Oude overlevering en wijsheid

image_pdf

26 mei 1967

Allereerst herinner ik u eraan dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Zelf nadenken is dus gewenst. Als onderwerp zou ik eens wat willen zeggen over: Oude overlevering en wijsheid.

Wat in de moderne tijd zeer oud heet, is gemeenlijk zo rond 4 à 5000 jaren oud. Van de overleveringen en wijsheid, die uit een verder liggend verleden stamt, heeft men zich in uw dagen bijna geen beeld kunnen vormen. Het bestaan van een schrift, waardoor gedachten kunnen worden vastgelegd en het ontstaan van zelfs maar een beeldschrift of een reeks van afbeeldingen, die voor denken en wijsheid van de mens een aanduiding kunnen vormen, is nu eenmaal niet meer beschikbaar in grotere ouderdom dan rond 5 tot 6000 jaar v.Chr. Het is duidelijk dat alles wat er onder de mensen voordien aan wijsheid en gedachten is ontstaan, dan wel niet behoort tot de ontcijferbare schriftsoorten, die men in deze dagen nog kan ontcijferen en waarvan men schrijfvoorbeelden bezit, dan wel eerder een mondelinge overlevering is geweest, waaraan men, zelfs indien resten daarvan blijven, in deze dagen toch wel heel weinig houvast kan hebben. Mondelinge overleveringen veranderen nu eenmaal van tijd tot tijd, steeds een beetje.

Wanneer ik dan ook vandaag wil spreken met u over oudere wijsheden en overleveringen, zo bega ik vanuit een meer wetenschappelijk standpunt een zonde. Ik spreek over dingen, die niet controleerbaar zijn, dingen waarvan bepaalde restanten misschien terug te vinden zijn in oude geschriften, die men wel heeft gevonden, maar waardoor men mijn stellingen haast verdwaasd zal aanhoren en zich afvragen of de citaten, die ik geef, in wezen niet zijn afgeleid van de oudere wijsheid, die men ook wetenschappelijk kent, een projectie dus van nu gekende waarden in een verder verleden. Men zal zich afvragen of dit alles niet een extrapolatie is op grond van bekende feiten, waarmede ik u een verder verleden voorgoochel.

Ik kan daarop alleen maar antwoorden: Het gehele verleden ligt ergens vast. Het is een soort grote kloof, die men de tijd kan noemen en door deze kloof spoelt een snelle, bruisende stroom. Dit is dan het vast erkende wereldgebeuren. In dit wereldgebeuren treffen wij alle veldslagen, generaals, koningen, moordpartijen en nieuwe openbaringen. Maar langs de kant van deze ravijn, deze kloof, treffen wij altijd weer de woningen van de werkelijke mensen. Wij treffen daar als het ware de tijd zelf, nu niet als een beweging, maar eerder als een gefixeerd moment van de oneindigheid. Dit is een herinnering, die in een totaal besef steeds blijft bestaan, een reeks van herinneringen, die je steeds weer terug kunt vinden wanneer je maar zover komt, dat je eigen bewustzijn en tijdgebonden herinneringsvermogen los kunt maken van de vloed van de tijd en zo, zelf in feite een deels reeds gefixeerd deel zijnde van het leven, de oneindigheid, ook al het andere dat daarin is vastgelegd, kunt gaan benaderen.

Wel heel ver terug in de tijd ligt het begin van alle overleveringen. Dit stelt niet: “Er is een God”, maar: “Er zijn machten”. De eerste wijsheid van de mens is wel het besef, dat deze machten aan wetten gehoorzamen. Zo wordt zijn tweede lering: “Er is een wetgever”. Er is een wetgever en er zijn machten. Deze machten zijn kennelijk vaak met elkander in strijd. Zij overwinnen elkander, verdrijven elkander, zijn bezig elkander na te jagen als de nacht de dag en de dag de nacht. Daarom moet er een relatie bestaan tussen die machten. Het gaat hier om een aanvoelen. De werkelijke relatie tussen machten en wetten wordt in die dagen waarschijnlijk even weinig redelijk beseft als de relaties tussen mens en mens in die dagen begrepen werden. Maar toch is er sprake van een relatie, waaraan men, zoal niet geheel bewust, reeds in zijn gedachten en beschouwingen, uitdrukking en gestalte weet te geven.

Daaruit wil ik dan het eerste deel nemen van de citaten van vandaag. Geheel citeren gaat in feite niet. Daarvoor zou u met de gehele denkwijze en gebruiken van die dagen op de hoogte moeten zijn. Vandaar dat ik eerder de geest van deze stelling vertaal.

“Daar, waar machten zijn, is de mens aan de machten onderworpen. Maar hij kan vaak kiezen aan welke macht hij zich zal onderwerpen. Wie zich aan de voor hem juiste machten onderwerpt, zal daarbij door de wetten en de wetgever beschermd worden. In de bescherming van de wetgever zal hij zo kunnen bereiken wat hij door zijn onderwerping nastreeft.”

Een typerende en uitermate menselijke uitspraak. De mens die leeft, wil immers iets bereiken. Hij wil iets zijn. De zelfverwezenlijking, de zelfvervulling is van het begin der tijden voor de mens een drijfveer geweest, een noodzaak, ook al zal hij voor deze waarden geen woorden gekend hebben. Nu stelt men dus: Wij zien rond ons verschillende machten, waartussen wij een keuze kunnen doen. Indien wij de voor ons doel en streven juiste macht kiezen, zo is er boven dit alles een wetgever, die de relatie tussen alle machten regeert. Hij zorgt er dus voor, dat de vervulling van hetgeen wij wensen een feit wordt. Dit is het begin van een magisch geloof, waarin de mens goden en demonen tegen elkander tracht uit te spelen, waarin hij werkt met afbeeldingen en gelijkheden. Hij werkt in deze periode reeds met het zenden van magische gedachten en talismans, terwijl hij zich op zijn voorvaderen beroept als een leidinggevende macht, als helpers, raadslieden en wat dies meer zij.

Maar in deze magische structuur van denken komt de mens op een gegeven ogenblik tot de conclusie, dat er t.m. twee verschillende werelden moeten zijn. Hij leeft in zijn eigen wereld met zijn eigen behoeften. Daarnaast is er echter de wereld van de machten en eventueel de voorouders, waarin ook een vaste reeks waarden en wetten moet bestaan. Dit is voor u misschien aanvaardbaarder, wanneer ik u nu een volgend stukje vertaal, wanneer ik u erop wijs, dat dit mogelijk het begin is geweest van het ontstaan der magische geschriften, die wij nu kennen als de verschillende dodenboeken.

“Daar, waar de mens is en zichzelf is, is hij deel van het hogere (of de godheid, de macht), maar wie de macht in zich draagt, moet haar uiten, het woord van de macht is de sleutel tot het bestaan”, welk woord u hier moet vertalen als “voortbestaan”.

De levenskracht wordt hier kennelijk niet meer gezien als iets, wat in afgesloten hoeveelheid in de mens aanwezig is, zodat het vervlieden van deze kracht een einde van alle bestaan betekent en daarmede basta. Levenskracht, leven is nu iets wat je gegeven wordt vanuit andere krachten en machten. Men ziet zich nu als verantwoordelijk tegenover die machten, het beeld van rechters en wachters, die je alleen na het horen van een bepaald sleutelwoord, verder zullen laten gaan in de richting van een hiernamaals, vindt volgens mij hier zijn eerste oorsprong.

In de nu volgende periode zijn er reeds mensen die schrijven. Het is een soort ranken- of bloemenschrift. Men legt zijn gedachten neer door middel van bepaalde ideogrammen, die al snel sterk gestileerd worden, men spreekt dit schrift wel aan als Atlantisch schrift. In ieder geval is het de voorvader van vele siermotieven, die u nu nog kunt aantreffen, siermotieven waaraan men meestal nog een bepaalde betekenis toekent. Nu nog komen het elliptisch bloemmotief, het kruis-in-cirkel motief in vele vormen, zoals meerdere kruismotieven, ruitmotief en gekruist ruitmotief en dergelijken bij vele nu primitief genoemde volkeren en als rest van oudere beschavingen, terug. Het is een soort schrift geweest. Ook al kunt u in uw dagen dit schrift nog niet lezen en bezit u daarvan waarschijnlijk slechts enkele voorbeelden, zo hebben wij hier toch voor het eerst te maken met vastgelegde denkbeelden. Wij hebben hier voor het eerst te maken met iets, waaraan men ook menselijk enig houvast zou kunnen hebben.

In deze tijd wordt gesteld: “De mens is de gelijke van de goden, zodra hij vergeet mens te zijn. Hij is een kracht, zodra hij zijn gevoel van machteloosheid verlaat. Maar hij is onderworpen aan al wat hij vreest en gebonden door de waarheid, die zijn noodzaak is.”

Ook al is dit slechts een vertaling van het oorspronkelijke en meer bloemrijk gestelde, zo kan men toch ook deze weergave beschouwen als typerend voor een verder gaande ontwikkeling. Ik kan u hier wijzen op delen uit de Egyptische dodenboeken, maar kan u, wat deze stelling betreft, zeker ook naar de vroege Hindoegeschriften verwijzen. Wij treffen hier een denkbeeld omtrent een eerlijkheid, waaraan wij gebonden zijn. Wanneer wij een scarabee zien liggen op de plaats, waar het hart dient te zijn bij een dode Egyptenaar en daarop nog de aanroeping: “Zo men mijn hart vraagt, spreekt gij voor mij” of ook wel: “Weest gij mijn tong”, zo komt dit voort uit het denkbeeld, dat de mens zelf niet tegen de goden of machten kan liegen, maar dat men hoopt dat een dergelijk symbool van eeuwig leven dit wel zou kunnen doen. Wij moeten waar zijn. Dit waar zijn is voor de mensen de grootste moeilijkheid. Je weet zelf wel dat een mens zelf niet weet wanneer hij eerlijk en waar is in de zuiverste betekenis van het woord. De mens is vaak zelfs het meest oprecht in zijn onwaarheden als het ware. Daarbij komt dat de mens weliswaar god, goddelijk, kan zijn of worden, maar dat hij om dit te bereiken dan ook geheel moet vergeten dat hij mens is. Men blijft weliswaar mens, maar moet dit eenvoudig vergeten en reageren zoals een godheid zou doen. Mogelijk is dit de reden voor de vele halfgoden, die wij overal aan kunnen treffen. Ook mag de mens niet meer vrezen. Hij mag geen angst meer kennen. Wat op zich al moeilijk is, maar nog moeilijker wordt, wanneer je daarbij bovendien nog geheel eerlijk moet blijven. De mens echter, die aan deze drie voorwaarden voldoet, zo stellen de wijzen uit deze perioden, is een wonderdoener en kan de dieren bevelen, de elementen beheersen en zelfs zich verzekerd weten van een plaats in het eeuwige leven.

Dit eeuwige leven is trouwens ook al een vreemde zaak in deze tijd, daar hierover kennelijk nogal eens wat verschil van mening voorkomt. De primitiefste beelden stellen een soort schaduwachtige vlakte voor, waar men eenvoudig in bestaat. Verder gaat de voorstelling niet.

Later wordt dit beeld afgewisseld door en op de duur vervangen door landschappen, die gelijk komen aan (of een geïdealiseerde weergave vormen van) het milieu waarin men zelf leeft.

Om ook hier enkele voorbeelden te noemen: De Lotusvijvers, zoals wij die in het hindoemysticisme aantreffen (een symbool dat vooral rond de tijd van Ashoka veel wordt gebruikt) terwijl de Egyptenaren zich het eeuwige land voorstellen als een soort driehoek tussen rivieren, waarin het graan tot aan de bodem korrels draagt.

Deze beschrijvingen maken meestal deel uit van legenden. Maar door deze volgens de waarschijnlijke tijden van ontstaan te rangschikken, kunnen wij zien hoe van een vaag begrip van voortbestaan langzaamaan een gedetailleerde voorstelling van eeuwige werelden en godenwerelden wordt. Men gelooft nog steeds aan het zich voegen bij (en onderwerpen aan) bepaalde machten in het leven. Hieruit volgt dat, zo er al sprake moet zijn van een eeuwige wereld voor degenen die de goede machten kozen tijdens hun leven, er ook een wereld moet zijn voor hen, die de zogenaamde kwade machten verkozen te volgen tijdens hun leven.

Onthoud hierbij echter wel dat volgens deze mensen alleen degene, die in de machten geheel opgaat, degene, die zich als het ware aan de goden gelijk maakt, voort zal leven. Voor anderen geldt dit voortbestaan niet. De mens heeft niet een algemeen aanvaarde of besefte onsterfelijke ziel volgens deze leringen. De mens moet zich de onsterfelijkheid gaan verwerven, door als het ware een eenheid of gelijkheid te bereiken met de door hem gevolgde godheid.

Ook in deze ontwikkeling treffen wij een noemenswaardige, maar voor de huidige mens misschien vreemd aandoende wijsheid aan: “Het is beter een macht van kwaad te dienen, zo het goede u verwerpt. Want hij, die niet dient, leeft vergeefs, doch hij die dient, zal eens heersen.” Een vreemde opvatting: ik zal gaan heersen. Het gaat dus om heerschappij, om macht. Macht en gezag blijken één te zijn en zonder deze is geen voortbestaan denkbaar. Nu het voortbestaan eenmaal erkend is, zullen wij, om niet vervelend te worden, een grotere sprong in de tijd moeten maken. Veel later treffen wij namelijk voor het eerst de vraag: “Wat is een God?” Een oude denker (van vroeg Semitisch-Arabisch bloed) zegt hierover: “De kracht, die mij beheersen kan, is mijn God. De kracht, die mij kwellen kan, is een demon of duivel, de kracht, die ik in mij besef en kan beleven is mijn Daimon, mijn Licht, mijn ziel, mijn levende werkelijkheid.” En hij besluit zijn spreuk met de uitroep: “Er is geen God buiten deze.”

God is hier kennelijk een relatie met het Al, een functie, een verschijnsel van leven. Maar dus niet, zoals wij later zien, een aparte persoonlijkheid die wij dienen te vereren. Er zijn in deze primitieve tijd afgodsbeelden genoeg. Er zijn zelfs inwijdingen en er bestaan vele, vaak universeel aandoende, erediensten. Maar één ding zien wij niet: Het beeld van een persoonlijke godheid, zoals velen die ook in deze tijd nog menen te moeten erkennen. Een God, die iedereen vaderlijk bemoedert en zich voortdurend vanuit zichzelf bezighoudt met het geheel der schepping, erkent men hier niet. God is een kracht, die pas tot uiting kan komen in jezelf.

Wat zeker interessant is. Want al spreek ik nu uit een zeer ver verleden, wij vinden ook in meer historische tijden dergelijke opvattingen meerdere malen terug. Wij vinden dergelijke beschouwing terug in de tijd van de grootheid van Alexandrië, maar ook (ofschoon zeer snel door kerkelijk gezag onderdrukt) rond 1200 – 1300. Ook in de 19e en 20e eeuw treffen wij weer grote denkers, die terugkeren tot dit beeld van God als een kracht.

Terugkerende tot de oudere geschiedenis komen wij nu in een periode waar men de waarheden weergeeft in gedichten. Tot dan zijn de overleveringen eerder een kwestie geweest van singsong, een reeks vaste zinnetjes, die worden opgedreund, zoals kinderen jaartallen plegen op te sommen. Nu echter zien wij stanza’s. Dezen komen in de mode nadat de eerste door u nog niet wetenschappelijk erkende registratiemethode van denkbeelden is gevormd. In deze stanza’s wordt steeds weer een denkbeeld omschreven. Eén van deze dichters schrijft dan of spreekt:

“Hij is als de kracht, die ons allen omgordt.

Hij kan de wereld splijten.

Maar zo wij hem erkennen

en zijn naam noemen,

is hij ons onderdanig.”

Het gaat hier om een beeld van God. In feite zegt men dus, dat hetgeen de heerser, de god van deze mensen is, een kracht is, die de aarde omgeeft. Gezien het feit, dat in deze tijd de maanverering nogal sterk toeneemt, mogen wij wel aannemen, dat de maan van deze de aarde omringende kracht een symbool is. Mogelijk hebben wij hier ook te maken met een beeld, dat als voorloper kan gelden van de in legenden en mythen nogal eens voorkomende wereldslang. In ieder geval zegt men dat deze kracht de aarde kan splijten, welke uitdrukking betekent dat deze kracht machtiger is dan al het bestaande. Maar zodra je de naam van deze kracht kent, ben je ook zijn meester. De mens is dus niet alleen maar de onderdaan van de goden, maar kan onder omstandigheden zelfs hun meester zijn. Wat wijst in de richting van een sterk magisch denken en streven.

Gaan wij 400 jaar verder, dan treffen wij iemand, die het als volgt zegt:

“Hij die waarlijk heerst, is ongekend,

gesluierd is zijn gelaat.

Uit oneindigheden wordt hij tot kracht.

Wij, die treden in de wereld van zijn macht

en spreken slechts een deel van de naam,

die hij verborgen heeft,

zijn meesters van het bestaan,

herscheppen al wat leeft

en bouwen eigen wereld.”

U ziet het: De denkwijzen veranderen. De wetgever van eens keert terug, maar nu in de vorm van een gesluierde entiteit, een onbekende godheid. Deze onkenbare godheid heeft echter een naam. Naam en ziel zijn in de oude tijden voor vele mensen één. Men zou dus kunnen zeggen: Wanneer ik de naam of een deel van de naam van die Godheid ken, heb ik ook deel aan de ziel van die God, van zijn werkelijk wezen. Men stelt dat de mens die dit bereikt, zijn wereld kan regeren. Hij kan zijn wereld veranderen, breken en vouwen, zoals hij wil. De machtsdroom, die in alle godsdienst ergens leeft, is ook hier wel aanwezig. Maar hoe snel verandert eigenlijk niet de teneur, de tendens van deze machtsdrang.

“Indien ik waardig ben en ik ken de moed, die mij tot man maakt, ken de wijsheid, die mij tot mens maakt en ken de kracht in mij, die mij tot God maakt, zo ben ik eeuwigheid en zal mijn dood slechts zijn een herontstaan.”

“Drie heb ik, en één. In drie gestalten ga ik uit, in één slechts keer ik weer. Doch beide anderen herrijzen, slaat men de ene neer.” Wat alweer een vrije en wel wat erg oppervlakkig berijmde vertaling is. Maar wat ontdek je?

Hier spreekt men kennelijk voor het eerst over een soort drie-eenheid. Niet bij God. Dat komt veel later, maar bij zichzelf. Wanneer ik bepaalde eigenschappen bezit, zo stelt men, ben ik in wezen drie. Heb ik die eigenschappen niet, dan ben ik maar een wezen en kan ik sterven. Het leven is voor degene, die de gestelde voorwaarden vervult; een zich afwenden van het leven, aangezicht na aangezicht. Is het ene aangezicht of verschijnsel van leven verdreven, dan duikt het andere op. Het is deze wisseling van levensverschijnselen, dat in deze periode en bij deze stellingen een hoofdrol speelt. Daarbij zien wij ook het denkbeeld ontstaan, dat een deel van het werkelijke of eeuwige wezen wordt uitgedrukt als moed, een deel als wijsheid en een deel als goddelijke kracht.

Nu kan men ervan denken wat men wil. Maar dat men reeds 8000 v. Chr. daarover zo dacht, is toch wel interessant. Wanneer je dan wat praktischer wilt worden (want in het heden zou men aan sommige stellingen uit het verleden toch ook wel iets kunnen hebben) dan kom je terecht in de tijd van rond 5000 v.Chr., een periode, waarvan ook wetenschappelijk gezien het één en ander bekend is.

“Wanneer ik voor het Hof der Goden treed en mijn waarheid spreek, zo zal men mij de waarheid nimmer ontzeggen. Dat wat mij waar (of eigen) is, is de kracht, waardoor ik heers, waaruit ik word erkend en waardoor ik intreed.” In de wereld der goden zal dit laatste wel beduiden.

Stel u eens voor: De mens heeft zich met vele eigenschappen beziggehouden. Nu echter ziet hij zich bij de dood (en soms reeds voordien) staan tegenover een reeks rechters, een hof van goden. Op zich is dit in deze cultuurperiode wel begrijpelijk, want in alle mythen van deze tijd vinden wij dergelijke rechtszittingen terug. De ziel wordt gewogen, bezien, Anubis wordt zelfs in sommige geschriften de grote weger der zielen genoemd. De mens die voor een dergelijk hof komt, moet zich daartegen verdedigen door op vragen bepaalde (door overlevering als juist bekende) antwoorden te geven en zal een zekere zelfbeheersing moeten tonen. Het is alles, zoals dit in de dodenboeken en de bekendere oude filosofieën ook voorkomt. Wat bij deze uitspraak interessant is, is het feit dat de mens aanneemt dat hij in die wereld van goden kan treden.

In deze tijd is een erkennen van god in de eerste plaats een kwestie van godsdienst. Dat wil zeggen dat men vele leerstellingen heeft, die over de één of andere God gaan. Maar de Ouden bezagen het anders. Ook zij hadden wel leerstellingen, maar dit waren in wezen geen waarheden, maar formules met een magisch karakter. Deze formules werden gebruikt om zijn doel te bereiken of eigenschappen te verkrijgen, die men begeerde. Daarom at men het hart van de gedode leeuw en sloeg men vijanden het hoofd af wanneer men hen bijzonder achtte.

Men wilde hierdoor de bewonderde eigenschappen verwerven, die het ik eeuwig konden maken. Belangrijk bij dit alles is wel het denkbeeld, dat de mens in de godenwereld binnen kan treden. God is een kracht. Alles wat de mens God noemt, is alleen nog maar een deel van een wereld, die men als mens nog kan erkennen en waarin men leven kan. Hieraan wil ik nu een stukje toevoegen dat, ofschoon van belang in een tijd dat reeds schrift bestond en voor leringen gebruikt werd, wel nergens terug te vinden zal zijn. Het is een stukje uit een inwijdingsleer die, naar ik meen, in de praktijk is uitgestorven of althans zover is veranderd, dat zij onherkenbaar geworden is. Daarin werd degene, die inwijding zocht, het volgende gezegd: “Er is geen kracht, die gij kunt beseffen, die gij niet tevens kunt zijn. Indien gij de slang ziet, wees slang en de slangen zullen u gehoorzamen. (Slangen waren voor deze mensen heilige dieren.) Indien gij spreekt van wolken en gij zijt wolk, zo zullen zij uw baan volgen. Want al wat gij kunt denken, kunt gij zijn. Slechts dat, wat gij niet denken kunt en toch bestaat, is de werkelijke bron van uw kracht….”

Hier wordt het beeld van de werkelijke God eenvoudig terug gebracht tot het ondenkbare, terwijl de macht en het leven van de mens, evenals zijn magische beheersing, die in deze dagen een wel zeer grote rol speelt, zoals ook de menselijke gerichtheid, bepaald wordt door het vermogen van de mens zich met het andere te identificeren. Identificatie vinden wij in de magie vaak terug, terwijl wij in een enigszins andere vorm dit denkbeeld ook aantreffen in de Syrische kabbala, in de Esseens-Egyptische vormen van kabbalistiek zowel als in de joodse kabbala van latere dagen. Wij vinden het denkbeeld van de persoonlijke identificatie met kracht en wezen verder nog terug in de phytagorese trillingsleer. Het is dus werkelijk iets waarvan men niet kan zeggen dat het onbekend is of in de nu bekende overleveringen en feiten uit het verleden niet voorkomt. Het curieuze is hier echter de ontwikkeling.

Er zijn op het ogenblik vele mensen, die aan een God geloven, omdat zij in feite bang zijn niet aan een God te geloven. Het zou eens waar kunnen zijn! Maar dit geloof is geen werkelijke erkenning van God meer, geen daadwerkelijke bron van krachten meer. Het is in feite eerder een lege formule, die over het algemeen dan mooi wordt aangekleed met een vervalste moraal plus een reeks van stellingen, waardoor men als pressiegroep op kan treden. Alles wat voor de groep en haar moraal deugdelijk of bruikbaar lijkt wordt dan gezien als deugdelijk en de wil Gods. Maar in de oudheid komt men dus reeds tot de erkenning dat God in wezen het onkenbare moet zijn. Wij weten niet wat God van ons wil, wij kunnen dit alleen maar veronderstellen. Maar deze God, die wij alleen in zijn schepping kunnen kennen, zal voor ons een werkzame kracht worden wanneer wij in die schepping met ons bewustzijn deel kunnen zijn van een deel van die schepping. Dan is ook alles in orde, want dan bestaat onze wil als de drijvende kracht voor alle door ons zo erkende vormen. Wat zeker van het hoogste belang is voor een mens, die in het leven iets werkelijks wil bereiken.

In dit verband lijkt het mij aardig nog een ander stukje uit die inwijdingsleer te citeren, dat wel bekend is geworden en later, wat vervormd, onder meer bij de Griekse en Perzische kruidkundigen terecht is gekomen: “Voor al wat is, is er een tegendeel of aanvulling. Niets is alleen. Waar de ziekte is, is het kruid, waar de zwakte is, is de kracht. Waar de wil is, is de mogelijkheid. Want niets is alleen.”

In de kruidkunde gaat men later zelfs zover, dat men prompt beweert: “Wanneer iemand ziek wordt, moet je zoeken in zijn tuin. Het kruid wat je daarin nog niet gezien hebt voor de ziekte tot uiting kwam, is het geneesmiddel tegen de ziekte.”

Dit klinkt als een kolder. Maar vreemd genoeg schijnt het toch in voldoende gevallen gewerkt te hebben. Anders immers zou men een dergelijke stelling niet vele honderden jaren aangehangen hebben. Het eigenaardige is dat, wanneer ik iets wil gaan doen, ik daarvoor een uitdrukking moet vinden, een vorm. Vele van de vroegere orakels hielden zich daarmede bezig. Hun taak was niet alleen, zoals men tegenwoordig pleegt te denken, het geven van voorspellingen, vormen van augurie en dergelijke, maar het geven van een beeld, waardoor de mens tot een beslissing kon komen. Het geven dus van een duidelijke en voor de mens bruikbare keuze. Wij zien steeds weer dat een orakel zogenaamd dubbelzinnig is. Het geeft steeds weer twee mogelijkheden. In feite geeft het hierdoor een keuze tussen twee wijzen van handelen. Men kan zus doen of zo doen. Dit ligt opgesloten in de ‘voorspelling’ of raad. Zelfs in de Griekse tijd blijkt dit onder meer te Delphi een rol te spelen. Het orakel dient als stimulans tot keuze, omdat de mens die iets van de mogelijkheden en goddelijke krachten wil gebruiken, die wil leven en betekenis wil hebben, steeds weer een beslissing zal moeten nemen. In die beslissing zoekt de mens over het algemeen zichzelf. In de oudheid wordt dit zonder meer erkend.

In een uitbreiding van de meer algemeen geldende filosofieën horen wij dan ook op een gegeven moment: “Hij die leeft en kiest, is gebonden aan zijn keuze. Want een gedane keuze kan nimmer ongedaan worden gemaakt. Doch wie gekozen heeft, kan door wat hij koos, een nieuwe weg zien en een nieuwe keuze doen.”

Dit stamt dan uit een filosofisch betoogje, dat gehouden werd rond 2500 v. Chr. In deze betoogtrant stelt men dus: De mens moet beslissen. Wanneer hij een beslissing heeft genomen en daarnaar heeft gehandeld, heeft hij hierdoor voor zich de wereld veranderd. De wijsgeer die dit stelt, roept onder meer zijn vorst toe: “Ik zeg u heer, kies, opdat hier niet anderen kiezen. Want waar gij kiest en handelt zult gij opnieuw kiezen. Doch waar gij weigert te kiezen, zullen anderen een keuze doen. Zinloos onledig zal dan uw troon zijn.” Een spreuk, die men op kleitafels heeft geregistreerd.

Wat mij naar deze tijd brengt. In deze tijd tracht men alles te schipperen. Niet dus: of dit, of dat. Wij doen een beetje aan bijvoorbeeld de afkeuring van alle oorlog, wat aan de hulp voor strijdende partijen, wij hebben wat over voor de mensen en denken daarbij aan onszelf, zoeken het uit voor allen, maar denken daarbij ook en vooral aan onze eigen waardigheid. Wij verdelen de zaak steeds. Wij trachten als het ware ons kapitaal van mogelijkheden in 10 verschillende banken te beleggen in de hoop dat die dan wel niet alleen gelijktijdig failliet zullen gaan. De oude wijsgeer die ik citeerde, was echter reeds tot de overtuiging gekomen dat, zo je iets werkelijk waar wilt maken, werkelijk in het leven iets wilt betekenen, je niet vele dingen met elkander in overeenstemming zult moeten brengen, maar een duidelijke keuze zult moeten doen, een duidelijke beslissing zult moeten nemen. Het nemen van de beslissing en het je daaraan houden, geeft je de mogelijkheid zelfstandig weer nieuwe beslissingen te nemen. De vraag is wie het initiatief heeft: de mens, dan wel een noodlot of een godheid. Hier wordt definitief gesteld, en lang voor Jezus geboorte, dat de mens het initiatief kan nemen, zodat hij niet aan het noodlot gebonden hoeft te zijn. Wel vloeit uit de stelling voort, dat de mens dit initiatief alleen heeft en behoudt door een steeds bewust en snel kiezen.

Denk nu niet, dat deze denkwijze is uitgestorven. Ook in latere jaren treffen wij dergelijke denkwijzen aan. Eén van de vroege encyclopedisten bijvoorbeeld roept het volk toe: “Indien gij wacht, zult gij sterven. Doe een keuze. Indien gij sterft als gevolg van uw keus, zal men u tenminste nog roemen en gedenken. Doe een keuze en leef in die keuze en gij zult de macht bezitten om te bepalen hoe uw verdere leven zal zijn.” Hij roept daarna de mensen op om de willekeur van de standen uit te schakelen. “Gij hebt recht tot leven”, zo roept hij uit; “neem dan uw leven in eigen handen en leef uit uzelf”. Het gevolg van deze uitspraak en de opgang, die zij in zekere kringen maakte, was het vermoorden van enkele edellieden in de Vendée. Wat weer het begin werd van een jacht op de ‘revolutionaire’ mens, waaruit ongetwijfeld veel van het fanatieke en hartstochtelijke denken en handelen van de latere Jacobijnenloges is voortgekomen.

Het is vaak verwarrend, maar altijd weer uitermate boeiend te zien, hoe de wereld zich ontwikkelt. Ik wil echter mijn tocht in het denken van het verleden niet te ver doorvoeren vandaag en zal dus nu besluiten met een laatste aanhaling en de daaraan voor deze tijd volgens mij te verbinden conclusies.

“Indien gij gebonden zijt door de goden, zo zijn het de goden, die handelen. Geen van uw daden is dan uw verantwoording. Doch zo gij zelf handelt, u beroepende op de goden, zo zult gij de lasten uwer handelingen dragen en van de goden. Daarom zeg ik u: Handel steeds uit eigen naam en naar beste weten, steeds weer zo snel gij kunt, met geheel uw kracht en zonder voorbehoud, opdat gij uit uw handelen zult komen tot een erkenning van de krachten, die u eens geleid hebben en zo ook tot de beleving van (hier een idee dat wij nu misschien beter hiernamaals zouden noemen) de wereld der goden.” Typerend: Een mens is pas onsterfelijk, wanneer hij iets betekent. In feite wordt hier gezegd: Organiseer de zaken niet te veel, maar neem je beslissingen en handel.

Op basis van dit alles wil ik een paar vragen stellen aan de mensen van vandaag. Ik hoop dat u mij dit niet kwalijk zult nemen.

Er wordt ontzettend veel gedaan voor de onderontwikkelde gebieden, zoals u weet. Maar hoe wordt dit nu eigenlijk gedaan? Er is een instantie, een internationale instantie, die zich daarmee bezighoudt. Deze instantie stuurt een team naar jonge en arme staten om na te gaan, wat daarvoor gedaan kan worden. Dit team heeft alleen belangrijkheid, wanneer het iets kan doen. Men moet daarin dus wel coûte que coûte iets te doen vinden. Dat iets te doen moet dan zoveel mogelijk afdelingen met zich brengen: een afdeling voor onderwijs, landbouwontwikkeling, militaire steun en training, enzovoort. Kortom: Er gaan twee man naar toe. Die proberen wel te zien wat zij kunnen doen, maar in de eerste plaats zien zij uit naar alles wat zij kunnen doen volgens hún denkbeelden. De steun aan onderontwikkelde gebieden wordt niet gegeven volgens de behoeften en wensen in deze gebieden zelf, maar volgens de administratieve behoeften van een aantal internationaal georiënteerde lichamen, bestaande uit beambten, die het goed menen, maar die voor zich ook graag een stapje verder komen. Van een directe keus is zelden sprake, wel van compromissen, waardoor een werkelijk bereiken maar al te vaak in wezen onmogelijk wordt.

Men spreekt over het streven naar wereldvrede. Een dergelijke wereldvrede zou zeer eenvoudig gesloten kunnen worden. Maar om die wereldvrede mogelijk te maken, moeten er tussen de hoogste gezagsdragers van de staten geen tussenpersonen en invloeden meer zijn.

Wanneer er echter weer eens over het bewaren of bevorderen van een wereldvrede gesproken moet worden, beginnen allereerst de geheime diensten met hun spionagenetten na te gaan of er geen mogelijkheid bestaat dat de voorstellen van de tegenpartij niet eerlijk gemeend zouden zijn. Daar dit hun reden van bestaan is, slagen zij er meestal wel in iets te vinden wat daarop wijst. Daarna komen vele anderen, ambtenaren, politici, economen, die het nemen van verantwoordelijkheid op dit terrein eveneens minder aangenaam vinden. Daarom komen zij met vele voorwaarden aandragen en stellen dat over de wereldvrede eerst gesproken kan worden, wanneer de tegenpartij aan de door hen geformuleerde voorwaarden heeft voldaan.

Zo menen zij elke verantwoordelijkheid voor een niet slagen van onderhandelingen en dergelijken van zich af te kunnen wentelen. Zij kiezen niet voor wereldvrede of oorlog, maar voor een compromis dat hen, naar zij menen, zo zeker mogelijk in eigen waarden en rang zal laten verder leven.

Het resultaat van dergelijke pogingen een wereldvrede te bevorderen, voert tot het scheppen van zeer grote lichamen als bijvoorbeeld de UNO, waardoor misschien een tijdlang een schijn van vrede kan worden gehandhaafd, maar in feite de mogelijkheid dat het tot een meer concrete vrede komt tussen tegenstanders in feite teniet wordt gedaan. Want de vele voorwaarden die men stelt, de vele bemoeiingen, die (met eigen zekerheid en positie in gedachten) om de kool en de geit trachten te sparen, voeren maar tot een gevoel bij de feitelijke tegenstanders, dat men rustig verder kan twisten omdat de commissie of de UNO het ergste toch wel zal voorkomen. Kijk eens naar de EEG. Die zou veel meer op veel kortere termijn kunnen bereiken, wanneer er minder internationale lichamen waren en men eenvoudig zich een doel zou stellen, dat vervuld moet worden ongeacht de tegenstand van anderen. Dan zou men eenvoudig tegen Frankrijk kunnen zeggen: het spijt ons zeer dat jullie het niet met ons eens zijn, wij betreuren het dat jullie bijvoorbeeld ten aanzien van de landbouw of ten aanzien van Engeland niet met ons mee willen doen, maar dan moeten jullie maar uittreden en sluiten wij de grenzen voor jullie artikelen. Dan zullen wij wel proberen het zonder jullie voor elkaar te brengen. In dat geval zou er veel meer toegeeflijkheid zijn bij groepen, die nu ernstige tegenstand bieden, zodra het gaat om het waarmaken van de grondslagen van die EEG. Maar zo kan men niet handelen. Er moet immers gepraat worden. Niemand durft de verantwoordelijkheid te nemen voor een mogelijke breuk of een mogelijke twist.

In de Oudheid hebben de wijzen reeds gezegd dat praten zonder meer niet helpt. Het komt niet op de woorden aan, maar op de daden. Het lijkt wel een prehistorische Fijenoordleus. Men heeft reeds lang voor Jezus tijd de mensen geleerd: Wanneer je werkelijk wilt leven, wanneer je betekenis wilt hebben, wanneer je een hiernamaals wilt binnen gaan, zo zul je dit alles nooit kunnen bereiken met woorden en een afwachten wat het lot dan verder zal brengen. Je zult zelf steeds weer moeten kiezen en zelf moeten handelen volgens de gedane keuze. Men gaat daarbij zelfs zover, dat zij leren: Het is beter verkeerd te kiezen dan niet te kiezen. Want wanneer je kiest, neem je in ieder geval een initiatief en kun je dus in volgende keuzemomenten door eigen begrip en handelen de eventueel gemaakte fouten corrigeren. Alles is beter dan geheel niet te kiezen en te handelen.

Hier ligt een lering die, naar ik meen, voor een groot deel van de modernere wereld haast onbegrijpelijk zal zijn. Een uitermate belangrijke vraag wordt hier gesteld. Is het beter om perfect te handelen, maar te laat, of om haast intuïtief te reageren met alle mogelijke fouten vandien, maar snel en onmiddellijk? Is het niet beter, een snel genomen en uitgevoerde beslissing later, aan de hand van opgedane ervaringen, te amenderen en uit te breiden of om te buigen dan niet te handelen, wanneer er in feite reeds een noodzaak tot kiezen en handelen bestaat?

Ik heb daarop maar één antwoord: Zowel voor uw geestelijk leven als voor uw materieel bestaan is het noodzakelijk dat men leert van het ene ogenblik op het andere te beslissen. Het zoeken naar een volmaakte beslissing heeft geen zin. Want het menselijke beeld van volmaaktheid en juistheid zal nimmer identiek kunnen zijn met het in het goddelijke als geheel juist of volmaakt gekende. Plannen die de mensen goed, juist, onfeilbaar achten, blijken in de praktijk maar al te vaak te mislukken of grote veranderingen en aanvullingen van node te hebben. Het denkbeeld dat men iets geheel goed zou kunnen doen, is altijd weer verkeerd.

Denk maar eens aan de ramp met de Titanic, die werd beschouwd als een schip dat nooit zou kunnen zinken. Maar het schip is, juist omdat men meende nu alles geheel opgelost te hebben, gezonken en het werd een ramp, waar men vandaag nog over spreekt. De ramp ontstond in wezen, doordat men meende geheel zeker te zijn, te weten, dat alles volmaakt was, maar daarbij eenvoudig vergat dat mensen kunnen falen, dat materialen kunnen falen, dat omstandigheden zich opeens kunnen wijzigen.

U staat, geestelijk en lichamelijk, in deze dagen steeds weer voor een keuze. De meesten van u hebben zich echter aangewend, om ‘de zaak maar af te wachten’ of alleen te handelen, ‘wanneer er voldoende zekerheid bestaat’. Ik wil u een raad geven: kies, kies en handel daar ook naar. Wanneer er een ziekte ontstaat, overweeg niet of u de zaak zelf kunt genezen of misschien toch een dokter noodzakelijk zou zijn of men niet EHBO moet hebben om hierin te kunnen grijpen. Vraag bij wijze van spreken rustig: “Is er een dokter in de zaal?” (al zal dat meestal een dokter in de theologie zijn, wanneer je een arts van node hebt), maar handel dan zelf naar beste weten. Kortom, wanneer een medemens lijdt, is het niet de vraag hoe deze mens het beste geholpen zou kunnen worden, maar het feit dat hulp nu noodzakelijk is en dat men met de kennis en middelen, die er nu zijn, er zo snel mogelijk geageerd moet worden. Probeer te helpen zover dit mogelijk is. Erkent men dat aan de eigen hulp iets ontbreekt, dan zal men op grond van deze erkenning een nieuwe benadering of keuze moeten doen, waardoor het resultaat uiteindelijk beter wordt.

Wanneer de mens bij je komt met bijvoorbeeld sociale problemen. Dan heeft het weinig nut na te gaan wat het beste zou zijn, zolang men dit niet waar kan maken. Dan is de eerste regel: Hoe kan ik die mens begrijpen, hoe kan ik het beste en volgens mijn eigen weten het meest juist reageren en onmiddellijk t.m. iets doen. Zeker zal dat wel eens verkeerd aflopen. Je krijgt misschien een teleurstelling te verwerken of zelfs een blauw oog. Maar dan heb je tenminste iets gedaan en zul je op grond van de waargenomen reacties weten hoe verder te handelen.  Met beredeneren alleen kom je er niet.

Indien iemand tegenover God staat en zich afvraagt of die God er wel is of niet, zich afvraagt of Christus nu een werkelijkheid is of niet, dan heeft het weinig zin te doen of je alles maar zonder meer gelooft, alleen uit angst dat er anders misschien moeilijkheden uit zouden voortkomen. Dan heeft het geen zin om aan te nemen dat God, zo hij bestaat, de zaken wel verder zal regelen. Wanneer je werkelijk wilt weten of er een God bestaat, of je God kunt ontmoeten, zul je allereerst een beslissing moeten nemen. Misschien zal ook hier een foute beslissing mogelijk zijn. Maar je zult in ieder geval door je reageren op het probleem een ervaring opdoen, waardoor je kunt weten of er voor jou een God is of niet, welke God dit voor jou is en wat Hij voor je betekent. Op grond daarvan zul je verder kunnen gaan en verder beslissingen kunnen nemen ten aanzien van de benadering van die God of het leven tot, als gevolg daarvan, God uiteindelijk voor jou een werkelijkheid wordt, waarmede je kunt werken waarmede je werkelijk en voortdurend kunt leven.

In deze tijd hebben de mensen behoefte aan God, niet aan volmaaktheid. Zij hebben behoefte aan innerlijke zekerheid en niet aan theologische argumenten. De mensen hebben behoefte aan zelfvertrouwen en niet zozeer aan een sociale geborgenheid. De mensen hebben behoefte aan een werkelijke vrede, die van henzelf uitgaat, en niet aan vele papieren verdragen. De mensen hebben geen behoefte aan steeds meer geld en steeds meer vrije tijd. Zij hebben behoefte aan een leven, waarin zij plezier kunnen hebben, waarin zij voelen iemand te zijn.

Een leven dat inhoud heeft, zodat zij met zichzelf voor de dag durven komen, zonder onmiddellijk daarbij anderen aan te vallen. Men heeft behoefte aan het gevoel dat men betekenis heeft, de zekerheid dat men werkelijk iemand is. Dit kun je alleen bereiken, wanneer je zelf steeds weer actief bent. Sterker nog: Stakers zullen, zelfs wanneer hun staking mislukt en zij daaronder lijden, mits zij dit zelf, eerlijk, bewust en met geheel hun wezen hebben gedaan, weten hoe verder te handelen en zullen uiteindelijk meer bereiken dan degenen, die niet staakten en zo geen mislukking kenden.

De mens die een besluit neemt en handelt, groeit: Hij heeft een ervaring opgedaan. Praters echter ervaren en groeien niet. De praters zullen het hebben over alle magie en esoterie van de wereld en alles daaromtrent weten, maar zij kunnen nog niet een vonk kracht uit hun vingers brengen om een ander te helpen. Alle mensen die spreken over de noodzaak tot het nemen van verdere sociale maatregelen enzovoort, blijven plannen maken, terwijl wachtende op de volvoering van de ontworpen plannen, mensen verhongeren en verdorsten. Tot de werkelijk belanghebbenden er al niet meer zijn, wanneer men misschien de plannen eindelijk eens in werkelijkheid om gaat zetten. Al die mensen die het voortdurend hebben over het jaar 2000 en wat er dan gebeurd moet zijn, zien niet hoe de mensen rond hen gebroken worden onder hun nalatigheden ten aanzien van de behoeften van vandaag. Vandaag moet je leven, vandaag moet je handelen. Dat is de weg naar God, de weg naar onsterfelijkheid en het ware mens-zijn: niet bang zijn voor de beslissing, niet bang zijn om desnoods fouten te maken, maar altijd weer bereid zijn om met daad en denken op de feiten onmiddellijk te reageren is de les, die men in het heden nog aan de leringen en overleveringen van de verre oudheid kan ontlenen. Dit is dan ook de conclusie, die ik aan al het geciteerde voor deze tijd wil verbinden.

0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen

  • U zegt: “Waar wil is, is mogelijkheid”. Zou men niet evengoed kunnen zeggen: Waar geen mogelijkheid is, is geen wil?

Neen. De wil is altijd het eerste: Zij is immers de uiting van een besef. Het besef kan eerst ontstaan, wanneer er mogelijkheden zijn. Waar geen mogelijkheden bestaan, zal geen wil zijn, maar ook geen erkenning der feiten. Waar besef is, is echter een mogelijkheid tot kiezen. Daarom kunt u in dit geval de zaak niet omdraaien. Iemand kan wel een wil hebben, zonder de mogelijkheid deze volgens eigen besef onmiddellijk waar te kunnen maken.

Maar zijn erkennen van de mogelijkheid houdt in, dat men, bij een voldoend sterk willen, door nu te kiezen en te reageren op het volgens eigen besef in de richting van het gewilde reeds mogelijke (daad is hier dus een noodzaak) uiteindelijk het schijnbaar onmogelijke toch te kunnen verwezenlijken.

De meeste mensen in deze tijd willen wel heel veel, maar zien het nooit waar worden, omdat zij eenvoudig niet in staat zijn een eerste stap te doen in de richting van het gewilde of die stap nu juist of onjuist is. Velen denken dat zij zeer vele dingen willen, die zij in feite niet werkelijk wensen. Zij dromen er wel over, maar wensen geen stap tot de verwerkelijking ervan te zetten, terwijl zij bij een mogelijk waar worden van het volgens hen toch zo begeerde en gewilde vaak terugschrikken voor die verwezenlijking.

  • Waar een wil is, is een weg.

Voor de automobilisten in Nederland hoop ik dat dit eens waar zal worden. Indien u echter ‘weg’ wilt vertalen als mogelijkheid, dan is deze spreuk zeker juist.

  • Wat is de bron van het Tibetaanse dodenboek?

Een magisch natuurgeloof. Het bestaat reeds voor de komst van het boeddhisme en wordt beïnvloed door geloof in natuurgoden en demonen, tovenaars, sterke verbindingen met de geestenwereld. Invloed op de vorm heeft de binding met de hindoewereld, maar aan de andere kant speelt ook de Chinese filosofie en het daar heersende vooroudergeloof bij de vorming een rol. In de tijd ligt de bron rond 4000 v.Chr. De nu bestaande versies daarvan ontstaan echter eerst rond 500 n.Chr. Na een zeer lange periode van ontwikkeling stabiliseert zich dit denken, omdat het eerst dan voldoende door de lama’s wordt vastgelegd. Theocratie is een stabiliserende factor, die alle natuurlijke ontwikkeling tegenhoudt, zeker waar het geestelijke waarden betreft.

  • U zegt: beslissingen nemen. Maar worden niet vele ongelukken veroorzaakt door mensen die onbeholpen beslissingen nemen?

Inderdaad. Dit vloeit echter voort uit het feit, dat de meeste mensen die een beslissing namen en zagen dat deze verkeerd voor hen uitliep, niet snel genoeg bereid zijn een tweede beslissing te nemen, maar zich ondanks alles aan de eerst genomen beslissing vast blijven houden. Wie zich onthoudt van actie op eigen initiatief, dus het zelf nemen van beslissingen, is hulpeloos in het bestaan. De mens die een beslissing neemt, zal daarbij zowel voor zich als voor anderen enig risico niet kunnen vermijden, dit is geheel juist. Maar hij zal door het nemen van de beslissingen in ieder geval leren wat en waarom iets onjuist was en kan dan, wanneer hij snel genoeg een tweede beslissing weet te nemen, de werkelijke gevaren die de eerste beslissing met zich bracht zowel voor zich als voor anderen nog wel kunnen voorkomen. Voorbeeld: Iemand die in het moderne verkeer lang zit na te denken of de weg wel veilig is, heeft grote kans eerst door te rijden, wanneer hij daardoor bijna met een ander in botsing komt. Door zijn traagheid van besluiten, zal hij zich niet tijdig genoeg aanpassen en zo een werkelijke botsing veroorzaken. Iemand die wat te vlug optrekt, beseft het gevaar sneller en kan door een even snel verder reageren meestal een werkelijke botsing nog wel voorkomen. Te lang beraden betekent over het algemeen, dat men tot een beslissing komt, die niet meer op de feiten van vandaag gebaseerd is, maar op reeds veranderde toestanden die in het verleden bestonden.

  • Iemand ligt op de grond, gewond en mag niet verlegd worden. Een ander komt erbij en wil snel even helpen. Hij verlegt daartoe de gewonde en veroorzaakt diens dood.

In de eerste plaats kan worden gesteld dat, wanneer die mens niet geholpen zou hebben, voor de gewonde het gevaar tot sterven toch zeer groot geweest zou zijn. De mens die op deze wijze verkeerd tracht te helpen, doet echter ervaring op, waardoor hij in volgende gevallen beter zal kunnen helpen en misschien velen voor de dood behoedt. U gaat uit van het standpunt dat het niet aanvaardbaar is wanneer door deze regel van snel handelen ook maar één leven teloor zou gaan. Weet u hoeveel levens elke dag weer worden opgeofferd aan traagheid in reactie en aan bepaalde belangen? Denk aan de vele ongelukken op de weg: Gebeuren die nu werkelijk alleen maar door de onbeheerstheid van de mensen? Of is hiermede het belang van anderen bij een toenemende verkoop van auto’s en benzine oorzakelijk? Ligt een deel van de verantwoordelijkheid ook niet hij de mensen die gevaarlijke situaties laten voortbestaan, terwijl zij twisten over bijvoorbeeld de meest ideale wijze van wegenbouw?

Daaraan worden wel degelijk vele mensenlevens en heel wat materialen opgeofferd. Ik wil nu niet eens van oorlogen spreken. Maar is het u bekend, dat in sommige ziekenhuizen mensen op een andere dan de gangbare en veilige wijze worden behandeld, iets waardoor zij misschien gered kunnen worden, maar vaak (terwijl de gedane behandeling, gezien de kwaal, onnodig was) zelfs sterven? Hier gaat het om het prestige van een chirurg of een uitbreiding van kennis en daarmee van reputatie van een ziekenhuis of artsen. Ik zal niet zeggen dat dit in Nederland vaak voorkomt. Maar elders komt het veel meer voor en daar worden dus mensen eveneens aan de belangen van anderen opgeofferd. Alleen is hier niet een besluit, een bewust handelen, maar alleen een onverschilligheid ten aanzien van de anderen en hun lot de oorzaak. U zegt: Wanneer je die ene mens eerlijk wilt helpen en je komt, uitgaande van beste weten en handelende voor die ander, tot een beslissing, dan is dit gevaarlijk. Ik geef dit toe. Maar zeg toch: Voer die beslissing dan ook uit. Het risico zal dan waarschijnlijk nog minder zijn dan uit onzekerheid zo iemand maar laten liggen van eeuwigheid tot amen. Voor de persoon zelf is het dan misschien nog prettiger door een verkeerd uitvallende, maar in ieder geval onmiddellijk en eerlijk gegeven hulp, te sterven, dan te sterven als slachtoffer van bijvoorbeeld een strijd tussen twee gemeenten, wiens dienst nu eigenlijk de ambulancewagen zal moeten sturen.

Want vaak spelen bij instanties overwegingen van prestige en mogelijke kosten een grotere rol dan het welzijn van degene die gewond is.

Neem mij niet kwalijk dat ik dit zeg. Mensenlevens worden elk ogenblik gewaagd. Men bouwt fabrieken, die komende geslachten en zelfs de nu levende, op de duur kunnen vergiftigen wanneer men zo doorgaat en men zwijgt vanwege de commerciële belangen of omdat men zich aan kapitaalkrachtige zaken met goede relaties de vingers liever niet brandt. Er worden giftige stoffen gebruikt ter conservering van voedingsmiddelen en vergroting van de oogsten, die allesbehalve gezond zijn. Steden worden uitgebreid zonder nadenken over de vraag of men daarin nog als mens zal kunnen leven. Water laat men eenvoudig vervuilen, omdat dit het goedkoopste is, ook al betekent dit dat mens en dieren daarvan in toenemende mate het slachtoffer worden. Maar hier spreken de belanghebbenden en degenen, die geen beslissingen durven of willen nemen, dat men het risico moet nemen, omdat men zich anders niet verder kan ontplooien enzovoort. Wanneer u daarentegen een verkeerde beslissing neemt voor die ene mens, heeft u in ieder geval nagedacht, wat u naar beste weten voor die ander zou kunnen doen. Mijns inziens zal een dergelijk ingrijpen op de duur minder schade en leed veroorzaken dan het goedwillende nietsdoen, door plannende mensen, die in feite de beslissingen nu nog niet durven nemen en daardoor bezig zijn bepaalde delen van bijvoorbeeld Nederland, V.S. en andere landen te vergiftigen, omdat zij zeker willen zijn, dat hun beslissing, wanneer zij die eenmaal nemen, de juiste zal zijn. De kans is groot dat, wanneer deze mensen eenmaal tot handelen overgaan, het te laat is.

Volgens mij moeten ook in dergelijke gevallen onmiddellijke beslissingen worden genomen en zal men niet de beslissing mogen vermijden, omdat men nu eenmaal iets heeft toegestaan en daarom vreest aanzien te verliezen of kosten te maken, wanneer men nu nog iets zou zeggen.

Beslissen betekent hier ofwel eenvoudig aan de hand van de omstandigheden zeggen: Dit kunnen wij niet meer aanvaarden, dan wel beslissen: dit risico moeten wij lopen. Maar dan ook eerlijk zeggen: mensen, dit is het gevaar, houdt er rekening mee. De meeste mensen in Nederland en andere landen bevinden zich op het ogenblik in de positie van de gewonde, die u als voorbeeld gaf. Zij mogen misschien niet vervoerd worden of moeten juist zeer snel vervoerd worden. Degenen echter, die bezig zijn om hen te helpen, vragen zich niet af hoe zij de patiënt het beste kunnen helpen, maar hoogstens hoe zij het beste uitkomen op het plaatje van de fotojournalist, die er een beeld van maakt.

  • Welke rol speelt hier identificatie?

 Als u staat voor de patiënt uit het voorbeeld en kunt zich één voelen met die mens, dan zult u ook voelen waar het gevaar schuilt voor de patiënt en zal uw beslissing haast automatisch ook voor de ander geheel juist zijn. Hebt u met een medemens te maken en hoort u alleen zijn woorden, kijkt u alleen naar zijn uiterlijk, dan weet u niet wat die ander werkelijk is. Probeert u die ander te zijn, dan is het of diens eigen gedachten en problemen in u herontstaan. U weet dan wat er achter het uiterlijk ligt. Identificatie is dan ook voor degene, die haar bereiken kan, één van de grootste krachten tot juist handelen en begrip in het bestaan. Het berust op het één ogenblik opgaan in de ander of het andere. Zelfs indien je dit niet kunt, blijft het echte nog beter een beslissing te nemen en te handelen, dan geheel niets te doen of te besluiten.

  • U toont de wijsheid van de Oudheid. Men zou haast zeggen, dat daarvan veel teloor is gegaan, zodat de wereld van heden van een beslist minder gehalte is dan de wereld van de Oudheid.

Ik zou dit niet durven zeggen. Wij moeten niet vergeten dat de wijzen die ik citeer, de uitzonderingen zijn in die oude wereld. Hun woorden waren voor het merendeel van hun medemensen eenvoudig onbegrijpelijk. Nu kan de gemiddelde luisteraar wel de bedoeling van hetgeen werd gezegd bevatten, ook al is hij het er niet mee eens. Waaruit men zou kunnen besluiten, dat het gemiddelde begripsvermogen der mensen toch wel op dit terrein hoger ligt in het heden. De geciteerde denkers leefden in een wereld vol van het onbekende. Zij waren in zeer grote mate vrij en kenden bij hun denken weinige beperkingen, zodat zij vrijelijk hun denkbeelden en filosofieën konden ontwikkelen. Naarmate een maatschappij echter een meer rigide structuur krijgt, minder vrije ruimte beschikbaar is en de groepen grotere aantallen gaan omvatten, wordt de vrijheid van denken automatisch minder groot. Ik meen, dat in deze tijd zeer vele mensen tot het ontwikkelen van soortgelijke wijsheden in staat zouden zijn, wanneer zij niet door de gemeenschap waarin zij leven, van geboorte tot dood daarin nadrukkelijk werden gehinderd.

  • Indien je voor onbekende mogelijkheden staat en toch moet beslissen, is er dan nog een mogelijkheid een juiste beslissing te nemen?

Denk in uzelf na en vraag u af wat u de meest juiste weg lijkt, doe hetgeen u, desnoods intuïtief, als het juiste aanvoelt. Dit is op het ogenblik zeker het meest in overeenstemming met uw wezen. Wanneer de uitkomst niet juist is, beslis dan zo snel mogelijk opnieuw, op basis wederom van uw eigen wezen, maar mede op grond van de opgedane ervaring. Uw reactie kan nimmer berusten op een eenmalige keuze. Er is altijd weer sprake van de noodzaak voortdurend hernieuwd te kiezen, waarbij een zo snel mogelijk doen van een nieuwe keuze van het grootste belang is voor het uiteindelijk bereiken van het beoogde resultaat. Wie van een verkeerd standpunt uitgaat, kan desondanks het nagestreefde bereiken, wanneer hij maar snel genoeg blijft reageren en kiezen. Iemand, die wel een juiste keuze doet, maar bij het verder nemen van besluiten en kiezen te traag is, zal het gestelde doel echter zekerlijk niet bereiken. Wanneer de mogelijkheden niet bekend zijn, zal men niet kunnen nadenken, maar zal men toch moeten kiezen en wel op grond van gevoel of intuïtie. Er is dan een begin, waardoor een meer bewust kiezen verder mogelijk zal worden. Maar wij zijn nu aan het einde van de voor mij beschikbare tijd. Ik hoop dat u het geheel wilt overdenken en daarbij het volgende mede wilt overdenken: “Werkelijk leven is een voortdurende onzekerheid, waaruit door het voortdurend kiezen in onzekerheid ook voortdurend weer momenten van geluk en bereiking ontstaan.”

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Is bidden, dan wel mediteren belangrijker?

Ik wil vandaag aandacht schenken aan de vraag, of nu bidden ofwel mediteren belangrijker is.

Men stelt dan dat men in de meditatie tot een beter begrip kan komen. Begrip is de verruiming van innerlijke erkenning en aanvoelen, zodat men een stapje vooruit maakt, terwijl bidden over het algemeen alleen maar uiterlijk blijft. In vele gevallen is dit laatste wel juist. Maar dit ligt aan de wijze van bidden, niet aan het feit zelf, dat men bidt. Degenen die tegen de meditatie zijn, gebruiken vaak als argument Jezus zelf, die de mensen immers het Onze Vader heeft geleerd. Dit, zo stellen zij, is geen meditatie, maar een gebed. Nu kun je alles een gebed noemen. Dat is maar een naam. Maar als je de inhoud van het Onze Vader eens nagaat, zo lijkt mij dat hierin zeker evenzeer sprake is van een meditatie, een overwegen, als van een eenvoudig iets vragen. De meeste mensen vinden het gemakkelijker te bedelen dan na te denken, zodat dit (bezinnende) aspect van het gebed meestal wel vergeten zal worden.

Laat ons daarover eens spreken. Begin bij het begin.

“Onze Vader….”

Wat is vader? Een begrip, een wezen, waarop je terecht of ten onrechte altijd en beroep moogt doen, je voortbrenger, maar ook je beschermer. Het is iemand, met wie je zeer verbonden bent en die, althans in een deel van je leven, de macht uitoefent. Hij is degene, die zorgt voor inkomen, brood met of zonder beleg. Het zeggen: “Onze Vader” betekent dus, dat wij een relatie hebben met God, dat wij Hem kunnen aanvaarden, Hem vragen mogen stellen, als wij dit maar kunnen en willen, mits wij zijn gezag aanvaarden.

Dat ligt al in die eerste woorden: “Onze Vader – mijn Vader – die in de hemelen zijt…”

Wat zijn die hemelen? Ligt dit ergens boven de wolken? De “hemel” betekent in menselijke termen een oord van vrede, volmaaktheid, rust. Overdenk dit: Vader, gij die leeft in de wereld van de werkelijke vrede!

“Uw koninkrijk kome….”

Wat voor koninkrijk? Wij hebben het zo even reeds gezegd: God is de Vader, die leeft in het rijk van de werkelijke vrede. Uw koninkrijk, uw vrede, uw werkelijkheid, kome, op aarde zowel als in de hemel. Dus druk ik de wens uit dat de vrede Gods universeel moge zijn, bewust moge worden ervaren in het geheel der schepping. Besef wat je zegt en je volbrengt al een hele meditatie. Maar er is meer.

Bijvoorbeeld het graag geciteerde stukje: “Geef ons heden ons dagelijks brood…..”

Brood? Geef ons datgene, wat wij voor onze existentie van node hebben. Denk er eens over na wat je om te leven werkelijk allemaal van node hebt. Niet alleen voedsel, maar ook levenskracht, genade, lucht, zon, wat geluk, wat wijsheid, verruiming van begrip. Wie over de betekenis nadenkt beseft opeens en vraagt dan ook om alles wat je waarlijk nodig hebt om waarlijk mens te zijn.

Of dit: “Vergeef ons onze schulden…..”

Gemakkelijk gezegd. Maar als ik dit vraag, moet ik toch ook beseffen wat mijn schuld is. Wat zijn de onevenwichtigheden die ik in mijzelf ontken. Laat ik me eens een ogenblik bezighouden met alles wat ik gedaan heb. Wat klopte er niet in mijn doen. Wanneer ik bid: “Vergeef ons onze schuld”, dan moet ik toch ook wel eens even nadenken wat daarin mijn aandeel wel kan zijn. Dit op zich is al een gehele meditatie, een terugvinden van de gehele dag, misschien wel van je gehele leven. Het is een erkennen waar je eigenlijk gefaald hebt en dus ook van hetgeen je nu zou moeten doen en zijn.

Onmiddellijk daarna volgt dan: “Zoals ook wij hen vergeven, die tegenover ons schuldig zijn.”

Denk na: Ik ben zelf niet volmaakt. Dan mag ik ook van anderen niet eisen dat zij dit zijn. Ik moet begrijpen, dat ik van een ander niet meer mag eisen dan ik vanuit mijzelf kan zijn en geven. Ik mag niet meer van anderen eisen dan van mijzelf. Alweer een onderwerp waar je je gedachten heus wel langere tijd over kunt laten gaan.

En dan die zin, waarmede men zo veel pleegt te schermen, zelfs om het bestaan van een duivel te bewijzen: “Maar verlos ons van het kwade”, het boze.

Wat is eigenlijk het kwade? Het kwade is datgene wat wij doen, doch waarvan wij weten, dat het niet juist, niet goed is. In feite vragen wij dus ook: “Wij vragen U Heer, verlos ons van de strijdigheid in ons eigen wezen…. Verlos ons van onze innerlijke verdeeldheid, ons goed willen en verkeerd handelen.” Alweer een kwestie, waarbij niet alleen angst voor de duivel, maar ook enige zelfkennis (en dit vergt meditatie, overweging) een rol speelt.

“En verlos ons.” Verlossen? Dit kan bevrijden betekenen. Maar het kan ook ontbinden betekenen. Een verloskundige is iemand, die een kind in de wereld helpt brengen en zo uit de twee-eenheid twee eenheden maakt. Wat in ons als kwaad bestaat, zal ergens wel zin en recht van bestaan hebben. Anders zou het in de schepping niet voorkomen. Maar wij zien dit kwaad als deel van onszelf. Wij moeten leren een scheiding te maken tussen dat, wat wij werkelijk zijn, het goede of de God die in ons leeft, zoals wij het plegen te noemen, en het andere, datgene, wat wij niet willen. Juist dit ‘kwade’ moeten wij een eigen plaats geven, erkennen voor wat het is. Wij vragen God ons daarbij te helpen, ons de mogelijkheid te geven het ‘kwade’ in ons te overwinnen, achter ons te laten.

Wanneer je dus dit algemeen geldende christelijke gebed neemt, blijkt dit één der mooiste meditaties te zijn die je je maar denken kunt. Bovendien is het geen vastgelegde meditatie. Want er zijn mensen die meditaties menen te kunnen lezen, zoals een plaatsvervangende prediker een preek voorleest. Maar het is, ongeacht de vaste vorm van het schema van overwegingen, een meditatie, die je telkens weer dwingt je met jezelf te confronteren en eigen persoonlijk leven en reageren onder de loep te nemen. Zelfs het begrip ‘Vader’ blijft niet altijd gelijk. Vandaag is vader in de eerste plaats een tiran, morgen is papa een goede man en overmorgen zullen wij hem alles geven, want daar verwachten wij veel van.

Wanneer je elke dag weer dit gebed in jezelf nagaat, zul je elke dag ook geconfronteerd worden met je ogenblikkelijke relatie tot God, met eigen leven en denkbeelden. Je zult steeds weer moeten erkennen wie en wat je bent. Het is niet alleen maar even vragen aan de goede God ervoor te zorgen, dat wij deel van het koninkrijk worden, voldoende te eten krijgen en onze schuld kwijtraken. Men maakt dat er wel van, maar volgens mij is dit toch de bedoeling niet. Op grond hiervan zou ik willen stellen dat degene die goed mediteert, ook gelijktijdig goed bidt. Wie werkelijk goed bidt, zal tevens mediteren. Er zit maar een enkel haakje aan: het mag niet bij theorie blijven. Je kunt niet dansen leren uit een schriftelijke les, zonder dat je ook oefent, pas dan kun je wat presteren.

Zo is het met mediteren en bidden ook. In jezelf de zaak realiseren is al heel aardig, maar het blijft theorie. Een theoreticus zal God bidden om zijn dagelijks brood, zal dan rustig gaan zitten wachten tot het komt. De practicus begint, zeker van Gods hulp, er zelf iets aan te doen en moppert niet dat de ober zo lang weg blijft. Overweeg de zaken, vraag God je te helpen en sla zelf de hand aan de ploeg, dan eerst kan je zeggen dat je werkelijk goed bidt of mediteert.

image_pdf