Oude wijsheden van het oosten

De wijsheid van het oosten is in de oudheid gebaseerd, zoals praktisch elk geloof, op een vorm van natuurverering. Wij vinden in alle oude gedachtegangen de natuur als goddelijk en we ontmoeten bepaalde natuurkrachten dus gepersonifieerd in de gedaante van goden, terwijl ook menige heros later een natuurgod of een halfgod wordt. Ik zal mij zoveel mogelijk onthouden van het noemen van de namen van deze goden en helden. Zij immers staan niet direct voor de kracht van een godheid, maar zij omschrijven een bepaalde toestand, een bepaalde werking of invloed in de natuur.

De wijsheid zelve heeft echter al zeer vroeg gezocht naar een samenhang. Deze samenhang kwam natuurlijk allereerst tot uiting in het bekende conflict licht ‑ duister, goed en kwaad. Hiervan vinden we verschillende opvattingen.

In het oosten heerst zeer sterk de opvatting, dat het kwade in zich niet kwaad is, maar dat het noodzakelijk is. Het kwade is het middel tot vooruitgang en verandering. De goden (dus de krachten die in het kwaad optreden) zijn de mens weliswaar niet vriendelijk gezind, maar de mens kan met behulp van andere goden en krachten over dit kwade zegevieren; en wat meer is: het kwade brengt heel vaak ook weer het goede voort. Het is belangrijk dat we dit voor ogen houden. Deze opvatting goed ‑ kwaad n.l. wordt afgewisseld met een stelling, waarin een voortdurende strijd tussen goed en kwaad ‑ die onbeslist verloopt (een soort gelijk spel) wordt aangenomen.

Dan kennen wij ook nog een gedachte, waarbij alle licht op den duur door het duister zal worden verzwolgen en waarbij de begrippen goed en kwaad door licht en duister zijn vervangen. Het duister is het onbegrepene; het licht is het kenbare. Ook hier is het onbegrepene geïdentificeerd met het demonische of het kwade maar niet in zo absolute zin als in beide voorgaande betekenissen.

Voorts hebben we in deze oude wijsheid zeer sterk te maken met het inspiratief element, de inwijdende gedachte. Deze gedachte komt in het oosten altijd betrekkelijk bloemrijk tot uiting. Wanneer men een lering wil geven, grijpt men naar een gelijkenis. Wanneer men bepaalde uitspraken wil doen, legt men deze in de mond van een heros op een slagveld, van een koning op zijn troon. Er is dus een vorm van omkleding, van omschrijving. Ook deze moeten wij voor een groot gedeelte terzijde stellen, wil hetgeen wordt gesteld voor ons aanvaardbaar en duidelijk worden. Ook hier zal ik dus zoveel mogelijk de begeleidende verschijnselen elimineren.

Ten laatste wil ik u erop wijzen dat het oosten een zeer bijzondere vorm van wetenschap heeft. Deze wetenschap zoudt u een geestelijke of een occulte wetenschap kunnen noemen, maar geheel juist is dit niet. Alles staat in verband met de bezielende krachten, die in de natuur tot uiting komen; ook de normaal wetenschappelijk verschijnselen. Het resultaat is, dat een direct wetenschappelijk onderzoek vaak een magische tint krijgt, dat wijsheden, die in zich eigenlijk materiële kennis bevatten, worden verborgen in een beeldspraak, waarbij ze schijnbaar irreëel zijn. Ook dit zult u moeten begrijpen om u in het oosten te kunnen thuisvoelen. Achter de façade verbergt zich een werkelijkheid, die echter buitengewoon belangrijk is en die ons confronteert met een groot aantal Meesters uit de oudheid. Elk van deze Meesters heeft zijn eigen manier om iets te onderwijzen. Elke lering van hen is een voortzetting van een vroegere leer. Zo zien wij b.v. dat de Hindoe‑leer zich ontwikkelt uit bepaalde natuurgodsdiensten, die ‑ oorspronkelijk waarschijnlijk iets meer noordelijk gesitueerd ‑ het zuiden van Azië overrompelt, vandaar ook de eilanden beroert en uit zich een vernieuwing baart. De eerste vernieuwing vinden wij in de buurt van het huidige Am‑ritsar. Daar staat n.l. een profeet op die de leer van de natuur en de vruchtbaarheid een nieuwe gestalte geeft. Hij zal later mede worden gekend als Krishna, terwijl hij soms ook Kendia wordt genoemd. Hij wordt dus met verschillende goden a.h.w. geassocieerd. Van hem uit zien we een aantal brahmaanse leraren en grote wijsgeren komen, die een leer opbouwen, welke wij in de verschillende Veda’s vinden vastgelegd. Elke keer gaat men een stap verder; men gaat één schrede voort op de oude weg. En wanneer wij de boeddhisten ontmoeten (de Boeddha), dan moeten we ook niet denken dat we te maken hebben met een werkelijke vernieuwing. Er is slechts weer een uitbouwen van het oude, een terzijde stellen van het onbelangrijke. Misschien kunnen wij de oude wijsheid van het oosten het best karakteriseren met deze woorden; “Niets is werkelijk belangrijk.” Het klinkt vreemd. Maar niets is werkelijk belangrijk, want alle dingen hebben hun betekenis en zin; en de mens kan deze niet overzien.

Zo roept een van die wijsgeren bij monde van een held uit:

“Want ziet, ik heb mijn strijdschijven geworpen, ik heb mijn lansen geveld en ik heb mijn vijand uitgedaagd. Maar niet ik, doch de goden zijn het die beslissen. En terwijl ik ga, overwegende de slag, die komen zal, is het mij, of ik loop op een akker vol doden.” Dat is niet bedoeld als een denigrerende opmerking over de strijd, helemaal niet. Maar het is ergens beslist.”

Die gedachte, dat alles ergens zijn zin heeft, dat het beslist is, dat er een vast systeem is, is voor ons wel het meest belangrijke element. Er is niet ‑ zoals we bij de westerse wijsgeren en ook bij de wijsbegeerte vinden ‑ de zo sterke gedachte aan een persoonlijke vrijheid. De mens is en blijft gebonden in een netwerk van krachten en goden, waaraan hij alleen kan ontkomen, indien hij aan zijn mens‑zijn ontvlucht. De wijze doet afstand van al wat hem bindt aan de wereld,. De voorschriften volgt hij niet, omdat zij op zich belangrijk of zinvol zijn, maar omdat zij een afstand scheppen tussen hem en al het andere. Hij wil vluchten voor het mens‑zijn. Deze stelling is op het ogenblik voor het westen natuurlijk niet aanvaardbaar. En ook het oosten heeft zijn vlucht voor het leven moeten prijsgeven en zijn innerlijke principes, zijn occulte wereld langzaam maar zeker moeten richten op de meer materiële opvattingen, die nu eenmaal de aarde op het ogenblik beheersen. De belangrijke factor, die we wel kunnen begrijpen, is het begrip van een reïncarnatie. Hierover zijn heel veel verschillende opvattingen, maar ik wil u hier enkele uitspraken citeren:

“Hij, die heengaat in onwetendheid, wordt herboren naar zijn verdiensten; en we zullen hem zien in de dieren des velds en in de planten geketend, tot hij hernieuwd mens kan worden.

Maar hij, die in zich de wijsheid draagt en bewust heengaat, hij wordt herboren als mens. En wetend zijn doel, is hij de tweemaal‑geborene en draagt hij de wijsheid waardoor hij aan het lot kan ontsnappen.”

Dat is een beginsel, dat wij in het boeddhisme terugvinden; het verbreken van een noodlotsketen.

Gaan we bij de incarnatie een schrede verder, dan vinden we o.m. bij bepaalde boeddhistische geleerden en wijsgeren deze opvatting:

“Wie leeft op aarde, vindt zichzelf een taak. En deze taak, die hij zichzelf stelt, zal hij moeten vervullen, want niemand kan van de weg afwijken, die hij eenmaal heeft betreden. En zo zal hij terugkeren, tot de weg voltooid is, tot de taak volbracht is.

Slechts hij, die angst noch begeren kent, bevrijdt zichzelf. Want ziet, hij vervult in ene maal; en zo hij terugkeert, is het niet om zichzelf of uit een gebondenheid aan zichzelf.”

Hier komt duidelijk de idee naar voren; reïncarnatie bestaat, maar we kunnen eraan ontsnappen. De mens wordt zich bewust van zijn macht. Die ontsnapping wordt steeds weer gezocht in velerlei riten maar ook in systemen. Wij vinden naar het noorden toe (China, het begrip van Tao, dat onmiddellijk verknoopt lijkt te zijn met het Yan‑Yin (het mannelijk‑vrouwelijk) principe der tegenstelling. Hier gaat het om de vervulling van de ingeleefde taak.

Wanneer ik op de wereld kom in een bepaalde toestand, dan is dit zo omdat ik behoor tot een stand; en in die stand ligt mijn taak. Mijn geboorte omschrijft al het verdere. Juist is dit natuurlijk niet. Maar het is voor ons belangrijk om ook dit te begrijpen. De gedachte, dat je een noodlot hebt, waaraan je niet kunt ontkomen, brengt je tot zeer vele handelingen, die dwaasheid lijken in de ogen van een westerling. En wanneer wij ons moeten bezighouden met mensen, die in deze wijsheid en deze leer zijn opgegroeid, (de mahatma’s, de grote leiders van deze tijd), dan moeten wij wel beseffen dat ook zij zich geketend voelen aan een noodlot.

Hier heb ik dan om te beginnen een kleine schets gegeven van de achtergrond van het oosten. Wanneer wij die achtergrond voorbijgaan, kunnen we elke spreuk en elke wijsheid, die ons wordt gebracht, op onze manier interpreteren. We kunnen haar misschien meer westers maken, maar zij verliest daarbij haar betekenis. Vergeet niet, dat zelfs een heilig man, die in afzondering leefde, aan zijn leerlingen eens deze les gaf:

“Wanneer gij zegt: ‘Kom tot ons’, zo kan ik tot u komen; maar niet als dat dat wat ik ben. Komt, gij tot mij en deelt mijne gedachten, opdat ge de wijsheid erkennen kunt, die in mij is gegroeid.”

Een typische redenering. Maar een redenering, die voor ons uitermate belangrijk is, omdat we moeten beseffen het is onmogelijk om een oosterse gedachtegang over te planten in de westerse systematiek van denken. Indien u dus goed wilt onthouden, dat u dit niet moogt omzetten in alleen maar gewone westerse redelijkheid en in overeenstemming moogt brengen met uw eigen inzichten, mystiek en moraal, dan misschien kunt u uit het volgende voor uzelf enige vruchten plukken:

“Mijn geest is de kracht, die mij verbindt met alle dingen; want tot mijn geest spreken de goden; en de goden, beheersen de wereld. Zo zend ik mijn geest tot de goden. En ziet, zolang ik leef, vervult zij door de goden mijn wil aan alle dingen.”

Magie.

Het is het principe, waardoor men o.m. bij de Perzen maar ook wel degelijk in andere landen, zelfs in het tegenwoordige Indonesië de gedachte heeft ontwikkeld van “het zenden van zijn geest”. Heel veel gebruiken t.o.v. amuletten e.d. maar ook riten zijn gebaseerd op die gedacht; ik kan mijn geest zenden.

Dan is er een tweede principe, dat belangrijker wordt naarmate u overweegt dat het een band vormt met heel veel werelddelen, die niet tot Azië behoren. De grote koningscobra is daar de vorst van het leven. Hij is het embleem van eeuwigheid, van grote macht. Wanneer de Boeddha in eenzaamheid mediteert, dan is er een cobra achter hem en hij spreidt zijn hoed uit (zijn kraag dus), omdat de heilige in de schaduw moge vertoeven en niet door de zon worde gestoord. Dat is een liefelijke legende. Maar diezelfde slang vinden we terug in de uraeus van de Farao’s; we vinden haar terug in de Gevleugelde Slang van de Azteken; we vinden haar terug in de Drakenaanbidding van China. Waarom de slang? De slang is voor de denker het symbool van dat wat gelijktijdig aarde en niet‑aarde is, leven en dood, eeuwigheid. Wij vinden later bij de Gnostici het symbool van de Ouroburos: de slang, die zichzelf opeet. En daarmee vinden wij het symbool van de eeuwigheid, zoals het westen dit heeft begrepen. Maar de eeuwigheid is in het oosten niet slechts een eeuwige kringloop, het is meer.

“Zoals de slang gaat rond de aarde, zoals zij leeft in de wereldzeeën en haar gif daarin spuwt op de dag der schepping, zo leeft de tijd. En ziet, de tijd is gelijktijdig leven en dood.”

Een typische opvatting. Een opvatting, die overigens ongeveer 4000 jaar oud is. Een gedachtegang, waarbij het oosten ons confronteert met de gedachte van het tijdloze. De tijd op zichzelf is niet belangrijk, ze is een gif, dat ons bedreigt, want wij zijn leven. En de dood zelf is alleen maar een verschijnsel in die tijd; het gaat ons betrekkelijk weinig aan.

“Ik ben. En waar ik ben, weet ik niet, want rond mij is de wereld der begoocheling. Maar zijnde, zoek ik, en in de begoocheling vind ik steeds weer werkelijkheid, en uit de werkelijkheid verhef ik mij, tot ik ‑ mijzelf erkennende ‑ betreed de wereld van rust.”

Dat is het oosten, zoals het in de brahmaanse leer en ook in de Hindoe-­leer ten slotte zichzelf projecteert als eeuwig.

Wanneer wij door het leven gaan, dan zijn er onze daden. En wij allen kennen wetten van oorzaak en gevolg. Maar het oosten ziet dat anders:

“Ik kan niets doen, wat ik niet aan mijzelf doe. Wanneer ik een ander dood, dan dood ik iets van mijzelf. Wanneer ik een ander leven geef, dan geef ik die ander iets van mijzelf; dan is dat leven verder van mij. De hele wereld is een bol. En waar ik ook heenzie, mijn blikken keren tot mijzelf terug.”

De mens staat in het midden van de bol van het heelal, waaruit alles tot hem terugkeert. En die hele wereld wordt verder voor hem een begrijpelijke menging van micro‑ en macrokosmos.

Wij kunnen bv. bij Chinese denkers van ruim 1800 jaar geleden al gedachtegangen vinden, die wijzen in de richting van het atoom, het molecule. Dingen, die men officieel niet zou mogen weten. We horen stellingen over de levenskracht (sommige daarvan zijn ouder dan 5000 jaren), waar op den duur de geneeskunde op wordt gebaseerd, maar die in feite iets meer zijn en die alles wat men op het ogenblik over zenuwstelsel e.d. gaat leren, al bevatten. Het oosten heeft wel degelijk een praktische kennis. Maar die kennis zal nooit praktisch worden genoemd door de westerling, omdat zij niet in de eerste plaats materialistisch is. Wanneer men spreekt over de krachten die door goud en door zilver lopen, dan lacht de westerling en hij zegt; “Wat maakt het nu voor verschil uit, of ik u nu steek met een gouden naald of met een zilveren?” De oosterling zegt; “Ze hebben verschillende uitstralingen. Ze vangen verschillende krachten op.” De westerling zegt: “Bewijs me dat.” Alle dingen hebben hun eigen kracht.

“En zo ik de zon vang door mijn lens, ik maak haar tot geur. Zo ik de zon vang door mijn lenzen, ik maak haar tot weten; of ik zend de stralen uit en ziet, mijn gedachten worden beelden, die in verre steden zich tonen.”

Dit is uit de oorspronkelijke boeken van de magische school ‘Van Bonares’,

Vergeet niet: alles leeft. Maar wanneer ik geloof dat alles leeft, dan moet ik ook geloven dat alles een persoonlijkheid heeft. En dan hebben alle metalen hun persoonlijkheid; en dan hebben alle krachten hun persoonlijkheid. En wanneer ik die persoonlijkheid maar ken, dan weet ik ook wat erbij past, wat die kracht (die persoonlijkheid) wel kan aanvaarden en ik misschien niet. Hier past misschien ook weer een uitspraak van een van de kluizenaars, die oorspronkelijk leefden op de Karakorum en wier leerstellingen o.m. grote invloed hebben gehad op de Dzyans en later op de boeddhisten en speciaal wel op de boeddhistische sekten, die we vinden in de buurt van Ceylon.

“Alle leven is onbepaald en toch kent alle leven zijn eigen kracht. En wie de kracht van dit leven beseft en in zich opneemt, hij is verbonden met alle kracht.”

Alle leven is geldig want alle leven is gelijk.

Ik ben leven van alle leven; en alle leven is leven van mij. Maar ik mag mij niet hechten aan het leven of aan het gaan van het leven. Ik mag, mij niet binden aan kracht of aan krachteloosheid. Slechts gaande mijn eigen weg, zal ik ervaren dat door pijn verworpen zelfs van het raadsel en de vraag de openbaring, de helderheid in mijzelve ontstaat (ik zou eigenlijk moeten zeggen “openbaring en licht” maar dan klinkt het christelijk) uit mijzelve.

Dat is een heel eigenaardig principe. Het oosten heeft altijd zijn kasten gekend. En ik weet wel, dat die kasten op den duur een vaste instelling zijn geworden. Maar oorspronkelijk was het mogelijk van de ene kaste tot de andere over te gaan, wanneer men zichzelf bevrijdde van zijn kaste. En er zijn Grootmeesters en Leraren geweest (de Mahatma Gandhi), die ook in latere tijd hebben geprobeerd die oude wijsheid. te doen herleven.

“Wij zijn verschillend door het doel waarmee, wij geboren zijn. Maar het doel, waarmee wij geboren zijn, beperkt niet ons leven, het beperkt slechts ons eerste doel. Indien wij verdergaan dan het doel ons door het leven zelf gesteld, zo worden wij herboren tijdens het leven.”

Een hergeboorte, die niet is gebonden aan sterven maar alleen aan een ontwaken tot nieuw begrip, het aanvaarden van nieuwe verplichtingen, het gaan van kaste tot kaste. Ik geloof, dat deze wereld van vandaag hieruit haar lessen kan trekken.

Oorspronkelijk was het de bedoeling, dat u alleen de oude spreuken uit het oosten te horen zou krijgen. Maar sedert het programma werd opgesteld, waarin dit onderwerp word opgenomen, hebben de omstandigheden zich wat gewijzigd. En daarom wil ik nu, eens op het volgende wijzen;

Wij kunnen nooit het menselijk zijn normaliseren of egaliseren. Het is niet mogelijk om een vaste maatstaf aan te leggen voor allen. Door zijn wezen, door zijn geboorte, door zijn denken is iedere mens ver­schillend van anderen en iedere mens heeft zijn eigen directe mogelijkheden. Dat is zijn oorspronkelijke levenstaak; het doel waarmee hij op de wereld is gekomen. Gaat hij verder dan dit, dan begint een nieuw leven; een leven echter, dat, aan hem nieuwe eisen stelt en dat hem de vrijheid moet laten om, dus geheel te veranderen. Er moet ruimte zijn voor alle standen en er moet ruimte zijn voor alle denken en alle geloof van het meest primitieve tot het meest verhevene. Alleen dan kan een mens tot zichzelf ontwaken. Het vuur, dat in het natuurgeloof zo vaak een grote rol speelt, leidt in Azië soms tot vulkaanaanbidding, tot grote eerbied voor de bliksem, voor het onweer. En ook het vuur zelve wordt als heilig, als reinigend beschouwd. U zoudt kunnen dat deze vuuraanbidders dus mensen zijn, die heel dicht bij de natuur staan, die dus heel primitief zijn. Voor degenen, die er nu nog resten misschien is dat waar, maar voor de oorspronkelijke denkers niet. Het vuur is het samengaan der krachten, waaruit het licht wordt geboren.

“Wanneer mijn wezen samengaat met andere wezens, wanneer mijn leven zich vermengt met andere levens, zo reinigt mijn wezen zichzelf en herwint het daardoor een nieuw bestaan; het wordt tot een kracht, die zich onttrekt aan elke beperking.”

“De mens is als een vuur. Een vuur, waarin hij al verbrandt wat niet past bij zijn wezen. En zo het vuur helder brandt, zo verteert het al wat in de wereld niet tast bij de, mens; en gereinigd gaat hij over.”

Degenen, die de brandstapels langs de Ganges hebben gezien en misschien zelfs hebben gezien hoe daar gebruiken bestaan als bv. het ver­brijzelen van de hersenpan, zodat de schedel niet kan exploderen bij de ver­branding, die zullen zich wel eens hebben afgevraagd: Waarom doen deze mensen dit? Is dit nu alleen maar een gebruik? Is dat een dwaasheid? Maar let wel: uit water en vuur wordt de wereld geboren. Het is een oceaan zonder leven, die ‑ door de goden gekarnd en beroerd ‑ het leven baart. En zo draagt het water je terug naar de bron van waar je bent gekomen. Maar het was het vuur, dat het leven eerst mogelijk maakte. Het was het vuur, waaruit het weten en het bewustzijn ontstonden. En zo offeren we eerst aan het vuur, opdat gereinigd worde dat wat kan voortbestaan; en daarna geven wij terug aan de wateren wat behoort aan de eeuwigheid, opdat het tot zijn bron kan terugkeren. Een vreemde wereld, dat ben ik onmiddellijk eens met hen, die daarin zichzelf niet kunnen erkennen.

Er zijn meer van die dingen. Waarom zou een wijze en toch werkelijk een zeer wijs mens anders ooit hebben gezegd:

“Zoals de krachten der natuur tot elkander komen, komen de man en de vrouw tot elkander. En dat uit hun ontmoeting niet slechts wordt geboren nieuw leven, maar dat zij in de ontmoeting zichzelf hernieuwen en de kracht der goden in zich doen doorklinken.”

Ik weet wel, dat wanneer wij spreken over lingam of fallus, over al die volgens westers begrip ‑ onzedelijke godsdienstige begrippen, dat men al heel gauw zegt: Dat is geen wijsheid meer. En toch ligt er wel degelijk wijsheid in.

“Wanneer wij slechts onszelf zoeken” (zo roept een wijsgeer uit) “verliezen wij onszelf steeds meer. De begeerten in ons worden tot een waan. En verloren voor de werkelijkheid dolen wij eeuwig door de paleizen der schijn, herboren keer na keer.”

Hij zegt er echter onmiddellijk bij:

“Maar uit de goden geboren (dus uit de natuur geboren) ben ik. En waar ik vervulde kracht der natuur om de natuur, wanneer de krachten en tegendelen elkaar in mij kunnen ontmoeten, zo vinden zij in mij hun vervulling, de waarheid, de openbaring, de vrijheid van waan.”

Alweer een wijze van denken, waar het westen misschien wat vreemd tegen over staat, ofschoon we natuurlijk ergens ook weer beelden kunnen vinden, die daarbij passen. We kunnen dan weer teruggaan tot de Gnostici en verschillende andere sekten. Maar de kern van dat geheel, mijne vrienden, is dit: Alle dingen op de wereld, alles in de natuur is geschapen voor een bepaald doel. Wanneer wij het doel erin erkennen en niet alleen onszelf, dan zijn wij deel van de natuur, zijn we deel van de eeuwigheid. Niet voor niets komt men tenslotte tot het begrip van een nirwana (een sfeer van opgelost‑zijn) als een voltooiing, een bekroning van alle leven. De westerling denkt dat het een uitgeblust zijn, een daadloosheid is, waarin hij ten ondergaat. De oosterling ziet daarin juist de eeuwige en innige verbondenheid met alle dingen, waarbij het “ik” leeft in alle dingen: de waarheid. Wij zullen in de komende tijd ongetwijfeld naast de vele andere waarheden en wijsheden die van het oosten ook zeer vaak ontmoeten. En de grote moeilijkheid voor u en voor ons allen zal zijn om daaruit datgene te putten, wat voor ons past. Want een ieder, die met de Meesters van de oudheid wordt geconfronteerd en misschien zichzelf terugherkend in hun leerstellingen, zal toch ook moeten zoeken naar die nieuwe bevrijding, naar deze vrijwording van zichzelf.

Nu bent u waarschijnlijk hier gekomen in de hoop, dat ik veel zou citeren, vooral uit de verborgen boeken. Ik wil u niet geheel teleurstellen. Maar alles, wat ik tot nu toe heb gezegd, is blijft van kracht, ook voor deze citaten:

“Leven is een erkennen. Zo zal ik al wat ik erken, leven.”

Dit nu zegt de Gezondene:

“Leef niet uzelf, doch leef door mij de waarheid. Want wie de waarheid leeft, erkent zichzelf.”

Een typische opvatting. Maar een eindje verder lezen we en dat is toch ook een zuivere openbaring:

“Wie afwaarts gaat en de duisternis betreedt en niet het duister vreest, hij is het licht in de duisternis, en de duisternis wordt tot licht. Maar hij, die in wanhoop het lichte betreedt, hij maakt het tot duister; en door de duisternis gaande, zal hij zijn weg niet vinden. Zo zeg ik u. Alle dingen hebben hun eigen waarde en eigen kracht. Besef de geest der dingen en maak haar in uzelf tot licht. Zo wordt het duistere licht en zo zal het lichte nimmer voor u tot duisternis worden. Want hij, die zijn wezen beheerst en zijn geest kan zenden tot de krachten die licht zijn, zal het lichte ervaren en beleven door alle tijd. Hij is vrij van alle dood en ondergang. Hij is vrij van elke wisseling van wereld, behalve die welke uit zijn eigen wezen voortkomt.”

“Zo gij het rad kent, besef: Hij, die gaat langs de buitenste rand, wordt verteerd door de werelden, die hij betreedt, of zij kwelling zijn of verrukking, rust of arbeid. Doch wie de kern beseft, hij kent alle werelden zo snel achtereen, dat geen ervan hem treft, maar dat hij ze alle beseft.”

En wat zoudt u zeggen hiervan;

“Het woord, dat klinkt uit de oudheid, (eigenlijk is het: het woord van de goden) en het woord van deze tijd zijn gelijk. Want het woord, dat waarheid is, blijft gelijk”. En onveranderlijk is de kracht des levens. Daarom: tracht niet het leven te veranderen, maar tracht uzelf te veranderen, zodat het leven voor u werkelijk bestaat.”

“Denk niet, dat gij heersen kunt over anderen. Gij kunt niet heersen en niet bezitten. Gij kunt slechts een ogenblik in waan verkeren. Verwerp de waan en kies de vrijheid. Zo zult gij erkennen, dat er een samengaan (harmonie) mogelijk is, die alle dingen zoet maakt en de bitterheid van macht en bezit doet versmelten.”

En dan vinden we ook een groot aantal geschriften, die o.m. met de krachten van de geest rekening houden. Er zijn er verscheidene die in spiritistische kringen niet zo gemakkelijk zullen worden geciteerd, zelfs als ze bekend zijn. Want het is duidelijk, dat men in die oude geschriften met de geestenwereld niet altijd veel op heeft. Maar men is rechtvaardig; en daarom citeer ik nu het volgende:

“Bedenk, dat elke geest die niet een stoffelijke woonstee vindt, demon zal zijn of licht. De wijze, die licht kent echter, wendt zich niet tot de verwarring. Maar hij, die in het duister leeft, wenst de verwarring om te leven. De grote krachten van licht keren tot de wereld en zij bewaken de poorten der waarheid. Wie het pad der waarheid gaat, zal hen vinden als helpers op het pad, wachters aan de poort, en hij zal binnengaan. Maar hij, die verwacht dat anderen hem zullen dragen tot de bereiking, hij is het slachtoffer van hen, die in het duister dolen; en zij brengen hem niet tot de poorten der waarheid maar tot de afgrond van de tijd.”

En dan onmiddellijk daarop schijnbaar zelfs in tegenspraak:

“De wetenden zijn de boden der waarheid, en zij gaan rond met u en zijn tezamen met hen, die nimmer mens waren (hiermee worden vooral de lagere goden en godinnen bedoeld). Gezamenlijk met hen zijn zij de heersers en krachten, waaruit de aarde leeft. Doch weet, dat voor elk die lichtend is, er één is die duister is; voor elk die u brengen kan tot waarheid, er één is die u brengen kan tot waan. Zo zoek de waarheid, die in u leeft. Beantwoord aan het licht, dat in u bestaat en vindt zo het pad, dat u voert tot de inwijding, de bevrijding, de waarheid.”

Het oosten weet veel meer van de geestenwereld dan u. En het weet veel meer van de goden en de demonen, die er bestaan. Het weet veel meer van licht en het weet meer van duister. Want dit is het leven, dit is de achtergrond van het oosten. En juist in die oude tijd, toen licht en duister van de geestenwereld meer regeerden dan mensen, toen is men zeer ver doorgedrongen in die waarheden. En dan komt daaruit naar voren:

“Bedenk wel, dat er altijd krachten van licht zijn én van duister. Als er een god over de wereld gaat, zo volgt hem een demon. Maar, wanneer gij de god kiest, zo zal de god u bevrijden. Volgt gij de demon echter, dan zijt gij zijn gebondene.”

Tovenarij en magie spelen in symbolen, overleveringen en verhalen een zeer grote rol. En wij kunnen ook in de werkelijke leerstellingen veel terugvinden dat hiervoor interessant en belangrijk is. Ik wil er verder nog even op wijzen, dat wij vreemd genoeg deze zelfde stellingen ook terugvinden in het christendom, (ofschoon in het Koptisch christendom sterker dan in dat van Reine) en in de islam, dat wij verder in het boeddhisme en zelfs in de Chinese filosofie altijd weer die gedachte weerkaatst vinden, ofschoon deze is geboren in het tegenwoordige woestijngebied van Gobi.

“Wanneer ik zeg: ‘Ik ben” en ik begrens mijzelf, zo ben ik alleen. Als ik zeg: “Ik ben in het zijnde”, dan ben ik deel van alle dingen. Zo ik mijzelf zeg:  ‘Dit is mijn recht en mijn taak’, zo begrens ik mijn rechten en mijn taken. Doch zo ik zeg: ‘Dit is het recht van de kracht, die in alle dingen leeft”, zo is mijn taak en mijn recht deel van het geheel. Leef niet uzelf, maar leef de eenheid met anderen.”

En dan onmiddellijk daarnaast;

“Weet wel, dat al wat gij kunt doen voor hen, die derven of u vragen een gunst is, die u wordt bewezen. Want door hun te dienen en hen te helpen, helpt gij uzelf; en door uzelf te helpen ontwaakt gij tot de werkelijkheid.”

En:

“Er is een wet van goden en er is één wet van mensen. Zo gij de wet der mensen volgt, zo zijt gij de slaaf der mensen. Zo gij de wet der goden volgt, zijt gij de slaaf van hen, die ge niet begrijpt. Doch zo gij de wet volgt van de waarheid, die in u leeft, zo ontwaakt gij in de Lotus; en ontwakende zijt gij Heer der dingen.”

Een typische opvatting. Vermoedelijk dat dit ook in verband staat met de uit latere tijd stammende Asoka‑mythe, waarbij men dus probeert de perfectie a.h.w. uit te beelden in een haast utopische vorm. Maar de gedachte hier van een goddelijk recht, van een innerlijke wet, die boven alles gaat, van een goddelijke wet die boven de menselijke wet gaat, is wel zeer belangrijk. En onmiddellijk daar achteraan (het lijkt wel, of de schrijvers onbewust een groepering hebben gekozen) lezen wij o.m. stanza’s als de volgende:

“Want hij gaf zijn leven en hij herrees. Want de krachten (of de goden) zeiden: Ziet, deze die stierf voor ons is te goed om als mens te verderven, en zo namen zij hen op tot in hun wereld. En van uit hun wereld keerde hij terug, gewapend met hun wapenen, gestaald door hun wijsheid en gedragen door hun krachten; en de wereld viel voor hem neer.”

Haast een stukje uit een heldendicht. Maar ook hier zegt het oosten ons iets, dat we wel degelijk ook terugvinden in het christendom en de islam, als we er maar naar willen zoeken. Juist de mens, die niet zichzelf telt, maar die het doel telt en dat alleen, vindt daaruit voor zich een eeuwigheid, die hij zonder dit niet bereikt. Hij wordt a.h.w. harmonisch met een hoger vlak van leven. Er zijn dan verder in die verborgen boeken natuurlijk nog heel wat voorspellingen en aanduidingen, die erg interessant zouden zijn. Maar ik wil niet sluiten met die oude wijsheid. Want ik meen dat zoals steeds de ene ontwikkeling werd gevolgd door een leraar in een nieuwe ontwikkeling, zoals het boeddhisme een logische voortzetting is van de Hindoe‑leer en de Hindoe‑leer op zich uit verschillende andere systemen is gegroeid; dat zo de nieuwe tijd ook zal groeien uit het oude en dat de tijd die komt een voortzetting zal zijn van wat was, maar dan vernieuwd, vereenvoudigd, verduidelijkt. En daarom geef ik u enkele korte citaten of spreuken, ten dele direct op uw wereld gebracht, ten dele uitgesproken op vergaderingen waarbij toch ook mensen aanwezig waren.

“Wie in zich beseft, dat de sterkste band met het Al de ontbinding van alle banden inhoudt, zal waarlijk allen dienen, zichzelf niet achten en daardoor waarlijk leven.”

“Wanneer de kracht van het licht komt, zo is het als en vuur, dat loutert. Dat wat het vuur verdraagt, wordt veredeld; het is gehard. Dat wat het vuur niet verdraagt, wordt verteerd. En als een vuur gaat het licht tot de wereld. En de kracht reinigt alle dingen. Maar hij, die dit niet beseft, zal ten ondergaan aan het licht en de kracht of aan de vrees daarvoor.”

“Er zijn geen mensen, die anderen regeren kunnen. Wie regeert, doet dit om een waan; nimmer om de werkelijkheid. Zo regeer niet, opdat de waan u niet vreet, maar dien, opdat de werkelijkheid voor u leve. Want uit de werkelijkheid van uw eigen wezen en de wereld, waarin gij bestaat, wordt het ware begrip van eeuwigheid en kracht geboren.”

Deze spreuken, vrienden, geven tezamen naar ik meen wel een afgerond beeld. U zult hebben bemerkt, dat ik een bepaalde theorie, een bepaalde these heb verkondigd en niet alleen de wijsheid zonder meer heb bekeken. De feiten n.l. van deze dagen en al wat eraan vooraf is gegaan, wijzen op een noodzakelijke vernieuwing. En deze vernieuwing kan nooit liggen in het wegnemen van de vrijheid van de mens en het doen wegvallen van de verschillen tussen de mensen, in het wegnemen van alle grenzen die bij de mensen bestaan. Het kan slechts geschieden, indien de mens zelf zich daarvan bevrijdt. Niet uit de leer maar uit de mens wordt de waarheid geboren. De oudheid heeft dit beseft. De nieuwe tijd bevestigt dit.

De mens moet groeien. En dat is niet de langzame evolutie, waarvan menigeen droomt. Het is vaak een sprongsgewijs ontwaken tot een nieuw bewustzijn, waarbij men een ogenblik verzinkend als in verstarring (een Boeddha onder de Boabboom) plotseling ontwaakt tot het nieuwe. En dit zal men goed moeten begrijpen en verwerken. Want zo het oosten ons iets heeft te leren, dan is het wel de aanvaarding van leven én dood als onbelangrijke waarden in ons bestaan en gelijktijdig de erkenning, dat onze innerlijke groei, voortkomende uit ons pogen, ons soms plotseling ‑ en uit oorzaken, die menselijk gezien daarmee niet in verband kunnen staan ‑ kan verheffen, totdat wij binnentreden in een wereld van grotere werkelijkheid.