Oude wijsheden van het Oosten

22 april 1963

De wijsheid van het Oosten is in de oudheid gebaseerd, zoals praktisch elk geloof, op een vorm van natuurverering. Wij vinden in alle oude gedachtegangen de natuur als goddelijk en we ontmoeten bepaalde natuurkrachten dus gepersonifieerd in de gedaante van goden, terwijl ook menige heros later een natuurgod of een halfgod wordt. Ik zal mij zoveel mogelijk onthouden van het noemen van de namen van deze goden en helden. Zij immers staan niet direct voor de kracht van een godheid, maar zij omschrijven een bepaalde toestand, een bepaalde werking of invloed in de natuur.

De wijsheid zelf heeft echter al zeer vroeg gezocht naar een samenhang. Deze samenhang kwam natuurlijk allereerst tot uiting in het bekende conflict: licht ‑ duister, goed en kwaad. Hiervan vinden we verschillende opvattingen.

In het Oosten heerst zeer sterk de opvatting dat het kwade in zich niet kwaad is, maar dat het noodzakelijk is. Het kwade is het middel tot vooruitgang en verandering. De goden (dus de krachten die in het kwaad optreden) zijn de mens weliswaar niet vriendelijk gezind, maar de mens kan met behulp van andere goden en krachten over dit kwade zegevieren; en wat meer is: het kwade brengt heel vaak ook weer het goede voort. Het is belangrijk dat we dit voor ogen houden. Deze opvatting goed ‑ kwaad nl. wordt afgewisseld met een stelling, waarin een voortdurende strijd tussen goed en kwaad ‑ die onbeslist verloopt (een soort gelijkspel) wordt aangenomen.

Dan kennen wij ook nog een gedachte, waarbij alle licht op den duur door het duister zal worden verzwolgen en waarbij de begrippen goed en kwaad door licht en duister zijn vervangen. Het duister is het onbegrepene; het licht is het kenbare. Ook hier is het onbegrepene geïdentificeerd met het demonische of het kwade maar niet in zo absolute zin als in beide voorgaande betekenissen.

Voorts hebben we in deze oude wijsheid zeer sterk te maken met het inspiratief element, de inwijdende gedachte. Deze gedachte komt in het Oosten altijd betrekkelijk bloemrijk tot uiting. Wanneer men een lering wil geven, grijpt men naar een gelijkenis. Wanneer men bepaalde uitspraken wil doen, legt men deze in de mond van een heros op een slagveld, van een koning op zijn troon. Er is dus een vorm van omkleding, van omschrijving. Ook deze moeten wij voor een groot gedeelte terzijde stellen, wil hetgeen wordt gesteld voor ons aanvaardbaar en duidelijk worden. Ook hier zal ik dus zoveel mogelijk de begeleidende verschijnselen elimineren.

Ten laatste wil ik u erop wijzen dat het Oosten een zeer bijzondere vorm van wetenschap heeft. Deze wetenschap zou u een geestelijke of een occulte wetenschap kunnen noemen, maar geheel juist is dit niet. Alles staat in verband met de bezielende krachten, die in de natuur tot uiting komen; ook de normaal wetenschappelijk verschijnselen. Het resultaat is, dat een direct wetenschappelijk onderzoek vaak een magische tint krijgt, dat wijsheden, die in zich eigenlijk materiële kennis bevatten, worden verborgen in een beeldspraak, waarbij ze schijnbaar irreëel zijn. Ook dit zult u moeten begrijpen om u in het Oosten te kunnen thuis voelen. Achter de façade verbergt zich een werkelijkheid, die echter buitengewoon belangrijk is en die ons confronteert met een groot aantal Meesters uit de oudheid.

Elk van deze Meesters heeft zijn eigen manier om iets te onderwijzen. Elke lering van hen is een voortzetting van een vroegere leer. Zo zien wij bv. dat de Hindoe‑leer zich ontwikkelt uit bepaalde natuurgodsdiensten, die ‑ oorspronkelijk waarschijnlijk iets meer noordelijk gesitueerd ‑ het zuiden van Azië overrompelt, vandaar ook de eilanden beroert en uit zich een vernieuwing baart.

De eerste vernieuwing vinden wij in de buurt van het huidige Amritsar. Daar staat nl. een profeet op die de leer van de natuur en de vruchtbaarheid een nieuwe gestalte geeft. Hij zal later worden gekend als Krishna, terwijl hij soms ook Kendia wordt genoemd. Hij wordt dus met verschillende goden a.h.w. geassocieerd. Van hem uit zien we een aantal Brahmaanse leraren en grote wijsgeren komen, die een leer opbouwen, welke wij in de verschillende Veda’s vinden vastgelegd. Elke keer gaat men een stap verder; men gaat één schrede voort op de oude weg. En wanneer wij de Boeddhisten ontmoeten (de Boeddha), dan moeten we ook niet denken dat we te maken hebben met een werkelijke vernieuwing. Er is slechts weer een uitbouwen van het oude, een terzijde stellen van het onbelangrijke. Misschien kunnen wij de oude wijsheid van het Oosten het best karakteriseren met deze woorden: ” Niets is werkelijk belangrijk.” Het klinkt vreemd. Maar niets is werkelijk belangrijk, want alle dingen hebben hun betekenis en zin en de mens kan deze niet overzien.

Zo roept een van die wijsgeren bij monde van een held uit:

“Want ziet, ik heb mijn strijdschijven geworpen, ik heb mijn lansen geveld en ik heb mijn vijand uitgedaagd. Maar niet ik, doch de goden zijn het die beslissen.

En terwijl ik ga, overwegende de slag, die komen zal, is het mij, of ik loop op een akker vol doden.” Dat is niet bedoeld als een denigrerende opmerking over de strijd, helemaal niet. Maar het is ergens beslist.”

Die gedachte dat alles ergens zijn zin heeft, dat het beslist is, dat er een vast systeem is, is voor ons wel het meest belangrijke element. Er is niet ‑ zoals we bij de westerse wijsgeren en ook bij de wijsbegeerte vinden ‑ de zo sterke gedachte aan een persoonlijke vrijheid. De mens is en blijft gebonden in een netwerk van krachten en goden, waaraan hij alleen kan ontkomen, indien hij aan zijn mens‑zijn ontvlucht. De wijze doet afstand van al wat hem bindt aan de wereld. De voorschriften volgt hij niet, omdat zij op zich belangrijk of zinvol zijn, maar omdat zij een afstand scheppen tussen hem en al het andere. Hij wil vluchten voor het mens‑zijn.

Deze stelling is op het ogenblik voor het Westen natuurlijk niet aanvaardbaar. En ook het Oosten heeft zijn vlucht voor het leven moeten prijsgeven en zijn innerlijke principes, zijn occulte wereld langzaam maar zeker moeten richten op de meer materiële opvattingen, die nu eenmaal de aarde op het ogenblik beheersen.

De belangrijke factor, die we wel kunnen begrijpen, is het begrip van een reïncarnatie. Hierover zijn heel veel verschillende opvattingen, maar ik wil u hier enkele uitspraken citeren:

“Hij, die heengaat in onwetendheid, wordt herboren naar zijn verdiensten; en we zullen hem zien in de dieren des velds en in de planten geketend, tot hij hernieuwd mens kan worden.

Maar hij, die in zich de wijsheid draagt en bewust heengaat, hij wordt herboren als mens. En wetend zijn doel, is hij de tweemaal‑geborene en draagt hij de wijsheid waardoor hij aan het lot kan ontsnappen.”

Dat is een beginsel dat wij in het Boeddhisme terugvinden, het verbreken van een noodlotsketen.

Gaan we bij de incarnatie een schrede verder, dan vinden we o.m. bij bepaalde Boeddhistische geleerden en wijsgeren deze opvatting:

“Wie leeft op aarde, vindt zichzelf een taak. En deze taak, die hij zichzelf stelt, zal hij moeten vervullen, want niemand kan van de weg afwijken, die hij eenmaal heeft betreden. En zo zal hij terugkeren tot de weg voltooid is, tot de taak volbracht is.

Slechts hij, die angst noch begeren kent, bevrijdt zichzelf. Want ziet, hij vervult in ene maal; en zo hij terugkeert, is het niet om zichzelf of uit een gebondenheid aan zichzelf.”

Hier komt duidelijk de idee naar voren; reïncarnatie bestaat, maar we kunnen eraan ontsnappen.

De mens wordt zich bewust van zijn macht. Die ontsnapping wordt steeds weer gezocht in velerlei riten maar ook in systemen. Wij vinden naar het noorden toe (China) het begrip van Tao, dat onmiddellijk verknoopt lijkt te zijn met het Yang‑Yin (het mannelijk‑vrouwelijk) principe der tegenstelling. Hier gaat het om de vervulling van de ingeleefde taak.

Wanneer ik op de wereld kom in een bepaalde toestand, dan is dit zo omdat ik behoor tot een stand; en in die stand ligt mijn taak. Mijn geboorte omschrijft al het verdere. Juist is dit natuurlijk niet. Maar het is voor ons belangrijk om ook dit te begrijpen. De gedachte dat je een noodlot hebt, waaraan je niet kunt ontkomen, brengt je tot zeer vele handelingen, die dwaasheid lijken in de ogen van een westerling. En wanneer wij ons moeten bezighouden met mensen, die in deze wijsheid en deze leer zijn opgegroeid, (de mahatma’s, de grote leiders van deze tijd), dan moeten wij wel beseffen dat ook zij zich geketend voelen aan een noodlot.

Hier heb ik dan om te beginnen een kleine schets gegeven van de achtergrond van het Oosten. Wanneer wij die achtergrond voorbijgaan, kunnen we elke spreuk en elke wijsheid, die ons wordt gebracht, op onze manier interpreteren. We kunnen haar misschien meer westers maken, maar zij verliest daarbij haar betekenis. Vergeet niet dat zelfs een heilig man, die in afzondering leefde, aan zijn leerlingen eens deze les gaf.

“Wanneer gij zegt” ‘Kom tot ons’, zo kan ik tot u komen; maar niet als dat dat wat ik ben. Komt, gij tot mij en deelt mijne gedachten, opdat ge de wijsheid erkennen kunt, die in mij is gegroeid.”

Een typische redenering. Maar een redenering, die voor ons uitermate belangrijk is, omdat we moeten beseffen het is onmogelijk om een oosterse gedachtegang over te planten in de westerse systematiek van denken. Indien u dus goed wilt onthouden dat u dit niet moogt omzetten in alleen maar gewone westerse redelijkheid en in overeenstemming moogt brengen met uw eigen inzichten, mystiek en moraal, dan misschien kunt u uit het volgende voor uzelf enige vruchten plukken.

“Mijn geest is de kracht, die mij verbindt met alle dingen; want tot mijn geest spreken de goden; en de goden, beheersen de wereld. Zo zend ik mijn geest tot de goden. En ziet, zolang ik leef, vervult zij door de goden mijn wil aan alle dingen.”

Magie.

Het is het principe, waardoor men o.m. bij de Perzen maar ook wel degelijk in andere landen, zelfs in het tegenwoordige Indonesië de gedach­te heeft ontwikkeld van “het zenden van zijn geest”. Heel veel gebruiken t.o.v. amuletten e.d. maar ook riten zijn gebaseerd op die gedachte: ik kan mijn geest zenden.

Dan is er een tweede principe dat belangrijker wordt naarmate u overweegt dat het een band vormt met heel veel werelddelen, die niet tot Azië behoren. De grote koningscobra is daar de vorst van het leven. Hij is het embleem van eeuwigheid, van grote macht. Wanneer de Boeddha in eenzaamheid mediteert, dan is er een cobra achter hem en hij spreidt zijn hoed uit (zijn kraag dus), omdat de heilige in de schaduw moge vertoeven en niet door de zon worde gestoord. Dat is een liefelijke legende. Maar diezelfde slang vinden we terug in de uraeus van de Farao’s; we vinden haar terug in de Gevleugelde Slang van de Azteken; we vinden haar terug in de Draken‑aanbidding van China.

Waarom de slang? De slang is voor de denker het symbool van dat wat gelijktijdig aarde en niet‑aarde is, leven en dood, eeuwigheid. Wij vinden later bij de Gnostici het symbool van de Ouroburos: de slang, die zichzelf opeet. En daarmee vinden wij het symbool van de eeuwigheid, zoals het westen dit heeft begrepen.

Maar de eeuwigheid is in het Oosten niet slechts een eeuwige kringloop, het is meer.

“Zoals de slang gaat rond de aarde, zoals zij leeft in de wereldzeeën en haar gif daarin spuwt op de dag der schepping, zo leeft de tijd. En ziet, de tijd is gelijktijdig leven en dood.”

Een typische opvatting. Een opvatting, die overigens ongeveer 4000 jaar oud is. Een gedachtegang, waarbij het Oosten ons confronteert met de ge­dachte van het tijdloze. De tijd op zichzelf is niet belangrijk, ze is een gif, dat ons bedreigt, want wij zijn leven. En de dood zelf is alleen maar een verschijnsel in die tijd, het gaat ons betrekkelijk weinig aan.

“Ik ben. En waar ik ben, weet ik niet, want rond mij is de wereld der begoocheling. Maar zijnde, zoek ik, en in de begoocheling vind ik steeds weer werkelijkheid, en uit de werkelijkheid verhef ik mij, tot ik ‑ mijzelf erkennende ‑ betreed de wereld van rust.”

Dat is het Oosten, zoals het in de Brahmaanse‑leer en ook in de Hindoe­leer ten slotte zichzelf projecteert als eeuwig.

Wanneer wij door het leven gaan, dan zijn er onze daden. En wij allen kennen wetten van oorzaak en gevolg. Maar het Oosten ziet dat anders.

“Ik kan niets doen, wat ik niet aan mijzelf doe. Wanneer ik een ander dood, dan dood ik iets van mijzelf. “Wanneer ik een ander leven geef, dan geef ik die ander iets van mijzelf; dan is dat leven verder van mij.”  “De hele wereld is een bol. En waar ik ook heen zie, mijn blikken keren tot mezelf terug.”

De mens staat in het midden van de bol van het heelal, waaruit alles tot hem terugkeert. En die hele wereld wordt verder voor hem een begrijpelijke menging van micro‑ en macrokosmos.

Wij kunnen bv. bij Chinese denkers van ruim 1800 jaar geleden al gedachtegangen vinden, die wijzen in de richting van het atoom, het molecule. Dingen die men officieel niet zou mogen weten. We horen stellingen over de levenskracht (sommige daarvan zijn ouder dan 5000 jaren), waar op den duur de geneeskunde op wordt gebaseerd, maar die in feite iets meer zijn en die alles wat men op het ogenblik over zenuwstelsel e.d. gaat leren, al bevatten. Het Oosten heeft wel degelijk een praktische kennis. Maar die kennis zal nooit praktisch worden genoemd door de westerling, omdat zij niet in de eerste plaats materialistisch is. Wanneer men spreekt over de krachten die door goud en door zilver lopen, dan lacht de westerling en hij zegt; “Wat maakt het nu voor verschil uit, of ik u nu steek met een gouden naald of met een zilveren?” De oosterling zegt: “Ze hebben verschillende uitstralingen. Ze vangen verschillende krachten op.” De westerling zegt: “Bewijs me dat.”

Alle dingen hebben hun eigen kracht.

“En zo ik de zon vang door mijn lens, ik maak haar tot geur. Zo ik de zon vang door mijn lenzen, ik maak haar tot weten; of ik zend de stralen uit en ziet, mijn gedachten worden   beelden, die in verre steden zich tonen.”

Vergeet niet: alles leeft. Maar wanneer ik geloof dat alles leeft, dan moet ik ook geloven dat alles een persoonlijkheid heeft. En dan hebben alle metalen hun persoonlijkheid en dan hebben alle krachten hun persoonlijkheid. En wanneer ik die persoonlijkheid maar ken, dan weet ik ook wat erbij past, wat die kracht (die persoonlijkheid) wel kan aanvaarden en ik misschien niet.

Hier past misschien ook weer een uitspraak van één van de kluizenaars, die oorspronkelijk leefden op de Karakorum en wier leerstellingen o.m. grote invloed hebben gehad op de Dzyans en later op de Boeddhisten en speciaal wel op de Boeddhistische sekten, die we vinden in de buurt van Ceylon.

“Alle leven is onbepaald en toch kent alle leven zijn eigen kracht. En wie de kracht van dit leven beseft en in zich opneemt, hij is verbonden met alle kracht.

Alle leven is geldig want alle leven is gelijk.

Ik ben leven van alle leven en alle leven is leven van mij. Maar ik mag mij niet hechten aan het leven of aan het gaan van het leven.

Ik mag, mij niet binden aan kracht of aan krachteloosheid. Slechts gaande mijn eigen weg, zal ik ervaren dat door pijn verworpen zelfs van het raadsel en de vraag de openbaring, de helderheid in mezelf ontstaat (ik zou eigenlijk moeten zeggen “openbaring en licht” maar dan klinkt het christelijk). Dat is een heel eigenaardig principe. Het Oosten heeft altijd zijn kasten gekend. En ik weet wel dat die kasten op den duur een vaste instelling zijn geworden. Maar oorspronkelijk was het mogelijk van de ene kaste tot de andere over te gaan, wanneer men zichzelf bevrijdde van zijn kaste. En er zijn Grootmeesters en Leraren geweest (de Mahatma Gandhi), die ook in latere tijd hebben geprobeerd die oude wijsheid te doen herleven.

“Wij zijn verschillend door het doel waarmee, wij geboren zijn. Maar het doel, waarmee wij geboren zijn, beperkt niet ons leven, het beperkt slechts ons eerste doel.

Indien wij verder gaan dan het doel ons door het leven zelf gesteld, zo worden wij herboren tijdens het leven. Een hergeboorte, die niet is gebonden aan sterven maar alleen aan een ontwaken tot nieuw begrip, het aanvaarden van nieuwe verplichtingen, het gaan van kaste tot kaste. Ik geloof dat deze wereld van vandaag hieruit haar lessen kan trekken,

Oorspronkelijk was het de bedoeling dat u alleen de oude spreuken uit het Oosten te horen zou krijgen. Maar sedert het programma werd opgesteld, waarin dit onderwerp wordt opgenomen, hebben de omstandigheden zich wat gewijzigd. En daarom wil ik nu eens op het volgende wijzen:

Wij kunnen nooit het menselijk zijn normaliseren of egaliseren. Het is niet mogelijk om een vaste maatstaf aan te leggen voor allen. Door zijn wezen, door zijn geboorte, door zijn denken is iedere mens ver­schillend van anderen en iedere mens heeft zijn eigen directe mogelijkheden. Dat is zijn oorspronkelijke levenstaak, het doel waarmee hij op de wereld is gekomen. Gaat hij verder dan dit, dan begint een nieuw leven; een leven echter, dat aan hem nieuwe eisen stelt en dat hem de vrijheid moet laten om dus geheel te veranderen, Er moet ruimte zijn voor alle standen en er moet ruimte zijn voor alle denken en alle geloof van het meest primitieve tot het meest verhevene. Alleen dan kan een mens tot zichzelf ontwaken.,

Het vuur dat in het natuurgeloof zo vaak een grote rol speelt, leidt in Azië soms tot vulkaanaanbidding, tot grote eerbied voor de bliksem, voor het onweer. En ook het vuur zelf wordt als heilig, als reinigend beschouwd. U zou kunnen zeggen dat deze vuuraanbidders dus mensen zijn, die heel dicht bij de natuur staan, die dus heel primitief zijn. Voor degenen die er nu nog resten, misschien is dat waar, maar voor de oorspronkelijke denkers niet. Het vuur is het samengaan der krachten, waaruit het licht wordt geboren.

“Wanneer mijn wezen samengaat met andere wezens, wanneer mijn leven zich vermengt met andere levens, zo reinigt mijn wezen zichzelf en herwint het daardoor een nieuw bestaan; het wordt tot een krach, die zich onttrekt aan elke beperking.”

“De mens is als een vuur. Een vuur, waarin hij alles verbrandt wat niet past bij zijn wezen. En zo het vuur helder brandt, zo verteert het al wat in de wereld niet past bij de mens en gereinigd gaat hij over.”

Degenen die de brandstapels langs de Ganges hebben gezien en misschien zelfs hebben gezien hoe daar gebruiken bestaan als bv. het ver­brijzelen van de hersenpan, zodat de schedel niet kan exploderen bij de ver­branding, die zullen zich wel eens hebben afgevraagd: Waarom doen deze mensen dit? Is dit nu alleen maar een gebruik? Is dat een dwaasheid? Maar let wel: uit water en vuur wordt de wereld geboren. Het is een oceaan zonder leven, die ‑ door de goden gekarnd en beroerd ‑ het leven baart. En zo draagt het water je terug naar de bron van waar je bent gekomen. Maar het was het vuur dat het leven eerst mogelijk maakte. Het was het vuur, waaruit het weten en het bewustzijn ontstonden. En zo offeren we eerst aan het vuur, opdat gereinigd worde dat wat kan voortbestaan. En daarna geven wij terug aan de wateren wat behoort aan de eeuwigheid, opdat het tot zijn bron kan terugkeren. Een vreemde wereld, dat ben ik onmiddellijk eens met hen, die daarin zichzelf niet kunnen erkennen.

Er zijn meer van die dingen. Waarom zou een wijze en toch werkelijk een zeer wijs mens anders ooit hebben gezegd:

 “Zoals de krachten der natuur tot elkander komen, komen de man en de vrouw tot elkander. En dat uit hun ontmoeting niet slechts wordt geboren nieuw leven, maar dat zij in de ontmoeting zichzelf hernieuwen en de kracht der goden in zich doen doorklinken.”

Ik weet wel dat wanneer wij spreken over lingam of phallus, over al die volgens westers begrip, onzedelijke godsdienstige begrippen, dat men al heel gauw zegt: Dat is geen wijsheid meer. En toch ligt er wel degelijk wijsheid in.

“Wanneer wij slechts onszelf zoeken” (zo roept een wijsgeer uit) “verliezen wij onszelf steeds meer. De begeerten in ons worden tot een waan. En verloren voor de werkelijkheid dolen wij eeuwig door de paleizen der schijn, herboren keer na keer.”

Hij zegt er echter onmiddellijk bij:

“Maar uit de goden geboren (dus uit de natuur geboren) ben ik. En waar ik vervul de kracht der natuur om de natuur, wanneer de krachten en tegendelen elkaar in mij kunnen ontmoeten, zo vinden zij in mij hun vervulling, de waarheid, de openbaring, de vrijheid van waan.”

Alweer een wijze van denken, waar het westen misschien wat vreemd tegen­ over staat, ofschoon we natuurlijk ergens ook weer beelden kunnen vinden, die daarbij passen.

We kunnen dan weer teruggaan tot de Gnostici en verschillende andere sekten. Maar de kern van dat geheel is dit: “Alle dingen op de wereld, alles in de natuur is geschapen voor een bepaald doel. Wanneer wij het doel erin erkennen en niet alleen onszelf, dan zijn wij deel van de natuur, zijn we deel van de eeuwigheid. Niet voor niets komt men tenslotte tot het begrip van een nirwana (een sfeer van opgelost‑zijn) als een voltooiing, een bekroning van alle leven.” De westerling denkt dat het een uitgeblust zijn, een daadloosheid is, waarin hij ten ondergaat. De oosterling ziet daarin juist de eeuwige en innige verbondenheid met alle dingen, waarbij het “ik” leeft in alle dingen: de waarheid.

Wij zullen in de komende tijd ongetwijfeld de vele andere waarheden en wijsheden van het Oosten zeer vaak ontmoeten. En de grote moeilijkheid voor u en voor ons allen zal zijn om daaruit datgene te putten, wat voor ons past. Want eenieder, die met de Meesters van de oudheid wordt geconfronteerd en misschien zichzelf terug herkend in hun leerstellingen, zal toch ook moeten zoeken naar die nieuwe bevrijding, naar deze vrijwording van zichzelf.

Nu bent u waarschijnlijk hier gekomen in de hoop dat ik veel zou citeren, vooral uit de verborgen boeken. Ik wil u niet geheel teleurstellen. Maar alles wat ik tot nu toe heb gezegd, blijft van kracht, ook voor deze citaten.

“Leven is een erkennen. Zo zal ik al wat ik erken, leven.”

Dit nu zegt de Gezondene.

“Leef niet uzelf, doch leef door mij de waarheid. Want wie de waarheid leeft, erkent zichzelf.”

Een typische opvatting. Maar een eindje verder lezen we en dat is toch ook een zuivere openbaring:

“Wie afwaarts gaat en de duisternis betreedt en niet het duister vreest, hij is het licht in de

duisternis, en de duisternis wordt tot licht. Maar hij, die in wanhoop het lichte betreedt, hij maakt het tot duister; en door de duisternis gaande, zal hij zijn weg niet vinden. Zo zeg ik u. Alle dingen hebben hun eigen waarde en eigen kracht. Besef de geest der dingen en maak haar in uzelf tot licht. Zo wordt het duistere licht en zo zal het lichte nimmer voor u tot duisternis worden. Want hij, die zijn wezen beheerst en zijn geest kan zenden tot de krachten die licht zijn, zal het lichte ervaren en beleven door alle tijd. Hij is vrij van alle dood en ondergang. Hij is vrij van elke wisseling van wereld, behalve die welke uit zijn eigen wezen voortkomt.”

“Zo gij het rad kent, besef: Hij, die gaat langs de buitenste rand, wordt verteerd door de werelden, die hij betreedt, of zij kwelling zijn of verrukking, rust of arbeid. Doch wie de kern beseft, hij kent alle werelden zo snel achtereen, dat geen ervan hem treft, maar dat hij ze alle beseft.”

En wat zou u zeggen hiervan;

“Het woord dat klinkt uit de oudheid (eigenlijk is het: het woord van de goden) en het woord van deze tijd zijn gelijk. Want het woord, dat waarheid is, blijft gelijk”. En onveranderlijk is de kracht des levens. Daarom: tracht niet het leven te veranderen, maar tracht uzelf te veranderen, zodat het leven voor u werkelijk bestaat.”

“Denk niet, dat gij heersen kunt over anderen. Gij kunt niet heersen en niet bezitten. Gij kunt slechts een ogenblik in waan verkeren. Verwerp de waan en kies de vrijheid. Zo zult gij erkennen, dat er een samengaan (harmonie) mogelijk is, die alle dingen zoet maakt en de bitterheid van macht en bezit doet versmelten.”

En dan vinden we ook een groot aantal geschriften, die o.m. met de krachten van de geest rekening houden. Er zijn er verscheidene die in spiritistische kringen niet zo gemakkelijk zullen worden geciteerd, zelfs als ze bekend zijn. Want het is duidelijk dat men in die oude geschriften met de geestenwereld niet altijd veel op heeft. Maar men is rechtvaardig; en daarom citeer ik nu het volgende:

“Bedenk dat elke geest die niet een stoffelijke woonstee vindt, demon zal zijn of licht. De wijze, die licht kent echter, wendt zich niet tot de verwarring. Maar hij, die in het duister leeft, wenst de verwarring om te leven. De grote krachten van licht keren tot de wereld en zij    bewaken de poorten der waarheid. Wie het pad der waarheid gaat, zal hen vinden als helpers   op het pad, wachters aan de poort, en hij zal binnengaan. Maar hij, die verwacht dat anderen hem zullen dragen tot de bereiking, hij is het slachtoffer van hen, die in het duister dolen; en zij brengen hem niet tot de poorten der waarheid maar tot de afgrond van de tijd.”

En dan onmiddellijk daarop schijnbaar zelfs in tegenspraak:

“De wetenden zijn de boden der waarheid, en zij gaan rond met u en zijn tezamen met hen, die nimmer mens waren (hiermee worden vooral de lagere goden en godinnen bedoeld). Gezamenlijk met hen zijn zij de heersers en krachten, waaruit de aarde leeft. Doch weet, dat voor elk die lichtend is, er één is die duister is; voor elk die u brengen kan tot waarheid, er één is die u brengen kan tot waan. Zo zoek de waarheid, die in u leeft. Beantwoord aan het licht, dat in u bestaat en vindt zo het pad, dat u voert tot de inwijding, de bevrijding, de waarheid.”

Het Oosten weet veel meer van de geestenwereld dan u. En het weet veel meer van de goden en de demonen die er bestaan. Het weet veel meer van licht en het weet meer van duister. Want dit is het leven, dit is de achtergrond van het Oosten. En juist in die oude tijd, toen licht en duister van de geestenwereld meer regeerden dan mensen, toen is men zeer ver doorgedrongen in die waarheden, En dan komt daaruit naar voren:

“Bedenk wel, dat er altijd krachten van licht zijn en van duister. Als er een god over de wereld gaat, zo volgt hem een demon. Maar, wanneer gij de god kiest, zo zal de god u bevrijden. Volgt gij de demon echter, dan zijt gij zijn gebondene.”

Tovenarij en magie spelen in symbolen, overleveringen en verhalen een zeer grote rol. En wij kunnen ook in de werkelijke leerstellingen veel terugvinden dat hiervoor interessant en belangrijk is. Ik wil er verder nog even op wijzen, dat wij vreemd genoeg deze zelfde stellingen ook terugvinden in het Christendom, (ofschoon in het Koptisch Christendom sterker) en in de Islam, dat wij verder in het Boeddhisme en zelfs in de Chinese filosofie altijd weer die gedachte weerkaatst vinden, ofschoon deze is geboren in het tegenwoordige woestijngebied van Gobi.

“Wanneer ik zeg: ‘Ik ben” en ik begrens mijzelf, zo ben ik alleen. Als ik zeg: “Ik ben in het zijnde”, dan ben ik deel van alle dingen. Zo ik mijzelf zeg. ‘Dit is mijn recht en mijn taak’,    zo begrens ik mijn rechten en mijn taken.  Doch zo ik zeg: ‘Dit is het recht van de kracht, die in alle dingen leeft”, zo is mijn taak en mijn recht deel van het geheel. Leef niet uzelf, maar leef de eenheid met anderen.”

En dan onmiddellijk daarnaast;

“Weet wel, dat al wat gij kunt doen voor hen, die durven te vragen, een gunst is die u wordt bewezen. Want door hen te dienen en hen te helpen, helpt gij uzelf; en door uzelf te helpen ontwaakt gij tot de werkelijkheid.”

En: “Er is een wet van goden en er is een wet van mensen. Zo gij de wet der mensen volgt, zo zijt gij de slaaf der mensen. Zo gij de wet der goden volgt, zijt gij de slaaf van hen, die ge niet begrijpt. Doch zo gij de wet volgt van de waarheid, die in u leeft, zo ontwaakt gij in de Lotus; en ontwakende zijt gij Heer der dingen.”

Een typische opvatting. Vermoedelijk dat dit ook in verband staat met de uit latere tijd stammende Asoka‑mythe, waarbij men dus probeert de perfectie a.h.w. uit te beelden in een haast utopische vorm. Maar de gedachte hier van een goddelijk recht, van een innerlijke wet, die boven alles gaat, van een goddelijke wet die boven de menselijke wet gaat, is wel zeer belangrijk. En onmiddellijk daarachter (het lijkt wel, of de schrijvers onbewust een groepering hebben gekozen) lezen wij o.m. stanza’s als de volgende:

“Want hij gaf zijn leven en hij herrees.  Want de krachten (of de goden) zeiden: Ziet, deze die stierf voor ons is te goed om als mens te verderven, en zo namen zij hen op tot in hun wereld. En van uit hun wereld keerde hij terug, gewapend met hun wapenen, gestaald door hun wijsheid en gedragen door hun krachten; en de wereld viel voor hem neer.” Haast een stukje uit een heldendicht.

Maar ook hier zegt het Oosten ons iets, dat we wel degelijk ook terugvinden in het Christendom en de Islam, als we er maar naar willen zoeken. Juist de mens, die niet zichzelf telt, maar die het doel telt en dat alleen, vindt daaruit voor zich een eeuwigheid, die hij zonder dit niet bereikt. Hij wordt a.h.w. harmonisch met een hoger vlak van leven.

Er zijn dan verder in die verborgen boeken natuurlijk nog heel wat voorspellingen en aanduidingen, die erg interessant zouden zijn. Maar ik wil niet sluiten met die oude wijsheid. Want ik meen dat zoals steeds de ene ontwikkeling werd gevolgd door een leraar in een nieuwe ontwikkeling, zoals het Boeddhisme een logische voortzetting is van de Hindoe‑leer en de Hindoe‑leer op zich uit verschillende andere systemen is gegroeid; dat zo de nieuwe tijd ook zal groeien uit het oude en dat de tijd die komt een voortzetting zal zijn van wat was, maar dan vernieuwd, vereenvoudigd, verduidelijkt. En daarom geef ik u enkele korte citaten of spreuken, ten dele direct op uw wereld gebracht, ten dele uitgesproken op vergaderingen waarbij toch ook mensen aanwezig waren.

“Wie in zich beseft, dat de sterkste band met het Al, de ontbinding van alle banden inhoudt, zal waarlijk allen dienen, zichzelf niet achten en daardoor waarlijk leven.”

“Wanneer de kracht van het licht komt, zo is het als een vuur dat loutert. Dat wat het vuur verdraagt, wordt veredeld; het is gehard. Dat wat het vuur niet verdraagt, wordt verteerd. En als een vuur gaat het licht tot de wereld. En de kracht reinigt alle dingen. Maar hij, die dit niet beseft, zal ten ondergaan aan het licht en de kracht of aan de vrees daarvoor.”

“Er zijn geen mensen, die anderen regeren kunnen. Wie regeert, doet dit om een waan; nimmer om de werke­lijkheid. Zo regeer niet, opdat de waan u niet vrete, maar dien, opdat de werkelijkheid voor u leve. Want uit de werkelijkheid van uw eigen wezen en de wereld, waarin gij bestaat, wordt het ware begrip van eeuwigheid en kracht geboren.”

Deze spreuken, vrienden, geven tezamen naar ik meen wel een afgerond beeld. U zult hebben bemerkt, dat ik een bepaalde theorie, een bepaalde these heb verkondigd en niet alleen de wijsheid zonder meer heb bekeken. De feiten nl. van deze dagen en al wat eraan vooraf is gegaan, wijzen op een noodzakelijke vernieuwing. En deze vernieuwing kan nooit liggen in het wegnemen van de vrijheid van de mens en het doen wegvallen van de verschillen tussen de mensen, in het wegnemen van alle grenzen die bij de mensen bestaan. Het kan slechts geschieden, indien de mens zelf zich daarvan bevrijdt. Niet uit de leer maar uit de mens wordt de waarheid geboren. De oudheid heeft dit beseft. De nieuwe tijd bevestigt dit.

De mens moet groeien. En dat is niet de langzame evolutie, waarvan velen dromen. Het is vaak een sprongsgewijs ontwaken tot een nieuw bewustzijn, waarbij men een ogenblik verzinkend als in verstarring (een Boeddha onder de Boa boom) plotseling ontwaakt tot het nieuwe. En dit zal men goed moeten begrijpen en verwerken. Want zo het Oosten ons iets heeft te leren, dan is het wel de aanvaarding van leven en dood als onbelangrijke waarden in ons bestaan en gelijktijdig de erkenning dat onze innerlijke groei, voortkomende uit ons pogen, ons soms plotseling ‑ en uit oorzaken, die menselijk gezien daarmee niet in verband kunnen staan ‑ kan verheffen, totdat wij binnentreden in een wereld van grotere werkelijkheid.

Vragen

  • Ieder leven ontstaat met een bepaald doel. Voor de mens betekent dit, dat hij voor het streven naar de verwezenlijking van dit doel zelf verantwoordelijkheid draagt en dat hij dit doelbewust streven bij anderen erkent en respecteert. Is dit juist gesteld?

Ja, dat is volgens mij volledig juist gesteld. Er is alleen één bezwaar bij en dat mag men niet over het hoofd zien. Wanneer we in de stof komen, worden wij dus geboren met een bepaald doel en een bepaalde taak. Maar dit doel en deze taak behoeven niet identiek te zijn met de doelstellingen, die wij voor onszelf als begerenswaard erkennen, wanneer wij gaan denken en filosoferen. Het doel van ons bestaan is intrinsiek verbonden met het Zijn zelf; wij hebben dus alles wat voor dit bestaan noodzakelijk is in onszelf, dat is ingeboren. En wanneer wij die taak vervullen, zullen wij dus eerst moeten zijn zoals wij werkelijk zijn, om op grond van deze vorm van eerlijk bestaan te groeien naar een beheersing ervan en dan een volgende fase in te gaan.

  • In verhouding wordt de reïncarnatie in de oosterse wijsheid veel­vuldiger besproken dan in het Christendom. Zijn de Christenen daar min­der aan toe of zit daar een bepaald dogma, tussen? Mag ik uw zienswijze daarover horen?

Kijkt u eens. De nadruk ligt in het Oosten inderdaad heel vaak op de reïncarnatie, omdat deze reïncarnatie een verklaring vormt voor het leven, en dit leven niet kan worden gezien als iets dat onmiddellijk kan eindigen in een hemeltoestand. In het Christendom echter werd de hemel (beter gezegd: het Koninkrijk Gods) als een onmiddellijk doel gekozen. En wij kunnen ons wel realiseren dat de verkondigers van het Christendom niet erg gelukkig zijn met de gedachte aan reïncarnatie, waardoor velen dus geneigd zullen zijn te stellen:

Nu ja, kom ik er in dit leven niet dan wel in een volgend. De bedoeling om a.h.w. pressie uit te oefenen heeft in het Christendom zelfs geleid tot een ontkennen van de reïncarnatie. Juist is dit natuurlijk niet. Want waarom zou Jezus eigenlijk van Johannes de Doper zeggen: “En zo ge gelooft dat Elia terugkeert, zo zeg ik u: deze is het.” Jezus zelf verwijst meermalen naar een reïncarnatie, naar een her­boren worden. Daarnaast leert hij echter dat langs zijn weg deze noodlots­keten wordt doorbroken. “Voorwaar, ik zeg u: zo zult gij de tweede dood niet sterven.” En dit laatste vooral plus de behoefte om een pressie uit te oefenen op de gelovige (iets dat vooral op de voorgrond treedt, wanneer geloof ook machtspolitiek wordt – en dat is het in het Christendom betrekkelijk vroeg geweest, ik meen in Byzantium in 92 na Chr., al is er geen sprake van een volledige machtspolitiek en later ook in Rome – daardoor worden dergelijke leerstellingen terzijde gelegd. Indien daarentegen het stelsel zodanig was geweest, dat juist die reïncarnatie nodig was geweest om de mens tevreden te stellen met zijn status, dan had men ongetwijfeld wel de nadruk daarop gelegd. Het is dus geen kwestie van dogma, maar het is doodgewoon een kwestie van onderdrukking.   Om u een vergelijking te geven. Er bestaat een zgn. vrije bericht­geving, waarbij men dus iedereen vrijlaat te schrijven wat hij wil, alleen mag hij sommige dingen niet schrijven. Dan zegt men: Dat is persvrijheid. Op dezelfde manier is er in de godsdienst een vrijheid om hierover te denken of te spreken; maar reïncarnatie als zodanig mag niet te vaak worden aangeroerd. En zo men al spreekt over het herboren worden, dan a.u.b. alleen maar in de zin, die de kerk aangenaam is. Dat is dus niet direct op dogma’s gebaseerd maar wel op de structuur van het Christen­dom en de daaruit voortvloeiende noodzaak.

  • Ik meen te constateren, dat nu de oosterse volken meer en meer ma­terialistisch worden. Wat is de oorzaak?

  Heel eenvoudig: wanneer ze niet materialistisch worden, dan worden ze door de materialistische westerlingen tot het materialisme gedwongen. Ze denken dan: het is beter ons eigen materialisme op te bouwen dan het door een ander opgelegd te krijgen, want daarmee hebben we tijdens het ko­loniaal stelsel al voldoende ervaring opgedaan. Met andere woorden: het is dus eenvoudig een verzet tegen een andere wereld, die materieel over zoveel grotere invloed, machten en middelen beschikt, dat men met een geesteshouding daar niet tegenop kan. Dat hebben ze ook in India moeten ontdekken.  Je kunt op een gegeven ogenblik niet met geestelijke stellingen te­gen het materiële ingaan, tenzij je het materiële geheel opgeeft; je er dus bij neerlegt dat de materie helemaal door de materialisten wordt ge­regeerd en je alleen voor jezelf een innerlijke vrijheid vraagt. De consequenties daarvan wenst men ook in het Oosten niet te aanvaarden en het resultaat is dus, dat men het kwaad met het kwaad bestrijdt, zoals dat op aarde bij mensen eenmaal gebruikelijk is.

  • Denkt u dat het beter is dat men de oosterse volken dan maar aan hun lot overlaat?

Dat zou beter geweest zijn in 1800. Maar nadien heeft men zich zo sterk daarmee beziggehouden, dat men het nu niet meer kan doen. Maar in­dien we voor de keuze staan, dat we mensen die primitief zijn in hun pri­mitiviteit verder moeten laten leven of ze kunstmatig moeten opfokken tot een meer westers leven (waarin ze tenslotte mentaal en qua incarna­tie niet helemaal passen), dan geloof ik dat het eerste inderdaad de voor­keur zou verdienen.

  • Hoe staat het eigenlijk met de Afrikaanse volken, die op een nog pri­mitiever basis staan dan de oosterse volken?

Nu, dat is eigenlijk heel eenvoudig: daar heeft men een bepaalde top­klasse, die zich ongeveer gedraagt als vroeger de stamhoofden; nl. door al het goede voor zichzelf te vragen. Alleen hebben die nu het voordeel, dat ze het goede kunnen vragen en van het communisme en van de democratie, onder bedreiging dat zij zich tot de andere partij zullen wenden. Zodat de­ze regerende vorsten het in verhouding beter hebben dan voordien, ook al heten ze misschien president. En wat het gewone volk betreft, och, dat blijft voor een groot gedeelte even arm als het was. En wat u ziet aan ontwikkeling in de Afrikaanse sta­ten, is voor een groot gedeelte  een façade. En daardoor heeft het westen demonen gewekt, waarmee het nog heel wat last kan krijgen. Geestelijk gezien echter is dit eigenlijk wel goed, omdat nu juist hierdoor het westen in verscherpte mate zijn eigen, fouten weerkaatst zal zien in de nieuwe Afrikaanse landen en hun wijze van optreden. Ik denk dan toch dat men zich soms voor zijn eigen politiek zal schamen, vooral omdat men die fouten bij een ander ziet en daarover gesproken heeft, voordat men zich realiseerde dat men het zelf ook doet.

  • Maar is het voor deze mensen eigenlijk niet een ontwikkelingsgang?

Ja. Het is echter de vraag of dat wel een juiste ontwikkelingsgang is. Men heeft dus gemeenschappen met volkomen eigen wetten, eigen in­ zichten, eigen verhoudingen, eigen geloof nu van elkaar losgemaakt. Men heeft die verhoudingen verstoord, men heeft ze door elkaar gegooid; en nu moeten deze mensen maar zien dat ze daaruit iets nieuws opbouwen. Ze moeten toch iets hebben als de stam, omdat ze nog niet in staat zijn in groter gemeenschap te denken en te leven. Daarom is het m.i. nu niet direct een gunstige ontwikkelingsgang en zeker ook geen natuurlijke ont­wikkeling.

  • “De sterkste binding, met het Al ligt in de ontbinding van alle banden.” Hoe kan men dit toepassen als men verantwoordelijk is voor een gezin?

Door te beseffen dat het gezin voor zichzelf verantwoordelijk is. Verantwoordelijkheden zijn gelogen in de publieke moraal. De publieke mo­raal is voortgevloeid uit de behoefte om de bestaande waarden ze goed en voor iedereen zo voordelig mogelijk te handhaven. Dat moet u goed begrijpen. De familie is altijd een basis geweest voor de maatschappij en ook van de macht in de maatschappij. Het is dus logisch dat de maatschappij op die familiebanden een zeer sterke nadruk legt. Maar mag ik u herinneren aan hetgeen Jezus zei tot de rijke jongeling, die zei: “Meester, wat moet ik doen om u te volgen?” Jezus sprak niet over verantwoordelijkheden, maar hij zei letterlijk. “Geef uw bezit weg aan de armen, laat uw vader, uw moeder, uw vrouw en uw kinderen achter en volg mij”. Een raad, die dus heel erg onverantwoordelijk is van uit een menselijk standpunt.  Elke mens heeft echter voor zichzelf te zorgen. Je hebt geen recht om je leven op een ander te bouwen. Je kunt met een ander samenwerken zeker. En zolang dat niet een beperking is van je eigen geestelijke vrij­heid en je eigen geestelijke ontwikkeling, mag je dat aanvaarden. Jezus had alle respect en alle zorg voor zijn moeder. Maar dat wil nog niet zeggen, dat hij dit altijd had. Want toen zijn moeder een beroep op hem deed, terwijl hij bezig was met zijn geestelijke taak, zei hij: “Vrouw, wat heb ik met u van doen”. En dan neem ik het hier dus speciaal uit Jezus’ leer om u aan te tonen, dat ook in het Christendom dat begrip verantwoordelijkheid anders ligt dan men het gewoonlijk interpreteert. Het ontbinden van alle banden wil dus niet zeggen dat men nu maar ieder­een laat sterven op zijn eigen manier. Maar het wil alleen zeggen dat het belangrijkste het belangrijkste is en blijft. En wanneer het voor een geeste­lijke ontwikkeling of bewustwording noodzakelijk is om iets te doen, dan zal er dus een ogenblik komen dat bv. het gezin daaronder lijdt; of dat verplichtingen die men dan sociaal heet te hebben, daaronder lijden. En dan is de kern van alle leerstellingen steeds weer: Denk erom, dat zijn maar materiële verhoudingen, dat zijn niet de werkelijke verantwoordelijkheden. Je eerste verantwoordelijkheid heb je tegenover God, de kosmos. Eerst daar­ aan voldoen; en als er nog tijd overblijft, mag je aan de rest denken. Ik hoop, dat daarmee de vraag is beantwoord.

  • Dat is in de praktijk wel heel erg moeilijk.

Dat is in de praktijk niet zo heel erg moeilijk.

  • Veronderstel: je hebt vrouw en kinderen. Moet je vrouw en kinderen dan maar verlaten?

Mijn waarde vriend, weet u wat het eigenaardige is? De egoïsten on­der de mensen, die hun eigen genoegen nastreven, die doen het wel.

  • Maar dat is niet te vergelijken.

Dat is wel te vergelijken. Want het absolute egoïsme is precies de tegenstelling van het absolute altruïsme; dus het absolute werken vanuit en met de goddelijke Kracht, werken voor het geheel. Nu vraag ik mij alleen maar af: Waarom kan degene, die alleen aan zichzelf denkt, dit wel doen en degene, die aan allen denkt, dit niet doen? Ik geloof dat hier weer een misvatting is; en dat is de misvatting, wij zijn allereerst gebonden aan de maatschappij, aan de verhoudingen die daarin bestaan. Dat is niet waar. We zijn gebonden aan de kosmische kracht, die in ons leeft, aan de goddelijke wet, die door ons tot uiting komt. Dat is de eerste verantwoordelijkheid die we hebben. We moeten eerst zorgen dat we met dat Hogere in harmonie en in vrede zijn en als we tijd over houden, dan kunnen we ons met de rest bezighouden. En dat is dus iets dat voor de maatschappij ‑ ik heb het al gezegd ‑ ontwrichtend klinkt. Het klinkt anarchistisch. Maar per slot van rekening zal degene, die God dient ook die God dienen in het geheel, in de gemeenschap en hij zal daaraan rustig iemand opofferen. En nu wil ik u nog een voorbeeld geven;

Er was hier in Nederland een tijd, dat men in verzet was, verzet tegen een overheersende macht. Toen hebben heel veel mensen niet aan hun vrouw en kinderen gedacht als ze meededen aan overvallen en weet ik wat nog meer. Toen zeiden ze: “Het grote doel gaat vóór alles; eerst de vrij­heid en dan de rest.” Dat konden ze wel doen voor een politiek doel; maar voor een geestelijk doel mag je dat niet doen. Het is wel een beetje dwaas te stellen dat je zoiets wel in beperkte gevallen mag doen, maar niet waar God, waar de onbeperktheid van de kosmos in het geding komt.

En laten we er nog iets aan toevoegen: Juist omdat je de kosmos zoekt, zul je geen mens proberen te schaden of leed te doen, zul je niet enig egoïsme laten meespreken. En dat wil dus zeggen, dat je in feite voor zover het kan aan die aansprakelijkheden en verantwoordelijkheden vrijelijk ‑ en niet omdat ze opgelegde verplichtingen zijn ‑ beter tegemoet zult komen, dan wanneer je het alleen maar beschouwt als een sociale plicht en een verantwoordelijkheid.

De grote fout van de mens in deze dagen is deze; Hij denkt dat hij de volmaaktheid kan bereiken door een wet uit te vaardigen. Wat hij niet beseft, dat is: een wet van buitenaf opgelegd wekt in de mens alleen verzet. Slechts de wet die innerlijk wordt beleefd, zal ‑ ook wanneer ze van buitenaf niet wordt opgelegd. ‑ volledig worden gehoorzaamd. De grote liefde-wet is Gods wet. Het is Gods wet, die in ons moet leven en die wij moeten beleven, altijd. En wanneer we dat doen, dan zullen we beter aan alle aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid, die men uiterlijk maar denken kan op de juiste wijze tegemoet komen dan zonder dat mogelijk is. En dan zullen we in feite dus minder onttrekken aan anderen dan nu onder de gebruikelijke formuleringen en inzichten voorkomt.

Ik geloof dat de grote fout ‑ dat betreft dus ook het gezinsleven de bezitsformule is. Kan een man een vrouw bezitten, kan een vrouw een man bezitten naar lichaam en ziel? Dat is onmogelijk, dat weten we heel goed. En dan houden ze zich aan uiterlijkheden vast, die overigens zo hier en daar ook nog wel ontdoken worden, omdat ze de innerlijke waarde niet durven stellen boven de uiterlijke. En toch is het beter dat twee mensen elkaar innerlijk volledig erkennen en aanvaarden dan dat zij zich door uiterlijke beperkingen aan elkaar gebonden achten, terwijl zij innerlijk elkaar voortdurend verraden en verloochenen. En voor de kinderen, die hieruit voortkomen, is het beter dat zij leven in een milieu dat vrij is, maar waarin de werkelijke, voortdurende genegenheid, de innerlijke achting een rol speelt, dan dat ze leven in een milieu dat zich aan alle wetten houdt, maar waarin de liefde ontbreekt. “Zo gij de liefde niet hebt, zo bezit ge niets.” De enig ware liefde is een liefde, die niet komt van buiten of uit verplichting of verantwoordelijkheidsbesef e.d., maar die voortkomt uit de erkenning van de goddelijke liefdekracht, van God in jezelf, de harmonie met de kosmos. En wie van daaruit de ware liefde weet te vinden en die op de wereld weet te leven, die beantwoordt aan zijn aansprakelijkheid tegenover de gehele schepping en onttrekt zich niet aan alle aansprakelijkheden om een enkele zgn. aansprakelijkheid te volgen.  Ik hoop niet dat u het mij kwalijk neemt, dat ik het zo zeg. Het is een aanval ‑ dat weet ik ‑ op uw sociaal systeem. Die aanval is gerechtvaardigd, geloof me. Want als er iets is dat aanleiding heeft gegeven tot zelfbedrog, tot huichelarij, tot innerlijk verzet (dat uiterlijk dan niet wordt getoond), dan is het juist dit. Leef jezelf, zo­als de God in je je toont dat je dit moet doen in volle aanvaarding van het Al en in liefde voor het Al. En daarnaast, schaad geen mens. Heb je naasten lief, omdat ze je naasten zijn. En je vijanden, omdat ook in hen God woont.

  • Vindt u het wenselijk dat de wijsheden van het Oosten in het Westen bekend worden en vindt u het wenselijk dat in het Westen de redelijkheid van denken blijft behouden?

 Dit is een heel moeilijke vraag. Ja, ik acht het wenselijk dat de wijsheid van het Oosten in het westen bekend wordt. Maar dan niet als de formule, als het dode woord maar tezamen met de achtergronden, met de inhoud, zoals we het vanavond hebben geprobeerd iets daarvan te bespre­ ken. Want wanneer het Westen de wijsheden van het Oosten zonder commen­taar krijgt, dan zal het trachten daaruit een westers systeem op te bouwen en daarmee a.h.w. het kind met het badwater weggooien. En dan de tweede vraag: Is het wenselijk dat het Westen redelijk blijft denken? Waar de redelijkheid in het Westen langzaam maar zeker tot een absolute vervreemding van de werkelijkheid voert, moet ik dit tot mijn spijt ontkennend beantwoorden. Zolang de rede wordt gebruikt om de werkelijk­heid verklaarbaar of niet verklaarbaar te hanteren en daarbinnen een zo goed mogelijk resultaat te bereiken: ja. Dan ben ik voor de rede. Maar zodra de rede wordt gebruikt om via allerhande handige systemen de waarheid en de werkelijkheid te verdoezelen en te verdraaien, totdat ze beantwoordt aan wat mensen zouden willen, maar wat niet waar is, dan acht ik de rede geheel verkeerd.

Ik zou u alleen willen wijzen op de manier, waarop u tegenwoordig bv. statistiek en de prognoses uit de statistiek voortkomend gebruikt, op de wijze, waarop theorieën hebben geleid tot 5‑ en 10‑jaren‑systemen, die noodzakelijkerwijze moesten mislukken, omdat er niet werd gerekend met hetgeen men met werkelijke redelijkheid toch had moeten beseffen: met de mens. De mens, die een onberekenbaar en in de statistiek niet vast te leg­gen iets is. Ik zou u erop willen wijzen, hoe de wetenschap in vele geval­len juist door haar redelijkheid weigert het onbekende te zien of het te onderzoeken, tenzij het onmiddellijk aansluit bij de reeds bekende gebieden en zo in vele gevallen zeer belangrijke feiten voorbijloopt en zelfs hardnekkig ontkent.  Neen, de redelijkheid van het westen is overdreven. Ik ben ervoor dat het Westen de rede gebruikt. Maar dan niet als de beslissende maat­staf voor het leven, doch slechts als een middel, waarmee het leven ‑ dat in zichzelf inspiratief is en soms zelfs instinctief ‑ kan voeren tot een zo juist mogelijke oplossing van problemen, een zo juist mogelijke wijze van leven en verder niets. Waar de theorie echter in de plaats van de feiten komt, waar de redelijkheid zo ver gaat dat ze de feiten ontkent of verdraait, daar moet ik absoluut tegen de rede zijn.  De oosterse wijsheid leert u dit. Van binnenuit leven, niet naar het uiterlijk. En de rede leert u juist, dat u alleen aan de hand van uiterlijke verschijnselen moet leven (althans tegenwoordig) en dat u de inner­lijke waarden dan maar moet verwaarlozen, dat u moet uitgaan van de grootste gemiddelden en van de mogelijkheid de bewijzen te herhalen en dat u niet moogt afgaan op hetgeen in u bestaat. Met andere woorden: al het unieke, in de schepping (in de mens en buiten de mens) wordt ontkend, omdat het uniek is en zich niet in een regel laat vatten. Ik geloof dat ik hiermee de vraag voldoende heb beantwoord, maar als u commentaar hebt, gaat uw gang.

  • Denkt u dat juist omdat de rede is gebaseerd op vele stellingen, men tot inzicht komt.

  Ja, u wilt zeggen: Meent u niet dat de redelijkheid zichzelf ondermijnt door het gebruik van de rede.  Dat is tot op zekere hoogte waar. Maar dit is een zeer langzaam proces, omdat nl. de rede tegenwoordig op Gods troon is geplaatst, zoals ze eens in de Franse revolutie hebben gedaan. De mens van tegenwoordig aanbidt rede en redelijkheid. Hij vereert als grootste aartsengel het compromis en niet de eerlijkheid. Hij heeft de waarheid aan de kant gezet om daarvoor in de plaats de suggestie te stellen. En wanneer u het zo beziet, zult u het met mij eens zijn: ja, natuurlijk ondermijnt ze zichzelf. De wetenschap komt tenslotte ook tot de erkenning van het onbekende, het grote raadsel van God. Ergens moet ze dat wel, want er is geen andere uit­weg. Maar wanneer ze was begonnen met die erkenning, dan was ze ongetwijfeld veel verder gekomen. En het is ook wel zeker dat ‑ naarmate men meer de abstracte waarden in de wetenschap gaat erkennen ‑ men minder over­zicht heeft over datgene wat de formulering die men vindt, de structuren die men ontwerpt, in feite betekenen. En wanneer u dan verder rekent, dat men dankzij de verheerlijking van rede en redelijkheid ontkent dat men geen inzicht heeft en dus alles als beheerst wil zien en beschouwen. Ja, dan komen die eigenaardige successen voor bij het exploderen van atoombom­men, die op een gegeven ogenblik 10 keer te veel of 10 keer te weinig energie opleveren, met alle gevaren daaraan verbonden.  Ik geloof dus dat we heel voorzichtig moeten zijn met een al te grote verheerlijking van de rede en de wetenschap. Het zijn middelen, maar die middelen moet een mens gebruiken van uit zijn innerlijk weten, dat geen wetenschap is. Van uit zijn intuïtie. Van uit alles, wat zich in zijn wezen afdrukt en door zijn wezen manifesteert en niet alleen aan de hand van hetgeen eens werd geschreven, U heeft het nu zo over de rede, wist u dat de wetenschap tegenwoordig ook een soort geloof is geworden? Men gelooft nl. dat alle onderzoe­kingen die vroeger zijn gedaan, geldig zijn en wat in de leerboeken staat waar is, ofschoon soms wel eens blijkt dat men er grondig naast is. Maar dat komt meestal te laat aan het licht!

  • Zullen Oost en West elkaar ontmoeten?

U wilt Kipling erbij halen? “East is East and West is West and never the twain shall meet.”

  • … en wat zal dan het resultaat zijn van deze ontmoeting?

Ach, weet u, die ontmoeting vindt voortdurend plaats, alleen niet aan uw kant maar aan de onze. Daar blijkt dan dat het Oosten het Westen aanvult en omgekeerd en dat men van elkaar veel kan leren. Maar zolang men uitgaat van ideeën als rassensuperioriteit, nationale belangen. e.d., zal er natuurlijk altijd een strijd blijven. En daarom zullen we maar zeggen dat het voorlopig nog wel even duurt, voordat de grote conflicten tussen Oost en West zijn uitgevochten. En u kunt er wel rekening mee houden dat het minstens een 20 à 25 jaar duurt, voordat er enig licht komt in het grootste conflict van deze tijd: de tegenstelling tussen China en zijn machtssfeer en de rest van de wereld. Dat zijn zo van die dingen, die u kunt nagaan. Ze ontmoeten elkaar dus niet zo snel. Maar aan de andere kant zou ik er ook op willen wijzen, dat er heel veel mensen met een oosterse inslag (ook al spreken ze niet zo goed Nederlands als u), met hereditaire achtergronden die zuiver oosters zijn, zich hier met uw volk vermengen en er wel kunnen leven. Ze kunnen wel samengaan Oost en West. Doch alleen wanneer ze niet worden gescheiden door rassenbewustzijn, nationaal bewustzijn of misschien ook een grote ruimte.

  • Mag ik nog iets vragen over China? Ik vind het zo eigenaardig. Het is zo’n typisch individueel volk en dat het zich toch helemaal laat leiden door stellingen die hun worden opgelegd.

 Ik ben het niet met u eens, dat het een typisch individueel volk is. Het is nl. zo dat het volk van China weliswaar in zijn persoonlijke uiting zelfs zeer sterk individueel is, maar dat het altijd zeer sterk gebonden is geweest aan systemen, aan bonden en samenhangen. De invloed van de Tongs bv., de verschillende geheime verenigingen, de grote ge­bondenheid aan een gezagsverhouding, zoals die indertijd van uit het keizerlijk hof werd geschapen, zelfs de massageest, zoals die bv. in de tijd van de eerste grote revolutie tot uiting kwam, die wijzen ons zeer duide­lijk erop, dat de Chinees individualist is, waar het zijn persoonlijk bestaan betreft, maar dat hij gelijktijdig een grote behoefte heeft om aan de ge­meenschap te beantwoorden. En pas wanneer die gemeenschap als geheel zich verzet, ontstaat er werkelijk oproer en revolutie. En dat is op het ogen­ blik inderdaad wel het geval. Maar het resultaat van die revolutie is dan ook weer typisch Chinees.  “Wanneer wij een onevenwichtigheid zien in de maatschappij,” zegt de Chinees, “dan moeten wij die opheffen door een andere onevenwichtigheid.” En zo schept men dus meer onevenwichtigheden om een zeer labiel evenwicht in stand te houden. En dat betekent dat in feite de problemen steeds groeien en niet afnemen. En dat vloeit dus voort uit het massabewustzijn van de Chinees. Vergeet niet dat de Chinees over het algemeen een groot denker is, een filosoof (zelfs in deze tijd vereert men nog de klassieken en worden ze nog bestudeerd), maar dat diezelfde Chinees daarnaast een zeer grote traditionalist is, d.w.z. dat hij zich zeer sterk aan bestaan­de patronen zal blijven aanpassen. Hij is niet zo vrij als u denkt. Maar hij vindt zijn vrijheid juist in het aanvaarden van de beperkingen van zijn sta­tus. En daarmee hebt u dus weer een probleem van het Oosten aangesneden nl. het feit dat zelfs de meer materialistische inslag van deze tijd in het Oosten ergens blijft berusten op een filosofische om niet te zeggen een vergeestelijkte inslag in de mens. Ik wil er niet te ver op ingaan. Ik geloof dat ik u duidelijk heb gemaakt waar het om gaat.  Als we klaar zijn met de vragen, dan zijn er nog een paar punten die ik graag met u zou willen bespreken.  Wanneer we de laatste ‑tijd zien wat er allemaal is gebeurd, ook in onze Orde, dan ontdekken we dat de oude geestelijke werkingen en krachten ergens een nieuw element zijn gaan bevatten; er is ergens een nieuwe stu­wing, een nieuwe werking, kortom, er is een kracht, waaraan we ons niet helemaal kunnen onttrekken. Die vernieuwing is een logische voortzetting van wat was.  Zoals men in de oudheid steden heeft gebouwd op de fundamenten van oude steden, die waren vergaan, zo zal een nieuwe wereld, een nieuwe maatschappij moeten verrijzen op de fundamenten van deze. En daarbij spelen geestelijke werkingen een zo grote rol, dat we niet behoeven te denken aan de stoffelijke, puinhopen.  Nu is één van de wonderlijkste dingen, die we hierbij ontmoeten een kracht, die niet redelijk te bevatten is. Je kunt niet zeggen waarom een bepaald woord werking heeft of niet, waarom een bepaalde sfeer ont­staat of niet. Je kunt alleen maar zeggen: het is er. De woorden zelf zijn soms zo oud, dat je meent ze al gehoord te hebben toen je in de wieg lag en misschien lang voordien in vorige levens. En toch hebben ze een nieuwe werking, een nieuwe inhoud. Zo vormen ergens een nieuwe beroering van de mens.

Met onze beschouwing van oude oosterse wijsheid, waarbij we maar heel vluchtig door die grote rijkdom aan denkwijzen en filosofieën zijn heengestapt, hebben we deze gedachte aan de innerlijke werking, de innerlijke kracht ontmoet. Nu is er een middel om dus verder te grijpen dan de rede; en dat is een beroep te doen op die emoties in de mens en op die geestelijke waarden van de mens, die normalerwijze door het woord niet worden beroerd. Wij zien dus dat het woord een volledig zelfstandig leven krijgt en dat het voor ons veel meer inhoud krijgt dan het als mededeling alleen ooit kan hebben. In de oudheid moet dat ook het geval zijn geweest. Toen Jezus tot de mensen sprak, is dat niet alleen maar een kwestie van zijn woorden geweest, want anders zou je zeggen: “Zalig zijn de armen van geest, want…”; “zalig zijn de bedroefden, want … en zo gaat het verder. Maar als je datzelfde verbonden denkt met een innerlijke kracht, een innerlijke vibratie, dan gaat het anders worden. “Gelukzalig de bedroefden, want zij zullen getroost worden.” Dan klinkt er iets in mee, dat meer is dan woorden kunnen zeggen.  En wanneer wij te maken krijgen met die spreuken, waarvan de zin al­ lang verloren is gegaan, met een “aum”, met een “aum mane padme hum”, met al deze grote en kleine spreuken, met de aanroepingen bv. van Allah, dan ontmoeten we ook daar iets, dat meer is dan de spreuk zelf, meer dan het woord.

De wijsheid van deze wereld, de wijsheid van het Oosten is niet alleen verankerd in woorden. Ze is ergens verankerd in trillingen, in een levende vibratie, die pas inhoud geeft aan wat zonder dat wel mooi is en begrijpelijk, maar toch steriel. Pas wanneer er ergens een innerlijke kracht ligt achter het woord, wanneer de eeuwigheid a.h.w. binnen de tijd tot uiting komt, draagt zo’n woord vruchten; dan ontdekt men een nieuwe wijsheid en een nieuwe weg. Zo is het altijd geweest, zo zal het altijd zijn. Ik voor mij ben natuurlijk niet in staat om die kracht zo te hanteren als de Grootmeesters van kracht het zelf doen. Haar zelfs wij, doodgewone geestjes, doodgewone sprekers van een groep, wij vinden ergens die bezielende kracht reeds. Ook wij vinden ergens achter het woord deze vibratie, die u mijnentwege suggestie moogt noemen, maar die in wezen betekenis heeft en wat zonder dat betekenisloos zou zijn. En dat geldt voor ons allemaal; niet alleen voor onze woorden maar ook voor onze daden. Het is niet alleen wat we doen, maar het is de eeuwigheid die in de daad doorklinkt, die haar waarde geeft. Het is niet alleen maar hoe we zijn. Neen, het is dat zijn, geladen met eeuwige kracht, dat aan het bestaan waarde geeft. Zoals de oosterling zou zeggen: Wij leven in een wereld van begoocheling, zeker als we in de stof zijn: maya, de tuinen van waan, de sluiers waarachter de waarheid zich verschuilt; maar de waarheid spreekt door ons. Ons wezen mag leven in de tuinen der begoocheling, maar de kracht van ons wezen staat daarbuiten. Wij leven de werkelijkheid, niet meer en niet minder. Onze dromen zijn illusies misschien, die worden weggespoeld, maar wat diep van binnen in je klopt en wekt, wat met woord en daad steeds weer tot uiting komt, dat wordt je schoonheidsbeleven, je zoeken naar geestelijke waarde, naar inhoud. Dat alles is waarheid, dat is werkelijkheid. En daarom vind ik het goed aan het einde van deze avond te stellen, dat de wijsheid van het Oosten (oud en nieuw) en de wijsheid van het Westen op zichzelf de vormen zijn waarachter de waarheid schuilgaat, niet de waarheid zelf. Het is wat erin leeft, wat wij erin kunnen doen leven, wat de waarheid erin doet spreken.

Wanneer ik u zeg dat de mens zich openplooit als een lotus voor het licht van de maan, dan klinkt dat mooi; het is een beeld. En het zegt u misschien iets. Maar wanneer u zelf die vijvers hebt gezien, waar de lotus op het spiegelend water drijft, langzaam als een witte vlek zich openvouwt, de perfectie, ergens geboren uit het misschien op zichzelf onwelriekende water, dan begrijpt u pas wat het betekent “het kleinood in een lotusbloem”‘ Dan leeft er meer.

Zo gaat het met alle dingen. Wat u doet, wat u denkt, wat u bent, is tenslotte onbelangrijk. Het is wat u van binnenuit leeft, wat u er aan grotere waarden in kunt leggen, dat betekenis heeft. Het is niet wat u voor uzelf ziet als uw taak, uw verplichting, uw leven en uw werken, hoe goed het ook moge bedoeld zijn, dat waarde geeft aan uw bestaan, maar het is een eeuwige waarheid, een innerlijk weten en voelen, dat zich uiterlijk onbeholpen door de stoffelijke vorm heen, betekenis geeft aan alles wat u noemt: uw plicht, uw taak en wat erbij behoort.

Wanneer deze avond mag bijdragen tot dit begrip, dan geloof ik dat we veel hebben bereikt.

Wanneer een Meester tot u zegt; “Mijn vrede laat ik u,” dan klinkt dat mooi. Maar wanneer hij zegt “vrede”, dan zegt hij niet alleen “vrede”, dan geeft hij de vibratie van rust, die vrede is.

 “Mijn vrede laat ik u.”

Het is een trilling, die rust geeft. Hij laat u delen in iets van de wer­kelijkheid. En wanneer hij zegt;”Mijn geliefden,” dan is dat niet alleen maar een woord dat zegt: Wat vind ik jullie aardig. Neen, dan wil het zeggen; één in God, één in de waarheid, één in de werkelijkheid.

En wanneer hij zegt: “Vrienden,” dan is dat niet alleen: Ach, wat zijn jullie eigenlijk wel gezellig, we kunnen met elkaar opschieten. Maar te zeggen: “Vriend”: dat wil zeggen: gebonden met mij in waarheid. En wanneer u die dingen denkt en doet en zegt, moet u er ook die innerlijke kracht in leggen. Want het is de innerlijke kracht, die de betekenis geeft aan alle dingen.

En om te sluiten zal ik proberen daaraan een kleine achtergrond te geven met een citaat. Een citaat dat ‑ ik weet het ‑ wanneer het met gewone woorden wordt uitgedrukt betrekkelijk klankloos en kleurloos is, maar dat door die innerlijke waarde toch zoveel kan zeggen. Het is ook gekozen uit het Oosten.

“De ziel der wereld spreekt in mij. En uit de wereld levend volbreng ik mijne taak als strijder, priester, vorst, als dienaar van het lot. Want ’t gouden Licht van d’ eeuwigheid is sterker wapen dan de strijd en ’t recht mij aangemeten.

Wanneer ik zetel op de troon of kniel in ’t stof gebogen, in mij leeft slechts die werkelijkheid van eeuwig mededogen dat vrijheid is en toch een band die mij tot ’t vrije zijn geleidt.”

Dit is een zeer vrij vertaalde strofe van een heel groot werk. En dan staat er in datzelfde werk nog:

“Gaan zal ik in het laaien van vlammen. Gaan zal ik in ’t nachtelijk uur, verteerd door vuur.      Maar mijn wezen rijst op en is een blijvende werkelijkheid. Want zo de waan door het vuur wordt verteerd, ik ben eeuwig en eeuwigheid. En door de wegen van het lot ontwaak ik tot een laatst bestaan, waarin ik waarlijk meester ben en dat bij ’t sterven van de waan ik eerst nu waarlijk leef.”

En dat geldt voor u allen. Hieraan kan ik alleen maar toevoegen:

Eén zijn wij, of we het beseffen of niet. Eén in de kracht, die ons voortbrengt. Eén in de kracht, die ons beweegt door alle leven. Eén zullen wij zijn in de vernieuwingen, die wij doormaken. Eén zullen wij zijn in de bereiking die ons allen uiteindelijk gegeven wordt.

Laat ons alle wijsheid van Oost en van West, dat wat in ons leeft als inspiratie en de kennis die wij bezitten, laat ons die samensmelten met dit geheel, opdat wij daaruit mogen ontwaken tot een steeds grotere wereld, een steeds juister gebondenheid binnen de kosmische werkelijkheid.