Over het verborgen leven van Jezus

15 januari 1963

Wanneer wij horen van Jezus, dan wordt alleen beschreven de periode van 7 maanden tot de vlucht naar Egypte, en daarnaast zijn optreden op 12-jarige leeftijd en daarna praktisch zijn leven vanaf zijn 32ste jaar. Het is duidelijk dat Jezus alleen belangrijk is voor de mens op het ogenblik dat hij als leraar optreedt.

Het belang van Jezus voor de mens is gelegen in zijn leer. Dat is niet het Christendom zoals dat heden bestaat, dus de Christelijke leer zoals Jezus die brengt. Deze leer is het leven van Jezus zelf, met de vele daaraan verbonden wonderen, zijn een op zichzelf staand geheel. Nu kunnen we wel proberen van daar iets anders van te maken. We kunnen proberen om te zeggen: ja maar die hele Jezus is van ons. Als dat het geval was geweest had Jezus er wel voor gezorgd dat deze dingen volledig bekend waren.

Wanneer we nu proberen na te gaan wat er bij de mensen van bekend is dan ontdekken we dat over het zogenaamde verborgen leven van Jezus meerdere apocriefe geschriften bestaan. Enkele daarvan zijn geschreven ongeveer 200 jaar na zijn dood. Anderen dateren zelfs van 300 à 400. Het wil zeggen dat men toen van die feiten niet zo buitengewoon op de hoogte was.

Wij zullen beginnen bij Maria en Jozef. Zij behoren tot de stam van David. Dat op zichzelf is, binnen het Jodendom, al een grote eer. Het is een belangrijk geslacht. Daaruit kunnen wij ook afleiden dat zij zeker niet arm zijn. Dat Jozef niet arm is blijkt bv. uit het feit dat hij over een ezel beschikt om Maria te vervoeren. Want de ezel was een gewoon vervoermiddel. Het bezit daarvan kwam in die tijd voor een burger ongeveer gelijk met tegenwoordig iemand met een paard.

Het is een gezin uit een zeer groot geslacht, zeer gerespecteerd. Het is eerder een kwestie van gegoede middenstand. Deze mensen zijn echter Essenen. D.w.z. dat ze een bepaald geloof hebben (een Messiaans geloof overigens) dat afwijkt van de officiële tempelleringen. Ze zijn goede Joden maar ze gehoorzamen toch aan andere wetten. Ze kennen andere gebruiken. Binnen de Essenen nu vinden wij de kloosterlingen van die tijd en vele geleerden. De Esseense wetenschap is in de eerste plaats een Bijbelinterpretatie. Daarnaast echter een opnemen ook van kennis van ander geloof. Iets wat de tempel zelf probeert te voorkomen, ofschoon dat natuurlijk toch wel heeft plaats gevonden. En daarmede wordt het duidelijk dat we niet te maken hebben met gewone Joden.

Er wordt hun een kind geboren, zij optrekken naar Bethlehem, dat er voor hen geen plaats meer is, klinkt in uw oren waarschijnlijk als iets verschrikkelijks; dan moeten die mensen wel arm geweest zijn. U vergeet echter een ding. Het registreren in de plaats, de hoofdzetel van je geslacht, betekende dat een plaatsje met normalerwijze 200 inwoners er enkele duizenden te verwerken kreeg. Er zijn dus heel veel mensen geweest die in de openlucht hebben moeten overnachten, ook al zijn die dagen nou heus niet direct warm; het nachtklimaat is koud. Jezus wordt echter toch nog geboren in de grot. Hier is sprake van een gunst, die gunst wordt heus niet verleend aan eenvoudige zwerver. Dat is te danken aan het feit dat een kind uit het geslacht van David geboren zal worden. Wanneer Jezus dus wegtrekt met de ouders, gewaarschuwd voor de woede van Herodes, dan horen wij dat het een engel is geweest. Gezien echter het toenmalig daar bestaande systeem van verborgen strijders mogen we wel aannemen dat die engel een mensengedaante gehad kan hebben.

Hun vlucht gaat naar Egypte. Waarom Egypte? Dat is eigenlijk alleen maar te begrijpen wanneer Jozef een doel heeft daarmee. Hij trekt niet in het wilde weg. Hij trekt naar mensen die hij kent. En nu weten we dus dat zowel Essenen als Esseërs nederzettingen hebben gehad, o.m. in het Nijldal. Het is dus logisch dat zij daar heentrekken. En daar begint het eerste punt.

De jeugd van Jezus worden ons voorgesteld als grotendeels plaatshebbende in Nazareth. Dit is onlogisch. In de eerste plaats is de reis naar Egypte alleen een afstand die voor de mens uit die dagen minstens 3 à 4 maanden kostte. In de tweede plaats; heen en weer trekken zonder meer kun je niet, het is een gevaarlijke tocht, zeker wanneer die alleen wordt ondernomen. Mensen gaan slechts in grote karavanen.

Het is redelijk aan te nemen dat de eerste jaren van Jezus leven, waarschijnlijk tot zijn 7de jaar, zijn doorgebracht in een gemeenschap in Egypte: waar het kind dus bewust of onbewust, een hele hoop wijsheid heeft opgedaan van de oude wijsgeren, de rabbi’s en ook de regels van de Esseense gemeenschap heeft leren kennen.

Dit is ook tevens de verklaring voor Jezus wonderbaarlijke kennis in de tempel op 12-jarige leeftijd. Men denkt dat dit een doodgewone manifestatie is, maar dit is niet waar; want men maakt er een gewoonte van kinderen uit voornamere geslachten te ondervragen en dat gebeurde steeds weer wanneer ze op de leeftijd van manbaarheid kwamen, dat was 12 jaar en zij bij hun eerste tempelbezoek dus werden geconfronteerd met het werkelijk overweldigende van Salomons tempel.

Dat die Jezus genoegen neemt, met alles zoals het is, is ook niet aanvaardbaar. Toen bestond er niet een leerlingensysteem zoals in de Middeleeuwen maar men kende wel de zwervende handwerkslieden en gezien het stadje Nazareth waar Jozef woont, hoeven we niet aan te nemen, dat daar aan zoveel timmerlui behoefte was. Het lieve sprookje dat Jezus bij zijn vader in de zaak werkte, kan zo nu en dan op waarheid berusten nl. wanneer er voldoende werk aan de hand was. Maar in een uitgeplunderd land is dat niet zo. Het is heel logisch dat de jonge Jezus vertrekt en we kunnen aannemen dat dit gebeurd is op ongeveer 14 à 15-jarige leeftijd. Hij gaat dan als schrijnwerkersgezel en gaat aan het zwerven. Wanneer we zijn tochten nagaan, dan blijkt dat hij weer een bezoek brengt aan Egypte. Een zeer typisch verschijnsel. Hij gaat eerst naar het zuiden, maar dat hij daarna doortrekt naar het noorden. Hij bezoekt daarbij ook de Sinaï. Het is begrijpelijk; hij wil de plaats vinden waar God zich openbaarde aan Mozes. Nu kunnen we verder nagaan dat bij ook nog naar het noorden is getrokken en daar klaarblijkelijk ook in aanraking is gekomen met de Perzische cultuur en mogelijk ook de Indische.

De Jezus die terugkeert – en dat is dan rond 27-jarige leeftijd – en een geëerd man wordt in zijn eigen dorp (Jozef is ook al een paar jaar ouder en kan nu wel een blijvende hulp gebruiken) is dus een mens die gereisd heeft. Hij weet veel meer dan de anderen. Zolang als hij blijft bij het orthodoxe geloof wil men hem aanvaarden; maar zodra hij iets probeert te zeggen van de grotere juistere wijsheid die hij zijns inziens geleerd, ontvangen en gevonden heeft, dan probeert men hem het zwijgen op te leggen. Wanneer hij het niet doet, wordt hij (en dat vinden we wel in de evangeliën) uitgedreven uit het bedehuis ter plaatse. Later wordt hem ook de toegang tot andere bedehuizen geweigerd. Hier dus heel kort een schets van die ontwikkeling.

Zelfs wanneer wij stellen dat Jezus de onmiddellijke zoon Gods is, moeten we nog aannemen dat hij niet als mens op aarde is gekomen om een raadselvertoning op te voeren. Leven als mens betekent, deelnemen aan al het menselijke. De gegevens die wij hebben gekregen daarover wijzen in die richting. Van Jezus kan gezegd worden dat hij altijd een lichtend, een hoog mens is geweest. Maar dat hij deelnam aan feesten, dat hij net zo goed de oogstfeesten meemaakte als ieder ander, dat bij dronk wanneer het te pas kwam, niet te veel maar met mate. Dat hij niets werkelijk verwierp. Ik geloof dat we hiervan in zijn openbaar leven de weerkaatsing vinden. We horen allemaal over de bruiloft in Kana. Daar moet een voorgeschiedenis zijn. Jezus gaat niet zomaar op een bruiloftsbezoek. Er moet ergens een relatie zijn want anders zou hij ongetwijfeld daar niet heen zijn getrokken met zijn volgelingen. Wanneer we Jezus meemaken, wanneer het gaat om het afkeuren van een overspelige vrouw, dan zou je haast kunnen zeggen: hij is een man van de wereld. Het is niet alleen zijn innerlijke goedheid, maar het is ook zijn begrip voor het leven. En wanneer die Jezus mens is en niet alleen maar een God, dan mogen we dus aannemen dat hij ook de menselijke ervaringen heeft voor dit begrip.

Er wordt in deze dagen weer gepoogd Jezus tot leven te wekken. Dat weten de mensen misschien niet, maar hij is gestorven. Gestorven in de harten van de mensen, begraven onder dogma’s. De aarde is vast aangestampt met een schijnvroomheid die geen overeenkomst kent tussen geloof en praktijk en tussen theorie en praktijk. Wat men in Jezus zoekt is voor mij een heel grote vraag.

Wanneer wij nl. de moeite nemen de eerste geschriften die omtrent Jezus bestaan na te gaan, de eerste leringen in de verschillende gemeenschappen na te gaan, dan blijkt dat men in heel veel van die gemeenten Jezus niet zag als God, maar als een drager van het Goddelijke en dat is heel iets anders. Het is praktisch tot het concilium van Nicea dat we geconfronteerd worden met deze afwijking. En dat wordt overgeleverd. We vinden ook veel later groeperingen die dus een heel eigen opvatting hebben. Denk bv. eens aan de leringen van Arius die Jezus op een heel andere manier wilde zien als de rest. En de vele kerkvaders die zijn uitgeworpen, oorspronkelijk ten dele teruggekeerd in de Koptische Griekskatholieke kerk ten dele nog steeds in de Oosterse Christelijke kerken verenigd. Die splitsingen liggen ook allemaal in het begin van het Christendom. De figuur Jezus te stellen als God zonder meer, is een ontkenning van zijn waarde. Hem bestemmen als alleen mens lijkt mij een te grote menselijke trots. Persoonlijk voel ik dan ook het meest voor de stellingen die de Gnostici naar voren hebben gebracht en ik meen dat deze met de werkelijke feiten het meest overeenstemmen. In deze dagen zou het Christendom van een buitengewoon grote betekenis kunnen zijn voor de mens. Maar is het dat wel? Is het Christendom eigenlijk niet verdeeld tegen zichzelf, waarbij wij bv. aantreffen, veroordeling van het doden met deze achtergrond, doden in een oorlog is geoorloofd, want men doodt zijn vijanden voor zijn land. Maar doden voor zichzelf mag niet. Nu vraag ik me af, waar ligt het verschil? Als iemand mij dood wil slaan persoonlijk, mag ik hem niet doodslaan. Maar als iemand mijn land dood wil slaan, dan ben ik verplicht, of ik nu wil of niet, om mij dood te laten slaan, of de vijand dood te slaan en allen die met hem zijn. Ergens is een onwaarheid en een poging om utilitaire begrippen in te schakelen in het Christendom duidelijk kenbaar.

Wat deed Jezus in zijn verborgen leven? Hij deed kennis op. We mogen dat wel ontkennen – er zullen er heel veel zijn die dit doen – maar alles wat wij horen over die Jezus wijst op een man met een zeer grote eruditie: hij is zeer beschaafd. Wat is echter de ommekeer in zijn leven? De ommekeer in zijn leven komt niet door de kennis die hij bezit. Hij komt eigenlijk in zichzelf tot een nieuw begrip, een nieuw bestaan, wanneer hij luistert maar de stem van de stilte. Jezus trekt zich terug in de woestijn voor 40 dagen. Vast daar 40 dagen en 40 nachten. Die stem van de stilte is inspiratief. Het is dus niet de rede, dus niet de wetenschap. Het is een direct communiceren met het Hogere in jezelf. Zijn aanvaarden bv. van de stellingen van Johannes de Doper – wat hij inderdaad doet door zich in de Jordaan te laten dopen – is ook alweer een bewijs dat de Jezus op dat ogenblik nog niet zichzelf is. Hij komt en hij aanvaardt. Hij ondergaat en ook de Doper zegt niet wat is dat voor een mens, maar inspiratief bewogen zegt hij: “dat is de man die ons helpen zal”.

In heel het Christendom overheerst het inspiratief moment. Zelfs bij de genezingen vinden we hetzelfde. Men kijkt naar Jezus en men zegt “Gij kunt mij genezen” dus Hij geneest. Dus ook hier niet een beredeneren of hij het wel zou kunnen. Waar aarzeling is, helpt Jezus niet, maar daar waar a.h.w. vanuit de innerlijke kracht aanvaard wordt daar geneest hij, daar volbrengt hij wonderen. Dat moeten we niet terzijde stellen. Jezus is klaarblijkelijk in zijn openbaar leven niet wat hij in zijn verborgen leven is. In zijn verborgen leven is Hij de mens met zijn kennis. In zijn openbaar leven is Hij de Meester, de leraar de drager van de Hoogste Kracht Gods, maar dan zuiver inspiratief. Er zijn bewijzen dat Hij die inspiratie volgt ondanks zichzelf.

Ik zou daaruit een paar leringen willen trekken. Voor de mens van heden.

Wanneer men gelooft dat men een onsterfelijke ziel heeft en een geest, dat men op aarde komt om daar iets te doen, iets te bereiken (dat vinden we in praktisch elk geloof) dan mogen we dus ook stellen dat het lichaam het instrument is, het werktuig, waarmede het ik voor zich de juiste mogelijkheden schept. Voor zich het juiste bewustzijn schept, kortom de mogelijkheid om de hemel te betreden, mogelijkheid om de lichte sferen binnen te gaan. Een werktuig moet goed onderhouden worden, een werktuig moet ook gebruikt worden. Maar als u het werktuig gebruikt voor iets waarvoor het niet bestemd is, dan komen er ongelukken van. Als u probeert een polshorloge te repareren met, een hamer maakt u brokken. Alles wat in het lichaam is moet als zodanig worden beschouwd, ook door de door velen zo verheerlijkte rede. De rede is een stoffelijk werktuig, zij is niet het summa summarum van het menselijk bestaan. Ditzelfde geldt voor de kennis. Wanneer wij deze dingen gebruiken, kunnen en mogen we ze alleen daar gebruiken waar ze horen. En daaruit volgt dat de mens zijn rede wel degelijk mag gebruiken, dat hij van zijn verstand goed gebruik moet maken zelfs en van zijn lichaam een goed gebruik dient te maken, maar dat hij die dingen alleen daar mag gebruiken waar ze ook inderdaad thuishoren; d.w.z. in de zuiver materiële wereld en dan niet eerst om de persoonlijke verhoudingen in die materiële wereld te bepalen, maar alleen om de mogelijkheid van samenwerking, contact e.d. te overwegen.

Wanneer wij dit constateren, dan blijft de vraag: waarvoor is de geest in de stof? Dat is een moeilijk punt, want, er zijn 1001 antwoorden op. We zijn het er echter wel over eens dat een mens niet op aarde leeft om uitgeblust te worden. Integendeel ik geloof dat de mens, wanneer hij aan een voortbestaan gelooft, meent dat dit leven als doel heeft iets te leren, al is het alleen maar om goed en kwaad van elkaar te scheiden, het goede te doen en het kwade te laten. En dit is dan het punt waar het op aan komt; want wat is dan de kracht waaruit je leeft? Dat is zeker niet de materie; materie is werktuig. Wat is het bewustzijn waarin je bestaat? Zeker niet de rede, de rede is werktuig. Er is dus in de mens iets hoger. Dat hogere moet in die mens tot uiting komen. Als het tot uiting komt, dan is er reden om aan te nemen dat het uniek is. En dat is heel erg vervelend. Als alle mensen innerlijk, dus qua ziel, qua geest gelijk waren, dan zou het eenvoudig zijn. Dan zouden we op de duur kunnen leren een gemiddelde te trekken en regels te stellen waaraan elke mens zo ongeveer moet beantwoorden. Maar als die mens uniek is, dan kan dit niet. En dat is een heel gevaarlijk iets, want nu hebben we dus iets wat redelijk niet te beschouwen is, waar redelijk geen verklaring voor bestaat, waarvan de bruikbaarheid aan een persoon is gebonden en niet over de massa geconstateerd kan worden.

Dan is er dus iets wat boven-redelijk is, wat niet beantwoordt aan de rede zelf en wat de richting, de wijze van leven, de inhoud van het leven geheel anders zal vormen dan dit aan de hand van een redelijke norm denkbaar is.

Nu heb ik dit alles met zoveel mogelijke logica opgebouwd. Maar dat wil ook weer zeggen dat het maar beperkt juist is. Want hoe kan ik datgene wat leeft boven het ik weergeven? Hoe kan ik duidelijk maken wat de Christus is die in Jezus leefde?

Het is iets wat niet behoort in de menselijke gedachtewereld. Wanneer Jezus meester en Leraar is, wanneer hij wonderen doet, leeft en sterft, herrijst, dan is dit niet als redelijk mens. En er zijn elk ogenblik van zijn openbaar leven momenten waarvoor we ons afvragen: maar waarom heeft Hij dat nu gedaan? Ik zou het helemaal anders hebben aangepakt. Jezus beantwoordde aan de hogere stem, aan datgene wat ik inspiratief moment noemde. Omdat Hij wist dat alleen door niet menselijk te denken, alleen door niet af te gaan op het redelijke en mogelijke, maar op de krachten in het Ik. Hij kon zijn, de drager van het licht voor de wereld. Ik hoor een hoop mensen uitroepen: dat kon Jezus doen, maar dat kunnen wij niet. In deze tijd is die neiging erg groot. Ja, dat heeft Jezus voor ons gedaan, en dat moet nu maar een staatsinstantie doen. Dat is allemaal heel mooi, maar is het redelijk? Redelijk nu niet in de zin van: wat is voor mij het prettigste en het gemakkelijkste en wat kan ik het mooist beredeneren. Maar ten opzichte van het ik. Kunnen we daar vrede mee hebben? Kunnen wij evenwichtig zijn?

De mensen van tegenwoordig denken van wel en over het algemeen zijn ze allemaal ontevreden. Ze houden zich precies aan hun verplichtingen (behalve financieel, belastingen) maar voor de rest, ze houden zich heus wel aan wat ze menen dat noodzakelijk is, en altijd weer zeggen ze: ja waarom ben ik dan niet gelukkig; ik bedoel het zo goed; ik meen het zo goed en het gaat niet. Wij willen vrede en er komt oorlog. Waarom? Heel eenvoudig, omdat die mensen denken met hersenen en niet luisteren naar de boven-redelijke in de mens als inspiratie kenbare kracht van het ware Ik, dat het lichaam als instrument wil gebruiken.

Wij denken erover als volgt:

  1. Geloven in een God, impliceert het geloven aan die God als een kracht werkzaam in jezelf.
  2. Wanneer God als een kracht in mij is, is Hij meer, sterker, krachtiger en alwetender dan ik zelf ooit kan zijn.
  3. Elke Kracht die ver genoeg boven mij staat, kan de plaats innemen van God voor mij, maar ook die Kracht wordt vanuit God bewogen.
  4. Ik mag dus als mens of geest, niet leven aan de hand van mijn kennis alleen, maar moet ook afgaan op mijn innerlijk. Zolang er een te grote strijdigheid tussen mijn innerlijk wezen en mijn normaal denken, en handelen bestaat, zal ik onevenwichtig zijn, geen licht kunnen erkennen en aanvaarden dat wat buiten een vormenwereld ligt.

Wij geloven dat begrippen als naastenliefde, als verdraagzaamheid e.d. niet geboren kunnen worden uit- of tot praktijk gebracht vanuit een redelijk denken. Als ik redelijk denk zijn er maar weinig mensen die ik mijn naaste wil noemen. Wanneer ik redelijk denk, dan voel ik mij niet geneigd om te verdragen, dan vraag ik om mijn recht. Maar op het ogenblik – en dat is toch heus wel belangrijk – dat ik vanuit een innerlijk kracht verdraagzaam ben, ben ik niet meer verdraagzaam omdat dat de eenvoudigste weg is, of dat strijd mij niet ligt of omdat het verstandiger is, maar ik ben verdraagzaam omdat ik de juistheid erken van hetgeen geschiedt binnen de kosmos.

Voor mijzelf kan het onaangenaam zijn, ik moet er een compensatie voor vinden. Dat is allemaal waar, maar ik heb niet het recht om mij te verzetten tegen het gebeuren, tenzij in een volledig begrip en waar dit ontbreekt, mag ik mij dus niet verzetten.

Naastenliefde ook. Mijn naaste lief hebben is een leeg woord wanneer ik hierbij bepaalde begrenzing of beperkingen maak. Er zijn mensen die alles willen doen om het leven van hun naasten te redden, maar als ze hun beste kostuum moeten riskeren om iemand uit het water te halen of wanneer ze hun trein zouden moeten missen, om iemand te weerhouden van zelfmoord, dan overweegt vaak het persoonlijk belang. Dat is redelijk maar werkelijke naastenliefde is een begrip van de verbondenheid die er tussen allen bestaat, en die kent geen beperkingen, geen materiële en geen geestelijke. Mijn naaste is en blijft mijn naaste. Wij geloven dat, zowel verdraagzaamheid, naastenliefde als andere begrippen, niet waarlijk kunnen bestaan op grond van menselijke of zelfs geestelijke redelijke betogen, maar alleen voort kunnen komen uit innerlijk aanvoelen van een grotere wereld, een Goddelijke Schepping en werkelijkheid waarin wij bestaan.

Het is dus onredelijk, enerzijds te zeggen naar een hoger leven te streven en anderzijds redelijke beperkingen aan onze uiting en praktijk van dit leven op te leggen. Het is noodzakelijk dat het innerlijk erkende, materieel eveneens erkend wordt en praktische waarde heeft. Alle kracht, alle bewustzijn die ik vanuit mezelf of van anderen ontvang, wordt mij niet slechts voor mijzelf gegeven. Daar geloof ik eerlijk in. Ik ben dus verplicht, dat wat ik ontvang aan anderen mede te delen, zonder daaraan enige rechten ten opzichte van anderen te ontlenen.

Het zijn punten die overweging behoeven. Niet een overweging van het verstand alleen, maar van uw gevoel. Wanneer u innerlijk aanvoelt dat de dorpsidioot gelijk heeft wanneer hij u iets zegt, laat dan de wereld lachen, maar gehoorzaam hem. Het is erg lastig, het is veel gemakkelijker te gehoorzamen aan een koning dan aan een slaaf en het is veel gemakkelijker de stellingen en wijsheid te aanvaarden van een wijsgeer, een filosoof, dan van een eenvoudig mens; misschien zelfs iemand die onbeschaafd is in je ogen. Maar je moet die dingen kunnen aanvaarden. En daarom moet als stelling gelden: Ik zal niet alleen met rede, maar vooral met mijn innerlijk luisteren en werken. Ik zal trachten te beseffen waar mijn waarden liggen en zo ik deze innerlijk erken, ze zonder voorbehoud accepteren. Erg moeilijk. Al het andere blijft abstract maar dit is zo erg dichtbij. Toe te geven dat iemand gelijk heeft, ook wanneer hij het op een onbeschofte manier doet, of wanneer hij helemaal niet de argumenten gebruikt die jij zou willen gebruiken, of daarmee je hele stelling omvergooit, is moeilijk, doch noodzakelijk.

Nog een paar stellingen die speciaal voor de Orde bestemd zijn, maar die toch weer met die Christusgeest in verband staan:

Het scheppen van verschillen, het vormen van grenzen tussen mensen, het afscheiden omwille van geloof of andere redenen, is niet aanvaardbaar. Wie dit doet, schept een verdeeldheid die hem zelf mede ten gronde richt; hetzij stoffelijk, hetzij geestelijk, hetzij op beide aspecten van zijn wezen.

Elke mens heeft niet slechts het recht, maar ook de plicht, God te gehoorzamen en te benaderen zoals hij hem innerlijk erkent. Daardoor moet eenieder volledige vrijheid hebben om te leven naar de God die hij in zich erkent en om uitdrukking te geven aan de wijze waarop hij voelt, dat die God hem in de wereld zendt en een taak geeft. Wij zijn ervan overtuigd, dat iemand die eenmaal op grond van zijn innerlijk ervaren, zijn aanvoelen, zijn inspiratie, bepaald gezag aanvaardt, verplicht is dit onbeperkt te aanvaarden tot het ogenblik dat hij, krachtens zijn innerlijk weten, een andere richting kiest en deze dan ook werkelijk volledig en voorgoed inslaat.

Daar moet u eens over nadenken. Jezus is de Christus, althans in deze tijd maakt men daartussen weinig of geen verschil. De Christus is de uiting van de Goddelijke Liefde. Het is het ik, het ego dat God kan bereiken te midden van de openbaring van de schoonheid van Gods wetten. Deze kracht is niet een persoon, zij is alomvattend. Wanneer Jezus zegt: ik zal met u zijn door het einde der tijden, dan bedoelt hij niet dat Hij met ons zal zijn als de genezer, de wonderdoener, als de leermeester, maar dan bedoelt Hij dat Hij met ons zal zijn als de Liefde, de Goddelijke liefde. In deze dagen wordt dat al te veel vergeten. Het is geen vraag van ongebonden zijn. Het is niet de vraag of we dus maar goed doen om alles naast ons neer te leggen en onze eigen weg te gaan. Er is de vraag of wij eerlijk, innerlijk tegenover onszelf kunnen zeggen: “dit is mijn waarheid, dit zie ik als mijn taak, mijn kracht en mijn zending”, en dan deze te vervullen.

Dat zijn een paar aspecten die ik vast heb geknoopt aan dat leven van Jezus. Van het ogenblik dat een kracht van geestelijke waarde – een kracht die wij in onszelf erkennen en aanvoelen – optreedt, hoeven wij ons niet af te vragen van waar zij komt of hoe zij ontstaat. Zolang zij voor ons licht is, zolang zij ons vreugde, kracht en geloof geeft, is zij goed voor ons, en wij hebben geen enkele andere maatstaf in de hele wereld.

Bekijk nogmaals uw wereld. Zie wat de praktijk is en luister dan naar de theorieën die er zijn. Dat is een heel groot verschil. In deze dagen zal het meer en meer op de praktische inslag aankomen, op het inspiratief moment, waardoor een mens bewogen door een hogere kracht, het juiste doet op het juiste ogenblik. Dat inspiratief moment is het enige wat de mensheid kan behoeden voor een wereld van verscheurdheid en ongemakken waar we al zo lang hebben over gesproken.

Tweede deel

Wanneer wij een ogenblik trachten om alles terzijde te stellen wat alleen maar stoffelijk betoog is, en willen doordringen tot de werkelijkheid van het eigen ik en de plaats daarvan in het Al, zo worden wij geconfronteerd met een eigenaardig verschijnsel.

Wanneer ik in mijzelf denk of leef, komt er uit het Al een resonant, zij beroert mij licht, zij werkt in mij uit, zij wordt mij misschien tot wapen. En daarbij weet ik niet waar de resonantie eigenlijk schuilt of waar zij vandaan komt.

De mens is een stoffelijk wezen, op de aarde liggend. Met de aarde verbonden, beseft hij te weinig hoe sterk zijn persoonlijkheid in elk vlak en in elke wereld een weerkaatsing treft zodat uit het gehele Al in duizenden verschillende stromen hem invloeden uit de Kosmos beroeren.

Nu denk ik, op het ogenblik dat ik denk, ben ik ontvankelijk voor één van deze vele stromingen. Soms voor enkele gelijktijdig. Zelden echter voor het totaal dat mij beroert. Mijn gedachte vindt zo een antwoord dat ik als een soort echo uit de verte onderga. Hierbij laat men het meestal rusten en de mens zegt: “ik blijf hier af, dit is voor mij onredelijk – ik kan daar niets mee doen.” Maar nu is er ook een andere mogelijkheid. Wanneer ik in mijzelf mediteer en zoek om het Hogere uit mijzelf te vinden, om in mijzelf te stijgen tot de machtige wereld der Goden, de wereld waarin de werkelijke scheppende kracht erkend wordt, dan zal elke resonant die in mij ontstaat een weergeven zijn van de krachten in het Al en hun wetten en hun vermogen die ik beroer, waarvoor ik open sta.

Wanneer mij dus deze schijnbaar zijdelingse invloed of dit “reeds gezien” beroert dan moet ik eigenlijk niet zeggen: “ik ga verder”. Ik moet een ogenblik pauzeren. Dan komt in mijn meditatie een reeks van vreemde beelden en misschien zijn het vroegere incarnaties, misschien zijn het banden, met andere levens en werelden die in het ik bestaan. Ik moet deze ondergaan en eerst later proberen te realiseren wat dit is. En wanneer op mij iets afkomt wat met het heden in verband staat, dan moet ik het afwijzen. Ik mag niet trachten om eenvoudig verder te gaan wanneer in mij de reflex en het contact tot stand zijn gekomen.

Wanneer ik die kracht met een voorbehoud of met een tegenwerking tegemoet treed, sluit ik mij af. Op het ogenblik dat ik probeer het beeld dat ik ontvang, de kracht die in mij stroomt, het denkbeeld redelijk te omschrijven, sluit ik mijzelf af. Ik moet openstaan voor elke invloed die vanuit het “ik”‘ dus, schijnbaar een resonant geeft en daardoor ook voor de kosmische werking die dan het “ik” beroerend haar langzaam a.h.w. optrekt zodat de geest vrijer wordt, de afstand stof-geest groter en de totale fase van bewustzijn groter.

Wanneer een mens denkt, wanneer hij mediteert en overpeinst dan is hij als iemand die zich openstelt met die gedachte voor een invloed, onverschillig dewelke. Denkt men laag materieel, dan zijn er altijd aardgebonden, duistere geesten die opkomen en klauwend uitgrijpen om deel te hebben aan u en uw energie aftappen. Gaat uw geest uit naar het Hogere, wordt alles gezien in het Hogere Licht, dan grijpt het Hogere licht uit en het zou u verder willen brengen naar het Lichte. Wanneer dit mogelijk is (en heel vaak blijkt dit mogelijk te zijn) zal de mens door stil te zijn, naast een ogenblik van meditatie de grootste inwerking van het Licht ontvangen.

Maar ook dit is niet genoeg. Ik leef een ogenblik in de wereld der oneindigheid, maar daaronder ligt het vlak van bewustzijn. Het vlak van bewustzijn is verankerd in de rechte lijn van de materie. Zo zal ik moeten trachten om het innerlijk beleven, de kracht en de ervaring over te brengen in iets wat mijn bewustzijn constateert. Let wel: niet ontleed. Doodt niet wat in u leeft, maar omschrijf. U moet er een beeld voor vinden. Een denken dat ge tot u neemt totdat het met u vereenzelvigd is. En dan komt in uw wezen de noodzaak om hieraan een uiting te geven, maar die uiting is reeds vastgelegd in het deel der oneindigheid dat wij beleven.

Een mens denkt al te vaak: “ik voor mij, ik realiseer iets nieuw, ik breng iets wonderlijks tot stand”, maar in feite kies ik alleen maar voor mijzelf uit de duizend invloeden die mij beroeren en niet een ervan kan ik werkelijk weigeren, ik kan alleen kiezen en zeggen; “gij zijt mijn werkelijkheid, maar onmiddellijk wordt een ander werkelijkheid voor mij als mogelijkheid geboren. Er is geen ogenblik dat ik ben, zonder een nieuwe mogelijkheid, een nieuwe keuze een nieuwe beleving. En wanneer ik steeds meer van de kosmos in mij verwerk, wordt mijn wezen rijker, sterker en krachtiger, en in die kracht zal de ontvangstmogelijkheid groter worden.

Waar ik eens de invloed van een kracht in mijzelf, een entiteit beschouwde als de hoogste beleving, trek ik nu een hele wereld in mijn binnenste en ik erken mijzelf zoals die wereld mij ziet en ik weet meer omtrent mijzelf. Ik moet mijzelf kennen. En zo is het wanneer ik macht begeer.

Er zijn mensen die zeggen: “Ik ben krachtig – ik heb macht, ik wil met mijn macht iets presteren. Ik wil een huis bouwen, een mens scheppen, een ziekte verdrijven of als een pijl en lans mijn gedachten uitwerpen zodat zij mij een band vormen met anderen”. Maar deze macht kan alleen voorkomen uit het Hogere in u. Hoe kunt gij sterk zijn vanuit uw denken, vanuit uw redelijk en uw stoffelijk bestaan.

Wanneer ge een slang vraagt om u te vervolgen in de huid die ze zojuist achterliet, zo is de huid dood, ritselt als papier, kan worden verkrinkelt tot een handvol schubbig leder. Maar de slang zelf vernieuwd leeft voort. De kracht in mij die ik zie als iets wat ik wil richten alleen waarmee ik ga heersen, waarmee ik vorstelijk zal zijn; het is papier, droge huid van een slang, achtergelaten ideeën die reeds lang achterhaald zijn.

Maar wanneer ik steeds uitgrijp naar wat nu leeft in mij en niet zeg: “ik wil de macht uiten” maar zeggen “ik wil uit de macht leven”, zal elk bewustzijn, elke harmonie met sfeer, elke kracht die mij verenigt met het hoogste, rechtstandig in mij geuit worden en door mij uitgaan of ik een bron ben, een fontein puttend uit het onbekende en water verspreidend over het land ruisend de tuinen vruchtbaarheid en koelte gevend.

Zo kan een mens leven, maar niet wanneer hij denkt: “ik ben”, of zegt: “mijn wereld is”. Wie is en denkt, ik ben slechts dat wat ik denk te zijn. Ik stel de eisen materieel voor mijzelf en kenbaar niet, ik ben slechts de kracht waaruit andere kracht voortgaat. Hij is als iemand die om het licht te erkennen zich inmetselt in een duistere cel die alle lichten achterlaat. Duisternis kan erkenning zijn, maar duisternis is een droeve erkenning. Het is het wegslinken van werkelijkheid van vreugde en van leven, zo kunt ge geen licht vinden.

Indien ge de kracht in u wilt dirigeren, wilt richten, wilt doen werken alleen vanuit rede – zij is weg – dood. Maar laat gij de kracht werken uit u omdat zij de kracht is, zo doorkruist ze uw wezen. Ze is uw band met vele werelden en ergens in het hoogste, waar de Schepper zelf is, is uw licht de lijn die alle dingen verbindt, die alles tezamen weeft in een onverbrekelijk geheel door ons niet redelijk beseft. Maar ontvangen en door de rede vrijelijk doorgelaten, komend in uw werelden, stromend door uw werelden.

Uw wereld is voor u leven en dood, geboorte die reeds het begin is van ondergang. Zij is lijden en honger, winst en overvloed. Zij is het trots dragen van een taak of een banier. Maar uw leven is oneindig, wat gij leven noemt en geboorte is begin van een kabbeling die wegflauwt en hetzelfde water rimpelt verder. De kracht die rimpelt, niet het water is de beweging. Het water is slechts het medium waarin de golving zich uitdrukt, zoals de zee slechts rijst wanneer de maan haar roept en daalt wanneer de maan haar zegt, ik heb u verlaten.

Zo zijt gij, lichtende kracht is uw wezen, uw kennis. Het bewustzijn is die Lichtende Kracht, uw “ik” is die Kracht. Verder is de uiting van het, oneindige gedragen door uw eeuwige adem die misschien eens stil zal zijn en alles terugnemen wat in duister geborgen ligt.

Besef vrienden, hoe deze waarheid is. Aanroept gij duizend engelen, al wekt gij duizend demonen, zolang gij meent meester te zijn…dood. Maar aanroept gij geen engel en geen demon al erkent gij slechts God als een vaagheid in uzelf en gij leeft de kracht die door u komt, gij zijt deel van het leven, gij zijt levend gebarend en eeuwig en nooit zal uw wezen werkelijk ondergaan of ondergang kennen, het zal voortstromen.

Daarom is het nodig en noodzakelijk en goed dat wij in onszelf trachten de kracht te erkennen die ons beweegt. Die kracht zonder naam ontvangen, zeggende: bereiking is het niet want het is niet omschrijfbaar, het is geen leven, het is niet menselijk, het “is”, en zo ben ik. Niet omdat ik mijzelf ten dele slechts ken, maar gelijktijdig de volheid van alle krachten omdat ze door mij uitgaat.

Wie God wil vangen in een rede, dood God in zichzelf. Wie kracht wil omvamen met begrip, beperkt haar totdat zij langzaam gewurgd wordt. Maar wie de kracht leeft in zich en de God aanvaardt in zich zonder meer, is deel van een bewogen eeuwigheid.