het zuiden is half verdronken in moeras en riet en bedreigd door natuur en mensen gelijkelijk. Maar zij, die toen leefden en hun rijken bouwden, waren hard, harde heren, die hun slaven tot de dood toe opjaagden, wanneer het niet anders ging. Maar ook heren, die hard waren voor zichzelf in de eerste plaats. Zo schiepen zij een wereld vol schoonheid en wijsheid. Zij schiepen iets ten koste van zeer velen, dat is waar. Zelfs Rome, want het grote Rome werd gebouwd op het bloed van Rome zijn soldaten, van de Romeinen, niet van barbaren, die later de Romeinse legioenen vormden. Zo worden de mensen groot, zo ontstaat een nieuw denken en een nieuwe wereld uit veel, wat u verruwing en nutteloos geweld toelijkt, maar gelijktijdig betekent, dat je met geheel je wezen ook zelf instaat voor hetgeen je nastreeft en zoekt.

Ik zie dezelfde steden en landen ondergaan. Ur verbleekt in de gezapigheid van rijk geworden mensen, die niet beter meer weten te doen dan te spelen. Zeker, men bouwt in die dagen huizen van 2, 3 en zelfs wel 4 verdiepingen en kent grote pracht, maar slavinnen en dobbelspel vindt men belangrijker dan de strijd om het bestaan, of zelfs maar de tempel van de Maangodin.

Levensstandaard en genoegen zijn belangrijker dan de schepen op zee en de levens van ontelbare mensen. Denk aan Egypte, dat vrolijk wilde zijn en vergat te streven, dat zijn slaven wilde gebruiken voor leger en landbouw gelijkelijk en hen zonder reden offerde. Dit volk móést wel zwak worden en ten onder gaan. Rome gaat ten onder aan de barbaren, die men gebruiken wil voor datgene, wat eens Rome zijn macht, kracht en grootheid was. Zelfs Byzantium gaat ten onder, wanneer het krachten aanvaardt, die niet eigen zijn aan dit rijk: een nieuwe godsdienst laat het even aan macht en invloed gewinnen, maar doet het zijn wezen verliezen.

Weet u, waarom al deze grote steden en volkeren teniet gingen? Omdat de mensen zaten te wachten, tot alles wat zij verlangden, hen thuis werd gebracht. Omdat zij in rijke zekerheid van bereikte welvaart meenden, dat God hen de nodige wijsheid wel zou geven zonder zoeken. Omdat zij meenden, dat het hun recht was de wereld te plunderen en voor zich op te eisen, wat zij nimmer zelf hadden verworven noch verdiend. Dingen eisen en verlangen zonder daarvoor zelf te streven en met eigen werken te betalen, is de ondergang; altijd weer.

Hoe staat het op het ogenblik in de wereld? Hoeveel mensen zijn er, die eerlijk en oprecht durven zeggen: “Ik begeer alleen, wat ikzelf kan verdienen”? Hoeveel mensen durven oprecht hun Credo en hun geloof uit te spreken? Hoeveel mensen zijn er, die eerlijk en oprecht durven zeggen tegen de wijzen en machtigen van deze wereld: wat jullie daar prediken is voor mij kolder! Let wel: ook de sterken van heden zullen niet onder gaan aan de onjuistheid van hun leer, maar aan de hypocrisie van hun volgelingen, aan hen, die zeggen te geloven en niet geloven, zij, die meelopen en trachten te profiteren, zonder te beseffen met welke waarden zij spelen. De staten gaan ten onder aan groepen, die hun eigen verlangen zien als een recht en als het in de wereld meest belangrijke.
Groepen, die geen begrip hebben voor het harde werken en streven, dat noodzakelijk is voor een werkelijk bereiken, maar het niet verdiende op gemakkelijke wijze op zich toe willen zien stromen. Groepen, die hun eigen rechten en mogelijkheden niet tellen, maar steeds afgunstig blijven zien naar hetgeen anderen met veel arbeid en strijd als eigen recht en plicht hebben verworven. Het egoïsme is het, dat op het ogenblik de sociale structuur van vele landen steeds sterker ondermijnt.

In de staatkunde zien wij precies hetzelfde. Woorden, die niet waar zijn, beweringen vol onoprechtheid, worden duizenden malen gesproken, tot geen mens meer durft geloven. Leugen, bedrog en afpersing zijn de gebruikelijke middelen, waarmee de staten tegen elkaar optreden. En een ieder aanvaardt dit. Niemand verzet zich meer in wilde woede daartegen. Niemand verzet zich meer hiertegen; ieder tracht de zaken vooral rustig en prettig te houden, althans in uiterlijke schijn. Men zou het zo graag met pantoffels aan en een pijp in de mond af kunnen doen. Desnoods is men bereid een gezellig diner te geven na een vergadering en deze geheel te betalen, maar meer mag een wereldvrede niet kosten. Meer mag het leven van de mensheid niet kosten. Geen stukje macht mag prijs worden gegeven, geen stukje welvaart mag men opofferen. Mensen haten mensen om hun huidskleur, naar zij zeggen, maar in feite is de kern van deze angst de vrees eigen superioriteit te verliezen, terwijl men de moed niet heeft om in eerlijke concurrentie voor deze meerderheid te strijden, te werken en te streven.

Zo hier en daar beweert men bang te zijn voor de grote aantallen primitieven. Maar men weet toch heel goed, dat deze in één enkele generatie opgevoed zouden kunnen worden tot hetzelfde peil, dat men zelf bereikte. Men weet heel goed, dat een mens, die eerlijk, goed en rechtvaardig handelt tegen zijn minder ontwikkelde broeders, ook tegen de grote aantallen onbeschaafden sterk staat.
Herinnert dit niet aan het grote Rome, waar de generaals vochten over de vraag, wie de volgende Caesar zou zijn? Waar de senaat over onbelangrijke dingen met vele woorden vergaderde, terwijl de Vandalen de Tiber reeds naderden? Doet dit alles niet denken aan de wijsgerige staatsie en pracht van een farao, die zich wijdt aan formaliteiten, terwijl de grenzen van het land aan alle kanten door indringende volkeren overstroomd worden en zijn onderdanen sterven, of tot slaaf worden gemaakt? Doet dit alles niet denken aan de kooplieden van Ur, die gezapig samen zaten, terwijl de storm raasde en het water de stad overstroomde, met verwensingen naar hun slaven roepende, niet beseffend dat zij zelf zouden moeten werken en strijden, dan wel vluchten, indien zij het leven nog wilden behouden?

Steeds weer herhaalt zich dit, het herhaalt zich steeds weer. Telkenmale, wanneer er een vernieuwing ontstaat uit de loop der tijden en het leven van de mens, zien wij deze verschijnselen optreden. In de oudheid kunnen wij zien, hoe macht en cultuur schijnen te springen van volk naar volk; hoe beschaving na beschaving ontstaat en vergaat. Egypte, Hyksos, Kreta, Babylonië, Perzië, Griekenland, Rome, Turkije, de Kalifaten.
Uiteindelijk komen wij dan aan de westerse beschaving toe, die zelfs in staat bleek een heel werelddeel te stelen. Dit klinkt niet prettig. Ik had moeten zeggen: die in staat bleek Amerika te beschaven. Maar uiteindelijk is de beschaving van Amerika steeds weer roven en plunderen, meer niet. Roof en plundering, die noodzakelijk waren voor mensen, die zich een nieuw bestaan wilden bouwen. Van de edelheid en waardigheid, die men op het ogenblik aan de oude pioniers toe wil kennen, was toch niet veel waar. De ontwikkeling van Amerika is te danken aan de vrees voor een tweede Bartholomeusnacht en aan de haat van sommigen voor de inboorlingen. Ook speelt het zoeken naar onafhankelijkheid en grote winsten een belangrijke rol.
Deze westerse maatschappij heeft het lang uitgehouden. Dit dankt zij aan het feit, dat zij een zo groot deel van de wereld omvat, zodat zij zeer groot is. Hoe groter de kolos is, hoe langer hij zal blijven staan. Om een Bijbels beeld aan te halen: moge het hoofd al van goud zijn, de voeten zijn van leem. Mogen weten en wetenschap in deze dagen sterk, groot en kostbaar zijn, de basis van dit alles is nog steeds angst, hebzucht, egoïsme, leem. Het is daarom, dat ik terug denk aan het verleden, wanneer ik de vernieuwingen van deze tijd voor mij zie.

Laat ons niet vergeten, vrienden, dat al deze voorbije beschavingen en tijden, hun resten hebben achtergelaten. Moge de wind van Gobi rusteloos het zand jagen over lang vergeten ruïnes, zo ontstond daar toch een leer die in vele geschriften werd vastgelegd en nu nog weerklinkt wanneer de ouden de 10.000 verzen van de Veda zingen, zoals zij ook zelfs nog in deze dagen weerklinkt uit de klassieken van China. Daar, waar Egypte ten gronde ging, ontstond veel van de paranormale wetenschap, die langs de weg van alchemie, tovenarij e.d. tot in deze dagen een basis heeft gevormd voor zowel wetenschap als nieuwe geestelijke bewustwordingen.

Elke tijd, elk vergeten rijk heeft zijn erfdeel achtergelaten aan hen, die na hen kwamen. Deze dagen kan de mensheid, die komt, onnoemelijk veel nalaten aan wetenschap, kunde, begrip, aan wondere melodie van muziek, zowel als dromen over werelden van vrede. Deze wereld moet afstand doen, de huidige beschaving moet abdiceren. Dat kan niet anders meer, maar zij heeft een rijke nalatenschap. Ik weet zeker, dat deze nalatenschap gaarne aanvaard zal worden door mensen, die na deze tijden komen.
Vóór het twee generaties verder is, zal er een nieuw soort mens geboren worden, die het erfdeel van de ouderen aanvaardt en met zich voert, maar daarnaast weer de ongebreidelde ruwheid zonder terugblik kent, de leeuwenmoed, waarop de Galliër zich heden nog zo graag beroemt, gepaard met de geaardheid en het doorzettingsvermogen van de noorderlingen, de Vikings. Dit alles tezamen, deze felheid en kracht, zal komen als erfgenaam van een nieuwe tijd. Dan zal er een strijd worden uitgevochten tussen ordening en anarchie. Niet in de wereld en niet in de politiek, maar in de mens en zijn leven, tot de mens innerlijk zelf in staat zal blijken de Goddelijke ordening te aanvaarden. Dan eerst zal men kunnen zeggen: ziet, de voorspellingen zijn waar geworden en het 1000-jarig rijk is aangebroken.

Vrienden, ik weet, dat in deze lezing voor sommigen van u pijnlijke punten schuilgaan. Ik kan mij voorstellen, dat sommigen onder u het ook onaangenaam vinden, dat ik voor de gedachte van de anarchie een lans heb gebroken. Ik verzoek u daarom niet te zeer op het woord alleen te letten, maar ook op de context. Anarchie is niet alleen maar chaos en vernietiging, maar kan evenzeer betekenen de volkomen innerlijke opbouw en de grootste persoonlijke vrijheid. Ordening kan de slavenketen zijn, waaraan de mensheid langzaam ten gronde gaat. Maar zij kan ook het middel zijn, waardoor de mensheid – door een steeds sterker aan de mens opleggen van eigen verantwoordelijkheid – wordt opgevoed tot de vrijheid en heerlijkheid, waarvoor zij ook reeds op aarde is voorbestemd.

In deze dagen zijn de grote en sterke geesten werkzaam op de wereld, die reeds nu als vrijen aan de zoekende mensheid kracht, waarheid en leiding trachten te geven. Reeds in deze dagen wordt er aan en voor u gewerkt. Er is geen reden om te wanhopen, geen reden om uit te roepen: “Dan zal dit leven ons wel niets meer te bieden hebben”. Rijk en vol kan uw leven zijn van geestelijk Licht, geestelijke kracht en geestelijke inhoud, wanneer u zelf tracht de ordening te vinden, die voor u aanvaardbaar is en de eenheid met de Goddelijke wet, die voor u onontbeerlijk is. Zo verwerft u de zelfkennis, waardoor u zich kunt scharen in de rijen van hen, die strijden voor de vrijheid van de mensen, het behoud van de wereld en de ontplooiing van de geest in een stoffelijk voertuig.

Vragen

  • Als wij de anarchie in ons zelf tot stand weten te brengen, begint voor ons het  1000-jarig rijk? Heb ik dat goed begrepen?

Neen, dat hebt u niet goed begrepen. Het 1000-jarig rijk is de term die wij gebruiken om een bepaalde era op aarde aan te geven. Een bepaald tijdperk, een bepaalde stoffelijke toestand. Wanneer u in uzelf naar anarchie streeft, bereikt u waarschijnlijk daarmede vooral innerlijke verwarring. Anarchie is een uitdrukking van vrijheid t.o.v. stoffelijke wetten, maar dan door een volkomen kennen en aanvaarden van de geestelijke wet, de wet Gods. Het zal u duidelijk zijn, dat u geen mogelijkheid hebt het 1000-jarig rijk reeds nu voor uzelf te doen beginnen. Wel kunt u iets anders bereiken: Door het in uzelf erkennen van uw eigen wezen, de openbaring Gods in u en de Goddelijke wetten, die het Zijnde regeren, komt men tot de staat, die Jezus het Koninkrijk Gods noemt: de mystieke eenheid met de Schepping, de Schepper en al het Zijnde, waardoor u als uitvoerend orgaan van al het Zijnde bewust kunt worden: gezondene uit de Goddelijke liefde op deze wereld, of in een andere sfeer.

  • Is anarchie dan een hogere term van ordening?

Anarchie is het verlaten van de stoffelijke ordening, omdat de geestelijke rijpheid ontstond, waardoor een stoffelijke ordening overbodig werd. In deze zin heb ik haar besproken. Anarchie in woordbetekenis op zich betekent: slechts het breken van bestaande wetten, regels en ordeningen. Sociaal, godsdienstig en anderszins, zodat een chaos ontstaat, waarin het individu wil trachten zichzelf te zijn. Het is duidelijk, dat dit alleen gebruikt en bereikt kan worden, wanneer het individu rijp is voor een toestand van vrijheid, zodat het niet meer slechts vernietigt en afbreekt, maar vanuit zich opbouwt. Slechts wanneer het Ik vanuit zich bouwt ten bate van al, zich daarbij niet alleen op eigen inzichten, maar ook op de bij allen ingeschapen grotere wet baseert, is een anarchie – een ten gronde richten van alle bestaande ordening op aarde – denkbaar, zonder dat dit strijd en chaos betekent. In zekere zin wordt de vrijheid en de anarchie tot een nieuwe vorm van ordening, zodra zij zich enkel op stoffelijke waarden of persoonlijke inzichten alleen baseert. Zij brengt dan een vorm van ordening tot stand, die erger is, of even fataal als de ordening, waartegen zij zich verzetten en die zij ten gronde richtte.

  • Maar het zegel van het beest, of het dier, dat men nodig zal hebben om….

Dit is niet juist. Letterlijk staat er, dat men geen handel zal mogen drijven, tenzij men het stempel van het beest draagt in de rechterhand en op het voorhoofd. Dit staat in de Openbaringen van Johannes. Het is heel iets anders als het merkteken Gods. “Toen de ruiters waren uitgegaan over de wereld, zo hoorde ik een stem, enz.” De stem beveelt de ruiters en de doodsengel stil te houden, waarop God Zijn engelen zendt om hen te merken die uitverkoren waren “en hun getal was 144.000”. Hierbij is geen sprake meer van het beest. God zet als zekerheid zijn zegel op hen, die hem aanvaarden, Zijn uitverkorenen.
In kabbalistische zin kunnen wij dit “zegel” verklaren als harmonie of eenheid. Het beest, in deze Openbaring het tegen God gerichte, doet reeds eerder precies hetzelfde. Dit vloeit waarschijnlijk voort uit de eigenaardige Godsvoorstelling, die men in de oude tijden had: Men ziet God niet als een eenheid, maar gespleten in een goede en een slechte God. Men neemt aan, dat de goede God zal zegevieren, maar kent voorlopig aan de kwade God gelijke machten en mogelijkheden toe.

Uit de gebruikte symboliek kan men aanvaardbaar maken, dat bepaalde voorstellingen uit de Mitrasdienst hier eveneens een zekere rol in het beeld spelen. Er wordt dan gerekend met een strijd tussen de God van Licht en de God van Duister, waarbij men aanneemt, dat deze beide krachten tot het einde toe praktisch in evenwicht zijn. Vandaar de slag bij Armageddon. Licht en duister, God en duivel vormen elkanders evenbeeld. Vandaar, dat de derde trap van inwijding in de Mitrasdienst ook de spiegel in het geding brengt.
In ieder geval hoop ik u duidelijk te maken, dat de krachten van leven en verderf, van licht en duister, binnen dit beeld met gelijke krachten en middelen werken. Wij zien in de Openbaring voor het Goddelijke het getal 7. Er zijn bv. 7 hoofdstukken, of delen in het boek, waarvan er echter nog gezegeld – gesloten – blijven. Het kwaad openbaart zich in de 7 hoofdzonden. Vier is het getal van de dieren rond de troon, maar 4 wordt even eerder genoemd als getal van de duisternis. De Openbaring bestaat voor een groot deel uit een kabbalistische weergave van evenwichtigheid, waarbij goed en kwaad buiten de mens gelijke krachten worden toegekend. Vier ruiters zendt God. Vier zijn de factoren van verderf. Vier ook zijn de dieren met het aangezicht van mensen rond de troon, de krachten, die het woord van de verlossing behoeden.

De Openbaring van Johannes moet geïnterpreteerd worden om begrijpelijk te zijn. Dit vergt een ruime kennis van de oude wetenschappen, de kabbalistiek en het gebruik van symbolen in de oudheid. Zo is bv. de leeuw met het aangezicht van mensen, of de gevleugelde leeuw, niet, zoals men misschien denkt, een beeld van een demon, of een Goddelijk symbool zonder meer, maar het beeld van volmaaktheid. De stoffelijke volmaaktheid van het dier wordt bekroond door de geestelijke volmaaktheid van het mens-zijn en drukte zo volledig harmonisch het Goddelijke wezen uit, zodat geest en stof gelijkelijk volmaakt kunnen zijn. Gevleugeld wordt dit wezen vaak uitgebeeld, omdat het krachtens weten en bewustzijn zich beweegt tussen de werelden van stof en geest en in beide macht en zeggingschap bezit.

  • De gevleugelde leeuw is het zegel van Venetië.

Voordien was het ook het zegel van Assyrië, terwijl de leeuwen in deze vorm ook de poortwachters van Babylon waren, de beschermers van Ninive, de wachters van de grote  tempelsteden van India etc. Zij waren en zijn soms nog het symbool van het pad der inwijding, zoals eens in Egypte. Dit symbool behoort niet alleen bij Venetië. Het zou ons te ver voeren de afkomst van bepaalde stads- en staatswapens af te gaan leiden. De tweekoppige adelaar, die daarin ook nogal eens voorkomt, is meestal een afleiding van de fabelvogel Feniks. Dit alles is verknoopt met de eerste vormen van het geloof, de daaruit ontstane symboliek, die later in heraldiek werd omgezet. Het vormt een onderwerp op zich.

  • Wanneer wij vroeger over anarchisten spraken, bedoelden wij mensen die alles in de war gooien.

Dat is zeker niet onwaar. Maar wij hebben dit heden in zijn beste, zijn praktisch volmaakte vorm, beschouwd. Vergeet niet, dat een werkelijk volmaakt communist zal leven als een volmaakt christen. Dit is theorie, want helaas zijn noch de communisten, noch de Christenen volmaakt. Maak het u daar niet te moeilijk mee.

 Esoterie

In dit tweede gedeelte houden wij ons weer met esoterie bezig. Dit kan men op twee wijzen doen. De eerste manier is alles zó ingewikkeld te maken, dat iedereen het mooi vindt, maar het niet begrijpt, terwijl de tweede wijze is de leringen zó eenvoudig te maken, dat men al snel de schouders ophaalt en zegt: “Wat heb je daar nu aan”? Omdat men meent dit alles te begrijpen en er niet meer over na denkt. Dat ik desondanks de tweede methode volg, is een soort proefneming.

Wij hebben in het menselijke leven altijd weer te maken met strijdige factoren. Een van de belangrijkste tegenstellingen is wel de strijd, die de mens met zijn stoffelijk lichaam pleegt te voeren. Een tweede, nog gevaarlijker strijdperk, is de gedachte, die weliswaar in de geest verder kan gaan, maar als fantasie vooral aan het stoffelijke gebonden pleegt te blijven. Een esotericus wordt vaak misleid door het aan de gedachte én het stoflichaam meer dan noodzakelijk aandacht te schenken. Indien wij werkelijk geestelijk bewust willen worden, zullen wij onze aandacht toch wel in de eerste plaats naar binnen toe moeten richten. Naar binnen toe wil dan zeggen: op een hogere geestelijke sfeer, naar een hoger geestelijk peil.

Om dit mogelijk te maken gebruikt men enkele eenvoudige ezelsbruggetjes. Stoffelijk geldt namelijk, dat degene, die zich niet beheerst, de slaaf is van zijn lichaam. Degene, die zich beheerst, is echter de meester van de werelden van de stof én geest, die hij kent. De fantasie geeft ook alweer eenvoudige regels: wie zich leiden laat door dromen en denkbeelden, vergeet te vaak de werkelijkheid. Wie zijn dromen en denkbeelden weet te richten volgens eigen behoefte en inzicht, leert daaruit de werkelijkheid kennen. In een notedop is dit het begin van het esoterisch streven.

Misschien shockeer ik velen onder u, wanneer ik stel, dat stoffelijke zeden en moraal uiteindelijk maar bijkomstig zijn. Ik zeg niet, dat zij voor de mens onbelangrijk zijn, maar bijkomstig blijven zij. Zoiets is het schijfje augurk bij een slaatje, of de raamstrip op de auto waarmee u rijdt; een versiersel, meer niet. Wanneer wij ons te veel vastleggen in zuiver stoffelijke richting, is het mogelijk, dat wij het belangrijkste over het hoofd zien. Het gaat ons dan net als de man, die voor zichzelf een auto bouwde. De carrosserie was schitterend, de bekleding ideaal. De instrumenten waren zo overzichtelijk aangebracht als nog niemand voordien had bereikt. Helaas bleek, dat hij de motor had vergeten. Wanneer wij ons leven alleen op willen bouwen op de stoffelijk geldende moraliteit, op het maatschappelijk aanvaardbare, zo kunnen wij uiterlijk ongetwijfeld leven als een heel goed mens, maar de werkelijke drijfkracht, die ons geestelijk verder moet brengen, ontbreekt. Daarom stellen wij als eerste en belangrijkste punt: Het doel is heilig. De middelen kunnen door het doel niet geheiligd worden, maar zijn bij het doel vergeleken onbelangrijk.

In de tweede plaats stellen wij voor onszelf: het Ik leren kennen, is een streven, dat door een teveel op details letten, verijdeld wordt. Een mens die voortdurend bezig is zijn kleine kwaliteiten en eigenschappen te bezien, zal daarbij het grote, dat hij werkelijk is, over het hoofd zien. Door de ornamentiek van het leven vergeet hij zijn persoonlijk en geestelijk zijn. Ook hier is het streven naar eenvoud een van de meest noodzakelijke dingen. Wij zijn vaak geneigd om – wanneer wij de eerste trappen bereiken – ons innerlijk streven te zien als iets, dat bijna zwart-magisch is. Wij zijn er bang voor, omdat ons alras blijkt, dat geestelijk streven gepaard kan gaan met lichamelijke actie en reactie. Dan zijn wij bang, dat dit ons schaden zal. In feite kan niets ons schaden, zolang wij maar eerlijk en oprecht alleen het goede zoeken.

Juist wanneer wij binnen gaan treden in de sferen, waarin kosmische wezens zich reeds openbaren en geestelijk rijpere wezens zich bewegen, zullen wij de mens geconfronteerd zien met de schijnbare incongruentie van stoffelijk leven en gedrag t.o.v. het geestelijk beleven. Legt men hierop teveel nadruk en acht men dit te belangrijk, dan vormen zich hieruit problemen. Daardoor sluit men dan de hogere wereld voor zichzelf af. Dit nu is niet gewenst. Wij hebben één enkel geestelijk doel, wat wij nastreven. Dit doel kan nooit in de wereld alomvattend worden gedefinieerd, omdat wij in de wereld nooit zeker weten, wat wij voor deze wereld in feite zijn en betekenen. U kunt wel menen, dat u buitengewoon goed bent voor uw medemensen. In dat geval is het voor u goed, dat u niet hoort, hoe zij uw streven en handelen becommentariëren achter uw rug. Dit commentaar is – eerlijk gezegd – lang niet altijd zonder grond, want ofschoon uw denken en ook uw intenties wel heel goed kunnen zijn, zo ontbreekt heel vaak inzicht in de werkelijkheid van het leven, in het denken en de reacties van anderen. Natuurlijk is het prettig, wanneer wij die anderen ook tevreden kunnen stellen. Maar belangrijker blijft toch steeds, dat wij tegenover onszelf zo eerlijk zijn als wij maar eerlijk kúnnen zijn en zo goed mogelijk streven.

Ons streven naar het goede houdt in, dat in ons langzaam maar zeker steeds meer geestelijk besef ontwaakt. Dit manifesteert zich soms wat onrustwekkend. Vooral, wanneer men voor de eerste maal op paranormale wijze een contact opneemt, voor het eerst zich uit eigen lichaam weg voelt drijven of voor het eerst ontdekt, hoe bepaalde kosmische krachten door eigen lichaam kunnen pulseren. Maar deze dingen zijn alleen verschijnselen. De esoterische ontwikkeling en de erkenning van het Ik kunnen nooit in deze verschijnselen gelegen zijn. Zij moeten in het Ik geborgen blijven en kunnen alleen in het Ik zelf gevonden worden.

Er was een zeer goede componist, die, zoals het met componisten gaat, nogal eens werd uitgenodigd om voor die en gene iets speciaals te schrijven. Vaak verwachtte men van hem, dat hij een goed maal zou honoreren met een kleine, maar originele melodie. Ook had hij zijn beschermers, waarvan één hem opdracht na opdracht gaf en hem trachtte suites te laten schrijven en fuga’s te laten componeren. Natuurlijk kwam er wel iets van, maar dat was lang niet altijd even mooi. Eens sloot onze componist een weddenschap af, zo maar, voor de grap. Hij zou een bepaald geluidseffect gebruiken om daaruit een melodie te scheppen. En zie, deze melodie heeft zovele goede eigenschappen en is ook in zijn orkestratie zó uniek, dat zij voor het volk en de musicus gelijkelijk de roem van de componist vestigde en zijn naam vereeuwigde.

U zult begrijpen, dat de mecenas daarover niet al te zeer te spreken was. Uiteindelijk had hij veel geld besteed om de man werken, eten en drinken mogelijk te maken. Maar het resultaat van zijn opdrachten was maar zo en zo. Hij hield dan ook een soort boetepredicatie en merkte op, dat hij het niet erg mooi vond van de componist zijn beste krachten in te spannen voor een weddenschap. Per slot van rekening was het niet redelijk, dat de componist voor een grap een meesterwerk zou maken, terwijl hij de opdrachten maar half scheen te verwerken. Het is de componist overigens nooit gelukt van deze opdrachten een succes te maken, behalve de ene keer, dat hij – door dezelfde beschermer – een kinderboekje toegeworpen kreeg met de spottende woorden: “Als je dan alleen maar kinderachtigheden weet te bedenken, is dit misschien een goed onderwerp voor je”. Hieruit kwam namelijk een zeer mooie orkestsuite voort. De componist heeft eens zijn beschermer van antwoord gediend. Volgens mij meer dan juist. “Luister eens. Wat ik schep, leeft in mij. Zolang ik echter iets moet gaan bekleden, waar u mij het geraamte van geeft, is het voor mij niet een eigen schepping. Daarom kan ik daar mijzelf ook niet in verliezen”. De man had groot gelijk.

Hoevelen onder de mensen beschouwen de wereld, de maatschappij, niet als een soort mecenas? Iemand, die ten koste van alles tevreden moet worden gesteld. Als gevolg is ons scheppend werk in vele gevallen, niet veel meer dan het zo goed mogelijk bekleden van het geraamte, dat de wereld, de maatschappij, ons geeft. Een zo ontstaan levensdoel geeft maar beperkte mogelijkheden en een beperkte bevrediging. Dit kan voor de kruidenier misschien de verkoop van pindakaas zijn, terwijl het voor een constructeur het bouwen van een brug, of het ontwerpen van een machine inhoudt. Men kan hierin wel een deel van de eigen persoonlijkheid leggen, maar niet het geheel. Geheel kun je je pas aan een zaak schenken, wanneer je wezen daarmee geheel één is geworden. Het typische is daarbij, dat de mens, die geheel opgaat in de taak, die hij vervult, of op zich neemt, niet alleen tot een maximale prestatie zal komen, maar tevens tot een optimale mogelijkheid van zelferkenning, want door jezelf uit te leven in een taak, in iets, dat creatie is, zul je steeds duidelijker kunnen zien, wie en wat je eigenlijk bent. Met kennis omtrent het eigen Ik komt men in sferen en geestelijke werelden veel gemakkelijker voort en veel verder dan zonder dit.

Voorbeeld, de esotericus streeft naar God. Op de weg naar God ontmoet hij vele verschillende bewustzijnsgebieden, daaronder bv. een astrale en een mentale wereld, een wereld van klanken en een wereld van Licht. Elk van deze werelden vraagt een opnieuw realiseren van verhoudingen en mogelijkheden, een nieuwe zelferkenning ook. Uit jezelf kun je niet tot God gaan zonder meer. Je moet alle waarden van het leven eerst gezamenlijk kunnen erkennen. Wanneer je nu niet weet, wie en wat je bent, ja, zelfs niet beseft, wat je vermogens zijn en hoe groot je krachten wel zijn, zul je in een astrale wereld misschien gaan worstelen met een meester of kracht, die je niet aan kunt, terwijl je in andere gevallen misschien de geestelijke krachten van een olifant bezit en toch voor een klein, piepend muisje weg zult lopen en zo veel verzuimen. In beide gevallen zal hieraan een groot nadeel voor eigen geestelijke vorming verbonden kunnen zijn. Je zou misschien menen het Licht te verstaan, maar in feite het geheel door gebrek aan zelfkennis en inzicht verkeerd interpreteren, waardoor je jezelf van de werkelijkheid zou gaan verwijderen. Omgekeerd blijft het natuurlijk mogelijk, dat je, uit angst het leven verkeerd te begrijpen, té weinig zou doen. Hoe je staat in relatie tot elke sfeer, die je betreedt, kun je alleen maar weten, wanneer je ook voldoende mogelijkheden en eigenschappen van het eigen wezen beseft.

Ik geef als ezelsbruggetje een klein rijmpje, dat u misschien kunt onthouden:

Ik ben, wat ik ben.

Wanneer ik ben, wat ik ben,

zo goed, als ik kan, ben ik meer dan vrouw of man!

Dan ben ik gelijktijdig een Lichtende geest en, als ik mijzelf goed bezie,  ook een verschrikkelijk beest.

Nu de uitleg: Ik ben, wat ik ben: er is één ding, wat ik zeker weet. Ik besta. Hoe ik besta, weet ik niet en wat mijn bestaan feitelijk is, evenmin. Maar dat ik ben, weet ik. Indien ik tracht dat, wat ik van mijzelf erkend heb, ook zo goed mogelijk te zijn, dan activeer ik geheel mijn wezen en niet alleen maar een klein deel ervan. Als gevolg zal ik een geestelijke ontwikkeling doormaken. Hierdoor kom ik verder dan een zuiver menselijk bestaan. Dank zij het zo verkregen bewustzijn, zal in eigen ogen de persoonlijkheid uiteen vallen in twee delen: het geestelijke en het dierlijke. Het dierlijke zal je in veel gevallen minder prettig aandoen, maar je weet, dat het bestaat. Omdat het bestaat, aanvaard je het en erken je het. Gelijktijdig kun je de Lichtende geest rijker maken door geestelijk bewust te handelen, ook waar het dierlijke op de voorgrond komt.

Het ezelsbruggetje kan dan worden aangevuld met het volgende zinnetje:

Waar Licht is, verdwijnt duister.

Waar Kracht is, verdwijnt materie.

Waar wil is, verdwijnt onvermogen.

Wanneer ik in mij Goddelijk Licht en Goddelijke Kracht heb, ook al lijkt dit nog zo weinig, dan krijg ik daardoor alleen reeds een steeds juister inzicht in de wereld en mijzelf. Hoe sterker het Licht in mij wordt, hoe duidelijker ik de verhouding tussen mijzelf en de wereld zal kunnen beseffen. Wanneer ik in mij de Goddelijke Kracht leer kennen, besef ik, dat ook de materie niet meer is dan kracht. Zij heeft daardoor voor mij niet zoveel gewicht meer. Zij wordt voor mij eerder een middel, dat ik hanteer, evenals andere krachten, die ik leer gebruiken, meer niet. Hierdoor kom ik geestelijk weer een stap verder. Dit derde punt mag u zelf eens overdenken. Dit alles lijkt mij voor u geheel begrijpelijk. Ik kies juist deze vorm, omdat ons een vorige maal verweten is, dat de les ’te hoog’ was. Nu heeft dit met eenvoudig zijn niet zoveel te maken met de stof, die wordt gegeven, dan wel met de vorm, waarin men ze tot uitdrukking brengt.

Tot besluit wil ik u eenvoudige tips geven op het gebied der esoterische ontwikkeling.

  1. Voor je begint je in te stellen op meditatie, esoterie, of het gebruiken van Goddelijke krachten, is het goed even na te denken over de dag, of de uren van de dag, die achter je liggen. Realiseer je, waar je goed en waar je verkeerd hebt gedaan. Op deze wijze maak je het denkvermogen vrij voor andere en belangrijker doeleinden.
  1. Wanneer je mediteert, zul je altijd moeten rekenen met storingen, die van buitenaf op kunnen treden. Een stoffelijke storing, die uw meditatie in de war gooit, is geen bewijs voor de hardheid of ongevoeligheid van de wereld, maar voor de onjuistheid van uw concentratie. Elke esoterische overweging moet in samenhang met de wereld worden gezien; elke storing of onderbreking dient te worden gezien als een nieuw element, dat zonder storingen in de meditatie zal kunnen worden ingevoegd.
  1. Wanneer je probeert geestelijke krachten te gebruiken, moet je voor jezelf ook stoffelijk uitdrukken, dat je die krachten gebruiken wilt. Pas wanneer je gehele wezen een smeken om die kracht is geworden, kan die kracht werkelijk ten volle tot je komen. Het is verder niet belangrijk, op welke wijze deze afdaling van krachten wordt uitgebeeld, of hoe zij zich stoffelijk manifesteert, wel is belangrijk, dat de kracht het voortdurende middelpunt is van elke handeling, gedachte, van elke daad en elk gebaar of woord, dat tijdens de smeking wordt gebruikt. Indien u de kracht in uzelf voelt, hou haar dan nooit vast. Innerlijke bewustwording kan niet verkregen worden door het opnemen of behouden van krachten. Hoe intenser en sneller wij de krachten aan de wereld door weten te geven, hoe sneller daaruit voor ons een zelfrealisatie en een geestelijke lering voort zal kunnen komen. Gebruik de realisaties, die u bereikt, in een kleine meditatie, die u na afloop van het doorgeven van de krachten houdt. Probeer u daarin te realiseren, wat u nu werkelijk wilde bereiken met het zoeken naar en doorgeven van deze kracht. Stel u voor ogen, wat u hebt getracht te bereiken en wat dus in wezen uw instelling was.
  1. Probeer nooit voor uzelf te bepalen, dat u nu naar een hogere sfeer uit zult treden. Tracht nooit voor uzelf het contact met een hogere sfeer bewust op te nemen. Streef nooit naar een bepaalde sfeer, maar concentreer u steeds op het hoogste, wat u kent, op dat wat voor u God, het begin en het einde van alle kracht is. Hierdoor kunt u het voor u hoogst mogelijke ook inderdaad bereiken. In alle andere gevallen is het zelfs vraagwaardig of u de sfeer, die u zoekt, inderdaad bereiken zult. De beelden, die u dan eventueel ontvangt, kunnen bij een te sterke instelling op een bepaalde sfeer in vergaande wijze vervalst worden door eigen verlangen en fantasie.
  1. Stel u open voor het denken van de wereld. Doe dit niet door naar die wereld te luisteren, maar door die wereld in uzelf te aanvaarden en te willen ontvangen. U bent deel van die wereld. Zodra zij waarlijk tot u door kan dringen, geeft zij u tevens te kennen, hoe u tegenover die wereld staat. Door de sfeer van de wereld, het gemeenschappelijk weten van de wereld in uzelf, zonder verzet te aanvaarden, zult u beter kunnen bepalen, hoe u tegenover die wereld staat en welke verschillen er tussen u en die wereld eventueel aanwezig zijn. Dit bevordert niet alleen de zelfkennis, maar draagt tevens bij tot een grotere juistheid van streven.

Ik zou u willen verzoeken deze punten eens te overdenken en, waar zij voor u toepasselijk zijn, ze voor uzelf te gebruiken. In alles, wat te maken heeft met esoterie, geestelijke waarheid en geestelijke wijsheid, is de eenvoudigste vorm de meest juiste. Wij kunnen de meest eenvoudige vorm alleen voor onszelf vinden en bereiken. Als gevolg zullen wij bij elke esoterische leer, bij elke geestelijke les, voor onszelf de eenvoudige conclusie moeten trekken, die daarin juist voor ons is gelegen. Deze conclusie zullen wij dan toe moeten passen op eigen wezen en leven. Dit bevordert weer én de bewustwording, de vorming van krachten én het juist gebruiken daarvan, zowel als – en dat is toch ook heel belangrijk – innerlijke vrede en daarmee ook een gelukkiger leven.

Wanneer u last hebt van slechte nachtrust, is ook hier een aardig middel met geestelijke mogelijkheden. Tracht voor uzelf eens na te denken over de vraag: Wat is nu eigenlijk het eenvoudigste punt van mijn leven? Wat is de grondslag van alles voor mij? Waar draait het voor mij eigenlijk alles om? Denk erom, niet hardop…. Wanneer je uitgedacht bent, slaap je. Maar een ander, die toe moet horen, slaapt meestal reeds voor jij halverwege bent.

Dit, vrienden, is dan alles, wat ik voor deze avond aan meer esoterische lessen heb te geven. Het is alles eenvoudig en naar ik hoop, voor u allen begrijpelijk. Boven alles hoop ik, dat wat ik u gezegd heb, ook voor u allen bruikbaar zal zijn. Want 1000 mooie woorden zijn voor u minder waard dan twee woorden, die u op de juiste wijze begrijpt, zodat u ook zelf de daarin bevatte mogelijkheden en begrippen kunt leren hanteren.

Het schone woord: Weersverandering

Nog schijnt de zon; van achter torenende wolken werpt zij ons haar stralen en doet haar zoete warmte dalen, als laatste zomergroet. Het is goed te zijn, loom zijn de leden, het denken speelt met het verleden, het leven lijkt zo goed.

Torende wolken, aangedreven door een sombere, jagende wind, willen gierend ons belagen met korte vlagen en geven flitsend licht zó fel, dat het haast niet te dragen is.

Dan ruist de grijze regen neer, het is hondenweer; de vrede is vergaan, weg is de rust,

er is angst in het hart en denkt niet meer aan vroeger, en kent angst voor het huidig bestaan,

maar toch, zo er slechts zon, of regen slechts zal zijn,  geen leven zou op deze aarde bestaan.

Verandering van weer is een toestandsbepaling van het ik, maar verder een waan, want uit zon en uit regen, uit storm en uit rust, ontstaat het leven, dat de aarde behoort en beroert. Dit is deel van de kracht, die verder u voert tot stoffelijk beleven en geestelijk zijn. Deze wisseling verheft u van niet begrijpend klein deel van het Al tot iets, wat kennen, weten zal. Dit is mijn zijn, mijn doel.

Zoals de veranderingen van het weer, zo is ook de stemming van de mens: vandaag is hij uitgelaten en vrolijk, morgen komt alweer de dag, dat hij met tranen in de ogen en een lang gezicht rond loopt om zich over zijn droevig lot te beklagen. Dan komt het ogenblik, dat hij geen weg meer weet met het oude. Hij wil alles opnieuw aan gaan pakken, het oude vergeten en zijn leven vernieuwen. Hij neemt a.h.w. geestelijk de verfkwast ter hand om al het oude te veranderen.

Verfkwast

Met lange halen en forse streken, het oude breken, vernietigen oude grauwheid, vertrouwde vaagheid moet vergaan,  nieuwe kleuren, nieuw leven, nieuwe krachten moeten ontstaan, voor ons moet schoner, zonniger, klankrijker het leven worden.  Maar wie de kwast van ander denken en opvattingen te grof hanteert, vergeet daarom nog niet, wat in het Ik reeds staat geschreven,  heeft de les nog niet verleerd, die het verleden heeft gegeven.

Wordt door het strenge leven de nieuwe kleur soms aangetast, je merkt alras: de verfkwast legde slechts een masker  over al het oude heen, meer niet; en meer dan ooit is achter nieuwe schijn de oude mens alleen.

Maar soms komt er een vuur, dat pijnigt en loutert, als de brander vlamt, tot verft bubbelt en barst,  dan wordt het laatste weg gekrast, dan wordt het oude weg gereten  en blijft slechts nieuw en naakt bestaan.

Dan eerst is er sprake van nieuwe kleur en nieuwe kracht, dan is het leven nieuw en wordt herboren het bestaan,  dan wordt de oude waan verteerd, tot zij vergaan,  ruimte laat voor nieuw weten, nieuw ervaren je gegeven.

Geen masker meer, maar waarlijk leven, in nieuw Licht en op een nieuwe baan.

Dit wacht je, wanneer je door lijden en zijn gelouterd bent.

Slechts wanneer het oude werkelijk zwijgt, heeft al het nieuwe zin gekregen. Je kunt immers ook in het leven met de verfkwast pas werkelijk goede resultaten verkrijgen, wanneer de dikke lagen oude verf eerst worden vernietigd.

image_pdf