Osiris een zwarte God

image_pdf

29 januari 1965

Aan het begin van deze bijeenkomst wil ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ik wil u voorstellen, bij deze bijeenkomst eens een onderwerp van meer esoterische aard te nemen. De titel, die ik daarvoor koos, is uit de Egyptische inwijdingen genomen en wel in het bijzonder uit de Isis – Osiris inwijdingen: Osiris een zwarte God.

Voor velen zal dit een vreemde uitspraak zijn, omdat men Osiris altijd met Licht, met de oprijzende ziel, pleegt te vereenzelvigen. Zij kan echter eenvoudig als volgt worden verklaard.

In de Egyptische inwijdingen kent men 3 fasen van bestaan, die men wel Mem, Osiris en Horus noemde. Mem is de schepping, het verleden, Osiris is de god, die zichzelf herschept: Hem behoort het heden. Horus is de vrucht van het herscheppen. Hij beheerst de toekomst.

Wanneer wij te maken krijgen met het leven en alle daarbij behorende problemen, hebben wij allen de neiging om de hel te ontlopen: Hel, duisternis, lijden, afgrond, zijn voor ons nu eenmaal dingen, die wij liever terzijde laten liggen. Begrippen als lijden en ziekte geven ons zelfs vaak het denkbeeld, dat er iets onrechtvaardigs is in het heelal. Wanneer wij echter inwijdingen nagaan – u kunt zelf elke inwijding kiezen die u verkiest – zullen wij altijd weer het begrip dood en lijden ontmoeten. Dan spreekt men over onderwereld, over confrontatie met het ik.

Osiris is van dit alles eigenlijk het symbool. Ik kies hier Osiris als beeld, omdat wij dit jaar de heerschappij zien van Saturnus. En deze is als een vorst uit de onderwereld: Hij is een soort Pluto, heerser over duistere en melancholieke krachten, die uit het duister van hun verstild lijden alleen ontwaken op bevel van hun rechterlijke meester. Osiris wordt nu door het duister overweldigd: Seth, die hem in een aantal stukken uiteen rijt – waarbij alle stukken afzonderlijk beschreven worden en een meer kosmische betekenis hebben. Dezen worden in de rivier gegooid. Het verdere verhaal zal u bekend zijn. Isis zoekt hem, vindt aan de oever deel na deel van het lijk en “verzorgt het”. Zij brengt ze dus niet zonder meer tot leven, maar maakt daarvan a.h.w. weer een mummie, een beschermd omhulsel. De mummie bevat echter nog iets van levenswil. Door deze wil, die in de dood voort bestaat, kan Osiris Isis – die het wezen en de wetten van de natuur omschrijft – bevruchten, waaruit Horus ontstaat, die in wezen een herrezen, hernieuwde Osiris is.

Dit staat in direct verband met de problemen van lijden, tegenslagen, tegenstellingen op de wereld en elders: Om je bewust te worden van iets, moet je het kennen. Het is eenvoudig genoeg om te spreken van zonde, maar voor je zelf precies weet, wat dat eigenlijk is, heb je geen recht van spreken, omdat je niet werkelijk weet, wat het betekent en wat daarachter alzo verborgen kan zijn. Wanneer je spreekt over duisternis, maar alleen maar van Licht wilt dromen, wanneer je van Licht spreekt en nooit duister gekend hebt, zul je nooit de waarden van het Licht kunnen kennen. De gehele bewustwording van mens en geest is nu eenmaal opgebouwd op de tegenstellingen. Daarom juist is het eigenaardige geheim van de oudheid, dat reeds bij de eerste volle inwijding werd meegegeven, de spreuk: “Osiris is een zwarte god”. Het leven is niet, zoals men denkt, alleen en zonder meer een gang tot de hemel. Het is een hellevaart, want eerst in de diepten van de hel kan men het bewustzijn verkrijgen dat noodzakelijk is, indien men bewust in het Licht geboren wil worden.

Er is voor een bereiken van de hemel dus wel meer nodig dan alleen maar wat geloof en goede wil. Geloof op zich is mooi. Maar wanneer een geloof niet gebaseerd is op eigen innerlijke erkenningen en zo niet de uitdrukking is van eigen wezen en leven, blijft het geheel een reeks van lege formules. Dan ben je als de mensen, die gehele litanieën zingen met vele vreemde namen en woorden, in de hoop, dat hieruit zonder meer iets werkelijks voort zal komen.

Wanneer ik hier reciteer en bv. zeg: Jautus, Jauton, Jautyon enz., dan is dat wel aardig en kan ik er misschien wel iets mee doen. Maar wanneer ik niet besef, wat deze klanken in wezen betekenen, is er geen feitelijk contact met al wat achter die namen schuilgaat. Ten hoogste ontstaat er een vage harmonie, een weerkaatsing. Maar meer bereik je dan niet. Zo gaat het nu in het leven ook. U kunt zeggen: “Ik leef”. Dat is waar, want u bestaat. Maar hoe intens leeft u? Hoe intens zijn uw emoties? Wat hebt u geleerd in het leven? Hoe bent u gekomen tot het richten van eigen wil? Heeft u geleerd te bepalen, waar u zelf heen wilt gaan?

Deze dingen leert men nooit, wanneer het altijd maar goed gaat. Er is een gezegde: Wanneer je kinderen te veel beschermt en verwent, worden het later dieven en leugenaars, maar zij bereiken daarmede haast nooit iets, want zij willen altijd weer datgene, wat hen aan liefde, bescherming en zorg gegeven werd in de jeugd, als een recht in het leven opeisen.

Zo iets staat er in de Goddelijke Waarheid eigenlijk ook. Zolang wij de goddelijke gaven en waarden alleen maar als engelen aanvaarden, lijkt alles wel heel mooi. Maar de vraag is, of een engel zich uit zichzelf wel van de ware God en de grootheid van Zijn schepping bewust kan zijn.

Kan een engel werkelijk doordringen tot achter de einder van het gekende? Wanneer ik hier zeg: “Eeuwigheid”, kunt u zich dan een eeuwigheid zo maar voorstellen? Pas wanneer men zelf het eindeloze, het tijdloze heeft ervaren, krijgt dit begrip binnen uw wezen enige gestalte. Zonder dit denk je zelfs bij het woord eeuwigheid altijd weer aan een begin, wanneer de vraag rijst, wat er voordien was, zo zal men zoeken naar een ander begin, dat er reeds eerder geweest moet zijn.

Er moet voor ons begrip altijd ergens een begin en einde zijn. Het werkelijk eindeloze is eenvoudig door het begrip niet te aanvaarden, terwijl wij ons anderzijds bij bepaalde ervaringen enige beperktheid ook al moeilijk voor kunnen stellen.

Wanneer wij zeggen: Achter het stelsel van de sterrennevels ligt een ledige ruimte en verder niets, dan zal een mens, die in die ledigheid verkeert, zich niet voor kunnen stellen, dat er ooit een einde aan komt, zelfs al zal hij verstandelijk beseffen, dat deze ruimte ergens eindigt. Toch is er ook aan deze buitenste duisternis een einde, omdat zij behoort tot de dingen, die, gezien hun wezen en vorm, eindig zijn in de tijd. Zo noemen wij vele dingen oneindig, omdat wij eenvoudig niet kunnen zeggen, waar zij eigenlijk beginnen, waar hun werking of bestaan afloopt. Ook al weet men, dat de aarde niet altijd heeft bestaan en niet altijd zal bestaan, denkt de mens aan die aarde onwillekeurig als oneindig in de tijd.

Men kan zich iets alleen maar werkelijk voorstellen, indenken, wanneer men het werkelijke gezien, beleefd of meegemaakt heeft. Juist daarom is elke inwijdingsgang, welke men ook verkiest, steeds ook een soort hellevaart. Niet een hemelvaart, want je daalt af in het duister, omdat je in het duister eerst de mogelijkheden van het Ik, maar ook de werkingen en krachten van het ik, die men moet leren beheersen en beteugelen, leert kennen. Zolang het je innerlijk en uiterlijk goed gaat bv. is naastenliefde eigenlijk een normaal, een doodgewoon iets, naar op het ogenblik, dat het je werkelijk erg slechts gaat, dat je moet vechten om in leven te blijven, is het moeilijk een naaste die het zelfde begeert wat jij wilt hebben om daarmede in leven te blijven, nog lief te hebben. Daarom de duisternis. De mens, die door het leven gaat, zal ook op de wereld steeds weer een deel van het duister ontmoeten. Ik maak nu geen toespeling op dingen, die in wezen uit zelfbegoocheling voort komen als kwetsing in vermeende rechten of het verlies van dingen, die je in werkelijkheid nooit bezeten hebt.

Maar ook in het gewone leven kun je ergens geconfronteerd worden met het gevoel van algehele verlatenheid, met een hopeloosheid en hulpeloosheid, waarin je niet meer weet, hoe en waarheen je moet gaan. Daardoor kom je het begrip van de onderwereld wat nader. De vijand, het leven, is je dan te sterk. Zoals het altijd uiteindelijk voor ons zal zijn: Hoe kunnen wij het leven overwinnen? Eeuwigheid bereiken wil zeggen: Het leven zoals wij het kennen overwinnen.

Maar hoe kunnen wij leren de krachten, het wezen van hetgeen wij nu leven noemen, te kennen, zonder eerst door dit leven overwonnen te zijn? Eerst moeten wij weten, wat het leven steeds weer is. En het leven dat ons overwint, noemen wij de dood, omdat het ons geïsoleerd achterlaat.

Wanneer je verwarringen, pijn en nood ziet, is het misschien wel goed je dit eens te realiseren: Die dingen bestaan immers niet, omdat iemand dit prettig vindt, of omdat het de Hogere Krachten niet kan schelen, dat zij bestaan. Zij zijn er, omdat alleen op deze wijze bereikt kan worden, dat de mens met zichzelf geconfronteerd wordt.

In deze tijd gaat het de mensen over het algemeen zeer goed; de meeste mensen tenminste. Men heeft genoeg te eten, hoeft niet te hard te werken, heeft voldoende amusement zo men dit wenst en heeft ook nog wel wat tijd over voor geestelijke zaken, indien men dit wenst; het gaat de meeste mensen geheel niet slecht. Maar wat gebeurt er nu? Wat vroeger binnen kerken en geheimscholen bestond, een geloof, een weten, dat gehele het leven beheerst, een gerichte wil en filosofische inzichten, is langzaamaan verdwenen en verbrokkeld. De wereld van heden wordt niet door de filosofen geregeerd, maar door de mechanische logica, die het kenmerk is van deze tijd. Men wil niet meer zover gaan, dat men elke mens nog kent als een eenling: hij mag alleen nog bestaan als deel van een massa, die men met kwantum mathematica geheel kan overzien en indelen, waarvan alle behoeften en reacties te voren vast staan.

Dat een mens, onder zulke condities, niet meer werkelijk kan bestaan, dat men dan niet meer als mens kan leven, is alleen maar een opvatting van irreële filosofen en dwazen. Met als gevolg een verveling, die er toe voert, dat men, wanneer men in de vrije tijd zich verveelt, niet in zich zelf zoekt, maar anderen gaat lastigvallen. Het leidt er verder toe, dat men van anderen steeds meer gaat eisen dat zij alles voor u zullen doen. Hoe meer tijd men heeft, hoe veel minder men zelf nog doet en doen wil. Het zijn eigenaardige verschijnselen. Zij maken ons duidelijk, dat de welvaart niet zonder meer goed is voor alle mensen. Welvaart als contrast met niet welvarend zijn, met armoede, crises, heeft betekenis, omdat zij mogelijkheden doet zien en de gerichtheid van eigen persoonlijkheid bij de mens pleegt te bevorderen. Maar als die dingen vergeten raken, heeft de welvaart geen reële betekenis meer voor de menselijke geest. Wanneer de mens niet in kan gaan tot het diepste duister en daar geconfronteerd kan worden met verlatenheid, met eigen problemen, eigen moeilijkheden en vooral met het in hem bestaande zelfverwijt, heeft alle Licht en alle esoterie even weinig zin en betekenis.

Wij bestaan uit meerdere delen, meerdere voertuigen. Zelfs indien wij dezen in slechts drie klassen indelen en zo de rest maar verwaarlozen door te zeggen: Wij hebben de stof, de geest en de ziel – zo klinkt dit wel mooi, maar komen dan tot stellingen, die niet juist zijn. Men zegt dan: De stof blijft op aarde achter, de geest stijgt omhoog en de ziel zal uiteindelijk gereinigd en gelouterd overblijven. Maar hoe gaat dit alles, wat betekenen deze termen? In geen geval dat dit alles zo zonder meer geschieden zal, dat dit een werking is, waaraan verder niets meer te pas komt dan hoogstens wat “genade”.

Iedereen vindt het normaal, dat men brandstof van hoog octaangehalte uit aardolie alleen kan winnen door kraken, door een raffinage proces, dat neer komt op een voortdurende mishandeling van de oorspronkelijke stof, de gevonden samenstelling in de aarde. Iedereen vindt het normaal, dat staal wordt gewonnen door eerst te delven, het uit zijn omgeving weg te halen dus, te malen, te smelten, in een besemeroven met zuurstof te behandelen – doorblazen – voor het gewenste staal uiteindelijk kan ontstaan. Maar dat voor het veredelen van eigen wezen een soortgelijk proces noodzakelijk zou kunnen zijn, daar wil men niet aan geloven. Toch zal men, om geestelijk en menselijk enige werkelijke betekenis te krijgen, moeten lijden. Het is in het lijden, dat de mens zichzelf vindt, het is in strijd, in vaak hopeloze strijd, in de eenzaamheid van een schijnbaar door alles verlaten zijn en toch door onbekende krachten beheerst worden, dat je als mens je ware ik eerst ontdekt. Pas dan kan men komen tot een vorm van bitterheid, die toch constructief is. Want ook bitterheid kan constructief zijn.

De dode Osiris gaat door de onderwereld. Maar in dit gaan door de onderwereld met al haar duister en bitterheid rust hij, reconstrueert hij zichzelf en wordt van een dode tot een levende kracht. Hij kan dit echter niet alleen volbrengen; hij wordt bij dit alles beheerst en geholpen door Isis, die hem gelijktijdig zuster, gade en moeder is – functies, die hier in esoterische en niet in zuiver lichamelijke zin gebruikt worden. Deze Osiris kan alleen door Isis, door de wet van het leven, tot zichzelf gebracht worden. Maar alleen kan hij, zonder de krachten van deze wet en dit leven, niet zelfstandig bestaan. Hij wordt dan ook door Seth, de chaos, verslagen. Dit houdt in, dat, zichzelf herwonnen hebbende, Osiris ook niet zonder meer vrij kan zijn. Hij moet zichzelf opnieuw incarneren in een voertuig, dat los staat van alles, wat hij geweest is. Hij moet van de Witte Osiris worden tot de Lichtende Horus. De mens kan pas beginnen met inwijding, begrijpen van lering, werkelijke bewustwording op hoger vlak, wanneer hij door het leven verslagen wordt, wanneer hij de duisternis kent, wanneer hij verdeeld is geweest tegen zichzelf en in een hopeloze leegte zich heeft afgevraagd, wat de zin is van zijn leven en bestaan. Dan begint hij te sterven. In dit verwerpen van alle dingen komt de waarheid van het leven op de voorgrond.

Zelfs dan ben je als mens nog tegen jezelf verdeeld. Want met de verschillende voertuigen – meer dan de hier alleen genoemde – is van een werkelijke eenheid nog geen sprake. Bij Osiris spreekt men van de 14 delen of wel van de 3, de 7 en de 12 delen van het wezen. Elk van die delen kristalliseert afzonderlijke eigenschappen. Elk der delen verkrijgt eigen veredelende mogelijkheden. Hier wordt begrip van samenhorigheid en medegevoel groter, in en ander deel zien wij een hard worden, dat echter ook in het bestaan zin en betekenis, ja, waarde heeft. Weer een ander deel leert nederigheid, leert bidden, terwijl nog een ander deel van het ik misschien leert, op zich te betrouwen en zichzelf een weg te banen. Al deze verschillende ontwikkelingen in de verschillende sferen staat echter voorlopig los van de rest. U moet niet denken, dat dit bewustwordingsproces de mens toelaat, uit het duister als en bewuste eenheid zonder meer tot het Hogere te gaan. Je wordt eerst gedeeld in vele stukken, vele facetten van de persoonlijkheid ontwikkelen zich afzonderlijk en zonder kennelijke samenhang. De delen van de persoonlijkheid krijgen in de proeve allen voor zich wel nieuwe inhoud en kracht, maar er is meer nodig dan alleen het bestaan, om deze dingen binnen eigen wezen tot een geheel samen te voegen: De natuur, de kosmische wet, de gang van oorzaak en gevolg, welke de restanten van het ik samenbrengt en bindt, jou maakt tot een mens van het heden, een wezen, dat wetend en bewust kan handelen, een geest, die het heden kent en aanvaardt.

Maar ook dit is niet voldoende, want het heden omvat niet het geheel van de schepping. Je moet eerst nog de toekomst overwinnen, voor je waarlijk verder kunt gaan. Je moet zelf de toekomst worden. Je moet begrijpen, dat uit het geheel, dat je aan het worden bent, de wil op moet rijzen, een stuwende en ernstige wil, waarmee je geen vorm meer tracht te geven aan het Al, maar aan jezelf, waarmee je niet tot de wereld zegt: “geef mij Licht”, maar zelf tot Licht wordt, dat in de ochtendstond de wereld ademloos doet kijken naar een spel van gloeiende kleuren, doet overgaan in het Licht van een nieuwe dag. Dit is alles misschien nogal dichterlijk gezegd.

Maar het bevat grote waarheid. Wij ontmoeten steeds weer de natuur, de wet van oorzaak en gevolg. Wij ontmoeten de wereld rond ons. Uit de verdeeldheid, die wij zijn, met alle eigenschappen, die wij waarderen als onze gaven en onze krachten, komen wij uiteindelijk tot het begrip, dat wij een eenheid moeten zijn. Maar dit begrip van éénheid kan alleen vervuld worden door het leven. Daarom zegt men, dat Osiris in wezen een duistere god was en niet alleen de in wit geklede kracht, die als ingewijde, zegevierend na worstelingen en beproevingen van de geest, de dood overwon, of tevoorschijn trad uit de inwijdingstempels.

Daarom koos ik Osiris als een beeld van deze tijd. Het is aardig om die tijd te ontleden en te beschrijven, te zeggen, wat er in dit jaar en het volgende jaar zal gebeuren. Maar veel verder komt men daarmede niet. Je moet de zin er van leren begrijpen, de geheime zin, die zo vaak wordt vergeten en die de mensen, zo zij haar al kennen en vermoeden, toch maar liever niet openbaar maken. De waarheid waar men de bekende doekjes voor het bloeden omheen pleegt te winden, tot er uiteindelijk een bundel van sentimenten en bijgeloof overblijft, waarachter de werkelijke zin en betekenis van leven, lijden, ondergang en dood verborgen blijft. Let wel: Ik verkondig u daarmede geen jaar van ondergang, verborgen dreigingen en lijden. Dat zal voor ieder van u alleen kunnen zijn naar uw verdienste, bewustzijn en mogelijkheden. Zoals ook uw taak aangepast zal zijn aan uw wezen, uw mogelijkheden en bewustzijn.

Maar wat in de jaren, die nu komen gaan, gebeurt, ja, wat nu in wezen reeds plaatsvindt, is een vorm van ondergang. De mensen begrijpen dit niet. Zij menen, dat de ondergang van hun wereld alleen maar kan komen, wanneer een daverende reeks van atoomexplosies de wereld uiteen rijt.

Indien de gehele wereld zo sterk wordt geregeld, dat er geen atoomexplosies kunnen zijn, maar ook geen mens meer in vrijheid zijn eigen leven kan leven, dat sterft de maatschappij van heden met haar waarden en fouten ook uit. Wat overblijft? Wezens zonder ziel, biochemische automaten, robots uit vlees. En dat kan de bedoeling van het leven niet zijn. Wanneer wij dus met een ondergangsgedachten worden geconfronteerd, zo moeten wij niet stellen, dat het gevaar niet bestaat of dat het wel goed zal gaan, omdat God en de geest ons wel beschermen zullen, maar wij zullen ons af moeten vragen, waarom het zo is.

Het waarom betekent ook hier de werkelijke oplossing van het raadsel, dat haalt alle uitvluchten als “Gods’ wil”, karma, de ommekeer van de wereld door kosmische krachten of: “dit is alleen maar het werk van de Witte Broederschap”, weg. Dit ons beroepen op machten en krachten buiten ons, het verklaren van alle gebeuren, waarvoor wij geen beheersing schijnen te bezitten door het veronderstellen van bewuste ingrepen door hogere machten, zullen wij werkelijk eens kwijt moeten raken. O ja, al die dingen zijn er wel. Zij zijn werkzaam. Maar zij kunnen alleen werken in de wereld van het bewuste, zover het ons betreft. De ingrepen buiten u komen voor u neer op toevalsfactoren, die wel in de wereld bepaalde wijzigingen tot stand kunnen brengen, maar die niet te veel kunnen veranderen aan, wat je gevoelt, wat je ondergaat. Zij kunnen vele dingen vernietigen, die u meende te bouwen voor morgen en misschien zelfs de ondergang inhouden van mensen, die u vereerd hebt. Want dergelijke dingen zijn soms noodzakelijk. Maar dat is nog geen werkelijke verandering, zolang de mensen zichzelf gelijk blijven.

De wereld en ook de mensheid van de wereld staat in feite dicht bij de mogelijkheid van een soort hellevaart. Niet een hellevaart van alles verterend vuur, van met toastvorkjes voorziene en scherpe staarten kwispelende duivels, die u allen naar de heet verwarmde oliebekkens brengen om u voor alle verdere tijd te bevrijden van alle zorgen voor kolenrekening en oliestook. Geen optreden ook van demonen, die met monsterlijke koppen uit het niet tot u komen en u in rode sluiers meevoeren tot u ergens komt in een onbegrepen wereld van voortdurend veranderende symmetrieën, waarin u als mens haast niet leven kunt, maar een doodgewone hellevaart de voortkomt uit het besef: Het had anders kunnen zijn, want ik had het anders kunnen doen. Een hellevaart, die zich vooral toont in de kreet: Waarom vallen al deze dingen, die toch zoveel betekenis voor mij hadden in het leven, nu ineens voor mij weg en bestaan zij elders en voor anderen nog voort?

Hellevaart in de door mij bedoelde zin kan het best worden weergegeven door het gezegde: Gisteren nog was dit een heerlijk gerecht, maar heden wordt het mij tot as in de mond. Dit bedoel ik dus met hellevaart: Het vergaan van waarden. Het vergaan van de wereld, waar je van houdt, het wegsmelten van alles, wat betekenis voor je had in het leven. Het is een verliezen, waardoor je, al ben je naar buiten toe ook nog zo mooi gekleed, zo welvarend en belangrijk, je voor jezelf alleen nog maar een huiverend, onbegrepen en nietig mensje bent, dat angstig en naakt voort moet gaan door een onbegrepen duister vol gevaren.

Dat is een begin: Het begin van een vernieuwing, het begin van een inwijding; het is het begin, van een werkelijke vorming van je wezen. Zo kom ik er toe, om bv. Saturnus een vorst der onderwereld te noemen. Hij is immers een kracht, die hardheid, duisternis, onthullingen brengt. Hij laat weinig achter, laat weinig van het niet juiste voortbestaan. Maar hij kan ook vele dingen opbouwen. Wij kunnen hier weer zeggen: Osiris is een zwarte God, zoals men deed bij de eerste inwijding. Maar wij kunnen ook, zoals bij de tweede inwijding, deze geheimspreuk anders laten weerklinken: Een zwarte GOD is Osiris. Juist in onze duisternis komen wij het goddelijk erfdeel het meest nabij. Juist in onze verlatenheid komt de eeuwigheid van ons wezen het dichtste binnen het bereik van ons begrip, maakt zij meer bewust deel uit van de gekende waarden van ons bestaan.

Wij moeten juist het duister tot een vorm maken, waarin wij onszelf beseffen. En zelfs dan moeten wij ons hoeden voor de illusie, want er zijn meer geheimen. Nu kan ik niet alle geheimen van alle inwijdingen gaan vertellen en toelichten. Zelfs in de Isis – Osiris mythos echter treffen wij vele kleinere geheimen, waarvan wij nog veel kunnen leren:

“Ik, die levende dode ben, breng leven en, leven brengende, word ik leven.”

Dat komt uit de spreuken van de vijfde ring of graad. Je kunt jezelf nu eenmaal niet ontdoen van alle kluisters en belemmeringen. Ik weet, dat er mensen zijn, die denken: Nu ja, na de vernieuwing, de inwijding, zijn wij helemaal vrij. Neen. Dan heeft men bewust de vrijheid in zich. En dat is heel iets anders. Naar buiten toe blijft men gebonden, zelfs wanneer men vanuit de eenzaamheid komt tot nieuw besef, nieuwe harmonie met kosmische wetten en krachten.

Ook dan ben en blijft je gebonden. Want het wezen, dat je gevormd hebt, dat de uiting is, is dan wel niet meer je werkelijke en enig besefte leven, maar je bent daarmede in besef en werken nog steeds verbonden.

Misschien meent u nu, dat ik hier maar wat klets, omdat u de voorkeur geeft aan een weg wieken naar een hogere wereld, een weg gaan tot het hoogste Licht. Tja. De voertuigen en de capaciteiten daartoe heeft u wel. Maar van deze mogelijkheden bent u zich nog niet waarlijk bewust. Eerst wanneer er voor u geen enkele andere mogelijkheid meer zou bestaan, zou u er misschien toe komen de algehele vrijheid te zoeken, zelfs dan zou uw bewustzijn u nog lange tijd het bereiken van het Hoogste beletten. Maar dan zou u in ieder geval de weg in uzelf zoeken en daardoor komen tot een uiteindelijk verloochenen van uw eigen wezen en persoonlijke gaven en rechten, zo uzelf vernieuwende. In deze dagen is ook dit belangrijk.

Steeds meer zal bij vele mensen immers het denkbeeld rijzen, dat bv. godsdienst uiteindelijk maar een rare geschiedenis is, dat de politiek zo ten gronde gaat, dat de economie niet meer deugt en haar stellingen het tegengestelde doen bereiken van hetgeen zij pretendeert te zullen geven, maar daarover hebben wij het reeds zo vaak gesproken. Voor degene, die innerlijk bewust wordt, is dit bestaan in een wereld zonder waarden waarop men werkelijk kan rekenen, maar er een met vormen en gebruiken, waaraan men zich nog niet kan onttrekken, voor hem kan deze toestand vergeleken worden met het gemummificeerd zijn van Osiris, die nog geketend is. Dan komt de ontzettend sterke wil naar voren, die wij voor een verdergaan nodig hebben. Dan moeten wij niet meer de wereld willen veranderen, maar zullen wij in ons zelf de kracht van het leven willen herkennen. Wij moeten dan, ondanks wetten en gebondenheid, de Lichtende vrijheid, die in ons als een begrip is ontstaan, willen uiten. Ondanks alle beperkingen en schijnbare onmogelijkheden moeten wij een soort wezen scheppen vanuit ons zelf, een oorzaak, die past binnen de kosmische reeks van oorzaak en gevolgen, waardoor wij geheel anders zullen kunnen zijn.

Vernieuwing is niet alleen een vernieuwing van al het oude, al zal in de wereld het proces van veranderingen daar in het begin nog het meeste op gelijken, het is de verandering in eigen wezen, die telt. Een verandering, die voor de mens zeker ook op de duur een dood in de menselijke zin van het woord zal betekenen. Er komt een ogenblik, dat het lichaam zelf, waarin je leeft, tot een soort mummie wordt, tot een band, waarmede je gebonden bent, tot je niet meer bewegen kunt, niet meer verder kunt gaan. Om dan voort te gaan zal men als het ware moeten her-incarneren, het totaal van eigen wezen in een vorm gietende, die past bij de inhoud van de krachten en het bewustzijn, dat je verworven hebt. Dit alles is voor u een misschien wat te theoretisch betoog. Dat weet ik wel. Het is ergens wat te esoterisch. Nu kan ik trachten voor dit alles praktische toepassingen te vinden. Wanneer ik deze dan geef, meent u natuurlijk, dat al het niet genoemde buiten dit proces van vernieuwing en veranderingenstaat. Daarom zal ik geen voorbeelden van praktische toepassing geven. U hebt geen behoefte aan mijn interpretatie van de mogelijkheden. Maar ik hoop, dat u wel hierdoor een begrip zult kunnen verkrijgen van uw feitelijke toestand. De wereld heeft behoefte aan begrip voor haar feitelijke toestand, een begrip, waarbij het niet meer gaat om statenbonden of economische evenwichten, maar om een vernieuwing van de mens, waarbij niet zozeer de uiterlijke vormen of wetten veranderd moeten worden, maar de mensen vooral eerst innerlijk herboren moeten worden.

Pas wanneer wij dit beseffen en zeggen, dat al het andere onbelangrijk is, zal er misschien sprake zijn van iets, wat ook uiterlijk een werkelijke en algehele vernieuwing kan heten. U staat in ieder geval in de komende jaren voor een eenzaamheid, een punt, waarin de poort van de dood u schijnt aan te gapen, waarin u zeggen zult: Ik weet het niet meer. Dan vraagt u zich af, of het leven nog zin heeft. U zult denken: Ik dacht, dat ik bij die en gene hoorde, dat ik er banden mee had en weer blijkt het niets te zijn. U zult dan schamper vragen: Wat zijn al die leringen en idealen, waarvoor ik mij heb opgeofferd eigenlijk, waard. Mij rest nu niets meer.

Dan komt de grote vraag: Hebt u de moed dit duister binnen te gaan of niet? Blijft u zich misschien toch liever aan leringen vastklampen, waarin u eigenlijk niet meer gelooft? Verkondigt u en verdedigt u nog steeds de oude idealen, al voelt u innerlijk wel, dat zij geen betekenis meer hebben, dat zij waardeloos zijn geworden? Hebt u de moed om het duister in te gaan? De ziel van een dode die voortgaat, wordt aangesproken als: “Herrezen Osiris.” Hebt u de moed, het duister in te gaan, de proeve van verlatenheid te aanvaarden en de innerlijke rechters te ontmoeten, om tot een Osiris te worden? Dat is de eerste vraag, waarop u dan een antwoord zult moeten vinden. De vraag betekent zeker niet dat men bedoelt: Weet u ook een middeltje om van de ergste ellende af te komen – hoe aangenaam dit misschien ook voor u zou zijn. De vraag is, of u in staat bent bewust alle verliezen en veranderingen te aanvaarden; u wordt gevraagd of u, bewust en met uw wil daarin de krachten, werkingen en eigenschappen zult willen en kunnen vinden die voor een opstanding noodzakelijk zijn.

Dan komt de tweede vraag: Bent u bang voor een nederlaag? Bent u bang om van al uw vermeende of echte belangrijkheid ontdaan te worden? Bent u bereid alle krachten, die u meent te bezitten, te verliezen, en alle verhevenheid, die u innerlijk toch meende bereikt te hebben, te zien vergaan? Kunt u de nederlaag aanvaarden, wanneer zij eenmaal komt? Zo niet, dan blijft men in het duister. Dan is de onderwereld voortaan je permanente verblijf. Dan ben je als een van de zielen, die in de ordegloed der hartstocht wenend zien naar het voorbijgaande zonneschip van Osiris, wanneer dit voorbij vaart op zijn tocht onder de wereld. Zoals u ziet, blijf ik spreken in de termen van de Egyptische leringen. Maar de vraag blijft dezelfde: Kun je de nederlaag aanvaarden, wetende, dat er een wet en een kracht is, die je zelfs uit je dood en verdeeldheid weer tot leven, tot eenheid zal brengen?

Kun je ook dit aanvaarden, dan heb je de tweede stap gewonnen. Dan ben je immers de verwonnen Osiris, die herrijzen kan. Maar dan komt de derde fase. Deze ligt voor u, zover de mogelijkheden daartoe op de wereld zouden bestaan, in tijd nog ver van u weg. In de geest bestaat de mogelijkheid deze derde fase te ondergaan altijd, zodat uw bewustzijn zal bepalen, of u daarvoor reeds geschikt bent, voor de wereld als geheel tot deze trap in meer stoffelijke waarden gerijpt zal zijn.

De vraag luidt: Kunt u de compacte eenheid van uw wezen aanvaarden, waarbij u zult moeten bestaan zonder afzonderlijke compartimenten en schotten tussen bv. wat op zondag goed is en wat alleen maar mag in de week, wat bij God behoort en wat alleen voor de mensen is. Want mensen kunnen alleen maar met dergelijke schotten in hun bewustzijn bestaan. De kern van de vraag is: Kunt u leren uw gehele wezen en uw gehele gedrag als een eenheid te zien? Zo ja, dan hebt u de belangrijkste stap gedaan; dan is het ogenblik immers gekomen, waarop Osiris samengevoegd wordt door Isis, die de wetten der natuur weergeeft en de weerkaatsing is van de levende god, de heerseres van alle projecties van die god. Zij kan u dan maken tot een, die zijn wil leert gebruiken om te worden tot een waarlijk herborene. Dan kunt u verder zeggen wat u wilt, zeggen dat dit is een kwestie van het esoterisch geheim, het bereiken van de hoogste graad; het is de steen der wijzen, het levenswater enz. Wat voor termen wij ook gebruiken, zelfs indien wij de termen van het christendom gebruiken, het blijft gelijk. Het is altijd weer een terugzoeken naar de eenheid, als mens en ook als geest.

Je verlangt naar geborgenheid. Je hebt altijd een heimwee naar een wereld, waarin je zelf schoon bent, waarin alle dingen mooi zijn, waarin het leven een tintelende harmonie is, een voortdurende kracht. Dit is niet alleen een illusie, een droom, die nu eenmaal in de menselijke psyche verankerd ligt; het is een verre en niet meer begrepen herinnering aan het begin van de levensweg. Om dit verloren paradijs hernieuwd te kunnen betreden, moeten wij eerst door het duister gaan, moeten wij eerst de dingen ter zijde stellen, die eens waardevol waren maar hun betekenis verloren hebben, om opnieuw te beginnen, telkenmale weer, tot het ogenblik, dat wij kunnen zeggen: “Nu ben ik in geheel mijn wezen één”.

Het Koninkrijk Gods is in u. Een heerlijke dooddoener is dit geworden. Dit Koninkrijk Gods wordt voor alle dingen misbruikt. Als men kerken wil bouwen, dan is dit voor het Koninkrijk Gods en wanneer men oorlog voert tegen de heidenen die toevallig ertsen of andere dingen hebben, die wij nodig hebben, dan is ook dit om het Koninkrijk Gods te verdedigen. Wanneer men de negers wegslaat uit de blanke samenleving, dan is dit natuurlijk geen rassenwaan, maar alleen een pogen om het Koninkrijk Gods van alle smetten zuiver te houden enz. Maar dit koninkrijk bedoel ik niet. Het Koninkrijk Gods, waarop Jezus doelde, is het koninkrijk, dat alleen benaderd kan worden via het kruis. Nu is het natuurlijk heel aardig om te zeggen, dat Jezus de plaatsvervanger is, die dat reeds allemaal voor ons in orde heeft gemaakt. Maar waar is het daarom niet.

“Ik ben u de weg en de waarheid”, zegt Jezus. “Volg mij”, zo spreekt hij. Zijn weg is, symbolisch zowel als reëel een weg, die voert van zelferkenning, zelfuiting, tot een zelfvernietiging, die niet meer op te houden is . Een weg, die voert van eenheid met God tot absolute verlatenheid als in Gethsemane, die voert via een lijdensgang naar Calvariën, de verlatenheid van het kruis, dat gelijktijdig tot een troon wordt, waarin lijden, dood en bereiking bijna één zijn.

Maar daarmede zijn wij er nog niet. Er zij mensen, die denken: Wanneer wij nu maar net als Jezus hebben geleden en gestorven zijn, is alles bereikt. Maar in de geloofsbelijdenis van de christenen en de leringen van vele esoterische groepen treffen wij nog een andere clausule aan: “…Afdaalde ter helle en de derde dag herrees uit den dode”. Dacht men soms, dat dat een grapje was, iets wat Jezus alleen maar doet. Meen niet, dat dit geen deel is van de weg, het is een deel van de weg, die je moet gaan om het koninkrijk Gods in je tot een werkelijkheid te maken. Dit is de weg, die je moet gaan, om de vrijheid van Gods rijk voor jezelf te winnen. Die weg voert ook door de hel. En de drie dagen – een symbolisch getal – zou hier kunnen duiden op drie fasen. Zou dit niet kunnen beduiden, dat de mens de bij de Osiris mythe besproken fasen zal moeten doormaken, dat hij door de hel zal moeten gaan, vrijwillig zal moeten gaan, om tot de werkelijke opstanding te kunnen komen? Ik nam Osiris als beeld, omdat je over de Osiris-inwijdingen zo prettig kunt spreken zonder steeds weer al te bekende waarden te herhalen, waardoor de mensen doof worden voor hetgeen je wilt zeggen. Maar is Jezus weg in werkelijke betekenis niet gelijk, houdt zij niet precies hetzelfde in? Ook hier is het de dood, de ondergang, de hel, de absolute verlatenheid en zo de hernieuwing, de opstanding, die een hernieuwde opbouw is en daarna het opgaan tot God. Na het opgaan tot God komt dan hernieuwd de taakvervulling.

Het is al zo vaak gezegd, maar duidelijkheidshalve zal ik het nog eens herhalen: Jezus is reeds herrezen uit de dood, wanneer hij in de tuin bij het graf spreekt tot Maria Magdalena: “Vrouwe, raak mij niet aan, want ik moet nog ingaan tot de Vader.” Ook dit is een fase, die wij eens allen doormaken: Het ogenblik, dat wij daar staan in onze grote macht, herboren, omdat wij uit het duister tot het Licht zijn gekomen en toch moeten stellen: Dit is nog niet voldoende. Ik moet mijzelf hier nogmaals verliezen. Ik moet geheel een ander worden, worden tot een wezen van Licht, voor ik terug kan keren om mijn taak verder te vervullen. Jezus leert ons dit, zoals reeds de oude inwijdingen het ons leerden. Dit is overal gelijk. Wanneer er dan een jaar komt, waarin dus de poorten der onderwereld open schijnen te staan, een jaar waarin de heerlijke intocht in Jeruzalem al snel verkeert in een veroordeling, een geseling, een calvarie, dan moet wij hiervoor begrip hebben.

Let wel, ik stel niet dat eenieder letterlijk deze dingen door zal moeten maken. Eenieder heeft een eigen weg, die past bij zijn eigen wezen, persoonlijkheid en bewustzijn. Maar het is zeker, dat alle mensen die de bewustwording moeten bereiken, eerst door de duisternis en de verlatenheid moeten gaan, zodat een jaar, waarin voor zovelen spanningen, verliezen, duisternis gelegen zijn, eigenlijk niets anders is dan een jaar waarin de poort openstaat – niet tot de formele hel – tot een inwijding, die begint met een formele hellevaart, omdat eerst hij die de demon heeft gekend, maar verworpen en beheerst, waarlijk één kan zijn met de God, die alle dingen omvat.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen

  • Wat u betoogt, heeft veel overeenkomst met de leer, dat je genoegen moet nemen met wat je op je weg tegen komt aan kwaad, om tot een zelfoverwinning te komen, zoals in het christendom. Op die wijze kan men de mensen gemakkelijk tevreden stellen met hun lot, zodat vele mensen volgens mij gelijk hebben, wanneer zij zeggen, dat godsdienst opium voor het volk is. Dit is mijn commentaar.

Hier tegenover stel ik: Zodra wij eisen, dat er sprake zal zijn van een willoze onderwerping, hebben wij inderdaad te maken met opium of iets, wat nog veel gevaarlijker is; een gif voor het bewustzijn. Maar wanneer wij beseffen, dat de aanvaarding een bewuste en zelfstandige moet zijn: Het is niet Gods wil, het is ons persoonlijk aanvaarden en overwinnen van het duistere – zodat wij onszelf kunnen blijven, zelfs indien wij geheel eenzaam en verlaten zijn, zodat wij onze persoonlijke wil en persoonlijk streven moeten behouden, ongeacht wat er gebeurt, staat de zaak toch nog wel een tikje anders.

Want wij kunnen wel een onderwerping zonder meer prediken, maar dit betekent ondergang. Wie een wet aanvaardt zonder haar inhoud te kennen en haar praktische waarde en mogelijkheden te toetsen, is een dwaas. Er zijn veel dwazen op de wereld, vandaar dat er zovele dwaze wetten bestaan. Maar wie de moed heeft om zichzelf te blijven, zelfs wanneer dit ondergang schijnt te betekenen, wie de moed heeft, zelfs in uiterste verlatenheid en nood, zich te blijven richten op zijn werkelijk doel – wat door mij werd omschreven als het verloren paradijs, waarnaar wij allen heimwee hebben, omdat daar alles goed is – kunnen wij pas verder gaan.

Juist degenen, die plegen te zeggen, dat godsdienst opium is voor het volk – een leuze uit een zeer bepaalde koker – hebben juist dit begrepen. Want wat zeggen zij op dit ogenblik? Wij moeten werken, wij moeten offeren, wij moeten strijden, opdat de wereld steeds beter worden.

Niet datgene wat wij bezitten, maar datgene wat wij bereiken voor de toekomst, maakt de betekenis van ons leven uit. En dat zijn dan mensen, die in een dood geloven, welke uitblussing betekent. Is dit in wezen niet hetzelfde? Het vreemde is namelijk, dat je stellingen, zoals ik citeerde, niet alleen kunt beperken tot het christendom of enkele esoterische groepen, maar – zo je dit wilt – je zelfs terug kunt vinden in de cultuurfilosofische interpretaties van bv. het Leninisme. Want ook daar treffen wij dezelfde offergang, het zo nodig gaan door het duister, aan. Men gaat daar zelfs zover, dat men een onrechtvaardige veroordeling en bestraffing zou moeten aanvaarden, wanneer hierdoor anderen in hun juist streven gesteund zouden kunnen worden. De eis tot zelfverloochening en het behoud van eigen gerichtheid en wil door alles heen geldt kennelijk ook hier als belangrijk. Zelfs wanneer men stelt – en hier betekent dit meer dan elders, omdat geen geloof aan de eeuwigheid bestaat – dat je aanvaarden moet dat je van held tot misdadiger wordt gemaakt, dat je een levende dood moet aanvaarden, of zelfs de dood zelf moet aannemen, wanneer het doel er mede gediend wordt. In het Leninisme treffen wij dit aan als: Ondanks alles moeten wij verder gaan, want het doel is meer dan wij.

De esotericus zegt daarop: Ja, inderdaad. Het doel is meer dan wij zijn in de vorm, die wij nu beseffen. Maar het einddoel is de volledige sublimatie van de onvolledigheden van het heden tot de volmaaktheid, de voleinding, welke verleden, heden en morgen gelijkelijk omvangt.

  • U stelde iets over de krachten, die ons onbewust beïnvloeden….

Ik zal recapituleren: Wij kunnen namen geven aan alle krachten, maar hoe wij hen ook noemen, welke macht wij hen ook toekennen, zij zullen alleen de uiterlijke waarden beïnvloeden. Zelfs grote krachten als bv. de Witte Broederschap, kunnen alleen de uiterlijke wereld gestalte geven. Neem als voorbeeld het christendom: Jezus staat op de berg. Daar staat bij hem de satan, die hem zegt: Zie, hier liggen alle koninkrijken der wereld. Al dit kan ik u geven en zal ik u geven, wanneer gij voor mij neervalt en mij aanbidt. Jezus, antwoord: “Neen”.

Of hij nu neen of ja zou zeggen, zou in wezen echter geen verschil uitmaken; Jezus blijft immers zichzelf. De duivel kan Jezus niet veranderen. Hij kan alleen de omstandigheden, de wereld rond Jezus veranderen. Door oprecht de duivel te aanbidden, tegen eigen beter weten in, zou Jezus zich zelf ontwaarden. De duivel heeft daar in wezen geen invloed op.

Dit maakt misschien duidelijker, welke macht over ons werkelijk wezen alle genoemde grote invloeden hebben. Wij kunnen zeggen: De goddelijke wet, de krachten van de broederschap of de geest zullen dit of dat doen, zullen dit of dat beïnvloeden. Zij kunnen de uiterlijke waarden veranderen of beïnvloeden, maar dat houdt nog niet in, dat wij dan opeens ook innerlijk anders worden. De innerlijke vernieuwing is iets, wat wij vanuit onszelf vinden, wij kunnen dit misschien nog het best met de oude woorden uitdrukken:

“Door mijn bewustzijn gaande vanuit de schemering tot in de diepste duisternis, keer ik mij uit duisternis tot Licht en zie, ik ga tot het hoogste Licht. Ik ga binnen langs de Lichtpaden door alle zalen, tot ik de kracht bereikt heb die de bron is van alle leven.”

Dat is de omschrijving. Dat is hetgeen ik vooral heb willen zeggen. Wij kunnen nu wel over de mogelijkheden van geestelijke en kosmische inwerkingen en hun resultaten gaan spreken, maar dan wijk ik van mijn onderwerp af. En voor heden wil ik dit niet doen.

  • Dit verwart mij wat. Want wij leren ook, dat wij, wanneer wij ons openstellen, deel zullen hebben aan deze krachten enz.

Die verwarring kan ik begrijpen. Wat ik van buiten ontvang, is echter slechts het werktuig. Iemand, die zich openstelt, zou zo de kracht kunnen ontvangen om wonderen te doen. Maar om dit wonder dan tot stand te brengen, moet hij dit ook willen. En deze wil is iets, waaraan de kracht van buiten dus niets aan kan doen. Dit is zijn persoonlijk wezen. Al datgene dus, wat door de Witte Broederschap wordt gedaan – en ook door onze Orde en vele anderen – is in wezen het geven van werktuigen, instrumenten, het doen ontstaan van mogelijkheden.

Verder gaat het echter niet. Want het gebruiken ervan, de wijze, waarop u ze gebruikt, wat u wel of niet ermede zult doen, bepaalt u nog steeds zelf. Openstaan voor krachten is goed, wanneer wij beseffen, dat uiteindelijk toch wij het zijn, die deze krachten gebruiken. En in de meeste gevallen geldt hier – wat ook behoort tot de leer der adepten – in een formule, vrij vertaald volgens de woorden, die hiervoor in Luxor gebruikt werden:

“Want ziet, open u voor de zon – voor de rijzende zon”, – Horus dus, die in die dagen erg vereerd werd – “en drinkt zijn stralen. Verzadig u met de verse adem van de komende dag. Ga dan en weest uzelf, opdat gij, die durft sterven en herrijzen, uit uw wil de krachten van de oneindige gestalte moogt geven volgens uw wezen.”

Het woord oneindige is hier een interpretatie van mijzelf, welke in de plaats kwam voor enkele langere zinnen. Ik meen, dat ook dit wel een antwoord is.

Ik besluit met de volgende opmerkingen: Denk over dit alles eens na. Begin niet te zeggen: “Nu moet ik dus zo hard mogelijk gaan lopen, om in de hel te komen”. Maar zeg uzelf: “Ik zal niet bang zijn voor het duister, zelfs niet voor eenzaamheid en verlatenheid, omdat ik weet, dat, zolang mijn wil en bewustzijn in mij bestaan, ik daaruit alleen maar meer waarden en krachten kan gewinnen om het waarlijk Lichte en krachtige te leren kennen en beleven.”

0-0-0-0-0-0-0-0    

 Geestelijke training

Wat is, naar u meent, geestelijke training? (meditatie?) Dat zegt u. Maar geheel waar is dit niet.

Zuiver geestelijk te werk gaan, is misschien mogelijk in de sferen, maar op aarde zit je nog altijd aan iets anders dan de geest alleen vast en heb je te maken met de menselijke psyche. Je bent dus gebonden aan menselijke gedachten, gevoelens, vooroordelen, onderbewuste waarden enz., zodat je nooit kunt zeggen: Ik schakel op aarde al deze dingen uit en ga alleen en werkelijk uitsluitend mijn geest trainen. Het is trouwens ook beter, dat men dit niet probeert. Want men heeft daar van die methoden voor, die mij er toe brengen op te merken, dat de geest geen hondje is, dat je met slagen en snoepjes af kunt richten.

Wel kun je trachten voor jezelf de geestelijke waarden, zover zij binnen het menselijk leven invloed hebben, iets duidelijker naar voren te laten komen. Daarvoor bestaan verschillende soorten van trainingen; je hebt bv. de verschillende yogatrainingen, bepaalde filosofische en zelfs meditatieve trainingen. Al die dingen schieten echter ergens te kort, tenzij wij beseffen dat elke training van de geest voor de mens een training zal moeten zijn van stof en geest. Dat alvast om te beginnen. Ik meen namelijk er verstandig aan te doen de nu volgende opmerkingen puntsgewijs en eenvoudig achtereenvolgens te stellen.

Om de geest te trainen moet men in de eerste plaats in staat zijn om te denken. Om goed te kunnen denken, moet je beschikken over een redelijk concentratievermogen, terwijl daarnaast ook beschikt moet kunnen worden over een redelijk ontwikkeld voorstellingsvermogen. Elke geestelijke training in de stof zal dus moeten beginnen met oefeningen, die concentratievermogen en voorstellingsvermogen ontwikkelen.

In de tweede plaats: Om te kunnen denken in meer geestelijke termen moeten wij leren, om abstract te denken, maar het menselijke voorstellingsvermogen kan een abstractie alleen dan begrijpen, wanneer zij gekoppeld is aan, of vergeleken kan worden met, stoffelijke waarden.

Daarom moeten wij leren concrete waarden en abstracte waarden met elkander te verbinden.

Wanneer wij een abstract woord gebruiken als bv. eeuwigheid, oneindige ruimte, God, zo moeten wij dit kunnen combineren met waarden, die voor ons bestaan. Om u een voorbeeld te geven: Eeuwigheid is een tijd, waaraan geen einde komt. Dat is wel niet waar, maar door ons dit zo voor te stellen, kunnen wij de inhoud van het begrip verwerken en dit ook binnen ons begrip leren hanteren. Het begrip God is bv. alleen te vertalen als een inwerking op ons wezen. Verder weten wij er niets van, kunnen wij er ons niets onder voorstellen, dat zinrijk is en niet onmiddellijk door de rede en de wereld worden verworpen of aangetast. Door te leren, zich abstracte waarden meer concreet en binnen eigen leven als werkzaam of mogelijk voor te stellen, zal men de abstracties kunnen beleven en hanteren in meer concrete zin.

In de derde plaats: Aangezien je in jezelf uniek bent – wat niet altijd een compliment hoeft te zijn – zul je nooit jezelf kunnen ontwikkelen volgens algemeen gestelde normen of regels, zonder daarbij eigen persoonlijk oordeel, eigen besef en zelfs eigen interpretatie in te voegen.

Elke geestelijke training dient dus ook uit te gaan van een kritisch denken dat gebaseerd is op eigen weten eigen wezen en binnen eigen ik bestaande voorstellingen.

Dan moet je de geest natuurlijk ook nog oefenen in het beleven en ontvangen van krachten.

Kracht beleven en kracht ontvangen is alleen mogelijk, wanneer het ik t.a.v. de kracht in kwestie daadloos is. Dit betekent, dat en met behoud van eigen kritische vermogens, eigen inzichten en eigen doelstellingen moet leren komen tot een absolute, door eigen wil bepaalde onderwerping op de punten, waarop men eeuwige krachten in zich werkzaam wil weten.

Wanneer je ook dit gedaan hebt, komt het laatste stukje – dat voor mij ook nog het mooiste is.

Wanneer men al deze dingen volbrengen kan, dient men uit te gaan van het in het ik bestaande beeld, dat verder reikt dan het menselijke leven en aan dit beeld vorm en gestalte moeten geven, zowel met gedachten, woorden en daden als met gevoelswaarden en innerlijke oefeningen, opdat het begrip van eigen eeuwigheid en eigen tijdelijk bestaan een eenheid gaan vormen.

Is men zover gevorderd, dan heeft men de beheersing van het tijdelijke gewonnen en, daarmede de mogelijkheid om het geestelijke of eeuwige binnen zichzelf een voldoende uitdrukking en erkenning mogelijkheid te verschaffen. Ik zou zo zeggen: Dat is het eigenlijk, het is met een paar woorden gezegd, en in een paar honderd jaren gedaan.

Maar wanneer je zo spreekt over geestelijke training, dan stellen vreemd genoeg vele mensen zich dit voor als een ontwikkelen van een bepaalde gave in het bijzonder. Daarbij vergeten zij, dat, wat zij zien als de belangrijke geestelijke gave, in wezen het nevenproduct is van een bereikte geestelijke bewustzijnstoestand en dat men zonder het eerst bereiken van het noodzakelijke bewustzijn, dergelijke gaven dus nooit beheerst kunt bezitten. Hoogstens kan men die gaven onbeheerst ondergaan en dan zijn zij vaak even storend als de hik, die je krijgt net op het ogenblik, dat de voornaamste persoon aan tafel een speech gaat houden. Je krimpt wel van schaamte en erger, je zou alles willen doen om er vanaf te komen, maar je blijft hikken.

Het bezit van niet beheerste gaven is vaak erg onaangenaam.

Begrijp dus goed, dat het ons er nooit om gaat om een geestelijke of occulte begaafdheid zonder meer te ontwikkelen. Het gaat erom om een beheersing van eigen wezen en een zeker bewustzijn te verkrijgen in de eerste plaats, waardoor dergelijke geestelijke of occulte gaven als een soort bijkomstigheid misschien tot ontwikkeling komen en bruikbaar worden. Je kunt dit natuurlijk ook nog anders formuleren. Alle geestelijke middelen, occulte gaven, vermogens op zich zijn niet nastrevenswaardig. Zij worden eerst dan voor ons belangrijk, wanneer zij door ons gebruikt kunnen worden om ons innerlijk bereikt bewustzijn op de wereld tot uiting te brengen.

Men kan misschien zeggen, dat dit toch ook wel belangrijk is. Maar wij willen immers voor alles geestelijk iets bereiken. Nou dan. Als je wilt leren voetballen, heb je toch ook niets er aan, om je te trainen in het koekhappen? Wanneer je dus geestelijk bewust iets wilt worden en je geestelijke krachten wilt ontwikkelen, ga je ook niet beginnen met bijkomstigheden te ontwikkelen. Daaraan heb je immers later niets.

Verder is het ook van groot belang, dat de mens geschoold leert denken. Daarmede bedoel ik geen wetenschappelijke scholing, maar een scholing, waardoor men eigen denken in associaties kan herleiden tot zijn bron. Wanneer je zegt: Water, dan vult de een dit aan met het beeld ‘regen’, een ander zal zeggen, ‘kraan’. Men noemt dit dan meestal milieu-bepaalde associaties. Overigens is dit iets, wat ik ook nooit goed begrijp, waarom moet men steeds deftige woorden gebruiken, om de dingen te omschrijven. Een boer blijft een boer, ook wanneer je hem agrariër noemt en een putjesschepper blijft een putjesschepper voor mij, ook al noemt men hem nu 1000 keren rioleur eerste klasse. Dit is een terzijde, maar werpt misschien toch wel enig licht op de verkeerde wijze, waarop wij ons denken plegen te gebruiken. Wij menen, dat wij door het begrip dat wij hanteren, anders uit te drukken, de feiten mede veranderen. Maar dat kan natuurlijk niet waar zijn. Wij kunnen slechts door de feiten te veranderen de in ons bestaande begripswaarden veranderen.

Dit laatste is aardig: Juist denken betekent dus niet alleen de afleidingen, die in jezelf bestaan begrijpen, maar ook een besef, dat je daaraan zelf eventueel ook nog iets kunt doen. Wanneer ik in mijn leven aan iets, wat regelmatig terugkeert, een nieuwe betekenis, een nieuwe uiting weet te geven, dan zal ik hierdoor ook bereiken, dat mijn associaties en zo de bewuste realisatieprocessen zich wijzigen. Ik kan dus het gehele proces leren beheersen, zodra ik besef dat de beheersing bestaat, zodra ik naar eigen inzicht de beginpunten weet te doen veranderen.

Opgesloten in dit alles ligt dan weer, dat een groot deel van hetgeen men gaarne geestelijke training noemt, in wezen een materiële training is: Het bereiken van een materieel juiste toestand. Heeft men die eenmaal bereikt, dan kan men daaraan zijn gedachteprocessen ophangen en zo ook bewust hogere geestelijke waarden bereiken.

Wat mij aan het einde van de cirkel brengt? U vraagt mij te spreken over geestelijke training.

Maar geestelijke training kan niet bestaan zonder dat er een lichamelijke training aan verbonden is, terwijl geen enkele lichamelijke training volle resultaten zal kunnen afwerpen, wanneer daarmede niet een meer geestelijke training gepaard gaat. Dit is dan het kringetje, waarbinnen de verschillende regels die ik gaf, in wezen bestaan.

Ik weet wel, dat de mensen steeds weer zeggen: “Jongens in de geest, geef mij nu eens dat kleine receptje, dat ene aanwijzinkje, waardoor ik nu eens iets bereiken kan.” Maar stel, dat ik u een dergelijke eenvoudige aanwijzing geef, wat doet u er dan mee? Ik zal u eens een eenvoudige aanwijzing geven, die u kunt gebruiken bij geestelijke training: Probeer elke dag, en wel gaande van de avond tot de morgen, al wat u goed gedaan hebt en verkeerd gedaan hebt, volgens eigen besef te recapituleren. Vraag u aan het einde dan af: Wat betekent dit voor de dag van morgen?

U hebt dan iets gedaan, dat schijnbaar zeer materieel is, maar in wezen hebt u zich getraind niet meer te denken in grote of kleine perioden, in afzonderlijke factoren, maar te denken in samenhangen van gebeurtenissen. U bent verder gekomen tot een analyse van morgen. U hebt dus een scholing doorgemaakt, waarbij u leert de waarde van morgen voor uzelf tijdig te onderkennen. En ook dit is geestelijk zowel als stoffelijk erg gemakkelijk.

Maar misschien vindt u dit te lastig. Dan kan ik u nog een ander heel eenvoudig trucje leren: Wanneer u bidt, of spreekt enz. of leest, moet u eens een keer trachten, van een zin elk woord afzonderlijk in zijn betekenis en samenhangen te overdenken. Spendeer daaraan nu eens elke dag 10 minuten en zie hoeveel meer je gaat begrijpen van de betekenis in alles, wat de mensen zeggen en bedoelen, zie hoe je beter en duidelijker zelf zegt wat je bedoelt en leert beseffen, wat er leeft in de mensen.

Maar wat er leeft in de mensen en door henzelf niet geheel wordt verwerkt – wat uit hun woorden steeds weer blijkt – doet je ook de onderbewuste werkingen van de geest zien. Je leert dus op deze manier ook nog eens de wereld van het onderbewuste beter kennen.

  • Dat is levenskunst!

Leven is geen kunst, het is een heilig moeten. Eenieder, die zichzelf een levenskunstenaar noemt, is iemand, die tracht aan het heilige moeten te ontkomen en ontwerpt hierdoor voor zichzelf zoveel nieuwe regels en wetten, dat hij uiteindelijk nog veel sterker in het leven gebonden is, dan iemand, die het leven eenvoudig neemt zoals het is, zonder er een kunst van te willen maken.

En na deze reactie op uw reactie nog een paar kleine puntjes: Wanneer u een bepaalde geestelijke gave wilt hebben of ontwikkelen, zult u over het algemeen uitgaan van die gave zelf. U komt dan meestal tot niets. U hebt misschien wel eens meegemaakt, dat u met kruis en bord wilde werken, maar dat alles, wat kwam, onzin was of kramp in je armen; u vraagt zich af, waarom, want u wilde dit contact toch zeer intens. Wel, u had u zozeer geconcentreerd op bepaalde mededelingen of contacten, dat er niets meer door kon komen wat niet geheel aan uw wensen beantwoordde. Daarom moet u, wanneer u met geestelijke waarden en krachten in contact wilt komen, leren zelf niets te bepalen. Blijf uzelf, praat rustig, denk desnoods aan andere dingen, dan kan een spontane impuls zich kenbaar maken. Zoals het gemakkelijk is een spijker in een stuk hout te slaan, maar dit heel moeilijk wordt, wanneer je er eerst een stalen plaat op legt. Degene die wel eens spijkers heeft geslagen op de kermis, kan dat wel weten, want daar zit tussen het hout vaak een stalen plaatje verborgen, vandaar dat men haast nooit de hoofdprijs kan winnen.

Begrijp dus goed, dat de kunst om te ontvangen, vanuit de geest of van elders, betekent, dat je de kunst verstaat om jezelf uit te schakelen op dat speciale terrein, waarop je wilt ontvangen.

Hoe krampachtiger men een wil tot ontvangen tot uitdrukking brengt, hoe sterker men alles zal weten, wat niet precies met het gewenste in overeenstemming is. Wilt u dus toch proberen, iets door wilskracht te proberen, omschrijf dan alles, wat u wilt, heel precies en reken er niet op, dat het gewenste ook precies zo te bereiken is. Houd vol en misschien slaagt u.

In het dagelijkse leven is het precies hetzelfde en hier kunt u misschien eenvoudiger een training op dit terrein bereiken, dan door bv. te werken met kruis en bord e.d. Wanneer u vandaag iets wilt doen, zeg dan allereerst tegen uzelf, wat en hoe. Sluit daarop alle andere dingen uit, hoe belangrijk zij ook mogen lijken en werk alleen naar het gestelde doel toe. Dan heeft u de meeste kans op resultaten. Indien u echter gebruik wilt maken van de gunstige gelegenheden, dan zult u het anders moeten doen.

Dan moet u elke gunstige gelegenheid van de dag eenvoudig aanvaarden en altijd weer voor gunstige mogelijkheden open blijven staan. Ik geef u een eenvoudig voorbeeld uit deze tijd: Er ligt in de uitverkoop een fantastisch mooi en goedkoop lapje, satijn-brokaat van 1,20 breed voor 0.50 cent de meter. U gaat naar de winkel voor toiletpapier. De doelbewuste loopt nu aan het lapje voorbij. Maar morgen is het er misschien niet meer. Degene, die de gelegenheden wil gebruiken, koopt het lapje, maar zal misschien daarover het papier vergeten zodat men een beroep zal moeten doen op oude couranten. Degene, die de gelegenheden wil gebruiken, maar daarbij zijn werkelijke doel niet uit het oog verliest, zal het beste resultaat hebben: Wel een lapje, en het papier werd niet vergeten. Alleen naar één doel toewerken, bevordert concentratie en doelbewustheid, dingen die ook geestelijk van waarde zijn. Wie zich bewust leert aanpassen aan omstandigheden en steeds blijft beseffen, hoever deze aanpassing zonder een teniet doen van het gestelde doel mogelijk is, zal hierdoor in de wereld grotere resultaten behalen en gelijktijdig door zich voortdurend zonder vaste bepaling openstaan voor gewenste mogelijkheden, zijn gevoeligheid voor geestelijke krachten kunnen vergroten.

Wij moeten daarbij echter een ander punt niet uit het oog verliezen: Iemand, die alleen op het papier uitgaat, zal na 10 minuten de winkel weer verlaten en dus veel tijd hebben voor iets anders, terwijl degene, die alle gelegenheden wil gebruiken misschien pas na twee uren strompelend het terrein van de strijd verlaat en zo misschien tijd te kort zal komen voor dingen, die toch ook belangrijk zijn. Daarom: Leer te stellen wat belangrijk is. Vraag u zelfs af, of u deze dag kunt leven volgens de meest gunstige omstandigheden of wel dat er dingen van zo groot belang zijn, dat men deze in ieder geval moet doen. Het belangrijkste is dan wel, dat u zich een eenmaal genomen besluit blijft herinneren en zich daaraan leert houden. Door zo bewust te leven en steeds door eigen wil te laten bepalen, hoe men handelen zal, hoe men zijn tijd in zal delen, hoeveel werk men wil volbrengen enz., traint men zijn geest meer, dan men op aarde wel schijnt te beseffen.

image_pdf