Oude mysteriën

image_pdf

6 maart 1959

Wij zijn niet alwetend, of onfeilbaar. Wij hopen dat u zelfstandig na zult willen denken. Mijn onderwerp:  Oude mysteriën.

Om te begrijpen, hoe een mysterie tot stand komt, moet men zich indenken in de tweeslachtigheid van de mens. Er zijn bepaalde krachten van de geest, er zijn bepaalde krachten van de stof. Normalerwijze noemen wij de krachten van de stof en al wat daarmee samenhangt, exoterisch, alles wat met de geest samenhangt: Esoterisch. Wanneer de mens op een gegeven ogenblik stoffelijk ver genoeg komt, is het voor hem onmogelijk geheel tevreden te zijn met zijn wereldbeeld. Hij voelt aan, dat er een tweede en andere waarheid bestaat. Deze is niet uit te drukken in zijn eigen wereld, of in de beelden ervan. Het is eerder een kwestie van het beleven van een emotie. Dit kan wel degelijk gepaard gaan met een geestelijk weten. Maar het verschil tussen geestelijk en stoffelijk weten is soms zeer groot.

Het gevolg is, dat men zoeken gaat naar die geestelijke oplossing. Op de duur vindt men deze ook. Men vindt een geheimzinnige weg, binnendoor a.h.w., waarin een nieuw weten en een nieuw begrip omtrent de wereld – en al wat er bij hoort – wordt verworven. Men krijgt een nieuw contact met de waarheid. Dit is echter niet uit te beelden in exoterische termen en beelden. Men kan hoogstens in gelijkenissen spreken. Iets, wat ook Jezus deed tot de menigte. Zodat het werkelijke, het ware, een geheim blijft. Een geheim, omringd door aanduidingen en gelijkenissen. Groepen, die nu in hun midden een aantal van deze ingewijden hebben, degenen, die tot de Goddelijke kennis zijn gekomen, noemen wij mysteriescholen. Het is altijd het doel geweest van de ingewijden om, ook voor anderen, een dergelijke inwijding mogelijk te maken. Men heeft een geheel systeem van leven en denken opgebouwd, dat heel vaak afgeleid is van een der eerste stichters, een van de eerste krachten der inwijding. Wij vinden hierbij zowel een Prometheus als een Osiris.

Nu was het in de oudheid niet zeer eenvoudig om alleen maar met wetenschap te werken. Praktisch de enige kring der oude mysteriescholen die daarin geslaagd is, is de Pythagorese school geweest, en deze had zich in de eerste plaats gebaseerd op vlakken, uitgaande van een 12-vlak in alle onderverdelingen, daarnaast op de muziek, de trillingen en hun verschillende verhoudingen. Hier is sprake van een wetenschap die echter onbewijsbaar is. Het is alleen ervaarbaar. In de ogen van de moderne mensheid zou het een pseudowetenschap genoemd worden. Alle anderen echter zoeken hun weg eerder in het fantastisch beeld. Prometheus, die het vuur van de hemel haalt, maar daarvoor geketend wordt aan de rotsen door wraakzuchtige Goden is wel een van de treffende gelijkenissen, die vooral in de Griekse mysteriescholen een grote opgang maakten.

Hoe gaat het met de ingewijde? Hij vindt het vuur, het Goddelijk licht, de kern van het Zijn. Maar in dit kennen is hij tevens gekluisterd aan de Goddelijke wil en aan de Goddelijke wetten. Zo hij nog mens blijft, menselijk zou willen denken en voelen, dan wordt hij verscheurd door de krachten die in hem zelf werkzaam zijn. Enerzijds: Het absoluut begeren om de mensheid te bevrijden en te helpen, anderzijds het begrip – dank zij het Licht – dat dit onmogelijk is.

Erger nog: Hij zal vaak het Licht – of het vuur – aan de mensen willen geven en moeten zien, hoe het vertreden wordt. Vandaar, dat je ook hoort, dat je “geen paarlen voor de zwijnen mag gooien” en “geen wijsheid spreken voor de dwazen”.

De opzet van elke innerlijke beleving, van elke esoterische beleving, wordt onmiddellijk verbonden met de exoterische vormgeving. In elke oude school vinden wij iets aan de buitenkant, wat ons meer aan theater en komedie doet denken, dan aan wat anders. Het is geen toeval dat in praktisch alle Griekse, maar ook in alle Egyptische grote steden, zelfs in de kleinere steden, theaters waren. Het theater was niet alleen deel van de Godendienst, zoals men verkeerdelijk aanneemt, maar vooral het uitdrukkingsmiddel voor de geheimschool, die op deze wijze haar raadselen in gelijkenissen weer aan de mens trachtte te brengen. De buitenkant bestaat uit de leerlingen. Leren betekent in de eerste plaats kennis verwerven. Want hoe kun je die innerlijke wereld juist begrijpen en uitdrukking daaraan geven, wanneer je geen voldoende kennis van je eigen wereld bezit.

In elke geheimschool in de oudheid vinden wij dan ook, wat je tegenwoordig zou noemen: vakopleiding. Daar worden studies gemaakt van de sterrenhemel, van het menselijk lichaam, maar ook bv. van de chemie. Daarnaast zijn er zelfs zeer vaak kundige bewerkers van metalen, architecten en beeldhouwers. Zij leren dit niet in de eerste plaats, omdat hierin het geheim gelegen is, maar omdat zij alleen krachtens deze bekwaamheid, krachtens het wereldbeeld dat daar – exoterisch – ontstaat, kunnen komen tot een uitdrukking van hun innerlijk beeld aan de mens. Wanneer men dit eerste stadium doorlopen heeft, men heeft a.h.w. geleerd om zijn eerste werktuig der gedachten te hanteren, dan moet men overgaan tot een verfijning. Een verfijning van kennis kun je nooit helemaal uit jezelf krijgen, zeker niet, wanneer dat geestelijk moet geschieden. Dus gaat men luisteren. Men heeft voortdurend te horen naar hetgeen wijzen u vertellen. Men heeft mee te beleven, hoe zij bv. in hun rituele diensten – bij de meeste mysteriën nog gebruikelijk – tot een innerlijk weten en een innerlijk beleven werden opgeheven.

Langzaam maar zeker was het daardoor mogelijk een trapje verder te gaan. Men kon voor het eerst zelfstandige pogingen gaan wagen om tot een inzicht te komen. Daaraan moest natuurlijk uitdrukking worden gegeven.

Wat doet men nu, wanneer een leerling gezel wordt? Dan moet hij een werkstuk maken. Hij moet a.h.w. met alle beheersing en alle bekwaamheid die hij bezit, aantonen, dat hij voldoende vakkennis heeft om verder te gaan naar een mogelijk meesterschap. In de oudheid liet men daarom de leerling deelnemen aan verschillende rituele spelen. Dat zijn soms spelen, die grote moed vergen. In de oudheid werd gepredikt dat moed het meest belangrijke is. Want de mens, die de dood vreest, kan nooit de waarheid van de geest – die in vele opzichten met de dood gelijk komt – verwerken. De oude stierengevechten, o.a. op Kreta, staan met dergelijke diensten in verband. Zij zijn langzaamaan verwaterd en tot een behendigheidsspel van de massa geworden in latere tijd. In het begin is deze bekwaamheid, deze proeve van moed, een bewijs van doodsverachting. Een bewijs, dat de leerling niet meer geremd is in zijn aanvaarden van hoger weten en hogere kennis.

Daarnaast moet hij leren dat hij de begeerten moet verwerpen. Ook dit is duidelijk. Wanneer uw begeren onbeheerst is, dan zult u door dat begeren voortdurend van uw innerlijk beleven tot meer uiterlijke waarden worden gevoerd. Maar kent u geen begeren, dan kent u ook de wereld niet. Als je de wereld niet kent, hoe moet je dan de innerlijke beleving voor jezelf duidelijk maken? Hoe moet je ze omzetten in iets, wat je hier gebruiken kunt? Ook dat is belangrijk.

Het gevolg is, dat reeksen van proeven worden genomen, waarbij o.m. vaak het Grote Gastmaal een grote rol speelt. Wij vinden dat niet alleen in Egypte, in Indië, in Griekenland, maar zelfs ook later. Die proef is eigenlijk heel eenvoudig. Je laat de leerling een tijdlang niet eten en weinig drinken. Hij is dus a.h.w. uitgehongerd. Hij maakt een indrukwekkend ritueel mee, waarmee verzinnebeeld wordt hoe door de beheersing der begeerten de mens komt tot een innerlijk weten. Maar in plaats dat je nu dat ritueel beëindigt, laat je hem als deel van dat ritueel, binnentreden ergens, waar een feestmaaltijd is, een grote, zeer royale feestmaaltijd. Alles staat binnen zijn bereik. Wat hij ook maar begeren kan, is aanwezig. Geef hem dan de taak zich te beperken tot één enkel stukje van een soort van een soort tarwekoek, of korenkoek, en water, even gekleurd met een paar druppels wijn. Laat hem dat een paar uur volhouden. Als hij zichzelf zover meester is, dat zijn begeren naar kennis sterker is, dan zijn drang om toe te gijpen, ook wanneer hij – wat meestal 2 tot 3 maal gebeurt – een ogenblik alleen wordt gelaten met die rijke spijzen, dan kan men wel aannemen, dat hij een zeker meesterschap heeft verworven.

Het is natuurlijk nog niet voldoende. Na de proeve van doodsverachting – in enkele gevallen ook de symbolische dood, in de Egyptische grote geheimenissen zelfs de z.g. dodengang van Osiris, waarbij men inderdaad in het graf wordt gebracht – was het ook nodig dat men de mens test op zijn bekwaamheid om aan alle abnormale vormen, die in een geestelijke wereld – exoterisch nog – bestaan, het hoofd te kunnen bieden, want hij moet komen tot een absolute verinnerlijking.

Zonder deze kennis is er geen Goddelijke, is er geen waarachtige harmonie te vinden. Hierbij maakt men gebruik van bepaalde verdovende middelen. Men maakt gebruik – en in ruime mate – van hypnose. In Egypte maakte men zelfs gebruik van een opgelegde uittreding. De geest werd tot uittreden gedwongen. De ervaringen die men daardoor maakt, worden heel vaak mooi beschreven. Een hele reeks van beproevingen, die je achter elkaar hebt af te leggen. Die beproevingen zijn niet reëel.

In het mysterium kennen wij alleen de leerling, die door een paar inleiders vergezeld, mediteert. In zijn meditatie moet hij alle mogelijke consequenties van zijn grotere vrijheid en zijn grotere kennis reeds nu ondergaan. Er waren er niet veel, die deze proeven zo zonder meer konden afleggen. Vooral, omdat het doel langs een zoveel kortere weg te bereiken is. Wat gegeven wordt als geheim, is betrekkelijk logisch. Datgene, wat je aan nieuw leermateriaal wordt gegeven, dat zou je ook overal elders kunnen verwerven. Het gaat hier niet, zoals de leek meestal denkt, om het geheim wat meegedeeld wordt, maar om de weg die wordt afgelegd om het geheim te verwerven. Het geheim zelf is een uitdrukking van iets. De exoterische waarde. Maar het gaat om de beleving, die bij dat verkrijgen van dat op zichzelf onbelangrijk brokje kennis, innerlijk ontstaat. Dat is het grote geheim.

Tegenwoordig is men niet meer in staat deze rituelen op grootse wijze op te bouwen. Maar in de Oudheid, toen de mysteriescholen onmiddellijk verwant waren met de grote godsdiensten, was dat eenvoudiger. Zodra de gezel voor zichzelf de voldoende ervaring heeft opgedaan om te komen tot een poging: “Nu ga ik vanuit mijzelf het Goddelijke beroeren”, dan zien wij de meest fantastische gebeurtenissen. In Griekenland komt u terecht in een labyrint, dat zich soms onder een tempel bevindt, die van Neptunus in Athene. In andere gevallen een reeks van kamers of gebouwen. Niet alleen dat hem hier stoffelijke verleidingen en gevaren wachten, maar bovenal een voortdurende afleiding, die steeds wordt doorgevoerd, maar waarbij steeds meer zintuigen worden uitgeschakeld. Eerst kom je in kleurige kamers. Er is pracht. Je ziet mensen die je aanspreken. Je ziet misschien een mooi landschap, mooie vrouwen, jongelingen in de eerste kracht van hun leven. Maar dan kom je in kamers die grauw zijn, de kleur valt weg. Er is nog voldoende licht. Dan wordt het licht minder, totdat je in het duister staat. Maar dan heb je nog het gehoor. Je hoort nog allerhande geheimzinnige geluiden. Je gaat verder, dan heb je geen enkel geluid meer rond je, maar je hebt ook de ruimte rond je.

Dat deed men o.a. bij de Grieken, door een mens te voeren op een pad langs een afgrond die niet altijd erg diep was. In een van de grootste mysteriescholen was de verdieping maar anderhalve meter. Het was een smal voetpad met twee kleine kanalen aan weerszijden. In het donker zie je dat niet. Het lijkt zelfs, of je nu de steun onder de voeten gaat verliezen. En dan toch voort te gaan, betekent, dat je absoluut je concentratie nodig hebt, zó sterk, dat je eigenlijk niet meer weet waar je aan toe bent. De Egyptenaren probeerden het met de beproeving der elementen. Dat vinden wij bij de Grieken niet zo sterk. Zij lieten degene, die inwijding zocht, gaan door gloeiende stenen, of langs vuren. Zij lieten hem door een snelstromende rivier waden, of over een zeer smalle brug gaan, die zich onmiddellijk terugtrok, – dankzij een paar slaven – als men die stroom was overgegaan, zodat men gedwongen was het onbekende verder in te gaan. Wanneer nu die absolute toestand van concentratie is bereikt, dan komt het grote spectaculum, het grote schouwspel.

Degene, die de inwijding zoekt, in zijn toestand van meer dan normale opwinding, wordt ter ruste gelegd als een dode. De geestelijke krachten van alle andere ingewijden gaan nu uit naar die grote Goddelijke kracht, die zij in zich gevoelen. Zij zoeken een contact met die kracht weer te geven, op een zodanige wijze, dat ook deze nieuweling, deze mens, die streeft, daaraan deel kan hebben. Dat betekent, dat zo een mens in deze toestand, geconfronteerd wordt met al die angsten, die bij hem zijn opgewekt, met al die begeerten. Het betekent verder, dat elk droombeeld, wat in zijn onderbewustzijn schuilt, in deze toestand van absolute rust, naar voren treedt met een realiteit groter misschien dan een stoffelijke werkelijkheid ooit zou kunnen zijn.

Een psychologisch proces. Met deze psychologische processen probeert men dan het mogelijk te maken, dat men voor de eerste keer iets van die Goddelijke waarheid, van dat Licht, bevat. Nu waren deze oude mysteriescholen, volgens de moderne opvatting, betrekkelijk hard. Er is van heel veel scholen bekend, dat zij bij iemand die deze proef niet kon doorstaan, die terugkeerde bv. op zijn pad naar het inwijdingsvertrek, dat zij zo een mens eenvoudig doodden.

In andere gevallen werden zij uitgestoten, in sommige gevallen gaf men ze bepaalde vergiften, waardoor zij een klein tikje idioot en krankzinnig werden. Het waren in die Oudheid harde meesters. Maar dat was, volgens hun idee, ook wel nodig. Een oude mysterieschool voelde zich de bewaarder van een Goddelijk geheim, voelde zich de meester van een Goddelijke kracht en tevens de dienaar ervan. De school mocht nooit macht uitoefenen. Zij moest alleen maar dienen, maar zij moest zo zuiver en zo rein dienen, als haar maar mogelijk was.

De ingewijden, en ook wat ik gezellen heb genoemd en wat ik ook de aankomende adepten zou kunnen noemen, hadden bv. niet tot taak het genootschap te dienen, waartoe zij behoorden, maar om, hetzij via het priesterschap, hetzij op andere wijze, de mensheid diensten te bewijzen.

Daarbij was een zekere verplichting. Het was niet naar vrije keuze, men had een zekere reeks diensten te bewijzen, het was plicht. Men had verder te zorgen, dat men lichamelijk rein bleef, dat men lichamelijk in staat bleef, a.h.w. om die volmaaktheid ook uitdrukking te geven in een stoffelijke vorm. “Want waar het Goddelijk Licht zich in de mens openbaart, moet er een absoluut goed voertuig zijn.” De consequenties ervan zult u begrijpen. Iemand die faalt, werkelijk faalt, nadat hij het geprobeerd heeft: Een tweede keer is dat niet meer mogelijk. Een tweede keer is diezelfde spanning niet meer te wekken, een tweede keer is datzelfde psychologische effect niet weer te presteren. Dus je kunt zo iemand niet meer tot die inwijding brengen. Men neemt niet aan dat het buiten de mysterieschool mogelijk is, volgens de methode die de mysterieschool onderricht. Het gevolg is dus, dat men een bijna werkelijk ingewijde, moet verwijderen. Men kan dit doen door zijn geestvermogens aan te tasten. Dat gebeurt bv. in Indië. In een dergelijk geval is hij niet in staat om iets te vertellen over die geheimen, aan de andere kant doodt men hem niet. Maar zelfs, wanneer hij gedood wordt, wat dan nog? Want de mysterieschool weet dat de geest bestaat. Zij weet dat deze stoffelijke vorm uiteindelijk zeer snel zal vergaan en dat er een nieuwe entiteit ontstaat, misschien ergens een nieuwe incarnatie in de stof. Het is niet belangrijk dat een mens een paar jaar eerder zijn leven eindigt, maar het is wel belangrijk dat het mysterie blijft voortbestaan.

Nu kennen wij daarbij ook nog de z.g. kleine en de z.g. grote mysteriën. Het is typisch, dat de kleine mysteriescholen veel langer hebben bestaan dan de grote mysteriescholen. Het beeld van het klein-mysterie vindt u o.a. in de tarot, of de juiste naam: Rota. Daarin zijn namelijk 22 extra kaarten bijgevoegd. Voor een groot mysterie moeten er nog meer bij. Want dan zijn er nog meer beelden en nog meer fasen. Dat berust hierop. Men geloofde dat de ervaring in de mysterieschool het erkennen was van God. Maar God was niet één en ondeelbaar Wezen. God was een hoog Wezen, de werkelijke Bron van het bestaan, zich uitend in vele kleinere krachten.

In de kleine mysterieschool leerde men nu één van die krachten benaderen. In de grote mysterieschool alle krachten.

Nu kan ik nog een paar dingen vertellen over de gelijkenissen die men gebruikte. Wanneer wij bv. de Osirislegende nemen, de Prometheuslegende, dan valt ons op, dat deze voor acteren zich zeer goed lenen. Dat men met het uitbeelden van zo een gebeuren dus inderdaad een totale esoterische les kon geven. Men kon zelfs zover gaan, dat, vooral voor de ingewijden, dat deze de werkelijkheid werd. U hebt misschien wel eens horen vertellen over de Grieken die zo wreed waren, dat zij Jezus’ kruisdood uitbeelden op het toneel, waarbij een mens werkelijk stierf. Dat waren dus de voorlopers van de passiespelers van Tegelen en Oberammergau e.d. Maar op een veel concretere manier. Bij de Osirislegende zijn namelijk opvoeringen geweest, waarbij Osiris, inderdaad door zijn vijand in stukken werd gedeeld en herrezen opstond. Men nam daarbij gevangenen, misdadigers, die toch moesten sterven. Tenminste, dat vertelt men tegenwoordig. Maar het is ook wel eens gebeurd, dat ingewijden bewust die rol speelden.

Bewust dus in een drama, in een toneelstuk, de dood trotseerden op een vaak heel pijnlijke wijze. Het ging hen hier niet om het schouwspel voor de menigte, het ging hen om een symbolische les. Een lering van een buitengewoon groot en hoog belang.

Maar je bent toch gek, als je jezelf laat kruisigen? Misschien, misschien ook niet. Per slot van rekening is vanuit het standpunt der ingewijden de kruisiging niet veel erger dan voor u een bezoek aan de tandarts. De geest, gedragen door het geheim, kan zich ontworstelen aan de pijn. Het lichaam, dat sterft, is uiteindelijk alleen een cocon, dat achterblijft, terwijl de geest haar volle beleving van het Goddelijke tegemoet treedt. Op deze wijze werden heel vaak bloedige tonelen vertoond. Het is alleen jammer dat de opvolgers van deze beschavingen, die tevens de ondergang van de meeste mysteriën betekenden, dit niet hebben begrepen. De Romeinen hadden oorspronkelijk namelijk alleen krijgsspelen gehouden. Hun gladiatorenspelen waren niet dodelijk en eindigden niet altijd met de dood van een der partners. Maar toen zij deze, vaak bloeddorstige, mysteriespelen hadden doorgemaakt en in Griekenland en in Egypte, hebben zij dit schouwspel niet gezien als een geheim, als een religieuze beleving, maar als een soort offer, dat je aan de goden brengt. Vandaar, dat u in de oude geschriften soms nu nog lezen kunt, dat een zekere Tiberius, of een zekere Claudius, ter gelegenheid van zijn huwelijk, dus om de zegen van de Goden af te smeken feitelijk, zoveel slaven door wilde dieren liet verscheuren, zoveel gladiatoren liet vechten e.d. Het levenbrengend offer werd een fataal- of doodsoffer.

Maar in elke mysterieschool vinden wij toch dit bloedoffer. Het is het grootste offer wat je geven kunt, het offer van de uiterlijke wereld, om de innerlijke wereld volledig reëel te maken. Ja, meer nog, het offer der uiterlijkheid, omdat zo alleen de innerlijke wereld geopenbaard kan worden. De oude mysteriescholen hebben dat steeds weer gedaan. Zij hebben steeds weer getracht om iets van de Goddelijke eenheid te doen doordringen tot de mens. Zij zijn altijd verkeerd verstaan. Het is treurig genoeg hier op te moeten merken, dat, waar een geestelijke tempel bedoeld werd, de mens stoffelijke kerken heeft gebouwd. En waar het magisch offer van het ik een aanvaarding van het Goddelijke moest betekenen, in de plaats daarvan vaak een verlossingsleer kwam, of een soort bloedoffer als men bv. brengt aan Kali Durga. Dat zijn absoluut onaanvaardbare punten. Niet alleen in de moderne tijd, maar ook in de oude tijd.

De tijd, dat de mysteriescholen zullen herleven, dat zal wel dichtbij zijn. Die oude vormen van eens, met hun wonderbaarlijke pracht, met de statige spelen die uitgevoerd werden, met de ontvoering van Isis, het herrijzen van Osiris, zoals dat soms in mooie tempelvijvers en rond tempelvijvers werd opgevoerd, ik geloof wel, dat die weg naar de innerlijke beleving een hernieuwde exoterische uitdrukking zal krijgen. Dan is het oude mysterie van eens geworden tot het nieuwe mysterie. Maar mogen wij dan niet vele mysteriescholen herleiden tot die oude scholen? De Rozekruisers bv., zijn die dan geen afstammelingen ervan? Of de Vrijmetselaars? Of wat hebben wij nog meer geheimzinnige verenigingen die elk op hun eigen wijze zoeken in het mysterie te komen tot persoonlijk contact met het Goddelijke, tot het absoluut erkennen der Goddelijke harmonie. Daarop heb ik maar één antwoord: Elke mysterieschool sterft, omdat elke wijze van het beleven van het mysterie op een gegeven ogenblik onwerkzaam wordt, zij heeft geen nut meer. Je kunt niet zeggen: “O, dat is een ritus, dat stamt uit Atlantis, dat stamt van de Egyptenaren en dat stamt van de Grieken”. Je kunt wel zeggen: “Er zijn zoveel parallellen te trekken tussen een moderne mysterieschool en een oude, dat je die gelijkenis meent te erkennen, omdat de kern, het doel, gelijk blijft”.

Dat is misschien het belangrijkste punt in mijn betoog. Het doel van de oude mysterieschool, maar ook van de nieuwe, is het erkennen van de zin van het leven, het ervaren van de harmonie, die bij een alomvattende, een liefdevolle God, noodgedwongen moet bestaan in het totaal van de Schepping. Alle mysteriescholen zoeken naar de vrijheid, waarbij het raadsel van leven en dood, de eeuwige vraag naar een reden, wordt opgelost in een weten omtrent de Goddelijke gedachte, waaruit alle dingen zijn voortgekomen. Daarom lijken die scholen op elkaar. Daarom zou men ze met elkaar verwant willen achten. Maar elk heeft het op zijn wijze gedaan, met zijn eigen symbolen, met zijn eigen methode en als zodanig moeten wij ze allen beschouwen als afzonderlijke denkrichtingen, die soms wel honderden jaren kunnen bestaan, soms uit elkaars leerstellingen kunnen putten, maar toch onafhankelijk en voor zich strevend, alleen en dat te blijven.

  • In een beschrijving lezen wij: “Ik ging door alle elementen, trad voor het aangezicht der Goden en zag te middernacht de zon schijnen”. Wat is hierop uw commentaar?

Ik heb er weinig commentaar op, buiten dit: Hoe kun je datgene, wat onstoffelijk is, in stoffelijke termen uitdrukken? Je poogt je eigen beleven vast te leggen, je komt tot iets, wat een raadsel blijft voor een ieder die jou in stoffelijke zin probeert te begrijpen, ja, zelfs voor een ieder die vanuit een stoffelijk weten, niet verlicht door het Goddelijke, probeert die ervaringen na te gaan. Ook Johannes openbaring is een aardig voorbeeld van een dergelijke mystieke publicatie, die slechts door hen, die ingewijd zijn, geheel verstaan kan worden.

Het is begrijpelijk dat de inwijdingsscholen, mysteriescholen, niet veel van hun leerstellingen vastgelegd hebben. Een innerlijke beleving kan niet met beelden worden vastgelegd. Zij is voor ieder een persoonlijke beleving, die voor hem in het bijzonder zo bestaat en voor geen enkel ander precies gelijk. Daarom was de kern van de mysterieschool dan ook niet het opschrijven van een leer of weten, maar het bijstaan door ingewijden van de niet-ingewijden, omdat zij tot hun persoonlijke inwijdingsleer zouden kunnen komen.

  • Was de invloed van die ingewijden van grote betekenis? Was zij plaatselijk?

Vanuit het standpunt der mysterieschool: Geen enkel. Dat is ook heel begrijpelijk.

Wie treedt voor het aangezicht des Heren – laten wij die term er maar voor gebruiken – wordt begiftigd met het weten van God, het kennen van Goddelijke gedachten. Wie deze gedachten kent, volvoert slechts een Goddelijke wil en zal voor zichzelf nooit invloed uitoefenen. Dat is dus heel typisch. Er is hier geen sprake meer van een persoonlijk streven, maar van een vervullen van een Goddelijke wil, waarbij men zelf geen enkele verdienste heeft en ook in feite geen enkel risico. Zolang men die Goddelijke wil vervult, zoals men die kent en beleeft is de zaak in orde.

Ik ben begonnen met te stellen: Vanuit het standpunt der oude mysterieschool heeft deze mens slechts de Goddelijke wil te vervullen en heeft hij geen enkele invloed, maar hij zal door zich hoogstens de Goddelijke invloed zich doen uiten en doen gelden. Als zodanig heeft hij geen enkele invloed vanuit zijn eigen standpunt. Heel veel dingen die voor het Goddelijke belangrijk zijn, een direct Goddelijke wil zijn, trekken niet de aandacht van de mensen. Velen der ingewijden zullen dus ook door de mensen nooit gekend worden en hun invloed zal nooit door de mensen beseft kunnen worden. Andere ingewijden echter komen op plaatsen, waar zij, volgens de mensen, over macht en invloed beschikken. Soms plaatselijk, soms wereldomvattend.

Het is niet met zekerheid te zeggen of, vanuit menselijk standpunt, een ingewijde enige, en zo ja, welke invloed zal hebben op de wereld. Er is slechts te stellen, dat elke ingewijde zo juist en zo volmaakt mogelijk de Goddelijke wil volbrengt, waarmee hij is geconfronteerd in zijn openbaring van de Goddelijke gedachte.

Wij kunnen hier niet de maatstaf der mensen aanleggen. Men doet dat wel graag. Dergelijke geheime genootschappen sommen dan op: “Maar ja, dat was een groot musicus die bij ons behoorde, of: En dat was een groot staatsman”, maar in feite is dat alles nog exoterisch en volgens de werkelijke inwijding onbelangrijk. Het is het toeval, dat door de Goddelijke wil dit wezen juist op die plaats is gesteld. Maar zou dit wezen er niet geweest zijn, dan zou de gelijke invloed, vastliggend in de Goddelijke gedachte, toch op de wereld gewerkt hebben. Ik durf in dit verband niet te zeggen dat die ingewijden een grote invloed, of een invloed ten goede op de wereld hebben gehad. Dan moet ik een menselijke maatstaf aanleggen aan de absolute volvoering van de Goddelijke wil. Dat lijkt mij onmogelijk.

  • Degenen, die dergelijke proeven ontwikkeld hebben, moeten esoterisch gezien, zeer hoog gestaan hebben. Maar wat was het doel van deze scholing?

De doelstelling van de school was om binnen de begrippen der ingewijden, die de kern waren van de school, aan anderen een dergelijke inwijding mogelijk te maken. Daarbij houden zij rekening met hun eigen persoonlijke ervaringen, plus datgene, wat zij omtrent de mogelijkheden voor de mens in het kosmisch denken hebben gevonden, en bouwen aan de hand daarvan een systeem op, dat in overeenstemming is met de gewoonte van de mensen en de noodzaak tot wijziging daarvan, met het karakter en het denken van de mensen in hun tijd en de noodzaak tot aanpassing daarvan. Al datgene, wat noodzakelijk is om de mensen vrij te maken en in deze vrijheid hem te brengen tot een ervaren. Vandaar, dat de grote ingewijden, dat elk op hun eigen wijze doen. Dat elk van hen een andere weg heeft, die in feite toch steeds dezelfde is. Allen trachten de mens te brengen tot een zekere zelfbeheersing, zelfs tot een zekere zelfverloochening in stoffelijke zin, waardoor men in staat is dit geestelijk erfdeel, wat een ieder is toegemeten, te beleven en daardoor te komen tot God. Dat is ook uw: “….. te middernacht scheen de zon”. Het Goddelijk Licht is onuitblusbaar, niet aan tijd gebonden. Het beleven ervan evenmin.

  • Men zegt wel: “het heil der schepselen is in God gelegen”.

In feite bestaat er geen heil, maar slechts een waarheid. De waarheid is de Goddelijke gedachte, die in God de gehele Schepping omvat en haar voor het bewustzijn der schepselen langzaam doet ontplooien. Deze ene waarheid is de kern van alle dingen. Zodra zij beroerd wordt, is zij ons een Licht, waar zij ons verder doet zien dan onze eigen beperkte wereld. Hoe groter het Licht dat ons beroert, hoe zuiverder ons beleven van de waarheid. Een waar mysticus – in tegenstelling tot menigeen die zich mysticus noemt – is niet iemand die van het leven een reeks van mystificaties maakt, maar iemand die het innerlijk beleven der waarheid doorvoert tot een absoluut begrip, dat ook zijn eigen wereld mede geheel omvat en behelst.

  • Er is een gebod, dat gij niet doden zult. Ook zelfmoord is verboden. Hoe dit te rijmen met de ingewijde, die zich bewust tijdens mysteriespelen lieten doden?

Vanuit uw standpunt ongetwijfeld, maar niet vanuit het hunne. Wanneer u slapen gaat, dan is dat voor u ongeveer hetzelfde, als voor zo’n toneelspeler – een ingewijde – die de dood aanvaardde om te komen tot een nieuw ontwaken. Er was dus helemaal geen sprake meer van doden. Wat dat betreft, zou het misschien goed zijn voor de moderne wereld, wanneer men leerde begrijpen, dat doden niet alleen betekent het nemen van een stoffelijk leven, maar heel vaak juist het beperken van de geestelijke mogelijkheden in het leven, ook de persoonlijke vrijheid en de ontwikkeling in het leven. “Gij zult niet doden”, dat was veel meer dan enkel lichamelijk. Maar de zin van al dergelijke geboden die over het algemeen wel degelijk hun esoterische betekenis en inhoud hebben, is teloor gegaan, omdat de moderne tijd in zijn materialistisch denken alles letterlijk en woordelijk is gaan nemen. Dat vinden wij bij de bijbeluitleg ook. Dat is heel treurig, omdat men zo de beelden, de schaduwen, houdt voor de werkelijkheid en niet begrijpt, dat een geestelijke waarheid ten hoogste schimmig kan worden weergegeven in een gebod, dat in woorden wordt gekleed, of in een gelijkenis, die wordt neergeschreven als een openbaring.

Waarom proberen mensen anders te lijken dan zij zijn?

 Ik zou haast zeggen, omdat zij zo bewust zijn van dat feit, dat, wat zij zijn, niet is, wat zij moeten zijn, dat zij proberen te lijken, wat zij denken, dat anderen vinden, dat zij moeten zijn.

De mens heeft over het algemeen het idee dat hij zelf niet voldoende weet, wat hij mag, wat hij kan en wat hij is. Hij heeft voorstellingen van idealen, maar die ontleent hij aan anderen, want op zichzelf en op zijn eigen idealen vertrouwt hij niet. Hij is vaak bang om als eenling tegenover de massa te staan. Als wij hier bij elkaar zitten, praat u over de mode. Maar wat is mode voor de meeste mensen anders dan ook proberen anders te zijn, anders te lijken dan je misschien ook bent. Men heeft zich aangepast aan gemeenschappelijke normen, terwijl anderzijds toch een behoefte ontstaat tot een persoonlijk leven en een persoonlijke bewustwording. Men probeert die twee dan te verenigen door te handelen volgens de normen der gemeenschap en zo de geborgenheid van de gemeenschap voor zich te verwerven, terwijl men gelijktijdig probeert om voor zich dus, achter de schermen om, zoveel mogelijk zijn eigen gedachten en begeerten in de praktijk te brengen. Daar heb je al het allereerste begin.

Heel vaak doet het mij denken aan de insectenwereld. Ik denk aan het systeem van de mimicrae. Er zijn rupsen die zich eenvoudig veranderen in een takje, zich zo in de schaduw roerloos weten op te stellen, dat je er vlak bij bent, voordat je ziet wat er eigenlijk gaande is, enz.  Zij doen dit om zich te beschermen. Het is dus een verschijnsel van angst, plus een aanpassing aan die angst. Ik geloof dat dit nu in de eerste plaats aansprakelijk is voor dit anders proberen te lijken dan je bent. Een mens wil graag sterk zijn. Hij weet, dat hij dit niet is. Hij wil ook de consequentie van dit niet-sterk zijn niet aanvaarden. Wat doet hij dan? Hij loopt met zijn borst vooruit door de wereld heen en probeert met geweld de waan van kracht en van macht te wekken. Dat hij daarbij niet veel risico’s neemt, is weer begrijpelijk, want hij weet zelf, dat hij niet sterk is. Maar anderen, niet in staande te doorzien wat hij werkelijk is, reageren erop. Net zoals sommige kevers en sommige reptielen op een heel aardige manier hun gevaarlijke familieleden imiteren, zoals de ringslang zo nu en dan werkelijk de adder op een verbluffende manier imiteert, of bepaalde kevers, die helemaal onschadelijk zijn, plotseling zich gaan gedragen, alsof zij de meest verslindende kevers zijn die er op de wereld zijn.

Om de theorie dus nu eens precies te ontwikkelen: Datgene, wat zwak is verlangt de zekerheid van de sterke en imiteert de sterken. Daar, waar persoonlijke aanvaardbaarheid, of begeerlijkheid op de voorgrond komt, zal men zich dus aan trachten te passen, bij dat, wat aanvaardbaar of begeerlijk is. Maar men kan dit alleen maar uiterlijk doen, nooit innerlijk.

Zo vind je mensen, die in zichzelf grote ongelovigen zijn. Zij verlangen naar God, maar zij verlangen ook naar een bijzondere zending. Zonder dat zij die hebben, worden zij priesters, omdat daardoor voor anderen het lijkt, of zij zending, of roeping, bezitten. Zij vinden daardoor voor zichzelf enige zekerheid en nemen genoegen met de droom, i.p.v. een reëel bestaan. U hebt allemaal wel eens gehoord over de ontsnappingspsychose die wij hebben. Als de mensen zich verslindend buigen over Courths-Mahler en dergelijke lectuur, of zich misschien werpen op de avontuurlijke gebeurtenissen, die door Jack Peeters en Company in het Wilde Westen worden beleefd, dan zegt de menigte: “Aardig, mooi, ik word er gewoonweg week van”. De wetenschap zegt ontsnappingsliteratuur. Maar dat is dan weer een ontsnapping uit het ondragelijke masker dat de maatschappij de mens heeft opgelegd. Klaarblijkelijk is het voor de mens niet voldoende zich een masker aan te meten en zo aan de schijnbare eisen van de mensen te voldoen, maar hij moet bovendien zelf doen, alsof hij zelf nog meer zo is dan een ander en stelt dus grotere eisen.

Conclusie: Degene, die het meest de zedigheid predikt, droomt van het tegendeel het meest.

Degenen, die het hardst spreken over eerlijkheid, zoeken over het algemeen het hardst naar de kans om onopgemerkt, of met goed rendement, oneerlijk te zijn. Degenen, die het meest spreken over het belang van de gemeenschap, zorgen over het algemeen het best voor zichzelf. Degenen, die het nederigst lijken, zijn vaak zo trots op die nederigheid, dat niemand trotser kan zijn dan zij.

Wanneer de mensen allen zouden zeggen, wat zij werkelijk willen, dan zou de wereld er anders voor staan. De wereld zou misschien niet zo ordelijk zijn volgens de huidige begrippen, maar zij zou zeker eerlijker, en daardoor ook rechtvaardiger zijn.

Wij hebben nu op het ogenblik dit anders-lijken-dan-je-bent wel zien doorvoeren tot zeer abstracte hoogten van zelfbegoocheling. Zoals de intellectueel, die in zijn eigen plaats het toppunt van ingetogenheid, zedelijkheid en vroomheid is, doch die zich ter gelegenheid van een weekeind begeeft naar een andere plaats, waar hij dan met losbandigheid het tekort van zijn zedigheid, vroomheid e.d. aan probeert te vullen. Hij zegt dan – en daar krijg je dan een van de typische aspecten van dit anders lijken dan je bent – “ik moet voor al die lager ontwikkelden het goede voorbeeld geven, maar voor mijzelf mag ik die vrijheid wel eisen….. voor mij is het niet erg, maar die anderen zouden er misbruik van maken…..” U moet maar eens gaan informeren hoeveel ingezetenen van dorpen in Brabant en Limburg zo’n uitstapje maken, hetzij naar Brussel, of desnoods naar Keulen en wat zij daar uitspoken! Ik wil hiermee alleen dit zeggen: Men gaat niet alleen voor de wereld zich anders voordoen dan men is, men gaat dit voor zichzelf nog rechtvaardigen door weerom een ander beeld van zichzelf te creëren dan innerlijk aanvaardbaar is. Het komt, omdat de mens zich teveel gebonden heeft aan de kudde en in die kudde regels heeft geschapen die niet meer variabel zijn. Elke wet moet voortdurend aangepast worden aan de mensen en aan de maatschappij, wil zij rechtvaardig zijn. Maar als een wet 20 jaar bestaat, dan betekent zij in feite al iets wat gaat wringen. Als zij 100 jaar oud is, dan past zij helemaal niet meer bij de maatschappij. Toch gaat de mens op de belangrijkste punten van het leven dergelijke regels aanhouden met interpretaties, die in sommige gevallen honderden jaren oud zijn. Het gevolg is dus, dat de maatschappij, door dit vasthouden aan oude regels, niet meer beantwoordt aan de behoeften van de mensen. De mens meent echter dat deze openlijk zo geprezen regels, het wezen van die maatschappij uitmaken. Hij vreest de toorn, de verachting, of veroordeling van deze maatschappij en tracht dus zoveel mogelijk dat te lijken, wat volgens zijn eigen idee die maatschappij in hem het meest begeerlijk zal vinden. De mens wordt steeds meer onwaar naarmate hij meer regels erkent. Hoe ingewikkelder de maatschappelijke samenhang, hoe ingewikkelder de religieuze voorschriften, hoe ingewikkelder alle landswetten, hoe ingewikkelder de economische verhoudingen, hoe minder zuiver de mens in het leven staat, hoe meer hij dus probeert een ander te lijken dan hij is.

Dan krijg je daarmee soms de meest fantastische idioterieën. Voorbeeld: Er zijn werknemersbonden, die zich gedragen, of het hun enig doel is de werknemer een aangenaam en wel betaald bestaan te bezorgen. Toch is voor de doorsneewerkgever het maken van een zekere winst zeer belangrijk. Men tracht dit echter zoveel mogelijk terzijde te schuiven, omdat men meent, dat de menigte vraagt, dat de werkgever de werknemer dient. Vroeger was het precies omgekeerd.

Het typische verschijnsel is, dat menige werkgever, die anders royaler tegenover zijn werknemers zou zijn, dit nu niet meer durft te doen, om de reden, dat juist die soort royaliteit, die hij zou willen geven, niet meer schijnt te passen bij de gedragsnorm die men aanlegt. De werknemers zeggen dat de hele maatschappij op hen berust. Daarin hebben zij in zekere zin nog gelijk ook. Zij stellen dus, dat die maatschappij verplichtingen aan hen heeft, maar zij vergeten heel vaak, wat zij aan de maatschappij verplicht zijn. Dan komt het voor – en heus niet alleen in Australië – dat de man die hard werkt, van zijn medewerknemers te horen krijgt: “Nu als de bliksem kalm aan, of wij drogen je zo af, dat je de eerste 6 weken ziekengeld hebt”. Waarmee je dus de mens, die een zekere trots in zijn bekwaamheid heeft, die zou kunnen leven in zijn werk, het onmogelijk wordt gemaakt om dit te doen. Hij zal zich, om aanvaard te worden bij zijn collega’s voor moeten doen als een even grote lijntrekker. Hij zal dus deze overvloedige energie, die nu niet meer op bevredigende wijze in zijn taak kan worden geuit, elders moeten uiten.

Er zijn mensen, die vinden het aardig om zo nu en dan iets meer onbekleeds te zien dartelen over het toneel, of ergens anders. Nu zijn die mensen heel vaak van idee, dat zij aan hun stand, dus aan hun aanvaarding door de maatschappij verplicht zijn, zulke dingen te veroordelen. Als zij dan in een parlement komen, gaan zij zorgen voor de zedelijkheid. Als zij dat goed genoeg gedaan hebben, dan krijgen wij een proces, zoals in het Frankrijk van de “Ballets Roses”.

Waarom? Omdat de mens meent, dat een zich uiterlijk zoveel mogelijk aanpassen aan wat die maatschappij daar schijnt te vragen, het beste is wat hij kan doen, omdat hij benauwd is door die maatschappij dood gedrukt te worden. Ofschoon heel vaak blijkt, dat een kleine revolutie voldoende is om een grote revolutie te veroorzaken. Dames, er was één de eerste met de bikini.

Heren, er was er één die voor het eerst besloot, dat je ook wel met een overhemd met een zachte boord ‘s avonds uit kon gaan. U zult vragen wat die dingen met elkaar te maken hebben?

Zij hebben beiden iets te maken met een poging om de eigen persoonlijkheid, eigen idee en gemak, eigen pret dus, in de wereld te brengen. Het zijn de opstandelingen die de maatschappij verder brengen. Niet de gezapige. Conclusie! Degenen, die met zo’n mooie mimicry hun werkelijke wezen verbergen t.o.v. de buitenwereld, in feite niets anders doen dan de vooruitgang van die maatschappij, dus hun eigen verdere bewustwording, tegen werken. Er zijn een hele hoop mensen, die bang zijn, omdat zij zichzelf onbekwaam achten. Mensen die zichzelf onbekwaam achten, zijn de wijsgeren die met absolute zekerheid hen vertellen, wat de stommiteiten zijn van anderen, die er meer van afweten. Waarom? Omdat zij bang zijn in hun hemd te staan, omdat zij bang zijn, dat de wereld zal ontdekken, dat hun pretentie niet waar is.

Waarom zijn zij daar zo bang voor? Omdat zij voor zichzelf en de maatschappij niet durven erkennen, dat zij liever lui dan moe zijn. Omdat zij voor de wereld en voor elkaar niet willen erkennen, dat zij uiteindelijk met een beetje gezwam in de ruimte enkel hun gewichtigheid rechtvaardigen en verder niet. Laat ons één ding onthouden: Degenen die het felste aanklagen, zijn heel vaak degenen die de meeste schuld hebben. Wanneer de menigte het bloed eist van een moordenaar, dan deugt die menigte niet en is dus schuldig aan het feit, dat die moord kon gebeuren. Anders: Wanneer Kamercommissies enz. aanvallen doen op minister, op secretaris, op inkoopcommissies van defensie, dan is dat alleen te danken aan hun eigen ondeskundigheid, waarmee zij alles maar geaccepteerd hebben, omdat dat de eenvoudigste en gemakkelijkste aanvaardbare politieke weg was. Als zij een ander dan in een hoek trappen, is dat alleen in de hoop, dat zij daarmee hun eigen schijn kunnen ophouden. Een beschuldiger heeft meestal evenveel schuld als de beschuldigde, om de reden, dat de mens die zichzelf is, die handelt volgens zijn beste weten, geen behoefte heeft een ander aan te klagen, wat hij voortdurend reeds zichzelf door zijn eigen leven gerechtvaardigd heeft.

Een mens probeert anders te lijken dan hij in feite is, omdat hij bang is voor de maatschappij, omdat hij van die maatschappij rechten en beloningen wenst, die hij in feite niet verdient.

Een mens tracht anders te lijken dan hij is, omdat hij doodgewoon vaak te lui is, om in feite iets te presteren. Dit alles komt voort uit een voortdurend sterk gereglementeerde maatschappij, zowel door middel van religieuze wetgeving, godsdienstige beperking van vrijheid van denken en handelen, als andere wetten, zoals sociale structuren en dergelijke. Naarmate dit net ingewikkelder wordt, wordt de mens meer dan zijn vreugde aan het leven genomen, wordt hem zijn gerichtheid aan het leven verminderd. Hij zal daarom trachten aan het ideaal van de maatschappij te beantwoorden en zo zich vrij te pleiten van elke verantwoording in die maatschappij.

De wijze waarop ik dit gesteld heb, is volledig verantwoord en juist. U kunt het nagaan aan de hand van de volgende gegevens:

  1. Wanneer was de Kamer op de hoogte van de onjuiste taakverdeling tussen de minister van defensie en de staatsecretaris van dat departement?
  2. Wanneer was men, ook in de Kamer, van zekere geschillen en moeilijkheden in de militaire inkoopcommissie op de hoogte?
  3. Hoeveel anderen dan de beschuldigden waren gemoeid met deze zaken? Hoeveel anderen dragen medeverantwoordelijkheid? Hoevelen hebben zelfs pressie uitgeoefend om deze gang van zaken mogelijk te maken?

Al deze gegevens zijn, voor degenen die de feiten na willen gaan, zelfs uit verschillende krantenverslagen duidelijk af te lezen. Wanneer u de moeite neemt te zien wie er de meeste verantwoording eigenlijk voor zouden moeten dragen, zult u ontdekken dat juist dezen de felste aanklagers zijn. Waarmee ik hopelijk mijn kennis van de actualiteiten onderstreept heb en tevens u enig vertrouwen gegeven heb in de door mij gegeven voorstelling van zaken.

Het gaat ons erom de mens inzicht te verschaffen in de werkelijke verhoudingen. In de hoop dat zij daardoor zichzelf een weg kunnen kiezen, die vrijer maakt. Een weg, die hen niet vrij maakt tot bandeloosheid, maar hen een nieuw doel doet kiezen in het leven en een houding in het leven, in overeenstemming met hun eigen mogelijkheden en vermogens, die hen bevrijdt van allerhande illusies, waardoor zij zichzelf als het ware voortdurend vervalsen en zo in zichzelf steeds ongelukkiger en ontevreden zijn.

  • Kamercommissies, vertegenwoordigers van het volk zijn rechtvaardig en rechtschapen. U hebt dit gevoel aan het wankelen gebracht.

Daar heb ik een heel gezonde regel voor, met gevaar dat ik daarbij verkiezingspropaganda zit te maken, maar dat is niet het geval. De meeste mensen in de politiek praten – of zij willen of niet, dat vloeit uit hun positie voort – als de hogepriesters Annas en Caïphas. Beter dat één sterft, dan dat een volk ten onder gaat. Alleen heet het nu: “Beter dat er één veroordeeld wordt, dan dat de partij de schoppen krijgt…….” Dit is vanuit hun standpunt zelfs nog verantwoord, omdat zij menen, dat krachtens de politiek van die partij, het Nederlandse volk tot een beter bestaan kan worden gevoerd. De oneerlijkheden die men daarmede goedpraat, zijn dus hiermede voor hen persoonlijk misschien nog aanvaardbaar. Maar het geheel is zeker een verdraaiing van de feiten. Laten wij het op aan andere manier zeggen: Heeft u verkiezingsblaadjes gekregen?

  • Ik lees ze niet.

Dan begaat u een grote fout. Vergelijk ze met elkaar. Vergelijk dan de inhoud met de feiten die u in de dagbladen van enkele jaren geleden kunt vinden. Weet u, wat dan uw eerste verontwaardigde conclusie zal zijn? Die vuile modderspuiters liegen allemaal dat ze b…….Wat niet helemaal waar is. U zult echter bemerken dat een ieder alle feiten verdraait, tot zij passen bij zijn standpunt. Dit is een typische eigenschap in de politiek. Het is een typisch verschijnsel bij alle mensen, groepen en groeperingen, die in feite anders lijken, dan zij zijn.

Juist hierom acht ik het zeker niet slecht, dat hetgeen hier nu besproken is, ook buiten deze kring verder besproken wordt. Ik klaag hier niemand aan als een bewuste bedrieger. Maar ik klaag een maatschappij aan, die door haar structuur het noodzakelijk maakt, dat de mensen zichzelf bedriegen en door dit zelfbedrog gedwongen zijn, ook anderen te misleiden. Ik klaag een maatschappij aan, die, onverschillig welke naam zij zichzelf toekent, oneerlijkheid, lege leuzen, beloften, die uiteindelijk een misleiding zijn, tot het criterium maakt, niet alleen van de verkiezingspropaganda, maar zelfs van het sociaal aanvaardbaar zijn. Mij dunkt, dat hier iets fout is. Mij dunkt, dat hiertegen iets moet worden gedaan.

  • En de kosmische wet?

De kosmische wet zegt: Degene, die zichzelf bedriegt, droomt. Wie droomt, schept maya. Maya is een begoocheling, die je steeds sterker bindt aan de materie, tot je leert vrij te zijn en door die vrijheid te komen tot een aanvaarding van de werkelijkheid, die achter de sluier der waan verborgen is. Spreek waar, leef waar en handel waardig. Dat zijn de enige wetten, die werkelijk noodzakelijk moeten worden toegepast om het probleem, dat wij hier hebben aangesneden, op te lossen. Die zijn volledig in overeenstemming met de kosmische wetten.

  • Dus onze maatschappij is zo over gesocialiseerd, dat niemand zich meer werkelijk kan uitleven in zijn werk. Zal de huidige jeugd hierin een kernachtige verandering brengen?

Ik ben bang dat de jeugd van deze generatie nogal rebelleert tegen het systeem, zonder het te kunnen overwinnen. Ik ben ervan overtuigd, dat de jeugd die geboren wordt binnen 10 jaar – na 8 tot 10 jaar – de nieuwe maatschappelijke vorm met zijn grotere vrijheid nog zal meemaken. Maar ik weet dat er, zelfs vanaf heden gerekend, nog een opbouwperiode nodig is van bijna 110 jaren, voordat de hervorming die dringend noodzakelijk is geworden, in feite zal zijn voltooid en de wereld een nieuwe fase reëel in zal kunnen gaan. Binnen vier jaar zult u een kentering zien op dit gebied. Binnen negen jaar zult u een kennelijke verandering, waardoor de schijnbare ontbinding van de huidige maatschappelijke en economische verhoudingen een nieuwe vorm aanneemt, een vorm, waarin u misschien reeds, aan de hand van wat gezegd is nu, kunt gaan vermoeden, dat zich hier een maatschappij op gaat bouwen, die zoekt niet naar de luxe van de mens, of de stoffelijke rijkdom van de mens, maar in de eerste plaats naar de levensvervulling van de mens. Als u die tekens nu nog ziet, wees ermee tevreden.

  • Geldt dit voor de hele wereld?

Ja. En als het voor de wereld geldt, dan weet u precies hoe het gaat. Als in de wereld deze dingen direct overal kenbaar zijn, zijn er in Nederland tendenzen, die, wanneer er veel katten de boom uitgekeken zijn, zo langzaam maar zeker ook in de uiterlijke stroom werkelijkheid worden. In Nederland is het zo, dat ze net zo lang wachten tot anderen dertig keer hun nek hebben gebroken, voordat zij zelf het trapje afgaan om te weten hoe zij het moeten doen. Dat komt omdat Nederland een zeevarend volk is en nog zegt: “Een wrak op het strand, is een baken in zee”.

image_pdf