Osir, de priestervorst

24 april 1955

Het is lang geleden, dat Osir, de priestervorst op deze aarde leefde. Zijn naam is vergeten en verbasterd. Zijn leer werd tot een karikatuur en behoort zo langzamerhand tot de esoterische raadselen der oudheid. Toch was hij een leermeester in de grootste klasse. Een Messias, die veel en veel beter de werkelijkheid der wereld in kon zien, dan zijn volgelingen en zijn nakomeling, Echn-A-ton, de zwakke, die toch de waarheid zag, u moet zich Osir voorstellen als een voor die tijd tenger man. Hij was niet groot, maar harmonisch gebouwd en wanneer hij de lichte wapenrusting droeg en schild, dan was hij van een bijzondere distinctie. Hij heeft menig wapenfeit volbracht, maar zijn grootste wapenfeiten zijn overwinningen geweest, die in de eerste plaats geestelijk en pas in de tweede plaats stoffelijk waren.

Een groot gedeelte van een oud wereldrijk was ten onder gegaan. De storm, de laaiende vulkanen. Het wassende water en de beroerde wereld hadden bijna de helft van de toenmalige wereldbevolking weggevaagd uit het stoffelijk bestaan. Op de overgebleven eilanden, het vaste land van Afrika, het zuidelijk deel van Europa was een absolute wanorde ontstaan. Plundering, wreedheid, sadisme overspoelden de wereld en het leek, dat dat alles zou ondergaan door een waanbegrip, waarbij alleen de demon der wreedheid en de hebzucht werd vereerd.

In deze tijd was het, dat Osir naar voren trad. Met een betrekkelijk klein aantal krijgers bracht hij rust op de eilanden en drong hij door, eerst tot ver in Hibernia en later tot diep in Afrika. En waar men voor zijn wapen wilde vluchten, daar klonk zijn stem en leraarde hij. Waar gewonden op de velden achterbleven, dan was hij het, die genas. Kortom hij was een vorst, wiens liefde zo groot is geweest voor al het geschapene, dat hij daardoor de overwinnaar werd en wederom vorm kon geven aan het vervallen rijk van Atlantis. Ik heb hem verschillende malen ontmoet en gezien. Ik zou u willen vertellen, hoe hij eens leraarde, toen hij zich bevond in één van de noordelijkste delen van Afrika, gelegen tegenover het tegenwoordige Spanje. Hij sprak daar tot een aantal vluchtelingen uit Atlantis, die met de slaven tezamen waren vervallen tot grote waan.

Gij krijgers en slaven, gij hebt uw eer verloochend, ofschoon gij uw ketenen verbroken hebt. Denk niet, dat er een mens bestaat die, nadat hij de uiterlijke ketenen verbroken heeft, de innerlijke keten met gelijk gemak, met gelijke lust breken kan. Schouw op tot de hemel. De lichtende zon, die heeft stil gestaan gedurende enkele dagen en terug is gevlucht naar de plaats, vanwaar zij opkwam, gaat wederom haar statige baan aan de hemel. Zij is het, die leven geeft. Zonder haar zoudt gij in kou en duisternis reeds lang verstorven zijn.

Zij is het zichtbaar teken van de grote macht, die het Al in stand houdt. Het is die macht, die de werkelijke wetten heeft gesteld. Zo dadelijk kunt gij uw wapenen nemen. Gij kunt het veld hier verlaten, zoekende naar verovering, zoekende naar macht en bezit. Maar ik zeg u, de duisternis zal u achterhalen. Terwijl de zon nog aan de hemel staat, zullen uw ogen haar niet meer zien. Gij zult blind zijn en dood voor het werkelijke leven.

Daarmede gaf hij hen de keuze om de vrijheid in te gaan, of zijn scharen te volgen in de gebondenheid der slaven. Wij hebben daarover later gesproken, toen wij aan het kampvuur zaten en een ogenblik trachtten de vermoeienissen van de dag te vergeten. Toen sprak hij ons als volgt over het geweld: Het geweld is een middel, dat deze wereld altijd zal blijven beheersen, omdat de mens de waarheid niet ziet. De waarheid en de werkelijkheid stellen ons in staat op andere wijze te overwinnen. Maar wie overwint zonder geweld, die noemt men een God. En wij, die de aarde leiden, die trachten haar te voeren tot de grote wijsheid der eerste dagen, toen de lichtende geest op aarde keerde, wij mogen ons zelf niet verheffen in de ogen der mensen tot Goden. De wetten, die gesteld zijn, kent gij allen. Gij hebt ze horen zeggen door de priesters, gij hebt ze misschien in een ogenblik van heilig ontzag gegrift gezien op de gouden tafelen. Deze wetten zijn slechts de schaduw van het werkelijke, dat in u leeft. Gij ziet niet de werkelijkheden. Alles wat zich rond ons heeft afgespeeld op deze dag, alle dood, die gij rakelings langs hebt zien vliegen om naast u te slaan, alle geweld, alle overwinning, wat waren zij uiteindelijk anders dan kleine flitsen van beweging, omdat gij de werkelijke strijders niet hebt kunnen zien. In de ogen van een mens, die nog leeft in deze wereld van gebondenheid zien de werkelijke gedaanten en gestalten niet. Wat zij zien is de beweging van de grote Rechters, de grote Krachten en Goden. Zij denken, dat de wereld verandert, maar de wereld blijft zichzelf gelijk en alleen de Groten veranderen een ogenblik misschien in hun houding, hun overdenkingen, of overpeinzingen.

Ik mag hierbij voegen, dat het zeer lange tijd heeft geduurd, omdat ik meerdere sferen heb moeten doorworstelen, voordat ik de waarheid heb kunnen beseffen van deze woorden en toch is het werkelijkheid. Hij leerde ons, dat er velen zijn, die aan ons gelijk zijn, maar leven in een andere wereld of een ander bewustzijn. Dat dezen de werkelijkheid vertegenwoordigen, omdat ook wij zo leven als deze groten, maar zonder het bewustzijn, dat hen in staat stelt te handelen in de werkelijke wereld. Later heeft men daarvan gemaakt de grote Rechteren, die 42 in getal, in het Dodengerecht van Egypte zetelden om te oordelen en af te wegen de werkelijke waarde van ‘s mensen hart. Osir zelf heeft er nooit over gesproken. Laat ik niet te lang stil staan, bij deze enkele feiten van een krijgstocht. Er is een tijd gekomen, dat Atlantis wederom sterk en groot was. Dat de kleine vorsten in hun onderlinge verdeeldheid een statenbond hadden gesticht en hem, de grote veroveraar, de grote brenger van de Waarheid, niet langer als werkelijke macht dorsten en wilden erkennen. Toen is het volgende gebeurd, waarvan ik een deel heb gezien, het andere heb gehoord uit de mond van ooggetuigen: Osir had zich teruggetrokken in een Hof voor Rechtsspraak. In tegenstelling met het gebruik zetelde hij voor het Recht noch in een tempel, noch in een pronk vol paleis. Hij was gezeten onder de ruisende bomen op een berghelling en ontving met zijn rechters daar een ieder, die een klacht had. Hij oordeelde over de schuld, die ieder ook volgens aardse maatstaf moest worden toegemeten. Er kwamen toen een 20-tal edelen. Een hunner heeft zich aangesteld als klager en tot hem gesproken: “Grootmachtig Heer, wanneer er tien de waarheid kennen en één spreekt de leugen, je legt hem met geweld de leugen op, wat is dan het rechtswaardig oordeel?” Toen heeft Osir, wetende waarschijnlijk, wat hier voor een spel werd gedreven, geglimlacht. Hij gaf hen het volgende antwoord: “Zo er tien weten, dat er één leugen is, laten de tien elk voor zich een deel nemen van deze leugen en deze leugen zo vernietigen. Maar ik zeg u, wanneer het de waarheid is, zo zal zij herboren worden”. Osir is niet uit de doden opgestaan….. Althans niet, zoals men zich dat voorstelt. Maar zijn broeders, die met hem tezamen hadden gestreden om vrede en welvaart te brengen op de eilanden en in de koloniën, zij hebben hem gedood en volgens zijn eigen rechtspraak is zijn lichaam in vele delen geslagen. En was het geen rivier, waarin zij hem geworpen hebben, maar een zee, zo blijft het oude verhaal toch ongeveer gelijk. Ons aller moeder is de aarde. Pas op dat moment werd het voor ons mogelijk te begrijpen, waarom hij eens tot ons heeft gesproken over de Moeder Aarde, die herbaart en geneest en verheft, dat, wat in de ogen der mensen gestorven is. Er is geen stoffelijke Osir herrezen. En zijn schim werd gezien op 1.000 plaatsen tegelijk. Telkenmale, wanneer het morgen werd kwam hij, zegevierend in zijn wapenrusting en ging door de Hoven der Rechters, totdat zij in verwarring zijn gevlucht. Het was de schim, of de geest van Osir, die de legers vereende. Hij was het, die de tempels wijdde. En wij hebben nu begrepen later in de sferen wat er in werkelijkheid is gebeurd. Wanneer een mens sterft en in deze mens is alle goed van begeren, in deze mens is alle goedheid van werkelijk leven en bestaan, dan is het begeertelichaam weliswaar deel der aarde, maar zuiver en edele als het is, zal de aarde zelf het in stand houden. Wanneer dan de geest neerschouwt, bevrijd en vrij, op haar vroeger bestaan en leven, dan wordt het begeertelichaam tot een voertuig en dienaar, die haar wensen uitvoert niet zoals de geest haar uitstippelt maar volgens de bedoelingen van de geest, die rijst tot het hoogste bewustzijn. Dit is een waarheid, die wij niet verwerpen kunnen.

Dit is een waarheid, waar niets van te zeggen valt en waar niets aan vast te knopen valt.

Wanneer een wezen als Osir, in harmonie met de Oneindigheid, op de aarde sterft, dan zal het de aarde zijn, die zijn gedaante en gestalte doet herleven. Dan richt de natuur zelf een levend gedenkteken op, dat over de wereld gaat en de gedachten van hem, die reeds in vrede in hogere sfeer vertoeft, uitvoert, als ware zij een erfenis aan de geest der aarde achtergelaten. Hij heeft buiten zijn volmaaktheid, ook voor ons een leer achtergelaten. Deze leer zal ik u nog trachten tot uitdrukking te brengen in de beperkte arme woorden van uw taal: Alle leven op aarde is gebonden aan twee grote wetten. De eerste wet is de eenheid met het Al, die in geheel de Schepping tot uitdrukking komt. De tweede wet is die van de eenheid met de aarde, van waaruit men leeft. Wanneer men leeft in een sfeer, moet men één zijn met die sfeer. Wanneer men één is met een wereld, zal men juist met die wereld volmaakt leven. Elk wezen, dat leeft op een wereld, leeft in een sfeer, geeft zijn eigen bewustzijn aan het totaal dier sfeer en zo bepaalt zij, welk oordeel in die sfeer gesproken zal worden. Welk recht er heerst. Zij zegt, wolk licht zal stralen en waar de duisternis tot een sombere kerker wordt. Wanneer een geest werkelijk licht is, werkelijk is, dan zal nooit kunnen ondergaan in de sfeer, waarin zij dat licht heeft helpen brengen. Zij zal eeuwig herrijzen en bestaan en wanneer dan de krachten van het duister haar trachten te vernietigen, zo zal zij herrijzen tot in de Oneindigheid.”

Ook gij zult op deze wijze leven of sterven. Leven in verdeeldheid met uw wereld en gij zult in die wereld sterven en weggevaagd zijn, alsof gij nimmer geweest ware. De herinnering aan u, die achter blijft, versterft snel. Zij blijft alleen een beeld van de mogelijkheden, die op uw aarde of wereld bestaan. Maar op het moment, dat gij of een deel van uw wezen slechts in harmonie is met de wereld, waarop gij leeft en vervult haar wetten, zo zult gij altijd in die wereld voortbestaan, totdat die wereld zelve opgaat in een groter en andere werkelijkheid. Dit geldt voor elke sfeer, waarin gij zult leven. De oude Egyptenaren hebben deze leer veranderd.

Zij hebben gezegd, dat Osiris vaart in de zonneboot, geboren wordende in de poorten der vlammende morgen, wordende tot oud en wijs vorst, wanneer de avond sterft en gaand door de onderwereld in de nacht. Maar hij is op al deze plaatsen gelijk en altijd; hij is deel van de zon, hij is deel van de aarde. Er zijn sedertdien vele groten geweest en zij allen, wanneer zij tot éénheid kwamen met hun wereld geestelijk en stoffelijk leven voort in alle kleine elementen ervan. Die kan men niet meer verwerpen of verwijderen. Hun naam moge niet vergeten worden. Hun kracht, hun wezen en denken is onuitwisbaar ingebrand in een deel van de Eeuwigheid, waarin zij het bewustzijn bereikten en tot uiting brachten. En dan het tweede deel van deze wereld.

Wanneer een mens of een geest verdeeld is tegen zichzelf, aarzelt, omdat er twee dingen zijn waar zijn hart trekt, of er twee gedachten zijn, die zich niet met elkaar kunnen verenen, dat hij denke aan mijn leven.

Zo heeft Osir dit gezegd. En hij zeide; Ziet, ik brand van liefde voor de mensheid. Wanneer één wens mijn leven beheerst, dan is het bevrijd te zien degenen, die thans gekluisterd zijn in de verwarring van geweld en ondergang. Maar zij verstaan mij niet, wanneer ik alleen woorden der liefde spreek en zo draag ik het zwaard, zo draag ik de lans en het schild in het aanvoeren mijner krijgers. Ik overwin hen eerst met hun eigen wapenen, om dan mijn woord te spreken en hun de vrijheid dan te herschenken.

Wanneer gij de wereld tegemoet treedt of de sferen bedenk wel, eerst zult gij hen overwinnen en overtuigen met hun eigen wapenen. Dan eerst kunt gij hen misschien verheffen tot een hoger bewustzijn. En zelfs dan …….. Hoe snel maakt men van u geen God en ziet men in u meer dan de mens, die gij zijt. En toch juist mens moet hij zijn, wilt gij voor de mensheid wat betekenen. Stof moet gij zijn, wilt gij werkelijk deel zijn van de aarde, zoals gij geest moet zijn, wilt gij behoren tot de sferen en in u de ziel moet zijn van kracht, die u deel maakt van het Goddelijke. Ontbreekt u één dezer dingen, zo zijt gij niets. Wanneer gij dus uitgaat, strijdt dan in elke wereld met de wapens, die van die wereld zijn. Maar gebruik ze niet om uzelf te vestigen, maar slechts om u gehoor te verschaffen en spreek dan de woorden, die uit de eeuwigheid in uw eigen wezen weergalmen. Ik meen nu deze les te mogen beëindigen. Het is moeilijk om de verbinding langer in stand te houden. Ik ben in staat geweest u iets te vertellen van datgene, dat het meest belangrijke is geweest in zeer oude tijd. De tijd, waarin ik heb geleefd. Ik wens u verder een bewustwording en deelgenootschap met elke wereld, waarin gij zijt, opdat gij, zoals Osir dat heeft verteld, heeft geleraard, bewust deel kunt zijn van al, wat het uwe is, opdat het bewustzijn, waarvan gij deel zijt, het Goddelijke, in u moge groeien tot een hoog en waar bewustzijn.

o-o-o-o-o

Ik kom mij toch even kwijten van mijn taak als commentator. Er zijn n.l. verschillende moeilijkheden gerezen onderweg, waarvan u misschien wel iets heeft kunnen merken. In de eerste plaats bleek het zeer moeilijk te zijn om al deze gedachten in de juiste orde om te zetten. Het bleek erg moeilijk te zijn om een juiste verbinding voortdurend zo in stand te houden, zodat het element der oudheid niet geheel verloren ging. Toch meen ik, het experiment op zichzelf als goed geslaagd te mogen betitelen. Echter zou ik graag met u nog verder willen spreken over de wijsheid, die door deze vriend tot uiting werd gebracht. Wanneer hij zegt, met de woorden van een oud-leraar, “dat gij deel zijt van uw eigen wereld en uw eigen wereld met haar eigen wapenen moet overwinnen”, dan kan ik zo met hem meevoelen en kan ik dit begrijpen. Maar ik weet niet, of u de werkelijke zin hiervan volledig in u opneemt.

Wanneer je met kinderen zoudt spreken en je kunt met die kinderen meespelen en mee ravotten, je kunt a.h.w. hun taal begrijpen en hun woorden spreken, je kunt je de meerdere tonen, dan zullen ze eerbied voor je hebben. Dan zullen ze, wat zij nog niet eens volledig begrijpen gaarne van jou als oudere vriend aanvaarden. Maar op het moment, dat je de sterke en grote bent, alleen maar zonder begrip en zonder enige binding en vriendschap, dan zijn ze geneigd om te zeggen: “Nu ja, dat is goed voor die grote mensen, maar wij gaan ons eigen begrip”. Zolang ze kijken, die groten, dan zijn die kinderen zo braaf als het maar kan. Veel braver dan die anderen. Maar als de volwassenen weg zijn, dan moet je ook maar afwachten, wat er gebeurt. Dat zelfde geldt voor de geest, die een bewustzijn heeft verworven en die op aarde om moet gaan met minder bewusten. Het is allemaal wel heel erg mooi om in je eigen woorden en je eigen taal te gaan spreken, om je eigen bewustzijn volledig tot uiting te brengen en de volledige redenen van leven, zoals je die ziet voor te leggen aan ieder. Maar dat kun je pas, wanneer je eerst die mens op zijn eigen gebied je meerderwaardigheid hebt bewezen. Weet u, het is allemaal heel aardig om als minister te zeggen tegen een putjesschepper: “Hoor eens, mijn beste kerel, nu moet je zo en zo gaan”. Dan zegt de putjesscheppers “Excellentie, u weet niet, hoe u daarmee om moet gaan”. En misschien heeft hij eerbied genoeg voor de titel, of voor de persoon om :”Ja” te zeggen met een heel eerbiedig gebaar. Achter zijn eerbiedig front denkt hij dan toch; Acht vent …… nu ja. Dat is begrijpelijk.

Geestelijk gebeurt hetzelfde. Op het moment, dat iemand een geestelijke leer brengt en zich niet eerst gelijke van de mens bewijst en de mensheid op haar terrein a.h.w. overwint, is die mensheid niet in staat die leer te accepteren en te verwerkelijken. Dat geldt ook voor uw goede bedoelingen in deze wereld, die zijn onwaarschijnlijk goed en groot misschien. Het is onbegrijpelijk haast, hoe goed u kunt zijn. Dat is geen sarcasme. Er zijn van die momenten.

Maar verwacht niet, dat die wereld die goedheid van u zal appreciëren. Die wereld verwacht niet in u te zien, wat boven haar normale begrip en haar normale daden ligt. Zij wil in u alleen zien en onthoudt u dat nu heel goed haar eigen beeld. Pas wanneer gij haar als mens tegenover de mens, dus met zuiver menselijke dingen, overtuigd heb van uw meerderwaardigheid, van uw begripskracht etc., dan is er voor u de mogelijkheid, dat men inderdaad ook uw hogere leerstellingen wil accepteren en volgen. Maar eerst dan. En dan het tweede punt, waar wij ook toch eventjes over moeten praten, is het andere: “Dat je behoort tot elke wereld, waarin je leeft en waarin je werkelijkheid bent”. Nu ja, dat is begrijpelijk. Maar dat je blijft bestaan, wanneer je allang van de wereld weg bent gegaan, van deze wereld. Ik geloof, dat ik daarop ook commentaar mag geven. Wanneer ergens een ideaal evenwicht is geschapen, dan kost het enige moeite om dat evenwicht te verstoren. Een mens, die op aarde leeft en hier met de krachten der natuur en de wetten der natuur geestelijk en lichamelijk een volledig evenwicht schept, die is een evenwicht, die niet zo gemakkelijk meer verstoorbaar is voor een ander. En dan kun je dat lichaam wel weg nemen, maar dan zal die geestelijke kracht en die bewustzijnswaarde toch blijven voortbestaan en eerst zeer langzaam verbleken.

Of misschien geheel niet verbleken, maar zich aanpassen aan de vormveranderingen, die in de wetten en de bewustzijnswaarden der aarde zelve plaats vinden. Op die manier gaan er inderdaad geesten rond over deze wereld, die niet bezield zijn in de werkelijke zin des woord, en toch geesten des goeds zijn. Een overblijfsel en een schaduw van oude waarden op deze aarde van bijzondere grootheid, van bijzondere kracht. Wij mogen dat geen spooksels noemen. Er zijn soms heel gewone mensen in Uw eigen omgeving, in Uw eigen tijd, die een tijdlang een dergelijk wezen achter zich laten. Dit wezen brengt dan op de aarde, omdat het volledig in overeenstemming was met de wetten dier aarde en de bewustzijnswaarden dier aarde, de wil van deze persoon tot uiting, zoals ze was op het moment van sterven. En gelijktijdig door de harmonie, die tussen wezen en geest blijft bestaan, zal ook dit begeertewezen door de geest uit haar eigen sfeer kunnen worden beïnvloed binnen de beperkingen van het aards bewustzijn. Ik meende, dat ik er goed aan deed, om dit nog eventjes uiteen te zetten. Om daarover te laten vragen, daar vind ik het eigenlijk de tijd niet voor. Nu wil ik er nog een klein stukje aan toevoegen, voordat wij dit eerste deel gaan sluiten.

Dat is iets, wat zo-even niet gemakkelijk door te geven was, zodat ik eerst zelf heb opgevangen en vertaald. Het is a.h.w. een stukje van een gebed: Eén zijn met de wereld, één zijn met de krachten van de geest, zelf deel zijn van de wetten, die het in het “ik” uit en dat is de waarheid van leven en bestaan. Laten de grote wetten, de grote krachten, die ons regeren, ons in staat stellen om zonder aarzelen te kiezen, wat juist is voor de wereld, waarin wij leven. Laten zij ons leren onderscheid te maken tussen de verschillende werelden. Te begrijpen, hoe elk zijn eigen waarde heeft.

Maar vooral, laten zij in ons het besef groter worden van de éénheid aller werelden, die de waarheid en de werkelijkheid aller dingen uitmaakt. Zo er een God is, die wij ons nog kunnen voorstellen en begrijpen, dat die God met ons moge zijn op onze wegen. En zo er een God is, die wij nog niet kunnen begrijpen, dat dat deel van Zijn Wezen, dat in onze sfeer tot uiting komt en voor ons bevattelijk is, moge zijn de steun, die ons leidt tot de bron, van waaruit het zijn eens geboren werd.

En met dit gebed uit de tempel en de tijd van Osiris wil ik deze helft besluiten.

0-0-0-0-0-0-0

De zee.

Wij zullen dan in dit gedeelte ons met wat lichtere materie bezig houden om een al te grote vermoeidheid, vooral van het medium in dit geval, te voorkomen. Ik zou graag met u willen spreken over de zee. Uit de zee zijn de eerste wezens geboren, die, ter aarde krabbelend, langzaam de planten bekijkend en levend ermee, zijn geworden tot wat u op het ogenblik bent. De mensheid is uit de zee gekomen en in de zee schuilen op het ogenblik nog vele der grote geheimen, die de aarde eens gedragen heeft, maar die op het ogenblik verborgen blijven onder het rusteloze oppervlak der grote wereldwateren. Wanneer je in de zee gaat kijken, dan zie je vele strata van leven. Het oppervlak, daar golft het kleine leven der infusorieën. Daar is het lichtende spel soms, dat de zee kan maken tot één fosforescerend vuurwerk van barstende golven. Grote en kleine vissen spelen in het lichte blauw, begrensd door het spiegelend vlak daar boven hun spel, Ze jagen en spelen, ze trekken in grootse optochten. Wanneer wij verder zinken, dan lijkt het ons, alsof wij een kerk binnentreden. Het licht, zo-even nog blauwig-groen, lichtend, lachend, spelend, verliest meer en meer zijn grootse kracht, zijn vrolijkheid en zijn werkelijkheid. Het licht wordt blauw en in de blauwheid komen geheimzinnige schimmen spelen, die soms als de vaartuigen der mensen in de nacht lichten schijnen te voeren. Vreemde en haast duivelse gestald aanjagen op een ongeziene prooi. En voor wie horen kan, is er ook een verandering in het geluid. Daarboven was het eigenaardige drukke haast knorrend tsjilpende geluid van vele vissen. Beneden klinkt een dof getrommel, alsof heidenen zich voor een offer voorbereiden door de tom-tom te slaan. Hoe verder wij dalen, hoe groter, hoe vreemder, hoe zonderlijker de vormen orden. Grote monsters, als een schaduw in de schaduwen, sluipen voorbij. Wanneer wij verder en verder gaan, dan wordt het op het laatst een diepe duistere nacht. Zo duister, zo zwaar wordt het water, dat het als een vloer gegoten van lood in eeuwige vaste spiegeling schijnt te staan.

Duister, somber, alles gevangen houdende, wat erin binnentreedt, Maar wanneer wij goed kijken, dan is er in die diepe wateren een voortdurende regen. Al de kleine lachende dieren van de oppervlakte, vissen, resten van vissen, infusorieën, die als sneeuwvlokken neerdwarrelen, gaan door de duisternis verder en verder, tot zij de bodem bereiken. Wanneer wij de bodem zelf zien, dan is het vaak een onmetelijke zee van drabbig slib van nog net niet ontbindend leven, dat eens geweest is. De zware druk behoudt de dingen in hun vorm, behoudt ze in hun kracht. Maar wij zien er eigenlijk niets meer in van hetgeen, dat ons daarboven zo verbaasde. Het eigenaardige is, dat er soms een werveling staat in de zee, die uit deze zelfde diepten kleine micro-organismen weer meesleurt naar de oppervlakte, waar zij weer leven en ontwaken en weer verder gaan in het eeuwige spel van eten en gegeten worden, Het is als in de sferen. Laten wij zeggen. dat de mens leeft in de wereld van de vissen, die vlak onder de oppervlakte spelen. Ze lachen en jagen, of zij zwerven misschien, klein en onbewust nog, gedragen door de oppervlakte der golven rond, en zoeken in het betrekkelijke lichte naar een middel, om een ogenblikje de spiegel van de zee te doorbreken.

En enkelen van die vissen weten vleugels te krijgen. Die maken grote sprongen in de vrije lucht en genieten een ogenblik het onbelemmerde licht van de zon. Te lang kunnen zij het niet uithouden, daarvoor zijn zij nog niet geschikt en zij moeten neervallend in het water, verder gaan en weer, misschien, in een sprong omhoog zeilen, Vluchtend misschien voor de werkelijkheid van jacht, van dreigen of verschrikking, die hun eigen wereld schijnt te bedreigen. Zij moeten steeds weer terug keren in hun eigen element. En het kleine leven aan de oppervlakte, dat stijgt zo vaak een ogenblik omhoog, sterft en daalt weer. Uw wereld is die van de vissen. Er zijn mensen, die een ogenblik spelend omhoog komen. Je hebt daar die zwaar geestelijke filosoferende mensen, die een ogenblik als een spelende bruinvis dartelend met de gedachte aan omhoog komen, eventjes de kop bovenuit steken, even een moment de lucht voelen als een beroering en dan weer terug vliegen. Vliegen in de diepten van hun zee, spelend en lachend en jubelend. Zij zijn al in staat om de atmosfeer te verdragen van geestelijk bewustzijn. Maar zij zijn groot en log en alleen in de grote vlakten van de Oceanen des Zijns kunnen zij zich vrij bewegen. Al het kleine van de wereld is voor hen slechts een belemmering. Wij kennen er ook de vliegende vissen, die zouden wij kunnen noemen, diegenen, die geloof hebben. Het geloof geeft hen vleugelen en met die vleugelen kunnen zij omhoog stijgen, een moment in de lachende zon, gedragen door de wind, verder zwevend om dan weer in de verschrikking onder te moeten duiken van het element, zonder hetwelk zij niet kunnen leven, dat zij zo zeer behoeven. Er komt een moment, dat zo’n leven ophoudt. Meestal wordt het opgenomen in de andere levensprocessen van dezelfde levensstrata. De vis, die zwak wordt en niet meer verder kan, wordt gegeten en maakt deel uit van een ander leven.

Het bewustzijn zweeft verder, vlak over de wateren, zoekend naar nieuwe mogelijkheid van incarnatie. Soms ook stijgt het verder en durft voor het eerst de atmosfeer der lucht te beroeren. Er zijn veel kleine wezens, die door de vissen met verstand benijd worden. Dan denken zij aan de vele kleine wezens, die aan de oppervlakte rond zeilen en rond zweven. Zij denken aan het schelpdier, dat voorzichtig zijn zeilen, zijn voelers, bijzettend zich laat dragen door de wind aan de oppervlakte van het water en geniet van beide elementen gelijk. Dan zijn zij vol van benijden, omdat zij de werkelijkheid niet begrijpen. Alleen waar wil en bewustzijn de vis langzaam maar zeker dwingen om boven de wateren uit te gaan, daar kan zij op de duur een vorm vinden, die haar daartoe in staat stelt. Er zijn in de wateren vissen geboren, die met stekelige vinnen het strand op waggelen en zelfs klimmen tot in de bomen. Die al durven leven in een andere wereld, maar die toch nog steeds terug moeten keren tot hun element, omdat het nu eenmaal niet te doen is, geheel en al je om te vormen in zijn kort moment van zijn. Maar die veel benijden, degenen, die zonder verstand alleen maar in de vreugde van het zijn ervaren aan de oppervlakte blijven dobberen, die vallen. Degenen, die alleen maar leven in de oppervlakkigheden des levens, die kunnen soms zo vrolijk en zo begerenswaardig lijken.

Voor hen de stralende lach en het felste licht. Voor hen de zon en de wind, waar uzelf nog door de zwaardere materie van het water gedragen rond moet zwerven en zoeken naar bewustzijn, naar waarheid. Wanneer het op sterven aankomt, dan blijft gij misschien in diezelfde strata leven, of misschien zal uw geest een ogenblik over de wolken heen spelen en met het schuim spatten een ogenblik lachende gestalten tekenen in de lucht. Misschien zal zij later worden zelfs tot een vogel, die joelend en schreeuwend hun vreugde uit vlerkt, drijvend op de wind, of boven de wateren, zoekend naar een prooi daar beneden. Om dan weer verder te schieten in de wonderlach van een levensbestaan. Dat is één vreugde, één je aanpassen aan de verschillende stromingen, die er zijn in de luchten. Maar die kleinen, zij, die veel benijden, zij vallen naar beneden als een voortdurende sneeuw. Zij vallen van licht tot duister.

In het diepste duister blijven ze lang geborgen liggen, staande onder de enorme spanning en druk van een hele oceaan, wachtend op het moment, dat een werveling hen omhoog brengt.

Dat zij gespoeld zullen worden door een vreemde stroom, ergens naar een kust, om deel te worden van een plantaardig leven, zo, dat zij weer zullen kunnen ontwaken tot leven. Zo gaat het menige geest. Het is niet goed, wanneer wij te diep dalen. Te diep in ons leven en bewustzijn. Wanneer wij te diep naar de duisternis streven, dan vinden wij daar de  vreemde monsters, die wij demonen noemen. Breng ze naar de oppervlakte en ze ploffen uit elkaar, als een te sterk gespannen ballon. Zij kunnen de spanning van een menselijk leven niet verdragen, maar in het duister zijn zij meesters. Zij zijn satanische gestalten, die met licht u een ogenblik lokken, het volgend ogenblik u verslinden. Neen, te diep moogt u niet dalen, en te ver naar het licht kunt gij nog niet stijgen. Maar u moet goed begrijpen, dat juist dit spel, dit leven tussen de verschrikkingen beneden u en het te felle licht en te stralende licht boven u voor u een fase is van bewustzijn, die u zo dadelijk uit de zee zult trekken tot de lucht. Voor u niet het land, dat er tussen ligt, niet de vaste gebondenheid aan een wereld, waarin je je langzaam en traag moet bewegen. Wanneer je eenmaal bewust geworden bent, dan wordt je op de laatste rollende golven van het leven omhoog gesmeten en dan kun je plotseling jubelend vliegen. Dan kun je opstijgen, de zon tegemoet. Dan is de hele atmosfeer de jouwe.

En misschien, dat, wanneer je een ogenblik neer bent gevallen tot de aarde, vermoeid van dit leven, je geest lachend in de luchten zich van de laatste golvende gloeiende buitenatmosfeer losmaakt, dringt door de grote kou en lachend zich stort in de nieuwe wereld, waarin een zon alleen maar een kleine plek van duisternis is temidden van het Goddelijke Licht. De Oceaan des Levens. Wij zien er veel verschillende vormen en wezens. Wij zien er vele verschillende bewustzijnsvormen. Maar terwijl de regen van de onbewusten, die nog moeten dalen tot het duister, voordat zij in een nieuwe levensgang een werkelijkheid en wezen kunnen verwerven, naar de diepten zien gaan, altijd weer dat gestage regen van afvalproducten, dan zien wij ook telkenmale weer, hoe er een vis is, die reeds leert vliegen. Zoals wij vele mensen zien gaan toch weer naar het duister, naar de grijze, ja, zelfs naar de zwarte sferen, om daar te worstelen met zichzelf. Om uiteindelijk daar gedragen door stromingen, die zij niet beseffen, tot incarnatie te komen opnieuw. Zo zien wij daarnaast de mens, die zijn geest, aanpassend aan het leven, dat hij leidt, begrijpend in welke sfeer hij bestaat en waarom hij hier moet zijn, trachtend om die waterspiegel, die op het ogenblik alleen nog de beelden der vissen in een vreemde verwrongen wijze schijnen te reflecteren te doorbreken. Om door die watervlakte, die spiegel van oppervlaktespanning heen een ogenblik de zon, een ogenblik in de werkelijkheid te zien. Zo speelt de wereld zijn eeuwig levensspel in een grote wereldzee. Zo speelt de geest van de mens in de grote zee en van bewustzijn hetzelfde drama af. Maar er komt een moment voor u, wanneer u werkelijk streeft, dat gij etend en ge-etend wordend d.w.z, waarheid gevend aan de mensen en de waarheid nemend van de mensheid, van de geest zelf verheven zult worden boven uw eigen element en in zal kunnen gaan in een nieuwe wereld en een nieuw bewustzijn. Er is één ding, dat wij nog een ogenblik moeten bespreken samen.

Want soms zien wij de zeevogels neerschieten op het water en een ogenblik later opkomen met een spartelende vis in hun klauwen. Een wreed spel. Zo gaat het soms, wanneer gij te hoog wilt stijgen. Wanneer ge er niet bekwaam voor zijt, dan grijpen de hogere machten in. Zij sleuren u omhoog uit dit leven, maar u zult terug moeten keren als vis en niet als vogel. Zij hebben u meegenomen een ogenblik in de hoogte, maar, in de ademnood beseffende, dat dit ondergang en dood is? In doodsangst u verzettende tegen het felle licht van een Goddelijke Waarheid, zult gij dan in staat zijn om later uw bestaan op een aarde in een bovenste levens strata van ‘s Levens Oceanen werkelijk te kunnen aanvaarden? Het leven is rechtvaardig en het leven is overal gelijk. Of wij nu kijken naar geest of naar stof, overal zien wij dezelfde dingen gebeuren, overal zien wij dezelfde wetten regeren. Zoals de Oceaan des Levens oneindig, voortdurend ruisend en bulderend de kusten bespeelt, zo zien wij de Oceaan des Levens, die steeds weer uitgrijpt naar de grenzen van het Al, soms een deel daarvan tot zichzelf nemend, tot eigen verklaart. Zichzelf uitbreidend, soms teruggedreven door hetgeen zij zelve heeft uitgestoten, waar grote modderbanken de uitbreiding van de oceaan verder verbieden. Gij zijt, mijne vrienden, op het ogenblik vissen nog in de werkelijkheid.

Misschien dat dat ook wel één van de redenen is geweest, dat men voor Jezus het Teken van de Vis heeft genomen. Het is het Tijdperk van de Vis, Het is het Tijdperk van het Water, maar Aquarius, de Waterman, die komen gaat is ook een Teken van de Lucht. Deze periode zal de mens in zich huwen, stof en geest, en zo komen tot een bewustzijn van de wereld, die buiten zijn eigen levenssfeer bestaat. Die eerste schreden op de weg naar bewustwording en opgang naar de zon, waar het Licht van Gods Werkelijkheid niet meer gefilterd wordt door de schaduw der materie en niet meer onder de tempelachtige diepten, de demonische figuren der verschrikking de diepzee beroeren. Ik hoop, dat ik u met dit beeld een ogenblik duidelijk heb kunnen maken, wat gij zelf zijt. Wezens, die leven aan de grens van een ander element. Eens komt de tijd, dat gij die grens kunt overschrijden, maar nu nog niet. En wanneer gij te fel uit wilt grijpen naar boven toe, dan bestaat het grote gevaar, dat gij het slachtoffer wordt.

Slachtoffer van de vogelen des hemels, die het niet kwaad bedoelen, maar die U toch eerst de benauwenis van het licht en de waarheid zullen doen ervaren, voordat gij de vreugde van het licht zelf kunt ondervinden. Gij zult ook niet te ver naar beneden af moeten dalen. Gaat U te ver naar beneden, dan loeren daar de demonen. Een demon kunt gij alleen overmeesteren, wanneer gij hem mee kunt voeren omhoog in uw lichte sfeer. Daar kan hij niet meer bestaan.

Daar barst a.h.w. zijn macht en verschrikking uiteen tot een vod, dat langzaam terug dwarrelt naar de diepe duisternis, waaruit het geboren werd. Gij hebt een zeer bepaalde taak van leven en daarin een zeer bepaalde taak. Die taak, die moet gij leren te begrijpen. Uw taak is en te leren leven als een stofmens met een bewustzijn van de zon boven u. Met een bewustzijn van de lucht en de wind, die spelen met de golven des Levens Oceaan. Een bewustzijn ook van de grenzen naar beneden toe, waar de demonen der diepzee horen. Binnen deze grenzen zult gij alles moeten doen om u voor te bereiden op een leven, waarbij de grens doorbroken wordt. Zo zult gij ongetwijfeld met uw eigen leven, dat blijft in de menselijke sfeer en niet tracht reeds in geestelijke sfeer te leven, terwijl gij nog mens zijt, de grootst mogelijke baten hebben. En wie weet, misschien komt er dan een moment, dat wij allen gezamenlijk als een vlucht juichende, lachende zeevogels door de luchten heen schieten, stijgend steeds hoger in de verwachting, dat wij eens ook de grens der atmosfeer kunnen verlaten. Kunnen worden tot de bewuste geesten, die spelen tussen de sterren. Deze korte overweging is mijn bijdrage . Uit de aard der zaak wat lichter, maar toch, meen ik, ook de aandacht voldoende waardig.