Oude en nieuwe oosterse wijsheid

 19 november 1961

Ik zou u op deze morgen gaarne willen confronteren met wat oude en nieuwe wijsheid, die voor een groot gedeelte ontleend is aan het Oosters denken. Wanneer het mij mogelijk is dit te doen, zal ik daaraan gaarne commentaren verbinden, die het u waarschijnlijk gemakkelijker zullen maken deze waarden in meer westerse termen om te zetten.

Allereerst wijsheid. Een wijze is iemand, die weet hoe ver zijn weten reikt, beseft waar zijn gaven liggen en zich niet bezig houdt met datgene, wat buiten zijn bereik blijft. De kracht der wijsheid is niet gelegen in haar kennen, maar in haar vermogen en het gekende tot eenheid te brengen. Wijsheid houdt in, dat men met veel zorg de vraag formuleert en haar herleest als antwoord.

Ik heb in deze vertalingen reeds getracht u een wat westerse terminologie te geven. Laat ons nagaan, waarom deze stellingen juist zo werden gebracht en niet een andere gestalte kregen.

Wanneer wij de wijsheid bezien, zo lijkt het ons dat zij een bijzondere begaafdheid is. In feite is zij echter een samenvoeging van gevoelen en denken op de enig juiste wijze. De normale mens denkt grotendeels thalamisch, Hij gebruikt dus de thalamus, die door zijn reactie op de prikkel en het gebeuren de emotie voorop stelt. De emotie overheerst het denken. Wanneer wij alleen de signalen, die inkomen naar de cortex voeren, ontstaat de nuchtere kennis en erkenning, die echter geen enkele mogelijkheid geeft om het ik te associëren met de werkelijkheid. Er is sprake van een kennis, die niet in een relatief verband met het heden staats doch ten hoogste als blijvende referentiewaarde kan dienen.

Nu wordt u misschien duidelijk, waarom wijsheid in de eerste plaats haar eigen beperkingen moet kennen. Wij kunnen immers in de wereld niet uitgaan van het voor ons niet kenbare en wij mogen niet uitgaan van datgene, wat voor ons niet aan te voelen is.

Wijsheid is het kennen van je eigen beperkingen, maar wijsheid betekent ook dat een vraag, die wij aan de wereld stellen, gesteld wordt vanuit ons persoonlijk ervaren. Wij zijn met de vraag zowel emotioneel als verstandelijk verbonden. Zij is geen stelling of geen bewering, maar een doodnuchter verwerken van onze innerlijke waarde. Als zodanig wordt zij tot de openbaring van hetgeen in ons bestaat, zowel aan kennis, aan gevoel, als aan vermogen. Door deze vraag te beschouwen, ervaren wij het antwoord daarop in onszelf. Toch zegt dezelfde denker aan wie ik deze, overigens vrij vertaalde eerste spreuken ontleende, dat wijsheid inhoudt: het aanvaarden van het antwoord, dat men in zich vindt, zonder dit als volledig te beschouwen of zelfs naar volledigheid daarin te streven. Wanneer ik mijzelf een vraag stel en ik beschouw haar, wordt zij een zelfopenbaring. Deze zelfopenbaring maakt mij de ogenblikkelijke aanpassing van mijzelf aan de wereld mogelijk. Breid ik haar echter uit, zodat zij de gebieden gaat omvatten, waarmee ik innerlijk niet een kan zijn, met gebieden, die door mijn gevoel niet kunnen worden beleefd of verstandelijk niet nauwkeurig omschreven, dan schiet ik tekort. Mijn antwoord is in feite een speculatie filosofisch soms waardevol, maar berustend op zoveel verschijnselen, die voor mij niet van kracht zijn, of door mij niet gerealiseerd kunnen worden, dat ik met dit bereikte niets kan doen.

Wijsheid is de kracht van werken waardoor de mens zijn eenheid met God bereikt. Werken is scheppen, zelfs wanneer de herscheppende functie van de mens in het Al beschouwd moet worden als een zeer secundaire, zo blijft voor hemzelf alleen de zelf geschapen wereld als de belangrijke, de enige “beleefbare “bestaan.

Zelfs de wijsheid weet niet waar het einde ligt en alleen de filosofie en het vage gevoel zeggen ons dat er een einde komt in de eenheid met het goddelijke zelf. Dat daar de ervaring van ‘t Al in werkelijkheid mogelijk wordt. Dit zijn echter stellingen.

Ik beleef mijn eigen wereld en slechts de wereld, die ik mij schep, zal mij werkelijk zijn. Dit betekent ook, dat ik meester ben over mijn lot, dat ikzelf produceer wat noodzakelijk is voor mij en dat mijn eigen voorstellings- en gevoelsleven niet slechts de functie van de wereld voor  mij maar ook haar werking op mij zullen bepalen.

Ik ben vrij en dit is de kern der wijsheid, want slechts indien ik vrij ben, erken ik mijzelf en mijn wereld en bouw ik mij daaruit de mogelijkheid tot begrijpen, handelen en ondergaan.

Een stelling die voor velen van u misschien wat gezocht klinkt; maar laat ons dit dan omzetten in de normale werkelijkheid van het Westen. U leeft; u hebt een omgeving, een volks een land, een stad, vrienden en geburen. Gij hebt rond u al datgene wat voor u het leven uitmaakt. De wijze waarop gij het leven benadert, bepaalt hoe het leven u benadert. Wanneer gij die wereld tegemoet treedt met het uiterlijk vertrouwen, maar een innerlijk wantrouwen, zo zal dit wantrouwen steeds nog gerechtvaardigd worden, want ook al zegt gij te vertrouwen, uw wantrouwen wordt herschapen en wordt voor u een direct deel van al wat rond u is.

Gij zegt te geloven en gij tracht te geloven, maar in u blijft een twijfel bestaan. Dan zal deze twijfel vanuit uw wereld even sterk spreken als uw geloof en wel volgens de waarde die zij in u heeft. De mens is meester van zijn wereld. Hij is de schepper van zijn leven. Schepper van je leven zijn wil zeggen, dat je dus a.h.w. experimenterende opbouwt wat voor jou het leven is en wat voor jou belangrijk is, al wat je daarin overkomt, al wat je doormaakt, is mede deel van jezelf en hieraan is geen ontkomen. Op het ogenblik dat je dus delen toevoegt aan je wereldbeeld, die niet beleefd en gekend kunnen worden of beleefd en overdacht, wanneer je aan die wereld niet voor jou direct kenbare en begrijpelijke waarden toevoegt, dan wel interpretaties die niet gebaseerd zijn op een werkelijkheid, verteken en verwring je het beeld van de werkelijkheid, beperk je je eigen vermogen om die wereld te beheersen en beperk je tevens de mogelijkheid om met die wereld en de krachten die je daarin erkent, harmonisch te zijn. Een punt dat van buitengewoon groot belang is en ongetwijfeld dan ook van de oudste dichten af, de vele Veda’s van het Ramayana oud heldendicht, de filosofieën uit China en Tibet, maar ook meer westerse leraren en de Perzische filosofie naar voren wordt gebracht.

Wijsheid alleen echter is niet voldoende. Wij hebben nodig zekerheid. De enige zekerheid, die ik bezit, is het feit van mijn bestaan. Zelfs indien ik een droom zou zijn, ben ik voor mijzelf werkelijk. Mijn eigen werkelijkheid is de enige, die voor mij hanteerbaar is. Ik behoef me dus niet bezig te houden met alles wat mogelijk de bron van mijn bestaan zou kunnen zijn.

Ik weet dat ik leef. Vanuit dit feit moet ik verder gaan, nimmer vanuit een willekeurige stalling of theorie. Zoals ik mijzelf waarlijk besef moet ik zijn.

Een leerling vraagt aan een Chinees filosoof: “Wat is de weg om goed te leven?” en hij antwoordt: “Die weg is waar uw voeten u dragen.” De leerling zegt: “Maar dat is geen weg.” De meester antwoordt: “De weg ontstaat door het gaan, niet het gaan door de weg.”

Je kunt dit misschien gemakkelijker beschrijven door te zeggen dat alle dingen, alle innerlijke behoeften van de mens goed zijn. Zij zijn deel van zijn weg. Hij kan zich daaraan niet onttrekken. Hij kan slechts zorgen dat zij als waarde en werking een zo groot en zo juist mogelijke invloed hebben op al, wat hij als waar erkent. Niemand kan voorkomen dat in zijn leven zekere factoren een rol spelen. Hij kan slechts voorkomen dat deze factoren zijn meester worden. Hij gaat de weg, maar door het gaan van de weg werd de keuze van de weg eveneens vastgelegd. Niet de weg die u gebaand is zult gij gaan, maar de weg die gij voor uzelf ziet, is de uwe.

Er is een wegvallen van elke vaste leer of vaste weg. Er komt een leerling bij een bekend Brahmaans leraar en hij zegt hem:”Heer, ik voel mij schuldig, want ik kan niet geloven in de goden die men mij predikt,” en hij verwacht een vermaan, maar hij krijgt een heel ander antwoord. Een spreuk die ik u zou willen aanbevelen ter overdenking: “Niet wat men u zegt, dat goden zijn, kan voor u waar zijn. Dien uw God zoals gij hem erkent en acht u niet schuldig omdat gij niet de wegen van anderen volgt, want ziet, al zijn de winden slechts vier, de richting waaruit de lucht ons beroert is slechts een van een oneindig aantal.”

Wij moeten vrij zijn en deze vrijheid kunnen wij nimmer baseren op een ons schuldig gevoelen, omdat wij een oude, ons oorspronkelijk onderwezen weg verlaten hebben. Wij kunnen ons nooit minderwaardig, schuldig, enz. gevoelen wanneer wij een weg willen of durven gaan, die door anderen niet als juist ervaren wordt, want wij zijn niet gebonden aan een uiterlijke weg, noch aan een vaste reeks van feiten. Wij zijn in het leven alleen gebonden aan datgene, wat wijzelf tot stand brengen.

Immers, alleen wat werkelijk deel is van onszelf is waar voor ons. Niets wat buiten ons bestaat kan voor ons geheel werkelijk zijn. Alles kan een droom zijn, een illusie, maya. Maar dat wat wij leven is voor ons waar. Indien ik droom en in dit dromen duizend malen leef en sterf, mij dit herinnerend bij het ontwaken, is deze droom voor mij meer waard dan het leven van onverschillig welke mens, dat ik niet doorleefd heb.

Het is belangrijk ook dit te beseffen, want wijsheid die gebaseerd wordt op het bestaande dat niet in het ik leeft, wordt tot dwaasheid.

En dan is er onze band met de wereld. Wat ben ik in de wereld? Is een vraag, die men zich vaak stelt. Denkers geven daarop verschillende antwoorden waaronder mij in het bijzonder trof het antwoord: “Ik ben een pion op het schaakbord van de Eeuwige, maar ik ken zijn gedachten indien ik mijzelf vergeet en slechts zijn pion wil zijn.” Het is een zeer vrije vertaling van een in dichtvorm uitgedrukte Perzische wijsheid.

Een andere, misschien even grote wijsheid zegt, dat ik alleen maar door te zijn al volbreng wat noodzakelijk is. Hier komt de gedachte van de pion weer op de voorgrond. Ik ben tot op zekere hoogte niet uit eigen wil. Ook wanneer ik telkenmale weer persoonlijk en zelve in gehele vrijheid van weten en kennen een incarnatie zou kiezen, ergens is de bron van mijn zijn en deze bron ben ik niet zelve. Ik ben niet uit mijzelf geboren, doch deel van het onbekende. Zo ik mijzelf ken wordt het onkenbare tot wereld en zo werkelijk.

Toch geloof ik dat wij bij het zoeken naar de zin van het leven het antwoord op de vraag wat wij zijn, moeten vereenvoudigen. Alleen filosofisch bespreken klinkt wijs, maar is het wijs? Wanneer ik voor mijzelf zeg: Ik ben nu en op dit ogenblik volgens mijn eigen denken, weten en leven, in gevoel zowel als in kennis een bepaald iets, dan spreek ik een voor mij onloochenbare waarheid. Door te handelen naar deze waarheid zal ik mijzelf nauwkeuriger omschrijven en beter leren kennen. Het antwoord op de vraag wat ben ik, zou volgens een Indisch denker moeten zijn: Door te leven volgens wat ik in mij als waar erken, weet ik wat ik ben. Misschien zal ik meer zijn dan ik besef, maar de kern van mijn wezen ligt altijd in dat, wat ik reeds nu erkennen kan.

Dat lijkt me een belangrijke waarheid. We moeten uitgaan van wat we nu zijn, wat we nu kunnen, wat we nu als juist en waar ervaren. Alleen zo is de hoogste wijsheid, het hoogste inzicht en het meest juiste leven bereikbaar. Er is in mij een neiging om voort te gaan, want de bronnen der wijsheid, ontstaan in ongetelde duizenden jaren van menselijk streven, zijn haast onuitputtelijk. Beperking is echter noodzakelijk, want, zegt de wijze niet, dat de grootste wijsheid ligt in het leven van jezelf en het beperken van het ik waar je twijfelt?

Laat me daarom overgaan tot enkele punten van de nieuwe leer. Slechts wat ik werkelijk liefheb op deze wereld kan ik erkennen. Slechts in de werkelijke band met het levende kan zich mijn God openbaren. Indien ik streef naar volmaaktheid, indien ik geluk zoek en vrede, zal ik dan ook mijzelf moeten zijn en mijn wereld in waarheid moeten bezitten. Niets is belangrijk wat uit woorden wordt gebouwd. Slechts wat geleefd kan worden is belangrijk. Het is beter twee woorden, twee woorden van een leer te leven, dan een ontelbaar aantal woorden van een leer te kennen en te verklaren. Hier geeft ook de laatste Meester een aansluiting op het voorgaande. Ook hij ziet de noodzaak om het erkende om te zetten in daad. Ook hij ziet de noodzaak om in het gevoel van eenheid en harmonie de oplossing voor eigen problemen, zowel als de problemen van de wereld die men erkent, te vinden.

Wanneer men hem vraagt hoe hij zich dan de wereld denkt, antwoordt hij: “Als een wereld van wijzen, die de dwaasheden van anderen begrijpen en daarom verdragen en een wereld van dwazen die door hun dwaasheid leren, dat de wijzen hen niet belemmeren.”

Hier ligt de essence van deze tijd. De dwaas moet zijn eigen lot ondergaan, daaraan is niets te doen. De wijze echter onttrekt zich aan dit lot door zijn besef van gevolgen en consequenties en kan de dwaas, wanneer hij zijn dwaasheid beseft, helpen door hem de werkelijke inhoud van zijn wezen te doen kennen.

Voor u zou precies hetzelfde gelden. Zoek niet het hoge en het onbegrijpelijke, doch tracht te erkennen wat gij met gevoel zowel als met verstand op dit moment zijt. Wees dit zo goed en zo volledig als gij kunt en wanneer anderen dwaas zijn, laat u niet door hun dwaasheid schokken of beroeren, doch, hen de vrijheid gunnend hun eigen weg te gaan, dient gij bereid te zijn hen bij te staan wanneer zij hun dwaasheid erkennen.

De Meester zegt, dat er slechts één uitzondering is: “Indien de dwaas zijn dwaasheid uitleeft op anderen die weerloos zijn, zo neem hem weg daar, waar hij schade kan en breng hem daar, waar zijn dwaasheden slechts hem zelf treffen.”

Dit laatste zal u niet altijd mogelijk zijn, toch kan men met denken en daden ook hier naar streven, opdat de meest harmonische en de meest juiste verhouding worden geschapen in de mens en wereld als kracht die bevestigt het komende licht der tijden.

o-o-o-o-o

Dat was dan onze gast voor deze morgen en als het even kan voor nog ettelijke andere lezingen. Ik weet niet precies of u alles hebt kunnen begrijpen, want zijn lezing deed mij aan als een soort geestelijk maggiblokje. Sterk geconcentreerd, maar daardoor misschien in onverdunde vorm hier en daar wat ongenietbaar of wat onbegrijpelijk. Laten we nu het standpunt van de orde eens nagaan, dat voor een heel groot deel dat geef ik toe toch wel overeenstemt met wat hij zo allemaal vertelde. We gaan van het standpunt uit dat de mens moet leven uit zijn geloof. Dat geloof nu te gaan beperken tot dat, wat je in jezelf als een zekerheid voelt en buiten je enigszins waar kunt maken, ja, dat is iets waar je pas toe komt wanneer je eigenlijk weet, wat je gelooft en niet voor die tijd, tenminste dat lijkt mij. Dus wij geloven wel, en dan ziet u dat wij ook goede gelovigen zijn, dat het nodig is om uit te gaan van een geloof, van een aanvaarding. Zonder dat geloof en die aanvaarding sta je helemaal op je eentje en dat geloof, hoe onredelijk het misschien ook moge zijn en hoe weinig je ervan begrijpt, als het er op aankomt je denkt meestal dat je er een hoop van begrijpt is toch altijd wel een band met allerhande andere krachten.

Kijk eens, of ik nu geloof in God almachtig of in Jan Jansen, de grote die alles geschapen heeft, blijft hetzelfde, want de naam bepaalt de kracht niet. Natuurlijk zal ik in beide gevallen mijn geloof anders formuleren, maar doordat ik die kracht in ieder geval aanvaard, kom ik toch al een heel eind. Ik mag dan misschien niet weten dat ik, zoals de spreker zei, een pion ben op een schaakbord, maar ik weet verduveld goed dat die goddelijke kracht op mij invloed heeft, dat er een wisselwerking bestaat tussen ons, dat ik daar dus van uitga. Dus, al het gestelde is erg mooi, maar laten we eerst eens beginnen met te geloven.

In de tweede plaats, ja, wat daar allemaal gezegd wordt over de juiste verhoudingen in het leven, is natuurlijk waar, maar om dat in de praktijk te kunnen zetten moet je toch werkelijk al een heel eind gevorderd zijn, dan mag je geen domme jongen zijn. Wat daar echter allemaal in staat, kunnen we voorlopig, op een minder bewust vlak dan, uitdrukken door te zeggen dat je je naaste lief moet hebben. En je naaste kan alleen maar iemand zijn, die je enigszins kent, iemand, die je aanvaardt. Dus in de praktijk is de eerste stelregel: Heb uw naaste lief. Elke mens, die je erkent, die je beschouwt als iets levend en niet alleen maar de vage achtergrond van de massa is, moet je liefhebben zo goed als je kunt, moet je helpen zo goed als je kunt, ook al weet je dan niet precies waarom en ook al ben je nog niet in staat om dat thalamisch denken via de cortex te leiden. Juist, ja, ik heb goed geluisterd, ik ben er ook bij geweest.

Te leven vanuit een gevoel kan op een gegeven ogenblik schadelijk zijn. Te leven zonder gevoel is dodelijk, want iemand, die geen gevoelens heeft is een automaat, een machine. Die kan met de geest geen steek verder komen en wat hij in de stof presteert is meestal ook minder waard. Elke mens heeft een bepaalde reeks van gevoelsmogelijkheden. Begin met de mogelijkheid van gevoel die je hebt nu eens te gebruiken. En wanneer je dat dan kunt maken tot kennis bovendien, zoveel te beter. Maar voor kennis moet je een zekere ontwikkeling hebben. Voelen doet een ieder. Begin dus vanuit het gevoel en begin nooit vanuit het verstand. Verstand heeft bij de mens de neiging om de gevoelswereld te onderdrukken, te knevelen, dan is er nooit een harmonie mogelijk. Maar als je uitgaat van je gevoelswereld en het verstand dan mee laat werken in het gevoel, dan komt er op den duur die harmonie waarover gesproken werd. Ik zou zeggen begin altijd zo eenvoudig mogelijk. Het is nu wel aardig om te vertellen dat we allemaal grote dingen moeten doen, maar ik doe liever een klein ding goed, dan dat ik honderd grote dingen verknoei. Nu nog en vroeger ook zo. Want als ik een klein ding goed doe, dan kan ik de volgende keer misschien iets belangrijkers goed doen. Nu, ja, en dan lijkt mij dus dat vanuit het standpunt der orde ook nog mag worden gesteld: “Denk zo groots als je wilt. Laat je gevoelswereld zoveel mogelijk behelzen wat er in de wereld bestaat, maar begin klein. Begin rustig met de kleine dingen, die je goed kunt doen en ga van daaruit verder.

Lering is buitengewoon interessant en mooi, maar lering kan voor mij alleen betekenis hebben wanneer ik er praktisch iets mee kan doen, een hoofd vol met vaagheid en stellingen, met theologie, filosofie en wat voor logieën er nog meer zijn, is geen cent waard. Alleen wanneer ik er iets mee tot stand breng. En om iets tot stand te brengen als mens, lijkt mij zo, dat je het moet kunnen demonstreren in de stof. Het moet in je stoffelijk leven een betekenis hebben. Dat kan een gevoelswaarde zijn, dat kan een daadwaarde zijn of een gedachtewaarde, maar het moet iets zijn, waar je houvast aan hebt, waar je uit kunt puren, waar je uit kunt putten. Heb je dat niet, nu laat het dan maar voorlopig terzijde. Praktijk is nodig. Het gevaar om in die wereld van begoocheling terecht te komen, lijkt mij groter te worden naarmate je minder vraagt naar een voor jou bruikbaar iets.

Per slot van rekening als ze u nu gaan vertellen dat ergens in het verleden een mens aan het kruis is gestorven, dat die mens u verlost en zo, en ze vertellen u, dat hij God is, dan kan dat allemaal waar zijn, maar als het voor u nu geen cent en geen jota en geen titteltje betekent, wat dan? Moet je je er dan maar mee bezig houden? Moet je erover gaan bekvechten of hij nu precies om 3 uur in de namiddag is gestorven of wat later of wat vroeger? Dat heeft toch geen zin. Wanneer die verlosser voor u van binnen en ook metterdaad de idee van verlossing duidelijk maakt, meer harmonie geeft met de wereld, akkoord van Putten, neem maar aan wat je wilt. Maar als je er alleen maar een theorie op na houdt, die verder op je werkelijke daden geen invloed heeft, waar maak je je dan druk over? Hetzelfde met geestelijke dingen. O, u zult er natuurlijk niet alles van snappen, maar dat is ook niet belangrijk, maar er is ergens iets wat jij begrijpt, wat jij kunt verstaan, wat niet alleen spreekt tot je gevoel of tot je verstand, niet alleen je kennis vergroot, maar iets waarvan je de idee hebt, daar put ik kracht uit, of daar kan ik iets mee doen, of dat kan ik in daden omzetten. Als je dat nu neemt, dan is het wat belangrijks. Als ik u ga vertellen dat u allemaal kunt leviteren, dus dat u, wanneer u nu maar voldoende juist ingesteld zou zijn op het ogenblik, allemaal rustig op een halve meter hoogte boven uw zetel in de zachte lucht zou kunnen zweven, dat is erg mooi en als ik u nu precies ga vertellen hoe het in elkaar zit, erg interessant. Maar als je toch geen kans ziet om het te doen, wat heb je er dan aan? Begrijpt u wat ik bedoel?

Daarom is het standpunt wat wij vanuit de orde in deze dagen wel bijzonder sterk naar voren moeten brengen, dit: Aanvaardt al het interessante en leuke als amusement. Zie het als iets, waar je later misschien wel eens iets aan kunt hebben, maar klamp je vooral vast aan de dingen, waar je nu wat mee kunt doen, waar je je nu één mee kunt voelen. Vraag je ook niet af of de orde gelijk heeft of een ander. Vraag je af wat jijzelf als juist voelt, wat je wilt doen, wat je kunt doen. En doe het dan, praat er niet te lang over.

Ja, dan blijft me alleen nog een laatste punt over, dat: Wat ben ik? Kijk eens, wat je bent, denk je altijd te weten en als je het aan een ander vraagt, heb je het altijd mis. Niemand is precies zoals hij denkt te zijn. Als we daar nu eens van uitgaan. Dan kan ik natuurlijk zeggen: “Ja, maar wat ik bewust doe, dat ben ik.” Ja, voor mezelf. Ik kan voor mezelf heel goed zijn en toch bij een ander minder geoorloofde of gangbare woorden ontlokken, die dan ook als een persoonsbeschrijving zijn bedoeld. Soms gaat die zelfs tot de afstamming in het zoveelste geslacht, die uitdrukking, en dan denk je toch zelf, dat je goed bent. Als je zegt: De vraag “wat ben ik” kan alleen relatief en dus ook zeer subjectief beantwoord worden, goed, zeg dan tegen jezelf: Ik ben wat ik probeer te zijn, als ik ‘t maar niet volgens mijn eigen erkennen en daden omzet in het tegengestelde. Je weet: als je alleen op je voornemens af zou gaan, tjonge wat zouden we dan een hoop heiligen hebben.

Maar ja, de duivel heeft er ook een heel mooi tegelvloertje van laten leggen, van je goede voornemens en daar slippen steeds meer mensen op als je andere partijen mag geloven. Niet wat ik me voorneem om te zijn, maar wat ik op het ogenblik ben. Wanneer u zich voorneemt om beter te zijn, geeft u toe dat u op een bepaald punt niet deugt. Begin dan maar eens daarmee als een werkelijkheid. Ken je eigen fouten en doe daar wat aan. De goede punten die je hebt zullen zelf wel naar buiten komen. Houd je niet teveel bezig met wat een ander zegt over je. Een ander kan je toch niet precies kennen zoals je bent of zoals je denkt te zijn. Probeer tegenover anderen te beantwoorden aan hun verwachtingen, zolang als dat niet strijdig is met je eigen wezen en voor de rest probeer alleen maar gelukkig en tevreden te zijn met wat je bent en dat steeds meer te worden.

Vraag je niet af wat je zult zijn over een paar honderd jaar in deze of gene sfeer, of wat je kunt gaan doen wanneer je dood bent. Per slot van rekening als je in de zeventiende sfeer een breiwerkje gaat opzetten later, dan kun je daar nu toch geen steek van opnemen. Je kunt hoogstens een paar steken laten vallen. Dus vrienden: “Wat ben ik nu volgens mijn eigen beste wezen? Hoe kan ik van de eigenschappen die ik nu heb, de ideeën die ik nu heb, het beste daadwerkelijk gebruik maken zonder het idee te hebben dat ik mezelf daarbij verloochen?”

En ten laatste de vraag: Hoe kan ik dat, wat ik werkelijk en eerlijk ben, zo goed mogelijk aanpassen aan anderen zonder daarbij me zelf willens en wetens om te vormen tot iets wat ik toch eigenlijk niet kan zijn? Als je een dondersteen bent kan je wel proberen voor een ander een heilige te spelen, dat gebeurt in menige verlovingstijd, maar je houdt het toch niet altijd vol. Vandaar dat in elk huwelijk wel eens een paar woordjes vallen.

Dat is het idee wat ik zo krijg uit al die woorden en dan zeg ik het misschien een klein beetje platvloerser, maar in één ding zou ik het toch met die gastspreker eens willen zijn en dat is dat de grootste wijsheid voor de mens uit in het kennen van zijn beperkingen. Weet wat je niet kan doen, dan heb je kans dat je met de rest aardig slaagt. En als je niet zeker weet of je het doen kunt of niet, maar je denkt dat het wel lukt, probeer het een keer. Probeer het met al je kracht en je vermogen en gaat het dan niet, wacht dan maar af totdat je eerst een beetje rijper bent geworden.

o-o-o-o-o

U hebt het wel in de gaten, we zijn vanmorgen een klein beetje wijsgerig op verschillende niveaus maar ja, wanneer u het mij nu vraagt, dan is die wijsgerigheid toch eigenlijk niet voldoende. Want als je als mens of als geest alleen maar wijsgerig bent, dan kom je eigenlijk zo onnoemelijk veel tekort.

Een mens laat zich vaak overweldigen door de betekenis van de dingen, maar als u nu eens werkelijk zou zien de atoomzuil van een verwoestende bom, zoals die omhoog rijst naar de stratosfeer en zijn paddenstoel vormt en u zou dat kunnen zien met al zijn kleuren, met dit vreemde doorleefd zijn van die wolken, van flitsende lichten, het wisselen van iriserende fel violette kleuren tot een diep dreigend rood, dit mengsel van blauw en grauw en zelfs gouden schijn, dit magnesium witte licht, verborgen achter de wolken, u zou vergeten wat eraan verbonden is. Ik geloof dat ge gevangen zoudt zijn in de schoonheid van hun spel.

Schoonheid is er in alle dingen. Overal, zelfs in het meest gevaarlijke, het meest dreigende, het meest onaanvaardbare, ligt nog ergens schoonheid wanneer we ze willen zien. En er zijn zoveel dingen in het leven waaraan je eigenlijk niets kunt doen. Dingen, die je nu eenmaal moet aanvaarden of ze er zijn of niet. Je kunt niet als er een atoombom explodeert zeggen: “Ik wil dat dit niet bestaat”. Daarvoor heb je de kracht niet in jezelf. Onderga dan de schoonheid ervan tezamen met de verschrikking. Dan krijg je tenminste iets meer in je leven, weet u, iets meer kracht en iets meer begrip en iets meer besef, dan wordt het leven anders.

Zoek schoonheid. Hoe kun je het leven liefhebben en hoe kun je de mensen liefhebben wanneer je niet het goede ziet, het edele, het reine, het schone, het lichtende wat erin bestaat? Hoe kun je ooit in een wereld vrede hebben met jezelf en met het leven als er niet steeds weer die openbaring is van iets nieuws? En daarom is mijn bijdrage deze morgen eigenlijk hoofdzakelijk gebaseerd op het erkennen van het schone, van het mooie in het leven. Hoe lelijk de dingen ook kunnen zijn, ergens bezitten ze een schoonheid, ergens kunnen ze fascineren. En de mens die gefascineerd wordt door het leven en al wat zich daarin manifesteert, leeft werkelijk, die leeft intens, die bestaat. Niet een ontkennen van al wat lelijk is, maar het zien van de schoonheid die erin ligt is het machtige wapen wat je bezit.

Soms kom je voorbij een ruïne die staat ergens achter een mestvaalt en wanneer je dat alleen maar ondergaat in zijn reële zin, is het een ergernis. Maar als je gevoelig bent voor de schoonheid erin dan zie je daar een spel in van kleuren en van lijnen. Als je schilder zou zijn, zou je het kunnen vastleggen op een doek en iedereen zou uitroepen: “O, hoe mooi,hoe pittoresk”. Maar dat komt omdat ze dan de lucht en de associaties niet zien, alleen het voorwerp nu voorgesteld in dat ene facet van schoonheid. Als ze er zelf voor staan, zien ze het niet. Wel, is het dan zo moeilijk om naast al het andere in het leven het mooie te zien, het edele? Is het dan zo moeilijk om zelfs uit de ergernis, je pijn en je lijden, toch datgene te puren, wat betekenis heeft? Al is het maar een hulp, een gebaar, een enkele ervaring. Al is het maar alleen het wisselen van de kleuren van de hemel, of misschien het vreemde glimmen van de straten, asfalt en keien in de regen. Alles heeft zijn schoonheid, zelfs het grootste geweld.

Een zon die uiteen barst heeft in haar dodelijke explosie een majestueuze grootheid, een felheid, waarvan je niet kunt zeggen, waar ze eindigt. Schoonheid is een deel van het Al. Een mens die de schoonheid voorbij loopt, een mens, die misschien alleen wil zien naar de rechte lijnen of de gerechtigheid, die alleen maar wil zien naar de zoete hoogdravende verklaringen, die komt er niet, want hij ziet alleen het lelijke en het zware van het leven.

Het leven kan zo mooi zijn. Het kan mooi zijn niet omdat het alleen schoonheid is, maar omdat je beseft, dat in dit alles schoonheid geborgen ligt en dat je die steeds ondergaat. Wanneer je rust hebt of hard meet werken, wanneer je emoties ondergaat of filosofisch, haast sluimerend de wereld ziet, wat er ook in je leven is, goed of slecht, probeer eens te zien wat er aan schoons in ligt en aanvaardt het schone in de wereld. Aanvaardt de openbaring van harmonie, van kracht, die in die schoonheid toch geboren ligt en laat dan het andere even zijn. Je zult zien, dat je uit het ervaren van het mooie, van het harmonische en het schone, de kracht kunt vinden om al het andere, wat dan misschien minder aanvaardbaar is, te overwinnen, te dragon, tot deel van jezelf te maken.

Wat heeft het voor zin je alleen maar bezig te houden met de sombere dreiging, die over de wereld hangt? Wat heeft het voor zin alleen met een profetenstem uit te roepen: “Denkt erom want de wereld gaat vergaan”. Alleen dergelijke dingen zeggen is dwaas. Het is dom en het is nutteloos. Wanneer we zeggen, dat de wereld vergaat dan kunnen we hoogstens daarmee bereiken, dat een hele hoop andere mensen ook zenuwachtig  en gek en dol en dwaas worden, maar wanneer we zien dat er ergens een goede mogelijkheid ligt; ergens een schoonheid nog, ergens iets wat goed, wat licht kan zijn en we kunnen daar de aandacht op vestigen, dan wordt het anders. Wanneer we middenin een landschap vol van zwepende regen ineens kunt zeggen: “He, zie je die ene lichtstraal daar? Wat speelt dat vreemd over de bladeren”, dan heb je ineens aan die hele regen, aan die hele storm en al wat erbij zit een andere betekenis gegeven.

Schoonheid ervaren betekent, kracht, betekent innerlijk sterker worden. Dat betekent veerkracht winnen, dat betekent intenser leven, dat betekent, nou ja, hoe moet ik het zeggen, eigenlijk loven dichter bij God? God, maar het is andere dingen, andere dingen, maar dat klinkt weer zo buitengewoon vroom. Leven is toch waar. God is de schoonheid, net zo goed als alleen maar in de schoonheid kunnen we God begrijpen en in de andere dingen niet.

Laten we dan eerst eens naar die schoonheid kijken, dan voelen we ons tenminste dichter bij God. En wanneer er een hele hoop ellende is en wanneer er een hele hoop tegenslagen zijn en wanneer je dit dwars zit en dat niet goed gaat, is het dan eigenlijk wel verstandig om alleen maar te kijken naar het lelijke? Schoonheid is de kracht die ons gegeven wordt en die we kunnen zien en kunnen ondergaan, die we op de een of andere manier kunnen begrijpen. En dan is dat misschien wel niet wijsheid in de menselijke zin van het woord,maar het lijkt me dwaas om die kracht niet te gebruiken.

Overal rond je is levende kracht. Overal rond je openbaart die zich. Onderga zo in het kleine en in her grote. Laat je niet overweldigen door alle andere aspecten die er zijn. Leef de schoonheid van het leven. Leef ze met een glimlach en draag zo al het andere totdat je meester wordt over deze dingen. Dat is zo’n beetje mijn idee en mijn bijdrage. Nu, en degenen, die vinden dat ik zit te schwärmen of zo, die zou ik alleen maar zeggen, dat zelfs in mijn woorden ergens een schoonheid geborgen ligt. Niet omdat ik ze er in leg, maar omdat er ergens een harmonie is, harmonie met de schoonheid. Probeer die harmonie eens te vinden. Je zult ontdekken dat het jezelf ten goede komt en dat je ineens veel minder zwartgallig wordt en dat er veel meer kracht is. Zo, nu wil ik u niet langer bezighouden met mijn eigen betogen.