Oude Godsfiguren

image_pdf

10 oktober 1958

Aan het begin van deze bijeenkomst moet ik u er allereerst op wijzen dat wij niet alwetend, of onfeilbaar zijn. Mijn onderwerp voor heden heb ik getiteld: “Oude Godsfiguren”.

Vandaag willen wij dan gaan spreken over verschillende oude Godsfiguren, die in de ontwikkeling van het godsdienstig leven en denken van de mens een zeer grote rol hebben gespeeld. Belangrijk is natuurlijk in de eerste plaats de zon: de Zonnegod. Praktisch overal vinden wij de Zonnegod terug als een zeer machtige, of zelfs scheppende Godheid, die echter wordt vereerd met een zekere angst. Hij is wreed, maar geeft aan de aarde aan de andere kant veel vruchtbaarheid. Hij is het bevruchtende element, vandaar, dat vele diersymbolen aan hem gewijd zijn. Daaronder vinden wij de stier. In sommige streken de aap, daarnaast ook wel een hert. Altijd weer wordt het dier gebruikt voor vruchtbaarheidsriten, die verschillende vormen en gestalten aannemen, zodat wij soms te maken hebben met gewone stieroffers, in andere gevallen met stierverering, waarbij een verzorgd leven meestal ook weer door een slachtofferen wordt gevolgd, en wij kennen de stierverering ook door het uitdagen van de stier.

De uitdaging van de stier is hier het meest bekend geworden uit de vroegere vormen van beschaving in de buurt van de Helleense eilanden. De Grieken hebben zelfs de stieren in hun sport wel betrokken, maar Cyprus is daarmee wel eerder geweest. Een soortgelijke sport vinden wij ook in de vroege periode van Babylon, terwijl soortgelijke stierengevechten ook gevonden worden in het zuiden van Afrika, waar wij te maken krijgen met hoog beschaafde negerstammen, die sindsdien – helaas – ten onder zijn gegaan. Wat er van overblijft, is nog een klein beetje het Spaanse stierengevecht en ook de wedstrijden met de jonge stieren, zoals wij die kennen in de Provence en Les Landes.

Altijd weer is de Zonnegod een God, die gevreesd moet worden. Nu is de zon ook tevens een van de eerste verschijnselen, die een grote indruk op de mens hebben gemaakt. Het is begrijpelijk, wanneer wij ons realiseren, dat de zon in de kindertijd van de aarde dikwijls veel minder zichtbaar was en dat aan de andere kant haar invloed onvoorstelbaar groot was. Het gevolg is dan ook geweest, dat zonnediensten bv. al bestonden in Atlantis en dat een vervorming van een zonnedienst later is blijven voortbestaan over praktisch de gehele wereld.

Aan één God heeft de mens niet genoeg. Gedeeld in twee seksen kan hij zich het proces van schepping van vruchtbaarheid niet indenken, zonder ook een tweeheid van seksen bij de Goden.

Het gevolg is, dat praktisch altijd de God onmiddellijk een gade krijgt. In de Atlantische tijd is dat de aarde, een voorstelling, die in vele symbolen later wordt voortgezet in andere landen.

De twee-eenheid van deze beiden is het leven van de mens, is de vruchtbaarheid. Er kan geen plant groeien, geen dier geboren worden, geen mens bestaan, zonder dat de zon huwt met de aarde. Zo zal de godsdienst in het bestaan een sterk seksueel karakter hebben. Dit komt nog tot uiting in de vele fallische en ovale symbolen, die gebruikt worden bij de oudere godsdiensten.

In Indië vindt men fallische symbolen praktisch langs elke weg, zoals men tegenwoordig in werkelijk katholieke streken overal kapelletjes vindt. Zij zijn niet weerzinwekkend, of ontuchtig, zoals de westerling al gauw denkt. Het is eenvoudig een uitdrukking van de menselijke overtuiging, dat de vruchtbaarheid uit het huwelijk komt van de God-Zon met de Vrouw-Aarde.

Nu is er natuurlijk altijd weer een achtergrond: aan de aarde kan men iets ontworstelen. Een landbouwer, die zijn land goed bebouwd en zich veel moeite getroost, kan op een rijke oogst rekenen. De zon kun je niet bezweren. Het gevolg is, dat er een splitsing komt, waarbij de zonverering een speciaal priesterlijke taak wordt, terwijl het vereren van de aarde een gewoon menselijke taak is. Het resultaat is in de latere godsdiensten duidelijk. Iedere huisvader had zijn eigen conceptie van de aarde als Godin. Hij bezielde haar met haar kinderen; de verschillende natuurgeesten. Zo is de aarde tot een veelheid geworden, waartegenover in eenzame grootheid meestal de God van de zon blijft staan. Later krijgt ook de maan een Godinnenfunctie, maar deze is toch nooit zo belangrijk geworden als die van de aarde. Zelfs degenen, die een Godin voorstellen met een maanschijf – sikkel – wij vinden dat o. a. in Egypte, in de vroeg-Tolteekse beschavingen, ook vinden wij een dergelijk symbool bij de Azteken en ook vinden wij dit symbool heel veel in Indië, waar veel Goden en Godinnen onder bepaalde voorwaarden met een maanschijf worden voorgesteld. De maan wordt in de ontwikkeling van het geloof langzaam maar zeker tot de kroon, die de aarde draagt.

Wanneer u nu als mens staat op zo’n wereld, die in zichzelf een Godin is, dan zult u wel beginnen met allereerst aan die aarde te denken. De grote, scheppende God echter, de mannelijke factor in het geloof, staat te ver en blijft buiten beschouwing. Daardoor zal de geheime leer zich in de eerste plaats bezig gaan houden met de Zonnegod en zonnegodsdienst.

Het waarnemen van die God en zijn weg langs die hemel is de eerste taak van de ingewijde priester geweest. Zo komt de eerste astrologie tot stand, gebaseerd op voor die tijd zeer nauwkeurige waarnemingen. De gebruiken brengen de mens er toe juist die verre God het meest te vrezen. De Wreker-Zon kan een heel landschap doen verdorren. Men weet zelfs reeds, dat het de zon is, die stormen regeert, dat het zon is, die, door eenvoudig weg te blijven, de mensheid in een droefgeestigheid kan doen verschimmelen. Het resultaat is duidelijk.

De bloedoffers van de vroege tijd werden steeds aan de Zonnegod gebracht, symbooloffers daarentegen – dus geen menselijke bloedoffers – aan de Godin Aarde. Hierin komen later wel enkele variaties voor, vooral door de na-ijver van de priesters onderling. Over het geheel genomen, kunnen wij wel zeggen, dat de Zon als eerste godsbegrip de grootste eisen stelt en dat de mensenoffers oorspronkelijk alleen aan de zon werden gebracht. Welke vormen van godsdienst vinden wij nog meer? Het vuur wordt vaak vereenzelvigd met de zon. Zo krijgen wij vuurverering, waarbij echter – dat moet uitdrukkelijk worden gestipuleerd – in de geheime priesterleer het vuur slechts een kind – of uiting – van de zon is. Ook de bliksem, als zijnde een hemelverschijnsel, wordt gezien als komende uit de zon. En ook hier weer vinden wij dezelfde verering, die wij ook aan de zon zien geven. Dus ook vuur, ook de bliksem en zelfs vulkanen, het vuur van de aarde, worden vereerd met dezelfde wrede plechtigheden, die ook oorspronkelijk voor de zon bestond. Het allereerste ontwaken van de zonnedienst vinden wij terug in het laatste deel van Atlantis’ eerste periode. Er was toen een brandpunt nodig, waarop men kon mediteren. De atmosfeer van de aarde was dikker dan heden ten dage, zodat het makkelijker was de zon in het oog te schouwen. Men gebruikte, vooral bij delen van de Witte Priesterschap, de zon als iets om op te concentreren, wanneer men aan God dacht. De Zwarte Priesters hebben er gebruik van gemaakt door te vertellen, dat deze God dus zelf in de zon belichaamd zou blijven.

Goud, dat daar een tot op dat ogenblik niet op prijs gesteld metaal was, werd plotseling heilig. Wij vinden overal, waar wetten worden geschreven, deze in goud gegrift. Wij vinden de plechtige vergaderzalen tenminste met plaatgoud bekleed, in vele gevallen ook massieve zuilen van goud. Het is eigenaardig, dat ook hier het eerst de stier op de voorgrond komt. Het stieroffer, dat de vorsten van Atlantis brengen, wanneer zij samen komen om het nieuwe seizoen met nieuwe wetgevingen te beginnen, is een symbool van de zon. Voor de zuil goud, symbool van de zon, wordt de stier, vruchtbaarheidskracht van de zon op aarde geopenbaard, geofferd aan de zon, opdat men zal zien, dat hij erkend wordt in zijn volle wezen. Misschien klinkt dit alles naar heidendom en naar bijgelovigheid. Toch zou men met evenveel recht menige moderne godsdienst kunnen verwijten, dat zij bijgelovig is. Wat is uiteindelijk het verschil tussen het brengen van een reukoffer in een moderne kerk en het brengen van een bloedoffer in die Oudheid? Het bloed was vroeger goedkoper dan reukwerken.

Hier begint de mens zijn eerste gang naar bewustzijn. Is hij een lange tijd geketend en geboeid geweest in de leiding, die hij van hogerhand heeft gekregen; heeft hij, beheerst ook door zijn vrije keuze en ontwakende vrije wil, een zeer lange tijd moeten werken en streven, nu begint hij voor het eerst te zoeken naar God en naar een relatie met God. De Godshonger in de mens is zo oud als de mens zelf. Iedereen verlangt er naar met die God in contact te komen, zelfs wanneer die God ver is. De eerste offers, die gebracht werden als contactoffers, wijzen daar dan ook op.

Het bloedoffer van de Atlantische vorsten, gecontinueerd tot de ondergang van Atlantis, verschilt niet zoveel van een symbolisch offer, dat tegenwoordig wordt aangeduid met de woorden: “Wij zijn verlost in het bloed van het lam”. De kracht van de God, op aarde geopenbaard, reinigt de aarde en in deze reiniging kan de aarde voor het eerste weer hergroeien naar een nieuw jaargetijde, een nieuwe vruchtbaarheid en een nieuw weten.

Voor de aardgodin waren de offers van enigszins andere geaardheid. In de eerste plaats de vruchten des velds. Men moest toch deze Godheid laten zien, dat haar gaven werden geapprecieerd en dat men er prijs op stelde. Men kon dit niet beter doen dan voor haar het beste deel van de oogst te reserveren. Wanneer wij denken aan de z.g. rijstbruid, die zelfs op het ogenblik nog vaak wordt gebouwd in Indonesië, dan zien wij daar dezelfde symboliek. De rijkdom van oogst wordt verworven door de geest, die de rijkdom en vruchtbaarheid heeft gegeven, te symboliseren in haar vruchten en als het ware aan haarzelf terug te schenken.

Ook duiven zijn een belangrijke factor. Het is eigenaardig, dat deze vogel een zo grote rol speelt in het vroege geloof. Mogelijkerwijze is het juist zijn gemakkelijke verplaatsing en wegwieken naar de einder, dat de mens ertoe heeft gebracht hem te kiezen als speciale boodschapper. Wij kennen bv. de duiven van Isis, maar ook van Venus. Wij kennen de duiven van Ishtar. Altijd weer de gewijde boden, die rond de aarde gaan en de wil van Moeder Aarde overal verkondigen. Vangt men duiven, dan laat men ze plechtig vrij, na ze eerst een soort dankdienst te hebben doen bijwonen, en zullen zij ongetwijfeld naar Moeder Aarde gaan en vertellen, dat de mensen haar eren en dankbaar zijn. En, zoals de mens is, rekent hij, dat zijn offertje dan ook wel beloond zal worden, al is het alleen maar met een beetje rijkere oogst.

Nu echter eenmaal het begrip van natuurgeesten en tweeledige Godheid, de man-vrouwelijke Godheid, overal vaste voet heeft gekregen, gaat de mens ook zoeken naar een middel om te beheersen. Tot op dit ogenblik heeft hij alle bovennatuurlijke krachten zo maar geaccepteerd. Die krachten waren wel aanwezig en waren persoonlijkheden, maar hij had er niets mee te maken. Nu verandert het. Die krachten kunnen beheerst worden, want zij zijn dienaren van de God/Godin. Zij kunnen gebruikt worden om taken te vervullen, zij kunnen bezworen worden.

Zo doet de magie, op dat ogenblik eerder een spreken van stemmen en het geven van orakels, ook in meer daadwerkelijke zin haar intrede. Vanaf dit ogenblik is de wereld vervuld met het sympathisch magisch principe. Men offert graan, wanneer er graan moet komen. Men offert een deel van de jachtbuit, wanneer men een rijke jachtbuit wil behalen. Men symboliseert al datgene, wat men verslaan wil. In deze symboliek wordt het geloof intenser. De wijdheid ervan wordt echter beperkt. Wij hebben nu allerhande kleine Goden, die een bepaald volk dienen.

Deze Goden kunnen worden onderverdeeld – dat is misschien aardig voor degenen, die aan theosofie doen – in geesten, die onder invloed van bepaalde planeten staan. Zij worden astrologisch verwerkelijkt en astrologische berekeningen worden als Godheden mede beschouwd. Een horoscoop uit die oude tijden – nu spreek ik nog altijd van 5.000 jaar v. Chr. – was een horoscoop, waarbij het niet ging om de invloed van de sterren, maar om de invloed van Goden, die aan de hand van de sterren berekend werden.

Het is een voortdurend touwtrekken om de ziel van de mens. Hij begrijpt heel goed, dat naast het licht, ook een duister moet bestaan. Hier komen hem vele legenden te hulp, o.a. die van de holenwerelden, die wij reeds eerder hebben aangesneden, zij het dan in een tweede onderwerp.

Zo werd de legende gevormd van de onderwereld. Die onderwereld is misschien wel het aardigst getekend in de Hades van de Grieken. Het is een grauw, somber, nevelig vlak, waarin een wrede God regeert, maar hoe komt men tot die voorstelling?

Wij moeten goed begrijpen, wat de mensen in die dagen doen. In hun intense geloof, in hun behoefte om met de Goden te marchanderen, om de geesten te bevelen, heeft praktisch elk huis zijn eigen altaar. Zelfs zij, die op reis gaan, dragen vaak een godsbeeldje mee, al is het nog zo simpel, of een paar gewijde symbolen. Daarvoor bidden zij, daarvoor concentreren zij zich en in deze concentratie brengen zij tot stand, wat tegenwoordig een paranormaal verschijnsel heet.

Zij krijgen contact met geesten van overgeganen. Zij horen dezen beschrijven, hoe hun wereld is. Het onderwereldprincipe met al zijn beschrijvingen van smalle kloven, met grote rivieren, van met nevel bedekt land lijkt verdacht veel op de z.g. nevelzone, waarin de onbewuste geest ronddoolt. Maar ook de hemelwereld, tenminste tot de tijd, dat de schrijvers de hand legden op de Goden als figuren voor hun romances, is een wereld, die in direct contact staat met een realiteit. Want wat is Zomerland? Een reproductie van deze wereld, een reproductie geïdealiseerd, een uitdrukking van de menselijke belevingsvreugde, van de grote geestelijke vrijheid. Een wereld van steeds wisselende vormen en van onvoorstelbare schoonheid. Daar wordt gewerkt. De vruchtbaarheid is zo groot, dat het werk tot één vreugde wordt.

Er wordt gezongen, gejubeld, gespeeld, zoals in een gewone wereld, alleen met een vreugdigheid, een los zijn van tijd en komende zorgen, die de wereld zich niet voorstellen kan. Leest u na, hoe de oude geloven hun hemel hebben getekend. Is zij niet een directe weergave hiervan?

Een zeer opvallend iets. Wanneer wij nu van dit standpunt uitgaan, dan wordt het ons ook duidelijk, waarom bv. de Mohammedanen, de Islamieten, die geboren worden uit een veel godendienst, in hun geloof veel van deze oude waarden overnemen, zelfs al liggen er vele duizenden jaren tussen hetgeen ik thans beschrijf en de Islam zelf.

Wanneer men een God heeft en men wil van die God bepaalde gaven hebben, dan zoekt men het aspect van die God, dat die gaven juist schenken kan. Wanneer men een God vreest, dan probeert men juist de gestalte van zijn woede, boosheid te bevredigen. Daarom wordt de Godheid steeds weer in meer afzonderlijke delen gesplitst. Het is eigenlijk een beetje komisch.

Het is, alsof een mens zegt: ik heb hier een huis, maar je moet alle gevels afzonderlijk naast elkaar zetten om te weten, wat een huis is. Uiteindelijk gaat men de lege gevel beschouwen als een huis. Dat is dwaasheid. Achter de facetten van het Goddelijke wordt het werkelijk wezen van God vergeten.

Wanneer Mohammed begint de leer van de enige God te verkondigen, wanneer hij met zijn bondgenoten er eindelijk in slaagt de stad Mekka te veroveren en de Kaäba, de heilige plaats, te reinigen van de vele Goden, die er staan opgesteld, dan probeert hij niets anders dan de mensheid daar de gedachte aan één God terug te geven. Wat hij niet kan veranderen is de onderwereld en de hemelvoorstelling. Het paradijs is een tuin, vol vruchtbaarheid en schoonheid. De onderwereld een soort grote kloof. Een woestijn, waarin de zon brandt, waarin vuur is, waarin de zoutmoerassen liggen, die in die buurten zo zeer gevreesd worden.

De mens in zijn zoeken naar het geloof heeft nu niet meer te maken alleen met twee goden, twee seksen, maar ook met twee tegendelen in het voortbestaan. Met dit concept gaat hij dan verder werken. Hij heeft bv. reeksen van tempels, waarin meerdere Goden staan. Deze Goden worden echter zo samengebracht, dat elk beeld dat er staat, uiteindelijk een symbool is van dezelfde Godheid. Ingewijden dragen hiervoor zorg. De eersten, die tegen dit principe zondigen, zijn de Romeinen. Zij geven zonder aanzien of onderzoek elke vreemde God een plaatsje in hun tempels, of in het Capitool. Overigens zijn deze vreemde Goden natuurlijk niet zeer gewenst, zodat men ze achteraf plaatst, of ergens onderbrengt, zoals dat nu toevallig uitkomt.

Altijd ook ontmoeten wij ongeveer de zelfde symboliek: de mens heeft behoefte aan een kenbare God. Daarom moet er in het geloof ook plaats zijn voor een manifestatie, waarin de God zich aan het volk openbaart. Tegenwoordig kan de geloofsgemeenschap met één enkel symbool genoegen nemen. De wereld is klein geworden. Het gevreesde onbekende met zijn ongedroomde wonderen is langzaamaan tot haast niets geslonken. De moderne mens ziet zijn God haast als een abstractie. In zijn wereld zonder geheimen is dit aanvaardbaar. De Oudheid echter, met de vele geheimen, die nog bestonden, was anders. Daarin moesten alle angsten, alle zegeningen onmiddellijk met de God in kenbaar verband worden gebracht.

Uit deze behoefte komt onder meer de verering van dieren voort, als bv. de slang, symbool der wijsheid. De aap wordt vereerd als een van de eerste krachten, die de mens eens het leven mogelijk hebben gemaakt. De krokodil wordt het symbool van de vruchtbaarheid, die tevens de dood met zich brengt. Ook beelden vormt de mens zich, als dat van Kali, de Godin van de dood, die in haar andere vorm de schenkster van vruchtbaarheid en nageslacht is.

In alle symbolen en beelden wordt echter steeds weer de tweeheid van de mens uitgebeeld. In deze, aan de eigen wereld ontleende beelden, tracht de mens een direct contact met zijn God te verkrijgen, zodat hij vat op zijn God kan krijgen, hem beet kan pakken en tot hem spreken.

Wanneer er geen levende wezens als godsbeeld meer voor de mens noodzakelijk zijn, gaat hij er toe over, afbeeldingen te gebruiken. Het beeld komt echter pas laat. Eerst heeft men gestalten en wezens uit de natuur genomen: heilige bomen, heilige wouden, heilige dieren. Het beeld kan echter eerst aanvaard worden als juiste voorstelling, wanneer de mens geleerd heeft zijn God te zien als een potentie buiten zijn eigen wereld, in plaats hem te aanvaarden als een stoffelijk deel van zijn bestaan. De potentie van de Godheid kan echter in elk willekeurig voorwerp gebonden zijn. De mens was allereerst een onbewuste fetisjist. Totem en taboe – om met Freud te spreken – zijn een gevolg van zijn sociale gemeenschapsstructuur. Het binden van de Goddelijke kracht is aanvaardbaar op het ogenblik dat men zich realiseert, waar de Goddelijke krachten schuilen: zij zijn onzichtbaar, onkenbaar. Maar, zo redeneert men, wanneer wij een vat maken, waarin wij het onzichtbare op kunnen sluiten, kunnen wij het onzichtbare daar altijd, wanneer wij maar willen, bereiken. De mensen echter maken al snel hun beelden tot Goden. Daar is overigens nog niet veel aan veranderd. Niet voor niets verbiedt Mohammed zijn volgelingen alle vervaardiging en gebruik van beelden en afbeeldingen. Hij wist zeer wel, dat de mens altijd weer het beeld beschouwt als iets, wat de inhoud van het afgebeelde in zich draagt. In haast alle andere kerken maakt men echter wel gebruik van beelden. Wij vinden bv. beelden in de R.K. kerken. Maar ook vele van de gereformeerde kerken ontzien zich niet, door met afbeeldingen de voorstelling van de Verlosser iets dichter bij de mensen te brengen.

De behoefte een tastbaar teken te hebben, bleef echter steeds een noodzaak. Daarom moest ook voor de Islamiet een dergelijk tastbaar teken worden geschapen. Nu ligt in de Kaäba een meteoorsteen. Lang geleden is deze uit de hemelen gekomen. Dit op zich dode voorwerp wordt, ook in de Islam, tot een tastbaar teken van de hemelse krachten.

Nu acht de mens zijn Goden niet, wanneer de verering hem te gemakkelijk wordt gemaakt. Ook toen het veelgodendom in Mekka heerste bestonden er reeds plechtigheden die van de gelovigen veel vergden. Mohammed hervormt dezen wel, doch laat de zin ervan voortbestaan. Hij baseert de plechtigheden op zijn eigen avonturen. Nu nog trekken de gelovigen naar de plaats, waar Mohammeds leger kampeerde voor het de stad kon binnentrekken. De gelovigen gaan hier rond een heuvel, vanwaar men de stad kan overzien. Men prijst Allah en herdenkt het feit, dat hier de verlossing uit het heidendom is begonnen. Terugkerende gaat men een aantal malen rond de Kaäba. Het gebruikte getal is kabbalistisch en duidt zowel alle heiligdommen als de sferen of hemelen aan. Daarna wordt de omhulling van de steen beroerd en bidt men tot God. In feite is dit hetzelfde als het beroeren van godenbeelden. Alleen is er nu geen sprake van een menselijke of bekende vorm. De onzichtbare Godheid blijft in zijn teken verhuld voor een ieder. Toch is Hij op deze wijze voor iedereen benaderbaar en bereikbaar.

Eigenaardig genoeg zijn er ook in de Oudheid bepaalde godsdiensten geweest, die hetzelfde hebben nagestreefd. Onder meer is bekend, dat een stam, die in de Gobi leefde, zijn God symboliseerde in reeksen van meetkundige figuren, namelijk een kubus, een bol en een driehoek. Deze werden zo samengebracht, dat een ieder ze kon beschouwen. Later groeide hieruit zelfs een driehoekige piramide, die de plaats innam van de tweedimensionale geschetste driehoek. God kennen in een symbool is een behoefte. Wij kunnen niet verder leven, zonder dat wij een symbool vinden voor die God. Wanneer u bidt, dan bidt u niet tot een onpersoonlijke God. Onwillekeurig zoekt u naar een voorstelling – in of buiten uzelf – die u met die God kunt verknopen, en zo God dichtbij brengen.

Nu is men tegenwoordig, binnen het concept van grote godsdiensten, wel in staat aan de persoonlijke voorstelling toch een algemeen aanvaarden te koppelen. Vroeger ging dit echter niet. De voorstelling was daar zo zeer beheersend in het geloof, dat elke ook maar enigszins andere voorstelling moest worden afgewezen. Elke stad, soms zelfs elke stadswijk, had eigen goden. Elke stam kende zijn eigen beschermgeesten. Iedere groep had ook zijn eigen gebruiken. Om een voorbeeld te geven: In de Sinaïwoestijn leefden verschillende stammen zoals de Hettieten enz. Ondanks een één godendom per stam kwamen zij tot geheel verschillende beelden. De ene groep vereerde zijn God in een vulkaan, de andere als vuur in de hemel als bliksem. In andere gevallen beschouwde men alle vuur als een weerkaatsing van de zon en God als daarin belichaamd. Deze mensen, met hun in feite gelijke Godsopvatting, kenden echter verschillende Godssymbolen. O.m. treffen wij hier een soort Apisverering aan. Als varianten is het heilige dier soms een bok, of ram. Over deze verschillen ontstond meerdere malen strijd. In enkele gevallen zien wij ook een heilige in de plaats treden van het godsbeeld.

Deze hanteert dan echter bepaalde symbolen. De schijf is daarbij altijd belangrijk. Zon- en maansymbolen worden door al deze stammen als amulet gedragen. Uitgaande van de verering voor zon en maan kunnen wij stellen, dat de Islam, althans in het begin van haar ontwikkeling, niet veel meer is dan een herleefde zonnedienst.

De ziener Mohammed geeft echter, veel duidelijker dan gebruikelijk, een omschrijving van de geestelijke werelden. Hij spreekt over de zeven hemelen. Dit zijn sferen. Hij spreekt over de verschillen, die tussen deze sferen bestaan en maakt ook duidelijk, dat hij in elk van deze werelden een afzonderlijke inhoud erkent. Dit is volledig in overeenstemming met de waarheid.

Maar wat hebben de mensen er van gemaakt? Zeven afzonderlijke groepen van geesten. Nu is echter het hervormen en omvormen altijd een integrerend deel van elke godsdienst.

Het zijn niet alleen de Islamieten, die heilige oorlogen voeren. Hun optreden verschilt niet zo veel van dat van sommige missionarissen, die met het geweer in de ene en de Bijbel in de andere hand eropuit trekken, om de heidenen te bekeren. Wanneer wij bedenken, wat tijdens de kruistochten en later in Midden-Amerika in de naam van het Christendom aan misdaden begaan werd, zal niemand deze menig tegenspreken. Een dergelijke strijd om eigen mening te doen zegevieren heeft echter ook reeds in de eerste tijden van de godsdienstige ontwikkeling bestaan. Er is zelfs eens sprake geweest van een burgeroorlog binnen een stad, omdat twee Goden van verschillende wijken elkaar beoorloogden. De strijd tussen stammen, waarbij Goden een rol speelden, maakte het op de duur mogelijk, dat in het godsdienstig besef verschillende Goden naast elkaar kwamen te staan.

Nu was het onmogelijk, de directe waarheid – eenheid van wezen in alle Goden – aan het volk te verkondigen als waarheid. De gewone mens kon een dergelijke opvatting in die dagen nog niet accepteren. Daarvoor moest deze nog te dicht bij zijn God staan om zijn angsten te overwinnen.

Wel was het mogelijk deze eenheid reeds in verschillende tempels door symbolen neer te leggen. Zo vinden wij dan rondom 4000 v. Chr. de doop, het kruis, de sleutel, of ankh, algemeen verbreid. Deze laatste, al wordt ze Egyptisch kruis genoemd, is zeker niet van louter Egyptische oorsprong. Zij komt door de gehele laagvlakte van Azië voor.

Algemeen verbreid is verder de mystieke broederschapsmaaltijd. Op vele plaatsen vinden wij gezamenlijke meditaties, waarbij bovennatuurlijke verschijnselen voorkomen. Een soort seances dus. Al deze dingen bestaan heden nog. Al deze symbolen en symbolische handelingen moeten aanduiden, hoe, achter de schijn – want begoocheling is een begrip, dat reeds hier steeds weer op de voorgrond komt – de werkelijke en éne God leeft. Om die werkelijke God te kunnen dienen bouwt men altaren. Elk altaar dat gebouwd wordt, heeft eigen kwaliteiten en bijzondere eigenschappen. Daardoor wordt het de gewone mens mogelijk, de daaraan volbrachte diensten als een eer aan zijn eigen God te aanvaarden.

Gelijktijdig treedt er een vorm van eredienst op, die een tijdlang dreigt universeel te worden. Rond 4500 v. Chr. omvat deze een groot deel van Abessinië, praktisch geheel Indië, een deel van de eilandenwerelden, een groot deel van klein Azië. De invloed is verder merkbaar in de vroeg Helleense beschaving en de gebruiken der Noordelijker volkeren. Wanneer de Longobarden naar Rome komen, vinden zij daar bepaalde gebruiken terug in de erediensten, die ook zij reeds kennen. Die gebruiken zijn aardig: Men mag alleen in zijn beste gewaad voor de goden treden. Is men priester, dan draagt dit gewaad de symbolen van de kosmos. Als zodanig gelden: Zonnen, sterren, korenaren, kruisen, zonneraderen, of zonnekruisen. In de katholieke eredienst vinden wij vele van deze symbolen nog heden terug. Op menige kazuifel komen korenaren voor naast het kruis. De zogenaamde rechtse swastika, het zonnekruis, komt veel als versiering voor, tot op de randen van menige ciborie toe.

Verder dient men voor zijn God te treden in plechtigheid, volgens deze gebruiken. Dat betekende in die tijd, dat men toonde hoe rijk, hoe machtig en sterk men was. Men droeg dan ook veelal bepaalde beelden, die het symbool waren van de macht en rijkdom van mens, of stam, tot voor het altaar. Tijdens het offer stonden de dragers van dergelijke beelden rond het altaar geschaard. Op den duur meende het gewone volk daardoor, dat hieraan werd geofferd.

Denk hierbij aan de offers, die de Kirgiezen brengen voor hun stamtekens. Herinnert u zich ook de haast Goddelijke verering, die de Romeinen hadden voor de adelaars, die hun legioenen vergezelden.

Alle ritueel moest zodanig zijn, dat iedereen tevreden kon zijn, zonder dat daarbij de werkelijke zin van de plechtigheid teloor ging. Splitsing van de plechtigheid in meerdere delen vindt vaak plaats. Wij vinden over het algemeen een ritueel, dat opent met een algemene dienst. Hierbij wordt geofferd. Daarna trekken de priesters zich terug. Priesters en ingewijden treffen elkaar in een andere hal of hof, waar een reeks van liederen wordt gezongen en een deel van de geheimere leer – een benadering van de waarheid – gereciteerd. Hier worden alle krachten met symbolen aangeduid. In een dergelijke hof ziet men dan ook geen wapens of stambeelden meer.

Wanneer deze beelden in een dergelijke ruimte zijn opgeslagen – soms zijn het beelden op stokken, maar ook wel beeldjes op kleine draagbaren – worden zij verwijderd voor de dienst begint. Veel van het verdere ritueel doet denken aan de Kabbala. De priesters tekenen geheimzinnige figuren, waaronder vaak gestileerde levensbomen. Daarnaast maakt men gebruik van stenen bomen – gestileerd – of levende bomen, om het geloof in alverbondenheid daardoor uit te drukken. De ingewijde kan dus in de tweede hof reeds deel hebben aan een contact met de onbekende God, zonder onderworpen te worden aan de begoochelende praal die, voor het volk, de dienst omringt.

Maar de werkelijk geheel ingewijden gaan nog verder: zij treden achter een voorhang, soms van steen – zuilen – soms van textiel. Deze voorhang treffen wij bv. voor het Heilige der Heiligen in Salomo ‘s tempel, maar ook in de Ziggurat, de Babylonische tempeltoren. Deze afgesloten ruimten hebben steeds één ding gemeen. Er staat alleen een symbool in. Bij de Joden is dit de Ark des Verbonds. In geen geval is er sprake van een afbeelding van God, of een afgodsbeeld. Wel vinden wij een dergelijk beeld vaak voor het afgesloten heiligdom opgesteld, of verborgen.

Het symbool kan dus velerlei zijn. Soms is het een ragfijne sluier, soms een mooi geweven kleed. In andere gevallen een kroon. In enkele gevallen zelfs een gewoon wandtapijt met symbolische voorstellingen. Het is jammer, dat dezen teloor zijn gegaan. Zij zouden de moderne mens een aardig inzicht hebben gegeven in deze allereerste Goden, in deze allereerste behoefte om met God in contact te komen. Hier wordt God teruggebracht tot een abstractie. Hier hurkt de mens en spreekt niet. Hij maakt zich leeg. Hij is alleen de ontvanger van de krachten Gods.

Wanneer hij terugkeert uit het heilige, dan wijkt een ieder voor hem terzijde. Hij vertoeft eerst tussen de ingewijden, opdat anders zijn kracht hen, die niet ingewijd zijn, zou verblinden.

Daarna keert het geheel terug voor de volksmenigte, waarbij wij dan veelal nog zien een symbolische voorstelling, een soort toneelspel, of wel een wedstrijd, waarbij het om bekwaamheid gaat, wederom besloten met een offer. Wanneer het eerste offer een bloedoffer is geweest, dan is het tweede meestal een bloemen- of vruchtenoffer.

De gebruiken uit die oude kerken hebben een veel grotere invloed op de mens gehad, dan men zich kan voorstellen. Het Kindeke Jezus als uitdrukking voor de Verlosser vertedert de mens, maar is gelijktijdig een herinnering aan de kinderen, die eens geofferd werden aan de Baäls en Molochs. Het is de herinnering aan de zuivere mensenziel, die toegang heeft tot God en zo de lasten van de mensheid aan zijn God kan voorleggen. Het Lam Gods bewijst ons, dat ook hier de oude gebruiken invloed hebben gehad, want het Lam, ofwel het pasgeboren dier, werd ook vaak gebruikt als drager van het menselijk verlangen. Vooral daar, waar men het mensenoffer had afgeschaft, of door omstandigheden een mensenoffer niet te brengen was. Op de duur komt bovendien een splitsing in kleuren. Deze eerste kerken – tempels – zijn kleurrijk, bont. Nu begint men echter aan bepaalde Goden een bepaalde kleur toe te kennen.

Eigenaardig is bv. dat de Perzen aan hun God van Wijsheid een zwaard toekennen, dat alle kleuren licht uitstraalt, plus een mantel, waarin alle kleuren gevangen zijn, maar dat zij verder elke God een eigen kleur uit de regenboog geven. In hun tempels komt dit tot uiting, doordat, waar meerdere Goden in één tempel worden geëerd, alle metalen, gewaden van de priesters, de bekleding, ja, de beelden, die gebruikt worden, steen zelfs en het hout, dat men verwerkt, worden afgestemd op die ene kleur, die tot de God, of Godin behoort. Tegenwoordig zien wij, dat de stemming van de mens in vele kerken, in het gezin, in het sociale leven, de kleding, de kleur van zijn omgeving juist door eliminatie evenzeer bepaalt. De wieg van deze gebruiken heeft in het verre verleden gestaan, toen men trachtte het licht van de zon te splitsen in vele Goden. De standaard, die gebruikt werd bij deze oude erediensten, wordt tegenwoordig wel eens foutief ook een fallisch symbool genoemd. Maar dat was niet zo. Want: Zoals de vogel over de velden vliegt, zo vliegt de ziel van het volk uit over de wereld, sprekend tot zijn God, waar de enkele mens niet spreken kan. Vandaar, dat de vanen en beelden, die gedragen werden, vaak op stokken werden geplaatst. Opdat dus de ziel van het volk hierin verzinnebeeld, onmiddellijk tot de God zou kunnen spreken.

Een ander punt, wat tegenwoordig wel teloor is gegaan, dat is de z.g. tempelprostitutie. Ik kan aan de Oudheid niet voorbij gaan, zonder dat ik dit aansnijd. Indirect is de tempelprostitutie van de Oudheid voor de kloosters, de maagdenkloosters van tegenwoordig, aansprakelijk.

De gebruiken, waarbij bepaalde maagden bv. het vuur hoedden in Rome, waar bepaalde maagden in Egypte het bijzondere tempelkoor vormden en de sistrum mochten slaan, werd vooraf gegaan door deze tempelprostitutie. Men wijdde aan de God het gehele wezen. Zolang als de God werd gezien als behorend tot de aarde, contact hebbend met de aarde, moest alles, wat van de aarde was, ontvangen worden. Er zijn natuurlijk misbruiken geweest. Maar zowel priesters als priesteressen waren in die dagen ook seksueel aan hun God gewijd. Toen men God als meer abstract ging zien, als een onzichtbaar wezen, werd het noodzakelijk om maagden voor die God beschikbaar te houden, want die God was niet meer in alle dingen. In de Babylonische tijd bestond het gebruik om een tempelmaagd een lange tijd te doen rusten in een kamer boven op de tempeltoren. Het zijn dus kunstmatige torens, die gebouwd zijn, waar bovenop een vertrek is. In dit vertrek rust deze maagd, tot de Heer, – ik meen dat hij in dit geval Bel werd genoemd – in de bliksem tot haar neerdaalt en haar zal nemen als zijn vrouw, als offer vanwege de wereld. Eigenaardig is het, dat zij ook nog wel eens genomen worden, want het is de hoogste toren en de bliksem slaat er nog wel eens in. Zo wordt ook hier dus een huwelijk van de mens met de Godheid gesymboliseerd.

Later beseft men, dat God nooit in een zuiver menselijke uitdrukking gevonden kan worden, en probeert zich daaraan aan te passen. Zo wijdt men dus aan hem de geestelijke krachten en tracht men het stoffelijke terzijde te stellen. Er zijn priesteressenorden in Egypte, 2.000 voor Christus zeker al, die niet mogen huwen, die geen contact mogen hebben met mannen en in sommige gevallen zelfs geheel van de buitenwereld afgesloten blijven, zoals sommige gebedsorden heden nog. Hierbij is de bedoeling, dat hun geestelijk streven en hun uitzenden van de geest naar de Goden de band tussen aarde en zon, zo mogen wij het nog wel noemen, zal verstevigen, zodat hun wezen het symbool wordt van de vruchtbaarheid, die de aarde ontvangt van de zon. Wanneer God abstracter, minder een direct deel wordt van de omgeving, is het logisch, dat men langzaam maar zeker, Hem stoffelijk geheel laat vallen en ook de stoffelijke voorstelling terzijde legt. Dat neemt niet weg, dat tegenwoordig een kloosterzuster huwt met de kerk, met Jezus, zodat ook hier het seksuele symbool nog wel degelijk aanwezig is, zij het in een zeer verkapte vorm.

Dat ook deze instellingen en gedachtegangen een zeer grote rol hebben gespeeld in de maatschappelijke verhoudingen, is duidelijk. Niet voor niets zijn er tijden, dat hetaeren de meest geëerde vrouwen zijn van de stad, want zij zijn indirect nog een afbeelding van die vroegere priesteressen. Naarmate de maatschappij verder gaat, zich meer ontwikkelt tot een sociaal geheel, en God niet meer ziet als een direct deel van het dagelijkse leven, maar als een invloed in dat leven, wordt de achting langzamerhand tot verachting. Dan is het alleen nog maar het sociaal gebruik, waarbij dat sommige dingen getolereerd en niet gezien willen worden.

Net zo goed als er priesters zijn, moeten er priesteressen zijn. Wij weten, dat dit in vele genootschappen niet meer het geval is. Maar men zei vroeger: “Zoals er evenwicht is tussen zon en aarde, zoals de lichtende God Moeder Aarde bevrucht, zo moet er een priester zijn om hem te dienen en de aarde te bekoren en een priesteres om de aarde te dienen en de zon te bekoren”. Men was dus wel zeer eenvoudig in zijn opvattingen. Al deze dingen zijn wetenswaardigheden. Zij hebben niet veel meer te zeggen in een maatschappij, die dit alles ontkent. Vergeet een ding niet: Alle geloof is hieruit geboren.

Om nog even terug te gaan naar de profeet Mohammed: Hij ging de Kaäba in en bevrijdde niet enkel de stad van de Goden, maar van velen, die ontucht bedreven ter wille van de Goden. In Alexandrië waren grote tuinen, waarin, naast erediensten, ook ontucht een grote plaats innam. In Rome zelf bestond er nog, zij het beperkt, gewijde prostitutie. De plechtigheden van de vrouwengroepen, zoals deze bv. in Griekenland voorkwamen, berust op hetzelfde. Deze dingen klinken door tot heden ten dage. Wat u vandaag bent, wat het Christendom vandaag is, is niet het resultaat van de leer, zoals die verkondigd werd, evenmin als de Islam zuiver de leer is, die Mohammed verkondigd heeft. Het is een weerspiegeling van deze oude tijden in nieuwe stellingen, in nieuwe sociale omgeving en met een nieuw concept.

Betrekkelijk algemeen heb ik verschillende punten met u besproken. In de komende tijd zal ik u misschien zo nu en dan moeten choqueren, wanneer wij ingaan op afzonderlijke erediensten en trachten te bewijzen, hoe deze allen gezamenlijk de bron zijn geweest van wat vandaag bestaat.

Het geloof op de wereld, zoals het nu beleefd wordt, is niets anders dan de ontwikkeling van het oergeloof. De openbaringen, die in deze tijd heersend zijn, zijn niets anders dan een fase in de bewustwording van de mensheid, uitgedrukt door verlichte leraren. Ik hoop u dan ook daarmede aan te tonen, dat er geen stilstand is. Ook geloof, ook kerkelijk denken, geestelijk leven ontwikkelt zich steeds verder. Het zal steeds weer een nieuwe stem vinden om uiting te geven aan een Goddelijke waarheid, volgens een nieuw en groter inzicht.

De grens tussen verdraagzaamheid en het beschermen van eigen persoonlijkheid.

Het beschermen van de eigen persoonlijkheid is altijd dan geoorloofd, wanneer het ik beseft, dat anderen, door het ondergaan van dit Ik, niet gediend worden. Slechts, wanneer het verlies van de stoffelijke persoonlijkheid, of zelfs een schade aan het welzijn daarvan toegevoegd, betekent, dat anderen daardoor meer bewust zullen worden, dat anderen daardoor meer geluk zullen kennen van een niet alleen zelfzuchtige geaardheid, is het niet beschermen van de eigen persoonlijkheid geoorloofd. Verdraagzaamheid is niet, zoals menigeen meent te mogen stellen, over je laten lopen. Degenen, die voor een dergelijke levenshouding zijn, mogen zich geen verdraagzamen noemen, maar die moeten maar een nieuwe orde stichten, die van de Lopers.

Om de punten van de verdraagzaamheid eens even goed vast te stellen.

  • Verdraagzaam zijn betekent: Zelfbeheersing, anderen trachten te begrijpen, niemand te kwetsen, tenzij dit onvermijdelijk is.
  • Ten tweede: Door je begrip van de wereld trachten de wereld te dienen. De eenheid met de wereld te bevorderen en uiting te geven aan je eigen bewustzijn op een zodanige wijze, dat de bewustwording van het geheel ermede wordt gediend.
  • Ten derde: Door het dienen van anderen, zowel als van je eigen belangen, het geluk op de wereld te bevorderen, zonder daardoor ook maar ooit het geestelijke te laten leiden.
  • Ten vierde: In de ware verdraagzaamheid zul je al wat zwak is en zichzelf niet verdedigen kan, verdedigen tegen de sterke, zover de sterke onrechtmatig handelt.

Verdraagzaamheid impliceert dus ook een handhaven van het recht, maar niet in een bot verzet, doch in een begrip van het onrecht en datgene, wat tot het onrecht heeft gevoerd. Verdraagzaamheid brengt de mens tot het corrigeren van de fouten in het leven, zonder zichzelf daaraan deel te doen hebben. Het is erg moeilijk, want wanneer wij bv. zien, dat een mens onschuldig ter dood wordt gebracht, dan hebben wij het volste recht om de beul neer te slaan en deze mens te doen ontsnappen. Maar als wij niet zeker zijn en geen enkel bewijs voor noch de ene noch de andere zijde, dan zullen wij trachten de veroordeelde het sterven zo gemakkelijk mogelijk te maken.

Wanneer wij op het slagveld staan, kan het nodig zijn onszelf te verdedigen. Wanneer een strijder op je af stormt, dan is het zo, dat als jij wordt vernietigd, deze verder zal gaan en anderen vernietigen. Door jezelf dus te behoeden en je te verdedigen, bevorder je niet enkel je eigen veiligheid, maar ook die van anderen.

Wanneer je vecht voor een gerechtvaardigde zaak, dan ben je dus verplicht je te verdedigen en zelfs die ander te doden. Dit hoeft niet in strijd te zijn met de verdraagzaamheid, wanneer dit doden niet geschiedt uit bloeddorst, in haat, of zelfs met weerzin tegen personen. Het moet eenvoudig een taak zijn, die je volbrengt.

Aan de andere kant zegt de verdraagzaamheid ook wel weer, dat je op een gegeven moment heel wat moet nemen, wat je eigenlijk liever niet zou accepteren. U loopt op straat. Er komt een dronken man, die het u lastig maakt. Het zou betrekkelijk eenvoudig zijn om die dronken man neer te slaan, of om hem op te laten brengen. Men zal zich daar zo veel mogelijk van onthouden en eerder trachten die ander te helpen, want wij weten niet, waarom de man dronken is, maar wel, dat hij niet redelijk is in zijn dronkenschap. Zelfs wanneer hij ons zou slaan, zullen wij niet terug slaan, doch slechts trachten de ander te weerhouden verder te gaan met zijn “slagerij”.

Hetzelfde geldt ook voor de dames. Er wordt over u geroddeld, wat erg pijnlijk is. Je zou dat serpent de ogen wel uit willen krabben. Fout. Waarom roddelt die ander? Is het geestelijke leegheid? Is het innerlijke armoede en afgunst? In dat geval moeten wij het tolereren. Dan moeten wij zelfs trachten, ondanks deze roddelarij, de persoon in kwestie wat meer inhoud en geluk in het leven te verschaffen. Want: Wij kunnen zo’n persoon nu wel straffen, tot schande maken, enz. enz. maar wij kunnen nooit werkelijke verbetering scheppen, wanneer wij daar eenvoudigweg maar tegenin gaan.

Verdraagzaamheid impliceert: Begrijpen. Begrijpen impliceert: Accepteren voor het geheel en niet alleen voor jezelf ten goede streven. Het komt er niet op aan, of u zichzelf verdedigt voor uzelf; het komt er op aan, of u uzelf handhaaft, zonder dat hierdoor voor anderen schade ontstaat, of niet. Dit houdt in, dat, wanneer hier mensen komen, een vreemd volk, zij nemen je als gijzelaar en je zou kunnen ontsnappen, maar je weet, dat daardoor andere gijzelaars zouden sterven, het beter is om zelf te sterven. En dat zonder haat tegen degenen, die je gevangen nemen. Want het is, van hun standpunt uit, misschien niet goed, maar toch in ieder geval begrijpelijk. Dan heb je dus niet het recht je eigen hachje te stellen, voor dat van anderen.

Men mag nooit het leven van anderen riskeren. Wanneer men zichzelf alleen daardoor kan redden, is het beter om ten onder te gaan. Aan de andere kant, wanneer het zelfbehoud geen verslechtering betekent voor degenen, die rond je zijn, geen nadeel, alleen misschien voor een aanvaller, dan mag je heel rustig voor jezelf zorgen. Voorbeeld: Je zit op de weg in een auto. Er komt een andere automobilist met een razende vaart op je af. Je staat voor de keuze: zal ik die ander zich te pletter laten rijden, of zal ik van de weg afgaan, waarbij ik in het water terecht kom en mogelijkerwijze verdrink? Dan is het redelijk, dat u eerder die ander het gevaar laat ondergaan, wanneer u niet, zonder zelf uw leven in gevaar te brengen, voor die ander uit kunt wijken. U moet natuurlijk niet zeggen: “Dat rijdt maar. Het is mijn recht en hier rijd ik”. Dat mag niet. Als het een kwestie is van kiezen, dan is degene, die zelf een ondergang veroorzaakt dus ook voor zichzelf aansprakelijk. Nu dezelfde situatie. Indien wij niet uitwijken en desnoods de berm afrijden en het water in, dan zal deze woesteling zeer waarschijnlijk een stelletje schoolmeisjes, of een paar mensen die daar wandelen, aanrijden en doden. Op dat ogenblik moeten wij onszelf offeren, opdat niet al die anderen mede onschuldig lijden. Het is dus een betrekkelijk simpel geval, als je het goed bekijkt, al zijn de gevolgen wel eens bitter.

Verdraagzaamheid betekent: De wereld te begrijpen, jezelf te beheersen en al datgene te verdragen van anderen, wat je misschien onaangenaam vindt, maar wat geen feitelijke schade, geen feitelijk nadeel is. Het betekent: Je ergernis en haat aan de kant zetten, jezelf handhaven en beschermen, zo goed als je kunt en zelfs je eigen rechten, indien dit niet gaat ten koste van anderen, die met de zaak in kwestie niets te doen hebben. Voorbeeld: wanneer het gaat om een duel, dan kan een verdraagzame niet duelleren. Maar op het ogenblik, dat de tegenpartij dreigt anderen uit te dagen en daarna hen met zekerheid zal verwonden, of doden, terwijl jezelf kans hebt, dan heb je het recht, maar ook de plicht om als verdraagzame een dergelijk duel te aanvaarden en je tegenpartij niet te doden, maar voor een aardig tijdje onschadelijk te maken.

Ik zal zelf nog een klein onderwerpje geven. Wanneer wij spreken is de gedachte in ons reeds minder waar. Wanneer wij ervaren en wij drukken het ervaren uit, dan wordt het ervaren in de uitdrukking minder waar. Het betekent dus, dat elke uiting en elke omschrijving, die je als mens, of als geest probeert te geven aan je innerlijke toestand, in feite een leugen is, doordat het een zeer gedeeltelijke waarheid is. Wij kunnen natuurlijk zeggen, dat wij onze naaste liefhebben en dit eerlijk menen, maar hoe moeten wij dat omschrijven? Hebben wij iedereen gelijkelijk lief? Praktisch onmogelijk. Maar moeten wij ieder in gelijke mate liefhebben? Wanneer wij volledig in begrip zijn wel. Want ieder is in gelijke mate deel van de Schepper en Schepping.

Wat overigens erg lastig is, wanneer het om een deurwaarder gaat, of om een schuldeiser en te zeggen: “Toch ben je deel van de Schepping en ik heb je lief als zodanig”. Het is nu eenmaal onze plicht om al datgene, wat wij niet direct als slecht en kwaad ervaren, niet persoonlijk, maar in algemene zin, lief te hebben. Dan is dat liefhebben dus een kwestie van geven. Liefde is nooit een kwestie van nemen, maar altijd van geven. Dat betekent dus, dat wij het grootste gedeelte van ons leven bezig moeten zijn met te geven aan anderen: Tijd, moeite, geld, gedachten, alles, wat wij maar geven kunnen. Dat geven zullen wij doen, zoals de mogelijkheid zich aan ons openbaart. Wij zullen nooit op die dienst, die wij de mensheid of iemand in de mensheid, bewijzen, ook maar enig recht mogen baseren om die ander nu eens te zeggen, hoe hij het doen moet.

Al, wat is, is Goddelijk. Wanneer het in een vorm is gebracht, wanneer het leeft in een bepaalde gestalte, dan is door deze gestalte het Goddelijke erin minder waar geworden. Maar de kern blijft bestaan. Wanneer dus iemand de verdraagzaamheid probeert te beoefenen, dan is het misschien verstandig een stap verder te gaan. En te proberen voor jezelf aan te voelen, dat een ieder rond jou deel is van God, van dezelfde Schepping en dat je tegenover iedereen dezelfde verplichtingen hebt, als jij hebt tegenover God. Dat jij geen enkel recht hebt om anderen verplichtingen op te leggen om de reden, dat God volgens Zijn wetten wel zal bepalen, wat jou toekomt. Werkelijke bewustwording kan niet gebaseerd worden op rede. Werkelijke bewustwording kan niet op oordeel worden gebaseerd. Werkelijke bewustwording is God ervaren. En God ervaren in alle dingen is de enige weg om in elk stoffelijk en geestelijk bestaan te komen tot een werkelijke bewustwording, een voortdurende geestelijke groei naar de volmaaktheid toe.

Je kunt zeggen, dat het zo lastig is. Dan hebt u gelijk. Het is moeilijk, maar is het niet juist moeilijk voor ons, omdat wij, wat wij zijn en wat wij willen doen, redelijk willen baseren? Is het ons vooral niet moeilijk om onze naasten lief te hebben, omdat wij voortdurend beginnen eerst te oordelen, voordat wij er over nadenken, of wij die anderen onze genegenheid, of onze naastenliefde waardig achten? Uiterlijkheden zijn een verhulling van de waarheid. Als wij dat begrijpen, dan zullen wij zoeken naar het ondergaan van de waarheid, zonder de verklaring der effecten en dan vinden wij God eerder dan op welke andere manier.

 Vragen.

  • Waarom worden kinderen overal geschaad? Vroeger door hen als offer te doden, nu door hen levensuiting te ontzeggen door seksuele onthouding.

Ik kan het niet eens zijn met het geponeerde. De onthouding van leven is iets anders, dan het ontnemen van leven. Ik geloof, dat men volkomen recht heeft om het nakomelingschap zozeer te beperken als noodzakelijk lijkt, gezien het gekozen levensdoel, mits dit geschiedt niet door te kunstmatige middelen, maar door onthouding en juiste aanpassing. De kinderen zijn hiervan niet het slachtoffer, integendeel. Het kind is eerder het slachtoffer, wanneer het op de wereld wordt gebracht, zonder dat men in staat is een volledige verantwoording te dragen voor het kind. Kinderen zijn niet altijd het slachtoffer. De verering voor het kind maakte het tot een slachtoffer voor de Goden in oude tijden. Het zal duidelijk zijn, dat de verering voor het kind bij de oude volken, veel groter dan heden ten dage en veel juister, zeer zeker aanleiding is geweest dit kind in de oudheid alle rechten te geven. Ik meen, dat men juist daarin heden ten dage te kort schiet, waar men misschien de stoffelijke middelen heeft, maar al te vaak de noodzakelijke liefde en het noodzakelijke geduld onthoudt.

  • Waarom heeft Mohammed de tempelprostitutie in Mekka willen verdrijven? Als dan de kloosters uitvloeisel zijn van tempelprostitutie, waarom geschiedt deze dan niet in de kloosters en in de Christelijke kerken?

Waarschijnlijk omdat de sociale structuur van de moderne wereld het gezin als basis neemt en niet meer, zoals vroeger, de belangengemeenschap. Sedert de tijd, dat de vrouwen hun recht zijn op gaan eisen en steeds grotere invloed wisten te gewinnen in de maatschappij, moest er binding zijn tussen man en vrouw, die in prostitutie overbodig, althans onmogelijk is, of ongewenst maakte. Wij mogen niet vergeten dat het spel der zinnen ook in de huwelijksband zeer belangrijk is. Zodra een huwelijk monogaam wordt, is het onmogelijk een prostitutie daarnaast te dulden. Het is dan een breken van de rechten, die men meent verworven te hebben in het huwelijk, zodat het uitdrijven van de prostitué als zijnde veil voor allen, te rechtvaardigen is op het ogenblik, dat men de huwelijks- en gezinsband als basis stelt van een gemeenschap. Op deze wijze heeft ook Mohammed dit gezien, ofschoon hij ongetwijfeld zijn volgelingen kennende, het aantal wettige vrouwen limiteerde tot vier. Wat betreft het optreden van tempelprostitutie in de moderne kerken: Ik vrees, dat dit met elk besef van zedelijkheid en dus ook van goed in de moderne maatschappij zou botsen. Alleen reeds daarom kunnen de kerken dit niet doen, of toelaten.

  • Kunt u zeggen, wanneer de joodse jaartelling is begonnen?

Dat begint over het algemeen vanaf het ogenblik, dat de uittocht uit Egypte begon.

  • Is er onderscheid te maken in het overgaan van iemand, die bijvoorbeeld plotseling door een ongeluk overlijdt, of van iemand, die in bewusteloze toestand verkeert. In beide gevallen is men toch onvoorbereid?

Dit is ongetwijfeld waar, maar er is één verschil. De indruk van apoplexie is over het algemeen er een van ogenblikkelijke verstikking met daarna een kalmering, zodat men de toestand juister kan inzien in de tijd die verloopt tussen aanval en overgang. Bij een ongeluk zijn de laatste indrukken gewelddadiger en pijnlijker. Wanneer daar geen periode bij is, waarin men zich hernieuwd van eigen toestand bewust kan worden in stoffelijke zin, zouden dus dergelijke beelden mee kunnen worden gedragen naar andere sferen en daar een belemmering voor bewustwording vormen. Dit geldt alleen voor hen, die het doodsconcept als zodanig niet aanvaarden, omdat zij een vast beeld hebben van wat zij na de overgang zullen aantreffen.

Degenen, die zijn voorbereid, zullen, ook na een ongeluk, alleen al door de eigenaardigheid van hun toestand, zich zeer snel realiseren, dat zij in een nieuwe wereld zijn en dat als zodanig het lijden dat zij zich voorstellen, slechts dwaasheid en illusie is.

  • Vorige maal werd gezegd: U zult nimmer oordelen, noch een oordeel uitspreken over anderen, doch, indien er schuld is, deze op u nemen, opdat de vrede bewaard blijft. Later is dit overgegaan in sympathische magie. Gaarne toelichting.

Op het ogenblik, dat ik niet oordeel, maar mij vereenzelvig met hetgeen ik eventueel zou kunnen veroordelen, zal ik de consequenties daarvan aanvaarden. Dan schep ik dus een sympathie, een eenheid, tussen mijn wezen en omstandigheden, voorwerpen, of personen, buiten mij. D.w.z., dat mijn wil tot juist werken, tot goed zijn, onwillekeurig, zelfs wanneer ik mijn oordeel niet uitspreek, doch mijn streven zal uiten en zo het vooroordeel zal minderen in hetgeen, waarmee ik mij als eenheid gevoel. Wanneer dit eenmaal begrepen is, kan het zich één voelen en het scheppen van de eenheidsband tussen zich en andere voorwerpen, of personen, leiden tot sympathische magie, waarbij door eenheid van wezen en gevoelens tijdelijk tot stand te brengen, correcties buiten het ik mogelijk zijn.

  • Waarom legt de katholieke kerk steeds de nadruk op de Mariaverering?

Elke mystieke godsdienst heeft behoefte aan een tweeledigheid. Het betoog van de eerste spreker heeft u reeds gewezen op de seksuele tegenstelling, die in alle godendom voorkomt, zodra er sprake is van een mystiek zoeken en mystiek vereren. De katholieke kerk is opgebouwd op mystiek. Vandaar, dat zij onwillekeurig tegemoet komt aan de behoefte van de mensheid om niet slechts één mannelijke Godheid, maar twee Goden te vereren, ook wanneer de één dan heilig, en de ander Gods Zoon heet. Dit komt tot uiting in verschillende dogma’s, waaronder de stoffelijke ten hemelopneming van Maria, de  plaats, die zij heeft in de hemel, volgens de vaststelling van degenen, die daar nog niet geweest zijn, etc.

  • De Moslimmissie zegt, dat Jezus op wonderbaarlijke wijze door God van de dood is gered, predikend naar het oosten getrokken is en ligt begraven in Kasjmir, waar Zijn grafsteen in hoge ere wordt gehouden.

Uit het feit, dat er een profeet, die niet Jezus-ben-Yusef was, maar Jezus-ben-Azarih, predikend is opgetreden in Kasjmir, met ongeveer gelijke stellingen als Jezus. Aan de hand daarvan heeft men, waar de wederopstanding het wonderbaarlijke van Jezus wezen te sterk zou bevestigen en Hem van profeet tot hoogleraar, of grootleraar, boven Mohammed zou maken, werd deze verklaring langzaam geaccepteerd. Deze feiten zijn pas aangenomen voor het eerst in 1470 en daarna steeds sterker benadrukt, n.l. toen de katholieke missie en later de Christelijke zending zich steeds sterker wierpen op geloofsgebieden van de Moslim.

  • Hoe kunnen wij onze overgegane familieleden vanuit deze zijde nog helpen? Mogen wij met hen in contact komen?

Inderdaad. Wanneer iemand druk werk heeft, zal men hem niet storen, opdat de fijnheid van zijn gedachten, of de nauwkeurige schoonheid van zijn arbeid door storing niet vernietigd wordt. Wie over is gegaan heeft zich een taak bewust te worden. Wanneer men tijd heeft, zal men zichzelf wenden tot zijn geliefden, zoals de arbeider, wanneer de taak is volbracht en hij kan rusten, zich tot zijn omgeving wendt. Wie op aarde is, heeft geen recht te trachten met zijn overgeganen in contact te komen. Wel zal men het contact, dat zij zoeken, moeten ontvangen en aanvaarden. Voor de overgeganen kan men verder het volgende doen: ween niet om hen, heb hen lief, denk aan hen, vergeet hen niet. Toon hen, desnoods symbolisch, uw genegenheid door bij hun beelden, of vooroudertafels, op de kerkhoven, een enkele keer een bloem te leggen. Spreek nog eens over hen en ban hen uit het heden niet uit. Zo onderhoudt u voor hen het best de band van genegenheid, die alle sferen kan doorkruisen. Maar treur niet over hen, want dit is als een keten voor hen die zouden willen wegsnellen naar betere werelden, en hen bindt aan een kerker van stoffelijk onbegrip.

  • Waren de beschuldigingen ingebracht tegen de Orde van de Tempeliers in 1307 gerechtvaardigd, of niet?

Wanneer wij ze beschouwen als ingebracht tegen het wezen der Orde, ongegrond.

Wanneer wij ze echter beschouwen als ingebracht tegen enkele der toebehorende groepen, die door machtswellust en wreedheid verteerd, zeer vele onrechtvaardige dingen deden, is het niet ongegrond. Wij moeten spreken van een vervolging van een geheel op grond van handelingen van enkelingen. Wat nu nog voorkomt.

  • Heeft de grootmeester van de Tempeliers een bekentenis afgelegd? Hij heeft dit daarna herroepen.

Bekentenissen uit die dagen tellen niet zwaar, daar zij niet het resultaat waren van het geweten, doch van pijn in de folterkamers. Deze verklaringen hoeven wij niet au sérieux te nemen. Sommige van de tempeliers praktiseerden satanisme, streefden naar macht en maakten zich aan vele misbruiken schuldig. Dat men naar de hoogste greep om zo tevens de onwelkome macht van de Tempeliersorde te breken, is wel duidelijk. Wij kunnen niet alle leden van de Orde in die tijd absolveren. In sommige streken heeft zelfs het merendeel zich aan ernstige misdrijven schuldig gemaakt. Het geheel is hierom echter niet te veroordelen. Ook doet dit zeker geen afbreuk aan de waarheid van hun stellingen, of de kostbaarheid van de geheimen, die zij bewaarden.

image_pdf