Oude mystiek

uit de cursus ‘Mystieke bewustwording’ – (Hoofdstuk 1)   oktober 1957

Inleiding.

Het begrip mystiek betekent eigenlijk zelfbeschouwing en zelf-inkeer, met als doel geestelijke bewustwording, verhoging van het ‘ik’. Als zodanig kunnen vele schijnbaar heterogene waarden onder het begrip ‘mystiek’ worden samengebracht.
Er is in de loop der jaren zoveel gebeurd op de wereld, er zijn zoveel leerstellingen gepredikt, dat wij in de loop van deze cursus genoodzaakt zullen zijn een keuze te doen. Bij deze keuze hebben wij steeds rekening te houden ten eerste: met de praktische waarde, ten tweede met de begrijpbaarheid. Wanneer wij alle stellingen der mystiek moeten aanhalen, moeten wij ook alle systemen van denken belichten, die tot deze stellingen hebben geleid. Dit zou ons te ver voeren. Daarom zullen wij in deze eerste lezing de oude mystiek kort aanstippen. Daarna zullen verschillende aspecten der mystiek belicht worden, waarbij wij uitgaan van de thans bestaande denkwijzen, de thans beschikbare kennis en de uit de oudheid stammende overleveringen, die vandaag de dag nog van kracht zijn en nog invloed hebben.

Oude Mystiek

Om te beseffen, dat de mens kan leven in twee werelden, te begrijpen dat hij in zich een kracht draagt, die zijn ‘ik’ aanmerkelijk kan verhogen in bewustwording en begrip, moet men allereerst ontdekken dat deze tweeledigheid in de mens bestaat; dat er a.h.w. twee werelden zijn, die gezamenlijk zijn beleven kunnen uitmaken. In de vroegste oudheid heeft de mens dit eigenlijk bij toeval ontdekt.
De geschiedenis speelt zich af in een periode, dat de aarde nog begroeid was met varens, palmen, met de voorvaderen van de paddenstoelen, de zwammen, kortom in een periode, dat de plantengroei aanmerkelijk verschilde van wat u heden ten dage kent. De mens voedde zich met de hem bekende gewassen en de opbrengsten van de jacht. Maar soms verkeerde hij in zodanig wanhopige omstandigheden, dat hij ook onbekend voedsel at. En daar vinden we dan eigenlijk het eigenaardige begin van ’s mensen zoeken naar zijn innerlijke wereld.
Een kleine groep jagers in het Zuiden van Azië (zoals u het heden ten dage definieert) wordt door omstandigheden gedwongen zich te voeden met al wat voorradig was. Daarbij aten zij bestanddelen van een klimplant plus enkele woekerplanten en vervielen in een eigenaardige roes. Deze roes bracht met zich mee dat zij zich intens en reëel verplaatst achtten in een andere wereld. Deze wereld was zo reëel, dat zij zelfs een soort geografie ervan konden samenstellen, dat zij de bewoners konden beschrijven, dat zij elke rustplaats, elke kleur, die optrad binnen dat gebied, wisten te omgrenzen. In hun beperkte taal ‑ een taal met een woordenschat van 500 á 600 – was het natuurlijk niet mogelijk hierover veel te spreken. Maar het contrast van hun eigen wereld met deze wereld was zo groot, dat in hen een onblusbaar verlangen ontstond deze andere wereld te betreden. Hiertoe gebruikten zij kruiden, zoals soms nog heden ten dage bij primitieve volkeren gebeurt. Deze roes betekende een inwendig beleven van een andere wereld met gelijktijdig behoud van eigen vermogen tot kritiseren, tot onthouden. Deze andere wereld moest echter in het denksysteem van de mens een plaats krijgen. Het werd toen de wereld van de goden, de wereld van de voorouders en dergelijke.
Wanneer de mens begint te zoeken naar een andere en betere wereld, bemerkt hij al zeer snel, dat zijn eigen stemming van groot belang is, want deze bepaalt mee de ervaringen, die hij zal opdoen onder invloed van de gebruikte verdovende planten. Er ontstaat een ritueel. Maar dat ritueel alleen is ook niet voldoende. Slechts indien het ritueel in overeenstemming is met de eigen persoonlijkheid en geen groot schuldbewustzijn of zelfverwijt optreedt, blijkt dit geheel werkzaam te zijn. Hieruit ontstaat een zedenleer. Een zedenleer, die nog volkomen gebaseerd is op de mogelijkheid de andere wereld als vredig en goed te beleven. De belevingen van het tegendeel geven het aanzijn aan velerlei onderwereldvoorstellingen.
Hier krijgen wij dus de eerste mystieke belevingen van de mens, een uit zichzelf, uit zijn eigen wereld treden, een ander bestaan beleven, en daaruit ervaringen opdoen en conclusies trokken. Praktisch tot 1500 v. Chr. blijven deze praktijken ook in de beschaafde gebieden rond de Middellandse Zee gebruikelijk. Men blijft ook daar bedwelmende middelen bezigen en zal niet in de eerste plaats op de openbaring, het orakel afgaan. Neen, men zoekt te komen tot een inzicht in zichzelf.
Nu kunnen wij op het ogenblik dit natuurlijk vanuit een modern standpunt verklaren. De mens heeft een tweeledig bewustzijn, dat weten wij allemaal. Maar deze tweeledigheid impliceert ook dat, naarmate eigen leven eenvoudiger en simpeler is, meer waarden van de werkelijke persoonlijkheid in het onderbewuste tot uiting kunnen komen. Maak ik gebruik van verdovende en roeswekkende middelen als omschreven, dan neem ik a.h.w. de remmen weg, die het onderbewustzijn normalerwijze zijn werking beletten. Hierdoor kom ik tot een beleven, dat dan ‑ schijnbaar althans ‑ een waanwereld is, een fantasmagorie, maar toch een wereld, die zo sterke parallellen met mijn eigen wereld vertoont, dat ik tussen beide een wisselwerking meen op te merken.
Hoe het ook zij, de oude mensen, die naar waarheid, naar wijsheid zochten, hebben zeker deze psychologische foefjes der moderne tijd niet gebruikt. Zij waren eenvoudiger; zij zeiden: “Wat ik beleef, moet werkelijk zijn.” Dan zei men hun: “Ja, maar ik heb je daar toch gewoon zien slapen.” Dan zeiden ze: “Goed, dan zal ik in de slaap dus een andere wereld betreden. Mijn wezen is tweeledig. Mijn eigen wereld is onaangenaam. In deze wereld kan ik niet datgene verwerven, wat mij bevredigt. Die andere wereld is zo schoon, wanneer ik haar in een goede stemming beleef. Aan de andere kant, wanneer ik kwaad heb gedaan of door schuldbewustzijn word geplaagd, dan is die wereld zo ondragelijk, zo verschrikkelijk, dat ik moet zoeken naar een middel om dat deel van mij, dat die werelden beleven kan, te verhogen.”
Ik zou verder kunnen gaan met u nu die gehele ontwikkeling te schetsen. Ik geloof echter dat ik beter doe enkele stellingen van mystici aan te halen, die misschien niet altijd bekend, maar toch in ieder geval zeer duidelijk zijn. Een van de eerste stellingen, die de moeite waard is, zegt ons:

‘Ik ben één met alle dingen, die ik bevat. Wanneer ik een wereld zie, leef ik in die wereld. Het is mijn doel te leven in een goede wereld.
Om in die wereld te kunnen leven, moet ik mij aardig tonen. Ik moet moed bezitten en kracht. Ik moet mijzelf beheersen en het recht handhaven in mijn eigen wereld. Al deze dingen zal ik doen om het loon, dat mij wacht.’

Wat zegt u? Misschien te simpel? Neen. Volkomen logisch en een grondslag, die ‑ zij het verhuld onder vele mooie woorden ‑ op het ogenblik nog menig geloof, menige geheimschool, menig mysticisme ondersteunt: Het zoeken naar een persoonlijke bereiking.
Maar al ras gaat men inzien dat deze werelden, deze verrukkingstoestanden, nooit mogen worden gezien als reëel en werkelijk. Want men kan ze niet met vele anderen delen. Een opmerking van een oude leraar uit de tijd van ongeveer 3500 v. Chr, omgezet in moderne termen:

“Met enkelen kan ik gaan. Ik kan met mijn leerlingen nieuwe werelden betreden. Maar het is mij niet mogelijk dit gelijkelijk te doen met allen, die rond mij zijn. Zo moet de wereld, die ik betreed, een deel zijn van mij en van degenen, die ik in die wereld ontmoet.”

Een logische redenering. En voor die tijd een zeer verregaande redenering. Een verwerpen van de realiteit van de godenwereld en een daarvoor in de plaats stellen van iets, dat in mijzelf is. Daarmee zijn wij ook aangekomen op het werkelijke punt, dat belangrijk is.

“Ik draag in mij, wat ik beleef. Mijn verhoging van bewustzijn kan nooit van buiten mij voortkomen, het komt altijd van in mij; dus uit het innerlijk. Er bestaat geen enkele weg om het anders te doen. Wanneer ik zoek naar kracht, bewustzijn, macht, vermogen, enz., dan zal ik dat als mysticus slechts kunnen doen door in mijzelf te zoeken. En in mijzelf kan ik alleen datgene erkennen, wat waar is!”

Dat is een stelling, die in de mystiek steeds weer zal voorkomen. Wat wij in onszelf erkennen bij dit beleven, is waar. Het is niet logisch, het is niet reëel volgens onze eigen wereld, maar het is waar.
Nu gaat de mysticus der oude tijden op zijn manier een indeling maken. Een indeling, die langzaam maar zeker geassocieerd wordt met beelden. Hij vereenzelvigt vaak persoonlijkheden, die in feite een deel van zijn eigen persoonlijkheid zijn, met bepaalde gebieden; en elk gebied op zichzelf weer met een werking in de natuur, een kracht in het leven, een feitelijke toestand binnen de wereld.
Die vereenzelviging leidt hem tot het stellen van een grote reeks van persoonlijkheden, en niet eenieder blijkt in staat gelijkelijk deze persoonlijkheden op te roepen, te aanvaarden of te beleven. Dat is ook begrijpelijk. Ze maken deel uit van de innerlijke mens. Zo komt een split­sing, waarbij hoe langer hoe meer synoniemen voor een bepaalde kracht vereerd worden, waar men nu uitgaat van eigen persoonlijke beleving.
Een identificatie van deze belevingen met dode voorwerpen zowel als symbolen komt steeds meer voor en op de duur ligt vaak reeds achter een schijnbaar fetisjisme een uitdrukking van mystiek beleven verborgen.
Om anderen eenzelfde beleven mogelijk te maken, dient men een scholing te beginnen. Maar hoe kun je iemand scholen in iets, dat ligt buiten het stoffelijke? Slechts door gebruik te maken van zijn eigen per­soonlijkheid en deze door stemmingen, het geven van kennis, het bijbrengen van een absolute overgave, voor te bereiden op de ontvluchting aan de stoffelijke werkelijkheid. Ook hierbij wordt nog steeds gebruik gemaakt van roesmiddelen. Dat gaat zo ver, dat zelfs in de tijd der Romeinen (en nu bedoel ik hier onder meer de tijd van de Grachen, dus de tijd van de grote spanningen tussen patriciërs en plebejers) wij verschillende godsdiensten zien optreden, die bekend zijn om hun orakels, maar die ge­lijktijdig zekere groepen mystici verbergen. En deze maken nog steeds ge­bruik van plantaardige middelen, roesmiddelen. Dat gaat zo ver – dat mag ik er nog even bijvoegen – dat de heksen van de Middeleeuwen soms ook behoorden tot deze oude groep van mystici, die dus hun beleven tracht­ten te verwerven door het lichaam in een toestand van lichte vergifti­ging te brengen.
Verder moeten wij natuurlijk weer in de oudheid gaan kijken: Wat is de kern van het denken? Steeds weer ontmoeten wij reeksen van proeven of beproevingen. Naargelang het land of het volk, waarbij wij zijn, worden deze anders voorgesteld. Maar het zal ons duidelijk worden dat deze sym­bolen zijn. Symbolen voor innerlijke belevingen, voor de innerlijke strijd, die men moet doormaken, voordat men zijn eigen wereld kan prijsgeven en geheel in een andere wereld of bestaansvorm opgaan.
Om de novicen hierop voor te bereiden, zullen de leraren (meesters, als u ze zo noemen wilt) beginnen met hen dit aanschouwelijk voor te stellen. Er ontstaat een reeks van symbolische spelen, vergezeld gaande van gezangen in een zeer bijzonder ritme. die uitbeelden wat men doormaakt. Ze zijn tevens de bron voor de latere godenspelen, waarin het beleven van goden en half‑goden wordt voorgesteld. Deze zijn dan weer de façade, waarachter zich het mystieke spel moet verbergen. De mystici zijn onder de priesterschap meestal niet zo erg gezien, zij zijn niet praktisch genoeg.
Ik zou zeker niet volledig zijn, wanneer ik de twee richtingen van de oudheid niet met elkaar vergeleek. Wij hebben in de eerste plaats degene, die de wereld verwerpt of ontvlucht. Het is de kluizenaar, de vaak half waanzinnige profeet, die zich terugtrekt uit de menigte en slechts een enkele keer terugkeert onder de massa om haar zijn verwijten toe te slingeren en te trachten leerlingen te winnen, die met hem zullen ontvluchten aan de zuiver stoffelijke wereld.
De andere richting is een formalistische wereld. Zij zoekt zich aan te passen aan de bestaande maatschappij. Het komt voor dat mystici als functie in het leven raadsman zijn van een koning, een vorst, dan wel ‑ wat evenzeer voorkomt ‑ de hogepriester zijn van een godsdienst, die zij dan zelf maar zeer ten dele au sérieux nemen. Het is de tegenstelling tussen beide richtingen, die het voor ons moeilijk maakt de algemene lijn van de oude mystiek te bepalen.
Gaan wij uit van het persoonlijk, het individueel zoeken, dan komen wij terecht bij de kluizenaar, de woestijnbewoner, die in uiterste armoede leeft, die de eenzaamheid liefheeft. Hij gaat uit van zichzelf. In een voortdurende zelfbeschouwing wekt hij kunstmatig of op andere wijze – dus door training, bespiegeling ‑ de beelden van werelden, van toestanden en wezens, die vreemd zijn aan de stoffelijke werkelijkheid. Hij komt hierdoor vaak in een toestand te verkeren, die hem zeer lange tijd met een minimum aan spijs en drank volkomen gezond doet voortbestaan en die hem bovendien een inzicht geeft in de werkingen van mensen en ook van delen der schep­ping, die voor anderen onvoorstelbaar zijn. Het gaat zo ver, dat hij komt tot een uitschakelen van de tijd als actief element. Zijn wereld echter is een vreemde, vooral wanneer hij ver doordringt.
Kunt U zich voorstellen dat drie lijnen gezamenlijk een vierkant vormen? Neen, nietwaar? In de wereld, waarin deze zoekers komen, is dit wel mogelijk.
Dit betekent dat elke vorm vertekend is, dat elk symbool een geheel nieuwe uitdrukking krijgt. Zij hebben geen mogelijkheid om reëel ‑ steunende dus op helpers ‑ terug te keren en dit te bezien, om te vergelijken. Velen hunner worden dan ook door het vreemde zodanig overweldigd, dat zij vanuit menselijk standpunt gezien krankzinnig worden. Zij zijn niet in staat om te ontkomen aan de gevolgen van een zo totale omstelling. Zij weigeren soms dit te doen. En er zijn vele gevallen bekend, waarbij zo’n mysticus in een katatonische trance verviel, die zeer lang duurde. Overigens mag ik erbij voegen dat hierdoor legenden omtrent zevenslapers en dergelijke ontstonden.
De georganiseerde vorm kon vaak niet zo ver doordringen. Want kon de mysticus in eenzaamheid zijn hele leven instellen op de andere wereld, voor de mysticus, die te midden van een priesterdom leeft, die misschien een functie heeft in het staatsbestel, die zich verantwoordelijk voelt tegenover zijn medemensen, is het niet mogelijk voortdurend en te allen tijde zich in te stellen op het hogere. Er staat tegenover dat hij niet alleen is. Gezamenlijk beleeft men andere werelden, gezamenlijk ziet men, hoe buiten het ik ‑ het gekende ik van de stoffelijke wereld ‑ een nieuw ‘ik’ opbloeit in een wereld vol van zonderlinge kleuren, van kostbare krachten en vreemde landschappen. Zij leren contact te krijgen met anderen. En wonder boven wonder blijkt hen, dat die anderen niet altijd in de stof leven. Degenen, die wat slechter, wat zelfzuchtiger zijn, komen hierdoor vaak tot demonie. Vele der z.g. Baälsdiensten (dus verheerlijking van de Heer, de geestelijke Heer van een stad of een gebied) zijn te wijten aan dergelijke contacten. De goeden echter brachten op de duur een leerstelling te voorschijn, die in korte omschrijving een perfecte richtlijn is ‑ ook nog heden ten dage ‑ voor eenieder, die zoekt naar een mystieke beleving. Ontdaan van de vaak bloemrijke en beeldenrijke taal der tijden zou men het zo kunnen stellen:

“Gij, die zoekt, naar andere werelden en wilt uitstijgen boven uw eigen wezen, bedenk dit: Niemand die vreest, kan ongestraft andere gebie­den betreden. Zo, ban uit uw wezen de angst. Weet dat er geen dood is, maar dat het te gronde gaan op aarde, niets anders is dan een herboren worden in de werelden, die u hebt leren kennen uit geestelijke aanschou­wing. Vraag u nooit af, of men buiten u al of niet akkoord kan gaan met uw wijze van leven. U bent verantwoording schuldig aan uzelf en eerst door uzelf te zijn, zo intens u kunt, zult u in staat zijn u de banden te realiseren, die dit ‘ik’ verbinden met andere werelden en andere krach­ten. Het is het noodlot van elke mens, die zoekt naar wijsheid, steeds te sterven. Want dat, wat wij bereikt hebben, moeten wij achter ons laten, willen wij in staat zijn verder te gaan. Zo, hecht u aan niets, noch aan wijsheid, noch aan goederen of bereikingen. Indien u de kern der dingen wilt kennen, zult u in uzelf moeten schouwen. Want in u begint de weg, die leidt tot een werkelijkheid, die alle dingen omvat.

Ik heb hier een paar korte punten geciteerd en meen hiermee voor heden te mogen volstaan. Een volgende maal wil ik trachten u te tonen, hoe langzaam maar zeker de mystiek werd tot een belevingswijze, die niet meer een eigen lering baarde, zoals in de oudheid, maar die integendeel een sublimatie van bestaande leerstellingen betekende, waardoor het ik, van buiten uitgaande, door in zich de verwerkelijking van uiterlijke waarden te zoeken, kon komen tot inzicht en een geestelijke stijging.
Voor heden echter dank ik u allen voor uw aandacht.

Noot 1
Tijdens de discussie bleek, dat er bezwaren rezen tegen ‘het zichzelf zijn in alle punten en opzichten.’ De spreker beantwoordde dit als volgt: De opmerking, dat dit te egocentrisch is, lijkt mij echter beperkt in opvatting. Want hierbij gaan wij uit van een zuiver stoffelijk standpunt, waarbij het begrip ‘ik’ wordt gezien als klein ego, ikje. Maar er bestaat ook nog een groot‑ego, d.w.z. het ‘ik’ met al zijn verbindingen, die het met de kosmos in contact brengt. Om werkelijk jezelf te zijn moet je ten koste van alles verwerkelijken al, wat er in je leeft; niet zozeer stoffelijk ‑ dat ware onmogelijk – maar geestelijk. En dan blijkt, dat dit schijnbaar egocentrisch zijn ons brengt op de directe en onmiddellijke banden, die vanuit de kern van ons zijn ‑ geest en ziel ‑ reiken, ver over de voorstellingen en mogelijkheden van onze eigen wereld heen naar grotere krachten, naar lichtender verten. Er is heel vaak geleerd door ons in deze groepen, dat elke mens een deel van God is. Met andere woorden, wanneer ik zeg ‘ik’, zeg ik ook God ‑ zij het in zeer beperkte mate. Indien ik dit deel van die kracht in mijzelf kan realiseren door ten koste van alles geheel mijzelf te zijn, zal ik dus geestelijk gezien in harmonie komen met mijn God en als zodanig een realisatie van het Goddelijke als mogelijkheid vinden. Geestelijk zijn wij vaak geboren uit andere werelden dan op aarde voorstelbaar lijken. Sommigen komen uit lichtende gebieden terug of dalen voor een enkele keer neer om de volmaaktheid van hun wezen te bevestigen in de stof.
Anderen zijn gevlucht voor de benauwende duisternis van de sferen vol verschrikking. Ook dit moet men zich kunnen realiseren. Het terugvinden van deze werelden, van dit uitgangspunt van het leven, is belangrijk. Eerst hierdoor immers wordt het mij mogelijk mijn wezen werkelijk in overeenstemming met de behoeften verder te leiden en te vormen. Eerst zo wordt het mij mogelijk een eenheid te vinden tussen mijn huidig streven en mijn werkelijk zijn.
Ik geloof dus, dat ik hier het egocentrische mag terugwijzen tot de stoffelijke beperking. Zuiver technisch gezien blijft dit egocentrisch. Maar dan kan hier gezegd worden ‑ even technisch: De mens kan slechts uit en door zichzelf bewust zijn. Indien hij uit en door zichzelf een bewustzijn gewint van God, is dit een egocentrisch zijn, dat leidt tot een al‑kennen, al‑begrijpen, al‑weten. En als zodanig wordt dus vanuit het centrum ‘ik’, het bewustwordingspunt, uiteindelijk de gehele kosmos omvaamd en het doel van het leven vervuld.
Noot 2
Sprekende over de eerste ontwikkelingen werd opzettelijk een vage periode van het pre‑Atlantische tijdperk aangeduid in een tropische omgeving, aangezien hier ‑ ook heden ten dage nog zoals vroeger in den beginne ‑ juist deze verschijnselen het meest voorkwamen en deze planten het weligst groeiden.