Oude goden en astrale vormen

 19 oktober 1962

Ik wijs u er op, dat wij niet alwetend zijn of onfeilbaar. Wij hopen dan ook, dat u zelfstandig na zult denken. Mijn onderwerp luidt:  oude goden en astrale vormen.

Wanneer men zich in deze dagen realiseert, dat in de oudheid elke stad, elk dorp, elk gezin zijn eigen goden kende, rijst de vraag, of er dan wel geesten genoeg zijn, die als werkelijke goden op kunnen treden. Menigeen zal zich, bij gebrek aan beter, dan wenden tot natuurgeesten en zich voorstellen dat bv. kabouters als huisgoden zijn opgetreden enz.

Maar deze stelling is niet helemaal juist en soms zelfs misleidend en gevaarlijk. Indien wij echter in de sferen nagaan, hoeveel werkelijke “goden” er geleefd hebben, ontdekken wij, dat een groot aantal werkelijke machten onder verschillende namen als godheid vereerd werd. Daarbij is het vreemd, dat, ondanks de verschillen in naam en eredienst, de vorm, waaronder zij worden voorgesteld worden, overal ongeveer gelijk is. Wanneer wij bijvoorbeeld de afbeeldingen van Isis als wereldmoeder stellen naast de afbeeldingen van de H. Maagd Maria, zoals deze voorkomt binnen de christelijke hagiografie, dezen vergelijkende met voorstellingen van Kwan Yin en vele andere godinnen, die eveneens als wereldmoeder e.d. vereerd werden, dan worden wij onmiddellijk getroffen door de vele overeenkomsten in de voorstellingen. In al deze gevallen treffen wij namelijk het beeld van een vrouw, staande op de aarde, waarop een symbool is aangebracht, bv. bij Isis, Ishtar en Maria een slang, waarop de voet van de vrouw rust, terwijl deze vrouw in haar armen een symbool van waardigheid draagt – vaak een kind of een vrucht.

Deze entiteit, die door zovele verschillende volkeren onder zovele verschillende namen geëerd wordt, moeten wij toch ook in de sferen terug kunnen vinden. Ik heb dit eens onderzocht en vond achter deze afbeeldingen een werkelijke persoonlijkheid. Een wezen, dat in een ver verleden op een andere planeet heeft geleefd en daarna, tot vol bewustzijn gekomen, werkzaam werd op de wereld, waarop u nu leeft. Wij mogen haar, gezien haar invloed en werkzaamheden, beschouwen als een werkelijke godin, al beantwoordt zij natuurlijk niet aan de meer abstracte kracht die men tegenwoordig meestal bedoelt, wanneer men het woord God gebruikt. Bezien wij echter de kleinere goden, dan valt ons al snel op, dat wel een ieder een eigen godje kende, maar dat in de werkelijkheid een dergelijk wezen niet terug te vinden is.

Ik maak hieruit de gevolgtrekking, dat deze goden niet werkelijk bestaan, maar slechts de verpersoonlijking zijn van iets, wat in de mensen leeft, dus niet reëel in de sferen bestaat. Nu hebben jullie allen al meer over de astrale wereld gehoord. Het is een wereld van fijnere materie. Het geheel is sterk vatbaar voor de inwerking van gedachtetrillingen, zodat de materie aldaar in gedachtevormen op pleegt te treden. Wanneer een volk gelooft aan een god, die niet werkelijk bestaat, bouwt men door zijn gedachten een beeld in de astrale wereld op, dat geladen is met de aan de god toegekende eigenschappen en intenties, zoals dezen in de mens werden gedacht.

In de astrale werelden is deze god dan wel een werkelijkheid, maar geen bezielde werkelijkheid. Aan de andere kant ontdekken wij, dat bv. een Isis – of Maria – in de astrale wereld wel degelijk ook bestaat, maar daarin een bepaalde vorm heeft, die niet geheel van het menselijke denken afhankelijk is. Toch blijkt, dat de vorm door de mensen zover kan worden beïnvloed, dat zij in de loop der tijden zich enigszins wijzigt. De eigenschappen blijven echter gelijk. Deze astrale vorm is bezield door een entiteit, die in de Lichtende sferen leeft en dient als contactorgaan met de menselijke wereld. Het eigenaardige hierbij is dus vooral, dat de mensen door hun gedachten de attributen van een dergelijke godin kunnen veranderen, maar geen invloed hebben op de eigenschappen en het wezen zelf. Wanneer u nu vrij zou zijn om de astrale sferen te betreden, zou u daarin vele vormen aantreffen.

Daaronder zouden onder meer oude natuurgoden zijn, die nimmer werkelijkheid zijn geweest. Dezen zouden zich aan u tonen als nog slechts flauw bewegen wezens, die nog ergens een beeld dragen van de eigenschappen die de mensen vroeger aan hen hebben toegekend, maar toch een uitgegloeide indruk maken – als het lampje van een zaklantaarn, wanneer de batterij uitgeput is. Zouden wij daarnaast de astrale sferen ook in het verleden kunnen bezien, dan zouden de door mensen geschapen goden ons machtiger aandoen.

Vooral echter zouden ons vele figuren treffen, die ergens aan het heden herinneren, de levende goden, die echter in gestalte en attribuut iets verschillen van alles, wat u nu kent. Ook de binding met de aarde blijkt in het verleden anders te zijn geweest dan in het heden. En dit is voor ons in deze dagen wel zeer interessant. Er blijkt dus een verandering plaats gehad te hebben in de banden tussen bezielde astrale wezens en de mensen op aarde. Het astrale voertuig is kennelijk een werktuig voor de Lichtende geest die dit werktuig echter anders hanteert dan vroeger.

Dit verschil bepaalt ook de inwerking op de mensheid en de gevolgen die het ingrijpen van een dergelijke Lichtende geest kan hebben. Het was noodzakelijk de vergelijking met de oudheid te maken, omdat alleen op deze wijze een duidelijk beeld van de inwerking van bepaalde astrale vormen op de mensheid verklaarbaar wordt. Ook is het moeilijk de werkelijke rol van dergelijke entiteiten te beseffen, wanneer wij hun invloed op de mensen in heden en verleden niet naast elkaar kunnen stellen. Ofschoon deze vergelijkingen redelijk zijn en dus altijd gemaakt kunnen worden, zijn er toch wel verschillen te denken. Neem bv. de godin Kali. Deze is, evenals Isis, een godin die vruchtbaarheid en dood brengt. Deze waarden zijn in wezen een en hetzelfde. Maar bij de verering van Kali heeft de mensheid deze facetten van elkander gescheiden. Dergelijks: zie Duitsland. Eén geheel, maar door de mensen gescheiden in Oost en West Duitsland, die geheel van elkander verschillende gezichten schijnen te bezitten, ofschoon het volk, dat er in leeft en de kracht van beide delen uitmaakt, hetzelfde Duitse volk is.

Ik zal u nu eerst het een en ander vertellen over Kali. Daarna zal ik nader ingaan op het wezen van Isis, de Grote Moeder. Kali is een godin, die vruchtbaarheid geeft. Zij schenkt leven en rijkdommen. Zij doet de bloemen groeien. Het beeld, dat de mens zich van haar heeft gevormd in deze hoedanigheid, is liefelijk. Zij is jong en schoon als een engel. Uit haar gewaad komen de krachten van groei voort, haar voeten schrijden over een tapijt van bloemen. Zij doet denken aan de modernere uitbeeldingen van een lentegodin. Teder koestert zij in haar armen het ontluikende menselijke en dierlijke leven.

Zouden wij deze godin in de astrale wereld opzoeken, dan zullen wij ontdekken, dat het wezen van de astrale gestalte, kracht is. Het is, of alles wat hoop, leven, verwachtingen kan geven van deze vorm uitstraalt. Toch is het geheel in de eerste plaats een door de mensen geprojecteerde vorm voor deze levende krachten. Want zo geloven de mensen aan Kali. Zij zijn het geweest, die haar de genoemde attributen gaven en bijdroegen tot de vormgeving van de gestalte. Stel u voor, dat wij voor Kali staan en haar daarbij tegemoet treden, zoals de mensen van de oudheid en haar gelovigen uit deze dagen dit plegen te doen. Wij buigen ons voor haar.

Vreemd, nu wij haar eer bewijzen is het, alsof ons eigen wezen door haar wordt beroerd en in ons de kracht ontstaat om met een enkel gebaar van een woestenij een bloeiende tuin te maken. Men heeft het gevoel, of geheel de wereld vol is van klaterende beken en warme beschaduwde alleeën. Het leven is niet geheel te begrijpen, maar het is mooi. Door haar zo te benaderen, treden wij binnen in een wereld, die tevens de uitbeelding is van het menselijke begeren. Daarin echter spreekt de Grote Moeder tot ons. Want ook Kali is een van de vormen, waaronder de mensen haar kennen. Wanneer wij luisteren naar de stem van de godin, spreekt zij ons over leven en dood als één enkel en onscheidbaar geheel. Zij spreekt ons over wording en vergaan als waarden, die met elkaar verknoopt zijn. Achter deze woorden klinkt reeds iets mee van een boodschap over de eeuwige werkelijkheid.

Maar mensen en geesten vrezen nog te zeer. De waarden, die worden gesproken en weerklank vinden in ons eigen astraal voertuig, spreken ons immers ook over de dood. Vooral wel de gedachte, dat dood en leven, ondergang en hergeboorte een onscheidbaar geheel zijn, brengt de onbewuste mens er toe te vluchten. Maar wanneer wij deze reactie van de gelovigen navolgen en ons omwenden om weg te vluchten, staat daar wederom Kali voor ons. Het gelaat is hetzelfde gebleven, maar nu is het als van bloeddorst vertrokken. Rond de hals van de godin hangt nu het symbool van de oude tovenaars, van bloed druipende afgeslagen hoofden, dreigend grijzende schedels. Onder de voeten van de godin verdringt zich het giftige gebroed van geheel de wereld, achter haar is de duistere dreiging van een demonische storm. Laat ons, zoals de ouden, ontsteld luisteren naar de woorden, die haar stem nu spreekt. Het klinkt als ” Ik eis leven”. De vereerders van Kali hebben die woorden begrepen als: “Te mijner ere moet je leven nemen.” Toch zijn de woorden eigenlijk gelijk in beide vormen: “ik eis leven” is niet zo verschillend van “ik geef leven.” Wanneer wij nu zelf luisteren, blijkt ons, dat beide vormen zeggen: “ik wil, dat er leven zij”. Maar de vereerders hebben dit niet begrepen. Zij zijn gevlucht voor de verschrikkingen van de toornige Kali. Zo ontstonden de vreemde riten van Kali, waarin dood en vruchtbaarheidscultus op vreemde wijze met elkaar vermengd zijn.

Wanneer de eenvoudige mens, gerustgesteld door de offers die hij heeft gebracht, Kali aanroept, is daar even weer de liefelijkheid van het beeld, dat ik u het eerste beschreef. Dan is er de feestroes, het bacchanaal, waarin de vruchtbaarheid, de vreugde, de roes van het leven, tot uiting komen. Maar dan vreest de mens toch weer de dood en onmiddellijk weerklinkt in hem weer de misverstane kreet: “lk eis leven”. Dan gaan de vereerders uit en worden weer de Thuggee, de moordenaars. Dan worden mensen of geiten ritueel geslacht om de verschrikkelijke godin tevreden te stellen. Want zij eist leven. En bloed is leven. Bloed, dat niet vergoten mag worden dan op het altaar van de godin. Maar de vereerders beseffen niet, hoe al het goede, het mooie, dat ook in Kali verborgen ligt, door henzelf wordt verdreven en vervangen door de wreedheid van een vernietigende demon. Steeds weer zullen de vereerders, zich opzwepende tot een trance, het astrale beeld van de godin aanschouwen. Telkens zullen zij, gerustgesteld door de offers die zij gebracht hebben, de werkelijke, liefelijke godin aanschouwen. Dan luisteren zij naar de woorden van de godin en klinkt weer het raadselachtige: “Leven is dood, dood is leven. Ik geef leven.” Maar voor hen klinkt het woord dood weer als verschrikking, zodat de liefelijke verdwijnt en het verschrikkelijke beeld herrijst, hen drijvende tot nieuwe rituele moord.

Dit was dan een poging u iets van de invloed van Kali te schetsen. Zij is een vorm, die eigenlijk niet helemaal zuiver is. Want vóór Kali vereerd werd, drongen de mensen niet zo ver door, vreesden zij de dood niet zozeer. Toen vereerden zij dezelfde persoonlijkheid onder andere namen, godinnen, die alleen vruchtbaarheid brachten. Pas toen de mens één enkele godheid voor zich als beschermer ging opeisen en gelijktijdig de goden niet meer zag als deel van het leren, van de natuur, maar als bovennatuurlijke krachten die men te vriend moest houden, ontstond Kali, de godin met de twee gezichten.

Isis heeft een dergelijke splitsing van haar wezen door menselijk onbegrip gelukkig niet hoeven te ondergaan. Van het begin der mensheid af is Isis eigenlijk het beeld van een goddelijk geheim geweest. Het geheime weten van het Al werd in haar erkend, maar daarnaast vertegenwoordigde zij wel degelijk ook de band tussen de stoffelijke vruchtbaarheid op aarde en het scheppende principe in de hemelen. Vandaar dat zij wordt afgebeeld als staande op de aarde in trotse naaktheid, het gesluierde hoofd gekroond met de sikkel van de wassende maan. Want haar gestalte, het komende licht, weerkaatst in de nacht, reikt a.h.w. uit naar het onbekende duister, waarin de schepper zelf zetelt. Wanneer men uit zou treden om in de astrale sferen naar het beeld van Isis te zoeken, zou men waarschijnlijk verbaasd zijn. Want een beeld van een godin, gekroond met de wassende maan, bestaat haast niet meer. Nu treffen wij een vrouw aan, wat volks gekleed, die voor het fijngesneden gelaat een haast doorzichtige sluier draagt. In haar armen draagt zij een kind. Deze vrouw staat op de wereld en reikt naar de hemel. Want de Isis van de oudheid is langzaam vervormd tot de moeder van Jezus. Indien wij echter in ons zelf blijven zeggen: wij wensen de ware Isis te zien, dan wordt het aureool, dat rond het hoofd van de maagd straalt, weer tot een vage halve maan. Dan is zij weer de Grote Gehoornde, de Hemelkoe. Maar het kind blijft, de sluier blijft, de invloed van het menselijke geloof blijft. Wanneer wij naar Isis toegaan en haar vragen: wat is wijsheid, dan horen wij de stem van het gehele leven.

Ook zij spreekt ons van leven en dood, maar op een andere wijze dan Kali. Want Isis zegt ons, dat dood eigenlijk maar een hergeboorte is. Zij spreekt ons niet over de dood met woorden, die ons doen denken aan ondergang, zij maakt geen vergelijkingen. Zij zegt ons: “Uit het geloof van de mens komt het begrip van de continuïteit van het eigen leven.” Het is, alsof Isis tot ons zegt: “Wat de mensen dood noemen is eigenlijk alleen maar méér leven”. Daarom kan de mens haar gemakkelijker aanvaarden en wordt zij niet zo snel verschrikkelijk, demonisch. Dit demonische vinden wij wel weer terug bij de door gelovigen geschapen gestalte van de wereldmoeder, die Ishtar werd genoemd.

Ishtar is enerzijds de godin van vruchtbaarheid, vrede en liefde, omringd door liefelijkheid en spelende duiven. Maar ook zij heeft haar verschrikkelijk zusterbeeld, zoals Kali. Dan is zij dezelfde godin, maar nu verschrikkelijk, het zwaard in de hand, toornig haar vijanden dodend, omringd door gehelmde amazones die met hun dodelijke pijlen geheel de mensheid bedreigen.

In Isis echter treffen wij deze gespletenheid niet aan. Wanneer wij haar wezen trachten te ondergaan, is het ons, alsof de grens van de tijd wegvalt. Bij nader onderzoek is deze ervaring begrijpelijk. Want de levende kracht, die dit astrale beeld bezielt, is de kracht van een wezen dat de mensheid het “weten” wilde brengen. Niet slechts de vruchtbaarheid van de materie, maar vooral de vruchtbaarheid van de geest, uitgedrukt in de materie, is het streven en doel van de kracht die men wel Isis noemt.

Wanneer je lang zou kunnen vertoeven in de nabijheid van dit astrale beeld, ontstaat zelfs voor hen, die niet verder kunnen stijgen, een soort rapport, waardoor het eigen denken binnen de astrale materie een grote reeks taferelen schept. Dan ziet men de eerste mensen voor het eerst de ploeg uitvinden en gebruiken, men ziet hoe de eerste akkers worden bezaaid en hoe de mensen de eerste werkelijke dorpen bouwen, ontdekt men hoe het eerste schriftteken wordt geschapen en hoe de eerste erkenning van de grote geheimen der schepping worden bewaard in de eerste werkelijke tempel, je ziet, hoe de eerste inwijding op aarde werd geboren.

Dit klinkt u misschien wat vreemd in de oren. Maar zo is het nog heden, zo zag men reeds in de oudheid het werkelijke wezen van Isis, de Grote Moeder. Voor de moderne, wetenschappelijk gevormde mens, die haar bezoekt, zullen de vage trekken van het gelaat achter de sluier wel herinneringen wekken aan de klassieke beelden van Pallas Athene. Want wanneer men met als achtergrond de moderne wetenschappen gaat zoeken in de astrale sfeer, wordt Kali tot een ontzettende vergissing van de mensen, Isis tot een patrones der wetenschappen.

Overigens zijn voor de westerse mens de tegenstellingen van de oudheid, die binnen een enkele godheid verenigd konden zijn, niet meer denkbaar. Of er is alleen hardheid, iets duivels, of er is alleen goedheid, het goddelijke. Het begrip, dat dezelfde kracht gelijktijdig dood en leven kan zijn, is voor de meeste westerlingen al bijna teloor gegaan. Zo zal ook de ontmoeting met Isis voor de moderne mens een andere zijn dan vroeger. De oudheid zocht in Isis de wijsheid van geheel het leven, de moderne mens vraagt van haar in de eerste plaats de wijsheid voor en van mensen.

Daarom de gelijkenis met Pallas Athene achter de sluier. Want tot hen, die zo vragen, spreekt Isis slechts woorden van menselijke wijsheid. Wanneer de moderne mens dan, overtuigd van eigen weten en intelligentie, meent uiteindelijk alles begrepen te hebben en hernieuwd tot de godin opziet, ziet hij alleen de gesluierde, het raadsel. Want de werkelijke wetten van het leven hebben maar weinig te maken met de menselijke kennis, die de mensheid nu alleen van haar zoekt te verwerven.

De menselijke wijsheid, is uiteindelijk een beperkte wijsheid. Dat wil nog niet zeggen, dat de mensheid weinig heeft geleerd of gepresteerd op de wereld, maar betekent alleen, dat er nog vele geheimen in leven en kosmos zijn, waaraan de mens met zijn huidige begrip niet toe is, al is hij ook in 100.000 jaren misschien met zijn erkennen en beheersen van de stoffelijke wereld aardig ver gekomen. Daarom zoekt de mens ook in zijn god, in de astrale beelden, die hij misschien aanschouwt, steeds weer zichzelf, de bevestiging van eigen grootheid, eigen weten en inzichten.

Daarom kan de Isis, die men in de astrale werelden ontmoet, nimmer het beeld zijn van de werkelijke geestelijke persoonlijkheid, die de kern van deze Lichtende kracht en de bezieling van deze astrale vorm is. De attributen van de hoge geesten, die zich via een astraal voertuig uiten en zich met de aarde in verbinding stellen, worden steeds weer door dit  menselijke denken bepaald, steeds weer vanuit het menselijk standpunt gerealiseerd. De menselijke gedachten en voorstellingen hebben vooral op de goden, die op het ogenblik het meest worden vereerd, een eigenaardige inwerking, waarbij het werkelijke beeld vaak gesplitst wordt. Een voorbeeld zal u duidelijk maken hoezeer dit ook nu nog het geval kan zijn. Wij zoeken daartoe naar het astrale voertuig van Jezus.

Wanneer u naar de ware gestalte van Jezus wilt zoeken in astrale gebieden, zult u tot uw verbazing – en misschien ook ontsteltenis – ontdekken, dat u de keuze heeft uit een paar gros vormen. Dezen zijn allen Jezus en worden allen door dezelfde kracht bezield. Maar de verschillen van vorm zijn opvallend. De een is een neger en draagt met zich enkele symbolen van een toverdokter. De ander is Chinees, de ander toont de ras eigenschappen van een Polynesiër. De ene gedaante is gekleed in de gewaden van een Griekse priester, de andere draagt een eenvoudig joods gewaad. De een is gekleed in weelde als een vorst en heerser, de ander is eerder een eenvoudige dienaar met een gelaat vol liefde. De een is een eenvoudige profeet, de ander doet eerder denken aan een barbaars versierde afgod.

Want de mensen hebben zich allen een eigen voorstelling van Jezus geschapen. In de astrale wereld leeft de bezielende kracht van Jezus, evenals die van Isis en de vele andere Grote Geesten des Lichts, in voertuigen, die grotendeels door de menselijke gedachte voor hen geschapen zijn. Dit is voor hen noodzakelijk, omdat zij alleen op deze wijze de mensen kunnen bereiken, omdat de mensen alleen dergelijke vormen zullen durven benaderen, wanneer zij de astrale sfeer betreden. Al deze vormen geven echter alleen weer, wat de mensheid kan aanvaarden, wat de mens in zijn God ziet.

Het ware wezen van de Lichtende Groten blijft dus, ondanks de vorm die zij aannemen, verborgen. Zo zouden wij dus kunnen stellen, dat het werkelijke wezen van Jezus voor de mensen verborgen blijft achter de veelheid van de gestalten, waarin Hij zich aan hen toont; dat Isis verborgen blijft achter de sluier, omdat het ware beeld, haar gezicht, voor de onbewuste mens niet te aanvaarden of te dragen zou zijn. De sluier is natuurlijk een oosters beeld. U weet, dat er in het Oosten vele landen zijn, waarin de zedigheid juist het gelaat, de meest persoonlijke uitdrukking van de mens dus, bedekt. In Egypte werd gedurende lange perioden door de deftige dames een dunne sluier gedragen, wanneer zij in het openbaar verschenen. Priesteressen waren haast altijd gesluierd. Alleen slavinnen droegen nimmer een sluier en – vooral bij feestelijke gelegenheden – ook zelden andere kledingstukken.

Het beeld van Isis als gesluierde wordt nu duidelijker, de werkingen, de belichamingen van Isis zal een ieder kunnen zien. Dezen zijn aanvaardbaar voor de mens en wekken zelfs zijn bewondering. Maar de ware persoonlijkheid blijft verborgen. Deze kan de onbewuste mens niet aanschouwen, dit aangezicht verdraagt hij eenvoudig niet. Het is in alle tijden moeilijk geweest om de werkelijke Isis te benaderen, omdat de mens geneigd is haar alleen zuiver geestelijke, of alleen zuiver stoffelijke, wijsheid te vragen. Haar wezen echter omvat beide aspecten van weten en erkenning, waardoor de eenzijdige steeds weer een schijnvorm zal ontmoeten, maar niet het werkelijke wezen. Isis is stof en geest. Zij is de werkelijke ontwikkeling van de mensheid, wetenschappelijk zowel als filosofisch en esoterisch.

Daarnaast is zij de geestelijke groei van de mensheid, het Licht van de hogere sferen, zover dit in een mens kan leven, zonder hem aan zijn eigen wereld te ontrukken. Gelijktijdig is Isis dan ook nog het menselijke denken, dat in zich immers ruimte kan maken om het niet meer redelijke hogere Licht te ontvangen. Ik hoop dat met deze verhandeling over goden en hun astrale voertuigen, u een iets duidelijker inzicht hebt verworven in de astrale sfeer en alles wat daarin kan bestaan. Vooral hebben wij gezien, hoe splitsing van de werkelijkheid in verschillende vormen mogelijk is.

Men kan dit als volgt voorstellen. Wanneer men zuiver wit licht heeft en dit door een prisma doet vallen, zien wij een reeks van verschillende kleuren ontstaan. Wanneer wij de Lichtende Kracht nemen – van Jezus, Aesir, Isis enz. – en door het prisma van het menselijke denken doen vallen, zullen ook hier een reeks van afzonderlijke aspecten naast elkaar kenbaar worden. Wel maken deze gezamenlijk het geheel van de Lichtende Kracht uit, maar de mens aanvaardt slechts een deel daarvan.

De gestalte van het hogere is voor de mens vaag, zelfs wanneer dit op astraal gebied tot uiting kan komen. De mens zelf geeft aan de vaagheid een meer omschreven vorm. Hij doet dit voor alle aspecten, die gezien het menselijke denken, naast elkaar tot uiting komen. Maar als werkelijkheid wenst de doorsnee mens alleen dit deel te aanvaarden, dat hij zelf heeft helpen vormen. Zo wordt het mogelijk, dat het aspect van moed in Jezus tot de bezieling wordt van een astraal beeld, dat ons Jezus toont als een veroveraar, die zijn kruis als wapen gebruikt, als een knuppel, waarmee hij allen, die niet zo in hem willen geloven, zal straffen. Vlak daarnaast zien wij dan misschien een andere Jezus, die het toonbeeld is van deemoed en alleen maar naar de mensen luistert, zonder iets te zeggen. Wat verder zien wij Jezus, de grote Inwijder, die alleen aandacht heeft voor hen die reeds ver gevorderd zijn op het geestelijk pad, enz.

Zo treffen wij de Moeder aan als een zoetelijk wezen, dat een ieder beschermt en helpt. Maar onmiddellijk daarnaast vinden wij toch ook weer het beeld van de fellere Isis, die wetenschap geeft en helpt, de werkingen van oorzaak en gevolg op aarde te leiden. Alleen, Isis is geen algemeen geëerde Godheid meer, de gestalte van de Moeder is door alle tijden voor de mens een herinnering aan zijn eigen moeder, zodat wij hier niet zozeer te maken hebben met geheel verschillende voorstellingen, als wel met verschillende stemmingen van hetzelfde wezen.

Uitermate sterk vinden wij in het astrale gebied ook de schijnvormen, die de mens heeft geschapen door zijn angsten voor demonen. Daarbij vinden wij niet-bezielde vormen die ons doen denken aan Isis, Aesir en vele andere Lichtende wezens. Dit zijn voorstellingen, die zijn opgebouwd aan de hand van de op aarde gangbare voorstellingen van deze als goden vereerde krachten, welke echter als vijand, duivel en demon werden beschouwd. Ofschoon al deze vormen dus door de mens werden geschapen, zijn zij toch voor vele mensen synoniem met de werkelijk levende krachten. Voor het menselijke denken verwerven zij dan ook vaak vele krachten, die – ofschoon niet zo onuitputtelijk – verwantschap vertonen met de werkelijke inwerking en kracht der Lichtende wezens, doch negatief gericht zijn.

Door de generalisatie van de menselijke voorstellingen omtrent de oude goden zullen vele oude kleine en onbelangrijke goden op het ogenblik beschouwd worden als duivels. Wanneer men angst heeft voor een duivel, zal ook een dergelijke kleine godheid – die geen werkelijk en eigen leven heeft – daardoor nieuwe krachten ontvangen van de aarde. Daar vele niet geheel bewuste geesten eveneens een dergelijk geloof aan duivels hebben, zal daarnaast ook levenskracht toevloeien uit menige duistere sfeer. De invloed van deze niet bezielde wezens is in de astrale wereld betrekkelijk groot, omdat de mensheid het witte Licht, dat een voertuig in deze sfeer zocht, gebroken heeft in vele verschillende eigenschappen en beelden, zodat de werking daarvan vaak eenzijdig en zeer beperkt is geworden.

Soms beseft de mens dit, en tracht hij tot een eenheid van voorstelling te geraken. Daartoe bouwt hij dan een nieuw en meer omvattend beeld op. Maar de oude beelden blijken te blijven bestaan. Zo doet de verdeeldheid in Godsgeloof en Godservaren bij de mensheid denken aan een Hydra: vele koppen. Zodra je tracht een kop af te hakken, komen er zeven nieuwe voor in de plaats. In dit verband wil ik een oude les aanhalen. Een oude wijsgeer zegt: “Wanneer wij de verdeeldheid bevorderen komt er een ogenblik, dat door de grote verdeeldheid een werkelijke behoefte naar eenheid zonder voorbehoud ontstaat. Wie echter eenheid tracht te scheppen, terwijl de mens zelf nog verdeeldheid nastreeft, schept in wezen slechts een steeds grotere verdeeldheid. Daarom zijn beide werkingen goed, wanneer wij er maar niet te veel van verwachten”.

Misschien klinkt deze les u als dwaas en tegenstrijdig in de oren. Maar de oude wijze heeft, naar ik meen, in zijn lering toch wel degelijk de waarheid tot uiting gebracht van het werkelijk denken en streven. Daarbij heeft hij, misschien zonder dit te weten of te willen, ook de waarheid omtrent de astrale wereld en de astrale invloeden, die de aarde zo snel en gemakkelijk bereiken, weergegeven. Door het menselijke denken en de vreemde vormen, die het menselijk geloof soms aannam, zijn er in de astrale wereld horden van schillen, van onbezielde wezens ontstaan. Deze onbezielde wezens zijn op de een of andere wijze door de mensen heel vaak gekoppeld aan een werkelijk levende godheid of een werkelijk bestaande kracht. Het resultaat daarvan is, dat deze schillen, al worden zij niet meer zoals vroeger in eigen recht als godheid vereerd of erkend als machten, op zullen gaan treden als engelen of demonen, die een bepaalde godsvorm ondersteunen en als uitvoerende macht van deze godsvorm op kunnen treden.

Conclusie: De mensheid heeft, doordat men te veel vanuit eigen beperkt inzicht, zijn god en zijn geloof heeft willen definiëren, onbezielde machten geschapen op astraal terrein, die dankzij de kracht van het menselijk denken, de uitvoerende kracht vormen van het eigen godsgeloof, terwijl deze entiteiten zonder ziel in vele gevallen hun macht en voortbestaan ten dele blijken te danken aan de waarheid, die in het godsgeloof enz. leeft. Hieruit volgt, dat wij in de sferen nu wel kunnen stellen, dat wij de demonen allen gaan bestrijden en daarbij vele vormen zullen kunnen breken – deze vormen zijn op zich niet zo sterk – maar daarmede vaak niets zullen bereiken, gezien het feit, dat de mens deze schillen ziet als deel van zijn God, waardoor dezen immers steeds opnieuw ontstaan?

Dan kun je als bewuste geest dus deze schillen niet werkelijk en blijvend breken, doch kun je ten hoogste trachten, de onbezielde wezens om te vormen. De mens echter zal slechts langzaam de veranderingen kunnen aanvaarden, zodat de eerste tijd de gedane arbeid steeds weer vergeefs blijkt te zijn. Men zou dus ontelbaar vele geesten moeten inzetten, om deze schillen voortdurend te hervormen en te verdedigen tegen de ongewenste gedachten van de mensheid. Dit is natuurlijk onmogelijk. Een grote verbetering van deze toestand zou echter reeds verkregen worden, wanneer de mensen meer inzicht hadden in de astrale sfeer en de daar bestaande mogelijkheden. Er zijn natuurlijk mensen, die menen te weten dat de astrale sfeer vol is van demonen, monsters en natuurgeesten. Zij zullen dezen zelfs ontmoeten, maar beseffen niet, dat zij de verschijningen grotendeels zelf scheppen door eigen denken. Geloof mij dus a.u.b., wanneer ik u vertel, dat er geen werkelijk bezielde wezens bestaan die uitsluitend in deze sfeer leven.

Er zijn door menselijk denken gevormde en bezielde wezens, daarnaast zijn er door andere, niet menselijke krachten bezielde wezens en vormen. Wij kunnen misschien, vanuit een beperkt denken, deze astrale figuren als bezielde wezens beschouwen, maar in feite zijn zelfs de uit andere sferen tot leven gebrachte gedachtevormen niet werkelijk bezield. Zij kunnen dan ook altijd door een sterk gerichte gedachten worden veranderd of aangetast en zullen nimmer invloed kunnen hebben, waar hun bestaan niet wordt aanvaard. Wanneer u dus ooit in de astrale sfeer geconfronteerd wordt met schrikvormen, kunt u zich op eenvoudige wijze daarvan distantiëren door te beseffen, dat deze vormen niet echt zijn, geen werkelijke invloed kunnen hebben op iemand, die hen niet vreest.

Een mens, die met zijn astraal voertuig – en dus kwetsbaar voor alles, wat er in die sfeer bestaat – de astrale wereld binnengaat in het volle besef van Gods goedheid, zal misschien een enkele keer iets gedrochtelijks zien. Maar dan denkt hij: zou dat nu wel echt zijn? Want wie vertrouwt in Gods Goedheid kent geen vrees. En dan is met de gedachte alleen het gedrocht alweer verdwenen, machteloos en hulpeloos. Zelfs wanneer zeer sterke astrale vormen, ondanks het geloof aan de Goedheid Gods, op de mens af zouden stormen, zal men door het besef van Licht, door het niet vrezen, meer dan voldoende verdedigd zijn.

Slechts de mens, die bang wordt, die gelooft aan het demonische – of met de scheppingen van eigen onderbewustzijn geconfronteerd wordt – is werkelijk kwetsbaar. Tot zover de astrale sfeer. In de oudheid vinden wij echter nog meer verschijnselen, die het demonische verklaarbaar maken en ons een inzicht geven in de tegenstellingen, die de mensen niet slechts in de astrale wereld, maar zelfs in de menselijke beleving van het Goddelijke Licht, geschapen hebben.

Tegenover Isis staat in de oudheid Seth, de god van het duister, die Osiris, het geuite Licht, doodt. Tegenover Jezus vinden wij de duivel, tegenover de goden van de Olympus de Hades, die geregeerd wordt door de goden der onderwereld. Tegenover de vorsten van hemelse rijken staan steeds weer de sombere heersers van de rijken der doden. Elke keer weer geeft de mens aan de duistere krachten, aan de sombere goden, een duidelijker, een meer omschreven gestalte, dan aan de Lichtende goden. Velen die zeggen een God van Licht te dienen, vrezen zijn tegenstrever zozeer en geven daaraan zoveel aandacht, dat zij in wezen eerder de gevreesde duivel of duistere god eren, dan de Lichte krachten, die zij zeggen te dienen. Hoe vreemd dit ook klinkt, zelfs heden blijft dit waar.

Wanneer wij de houding van de mensen in het verleden nagaan, blijkt ons, dat zij aan de Lichtende goden alleen aandacht gaven, wanneer zij dezen  nodig hadden. Voortdurend echter hielden zij zich bezig met het tevreden stellen van, en eer bewijzen aan de gevreesde god van het duister. De mens was bang. Ook in het verleden heeft hij aan de door hem gevreesde demonen een zeer grote invloed, een zeer grote macht verleend door zijn eigen denken. Het verschil is dan ook niet zo groot tussen de Seth van vroeger en de Satan van vandaag. Wanneer wij in de oudheid leren van monsters, die de ingangen van de onderwereld bewaken, zo blijkt de overgang van deze heidense voorstelling van de wakers tot de misvormde duivels als bv. Behemoth bij de christenen niet direct zo groot te zijn. De overeenkomst is verbluffend.

Wij mogen dan ook wel zeggen, dat de mensheid uit de oudheid het kwade veel sterker heeft overgenomen dan het goede. Het goede is wel zuiver bewaard, maar slechts door kleinere groepen en in diep geheim. Zelfs nu nog leeft het besef der oude wijsheid, van het goede, dat de wereld steeds weer helpt en bijstaat nog voort als deel van een inwijding, van een innerlijk beleven. De menigte echter herdenkt, zij het onder andere namen, voornamelijk het kwade en maakt zelfs veel, dat in feite tot de meer Lichtende krachten van de oudheid behoort, tot deel van zijn duivelswaan en helle angst. Daardoor worden vele oude goden astraal nog steeds in leven gehouden, ofschoon het hen moeilijk wordt gemaakt, hun voor de mensheid meer positieve krachten tot uiting te brengen.

In verband hiermede wil ik op enkele eigenaardigheden wijzen. Wij zien namelijk dat het christendom op een bepaald ogenblik gebruik maakt van de oude goden en wel vooral door hen tot duivelen te maken, enige oude goden vinden wij later, haast onherkenbaar vermomd, zelfs in de canon van heiligen. Pan, de vrolijke en grote natuurgod, wordt tot duivel en zijn saters worden tot duiveltjes, die op middeleeuwse schilderijen met toast-vorkjes bezig zijn om zielen te roosteren in plaats van de natuur tot leven te brengen.

Een treurig lot voor deze vrolijke god, die met zijn dienaren steeds weer het leven wakker riep in de natuur en steeds mens en dier wilde helpen, zolang de natuurlijke wetten maar geëerbiedigd werden. Van Thor, de donderaar, een ware Noorman met zijn gehoornde helm en strijdknots, werd al evenzeer een duivel gemaakt. Eens een eerlijk strijder, beschermer van allen, die dapper en moedig streden, is hij nu geworden tot een gehoornde demon, die met zijn bliksem niet meer de mensen verdedigt, maar hen met helse lichtflitsen naar de eeuwige verdoemenis tracht te drijven. Op zich acht ik deze vervorming van de oude waarheden en waarden al betreurenswaardig. De nieuwere wijsheid en leer zouden zeker kunnen bestaan zonder de Lichtwaarden van de oude goden aan te tasten. Maar er is meer. Natuurlijk zijn er goden van de oudheid geweest, die op deze wijze hun band met de mensheid, hun astraal werktuig, kwijt raakten. Daarvoor in de plaats ontstonden dan lege schillen, die werkelijk de demonische verwachtingen van de mens vervulden. Zij voeren hem inderdaad tot zijn ondergang, indien hij zich daaraan zou overgeven.

Maar ook de goden der oudheid, die ook verder contact met de wereld konden behouden en astrale werktuigen verder hanteren, werden aangetast en kregen in vele gevallen toch wel een soort zwavelluchtje. Pan was oorspronkelijk niet alleen de heer van de Saters, de wekker van de sluimerende natuur, maar tevens heer van de geheimen der planten, de genezer van mens en dier. Nu echter blijft hij alleen nog de wekker van het dierlijke in de mens. Zo wordt veel goeds uit de oudheid tot iets schadelijks, onaangenaams, minder Lichtend dan de krachten, die zich daarin pleegden te uiten. Nu kunnen wij er over twisten, of de mensen alleen schuldig zijn aan die ontwikkeling. Velen in de sferen zijn geneigd, dit te stellen, anderen menen echter, dat de kosmische invloeden daarbij eveneens een rol speelden. Zo hierover verschil van mening kan bestaan, zeker is echter, dat de astrale wezens, die op deze wijze ontstaan zijn in deze dagen, scherp reageren op de krachten die de aarde beroerden.

Zij zijn echter niet slechts reflectoren, maar wel degelijk ook omvormers van de hogere krachten. En alle omvormen van deze krachten geschiedt in overeenstemming met het karakter van de astrale vorm die dit doet. Daarom wordt het hoog tijd, dat wij wat meer aandacht gaan besteden aan de positieve krachten in de astrale wereld, de goede goden, of zo u dit liever zegt, de astrale voertuigen, die door de engelen worden bezield.

Het voorgaande is natuurlijk interessant. Het werkelijke doel van mijn verhaal is echter u duidelijk te maken, dat er grote gevaren, maar ook wonderlijk goede mogelijkheden voor de mensen zijn gelegen in de astrale sfeer, waarin de eenvoudige mens het eerste zijn god zal zoeken en vinden, maar ook het eerste de verbindingen maakt met het duister, en de krachten der chaos zal kunnen ondergaan. Het is noodzakelijk, dat wij in de bestaande verhoudingen tussen Lichtende wezens en duistere wezens – zoverre die uit het menselijke denken voortkomen – een wijziging aanbrengen. Wij zouden hier natuurlijk uit kunnen gaan van het grote werk, van het werkelijk magische streven en denken. Want daarmee is veel mogelijk, maar waar haal je de grote magiërs vandaan, die daarvoor nodig zijn? Ik kan moeilijk gaan vragen: zijn er misschien magiërs in de zaal? Want als ik het zo bezie, zou ik ten hoogste antwoord kunnen krijgen van een beginnend halfwasje.

Werkelijk machtige en grote magiërs zijn er nu eenmaal niet voldoende op de wereld. Maar er zijn heel veel gewone en goedwillende mensen. Er zijn vele goedwillende mensen, die denken, geloven en streven. Mensen, die zich evenals alle anderen vaak een voorstelling vormen en zo gedachten uitzenden, die als matrix kan dienen voor vormen, waarin de eeuwige krachten zich kunnen openbaren. Dit is nu een punt, dat volgens mij belangrijker is dan alle magie. Want de eenvoudigen kunnen, door hun aantal, hun eenvoud en geloof, op dit gebied zeer veel tot stand brengen. Wanneer u denkt aan Isis, Pan of enige andere godheid of kracht, als iets wat goed is, wat de mensen Licht brengt, wanneer u weigert te denken aan geestelijke waarden en krachten als iets dreigends en lelijks, maar steeds weer ook daarin de goddelijke schoonheid zoekt te vinden, zal in de astrale wereld reeds veel kunnen veranderen.

Wanneer u daarnaast ook de inwerkingen van deze krachten op de eigen wereld niet meer beleeft als iets lelijks, maar als iets moois, zal de band met de stof meer positief, en krachtiger tegelijk, worden. Alle krachten, die nu de wereld beroeren – en daarbij ook hun invloed op de astrale werelden doen gelden – zullen dan dus beter gericht, meer positief als het ware in uw eigen wereld kenbaar worden. Het is dus eenvoudig genoeg iets goeds tot stand te brengen.

De eerste regel, die men aan alle mensen zou moeten leren, luidt: mens, wat je je ook voorstelt, wat je ook denkt, probeer steeds de nadruk op het Licht te leggen, dat in alles tegenwoordig is. Geloof niet aan iets, dat vernietigt en de mensen bestrijdt, alleen reeds uit eigen geaardheid. Laat alles in de wereld steeds de gloed van de geestelijke zon dragen, de glans van het werkelijke leven, de vreugde te mogen leven. Daarnaast zou men tot alle mensen steeds weer moeten herhalen: maak van God, van de Lichtende krachten vooral, niet iets dat ver van je af staat. Want daarmee maak je het moeilijk voor jezelf God te zien, het Licht te ondergaan, terwijl je het onmogelijk maakt voor de astrale hullen Licht op je wereld te brengen. Denk aan God vooral steeds als iets, wat dicht bij je staat.

Hoe meer men God in alle dingen erkent, hoe dichter men zichzelf bij God gevoelt, hoe meer men zich met het Licht verbonden weet, hoe juister en groter de goddelijke invloed in uw leven en in de wereld. Zo-even spraken wij over Isis als de Grote moeder. Maar denk nu eens aan Isis als een wezen, niet te scheiden van, of te onderscheiden van alle andere moeders. Zie haar als een wezen, dat de wereld liefheeft zoals elke moeder haar kind ziet: niet volmaakt, misschien met enige bezitszucht en ongerechtvaardigde trots, maar ook met een bereidheid zich geheel te offeren voor deze wereld.

Zie Isis als een geliefde, die met vreugde baart, omdat zo de liefde zichtbaar herboren wordt. Zie haar als een gezellin, die steeds weer met je wil gaan, zie haar niet alleen als het grote orakel, als het geheim, als de bron der verborgen wetenschappen. Ik nam wederom Isis als voorbeeld. Maar elk ander Godsbeeld is even goed, indien de benadering er een is, die gebaseerd is op liefde voor die God en de zekerheid, dat die God deze liefde wederkerig schenkt aan de schepping. God leeft voor alle mensen alleen werkelijk, wanneer zij zich nabij zijn wezen weten. In de astrale werelden ervaart men dit vaak bijzonder scherp. Wanneer men Isis aanvaardt, zoals ik schetste, blijkt zij tot ons te kunnen spreken op een onverwacht duidelijke en heldere wijze. Want voor hen, die één met haar willen zijn, zal zij na enige tijd haar sluier laten vallen. Vindt u Isis niet aanvaardbaar? Denk dan aan Maria, de moeder van Jezus, aan Jezus zelf, Kwan Yin enz. Indien u afgaat, op hetgeen ik omtrent Isis stelde, doet u er natuurlijk goed aan, een figuur te kiezen, die qua figuur en werking veel met haar gemeen heeft. Denk altijd aan uw God als een wezen, dat dicht bij u staat.

De mens kan met zijn gedachten vormen scheppen en tijdelijk bezielen in de astrale wereld. Wanneer deze mens een zo concrete voorstelling heeft, dat hieruit een matrix, een astrale vorm, kan ontstaan, zal een bestaande kracht zich via dergelijke gedachten ook bijzonder sterk in de stof kunnen uiten. Het is dan nog maar een stap verder en men weet zich werkelijk één met deze bestaande Lichtende kracht, ook al berust deze eenheid voorlopig nog op de betrekkelijk simpele invloeden, die via de astrale wereld kunnen worden doorgegeven. Ik geef als voorbeeld een citaat uit een les: “Zolang gij op uw knieën Isis aanbidt en haar vraagt: verhoor mij, grote Moeder, blijft zij de gesluierde. Zodra men zeggen kan: “Isis, kracht van leven, Gij, weten en vruchtbaarheid van de wereld, gezellin van mijn dagen, moeder van mijn bewustzijn, doel van mijn wezen…”, ontstaat er een persoonlijke band en spreekt de moeder tot u. Inderdaad kan de hogere kracht onmetelijk veel voor de mens doen en aan die mens meedelen, wanneer hij zich geheel één voelt met die kracht. Tijdens de uittredingen kan dit zelfs het karakter aannemen van een onderwijs in beelden, in gedachten, die tot vormen en schouwspelen worden. Aan anderen kan men dit onderwijs niet meedelen.

Want de beelden zijn de waarheid, maar een ieder zal in dezelfde beelden en spelen toch weer iets anders zien en er iets anders uit leren. Zij die weten, leren bewust. Maar ook zij die niet weten, kunnen veel leren. Voor hen is de ontmoeting met het astrale beeld en de uitstraling ervan eerder een herinnering aan eigen wezen, een wekken van innerlijke waarden. Dan lijkt het beeld, dat ontvangen wordt, eerder op een miraculeus heiligenbeeld, dat soms weent, soms ook lacht. Dan heeft de inwerking iets weg van de invloed, die men ondergaat van een foto of tekening, waarop de ogen de beschouwer u aan schijnen te staren: men meent, dat het beeld met zijn blikken afkeuring of goedkeuring te kennen geeft en komt zo allereerst volgens eigen maatstaven tot een juister leven. Blijft de onbewuste aantastbaar, zo blijkt de inwerking van negatieve krachten op mensen die de eenheid met een hogere kracht hebben erkend, zelfs indien dit alleen op astraal vlak plaats vond, onmogelijk.

Men is bv. – gezien het gegeven voorbeeld – geborgen in de Moeder en in haar veilig. Dit legt de nadruk op de positieve waarden der eenheid, der harmonie. In de astrale werelden kunnen wij negatieve krachten nooit aantasten of vernietigen door daar andere krachten tegenover te stellen in de zin van strijd enz. Door te erkennen hoever wij deel zijn van bepaalde krachten, of gemeenschap hebben met bepaalde krachten, kunnen wij een eenheid bereiken, waarbij een beter begrip voor de werkelijke inhoud van die krachten mogelijk is, terwijl de in het ik liggende gedachten en krachten op het beeld kunnen worden overgedragen, zo vaak de astrale vorm en werking wijzigende, zonder daarmede de intrinsieke waarden van de bezielende hogere krachten aan te tasten. Gemakkelijk is dit alles echter niet.

Misschien wordt u echter het geheel duidelijker, wanneer ik u een oud verhaal vertel. Het handelt over een priester, die leefde in de buurt van het latere Dendarah. Deze Priester trok uit om Isis te vinden. Hij vond haar ten laatste: een enorm wezen, staande voor een berg van levend Licht. Zozeer was de priester getroffen door de goddelijke schoonheid van dit wezen dat hij vergat te zien naar het gesluierde gelaat, waarin alle geheimen van de wereld te lezen zouden zijn. Ook vergat hij alle vragen, die hij de godin had willen stellen. Hij zuchtte slechts en sprak: “Hoe jammer, dat ik zo klein ben, o Isis. Want waarlijk, indien ik groter was, zou ik u als mijn gade begeren.” En zie, ofschoon het beeld van de grote Isis als een lichte schim tegen de achtergrond van de berg van levend Licht zichtbaar bleef, stond opeens voor hem een vrouw van volmaakte schoonheid. Deze was diep gesluierd en sprak: “Je hebt mij geroepen?” De priester antwoordde: “Veel kan ik U niet bieden. Ik ben immers slechts een arme priester. Maar ik begeer u als gade. Ik schenk u mijn priester-ring en mijn priesterstaf, laten deze u tot bruidsschat zijn.” Isis glimlachte en sprak: “Mensen en onsterfelijken kunnen op uw wereld niet waarlijk huwen. Toch geef ik ook u mijn belofte. Neem nu mijn sluier af. Dit zij u mijn bruidsschat.” De priester keerde weer en zie, alles, wat hij wenste, was werkelijkheid, want alle wijsheid bezat hij. Was er goud nodig voor de tempel, zo baarden zijn woord goud. Eens wilde men een tempel bouwen voor de Grote Moeder. De priester sprak bij het begin van de arbeid zijn zegen uit en zie, tot verwondering van de werklieden, in de nacht vormden zich de stenen zelf uit de klei, op lange rijen liggende als vers gevormde broden. En zonder dat de zon hen beroerd had, waren zij hard en droog. Daarom meende men, dat de priester een groot magiër was. Deze mens echter werd oud. Hij verlangde niet langer te leven en priester te zijn. Zijn verlangen ging nog slechts uit naar Isis, die hij had gevonden en weer had moeten verlaten. Op een nacht toen de maan bijna vol was en haar stralen liet vallen op de aarde, trad opeens op de spiegel van de tempelvijver een schone vrouw. Zij zweefde door de tempel, beroerde de oude priester en sprak: “Het is nu de tijd. Vergezel mij nu als mijn broeder, mijn kind en mijn gade.” Daarop verdween de vrouw en met haar de priester.

De mensen begrepen dit alles niet. Daarom vertellen de inboorlingen in die buurten nu nog soms van een priester, die in het geheim werd begraven, maar zal opstaan, wanneer het einde der tijden zal komen, om allen te redden, die wonen in de buurt van Dendarah. Sommigen fluisteren echter ook, dat deze priester een grote magiër is, die wanneer hij weerkeert, met het Licht van Isis de wereld zal zuiveren. Het verhaal is al zo oud, dat ik de vroegste bronnen aantref rond 500 v. Chr. Het stamt van een wijsgerige groepering. In licht gewijzigde vorm heeft het verhaal – of delen ervan – in vele volkssprookjes van het oosten een plaats gevonden.

Ik vertelde u het verhaal om duidelijk te maken, dat onze benadering van God, van leven en dood, eigenlijk verkeerd is. Wanneer je kunt zeggen: “ik aanvaard dit alles, dit is deel van mijn bestaan”, dan kan het weten dat in al deze dingen schuilt, werkelijk tot je doordringen. Wie deel is van een kracht is ook deel van de wijsheid ervan. Wie deel is van leven en dood, kent de geheimen van leven en dood diep in zich. Maar men kan niet slechts een deel van God, of alleen het leven, of alleen de dood aanvaarden en toch de wijsheid daarvan in zich dragen. Het astrale gebied is een van de sferen, die de mens tijdens de slaap vaak pleegt te betreden. Hij ontmoet er anderen mensen, meestal even onbewust als hijzelf van de vreemde wereld, waarin zij werkelijk vertoeven.

Gedachten nemen vormen aan en worden tot vreemde, door de mens niet meer geheel beheerste dromen vol wonderlijke situaties. Men mengt zijn dromen en de werkelijkheid op de meest wonderlijke wijze dooreen en kent dezelfde misverstanden, die ook op de mensenwereld zo veelvuldig voorkomen. Soms echter zal een mens in deze wereld door weten te dringen tot zulk een grote kracht, zelfs tijdens zijn slaap. Wanneer hij nu maar besef dat hij daarin niet mag zoeken naar het angstaanjagende of naar de gave, maar dat hij ook hier moet zoeken naar de eenheid, naar de juiste harmonie met die kracht, zal de inwerking van de astrale vormen op aarde beter worden.

Daarom juist is enige kennis van het astrale gebied en de goden, die er nog in astrale vormen tot uiting komen, belangrijk. De inwerking van het astrale kan immers op deze wijze gewijzigd worden, zover het de wereld betreft. Indien er een werkelijke harmonie met een Lichtende kracht op astraal gebied plaats vindt, wordt de werking van deze kracht ook deel van de werkingen in het astrale voertuig van de mens. In de oudheid besefte men dit zeer wel, vooral onder de priesters. Zo werd bv. Re voorgesteld als een zonneschijf. Aton, die in feite een onthulling van de tempelversie der ingewijden was en door Ichnaton voor het volk toegankelijk gemaakt, was een zonneschijf, waarvan de gouden stralen uitliepen in handjes. Deze handen hadden, in de inwijdingsleer van de Egyptische priesters, de volgende betekenis: Wanneer men zich één gevoelt met de God – deze kracht – zal de kracht in u zijn. Dit strookt met de werkelijkheid.

Omdat de mens, met zijn vormdenken dergelijke krachten en Lichtende invloeden echter allereerst op astraal terrein pleegt te ontmoeten, zal hier het belangrijkste contact zich afspelen. Door dit contact wordt men zozeer harmonisch met de hogere kracht, dat het eigen astraal voertuig in feite een deel van die kracht is geworden. De stelling, dat Aton in alle mensen leeft, is dan ook de werkelijke zin van de voorstelling van stralen met handjes. De betekenis is dus niet, zoals sommigen menen, dat Aton alle leven zegent. Belangrijk is het feit, dat de harmonie niet alleen met de meest aangename krachten tot stand pleegt te komen.

Wanneer iemand zich voortdurend bezig houdt met een toornige en wraakzuchtige god, zal elk onrecht in hem door deze kracht aan hem gewroken worden, en niet alleen het onrecht in de wereld door hem. Een dergelijke instelling brengt een harmonie met krachten, die het element strijd en oorzaak en gevolg intensifiëren. Meestal beseft een dergelijke mens niet, dat hij astraal – en daardoor ook in zijn stoffelijk beleven – ondenkbaar vast gebonden blijft met de kracht, die hij door zijn verering heeft ontmoet en in zichzelf opgeroepen heeft. Wee de mens, die een beeld oproept dat niet harmonisch is met de wereld, zoals hij die erkent. Want indien hij eenheid heeft bereikt daarmee, zal hij, of hij dit nu wenst of niet, de krachten daaruit ontvangen en zo zijn eigen wereldbeeld verstoren.

Ik wil volstaan met deze korte schets van mogelijkheden, toestanden en goden in het astrale gebied. Er zijn natuurlijk nog veel meer voor ons interessante verschijnselen in dit gebied te vinden. Maar voor heden zullen wij met het behandelde volstaan. Belangrijk is echter wel het besef, dat in het astrale gebied voor u en voor ons onmiddellijk bereikbare bronnen van kracht bestaan, terwijl de keuze van de bron van kracht plus de wijze waarop wij deze benaderen, zal bepalen hoe deze in ons en voor ons uitwerkt.

Nu kan men natuurlijk stellen, dat men liever hoger grijpt, dat men liever naar God zelf ingaat. Maar God kun je je zo moeilijk voorstellen. Dan wordt alles zo vaag. Maar in jezelf kun je ergens een beeld hebben, al is het maar van een mens, die goed geleefd heeft – onverschillig in welke sfeer deze is – en daardoor, omdat deze voor jouw denken goed geleefd heeft, een astrale band kunnen scheppen en zo de werkelijke kracht Gods ondergaan. Dan mag u stellen, dat deze mens alleen maar een engel van Jezus is, enz. Belangrijk zijn niet de namen, maar het contact, dat juist door de gevormde voorstelling mogelijk wordt.

Het voorstellingsvermogen van de mens geeft hem de sleutel tot de astrale werelden. Ook u, ook in deze dagen. Wij hebben reeds meerdere malen gewezen op alles, wat in deze wereld niet in orde is. De wijze waarop dit is gebeurd, heeft in meerdere gevallen, naar ik meen, zelfs de gemoedsrust verstoord of een gevoel van onbehagen tot stand gebracht. Reden tot grote bezorgdheid ligt hierin, naar ik meen, de eerste tijd nog niet. Belangrijk was de kwestie van schijnvormen, die in deze dagen gepropageerd worden, of zelfs worden aanbeden. Nu spreekt men in deze dagen niet meer over Mammon als een werkelijke godheid, maar men kan desondanks deze Mammon nog wel degelijk aanbidden. Ziet men de welvaart, waarvan Mammon het symbool is, als iets wat ten koste van anderen verkregen moet worden, dan betekent dit een astraal beeld, dat even demonisch en verschrikkelijk is, als het beeld dat ik u van Kali Dhurgha schilderde.

Wanneer men beseft hoeveel verkeerde gedachten op het ogenblik heersen en worden vereerd als nieuwe goden – ook al spreekt men niet meer over deze dingen als god, maar – eerder als onvermijdelijk, noodzakelijk, enz.- wordt echter duidelijk, hoe belangrijk het voor de mens is, te leren putten uit de bronnen van kracht, die zo dichtbij hem in de astrale wereld aanwezig zijn en zonder meer kunnen worden aangetapt door een ieder, die maar zoekt naar positieve waarden in het leven. Een Engelsman omschreef de astrale wereld eens als “a clearinghouse between heaven and world.” Dit is wel degelijk waar. Want in de astrale wereld kan men krachten verkrijgen, die anders alleen in zeer hoge werelden zouden gevonden kunnen worden. Hier heeft de doorsnee mens de kans, om de voor hem nu zo noodzakelijke positieve krachten van leven en denken te vinden, ja, zelfs de kennis te verwerven, waardoor hij wijzer, eerlijker en zelfstandiger kan leven.

Ik stelde zo even: Wanneer ik mij volledig harmonisch verbind met een op het astrale geuite kracht, is mijn eigen astraal voertuig een verlengde daarvan geworden. Dit betekent, dat men op aarde zal moeten vertegenwoordigen, wat men in de astrale wereld – of zoals sommigen menen de hemel – gezocht hebt. Doet men dit niet, dan zal er een sterk verschil ontstaan tussen het astrale voertuig van de mens en de mens – incl. zijn denken, zelf. Een dergelijk verschil betekent in de eerste plaats een sterke lekkage van krachten, hoofdzakelijk zenuwkracht, via de zo ontstane verschillen. Een dergelijk verschil kan zoveel kracht kosten, dat het de oorzaak wordt van ziekten, ongenoegen, prikkelbaarheid, onjuiste reacties, ja, zelfs geheugenzwakte of geheugenverlies. Voorzichtigheid is hier geboden.

Het astrale voertuig zal het menselijke denken nooit in grote mate kunnen beïnvloeden. Alleen in toestanden van verminderd bewustzijn kunnen impulsen van dit deel van het ik tot het bewustzijn doordringen. Anders wordt het, wanneer een hogere kracht met het astraal voertuig harmonisch gebonden is. Dan zal vanuit het astraal lichaam een beïnvloeding van het mentaal lichaam mogelijk zijn. Op deze wijze kan de hogere kracht, die met het astraal lichaam harmonisch is, zelfs soms onmiddellijk in het menselijke denken ingrijpen. Toch zal dit ingrijpen niet een volledig redelijk karakter kunnen dragen: men ontvangt de impulsen wel, maar zal het hoe en waarom niet redelijk beseffen. Het beste omschrijft men dit door te stellen, dat de invloed zich uit als losse gedachten, gekoppeld met een gevoel.

Op deze wijze kan de god, godin, kracht, of heilige die men vereert en waarmee men een band heeft gevormd, in de mens tot een soort monitor worden. Zolang men aan deze monitor, deze bron van inspiratieve werkingen, blijft gehoorzamen, zal men voor zich een voortdurend groeiende harmonie scheppen. Laat ons, blijvende bij de gebruikte voorbeelden, stellen, dat men deze harmonie dus bezit met Isis. Nogmaals, een harmonie met een andere kracht is even goed mogelijk. Nu was Isis – dochter van een andere wereld – in perfecte harmonie met de ingewijde vorst Aesir, die wel op de aarde heeft geleefd. Gezamenlijk brachten zij de mensen het weten.

Wanneer ik, harmonisch met Isis, mij tot haar wend, vergroot zij dus mijn weten en begrip, stoffelijk zowel als geestelijk. Ben ik echter op bepaalde punten met haar in strijd, terwijl ik haar op andere punten heb aanvaard, dan zal zij weten en denken voor een groot gedeelte nemen. In dit verband wil ik u eens wijzen op een verschijnsel, waarover u op deze wijze misschien nooit hebt gedacht. Hebt u na bepaalde daden wel eens last gehad van een onverklaarbare en plotselinge vermindering van uw denkvermogen, uw combinatievermogen, uw vermogen tot reageren? Het komt wel eens voor, meent u niet…? Er zijn van die dagen dat je welgemoed bent. Dan doe je een ding, je reageert een keer en opeens wil er niets meer goed gaan. Het is eenvoudig onmogelijk verder nog snel en goed te reageren. Natuurlijk zijn hiervoor vele verklaringen te vinden, u kunt bv. ziek zijn.

Maar wanneer er geen kennelijke reden is, dient u zich toch eens af te vragen, of u misschien een astrale binding hebt gemaakt met het voertuig van een levende entiteit en deze verbinding door onjuiste reacties hebt gebruuskeerd, verloochend. Misschien hebt u een tegenstelling geschapen tot de kracht, die in uw eigen astraal voertuig verankerd is. U herinnert zich, dat ik reeds gesproken heb over het afvloeien van zenuwkrachten. Zenuwkrachten betekenen echter ook reactievermogen, innerlijk evenwicht, denkvermogen. Stel, dat een gedeelte van de energie die u normalerwijze gebruikt om te denken en te reageren, eenvoudig opeens begint te verdwijnen. Deze kracht zal zoveel mogelijk worden gebruikt om via het astrale vlak het begeerde evenwicht tussen astrale binding en stoffelijke werkelijkheid te herstellen. Maar u ontbeert die kracht voor eigen onmiddellijk gebruik en voelt u niet prettig.

Gezien het voorgaande lijkt het mij wel belangrijk dat men leert de opkomende inspiraties zo bewust mogelijk te ervaren en zo mogelijk op te volgen. Dit is voor het geestelijk zowel als stoffelijk welzijn veelal bevorderlijk.

Nog een laatste punt: Wanneer je werkelijk uittreedt en de astrale wereld kunt passeren, zal je ontdekken, dat er werelden zijn, die tijdloos lijken, omdat daar geen tijd bestaat in een voor u kenbare zin. Daar duurt bij wijze van spreken het openbloeien van een bloem 1000 jaren en het bouwen van een huis 1 seconde. Nu blijkt het mogelijk op dit gebied bepaalde banden te ervaren, ofschoon er geen werkelijk begrip voor de maatstaven en mogelijkheden van een dergelijke sfeer in u aanwezig is. Dan kunt u er wel zeker van zijn, dat dergelijke banden op een lager gebied, vaak zelfs op astraal terrein, eerst gelegd zijn. De tijdloze eenheid, die in u – of in mij – bestaat, zal nimmer op aarde geopenbaard kunnen worden. Zo ontstaat het wonderlijke verschijnsel, dat de band met een engel, heilige, of godin, op hoger niveau wel kan bestaan, maar toch altijd binnen het bewustzijn zal worden gefixeerd en in werkingen binnen de stof zal worden vastgelegd via de astrale sfeer.

Het element van onmiddellijkheid, het plotseling moeten, de sterke en onmiddellijke drang, die eigen is aan invloeden, die alleen van het astrale vlak stammen is hier echter niet meer aanwezig. In het geheel ligt eerder een afwachten, een zekerheid, een zich niet haasten, alsof men weet, dat iets onvermijdelijk is, zonder daarom te verwachten, dat het reeds nu werkelijk wordt. Men heeft meer tijd, het bewustzijn, de wil, worden niet zo dringend belast. In dergelijke gevallen kunt u zich inderdaad permitteren te wachten. Alleen de eigen bewuste wil is dan nog belangrijk voor het nemen van besluiten en het stellen van daden in overeenstemming met de invloeden uit de sferen.

Indien er echter geen wil, doch slechts aanvaarding aanwezig is, zal men alle noodzakelijke dingen veroorzaken en uiteindelijk de omstandigheden scheppen, waardoor men, zonder onbeheerst te zijn of eigen wil ter zijde te stellen, tot een vervulling van wat noodzakelijk is te komen. Denk niet, dat dit altijd het geval is. Niet alle inspiraties zijn deel van een belangrijke band met andere werelden. Soms zijn inspiraties eerder een antwoord op bestaande stoffelijke mogelijkheden of wenselijkheden, zonder dat er een geestelijk element bij te pas komt. Dan zijn de inspiraties veelal vluchtig. Denk dus altijd goed na over uw inspiraties en tracht slechts, alle directe conflicten met eigen innerlijk, of in u bestaande banden te vermijden.

Sommigen hebben banden met meerdere krachten of godinnen gelijktijdig. Goden, engelen enz. delen van het goddelijke, entiteiten, kiest u maar uit. In dit geval is het noodzakelijk, dat zij allereerst innerlijk tot een zekere harmonie komen. In een bepaald aspect van ons wezen kan er een astrale band met een bepaalde god, godin enz. bestaan. Deze heeft dus geen onmiddellijke relaties met de andere aspecten van ons bestaan, die op hun beurt weer een binding met een astrale kracht kunnen dragen. In het Ik is echter een werkelijke scheiding van de verschillende aspecten van dit Ik niet mogelijk en zal altijd een onderlinge beïnvloeding bestaan.

Zoek daarom steeds de voor geheel uw wezen meest aanvaardbare, de meest harmonische weg, wanneer een inspiratieve werking u treft. Verder blijkt de binding, die verder gaat tot in de sferen van het tijdloze, een soort lot te zijn. Veel van wat de mensen onder karma plegen te verstaan, kan berusten op harmonieën, die blijven bestaan met genoemde hogere sferen en dan eerder een roeping, een geestelijke noodzaak genoemd kunnen worden. Dergelijke invloeden bestaan gedurende geheel het leven en kunnen de mens er toe dwingen in zijn leven bepaalde situaties op te bouwen. Niet dat er een inspiratieve dwang is. Eerder is het een steeds weer een enkel steentje neerleggen, wanneer je even tijd hebt, tot je een berg hebt gebouwd, vanwaar je geestelijk en stoffelijk kunt uitzien over de sferen en eigen geestelijke opdrachten vervullen. Daar spreekt dus het eeuwige, dat zich kenmerkt door een gebrek aan haast. Alle onmiddellijke en grote drang komt echter voor uit het astrale, of uit de stof zelf.