Oude wijsheid

7 februari 1960

Op deze bijeenkomst willen wij spreken over wat oudere wijsheid, waarbij wij niet zullen nalaten tevens de praktische toepassing voor deze tijd mede te vermelden.

Er bestaat in het vroeg-Babylonische tijdperk een afzonderlijke scholing en Godsdienst, die wordt genoemd: De Bestrijders van Nergal. Nergal is een doodsgod en je zou dus kunnen zeggen dat het mysterie en al, wat ermee samenhangt, inhouden de overwinning van de dood. Deze school is zeer praktisch ingericht. Men heeft een reeks van wetten en geschriften, die alle tezamen slechts trachten voor de mens het leven op aarde te vereenvoudigen. Sommige van de artikels gelden heden ten dage als vanzelfsprekend of zelfs als een bijbelse wijsheid. Er staat bv. geschreven:

“Bezit heeft slechts zin, indien men er iets mee verwerven kan. Verstandig is hij, die zich met zijn bezit de gunsten der hogen (hooggeplaatsten) verwerft. Doch wie het bezit eert en dient, zal het slachtoffer zijn van de sterken.”

Dat is zo ongeveer hetzelfde als: “Zalig hij, die zich vrienden maakt uit de Mammon.” Er zijn ook andere regels en enkele daarvan hebben mij bijzonder getroffen als zijnde toepasselijk op een tijd van verwarring als deze. De eerste luidt:

“Wie zichzelf niet beheerst is het slachtoffer van alle gebeuren. Doch wie zichzelf meester is kan meester zijn van het gebeuren.”

Er volgt dan een vergelijking over paarden, die op hol slaan, welke ik niet verder wil citeren. Het geheel van deze regelen eindigt dan:

“Zo men zichzelf meester is en een klaar oog behoudt, zo zal men weten wat noodzakelijk is.”

Ik ga dit omzetten in termen van uw tijd. Het is niet voldoende je best te doen in het leven. Indien je alleen maar doet wat je meent dat wel goed is, dan bestaat het gevaar, dat onvoorziene gebeurtenissen je overweldigen en je brengen tot reeksen van handelingen, die je later zult betreuren. Zo je echter wel overlegd weet te handelen en gelijktijdig voortdurend geïnformeerd bent omtrent hetgeen in je wereld mogelijk is, zul je meester zijn van de omstandigheden in die zin dat je al, wat je reeds eerder gezien en erkend hebt, kunt gebruiken om daarmede voor jezelf een zo gunstig mogelijk resultaat te bereiken. Dat geldt niet alleen stoffelijk maar ook zelfs geestelijk. Om werkelijk verder te komen in het leven lijkt het soms noodzakelijk om veel te verdienen. Tenminste in uw wereld lijkt het mij, dat dit voor velen een zeer belangrijk punt is. Om werkelijk verder te komen in het leven moet je het respect van je medeburgers hebben. Ook hierop legt men heden nogal de nadruk. Maar om werkelijk verder te komen in het leven moet men juist van beide factoren onafhankelijk zijn. Het is niet wat ik verdien, maar hetgeen ik voor mijzelf bevatten kan en waarmede ik handelen kan, dat werkelijke rijkdom baart. Stoffelijk gezien zou de vergelijking dus als volgt moeten luiden:

Een mens met een salaris van zegge f. 600.– tot f. 800,– in de maand heeft minder kans om rijkdom te verwerven, dan een mens die met f. 100.– in de maand moet uitkomen, maar met een redelijk voorzien van zijn mogelijkheden begint met f. 5,– tot f. 10.– per maand als handelsgeld af te zonderen en daarmee te speculeren. De tweede zal eerder rijk zijn dan de eerste.

Geestelijk is ook ditzelfde regeltje van toepassing. Juist in uw tijd vergeet men dit wel eens. Niet zij, die regelmatig een betrekkelijk hoog geestelijk peil bereiken, zullen in staat zijn de hoogste geestelijke waarden voor zichzelf te openbaren en daarin door te dringen. Alleen zij die – zelfs als zij betrekkelijk weinig geestelijk licht hebben – daarmee speculeren, d.w.z. origineel zijn in hun handelen en denken, hebben de mogelijkheid dat zij grote waarheid en wijsheid in betrekkelijk korte tijd bereiken.

In al deze omstandigheden van stof en wereld, die wij zo even hebben samengevat in de term salaris en geld, speelt ook nog iets anders een rol. Iets heeft slechts waarde door ruil, ook wanneer het geld heet. Honderd gulden is niets waard. Het feit echter, dat je voor honderd gulden zoveel in ruil kunt krijgen, geeft het inhoud en waarde.

In dit oude boek staat iets, dat hierop zou kunnen zijn gebaseerd, n.l.:

“Indien gij bezit, zo verruim uw bezit door te nemen wat vaste waarde heeft. Maar laat nooit uw bezit stil liggen, want dan vergaat het.” 

U zult misschien denken: Dat is een soort raadgeving voor handelslieden. Maar dat is niet waar, want het wordt hier geestelijk bedoeld. En juist deze geestelijke bedoeling is weer op uw eigen tijd van toepassing, want indien u nu alle geestelijke wijsheid bezit die er bestaat, als u precies weet wat u moet doen, wat u moet denken, hoe u moet handelen, hoe u geestelijke sferen kunt betreden en wat dies meer zij en u brengt het niet in praktijk, dan zijn deze dingen voor u waardeloos. Het zou voor u beter zijn dat u uw tijd op een andere en misschien minder vergeestelijkte wijze zou besteden. Het gaat er niet om dat wij slechts innerlijk veel geestelijke theorieën opdoen, het is noodzakelijk dat wij de geestelijke theorieën in de praktijk vervullen. In de praktijk wil zeggen: dat zowel uzelf als een ander voortdurend moet bemerken, dat er iets gebeurt aan de hand van een geestelijk bewustzijn.

Ik mag hier misschien even afwijken naar het heden. Wij hebben vele lessen gegeven en die lessen houden o.a. in de mogelijkheid om je eigen tijd a.h.w. wat uit te rekken, d.w.z. meer te doen, in minder tijd door een juiste afstemming. Immers de mens, die in harmonie is met zijn medemensen, in harmonie is met zijn omgeving, zal de meest juiste benadering en handeling vinden en daardoor tot een sneller bereiken komen van zijn doel. De tijd die hij overhoudt, kan hij dan gebruiken om iets anders te bereiken, iets anders te doen, waarvoor hij eerst meende dat er geen tijd genoeg zou zijn.

Een ander voorbeeld: Wij leerden u, dat het mogelijk is om zeer vele verschillende geestelijke procedures te kennen, maar dat men, al is het uit den treure, steeds weer een enkel proefje zal moeten herhalen, tot men met zekerheid weet, dat men dit en zijn resultaten beheerst. Oefening is noodzakelijk. Kijk nu naar uw wereld. Deze wereld is vol. Van schijnbaar onverwachte gebeurtenissen. Deze wereld is vol van spanningen, die je schijnbaar geheel in beslag nemen. Zij is vol van factoren, die je vermoeien, je ziek maken. Managerziekte overspoelt uw wereld, tenzij u tenminste in harmonie weet te zijn en met een redelijk bewustzijn durft constateren wat de grondslag van uw wereld is.

Dan is er nog een klein praktisch regeltje uit het oude boek, ofschoon dat een eind verder staat. (Nu ja, “boek” is overdreven hier. We kunnen zeggen: een reeks van tafelen plus een rol.) Dat gaat n.l. over het werk van de genezer, die in de tempel vaak als een soort biechtvader optreedt en de ingewijde, die krachtens deze zelfde bezigheid anderen kan helpen. We lezen dan:

“Een ander begrijpen wil niet zeggen het beste of het slechtste zien, maar begrijpen hoe een evenwicht tussen goed en kwaad kan bestaan. Een mens kan zich nooit bewegen in het zuiver goed of zuiver kwaad. Slechts waar een evenwichtigheid bestaat, zal hij niet afwijken doch voorwaarts gaan op het pad, dat hij zichzelf heeft bestemd.”

Natuurlijk voor de christenen van deze tijd – en wat daarbij hoort – een beetje boute stelling. Niet goed en niet kwaad. Maar het gaat hier over het oordeel van de wereld en in zekere zin ook over je eigen leven. Kijk eens, op het ogenblik dat u probeert alleen maar goed te doen, loopt u vast. Want dit “alleen maar goed” kan niet volledig door de wereld erkend en geabsorbeerd worden. Het gevolg is, dat het ten dele tot u terugkeert en dan voor u een negatieve uitwerking heeft. Het bestrijden daarvan belet u verder te gaan met het volbrengen van het goede. Met het kwaad precies hetzelfde. Als je alleen maar kwaad doet, ontstaat een zodanige spanning in jezelf, dat je ofwel iets goeds moet doen om evenwicht te vinden, dan wel ten onder zult gaan waar die ene daad je volledig gebonden houdt.

Als u dit nu eens overbrengt op uw eigen leven, wat krijgen we dan? Het is niet noodzakelijk te weten wat goed en wat kwaad is, maar wel om datgene wat u dan als goed en kwaad erkent in uzelf voortdurend in evenwicht te brengen. Er is geen behoefte aan uitwijkingen naar een van deze twee zijden. Evenwichtig leven is belangrijk. Een mens die evenwichtig leeft, zal n.l. in staat zijn voortdurend te voorzien wat zijn volgende stap moet zijn. Hij wordt niet door vooroordelen ter ene of ter andere zijde afgeleid. Hij zal dus regelrecht kunnen gaan naar het doel, dat hij zich stelt. Een bereiking in zichzelf is belangrijker in deze wereld dan beantwoorden aan de beperkte eisen, die men op religieus of ander gebied meent te moeten stellen.

In dit oude boek staat: “Resultaat is een eerste vereiste.” En we vinden zelfs op een van de tafelen een nadrukkelijke verklaring:

“Slechts diegene heeft rechten in onze orde (eigenlijk moet je zeggen priesterorde), die niet slechts de kennis bezit, die noodzakelijk is en de krachten kent, die ons dienen, doch in staat is daarmede te bereiken.”

(De omzetting van al deze regels is natuurlijk van, mij.) Ik zou zeggen, datzelfde zou ook voor u gelden. U komt regelmatig op vele bijeenkomsten. Sommigen uwer aspireren naar een steeds grotere geestelijke ontwikkeling. Zij nemen deel aan een esoterische school en aan een cursus. Maar al deze dingen hebben alleen nut, als je er praktisch iets kunt uithalen en dat betekent dat je, altijd klaar moet staan om de praktische, voor jou bruikbare, waarden eruit te halen. Niets in deze wereld is onbelangrijk, niets van de geestelijke leringen, die in deze wereld mogelijk zijn, kan onbelangrijk geacht worden. Al deze dingen zijn belangrijk, indien zij voor ons een kennis met zich brengen, die wij kunnen toepassen. Niet die wij willen toepassen: die wij kunnen toepassen. En al wat er aan eeuwigheid, aan Goddelijk licht, aan eeuwige krachten bestaat, heeft voor deze wereld alleen zin, als het hanteerbaar is, als het bruikbaar is.

In de geestelijke leringen, die wij in onze sferen wel ontvangen en geven, worden dergelijke problemen natuurlijk ook aangesneden. En als men bij ons komt (dat is dus de orde en wel op het hogere niveau), dan zijn wij gewend om dit te zeggen: “Belangrijk is niet wat je bent, wat je denkt, uit welke tijd of welke wereld je komt. Belangrijk is slechts datgene, wat je voor jezelf en anderen weet te bereiken. Belangrijk is slechts de harmonie, die je kunt doen ontstaan tussen jezelf en een zo groot mogelijk deel van de kosmos. Want het ware en werkelijke leven is in feite niets anders dan een “in volledige harmonie zijn met de schepping.” Bekommer u niet om oordeel en veroordelen. Er is slechts één Kracht, die kan oordelen: de Kracht, die men God noemt. Bekommer u niet over goed en kwaad, licht en duister. Slechts datgene wat in uzelf leeft, is onveranderlijk en blijvend en ge zult, zo ge duister zijt, in uzelf duister met u dragen tot in het hoogste licht en zo ge licht zijt, zult ge als licht doordringen in het diepste duister. Want het is uw wezen dat leeft en uw kracht die werkt.”

Dat is natuurlijk mooi in de geest, maar in de stof is het voor velen wat te vergaand. Laten we het dus omzetten in zuiver stoffelijke termen. Wat je nodig hebt in het leven is een basis. Die basis bestaat geestelijk uit een bepaalde reeks opvattingen, die men vaak “geweten” noemt. Stoffelijk gezien bestaat ze over het algemeen uit een zeker bezit, een zeker inkomen, een zekere relatie met wat mensen. Deze basis is het van waaruit wij moeten gaan werken. Slechts indien wij die basis hebben, zijn wij zeker. Men heeft ons wel eens verweten dat wij zeiden: “Ja mens, je eigen geweten moet bepalen wat wel en wat niet mag. Zelfs de Tien Geboden hebben niets te zeggen, als je geweten daarop niet reageert.”

Men wierp ons tegen: “Vrienden, maar dat is toch Gods woord” Ja, Gods woord maar in de mond van mensen vervormd en vertekend. Uw geweten is de basis om de doodeenvoudige reden dat van hieruit uw wereldvoorstelling is opgebouwd. Als uw geweten voortdurend in strijd komt met uw daden, ontstaat er een onevenwichtigheid, een afwijking ten kwade. Als u voortdurend alleen maar datgene doet, wat uw geweten zo fantastisch mooi en goed vindt, hebt u grote kans dat u er ter andere zijde afwijkt. Uw handelen dient neutraal te zijn. Uw leven, de grondslag van uw geestelijk leven en denken, ligt in uw besef omtrent het voor u aanvaardbare. Van daaruit zult u moeten gaan werken met, ik zou haast zeggen, het experiment. Laten we het omzetten in nog materialistischer termen. Als je een vast inkomen hebt – en dan behoeft dat inkomen op zichzelf niet groot te zijn – dan heb je een basis, die het je mogelijk maakt om met de gelden, die je over hebt, de tijd die je over hebt, experimenten te doen. Dan kun je gemakkelijker een grote prestatie leveren, een onderzoek doen, speculatief handeldrijven en al wat dies meer zij. Je hebt er de tijd, de basis voor. Dat kunt u wel begrijpen, denk ik.

U denkt nu dat u geestelijk een vaste basis hebt. Dan betekent dit, dat u van daaruit moet experimenteren. Ik bedoel niet, dat je moet gaan kijken hoe het is, als je tegen je geweten ingaat of als je nu iets doet, wat je voor jezelf buitengewoon goed vindt. Toelaatbaar maar niet noodzakelijk. Ik bedoel ermee, dat je – je baserende op de vaste verhouding in de wereld – daarnaast soms iets kunt vinden van geestelijke geaardheid, een gedachte, een filosofie, waarvan je soms vraagt: “Is zij aanvaardbaar?” en waarbij je zegt: “Daarin wil ik doordringen. Ik wil zien wat daarmee te doen is.” Dan kun je altijd weer terugkeren naar het punt van uitgang: je basis en daarin voortleven zonder enig voorbehoud. Maar het experiment, het ervaren dus op terreinen van veel grotere en hogere orde, kan je soms geestelijke rijkdommen zonder gelijke bezorgen. Gezien de basis die je bezit echter en waar je voortdurend mede je aandacht aan besteedt, zul je geestelijk nooit zozeer verarmen dat je in het duister bent. Op deze wijze kan de mens dus in het leven voor zichzelf zorgen voor iets positiefs.

Een laatste punt, voordat ik heenga. Een punt dat ook weer afgeleid is uit hetzelfde geschrift, ofschoon ik hier de citaten terzijde laat. Wij weten dat mensen over het algemeen bang zijn om hard te zijn of bang zijn om zacht te zijn. Hardheid zou bv. zijn het erkennen van het volgende: Een mens heeft 10 tot 12 maal dezelfde fout gemaakt, ofschoon je hem steeds hebt geholpen. Dan is het enig juiste die mens niet meer te helpen. Want elke maal dat u hem helpt de gevolgen van zijn eigen fouten te voorkomen, helpt u hem feitelijk om een nieuwe fout te begaan. Dat is logisch, maar het is vaak hard. Genegenheid mag nooit ontaarden in een absolute goedkeuring van iets, wat een ander doet en een absolute aanvaarding van diens fouten. Je moet t.o.v. je medemensen vrij kunnen staan en hoe meer die mensen met je in verband staan, hoe moeilijker het vaak wordt die zekere hardheid te bezitten. Het nuchter erkennen: mijn hulp, mijn medeleven, mijn medewerking ontaardt voor die mens elke keer in een steeds groter conflict. Ik moet mij dus terugtrekken. Hoe meer ik die mens steun, hoe minder hij in het leven kan presteren, hoe meer hij afhankelijk wordt van anderen. Dat mag ik niet toelaten, ik moet mij terugtrekken in dergelijke punten.

Daar staat tegenover, dat de mens vaak daar hard is, waar zachtheid noodzakelijk is. Het komt heel vaak voor dat een mens, die tegenover de wereld heel aanvaardbaar handelt, uzelf of uw bedoelingen miskent of u onrecht doet. Een mens kan handelen op een wijze, die voor u pijnlijk of schadelijk is, ofschoon het voor de wereld als geheel weinig uitmaakt. Dan is het niet uw zaak die ander te dwingen of te helpen dit te herstellen, maar het te aanvaarden. In die aanvaarding ligt n.l. de juiste wijze van zachtheid. Een begrijpen van de ander en hem daardoor alleen laten met zijn fouten, terwijl je de gevolgen ervan voor jezelf negeert.

Deze regels werden in het oude boek gesteld om de juiste samenhang in de mensheid aan te tonen en vooral ook de juiste houding van de ingewijde en de geestelijk krachtigen. Maar al datgene wat daar wordt gezegd, vrienden, past vandaag aan de dag in uw wereld. En ik wil dan opmerken dat in uw wereld te veel onjuiste zachtheid wordt gebruikt. De pleidooien die wij zo vaak horen: “Deze mens was geestelijk abnormaal” of “nu ja, ik ben overspannen” en vele dergelijke uitvluchten worden gebruikt om de aansprakelijkheid van die mens te verminderen, d.w.z. dat deze mens, elke keer dat iets doet wat minder juist is, vluchten zal in deze psychoses zich dus verder aan de verantwoordelijkheid t.o.v. de wereld zal onttrekken. Een dergelijke zachtheid is uit den boze. Als die zachtheid te veel optreedt – u kunt het in uw omgeving zien, u kunt het zien in de hele wereld – dan ontstaan verhoudingen en toestanden, die op zijn minst genomen bedenkelijk mogen heten.

Aan de andere kant bestaat er een verkeerde hardheid. Wij willen natuurlijk wel vrede, maar wij zullen ons te vuur en te zwaard verdedigen, als er iemand komt aan datgene, wat we onze heiligste rechten noemen. Dit gaat u aan en niet een ander. Daar is het al fout. Daar is geen sprake meer van een onrecht in de maatschappij, een handhaven van een maatschappelijke verharding, daar is sprake van het handhaven van een eigen inzicht en een eigen mening t.o.v. een ander. Hier moet een grotere verdraagzaamheid zijn, men moet meer begrip hebben voor anderen met hun fouten. Dat betekent dat men zich minder fel wapent. Het is niet voldoende daaraan tegemoet te komen door voortdurende besprekingen op hoger en hoger en topniveau, die ten slotte vaak ontaarden in onaangename gesprekken, die geen vrucht voortbrengen. Hier is absoluut sprake van een hardheid, die niet past. Dit is onze stelling en wij willen graag heel vriendelijk met u praten, maar die stelling blijft onze stelling en wij doen wat wij willen. Deze gedachtegang kan zozeer schadelijk zijn, zozeer mat vernietiging dreigen, dat zij voor de wereld op het ogenblik een van de grootste van onze geestelijke problemen betekent. Indien u voor uzelf in de gewone samenleving diezelfde houding zou aannemen, dan zou u zeker daardoor een groot lijden ondergaan. U zou voor uzelf en anderen geestelijke en misschien zelfs stoffelijke vernietiging naderbij lokken in plaats van een harmonische verhouding te scheppen zoals voor allen op aarde begeerlijk is.

o-o-o-o-o

Als je al die dingen zo hoort, denk je bij jezelf: Ze zullen wel gelijk hebben, maar het is allemaal zo lastig. En dat is mijn onderwerp voor vandaag: “Het is te lastig,” “het is te moeilijk,” of “het is niet praktisch.” Weet u, er was eens – het is al een tijd geleden – een stekelvarken, dat tegen zijn moeder zei: “Ja, maar als ik mijn huid moet spannen om al mijn stekels op te zetten, is dat zo’n grote inspanning, dat is heus niet praktisch. Wij kunnen ons beter op de grond leggen, dan hebben wij lang niet zoveel stekels op te richten en dan kunnen wij ons zo ook wel verdedigen.” En zoals dat gaat met kleine stekelvarkens, ze komen wel eens in gevaar te verkeren. En negen van de tien keer ging het goed, want de andere dieren uit het bos dachten: “Dat is een stekelvarken en als wij eraan komen, krijgen wij stekels in onze neus,, laten wij maar doorlopen,” Maar op een goede dag kwam er een hond, die nog nooit een stekelvarken had gezien. Het stekelvarken dacht: “Ik duw mijn snuitje tussen mijn pootjes, ik ga liggen. Dat gaat best.” Dat was best voor de hond, die een heerlijk maal had van stekelvarken.

En de moraal van het schone verhaal? Ach, vrienden, u weet het toch zelf wel. In heel veel gevallen heb je stoffelijk en geestelijk heel wat middelen om je te verdedigen. Van nature zijn je gaven en mogelijkheden meegegeven, waardoor je je in zeer grote mate onaantastbaar kunt maken voor verschijnselen van deze wereld als onnodig leed, ergernissen, drift enz.. Maar de meeste mensen zeggen als het stekelvarken: “Het is misschien wel zo, we zouden ons wel kunnen verdedigen maar om daar zoveel tijd aan te besteden, ons er zo druk over te maken, het is niet praktisch, het is zo vermoeiend.” Alleen gaan de mensen meestal wat verder dan het stekelvarken. Die zeggen: “Ja, we vinden het prettig om op de hoogte te zijn. Wij willen graag weten wat je kunt doen en wij vinden het wonderbaarlijk, als wij weten dat je alleen door het uitstralen van een geestelijke kracht uit een borst-chakrum vijanden eenvoudig kunt terugdrijven en dat je alleen met het opleggen van de handen zieken kunt genezen. Dat is fantastisch mooi: wij horen het graag, maar weet u, het is niet praktisch. Wij kunnen dat nu eenmaal niet. En misschien zouden we dat wel kunnen leren, maar daar hebben wij zo weinig tijd voor. We hebben zoveel andere dingen, weet u.”

Ik heb zo’n idee, vrienden, dat hier inderdaad een andere oplossing moet worden gevonden, Het is niet praktisch, dat betekent alleen maar: wij achten op het ogenblik de moeiten die eraan verbonden zijn veel groter dan de baten, die wij ervan verwachten.

Als alle mensen eens zo hadden geredeneerd, had ongetwijfeld het eerste oer mannetje in een of andere oer grot gezegd tegen een ander oer mannetje: “Jongen, loop niet met zo’n stuk vuur te slepen. Dat is niet praktisch.” En de eerste mens uit het stenen tijdperk, die onder een slee een paar schijven van een boomstam had gezet en zo wielen maakte, heeft ongetwijfeld te horen gekregen: “Ach kerel, ben je gek. Dat is niet praktisch. Al die moeite om die schijven te maken alleen om iets te transporteren. Je kunt het toch veel beter dragen.” Vandaag aan de dag hoor je precies hetzelfde. Je hoort overal vertellen: “Het is niet praktisch als wij, neem bv. Scheveningen, de havenverbetering. “Het is op het ogenblik nog niet praktisch dat men de havenhoofden verbetert, want de kosten zijn te groot en wij zien daar geen revenuen uit. Het moet voorlopig maar zo blijven.” En dat zijn dezelfde mensen, die – als je alle kosten over een heel jaar uitrekent – meer uitgeven voor koffiebroodjes en een lekker drankje. Maar dat vinden ze wel praktisch.

Men heeft geen zuivere waardering voor de dingen in de stof, En het woord “niet praktisch” wordt maar al te vaak gebruikt om aan te geven “ik meen dat mijn methode beter is,” of nog vaker “het is mij te veel moeite om te veranderen.” Geestelijk kun je je dat zo slecht voorstellen. Neem nu maar het verhaal van dat kleine duiveltje, dat heel per ongeluk door de hemelpoort kwam. Er was eens, heel lang geleden, een heel jong duiveltje dat per ongeluk, toen de hellepoort openging om weer eens een paar mensen te ontvangen, ontsnapte en met zijn heel kleine bokkenpootjes dapper over de wolkenweg aan het wandelen ging. Het huppelde een tijdje en liep een tijdje en zag een andere poort. Die poort zag er wel niet zo vurig en rood uit, maar het duiveltje vond het toch wel mooi. Terwijl het stond te kijken ging ook die poort open: Heel wijd zelfs. Want er kwam weer eens een mens van de wereld, die binnengelaten mocht worden en dat was een groot feest. Terwijl iedereen jubelde over de ziel die daar binnen kwam, schoot het duiveltje langs een hoekje ook, het hekje binnen en dacht: “Zo vind ik vast en zeker wel weer een ingang naar de hel. Gek, dat ik die achterdeur nog nooit gezien heb.” Maar ja, het duiveltje kon wel overal kruipen en sluipen, op den duur moest het opvallen. En eindelijk kwam een der onderdanen van Gabriël, een politie-engel, die het kleine duiveltje in het kraagje pakte, een paar tikken tegen zijn horentjes gaf en zei: “Zeg jongeman, wat kom jij hier doen? Je hoort hier niet thuis.” Toen begon het duiveltje te huilen, want hij vond het zo mooi en wilde zo graag blijven. Toen hebben ze het duiveltje meegenomen. Niet naar God zelve, maar naar zo’n kleine nevenafdeling waar Maria, Jozef en Jezus en nog zo wat van de naaste familieleden altijd wel aanwezig zijn. Maria had toch wel medelijden met het duiveltje. Ze zei: “Duiveltje, luister eens. Je bent zwart en vuil en vurig. Maar als we je nu wassen en je schuurt jezelf heel goed, zodat al dat zwart van je huidje afgaat, dan zal ik zorgen dat je een paar engelenvleugeltjes krijgt in plaats van de vlerken, die je nu hebt en dan verdwijnen je horentjes en word je een gelukkig klein engeltje in onze hemel.” En weet u wat toen het duiveltje zei: “Dan moet ik mijn hele huid eraf schuren. Dat is toch niet praktisch.” Weet u wat het gevolg was? Het duiveltje zit in de hel nog steeds te treuren dat het toen niet in de hemel is gebleven.

Het gebeurt vaak, dat u op aarde een geestelijke of stoffelijke raad krijgt en die betekent, dat je je hele leven moet omzetten. Dat je een heleboel veranderingen moet maken. En dan beginnen de mensen te rekenen, “Ja, maar dan zou ik moeten verhuizen”, en “ik zal mij moeten bekrimpen” “ik zal mijn gewoonten moeten veranderen, dat is toch niet praktisch.” Laten we maar het meest duidelijke voorbeeld nemen, dat je zo vaak hoort.

Man en vrouw, die kwaad zijn tegen elkaar, hebben zo de gewoonte uit te roepen: “Als je maar weet, dat ik vroeger een veel betere man kon krijgen, Piet die vroeger om mij liep en die ik voor jou heb laten lopen. Weet je dat die op het ogenblik een grote zaak heeft en wat verdien jij?” En omgekeerd. De man: “Ja, nou. Je had geen cent en niks. Ik ben met je getrouwd, omdat ik van je hield, maar ik had veel beter een vrouw met geld kunnen trouwen, en ik kon er genoeg krijgen.” Zo zijn ze bezig. Nu zijn dergelijke verwijten natuurlijk onzin. Maar ik neem nu maar een veel voorkomend en wat bespottelijk beeld. Wist u dat er heel veel van dergelijke berouwperioden zijn, die reëel zijn?” “Als ik toen wat royaler was geweest, als ik toen die ander werkelijk eens wat meer had geholpen naar mijn vermogen, had ik nu deel gehad in zijn uitvinding en was ik rijk geweest.” In die stijl van dat berouw is er meer op de wereld, dan je zou denken. Onnodig berouw. Waarom? Omdat op het ogenblik dat de beslissing moest vallen, men zei: “Ja, het is niet praktisch” en in feite bedoelde: “Het is me te moeilijk en ik zou er te veel voor moeten opofferen.”

Als je t.o.v. geestelijke stellingen en geestelijke leringen gaat zeggen: “Het is niet praktisch” en “het interesseert mij niet” en “ik heb er niet veel aan” doe je heel vaak precies hetzelfde. Dan ga je voor jezelf zoiets zeggen van: “Nu ja, ik vind het wel mooi, maar je kunt er weinig mee doen.” En dan bedoel je: “Het kost me te veel om er wat mee te doen.”  Toch is alles, wat u geestelijk wordt geleerd en veel van hetgeen u innerlijk verneemt en waarvan u innerlijk voelt dat het juist, goed en begeerlijk is, niets anders dan iets, wat wel praktisch is, iets wat wel bruikbaar is en wat in staat is uw geestelijk leven en uw stoffelijk leven op een ander en nieuw peil te brengen, u op te voeren tot een nieuwe wijze van leven en denken.

En nu kunt u wel begrijpen dat ik het niet erg prettig vind,als ik zo de kritiek hoor over een lezing of een les, die we hebben gegeven. Het is niet praktisch genoeg. Dat zeggen zo vaak na de esoterische school. Er zijn er altijd een paar bij, die zeggen: “Nu ja, het is allemaal ingewikkeld en het is ook wel goed, maar wat heb je eraan.” Ja, het vraagt vaak te veel werk en begrip. Het vraagt soms te veel studie. En dan zeg ik voor mijzelf wel eens: “Het is jammer, dat er zoveel mensen zijn, die niet beseffen dat de kern van alle geestelijke vooruitgang, van alle bereiking, steeds is: zelf werken, gebruik maken van elke gelegenheid, die je geboden wordt en wanneer je inziet, dat een verandering noodzakelijk is, desnoods al het oude laten staan en op het nieuwe pad verdergaan.

Denk niet, dat we dat alleen zeggen voor ons. Als u vandaag ontdekt, dat er een andere kracht, een andere groep is, die u verder kan helpen, als u voelt dat u daarin een betere bereiking heeft, is het niet meer dan logisch, dat u gewoon tegen ons zegt: ”Vrienden, dank voor wat je hebt gedaan, maar we gaan verder.” Dat is praktisch. Maar het is niet praktisch om te zeggen: “Ja, maar ik voel mij daar zo op mijn gemak, dus laat ik daar maar blijven.”

Ik ga mijn deel van de ochtend ook beëindigen, maar ik heb nog één zo’n klein verhaaltje. Eigenlijk een historische anekdote, die misschien sommigen van u kennen.

Er waren, tijdens een slag die geleverd zou worden in de Ver. Staten, een aantal soldaten aan het sjouwen om een boom naar boven te krijgen. Er stond een sergeant bij, die schreeuwde maar: “Vooruit dan mannen, vooruit. Jullie kunnen het best. Zet je schouders eronder. En nog een rukje.” Zo stond hij maar te schreeuwen, maar stak geen vinger uit. Toen kwam er iemand aanwandelen met een baard en een heel smal gezicht – een bekend staatsman later – die zijn jasje uittrok en hielp. De stam ging naar boven en kwam op zijn plaats terecht. De sergeant keek wel een beetje gek, want hij vond het helemaal niet redelijk, dat een generaal zijn jas uittrok om een paar soldaten te helpen.

Dat was niet praktisch, niet realistisch. Daarmee zou je het gezag helemaal verknoeien, nietwaar? Een sergeant heeft erbij te staan. Een korporaal mag nog een vinger uitsteken, een sergeant heeft er bij te staan en een generaal moet niet eens aanmoedigen: die moet zeggen: “Het gebeurt en gauw, want anders zet ik jullie tegen de muur.” Dat was zijn opvatting. Maar het gekke was, dat die generaal – het was Lincoln – door een vinger uit te steken, de toon op het juiste moment en snel op zijn plaats kwam en dat de sergeant zich van eeuwigheid tot amen schor had kunnen schreeuwen, zonder dat er iets gebeurd was.

Nu heb ik het idee, dat in de wereld dit verschijnsel ook vaak op de voorgrond treedt. Er zijn heel veel mensen, die met hun gedachten willen helpen om anderen te genezen: er zijn heel veel mensen, die willen mediteren voor de vrede: er zijn veel mensen, die willen studeren en leren en vol van geleerdheid zijn, maar er zijn er slechts weinig, die als ze een ander zien modderen, zeggen: “Kom, laat mij een handje helpen. Ook al voel ik mij nu niet direct geschikt om een vloer te dweilen of een zieke te verplegen of om wat anders te doen. Ik zie, dat het nodig is en doe het.”

Kijk, mensen die zo kunnen leven, die in feite praktisch zijn, ongeacht de veranderingen en de moeite, bereiken in de praktijk steeds dit: ze komen altijd weer en elke keer verder tot een geestelijk bereiken, waardoor hun eigen kracht en vermogen groter wordt. Het is niet zo, dat ze meer vermoeid worden van het vloer dweilen. Zo worden natuurlijk moe, maar niet, vermoeider dan van andere bezigheden. Integendeel, daardoor heb je een grotere weerstand, zowel voor je eigen werk als voor het helpen van anderen.

En met het geestelijke werk? Als je iemand helpt om geestelijk uit de knoop te komen, heb je meteen voor jezelf veel onthuld, dat je zelf kunt gebruiken. Het komt niet altijd aan op de geleerdheid. Het komt gewoon aan op het helpen. Het werken van uit jezelf. En dan ook niet zeggen: “Ik vind dit zo nodig of niet nodig.” Neen, helpen, werken, praktisch verwerken van geestelijke wijsheid ook en omzetten in de daad van de stof. Daarvoor leeft u hier op aarde. Dan kom je ergens terecht.

Als je het niet doet? Tja, in de eerste plaats zult u dan vaak gekker staan te kijken dan die sergeant, toen hij de generaal zag sjouwen met een boom: in de tweede plaats zult u later vaak meer spijt hebben dan dat duiveltje dat de hemel uitgang, omdat het zich niet wilde laten wassen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

DE LOTUS BLOEIT

Uit de modder en de slijmerige stengels komen de bladeren. Ze drijven op de vijver met een onbewogenheid, alsof ze hoorden tot de spiegel zelf. En de mens zegt: “Het is aardig, maar niet belangrijk.” Doch op een dag groeit uit het blad, uit de aanzet van het blad, uit de steel op de een of andere geheimzinnige wijze een tweede stengel en ze draagt een knop.

De mensen zeggen: “Ziet, de lotus gaat bloeien, zij zien niet wat daar beneden ligt.” Ze zien niet de verwarde stengels, ze zien niet het verslijkte water en het vuil, waaruit misschien wel het voedsel hoofdzakelijk wordt geput. Ze zien alleen maar de knop, die langzaam maar zeker openberst om op een avond te liggen in het licht van de maan als zilver of in een zacht wasachtig rode straal in de morgenzon. Dan fluisteren de mensen: “De lotus bloeit.” Want zij zien de bloesem maar niet de oorzaak.

Ook de mens is als een lotus en vele van de chakra’s, die hij bezit bloeien open als een lotus, veelbladig, stralend en vol van schoonheid. Degenen die daar wachten zeggen: “Ziet, hier is een mens ontwaakt, hier is een boeddha geboren.” Ze zeggen: “Ziet, hier is een bewustzijn ontstaan.” Maar slechts weinigen beseffen hoe en waarom en waaruit. Zoals ook de beschouwer van de lotus haar schoonheid ziet, wanneer ze bloeit, maar niet beseft hoe en waarom en waaruit. Uit de eenvoud van het leven, uit de heimelijkheid van werken en streven, van denken, de innerlijke gedachte en het uiterlijk gedrag, uit de leugen en de waarheid, uit het zoeken naar de juiste daad en de mislukkingen die je op je weg boekt tezaam, groeit de lotus van het bewustzijn. Als zij bloeit en zich openbloeit, is zij het culminatiepunt van veel, dat in zichzelf onvolmaakt is en toch een kracht, die uit zichzelf een nieuwere en grotere kracht geboren kan laten worden.

Voor de mens, die ontwaakt tot geestelijk licht, menselijk wezen dat zich openplooit als een lotus tot verhoogd bewustzijn en eindbereiking, geldt hetzelfde. Stofgeboren, uit onbekende nevelen bezield, niet wetend omtrent wereldwaarheid en een Goddelijke wet te midden van zijn waan bestaand, zal de mens zijn wegen gaan. Uit strijd en haat, uit vreugde en leed en liefde tezaam bouwt hij zich een beeld, schept zich letter- na lettergreep een Goddelijke naam, waarin dit alles zich openbaart. En uit de mens – zo vastgegroefd nog in de aarde en het stoffelijk denken – bloeit op de lotus in de vijver van de geest en lichtend, juichend, staat men er omheen en zegt: “Ziet, deze knop gaat bersten: ziet, deze lotus bloeit.”

En als de mens in stof vermoeid het lichaam dan heeft afgelegd, stijgt hij in die schoonheid op, vindt deze als een recht, dat hem draagt en schraagt in sferen van hoge en ijle luchten. Een wereld, waarin de laatste geruchten van waan haast verstommen en niet meer schijn en onwerkelijkheid als leugens Gods wezen vermommen.

Denk niet, vrienden, dat u de lotus reeds bloeit. Maar zolang gij leeft en streeft, groeit zij, zo ge haar geestelijk voedsel geeft. Geestelijk denken, opgedragen tot hoger sfeer, brengt uw lotus tot een einddoel meer en meer. En zijt ge dan zelf geslagen in de stof en telt ge uw laatste dagen, verouderd en vermoeid, bedenk dan dat in hoger sferen uw wezen juist, uw lotus, bloeit.

Ik heb getracht u iets weer te geven van een werkelijkheid, een lotus is een symbool, maar het symbool van uw openplooiende geest. Verwacht niet dat zij hier zal openbloeien, maar besef dat zij uit het schijnbaar onbelangrijke en verwerpelijke voedsel van deze wereld haar rijpheid vindt, die zo geeft de kracht en inhoud van geestelijke levens en geestelijke sferen en absolute bewustwording.