Oude krachten, nieuwe tijden

uit de cursus ‘Magie en magiërs’ – april 1971

Oude krachten, nieuwe tijden

Als in het verleden vele magiërs en ingewijden hun herinneringen en recepten reeds hebben neergeschreven in gewichtige en vaak met grote sloten vergrendelde boeken, zo is de kracht, waarmee zij werken, iets wat in de mensheid aanwezig is en wat ook in deze dagen nog voort bestaat. De oude krachten en oude machten zijn hoofdzakelijk natuurlijke krachten, daarnaast de krachten van de geest en in enkele gevallen ook astrale projecties. Maar ook in uw tijd hebben deze dingen invloed. Er zijn zelfs parallellen te trekken.

Als wij denken aan bv. de heksentijd, dan vergeten wij dat de heksenzalf erg beroemd was. Het was een extract, waarin belladonna enz. verwerkt zat. In feite was het een roes-veroorzakend middel (in moderne termen een hallucinogeen middel) dat via de huid werd opgenomen. De heksen gebruikten die zalf al voordat er sprake was van de hekserij, zoals die vooral door de kerkelijke overleveringen tot u zijn gekomen.

In deze tijd zien wij hele volksstammen gebruik maken van hashish, marihuana en allerlei andere soorten roesverwekkende middelen en ook deze hebben vaak zeer sterke hallucinogene bijwerkingen. Het zou niet verwonderlijk zijn, indien ook tegenwoordig een soortgelijke omzetting in religieuze zin zou plaatsvinden van de roes en de verschijnselen daarvan. En dat zou allemaal heel goed zijn, indien wij daarbij konden volstaan met de opmerking dat de heksen, zoals bv. Manson in Amerika, alleen maar dwazen en ontspoorden waren. Dat zal voor velen misschien waar zijn, maar aan de andere kant, er zijn inderdaad krachten die men kan oproepen. Er zijn mogelijkheden, vooral op astraal terrein, die ter beschikking staan van degenen, die op welke wijze dan ook zich hebben weten los te maken van sterke lichamelijke bindingen. Het is duidelijk dat uit de moderne drugs vandaag of morgen ook een soort hekserij en daarmee ook weer een soort moderne magie zou kunnen ontstaan.

Als ik de oude recepten bekijk, dan zie ik elke keer weer dat er onmogelijk te verkrijgen bestanddelen in worden genoemd. Zo spreekt men bv. over de hoorn van een eenhoorn, verpulverd op een bepaalde manier. Een eenhoorn bestaat niet. Misschien bedoelde men de neushoorn. We weten dat die wordt gebruikt in sommige delen van de wereld (ook in poedervorm) om de door ouderdom verzwakkende krachten weer wat op peil te brengen, dit ten behoeve van eigen vreugde en van het andere geslacht. Dergelijke recepten zijn voor een groot gedeelte humbug. Anderzijds zitten in die recepten toch ook weer werkzame bestanddelen die men ook vandaag kent.

Wij zien bepaalde praktijken, waarvan we ons afvragen wat de zin ervan is. Neem bv. het in de oude tijd heel veel voorkomende tekenen van diagrammen. Diagrammen op de vloer, voorzien van heilige tekens en al de rest. Magisch gezien is er reden voor om dat te doen. Aan de andere kant echter wordt een groot gedeelte van die bewerkingen al­leen maar aan de beschouwing daarvan toegeschreven.

In India gebruikt men vaak nog de zgn. mandala’s om hierdoor voor zichzelf een toestand van ontruktheid, van verhoogd besef te bereiken. Dit zijn eenvoudige tekeningen in afwijkende kleuren bv. een rode cirkel op een geel vlak. Als wij daarmee te maken krijgen, dan zeggen wij: Dat is een visuele vermoeidheid, waardoor bepaalde beelden ontstaan en men inderdaad het onderbewuste naar boven laat komen. Dat hebben die oude afbeeldingen ook gedaan. Als ik verder zoek om nog wat parallellen te vinden, dan ontdek ik de incantatie.

De incantatie bestaat vaak voor een groot gedeelte uit verkla­ringen, die voor eenieder die een beetje nadenkt, absoluut niet waar kunnen zijn. Maar wat horen wij vandaag de dag overal? Soortgelijke verklaringen. Als wij denken aan de langdurige aanroepingen die vele magiërs plachten te volbrengen en wij vergelijken dat met de toespraken van bv. een Hitler of wat dat betreft van een Churchill of een Nixon die, al is het op drogere wijze, ook dergelijke stellingen voortdurend poneert (Agnew is er nog sterker in), dan krijgen wij zo het gevoel dat dezelfde werkingen die vroeger in de magie werden gebruikt ook in deze tijd bestaan. En dan wordt het belangrijk voor ons om na te gaan: wat is de basis van die krachten en op welke wijze zullen zij in deze dagen in verschijning kunnen treden?

We beginnen ons dan allereerst af te vragen In hoeverre heeft de mens in zijn bewustzijn vermogens die hij normaal niet wekt, maar die on­der een zekere druk of in een bepaalde situatie naar buiten kunnen tre­den? Er blijken dan systemen te bestaan om de lichaamsvermoeidheid uit te schakelen. Denk aan de vroeger zo beroemde gelumpa’s, de snelle lo­pers van Tibet, waarvan werd gezegd dat zij zonder te rusten op een dag 80 km aflegden en dat met een behoorlijk grote snelheid. Zij deden dat in een soort half trance. Wij zien tegenwoordig dat een groot gedeelte van de training, zoals die voor de sport wordt gedaan maar ook in het leger, gericht is op eenzelfde verschijnsel, het automatisch functioneren van de spieren, terwijl de aandacht op iets totaal anders gericht kan zijn. Men blijkt daarbij in staat te zijn, zelfs zeer ingewikkelde bewegingscom­binaties geheel automatisch te volbrengen.

Ik geloof dat hier dus al een eerste punt is. De oude scholing van het lichaam is wel degelijk overgeplant in de moderne tijd. Een mens, die dus zeker wil zijn dat hij bepaalde acties goed zal kunnen volbrengen, zonder dat hierdoor mijn aandacht wordt opgeëist, behoeft alleen maar te trainen tot de actie automatisch is, dan laat hij het li­chaam a.h.w. los en bij het optreden van gelijksoortige omstandigheden zal het lichaam hetzelfde ritme hervatten en automatisch hetzelfde vol­brengen.

Dan is daar natuurlijk de vraag in hoeverre men met het eigen brein en tevens mogelijk ook met sommige van de eigen geestelijke voertuigen iets tot stand kan brengen.

De oude magiër wist dat hij die krachten bezat. En hij maakte gebruik daarvan om zichzelf te vergeten. Hij ging uit van het standpunt: Zolang ik mij te zeer van mijzelf bewust ben, kan ik niet zoveel aan, ben ik ge­remd. En daarom sprak hij vaak (ieder die iets weet van de verschillen­de invocaties en incantaties, zal dat bevestigen) op een gegeven ogen­blik namens zijn God en ging over op de term “Want ik ben Uw God en ik zeg U”. Identificatie als een middel om de banden die in het brein lig­gen, los te maken.

In de moderne muziek, vooral in de pop en de beat maar zeker ook in andere vormen (country en western bv.), krijgen wij de laatste tijd, nog­al eens te maken met het voortdurend herhalen van een bepaald ritme, een bepaald akkoord en dat gedurende lange tijd. Het blijkt dat dit inderdaad grote invloed heeft. Hierdoor raken bepaalde remmen los en wordt het totale reactie en denkleven van de mens veranderd. Er ontstaat zelfs in vele gevallen een communiteitszin die normaal voor die men­sen niet eens denkbaar, laat staan bereikbaar is.

Hier is alweer een parallel en wat meer is, een bruikbare aanwijzing. Wij kunnen vaak gebruik maken van een achtergrond, mits deze een regelmatig zich herhalend geluid van voldoende sterkte bevat om hierdoor een groot gedeelte van de normale reacties uit te schakelen en het geheel van ons kunnen, want wij willen het bewust gebruiken, via concentratie op een enkel punt te richten. Het is een concentra­tie die niet gestoord behoeft te worden door de Stones, de Beatles of hoe ze allemaal heten, maar die er integendeel wel degelijk door bevorderd kan worden. Ik zou hier een voorbeeld willen geven;

Het blijkt, dat vele moderne jongelui bijzonder goed bij dergelijke muziek kunnen lezen en studeren. Het lijkt zelfs of hun vermogen tot op­name van studiemateriaal onder die omstandigheden veel groter is. Confronteert men hen met muziek van bv. Bach, Vivaldi of Bartok, dan blijkt dat die muziek zelf hen boeit, dat ze erin opgaan, het geeft een  gevoelsbeleving, maar geen verruimde opnamemogelijkheid. Een punt waarmee u rekening zou kunnen houden.

Dan hebben wij de astrale wereld. Daarover is u in de loop der tij­den zoveel verteld, dat ik aanneem dat u het meeste nu wel weet. Maar een ding is zeker; als ik geconcentreerd denk, kan ik door dit den­ken iets scheppen in de astrale wereld. De vorm plus de intentie die ik daaraan verbind, bestaat dan werkelijk in het astraal en kan vanuit de astrale wereld zowel in geestelijke werelden als in de menselijke we­reld opereren.

Als wij nu denken aan de manier waarop men zich bv. bij de verering van de Bok van Mendes bezig hield met omschrijvingen, hoe de incantaties voortdurend een nadere definitie gaven van een gestalte, dan kunnen wij misschien begrijpen dat hier niet alleen sprake is van een suggestief proces, maar wel degelijk ook sprake is van een astrale opbouw. Een der­gelijke opbouw zou in uw tijd evengoed mogelijk zijn, want de kracht waarmee die opbouw tot stand wordt gebracht is in de mens aanwezig, ze is nog steeds dezelfde.

In deze tijd heeft men natuurlijk geen behoefte aan de een of andere verschrikkelijke dreiging, die zich langzaam uit het duister schijnt te materialiseren. Maar misschien heeft men wel behoefte aan een soort be­middelende werking of invloed, waardoor men eigen krachten kan uitzen­den, terwijl de aandacht alweer met iets anders bezig is.

Wie in staat is zich scherp en levendig iets voor te stellen en dit gedachtebeeld te zien als van groot belang, bouwt een astraal beeld op. De intentie daarin gelegd blijft bestaan in overeenstemming met de daar­in gelegde kracht, ook nadat het onmiddellijke opbouwen en voeden door de concentratie allang voorbij is. Wij kunnen dus iets buiten ons schep­pen dat voor ons taken vervuld. Dat was vroeger zo, dat is nu nog zo.

Dan heeft men in de oude magie ook het werken met geesten. Er zijn vele voorbeelden van. Een van de meest bekende is misschien wel de heks van Endor geweest die een koning opriep, die moest profeteren.

Zij schrok eigenlijk een beetje toen de echte koning kwam, omdat ze ge­wend was met astrale beelden te werken, die zij zelf kon redigeren en beïnvloeden. In andere gevallen weten wij dat geesten inderdaad spraken.

Dan behoeven we heus niet zo heel ver in de tijd terug te zoeken, want het spreken van geesten laten wij dat niet vergeten was zelfs in de 14e eeuw belangrijk. Er bestaan overleveringen, overigens mooi op­gesierd omtrent verschijningen van geesten, zelfs in kerken en kathe­dralen. Dat de godsdienst hieraan een eigen uitleg geeft en een verschij­ning die niet een heilige is, onmiddellijk probeert teniet te doen, door te vertellen dat er een zwart verkoolde handafdruk is ontstaan op een bank waar een ogenblik de hand van de verschijning rustte, behoeft ons verder niet zo te interesseren. Geesten bestaan. Als ze niet zouden bestaan, zou ook ik niet bestaan, nietwaar?

Als er dus een mens is, die zich een voorstelling van een geest kan vormen en daarbij de behoefte heeft met die geest in contact te treden, schept hij een contact met die geest. Men zoekt een harmonie en deze harmonie betekent een resonantie tussen de wereld, waarin de geest verkeert en de eigen wereld, terwijl de uitstromende gedachten gelijktijdig ook nog bijdragen tot het vormen van een schil (een astraal voertuig) dat voor die geest hanteerbaar is, indien ze zich zou willen manifesteren.

Wat kun je met zo’n geest doen? Profeteren. Maar een geest weet ook niet alles. De profetieën die door dergelijke geesten werden verkregen, waren vaak zo’n beetje aan de onbegrijpelijke kant. Dat komt omdat de geest nu eenmaal anders reageert en formuleert dan de mens.

Ik zou u daarom ook niet aanraden om speciaal met geesten te gaan verkeren, alleen om daaruit een profetie te halen. Er zijn andere mogelijkheden.

Voor een geest is bv. de uitstraling van een mens volledig zichtbaar. Dat betekent dat een geest anderen voor u kan waarnemen en beoordelen. Een geest (een natuurgeest) ziet de levende krachten van de natuur en kan u voorlichten omtrent datgene wat zij wel of niet doen in uw omgeving. Het is mogelijk om op deze manier bepaalde onaangename invloeden eenvoudig uit te bannen of indien u dat wenst misschien wat geluk, wat kleine meevallertjes a.h.w. naar u toe te trekken.

Opvallend is verder in de oude magie dat men gelooft in krachten (soms zijn het geesten van mensen, soms demonen, maar dan witte demonen, soms zijn het ook engelen), die in staat zijn een soort bescherming te vormen. Ze zijn een geluksfactor. Indien zij aanwezig zijn en u loopt bv. langs een bananenschil, dan komt uw voet er net niet op terecht, anders zou u er wel op belanden. Dat is het eenvoudigste voorbeeld.

In de magie heeft men zich altijd veel moeite getroost om een dergelijk geluk aan te trekken. Zou men in de moderne tijd daarmee iets kunnen doen? Er zijn entiteiten die inderdaad bereid zijn u te helpen, die u mogelijkheden verschaffen welke u normaal niet heeft. Zij helpen u bij wijze van spreken om in iets, wat u niet helemaal kunt overzien, toch een juiste keuze te maken. Zij brengen u ertoe om als u zich vergist, dit snel even te herstellen, zodat het voordeel brengt in plaats van verwarring. Ik geloof dat die geesten of invloeden voor de moderne mens van belang kunnen zijn. Maar in deze nieuwe tijd mag je natuurlijk niet bijgelovig zijn. Dat 9/10 van het moderne denken een vorm van bijgeloof is, zullen wij dan maar vergeten.

Wat doen wij? Wij moeten in de eerste plaats contact hebben met een dergelijke geest. Wij hebben over het algemeen geen voorstelling van een geest. Wel kunnen wij ons een voorstelling vormen van een gebeuren, het verhoeden van onheil bv. Een dergelijke voorstelling kan een geest die daarin geïnteresseerd is, eveneens aanlokken. Het is alsof u een etalage heeft, waarin u iets zet dat de belangstellende voorbijganger ongetwijfeld zal boeien, maar anderen noopt rustig verder te gaan. U krijgt dan op een gegeven ogenblik contact. Hoe wordt dat contact beschreven?

In de oude geschriften spreekt men van een kille wind. In wat moderner literatuur wordt gesproken van kippenvel en in onze tijd zouden wij zeggen dat het bij veel mensen een trekking is langs de ruggengraat die zich vooral aan de top van de ruggengraat afspeelt, zodat je nekharen te berge rijzen. Als je zo’n gevoel krijgt, is er een contact. Dit contact moet dan bevestigd worden door een harmonie. De oude magiër deed dat door incantaties en het branden van reukwerken. In de moderne tijd is een dergelijk ritueel voor de mens eigenlijk niet aanvaardbaar. Maar je kunt je wel voorstellen dat er “iemand” is. En als er iemand is, kun je aan zo iemand denken, je kunt hem je gedachten sturen en je kunt zelfs met hem spre­ken dus vocaliseren wat je denkt. In beide gevallen ontstaat er een zekere communicatie. Het antwoord is ook, gemakkelijk genoeg af te lezen, ofschoon het niet verstaan kan worden in woorden of zelfs in gedachten. Krijgt u een bevestigend antwoord (dus een contact), dan verandert de spanning die u rond u voelt en vooral die eigenaardige trekking. Het is alsof de haren weer gaan liggen, maar of er nu een warmte is in plaats van een gevoel van kilte. Dit duidt aan dat er een harmonie is, er is contact gemaakt met uw aura.

Indien u gelooft dat die bescherming u gegeven zal worden (een belangrijke factor, want u moet ervoor openstaan!), dan krijgt u inderdaad die bescherming, het geluk, dat u wordt gegeven echter is in overeenstemming met uw eis.

U moet uw wens zo uitdrukken dat ze uw ogenblikkelijke vrede en tevredenheid vergroot, zonder dat uw aansprakelijkheid moet toenemen. Kunt u dat zo formuleren, dan vermijdt u ongelukken en dat is het belangrijkste. Want wat een mens als geluk ziet, wordt meestal zijn ongeluk, als hij het bereikt. Op deze manier kunt u dus weten dat de aanwezigheid er is.

Als er wordt ingegrepen, zult u dat niet altijd merken. Maar in vele gevallen zult u weer het gevoel krijgen van een ogenblik van warmte en dat speelt zich dan meestal weer af rond de aanzet van de nekwervels. Weet u dat zo’n contact er is, dan moet u automatisch ook danken, dankbaarheid uitdrukken, ook al weet u niet waarvoor. Hierdoor wordt de wisselwerking tussen een beschermende geest en u in stand gehouden.

U ziet het, dergelijke contacten, al behoren ze dan misschien onder bijgeloof voor ons te rationeel denkende mensen, kunnen toch wel wat goeds met zich brengen.

Als wij kijken naar de oude krachten die worden gebruikt, dan valt ons ook op dat men in heel veel gevallen een soort harmonie met de na­tuur zoekt. In de heilige wouden vinden wij vaak bijzondere bomen, oude bomen. De mens gaat daarheen. In sommige gevallen probeert hij zelfs door spleten in die boom te kruipen, zoals in Nederland in de buurt van Rolde een tijdlang is gebeurd. Altijd weer is het een poging zich met de natuur te vereenzelvigen. Maar men heeft er tevens een bedoeling mee, een vaststaand doel. Men roept de krachten van de natuur aan en zegt gelijktijdig wat ze moeten doen. De man die door de boom gaat, doet dat waarschijnlijk om van een kwaal af te komen. Hij heeft misschien een verrekte heup en zegt dat dit in orde moet komen. Of hij heeft reumatiek en hij zegt dat dit in orde moet komen. Hij maakt het duidelijk, voordat hij door de spleet kruipt. In vele gevallen helpt het.

Een ander voorbeeld dat hier kan helpen om de zaak te begrijpen is een aantal riten, zoals die o a. in Griekenland in sommige heilige bos­sen werden voltrokken. Hier gaat het niet om een bepaalde boom, het ge­hele woud is heilig. Daar worden voortdurend erediensten gehouden.  Men heeft er a.h.w. contact met de goden. Wie binnentreedt, komt in de invloedssfeer zo gelooft hij van een God. Maar het denken van een mens heeft invloed op de natuur.

Iemand, die van een plant houdt, zal ontdekken dat die plant, ofschoon zij misschien niet zo deskundig wordt verzorgd, mooier bloeit en beter groeit dan bij iemand, die alles deskundig doet maar geen hart voor de plant heeft. Menselijke gedachten worden door de planten gewoon geab­sorbeerd. Zij geven die werking terug in een natuurlijke kracht, een soort oer-levenskracht, die dan door de mens zelf weer kan worden gericht en dus gebruikt.

Er zijn geen heilige wouden meer. Het is natuurlijk onzin om een pot geraniums neer te zetten op een altaartje en daar je gedachten heen te zenden. Maar de mens heeft toch altijd wel een gevoel van natuurverbondenheid, als hij ergens met oude bomen e.d. in aanraking komt. Waarom zou u in deze tijd, indien u van die kracht gebruik wilt maken, niet eens rustig in de bossen gaan wandelen? Vooral daar waar het hout oud en dicht is. Daar is leven, daar is kracht. En probeert u zich dan te realiseren wat voor kracht u nodig heeft. U omschrijft uw doel. U zult tot uw verbazing ontdekken, dat niet alleen vele lichamelijke ongemakken daardoor worden opgeheven, maar dat u zelfs sneller gaat denken, dat uw reactievermogen wat beter wordt, dat u denkbeelden in u voelt opkomen, vaag, maar voor nadere overweging toch wel be­langrijk, waardoor uw visie op het leven soms, al is het meestal tij­delijk, verandert.

De mens van vandaag kan van die natuurverbondenheid wel degelijk net zoveel gebruikmaken als de mensen in het verleden. Alleen, hij moet het op een andere manier doen. Hij kan niet meer naar een speciaal daar­voor bestemde plaats gaan. Maar hij kan wel zijn denken vooral naar de oude levende wezens in de plantenwereld toezenden en hij krijgt van hen reactie.

Ik wil u nog een raad geven. Reacties zoals wij hier bedoelen, dus het ter beschikking komen van bepaalde primaire levenskrachten, zal veel minder sterk gebeuren, indien u dat doet tijdens de bloei. Een kastanje bv., die normaal kracht geeft, zal in de tijd dat hij in bloei staat, die kracht in veel mindere mate afgeven. Dat is ook be­grijpelijk, want in die boom zijn processen aan de gang, waarop het besef van de boom te zeer geconcentreerd is. De mens is maar zelden sterk genoeg om die concentratie te breken. Maar zodra de sap-stuwing en al wat daarmee gepaard gaat weer wat gekalmeerd is, de vrucht is gezet, dan keert die boom weer naar het latent openstaan terug en dan kunt u wel wat bereiken.

Interessant is ook, dat al die oude magiërs eigenlijk aan een soort astrologie hebben gedaan. Ik zeg een “soort” astrologie, want er zijn reeds lang magiërs geweest die werkten met de sterren, voordat men wist wat sterren waren en voordat men ook maar iets besefte van de betekenis van de wandelende sterren of planeten,

Als de magiër werkt, dan doet hij dit in overeenstemming met de sterren. Sommige handelingen doet hij alleen wanneer de zon opkomt, ande­re juist wanneer ze ondergaat. Sommige handelingen worden gedaan bij vol­le maan, andere bij nieuwe maan. Kijken we naar latere recepturen, dan vin­den wij opvallende aanbevelingen. Bijvoorbeeld; Dit dient gedaan te wor­den in de nacht van St. Johannes (een feestdag in de lente en wel als de nacht helder is en het licht begint te dauwen. Dat klinkt tegenstrij­dig, maar het is inderdaad mogelijk). De dauw is vaak een grondnevel, daarboven kan de nacht helder zijn. Dan kun je bepaalde plechtigheden verrichten, zegt men.

Soms wordt ook speciaal beschreven, Mars moet in het zenit staan. In andere gevallen gaat het om een bepaalde constellatie van planeten. Magie vraagt vaak ook een oriëntering, waarbij de poolster dan meestal erg belangrijk is. Kortom, de aanwijzingen die men aan de wereld van de sterren en planeten ontleent, zijn vele. Misschien zou men dat bijgeloof kunnen noemen, maar het is inderdaad waar dat sterren en planeten inwer­ken op de mensen en op de wereld.

Daarnaast is het duidelijk dat de wereld eigen magnetische velden heeft en dat die dus door uw oriëntatie op een bepaalde plaats door uw lichaam zullen snijden en door al wat daarmee in verband staat.

Een oriëntatie op het noorden of oosten lijkt misschien bijgelo­vig, maar ze behoeft het daarom nog lang niet altijd te zijn.

In de moderne tijd kun je al die speciale voorschriften moeilijk vol­gen. Bovendien, als u zou wachten tot een bepaalde constellatie en een bepaald weertype optreden en u gaat dan ergens in het gras dansen, dan zou u waarschijnlijk voor een opstandige kabouter worden uitgekreten en niemand zou u de mogelijkheid laten uw magische verrichtingen voort te zetten. Wat is nu belangrijk?

Uit alle oude magie blijkt dat men bepaalde planeten ziet als heersers van bepaalde mogelijkheden of werkingen. Gaat het over strijd, moed en ook vitaliteit, dan blijkt men aan een gunstige Mars bijzonder grote waarde te hechten. Omdat het positieve waarden zijn die ik noem, houdt men daarbij verder rekening met een klimmende zon. Men doet het meestal bij zonsopgang of iets daarna. Heeft men te maken met geluksfactoren en hieronder vallen ook de ove­rigens materiële liefde, spel, geluk, reizen en dat soort dingen, dan geeft men kennelijk de voorkeur aan Venus. Betreft het handel, contracten, ja zelfs succes bij diefstallen (daar ­voor had men in de oudheid ook bezweringen), dan blijkt Mercurius de voorkeur te genieten. Gaat het om bepaalde meer mystieke mogelijkheden en belevingen, dan be­roept men zich graag op Saturnus en Neptunus. De maan blijkt van groot belang te zijn voor alle dingen die met het onmiddellijk stoffelijk ritme van de mens in verband staan, dus zijn normaal leven. De zon wordt altijd als heerser gezien en bepaalt door de stand haar wer­king, haar kracht, zoals zij deze verschaft aan een planetair aspect. Nu zijn die aanwijzingen op zichzelf misschien onvolledig. Maar iemand die wat van astrologie afweet, begrijpt ongetwijfeld wat ik hier op ove­rigens onwetenschappelijke wijze vanuit mijn standpunt heb geprobeerd te zeggen.

  1. Er zijn planeten die optreden als heersers.
  2. De stand van de zon bepaalt de wijze waarop de werking en de kracht van die heersers op aarde tot uiting komt.

En waarom zou men daarmee op aarde dan geen rekening houden in de moder­ne tijd? Het is natuurlijk aardig om te zeggen Ach, die sterren maken niet veel uit. Maar iemand die weet wat je met een maanfase doet, die weet hoe zijn mogelijkheden zelfs fluctueren in het vaste ritme met de maan. Hij zal zeggen: De juiste stand van een planeet zal misschien net dat kleine beetje meer aan mogelijkheid geven, waardoor ik succes heb. Hij zal dus rekening houden met die tijden. Voor alle dingen waarover wij hebben gesproken en vele waarover wij niet hebben gesproken en ook niet zullen spreken op deze avond is de keuze van het juiste moment toch wel belangrijk.

Wanneer u te midden van de natuur wandelt om daar bijzondere krach­ten op te doen, dan geloof ik dat het toch ook van belang is te weten op welke wijze de natuur op dat moment ademt. Heeft u vitaliteit nodig, zoek dan vooral de koele uren van de morgen uit, waarin de natuur pas volop begint te ademen en te leven. Dan is haar energie het meest in overeenstemming met uw eigen energie. U zult dan door ademhaling alleen al voldoende prana binnenkrijgen uit het plantaardig leven, zelfs zonder verdere instelling. Doet u dat echter in de avonduren, dan wordt u geen kracht toegezonden. Integendeel, er wordt u een soort rust gegeven. Wilt u dus kalmeren, dan moet u ‘s avonds in de bossen wandelen en niet ‘s morgens. Zo eenvoudig ligt het eigenlijk al.

De regels hiervoor zijn tamelijk eenvoudig. Wij kunnen praktisch alle magische bestrevingen, ook in deze tijd, onderverdelen in de volgende hoofden

Directe actie en ook persoonlijke actie altijd Mars. Zodra het “ik” daarbij actief een grote rol speelt, is Mars de heerser die ik kies. Ik zal mijn bezweringen, mijn instelling, mijn zoeken naar harmonie vooral volbrengen op die ogenblikken dat Mars een zo gunstig mogelijk aspect maakt. Bij voorkeur kies ik hier een aspect met de zon. Zoek ik toevalsfactoren, die echter niet bepaald kunnen worden door redelijke samenhangen in de wereld, dan zal ik vooral letten op Venus. Als hierbij bepaalde dromen (droomvervulling, droomwensen een rol spelen, dan kies ik vooral de avond en bij voorkeur wanneer Venus avondster is.

Is Venus avondster en heeft zij een gunstig aspect, dan kunt u ervan verzekerd zijn dat uw mogelijkheden veel groter worden. Dat zou ook kunnen gelden voor het vragen aan de geest u te helpen en u geluk te geven, als u dit geluk zelf niet voldoende wilt of kunt omschrijven.

Zoekt u naar harde, dus menselijk redelijke mogelijkheden en door de rede gedicteerde resultaten, kies vooral Mercurius. Als Mercurius gunstig staat, dan zullen ook alle bezweringen die daarmede samenhan­gen grote resultaten geven.

Voor contacten waarbij geesten betrokken zijn, die nog op aarde zijn of natuurgeesten, heeft men verder rekening te houden met de maan. De stand van de maan is mede bepalend voor het optreden, voor de ener­gie van dergelijke entiteiten en vooral ook voor hun bereikbaarheid.

Kies een gunstig aspect van de maan met de planeet, die uw doel bepaalt.

Wilt u entiteiten oproepen of zoeken naar geestelijke mogelijkheden of belevingen (ik denk aan uittreding e.d.), dan zou ik u de raad wil­len geven vooral te letten op een zeer goed staande Saturnus. Want ook uw eigen uittreding in bv. astraal gebied kunnen door een gunstig staande Saturnus goed worden beïnvloed. Dat betekent dat u in uw leven soms perioden van jaren heeft, waarin dergelijke belevingen gemakkelijk bereik­baar zijn. Daarna komen vaak perioden dat nieuwe bestrevingen geen resul­taat hebben, maar oude, eenmaal gelegde contacten kunt u gemakkelijk in stand houden.

Heeft u in uw bestrevingen vooral het esoterische of de hogere geestelijke werelden betrokken, houdt dan rekening met Neptunus. Indien deze goed staat en vooral indien hij op de juiste wijze conjunct is met de planeet die uw bestreving nader omschrijft, dan heeft u hier de beste mogelijkheden van slagen.

Dit alles klinkt als een receptenboekje. Het is niet mijn bedoeling dat te geven. Maar ik wilde u aantonen, dat men in deze tijd wel degelijk rekening zou moeten houden ook met de stand van planeten. Sterren laten wij maar buiten beschouwing.

Houdt u er rekening mee, dat gerichtheid (bv. staan met het ge­zicht naar het noorden of het zuiden) invloed kan hebben. Want de uit­straling van de aarde, die wij ook wel magnetisch veld noemen etc., werkt wel degelijk in op het menselijk lichaam. Als u dwars op deze straling staat, zodat ze het lichaam a.h.w. van schouder tot schouder doorloopt, dan kunt u staan gericht naar oost of naar west, dat verschil is niet zo groot, maar in beide gevallen moet u rekenen met een vertraging van alles wat met organische reacties te maken heeft. Er blijven spanningen bestaan, die u niet zo gemakkelijk kwijt raakt.

Bent u daarentegen noord zuid georiënteerd, dan is alles veel meer ontspannen. Uw lichaam heeft minder weerstanden, het laadt zich ook ge­makkelijker op. Vandaar dat ik zeg; Als u gaat liggen, zou ik hier noord­-zuid kiezen, omdat u dan de grootste dichtheid aan het hoofdeinde heeft, ofschoon het verschil in feite niet groot is. U zult dan waarschijnlijk beter rusten en slapen. Ontspanning is eerder mogelijk. U zult gemakke­lijker krachten kunnen opnemen.

Als u in de natuur onder de bomen rust om daar a.h.w. prana, nieuwe energie op te doen of om sneller te genezen, dan zou ik een dergelijke horizontale gerichtheid noord zuid absoluut kunnen aanbevelen. Bent u oost west georiënteerd, dan moet er rekening mee worden gehouden dat u veel meer behoudt wat er in u is. Wilt u met een bijzonder grote concentratie iets doen, dan is deze oriëntatie dus beter.

Hebben wij te maken met geesten, entiteiten of demonen, dan blijkt dat wij ons in de magie naar alle windrichtingen plegen te richten. Datzelfde doe je ook, als je het hebt tegen boze geesten, engelen of zelfs tegen God. Het waarom zal u duidelijk zijn, indien u zich realiseert dat je op deze wijze alle in jezelf aanwezige krachten voor een ogenblik activeert en gelijktijdig een aanduiding van verbondenheid vormt met het geheel van de aarde en daardoor ook met alle relaties die ze heeft met andere planeten.

Het is niet zo moeilijk als het lijkt. U behoeft natuurlijk vanavond niet een kompas te nemen om te zien of uw bed goed staat, dat zou dwaasheid zijn. Maar indien u bv. last heeft van slapeloosheid, dan is vaak een andere richting van het bed al voldoende. Zijn er aardstralen die officieel niet bestaan, dan kan een geringe verplaatsing, zelfs enkele centimeters of een decimeter, al voldoende zijn om u in plaats van onrustig, rustig te doen slapen. Ook hier dus een eenvoudi­ge aanwijzing.

De krachten, die in de oudheid een grote rol hebben gespeeld, zijn in deze dagen nog net zo aanwezig als vroeger. De mensen zijn eigenlijk in wezen nog dezelfde als vroeger. Uiterlijk is er veel veranderd, dat geef ik graag toe. De relaties met het milieu zijn veranderd. Uw denken is veranderd, maar de kracht die aanwezig is, is precies dezelfde. Als u dus die kracht zoekt in overeenstemming met uw mogelijkheden en denken zoals ze nu bestaan en gelijktijdig zoveel mogelijk rekening houdt met hetgeen de ouden daaromtrent reeds wisten en deden, dan zult u on­getwijfeld ook in deze dagen resultaten kunnen bereiken met magie. Dat betekent niet dat u de eerste de beste grimoire moet nemen en eens moet nakijken of er niet een leuk receptje is om een erfenis te krijgen of misschien promotie te maken, want in 9 van de 10 gevallen zijn die re­cepten niet juist. Dat wil zeggen ze bevatten allerlei dingen, die vroe­ger belangrijk waren en het nu niet meer zijn.

Heeft u te maken met zo’n recept, dan kan het alleen van nut zijn, indien u weet wat de werkzame bestanddelen zijn en dat weet u meestal niet. Laat die oude recepten dus maar rusten. Maar wat daaromheen is ge­weven aan beïnvloeding, aan autosuggestie, aan hypnotische werkingen, dat kunt u nog steeds gebruiken, want de basis opmaak van de mens is nog altijd dezelfde als vroeger.

Op gelijke manier kunt u gebruikmaken van oriëntatie, van de keuze van tijdstippen in het ritme van de natuur. Waarom zou u dat niet doen? Het kan weinig schaden, zelfs als u er ook niet helemaal in gelooft, Het kan u daarentegen enorm baten. Het kan u veel meer mogelijkheden ge­ven. Vergeet niet dat als een weegschaal in evenwicht staat, een zand­korrel voldoende zou kunnen zijn om langzaam een der schalen te doen doorslaan. Zo kan dus dat kleine en schijnbaar onbelangrijke beetje kracht dat er in een juiste oriëntatie zit (het rekening houden met een juiste constellatie, zelfs het gevoel rekening te hebben gehouden met alles), bepalend zijn voor de harmonieën die u bereikt, voor de resultaten die voor u mogelijk zijn, zelfs voor de mogelijkheid om meer of minder kracht op te nemen.

Het lijkt mij van belang dat men de oude krachten niet beschouwt als iets wat is afgedaan. De oude denkwereld van de mens is vervangen door een andere, maar dezelfde krachten leven. De oude magische proce­dures hebben voor een groot gedeelte hun aantrekkingskracht verloren of zijn langzaam maar zeker afgezakt naar wat lege ceremonieën, die zinloos zijn omdat de mens er niet werkelijk meer in leeft en er geen deel aan heeft. Maar vergeet een ding niet. U heeft de ceremonie niet nodig, maar wel de kracht. U heeft de sfeer nodig, niet het bepaalde ritueel.­ U heeft de mogelijkheden, de medewerking van allerlei energieën rond u nodig om een optimaal resultaat te bereiken en daarbij moogt u rustig uitgaan van uw wereld van vandaag en uw denken. Maar u moet rekening ermee houden dat de natuur haar onveranderlijke evenwichten, instellin­gen en wetten kent, die niet worden gewijzigd, omdat u ze anders interpreteert.

Hiermee hoop ik u iets duidelijk te hebben gemaakt omtrent magie en magiërs. De magiër van vandaag is iemand die reageert volgens eigen voorstellingsvermogen, eigen denken, voor zover het zijn innerlijk leven betreft en die gelijktijdig rekening houdt met alle condities die t.a.v. natuur, toestand van de natuur en inwerking van de natuur reeds in het verleden werden gegeven, omdat hij beseft zo de dingen die in hem leven op een juiste wijze tot uiting te kunnen brengen.

Ik hoop, dat dit voor u geen aanleiding wordt om u nu plotseling op de magie te storten, maar wel dat u zo u toch reeds gedachten pro­beert te projecteren, soms kracht probeert te ontvangen e.d. uit het voorgaande enige aanwijzingen zult putten om daardoor voor uzelf betere resultaten te verkrijgen en vooral om uw misvatting, zoals die bij velen bestaat, dat het alleen van jezelf behoeft af te hangen, enigszins on­gedaan te maken.

De magiër en zijn instrumenten

Als je in de oude boeken over magie zit te snuffelen, dan ontdek je allerlei vreemde dingen. Er is een geestendolk, een geestenzwaard en niet te vergeten de toverstaf. Het toverstafje, dat je eerder ver­wacht in een sprookje bij de goede fee van Assepoester, is voor de ma­giër een heel belangrijk instrument. Er bestaan allerlei voorschriften voor de manier waarop het moet  worden vervaardigd. Je kunt een toverstaf maken uit twee soorten hout: ebbenhout of ook een hazelaartak. Als de staf wordt gemaakt, dan moet men erg voorzichtig zijn, want het mag niet gesneden worden met ijzer. Dat brengt wel wat moeilijkheden met zich, maar kennelijk heeft men toch altijd wel kans gezien de staf voldoende te polijsten en te schuren, tot­dat hij rond genoeg was.

Dan moeten er banden om komen. De staf moet natuurlijk voordat het zover is al eens gewijd zijn. Hij wordt gedrenkt in gewijd water, waarin as zit, naargelang van de rite, kan dat as zijn van een levend wezen, het kan gewone as zijn en men kan in sommige gevallen ook gebruik maken van steenzout en as van verbrande bladeren. Als men dat heeft gedaan, dan begint men met het moeilijke werk van de ringen, want om een toverstaf behoren tenminste 4, soms 6 en in enkele gevallen zelfs 9 ringen te zit­ten. De ringen zijn gemaakt van verschillende metalen. Als wij een 4 rings­staf hebben, dan vinden we daaromheen ,12 ringen van zilver, een ring van goud en een van geel koper. Hebben wij een 9 ringsstaf, dan komt daar o.a. bij rood koper, brons in twee legeringen en tin. De bandjes die later warm precies om de staf zullen worden gewron­gen, dienen ook afzonderlijk behandeld te worden. Ze worden eerst gewijd  d.w.z. er worden spreuken over uitgesproken. Daarna begint men met het graveerwerk. Op elk bandje wordt een aantal sterren en een paar namen gegraveerd. Vroegere toverstaven bestonden uit zgn. sterrenletter symbo­len die we tegenwoordig nog wel terugvinden als de zgn. eerste, tweede of derde reeks symbolen van een bepaalde planeet. In de meer moderne tijd deed men het ook wel zo, dat men een soort horoscoop ervan maakte en de tekens van de verschillende planeten erin graveerde in een bepaalde verhouding en daarbij ook een machtsnaam.

De gouden ring is altijd gewijd aan de zon. Ze draagt het zonnesymbool en de naam van degene aan wie men de toverstaf en daarmee zichzelf als magiër wijdt. Het is de kracht waaronder je werkt.

Heeft men dat alles in orde gemaakt, dan komt het plechtige moment dat de doppen worden aangebracht. De toverstaf wordt – en niet alleen voor goochelaars – voorzien van twee zgn. stootdoppen, die worden ge­maakt uit het metaal dat behoort bij de planeten, waarmee de magiër in hoofdzaak werkt. Dat kan dus ijzer zijn, koper of een soort verguldsel met een kwikneerslag. Men kan ook goud en zilver gebruiken. Zilver werd nogal eens gebruikt, omdat heel veel magiërs graag met de maan werkten. Terwijl de doppen erop worden gezet, begint een reeks bewierokingen en het uitspreken van de juiste formules. Zo’n plechtigheid duurt meestal een dag of drie. Daarna moet de staf worden gewikkeld volgens de voor­schriften in zuiver linnen. Later maken ze er fijn linnen van en nog later zijde. Als hij daarin is gewikkeld, is het nog niet genoeg, want dan moet er nog een foudraal omheen. Dat wordt gemaakt van een wat gro­vere stof. Vervolgens wordt alles in een kistje gesloten, want het licht mag er niet bijkomen. De staf moet helemaal met zijn eigen kracht en zijn eigen werkingen alleen zijn.

Op dezelfde manier gaat men te werk, als men een Beestendolk maakt. De Beestendolken, die lange tijd in zwang zijn geweest en nu bij de White Witches van het eiland Man en van Schotland weer worden gebruikt, worden gemaakt uit knoken, het bot van een dier. Om op de juiste manier die dolk te vervaardigen geldt weer;

Het moet geslepen worden. Bij voorkeur moet hij op steen in vorm worden geslepen, wat een langdurige geschiedenis is. Terwijl hij wordt ge­slepen dien je elke keer als je er weer mee begint de dolk en je actie te wijden aan een bepaalde geest. Meestal nemen wij in deze tijd daarvoor een der engelen van de uren. Er zijn 7 engelen (wij noemen ze ook wel planetenkelen) die steeds afwisselend een uur regeren.

Is de zaak eenmaal klaar, dan zou men zeggen: Nu hebben wij genoeg gewerkt. Neen, we beginnen nog eens. De dolk wordt gebaad en gezalfd. De zalf bestaat uit een mengsel van olie. Vroeger werd daarvoor lijnolie gebruikt, tegenwoordig gebruikt men ook wel olijfolie en andere soorten plantaardige oliën. Is de zaak voldoende gezalfd (de olie is natuurlijk ook eerst gewijd) dan neemt men aan dat de dolk de kracht heeft om in de astrale wereld te treffen. Het voorwerp heeft een eigen uitstraling gekregen. Een prik met een geesteszwaard of geestendolk is dus niet alleen iets wat op aar­de zichtbaar is. Neen, het is een wapen dat ook in de astrale wereld doordringt. Als er dus een te nieuwsgierige geest in de buurt komt, dan kun je er met je hand alleen maar doorheen gaan, maar met je geestendolk kun je hem een flinke steek geven.

Het Beestenzwaard wordt meestal op een soortgelijke wijze gemaakt, alleen bestaat dit doorgaans uit metaal, in enkele gevallen ook uit hout. De obsidiaan zwaarden, die wij kennen zijn eigenlijk ook zwaarden die uit hout zijn vervaardigd en bezet met kartels van steen. (Dolken werden weleens uit steen gemaakt, maar zelden voor magische doeleinden.) Dan wordt het zwaard ook ingewijd en bestraald en kun je er eindelijk mee aan het werk. Dat denk je, maar zover ben je nog lang niet.

Je hebt nu krijt nodig om de nodige diagrammen te tekenen. Gewoon krijt is echter niet voldoende om een demon te bannen. Dus wordt er een mengsel gemaakt van kalk (in Nederland gebruikte men daarvoor schelpkalk) vermengd met bepaalde vetten. Er ontstaat dus een vetkrijt. In enkele ge­vallen raadt men zelfs aan om vooral het vet van een gehangene daarvoor te nemen, dat schijnt bijzonder goed te zijn.

Nu begrijpt u wel dat al die dingen eigenlijk belangrijker zijn door de voorbereiding dan door de werkelijkheid. Zo ook het touwtje dat de ma­giër gebruikt. Het is een touwtje dat alleen wordt gebruikt om de cir­kels uit te zetten. Dat touwtje moet natuurlijk ook gewijd zijn. Het moet gemaakt zijn van vlasvezel. Tegenwoordig zou men hennep waarschijnlijk ook goed vinden en mogelijk zelfs sisal, want dat is plantaardig.

Hebben we dat touw, dan zijn we er nog niet, want wij moeten ook nog kunnen bepalen hoe de situatie precies is. Daarvoor maakt men gebruik van een magneetsteen of een magnetisch plaatje, dat overigens niet als kompas gemonteerd mag zijn. Vanaf de 16e eeuw gebruikt de magiër daar­voor een soort naalden (u zou er misschien ook moderne naalden voor kunnen gebruiken, die zijn ook van staal). Die naalden worden gemagne­tiseerd en heel voorzichtig te drijven gelegd in een vloeistof, die dan weer bestaat uit oliën die een wat eigenaardige geur afgeven. Men ge­bruikt die magneet om zich te oriënteren. Verder is het voor de mensen iets geheimzinnigs geweest dat het zo bewoog. Er zijn krachten aan ver­bonden die dan meteen in de cirkel worden gebracht.

Ik zou kunnen voortgaan met de opsomming van de verschillende soorten lampen die je nodig hebt. Een magiër uit 1700, die een werk­elijk goede apparatuur had, beschikte toch altijd nog over een 20 verschil­lend gevormde lampen, vierkante en ronde, gemaakt uit glas, uit steen, uit terracotta, uit verschillende metalen. Er zijn middenbranders, er zijn tuitbranders. Je had ze allemaal nodig. Bovendien hoort bij elk nog een bijzondere vloeistof. Dan had hij ook nog een goede vijzel nodig, die ook gewijd moest zin. Die moest van steen zijn. Geen koperen vijzel, want ko­per geeft bepaalde eigenschappen. Arduin was heel lang in zwang. De stamper was meestal een langwerpig gevormde vuursteen. Die vijzel heb je nodig om de kruiden waarmee je rookwerk maakt (meestal een stank van jewelste) te vergruizelen en te vermengen met de vluchtige stoffen, waar­in de geest zich kan manifesteren.

Je hebt nodig, wat ambre gris en gedroogde kruiden. Een hele doos vol en die moet goed afgesloten zijn. Die doos moet ook weer gemaakt zijn van een aparte houtsoort. Meestal gebruikte men hiervoor het hout van een rode beuk.

Dan begint de magiër met zijn instrumentarium te werken. Het blijkt dat hij ook een schietlood gebruikt. Dat is dan niet gewijd, want dat moet elke keer als het wordt gebruikt, worden gezegend. Hiervoor maakt hij zijn eigen heilig water, dat ongeveer te vergelijken is met het tegen­woordige wijwater dat men rond de Paastijd in de verschillende kerken pleegt te fabriceren.

Heeft hij het schietlood, dan is dat goed om een plaats te bepalen en om een middelpunt vast te stellen. Het is verder heel goed bruikbaar als een soort pendel om antwoorden te krijgen of om te zien of de krach­ten goed zijn en of ze zullen reageren.

De voorschriften gaan nog verder. Tegenwoordig is dat niet meer zo belangrijk, maar vroeger was dat een kostbare geschiedenis, want de magiër dient te beschikken over  een wit hemd, dat nog nooit gebruikt is, bij voorkeur een doodshemd. Dit hemd moet eveneens in taftzijde (vroeger schoon donker linnen) gewik­keld worden opgeborgen in een kist van cederhout.

Dan dient hij te beschikken over een schone muts. Die muts moet eventueel met symbolen bedekt zijn.

Hij moet beschikken over twee mantels. De eerste mantel is er een, waarop de sterrensymbolen staan en vooral in de kraag de naam van de geest met wie de magiër werkt. De tweede mantel is een meer algemene, die alleen een boord heeft. Dat boord heeft een kleur. Geel is lang in zwang geweest, maar men heeft ook misschien teruggrijpend naar het oude home purperen randen gebruikt. De bedoeling daarvan is om zijn waardig­heid te tonen. De magiër gebruikt ze bij alle bezweringen waarbij hij con­tact krijgt met geesten, die hij niet kan dwingen. Want zo’n magiër heeft met allerlei geesten te maken. Als je nu zo’n minderwaardig duiveltje krijgt, dan trek je het goede pak aan met alle sterren en planeten en je zegt; Doe dit of dat. Maar als je met de geest van de zon te maken krijgt of met een engel, dan kun je moeilijk op je achterste benen gaan staan en zeggen; Nu moet je dit of dat doen. Dan moet je eerst tonen dat je waardig bent en daarvoor gebruik je dat gewaad, dat overigens smette­loos moet zijn.

Een magiër heeft ook nog wel eens te schrijven en te tekenen, want sommige formules moeten zorgvuldig worden geschreven. Daarvoor heeft hij pennen nodig, die voor geen ander doel gebruikt zijn en die volgens voorschriften moeten komen van spierwitte ganzen of zwanen. Voor sommige riten zijn er juist zwarte veren no­dig. Daar hoort een pennemes bij dat gewijd moet zijn en dat gemaakt dient te zijn uit het beste ijzer of staal.

Verder heb je papier nodig. Maar gewoon papier is voor de magie lang niet goed genoeg. Je moet de beschikking hebben over smetteloos papier (effen lompenpapier), er mag geen merk of tekening in zitten en perkament. En omdat perkament ook in vele kwaliteiten voorkomt, heb je voor de lichtende, de hoge bezweringen lamsperkament nodig. Dan heb je voor bepaalde, meer algemene bezweringen kalfsperkament en ook nog varkensperkament nodig. Die perkamenten moeten allemaal weer afzonderlijk worden bewaard en dienen van tevoren te zijn gesneden in de juiste vorm. Ze mogen niet geknipt worden. Wilt u een liniaal gebrui­ken, dan moet die uit essenhout zijn.

De magiër maakt verder veel recepten en daarvoor moet hij een soort chemicus zijn. Hij dient daarom te beschikken over een beperkte alchemis­ten uitrusting, waaronder tenminste behoort een oven met inzet (zoals ze ook voor het smelten van goud gebruiken), een houtskoolbekken, een blaasbalg (die behoeven niet gewijd te zijn. Verder een aantal fiolen (re­ageerbuizen of testbuizen). Hij moet beschikken over een aantal kruiken. Of hier de overlevering nu weer een rol speelt, weet ik niet, maar het typische is dat die kruikjes meestal de vorm hebben van kleine amforen, zoals die tegenwoordig vaak uit de Middellandse Zee naar boven worden gehaald.

Heeft de magiër alles bij elkaar, heeft hij de juiste kleren, heeft hij ook nog gezorgd dat hij voor tekenen enz. een werkkleed heeft, dat weliswaar nieuw moet zijn, maar niet aan bepaalde kwaliteits- en kleur­eisen behoeft te beantwoorden, dan kan hij eindelijk aan het werk gaan.

Een magiër die dat allemaal zelf doet en eerlijk doet, is dus wel een 3 à 4 jaar bezig, voordat hij alles bij elkaar heeft. En dan kan hij beginnen met bezweren.

Om die bezweringen goed te laten gelukken, moet hij weer beschikken over een vertrek. Hiervoor wordt uitdrukkelijk gesteld: het beste is een sanctum dus een kamer speciaal gewijd aan de magie. Zo deze niet be­schikbaar is, gebruike men een bibliotheek. Is ook deze niet beschik­baar, dan dient men gebruik te maken nog van een open plaats omringd door berken of essen. Bovendien kan men maar alleen voor oproepingen, bezweringen e.d. gebruik maken van een kruispunt van tenminste drie wegen. Als er vier wegen op uitkomen, is dat nog beter, vooral als men met de duivel te maken heeft, want die komt alleen, indien men tenminste vier wegen ter beschikking heeft.

Dan begint de magiër te werken, eerst met de hand de juiste gebaren makend, de juiste woorden sprekend en op de brasier, die ook bij de be­zwering gebruik wordt zowel als bij het vervaardigen van allerlei recep­ten, houtskool en kruiden. De lampen worden aangestoken, het geheel is getekend. En pas als alle woorden van de bezwering zijn gesproken en niet eerder, grijpt de magiër naar zijn toverstaf. Met deze staf maakt hij de voorgeschreven gebaren (dat is heel vaak vreemd genoeg een lig­gende acht en nog enkele gebaren, die doen denken aan een spiraal, waar­bij de buitenste lijn van de spiraal weer terugloopt naar of door het mid­delpunt.

Heeft de magiër ook deze gebaren gemaakt, dan wordt verwacht dat er al iets aan de hand is. Daarom dient hij het geestenzwaard ter hand te nemen. Let wel, de dolk laat hij rusten. Die gebruikt hij alleen indien een demon hem dreigt aan te vallen of weigert hem te gehoorzamen.

Nu denkt u dat hij klaar is, want hij kan een demon oproepen en hem vertellen wat hij nodig heeft, zoals: ik heb 10 paardenladingen goud en 25 wagens met lijnzaad nodig en dan zorgt de demon daar wel voor. Dat had u gedacht! Zelfs indien de demon daarvoor zorgt, is en blijft hij gebonden aan de magiër, maar de magiër ook aan hem. Je kunt dus niet zeggen; Ik doe even vijf bezweringen achter elkaar. Want dan zit je met 5 geesten en die zijn je zeker te sterk. Dus stuk voor stuk afwerken. Het is detailwerk. Je kunt dit niet rationeel opzetten. Je moet het een na het andere afwerken,

Is de wens of opdracht vervuld of uitgevoerd, dan zou men kunnen zeggen; Het is in orde, je mag gaan. Niets is minder waar. De magiër begint wederom met een bezwering. En omdat de demon nu voor hem in de wereld heeft gewerkt, gaat de magiër zelf in de cirkel staan terwijl hij in het eerste geval buiten de cirkel stond en de demon binnen de cirkel opriep. Nu binnen de cirkel staande roept hij de demon op en dankt hem voor de verrichte taak. Hij beroept zich bij deze dank weer op de Heren of meesters, waaraan de demon gebonden is en beroept zich ook op hoge krachten (het Zegel van Salomo is er vaak bij), waarna hij de geest uitdrukkelijk zegt heen te gaan, te rusten en tevreden te zijn en hem niet meer te storen. Daarna zal hij met een gebaar van het gees­tenzwaard (de dolk blijft weer rusten) de onzichtbare draad doorhakken door driemaal met dit zwaard voor zich een cirkel te maken, terwijl hij met het gezicht naar het middelpunt van de cirkel staat.

Als dat ook is gebeurd, dan is het eerste dat hij nog moet doen, zorgen, dat het zegel gebroken wordt. De figuur mag niet blijven bestaan. De lampen en de brasier moeten worden gedoofd. Ook als hij denkt: ik heb ze misschien nog voor iets anders nodig. De houtskool moet gedoofd zijn en zorgvuldig bijeengegaard en daarna worden begraven. Als hij dat allemaal heeft gedaan, dan kan de goede magiër gaan zitten uithijgen tot de volgende bezwering.

Als je nagaat hoeveel werk en voorbereiding er vastzit aan een en­kele bezwering, dan vraag je je af hoe de mensen er ooit de tijd voor hebben gevonden.

Ik heb nu alleen wat verteld over het instrumentarium dat in de oudheid werd gebruikt. In de moderne tijd en ook bij verschillende van de zeer moderne culten (duivelvereerders, heksen en nog zo wat) vinden we nog heel vaak, dat ze in plaats van gewaden ook bijzondere zegels maken. Het zijn van die dingen zoals de hippies ze ook wel hebben, maar dan in een bepaalde uitbeelding. Erg geliefd is bij de zgn. Witte Heksen een soort yang yin principe, dat bij voorkeur wordt uitgevoerd in zilver en goud ofwel in emaille op koper. Waarom?

Deze mensen hebben er een dubbele bedoeling mee. Dit principe is het geestelijke kleed, waarin zij zich hullen. Ze zijn zo van de noodzaak af om zich elke keer te moeten verkleden, als ze een bezwering beginnen. Verder is het een herkenningsteken en ten laatste is het voor hen een blijvende verbinding met de entiteiten, waaraan ze zich hebben gewijd.

In de zwarte magie gaat het weer wat anders. Daar hebben de mensen de liefelijke gewoonte om een schedel te nemen, daarvan wordt de hersen­pan afgehaald en daarin een in was gemoduleerd beeldje gestopt. Dat beeldje heeft dan de naam van de entiteit, die moet dienen. Er gaat nog een beschreven papier in, dat geschreven moet zijn met een mengsel van plantensappen en bloed.

De moderne heksen houden nog wel van de oude rituelen. Ik geloof dat er heel wat heksenkringen zijn, die helemaal niet aan magie doen, maar die het leuk vinden om bloot en met hun rug naar het altaar toege­wend te lopen wervelen, terwijl ze allerlei onaardse kreten uitstoten.

Misschien dat het opdragen van een zwarte mis eveneens voor sommi­ge mensen erg attractief is. Die dingen horen er eigenlijk niet bij.

In de magie heb je dingen nodig om ermee te werken. En als u er ooit mee gaat werken, dan moet u toch wel onthouden, dat u nooit iets voor magie kunt gebruiken, dat reeds een zgn. mundaan doel (een werelds doel) heeft gediend, tenzij het de bedoeling van het magisch werken is om juist in die ene richting of ten aanzien van de persoon van wie het voorwerp is geweest in te grijpen. Dat is dan een uitzondering. Verder moogt u alleen nieuwe dingen gebruiken.

Wat betreft het schrijven van amuletten, als u er ooit toe komt, onthoudt u weer; Een amulet dient geschreven te worden op het metaal, dat gewijd is aan de planeet waaronder het zegel valt. Als u geen me­taal en graveerwerktuigen bij de hand heeft, dan kunt u het ook nog doen op fijn kalfperkament. U moet dan ook onthouden dat de inkt die u gebruikt in de kleur moet zijn van de planeet onder welke het zegel ressorteert. Datzelfde geldt bovendien nog indien u meer kos­misch zou willen werken als u werkt onder de tekens van de Dieren­riem. Want bepaalde tekens van de Dierenriem hebben gedurende een pe­riode een eigen kleur. En daar zit nu de ellende.

Als u nu zo’n kosmische zegel zou willen maken. Steenbok heeft op het ogenblik als invloed rood. Dan zou u dat zegel met rode inkt moeten schrijven. Maar over een week of vijf is de kleur lila geworden. Dan is het rode zegel dus niet meer geldig en moet u weer een nieuw schrijven.

Dan zijn er nog een paar punten, die ik even wil aanstippen.

Ik raad u niet aan om de middeleeuwse bijgelovigheid te volgen ten aanzien van sommige rituelen. Want een magiër die een buitengewone macht wilde verkrijgen deed weleens gekke dingen. Zo bestaat er bv. een re­cept, waarvoor men een zegel (het Grootzegel van Salomo of het persoon­lijke Zegel met de bliksemschicht) tekent. Daarvoor maakt u gebruikt van inkt, die bestaat uit bepaalde natuurlijke kleurstoffen gemengd met bloed, schapenbloed meestal. En als u dat niet kunt krijgen, het bloed van een witte haan of als u zwart magisch werkt van een geheel zwarte haan. Dieren behoren in de zwarte magie ook tot de instrumenten die de magiër moet hanteren, want bij elk pact en elke oproeping dient hij rijke­lijk bloed rond zich te sprenkelen.

Met die inkt tekende men dan een zegel. Als het klaar was en het was gewijd en nog een keer gesproken, dan nam de magiër het stukje per­kament in de mond en begon heftig te kauwen. Hij kon het dan inslikken en droeg dus het zegel in zich. Het is een typisch bijgeloof. We vinden het tegenwoordig nog wel.

Er bestaan in de Soedan nog godsdienstige medicijnmannen, die een bepaalde soera uit de Koran op een stukje papier schrijven en dat dan rustig afwassen en die afgewassen inkt met water vermengd laten drinken. Dat bestaat in Tunis en Algiers ook nog. In de Soedan hebben ze ook nog de gewoonte om de arme zieke soms zo’n heel stuk te laten opeten. En als je dan toch al last hebt van je spijsvertering, dan lijkt mij Al­lah ‘s woord wel erg zwaar te verteren.

Al deze dingen tezamen hebben betekenis, omdat de moeite die een mens doet en vaak met de inzet van zijn persoonlijkheid de waarde bepaalt van een wens, een bepaald gebeuren of actie. Een magiër heeft het eens heel aardig gezegd; “Als ik van de levende hazelaar een tak afsnijd, zij is mij een staf (hij bedoelde toverstaf). Maar zo ik er een gewijd heb en daaraan vele maanden heb besteed, zo zie ik daarin mijn concentratie van maanden en zij zal mij beter dienen, omdat ik mij meer met haar vereenzelvig.” Ik geloof dat u daar de oplossing van het hele raadsel heeft.

Wat ik u heb verteld over het instrumentarium, zult u misschien als een wetenswaardigheid terzijde willen leggen. Maar er is een klein ding, waaraan u toch even moet denken. Juist door al die uiterlijkheden, die misschien op zich geestelijk niet al te veel te betekenen hebben, zelfs niet ten aanzien van de astraal nu ineens doordringende geestendolk, wordt de mens geconditioneerd. Een groot gedeelte van het instrumentarium van de oude magiër was m.i. in de eerste plaats een middel om  zichzelf te conditioneren, om zijn innerlijke eigenschappen en mogelijkheden zo­danig aan uiterlijke voorwerpen te verbinden dat hij door een enkel ge­baar of door het hanteren van het voorwerp de juiste innerlijke toestand kon vinden en daardoor zijn vermogen op de juiste wijze kon richten.

Het is duidelijk, dat dit geheel niet van belang zal zijn in uw tijd, tenzij u uitgaat van het standpunt: Indien ik met magie wil werken, zal ik moeten leren mij daaraan over te geven met hart en ziel, met mijn to­tale voorstellingsvermogen en denken. Ik zal niet mogen aarzelen t.a.v. mogelijkheden. En zo ik dit niet kan vanuit mijzelf, zal toch het wijden en maken van voorwerpen, die mij als symbool kunnen dienen, mij dienstig zijn. Want deze zullen mij dan zelfvertrouwen en de mogelijkheid geven, die zonder dit slechts moeilijk te bereiken zijn.

Innerlijke vrede

Vrede is meer dan rust, want vrede kan wel degelijk een actie zijn. Het is een ontwikkeling, waarin de harmonie niet wordt verstoord. Vrede is een toestand, die in zich het harmonisch zijn omsluit.

Een innerlijke vrede betekent precies hetzelfde. Het betekent dat ik in mij niet tegen mijzelf verdeeld ben. Dat ik mij geen vragen stel ten aanzien van wat ik anders had moeten zijn of had moeten doen, maar dat ik leef met de dingen die ik ben in een wereld, waarin ik op dit moment besta en dat ik in zekere zin vrede daarmee heb. Niet dat ik geen veran­dering daarin zal nastreven, maar ik voel mij niet achtervolgd door een verleden of door daden die gesteld zijn. Ik word niet voortdurend over­rompeld door de behoefte op dit moment meer te bereiken of meer te zijn dan mij mogelijk is. Innerlijke vrede is eigenlijk zo eenvoudigweg harmo­nisch zijn.

Een mens die de innerlijke vrede kent, groeit geestelijk en naar buiten toe ook materieel in vele gevallen in de richting van beter begrip voor de wereld, grotere eenheid met de wereld, zuiverder contac­ten met de geest en zelfs met zijn innerlijk. Maar die groei gaat niet met schokken. Het is geen plotselinge en onverwachte inwijding. Het is eenvoudig een langzaam openbloeien als van een roos, die als de zon eenmaal komt in zich de behoefte gevoelt de blaadjes te spreiden en daarmee haar mogelijkheid voor nieuw leven en nieuw zijn te ontplooien. En als u daarmee rekening houdt, dan kunnen wij zeggen;

Innerlijke vrede is voor ons de toestand, waarin wij ons geleidelijk en haast ongemerkt ontplooien in een voortdurend gevoel van intens be­staan en erkennen, zonder dat wij in strijd komen met onszelf of onze we­reld.

Waarlijk gelukkig is de mens, die deze vorm van vrede vindt, want zijn wezen zal zich ontplooien, zijn chakra’s zullen zich open plooien en hij zal verbonden zijn met steeds meer krachten en mogelijkheden in het totale Al, terwijl hij gelijktijdig meer en intenser zichzelf wordt in de wereld, waarin hij nu nog voornamelijk bestaat.