Over onze ziel, over ons leven en de wet van oorzaak en gevolg

image_pdf

27 februari 1953

Aan het begin van de avond krijgt u weer het relaas te horen dat sommigen van u al wel een honderd keer gehoord hebben maar dat toch nog altijd noodzakelijk blijkt.

Wij zijn wezens die de wereld anders zien dan u en in sommige gevallen ook meer kunnen weten dan u, maar we zijn heus nog niet zo ver gevorderd dat we het hele heelal nu precies begrijpen en alle wetten die daarin zijn. Er is heel wat kennis en er zijn heel wat dingen, nu ja, die ons weinig interesseren soms, in andere gevallen niet onder onze aandacht zijn gekomen en die we ook niet weten. Dus alwetend zijn we niet. Dat op zichzelf zou nog niet zo erg zijn als we met de wetenschap die we bezitten in ieder geval zouden kunnen zeggen: we zijn onfeilbaar; wat we zeggen dat is allemaal zonder fouten, dat is allemaal goed in orde en daar heeft niemand meer iets op aan te merken, dat is af.

Maar ook daar moeten we helaas toegeven dat we vaak fouten maken. Die fouten die zijn niet altijd groot, maar we kunnen wel eens de mensen overschatten, we kunnen een onderwerp wel eens even misvatten, wij kunnen wel eens beïnvloed worden door gedachten, wij kunnen gestoord worden door invloeden, kortom er zijn allerhande mogelijkheden waarbij ons betoog of onze beantwoording niet helemaal juist is. En nu zit u met zo’n groot aantal bij elkaar en u interesseert u allemaal daarvoor, dan is het redelijk natuurlijk dat u met uw gezamenlijke kennis tracht om ons te controleren. Als we dan een fout maken dan zegt u: hé denkt erom, dat is niet waar, dat klopt niet want dat heb ik altijd zus of zo gehoord en dan kunnen wij misschien van u ook nog wat leren.

Als u dat doet, dus als u ook wat kritisch luistert – maar niet alleen op de fouten let maar ook op het hele betoog natuurlijk – dan zult u zeer sterk na moeten denken over die dingen, dan zegt u op een gegeven ogenblik: och, ik heb er misschien driekwart van gemist.

Dat is niet erg want die paar argumenten die u wel begrepen en verwerkt hebt, nu die komen uiteindelijk vanzelf tot een – laten we zeggen – redelijk geheel bij elkaar en wanneer later de noodzaak komt dat u ook die andere dingen die u eens gehoord heeft nu bewust gaat verwerken, dan zult u zien dan komen ze net als een duiveltje uit een doosje naar voren.

Dus daar behoeft u zich geen zorgen over te maken. Denkt u liever na en mist u de helft of driekwart of negentiende van hetgeen er gesproken wordt, dan is dat beter dan dat u alles hoort en over niets nadenkt. Nu daar heb ik dan deze inleiding weer mee voltooid en is het me werkelijk een groot genoegen dat ik deze keer voor u mag behandelen een onderwerp naar mijn eigen keuze. Ik zou willen spreken over een heel eigenaardig iets, ik zou willen spreken  ‘over onze ziel, over ons leven‘.

Wij leven allemaal, wij leven en u leeft en het kan zijn dat we dat leven op een andere manier ervaren, maar wij bestaan, dat is een zekerheid. En nu kunnen we ons daar makkelijk van af maken en zeggen: ja, dat is Gods kracht, maar als we dan verder gaan en we gaan dan praten over karma en we gaan praten over de almachtige God die ingrijpt in ons leven en zo meer, dan maken we onszelf toch wel heel erg tot marionetten van de oneindigheid.

Kijk, en dat is natuurlijk een stelling waar we het niet mee eens kunnen zijn. Wat we ook wél zijn, dat we volledig marionetten zijn – speeldingen van hogere machten – dat kunnen wij nu niet geloven en ook bij u geloof ik wel dat er enige twijfel bestaat of dat nu wel zo is.

Vandaar zijn we gekomen tot een betoog in de volgende trant, dat opgebouwd is op onze bekende feiten maar waarvan de samenhang – dus de samenhang van deze feiten – niet kan worden bewezen. Het is dus een theorie o.i. die alle dingen verklaart, die acceptabel is maar die niet bewijsbaar is.

Punt 1: Ik ben geschapen; ik ben niet voortgekomen zomaar uit mijzelf maar ik ben ergens vandaan gekomen. In dat ergens ligt dus het totaal van mijn persoonlijkheid, want onze filosofie zegt nu eenmaal: je kunt niets worden dat je onbewust niet allang bent.

Wanneer wij dus komen tot die toestand die wij noemen “het opgaan in God” en die anderen noemen “de eeuwige zaligheid” of “het koninkrijk der hemelen”, dan is dat van het begin af aan in ons geweest; dat kan niet zo ineens maar ons gegeven worden, want niemand kan in een vat meer doen – dat hebben we al zo vaak gezegd – dan de inhoud toelaat.

Als dus werkelijk een volledigheid van goddelijk begrijpen voor ons mogelijk is, dan wil dit zeggen dat we van het begin af aan dit bevattingsvermogen gehad hebben. En op die theorie verder gaande hebben wij ons toen afgevraagd: maar hoe komt het dan dat we eigenlijk zo lang hebben moeten worstelen voordat we zelfs maar de menselijke begripssfeer konden benaderen voordat wij het theoretische denken naast het praktische ervaren konden stellen, dat wij de rede a.h.w. konden stellen naast de intuïtie en het instinct?

En toen zijn wij gaan zeggen: ja, maar is het dan misschien mogelijk dat wij in ons zelf leven, dat alles waan is en dat wij in onszelf steeds nieuwe dingen vinden, dat het hele heelal uit ons geboren wordt. Op het eerste gezicht was dat heel acceptabel, maar er waren verschillende dingen die toch niet helemaal klopten, want wij weten dat wij niet de enige personen zijn. Wij weten dat, omdat die machten ingrijpen in ons leven, vaak tegen onze wil en onze beheersing in, zij treden op, zij voltrekken aan ons een noodlot en ze verdwijnen weer en hebben er niets, maar dan ook niets aan kunnen doen.

Op het ogenblik dat ik aan ga nemen dat deze wereld in mijzelf leeft, moet ik ook aannemen dat ik dan – indien ik mijzelf beheers, ook al datgene in de wereld rond mij, dat ik denk waar te nemen – kan beheersen. Nu is er nog in geen enkel geval vernomen waar dit inderdaad zo was, dus dat een volledige beheersing van alle wezens in deze wereld mogelijk was.

U kunt daar zelfs Jezus voor nemen. Ook Jezus was niet in staat om alle wezens in de wereld te leiden precies zoals Hij dat wilde. Hij moest aan hen iets overlaten, een zekere vrijheid.

Uit de vrijheid dus die anderen ten opzichte van ons hebben, komen we tot de conclusie dat wij misschien niet de juiste verhoudingen van de dingen zien, maar dat de dingen op zichzelf wel degelijk bestaan. Ze zijn er. Wij zijn dus niet de enige uitingsvorm in een alleen gedacht

heelal, maar we staan te midden van een groot aantal andere gelijkwaardige, meerwaardige, soms ook minderwaardige vermogens. En dat leidt ons dan weer tot de conclusie dat, wanneer wij leven naast andere machten, het voor ons zeer moeilijk zal zijn om deze andere machten te kennen en te begrijpen, daar wij slechts datgene in hen kunnen zien en aanvoelen dat ook in onszelf leeft.

Vandaar dat wij zeer sterk geloven aan het niet oordelen “Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld worde”. Dat is een begrijpelijk iets, want u oordeelt vanuit uw standpunt en we zijn ervan overtuigd geraakt – in de loop van onze studies op dit gebied – dat een dergelijk oordeel te allen tijde onrecht bevat en dat het enige rechtvaardige oordeel kan worden uitgesproken óf door de persoon zelf ófwel door de macht die de levende kracht van deze persoon vormt. En daarmee heb ik een onderwerp aangesneden meteen, dat eigenlijk tot hoofdthema moet worden van mijn betoog, want ik zeg hier: de levende kracht. Geloven wij nu erin dat de mens en de ziel en de geest leven uit één ogenblikkelijk ontstane kracht die een volledige persoonlijkheid vormt, dan zou een beroep op God, een denken aan God etc. onredelijk zijn, want wij zouden dan trachten een verbinding te vinden die niet bestaat en als zodanig zou dit alles waanzin zijn. Wij weten uit onze wereld – en er zullen er onder u zijn die het uit hun eigen wereld weten – dat deze band wel bestaat, dat er een vreemde kracht in ons is die antwoordt op het gebed, die antwoordt op het sterke verlangen, die raad geeft vaak.

Nu kunnen we natuurlijk zeggen – wanneer we geleerd willen doen – ja, maar dat is het onderbewustzijn, dat is de psyche die onderdrukte verlangens tot uiting brengt en daarmee ook tevens de redelijke weg aangeeft, door zich te paren aan de rede van het bewuste.

Maar daar zijn we er niet mee, want dat zou alleen weer mogelijk zijn als wij werkelijk alleen waren, wanneer de hele wereld rond ons schijn was en ik heb u zo-even reeds gezegd, dat geloven wij niet, wij kunnen het niet bewijzen. Zelfs de bekende uiting van Descartes o.a.: “Ik denk dus ben ik”, ofschoon deze veel ouder is, is niet voldoende, want ook deze is nog in twijfel te stellen n.l.: wordt ik door een ander gedacht of denk ik mijzelf?

Wordt ik door een ander gedacht, dan is ook mijn gedachte waan en heb ik daarmee nog niet mijn eigen zijn bewezen maar hoogstens het zijn van iets dat niet van mijzelf is. Dus we zouden daar ver op door kunnen gaan, maar ik wil dit even terzijde schuiven en teruggaan

naar de ziel. Wanneer er een verbinding bestaat tussen een hogere macht en ons, dan is het ook redelijk aan te nemen dat er een uitwisseling plaatsvindt, die verbinding bestaat er niet voor niets. En nu weet u ook – dat is u al lang bekend, althans de meesten van u – dat wij geloven dat God misschien is meer dan de schepping maar in ieder geval ook de gehele kosmos, dat er alles bestaat in Hem en door Hem en dus een uiting is van Hem.

Wanneer we dit nu aan gaan nemen, dan zouden we dus de verbinding tussen God en ons kunnen vergelijken met de organische verbinding die bestaat tussen een cel van een lichaam en het totale organisme en dan wordt het interessanter. Dat zou dus betekenen dat deze verbinding voor ons betekent levende kracht, levende kracht die ons wordt toegevoerd en zonder welke wij niet kunnen bestaan. Dit is in uw wereld misschien moeilijk te bewijzen, in onze wereld is het wel te bewijzen, daar het afsluiten van zekere ontvangcentra – zelfs indien

dit gebrekkig is – betekent een onmiddellijke verkommering van de persoonlijkheid en uiteindelijk de onmogelijkheid om de gedachte nog in beeld om te zetten of aan anderen over te dragen. Vandaar dat we dus zeker aannemen dat die verbinding bestaat tussen ons en God en dat deze kracht ons werkelijke leven vormt.

Dan staan we voor de vraag, is onze ziel dan een apart iets? En nu geloof ik dat ik daar een ontkenning op moet geven, dat ik niet mag zeggen de ziel is een apart iets, maar dat ik zou moeten zeggen: deze ziel, deze werkelijke kern van het zijn, is de levende kracht die door de Schepper voortdurend vernieuwd wordt in elke uiting in Zijn schepping.

Ik hoop dat u dit tot zover heeft kunnen volgen en dat het acceptabel voor u is. Indien dat niet het geval is dan kunt u van de gelegenheid gebruik maken om daar vragen over te stellen.

Ik mag dus aannemen dat u inderdaad het betoog heeft kunnen volgen en dat u deze stellingen niet onaannemelijk vindt. Wanneer wij nu verder gaan dan komen we tot de ontstellende ontdekking dat wij dus wel zelfstandig denkende en handelende wezens zijn, maar dat wij pas onze waarde krijgen, ons werkelijk zijn zelfs danken áán deze goddelijke kracht. En toen hebben wij, ons afgevraagd: hoe moeten wij dan de schepping en de mens zien? En nu wil ik een voorbeeld gebruiken uit uw wereld dat dus niet volkomen gelijk is aan het onze, dat iets moeilijker uit te drukken is in de voor u begrijpelijke termen.

Stellen wij voor dat elk leven – onverschillig hoe groot of hoe klein – is een deel van een enorme legpuzzel, een enorme legkaart, waarvan de stukjes op zichzelf misschien een schone schakering van kleur kunnen vertonen, maar die hun werkelijke waarde pas krijgen wanneer zij in het geheel zijn gevoegd op de plaats waar zij behoren en dan ook inderdaad pas hun volledige betekenis verwerven. Zo zien wij nu de ziel, maar wij zien de ziel bovendien nog als iets anders, want wanneer ik zo spreek dan zie ik bij u de gedachte-reactie op het woord “legpuzzel” of “legkaart” van een plat iets met één beeld.

Maar zoals u weet bestaan er ook mogelijkheden om zo’n puzzel zo te vervaardigen dat elk van de delen bv. zes facetten heeft en in dat geval kunnen zes verschillende beelden worden samengesteld, dat is begrijpelijk, die elk volkomen identiek zijn qua hun inhoudswaarde, aan het totaal en slechts in hun uiterlijke verschijningsvorm een andere. Wanneer u dit begrijpt, denkt u maar aan het heel eenvoudige, ja juist daar, zo’n kinderblokkendoos, dat is heel aardig gevonden, zo’n kinderblokkendoos, denkt u daar maar aan.

Stelt u zich nu voor dat elk van deze aangezichten een deel van één van de sferen is. Ik heb zes genomen omdat u zich dan een kubus voor kunt stellen, of een dergelijk voorwerp, gezien de zes vlakken. En stelt u zich dan verder eens voor, dat deze vlakken een groter aantal hebben en dat zij tezamen omvatten de bekende sferen, dan kunnen wij elk blok of elk stukje van deze legpuzzel op zichzelf noemen één ziel d.w.z. een kern van een aantal mogelijkheden, echter deze kern krijgt pas zijn volledige waarde wanneer de uiterlijke verschijningsvorm een harmonisch geheel vormt met alle andere delen van de totale kaart. Nu geloven wij dat ons hele leven, onze levensweg een zoeken is, juist naar deze juiste, harmonische verhouding met de kosmos. Hebben wij die gevonden dan hebben wij als het ware dat deel van ons, dat correspondeert met de ogenblikkelijke uiting in het Al gevonden; wij passen ons daarbij aan en wij zijn niet meer een enkeling maar een geheel. Nu verliest zo’n blokje toch niet z’n persoonlijke waarde, het behoudt precies wat het heeft, maar de lijnen die in elk blokje of deeltje apart zijn getrokken, de kleuren die zich daarin bevinden, vloeien nu langs lijnen over het geheel en de beschouwer kan niet meer zeggen: dit is een apart blokje maar zegt: dit is een deel van een legkaart of beter nog, het is een onderdeel van een schilderij of van een voorstelling.

En laten we ons nu eens voorstellen dat wij dan met onze ziel diezelfde waarde hebben, dan valt ons onmiddellijk op dat wij tenminste twee facetten moeten vertonen, dat wij tenminste twee kanten hebben die elk op zich een beeld projecteren, het één is n.l. de geest en het andere is de stof, dan is het misschien mogelijk om daarmee de verwarring te verklaren die vaak in onze beide werelden bestaat en vooral ook de geschillen die zo sterk naar voren treden tussen onze beide werelden, waardoor het zo moeilijk wordt voor ons om elkaar werkelijk volledig te begrijpen. Want indien deze uitingsvormen van de ziel nu eens door elkaar gehutseld zijn, zodat bij de één dit beeldvlak, een deel van dit beeld, en bij de ander een deel van dat beeld boven ligt, dan kunnen deze stukken weliswaar samengevoegd worden, maar deze zullen nooit en te nimmer een harmonisch geheel afgeven.

Anders uitgedrukt: onze ziel is ons eeuwige leven, God is het totaal, kennende Zijn eigen lijnen, Zijn eigen beeld als het ware, ervaart zichzelf volledig als dat beeld, te allen tijde, maar wij kunnen alleen komen tot een bewustzijn, of een besef van dat goddelijke, wanneer wij verenigd met een aantal juist bij ons passende stukken, een groter deel van het totale beeld gaan vormen en dan samengesmolten dus, een belangrijkere plaats in gaan nemen in het geheel en uit de lijnen die zich in onszelf, in ons eigen vlak, onze eigen sfeer ontwikkeld hebben, dus ook conclusies kunnen trekken omtrent het verdere verloop van het totale beeld.

Zo zou ik willen zeggen – en dan zal ik het daarbij laten, ik hoop dat ik niet te hoog heb gegrepen voor u, maar ik meen dat u het allemaal heeft kunnen volgen – wij geloven, kunnen niet bewijzen, maar de feiten doen ons inderdaad daartoe besluiten, dat geloven we dus.

God leeft in elk van ons, wij zijn allen een deel van de goddelijke kracht, wij zijn zelf niets zonder deze goddelijke kracht, daar zelfs in de meest volledige ontwikkeling, ons wezen waardeloos blijkt als er niet de totale godheid is die ons volledig maakt. Zonder God geen volledigheid – zelfs indien er bestaansmogelijkheid is – altijd een onvoleind zijn.

Dan krijgen we verder daaruit de conclusies: Ons bewustzijn zoals dat uitgedrukt wordt in geest en stof tezamen, betekent de omlijning van het deel van de schepping dat wij vertegenwoordigen, ons bewustzijn dat geestelijk uitgedrukt betekent ons weten, een weten dat over het algemeen zelfs niet in woorden kan worden weergegeven, in kleuren of in tonen, dat een totaal eigen deel is van ons wezen dat overal met ons meegaat, echter kan worden gezien als een patroon van de lijnen die zich in ons bevinden.

Uit deze redenering is verder nog het volgende naar voren te brengen.

Wanneer wij spreken over een incarnatie of over een hergeboorte, dan zouden wij dat voor kunnen stellen als een tijdelijk omkeren van ons speciale stukje of blokje in deze legkaart, waardoor een ander vlak naar boven aan het licht komt, zonder dat de waarde daarvan verandert, dus moeten wij zeggen: wij zijn niet slechts ziel, wij zijn niet slechts stof en wij zijn niet slechts geest, maar wij zijn te allen tijde de ziel, zich gelijktijdig uitend in stof en geest, waarbij dan ons ervaren afhankelijk is van dat deel wat naar het bewustzijn, naar het licht, naar het bevattingsvermogen is toegewend.

Wanneer wij nu ons eigen wezen kennen, zullen wij in staat zijn – naar gelang de omstandigheden – juist dat facet te tonen dat ons met de kosmos tot een harmonisch geheel maakt en ons zo maakt tot iets dat ver uitreikt boven ons eigen kunnen en eigen weten en zeker dichter brengt tot de volledigheid van het totaal, die wij dan noemen God.

Misschien is er buiten deze legpuzzel, dit totale beeld, nog meer. We zijn soms geneigd om dat aan te nemen, maar dan zouden we komen in een speculatie waarbij boven elke God als het ware weer een nieuwe, nog hogere kracht staat en dit zou tot in de oneindigheid kunnen worden voortgezet. Wij willen ons dus bepalen tot de God die leeft in de schepping en die wij in de schepping kunnen erkennen en dan weten wij één ding, dat wij – indien wij ons bewustzijn van ons deel-zijn van dit geheel – nooit verloren kunnen gaan, nooit behoeven te vrezen, dat wij de angst kunnen bannen en elke schijnbare overgang van sfeer tot sfeer, slechts kunnen beschouwen als een kleine wending van ons eigen wezen, waarbij nieuwe ervaringen rijzen, daar waar oude tijdelijk worden bedekt om nieuwe harmonie – misschien een schonere harmonie – met het oneindige tot stand te brengen.

  • U sprak in de aanvang van uw betoog over: denken wij of worden wij gedacht. Maar is het nu juist niet zo, dat wij door ons onbewust zijn dat wij dan worden gedacht door de sterren en dat wij dan tot bewustzijn komen en daar bovenuit gaan leven?

Neen dat is niet waar. Wanneer wij door de sterren zouden worden gedacht zouden wij gedachten zijn als zodanig van nul en generlei waarde. Wij kunnen wel zeggen dat ons bewustzijn door bepaalde invloeden wordt bepaald en dat onze wereld – ervaring, dat ons wereldbeeld – onverschillig in welke sfeer – daardoor beheerst kan

worden indien wij ons zelf niet voldoende kennen en niet voldoende begrijpen wat er eigenlijk rond ons afspeelt, begrijpen we dat, dan bestaan deze invloeden nog steeds, maar dan zijn zij ons een hulp, zijn zij voor ons een harmonisch dragend geheel waarop onze eigen persoonlijkheid zich verder uitbreidt en bewust wordt in plaats van een kracht die in het geheim manipuleert en aan de touwtjes trekt, wat dan denkt te zijn een levend wezen.

Ik mag verder u er nog op attent maken dat ik juist dit “denken wij onszelf of worden wij gedacht” aanhaalde omdat hierin een zekere Oosterse filosofie wordt verwerkt die de laatste tijd verbreiding vindt ook in het Westen en dit is n.l. deze: de godheid slaapt en droomt, en ziet de droom is het heelal, ’t heelal dat in rook verdwijnen zal wanneer Hij ontwaakt die is het éne zijn. Dat is zeer vrij vertaald maar ik meen voor u duidelijk genoeg. Daarom heb ik dit als eerste punt aangesneden en ik ben daarvandaan verder op gaan bouwen.

Ik heb mij alle moeite getroost en ik hoop dat mij dit gelukt is, om te blijven in termen die eenvoudig, begrijpelijk en redelijk zijn. U ziet dus dat wij niet kunnen geloven aan een “gedacht worden door de sterren”. Wij kunnen hoogstens zeggen dat de plaatsing van de sterren voor ons kan zijn een kracht die ons draagt of voor ons kan zijn een kracht die ons ondermijnt naar gelang wij – ons zelf kennende – deze krachten tot een deel van onszelf of wel ons daar tegenover stellen. Dat geloof ik wel als waarheid aan te kunnen nemen en wel speciaal voor de stof-mens voor wie de stoffelijke ster een betekenis heeft.

Voor de geest zou ik daar tegenover willen zetten de vloedgolven als het ware van kracht die door de kosmos stromen en die ook wel degelijk op het individu een uitwerking hebben.

  • Zou u de wet van oorzaak en gevolg nog eens willen belichten?

Als u dat een genoegen doet, zeker! De wet van oorzaak en gevolg is eigenlijk een heel eenvoudig iets; het is hetzelfde als het bekende gezegde dat elke medaille zijn keerzijde heeft, of het andere gezegde dat alles slechts bestaat in tegendelen. Dat wil dus zeggen dat wanneer er licht is, dat er ergens duisternis moet zijn, zonder duisternis is het licht niet kenbaar, omgekeerd kan er geen duisternis zijn als er geen licht is. Zo is het eerste, zijnde het licht, de oorzaak dat er duisternis bestaat, want door het zich uiten en het zich kenbaar maken, veroorzaakte de tegenstelling die ervaren wordt, het duister.

En zo is dus licht en duister aan elkaar gelijk. Ik hoop dat het niet te ingewikkeld is hoor, maar nu moet u dat even zo bekijken. Als we licht en duister samenbrengen, wat hebben we dan?

Niets, dan hebben we een evenwicht, licht, volledig licht, volkomen licht en volkomen duister heffen elkaar volkomen op. Zo gaat het met alle dingen en dat is nu eigenlijk de eenvoudige vorm waarin we de wet van oorzaak en gevolg uit kunnen drukken.

We kunnen natuurlijk verder gaan en laten we het zo stellen: een mens die een trap geeft tegen een steen, zal op een gegeven ogenblik diezelfde kracht tot zich terug voelen keren in de vorm van een slag, een trap, een duw, die hij waarschijnlijk niet zal erkennen als de oorspronkelijk uitgezonden kracht, maar hij geeft iets af en voor wat hij afgeeft krijgt hij een gelijkwaardig iets terug. Nu is het zo, dat als een mens zijn eigen krachten kent dan kan hij natuurlijk precies uitrekenen: ik heb zoveel goed gedaan, ik heb zoveel kwaad gedaan, dus zoveel goed en zoveel kwaad staat mij te wachten. Maar over het algemeen is dat een verrassing omdat men niet voldoende zelfkennis heeft, dat is voor ons ook zo hoor, dus dat is niets bijzonders. Maar dan gaat het eigenlijk zodat u zegt, nu ja, ik heb wel goed gedaan aan deze mens, maar ik heb er niets dan ondank voor teruggekregen, terwijl misschien een paar dagen, later een onheil aan u voorbijgaat, door de goede zorgen van anderen die u niet eens opmerkte. De afrekening is dus niet altijd in kenbare vorm.

En wanneer, we dit principe nu voortzetten op de tijd, dus we gaan het uitzetten, we zeggen: hier hebben we een lijn die is 200 jaar lang, wat hier optreedt moet noodzakelijkerwijze dáár ook optreden. Wanneer we vandaag de dag lichtzinnig zijn en we leven er rijk van, dan zullen we morgen aan de dag zwaarmoedig zijn en arm. Wanneer wij vandaag zelf geweld tegenover anderen gebruiken, zal er morgen tegenover ons een geweld losbreken dat ons als het ware weer in balans brengt. Het is dus zo, daar kan een groot tijdsverloop tussen zitten en aangezien de geest zelfs al buiten de volgens u te bepalen tijd leeft in geheel andere verhoudingen, waarin het opvolgingservaren – dat uiteindelijk de tijdszin is – een geheel andere betekenis, een geheel andere waardering krijgt.

Maar deze geest kan dan – als we dat zouden willen overbrengen op aardse schaal – voor sommige daden misschien drie, vier duizend jaren wachten op de retributie, op de terug storting van het gegevene en bij een ander kan het zeer kort na de daad komen.

U kent misschien die bekende verhaaltjes wel; ik zal het illustreren, niet waar. Stelt u zich voor er springt een man naar voren om een dame te helpen die struikelt terwijl, ze de straat oversteekt, juist daardoor maakt hij een plotselinge zeer snelle beweging en wordt daardoor niet aangereden door het voertuig dat hem anders zeer zeker overreden zou hebben.

Daar ziet u dus de beloning onmiddellijk op de daad volgen, dat is oorzaak en gevolg.

Maar het kan zijn dat hij deze dame helpt en dat hij voor zichzelf geen voordeel ervan heeft, misschien krijgt hij nog – vanwege de zenuwachtigheid – een paar minder nette woorden ook toegevoegd in de opwinding, het kan best gebeuren en dan zou zo’n man weggaan en zeggen: ja maar nu ben ik toch erg onrechtvaardig behandeld en dat klopt niet.

Maanden later dan dreigt hij te struikelen en dan staat er een vreemde naast hem en die grijpt hem aan z’n arm en die zorgt dat hij niet valt. Kijk, daar heeft u nu oorzaak en gevolg, hij heeft het éne gedaan dus zal het andere aan hem gedaan worden en dat is – zover als het ons schepselen aangaat – de hele wet. Alles wat je doet zal aan jou gedaan worden, ofwel alles wat je doet doe je uiteindelijk aan jezelf. Als je een ander onrechtmatig iets onthoudt of ontneemt, dan kun je er van verzekerd zijn dat hetzelfde bij jou zal gebeuren. Als je iemand vreugde schenkt dan zal die vreugde ook zeker jouw deel worden, wanneer? Ja dat kun je niet zeggen, daarvoor ken je en jezelf en die ander niet goed genoeg, je kent de totale verhoudingen niet, maar je kunt ervan overtuigd zijn dat het gebeurt.

Het is heel begrijpelijk dat we op die manier komen tot een wet die eigenlijk het hele zijn beheerst, van begin tot het einde, want als niet twee sterren elkaar gepasseerd waren, dan zou er geen uitzuiging van krachten ontstaan zijn waardoor een tijdelijke band tussen deze beide bestond. Waren hun krachten niet juist onder die hoek samengevoegd, dan waren niet de eerste planeten van dit zonnestelsel ontstaan, waren die planeten er niet geweest dan zou de zon zelf op een andere wijze werkzaam zijn geweest, met minder balans, zou er nooit een aarde zijn geweest en nooit een mensheid.

Dus dat een mensheid er is, is te danken aan het feit dat die twee sterren elkaar gepasseerd zijn, zo heel lang geleden.

En dan gaan we weer verder; dan zeggen we: ja maar hoe komt het dat die twee sterren elkaar eigenlijk gepasseerd zijn en dan komen we uiteindelijk op het ogenblik van de schepping terecht en dan zeggen we: de eerste oorzaak was het eerste bewustzijn dat ontwaakt in de chaos en van daaruit is alles te beredeneren volgens de lijnen van oorzaak en gevolg, zodat een mens die op de wereld komt, een aantal gevolgen heeft te dragen die hij in deze vorm niet verdiend heeft, maar aangezien hij daarvoor de geestelijke tegenwaarde bezit, klopt het, is het toch één geheel.

Dus laten we zeggen er komt iemand die geestelijk ruw en bruut is geweest en die wordt tot slaaf op deze wereld, een ander is een vorst van nederigheid geweest en heeft gediend, gediend en gediend, vol met liefde en deze persoon die wordt nu op dit ogenblik zelf weer gediend en komt misschien op de aarde als een magnaat in een of ander bedrijf, als een heerser en zelfs als een bemind heerser, begrijpt u? Dat is de wet van oorzaak en gevolg, gezien vanuit de geest. En dan gaan we nog verder en dan zeggen we: aangezien ons geestelijk leven en ons stoffelijke verschijningsvorm elkaar voortdurend aanvullen, moeten we ook omgekeerd zeggen dat onze stoffelijke vorm weer bepalend is voor onze geestelijke eigenschappen en dat deze geestelijke eigenschappen weer bepalend zijn voor de volgende sfeer en de volgende vorm waarin wij ons zullen bevinden. En zo gaat het aldoor verder.

Het is dus niet: vandaag worden alle rekeningen vereffend, o nee, maar het is zo: vandaag wordt er een grote rekening vereffend en morgen, en dan gebeurt er misschien weer weken niets en dan wordt er ineens wéér een rekening vereffend. Nu vragen de mensen zich af, ja maar waar komen al die nota’s nu ineens vandaan? Wie heeft dat allemaal besteld, wie heeft dat allemaal gedaan? U weet wel, zoals de heer des huizes zo nu en dan, als hij de rekening van zijn vrouw eens doorkijkt. Zo zit dan de mens van heden en vraagt zich – in zijn beperkt weten – af: ja hoe komt dat nou, waar is dat nu weer voor nodig geweest en hoe kan dat nou, waarom nu juist deze ramp op dit ogenblik, waarom ineens dat geluk op dat ogenblik, waarom ik niet en hij wel? En dan ligt het antwoord eigenlijk in moeder de vrouw.

Moeder de vrouw die zegt, ja, we hadden potten en pannen nodig dus heb ik het moeten kopen en dat is deze rekening , kijk maar. En dat is zo en zo gekomen, je hebt de pot op het vuur laten staan en die heb je droog laten koken en daardoor is het email gebarsten, ik kan hem niet meer gebruiken, begrijpt u?

En dan kom je er langzamerhand achter, ja daar zit wel iets in, maar dat is nu het eigenaardige, deze moeder de vrouw of hoe u het zeggen wilt, deze kracht die ons de zaak uitlegt, die staat alleen naast ons als we tussen twee sferen zijn. Wanneer we in de geest zijn dan is ze niet bij ons, wanneer we in de stof leven dan is ze zeker niet bij ons, maar wanneer we tussen die beide staan, dan is er ineens deze wet die zegt: o, zo heb je geleefd, kijk en daardoor is dat en dat gebeurd en daardoor krijg je nu die rekening te betalen. Dat zijn de rechters van het dodenboek, dat is het oordeel dat gesproken wordt en misschien zelfs ook het laatste oordeel in zekere zin. Dat is allemaal niets als oorzaak en gevolg. Eén kleine daad, misschien een héle kleine vriendelijke daad kan soms een heel leven veranderen en daar heeft u misschien wel meer van gehoord, dat komt wel eens voor op deze wereld niet waar? Nou, dan gaat u eens verder kijken en dan zegt u: ja maar als dat nu in de wereld of bij de mensen kan gebeuren, dat misschien juist één daad van liefderijke hulpvaardigheid een heel leven verandert, waarom zou dat dan niet in de geest gebeuren?

En wanneer het in de geest kan gebeuren en in de stof kan gebeuren, waarom kan het dan niet tussen beide sferen gebeuren? Ik leraar op het ogenblik; dan is het redelijk om aan te nemen dat ik daardoor tot leerling zal worden wanneer deze fase voorbij is. Ik heb alle kennis die ik in mij heb gegeven en dan krijg ik natuurlijk in een volgende fase of misschien zelfs in deze fase, krijg ik weer andere kennis daarvoor terug.

U geeft in uw leven, laten we zeggen eens een keer met een gulle hand, een ogenblik, ja, laten we zeggen er is een ramp gebeurd hier ergens in het land en nu ja dat heb ik niet zo hard nodig en dat kan ik nog wel missen. En dan heeft u dat allemaal gedaan en dan heeft u niet de voldoening dat u nu toch werkelijk erg edelmoedig bent geweest, want anders dan heeft u daarin alweer een deel van uw antwoord, maar nu heeft u het gevoel: ik had eigenlijk nog meer willen doen maar ik kan het niet. En dan is het eigenaardige, dan krijgt u van een andere kant de mogelijkheid dat bij een herhaling daarvan, u méér kunt doen, zo werkt dat.

Ik heb daarmee de wet van oorzaak en gevolg eigenlijk duidelijk genoeg uit elkaar geplozen, of zijn er nog vragen over?

  • Is het misschien ook mogelijk, in de bijbel staat dat de zonden worden bezocht in het derde of vierde geslacht….

Degenen die mij haten.

  • O, maar dat daarvan de mensen die….het zelf zijn die dus gereïncarneerd zijn?

Dat is allemaal niet noodzakelijk, kijkt u eens, als u God haat dan bent u een antithese van het werkelijke leven, u bent een strever naar de chaos, als zodanig zal er bij u nooit een lichtende geest kunnen incarneren, er kan er wel een zijn die wat minder slecht is dan de vader of de moeder, of de beide ouders, want hij heeft niet volledig de draagwijdte begrepen en leert uit de wanverhouding bij de ouders, dat hij het zelf niet moet doen, maar kan zich toch ook niet van de erfelijkheid losmaken, kan zich ook niet van zijn eigen persoonlijkheid losmaken en zijn kinderen zullen het misschien iets minder erg hebben. En nu komt er ineens weer een stel dat springt weer qua erfelijke eigenschappen terug naar de oorspronkelijke ouders en heeft dus weer veel erger met dat probleem te worstelen.

Zo is het heel verklaarbaar dat dus bepaalde fouten inderdaad bezocht worden tot in het zevende geslacht, maar daar staat uitdrukkelijk bij; ‘Ik zal bezoeken de zonden der vaderen en de kinderen tot het zevende geslacht en Mijn oordeel zal voltrokken worden met een zwaard” maar even verder staat: “want zie ik doe gerechtigheid want Ik bezoek de kinderen om der vader wille in het vierde tot het zevende geslacht degenen die mij haten”. U kunt het nazoeken hoor, dat kunt u in de bijbel opslaan. Dan krijgt u misschien een beetje een ander licht, het zijn n.l. twee dingen die tamelijk dicht bij elkaar staan. En nu is het aardige dat daarin dus word uitgedrukt dat deze bezoeking alleen zolang duurt als de voorwaarde wordt vervuld n.l. het haten Gods. Het haten Gods dat is iets dat begrijpen de mensen over het algemeen niet zo erg goed, dan denken zij dat God haten, dat dat betekent het werkelijk opspelen tegen God, maar weet u er zijn veel mensen die hebben de naam God elke dag in hun mond en die haten God want zij zeggen: God ik aanbid u en ik vind u zo groots, maar ze zeggen in zichzelf: Ja, maar God zou dit moeten doen en dat moeten doen en waarom doet Hij het niet? Ik vind het eigenlijk maar een snertvent, ja niet in woorden misschien, maar ik bedoel die houding, deze mensen leven niet met God maar stellen zich tegenover God en proberen met God een koehandel te drijven en als dat niet lukt dan haten zij God, zij haten God om wille van datgene dat volgens hun eigen inzicht hun toekomst is en dat ze niet kunnen verwerven alleen door de wens daartoe uit te drukken.

Dat zijn nu degenen die God haten. Er zijn er meer dan u zo op het eerste gezicht zou denken en niet altijd daar waar u het zou zoeken. Er staan haters van God op een kansel, er zitten haters van God misschien in een of ander groot regeringsgebouw en u ziet ze ook staan met een bezem in de handen langs de straten, en u ziet ze misschien ergens anders rijden met een mestkar of rondgaan met een buidel met kleine dingen als marskramer, overal zijn die haters van God. Maar ook overal zijn de strevers naar God, die God minnen en die spreken misschien niet over God maar ze zoeken voor zichzelf God en dan kunnen ze zelfs gevonden worden in die gemeenschappen die officieel en met woorden God loochenen, want wat ze loochenen is niet God, wat ze loochenen is de conceptie van God, zij denken dat anderen die hebben, begrijpt u? Ja dat was dus deze vraag, ik geloof niet dat ik er nog wat bij hoef te zeggen hè? U ziet dus dat hier ook wel degelijk oorzaak en gevolg een rol in speelt.

  • Het bezoeken tot in het tweede en derde geslacht, is dat eigenlijk niet een wreedheid, want die kinderen die dan geboren worden wat hebben die eigenlijk, of zijn het de zielen die de moeder gekozen heeft om iets uit te leven?

Kijkt u eens, u zult nooit incarneren in een gemeenschap die niet voorwaarden biedt – geestelijk – die voor u volkomen acceptabel zijn, net zo min als u het in uw hoofd zult krijgen om in een mestpraam te gaan zitten als er vlak naast een mooie gondel ligt. En toch zijn er mensen die zeggen: in die gondel daar voel ik mij niet thuis, ik wil in die mestpraam zitten. En dan ben je er eenmaal ingestapt, ja dan heb je daarmee alle consequenties aanvaard in de gondel misschien het feit – omdat er geen gondelier is – dat de voortbeweging een beetje moeilijk is en in een mestpraam dat je misschien gemakkelijker voort kunt bomen, maar dat je aan de andere kant voortdurend in de drek en laten we zeggen in de frisse lucht staat, begrijpt u? Dat is dus heel begrijpelijk, de geest wordt aangetrokken tot een milieu dat ongeveer identiek is aan zijn eigen bestrevingen en zo komt in zo’n gezin over het algemeen dus een geest die – gezien zijn geestelijk streven – een zekere schuld op zich heeft geladen en daardoor juist incarneert in dit milieu, waarbij dan de voltrekking van de straf voor de geestelijke schuld in de stof begint en wordt deze gedragen, dan is hiermee een bevrijding gevonden, maar wordt die niet gedragen en treedt daar een hernieuwd verzet tegen op – dus wordt er niet geleerd uit de ervaringen – ja, dan krijgt die geest het weer zwaar om wille van wat er in de stof is gebeurd en zou zo uiteindelijk verder kunnen gaan tot in de chaos d.w.z. in de bewuste verloochening van de eigen persoonlijkheid toe, dat is mogelijk.

En dat is dus geen wreedheid, in tegendeel; het is de mogelijkheid bieden om terug te gaan, het is als het ware de kans geven aan elke geest om zichzelf te vinden, zichzelf te leren kennen. U vindt het toch ook geen onrechtvaardigheid als u tegen de kinderen zegt dat ze naar school moeten gaan als ze liever spelen. Nu daarom is ook dit bezoeken geen onrechtvaardigheid. En dan vindt u het ook helemaal niet onrechtvaardig dat mijnheer Jansen die een paar miljoen heeft, een privé onderwijzer neemt en dat mijnheer Pieterse – die het iets minder goed heeft – zijn zoontje stuurt naar de Latijnse of de Franse school, niet waar, en dat Pietje en Klaasje naar het volksschooltje toe moeten, zo was dat tenminste in mijn tijd.

En daar kan nu iets aan veranderd zijn, maar die gedachte die blijft er nog steeds in voortleven. U vindt het heel normaal dat een arbeiderszoon dingen doet die het zoontje van de bankdirecteur nooit hoeft te verrichten. Dat is dus erfelijk, dat is oorzaak en gevolg. Geboren in een bepaald milieu, daden zijn bepaald en daarmee is het ook logisch dat bepaalde ervaringen optreden. Nu kan het wel zo zijn dat het arbeiderszoontje veel gelukkiger is dan het zoontje van de directeur, ondanks alle schone schijn en de bokkenwagen en alles wat er bij hoort, want de één vindt – met alle lopen wat hij moet doen en met alle beperkingen – vreugde, ondanks dat hij het schijnbaar slecht heeft, terwijl de ander door de veelheid van wat hij bezit, komt tot meer vragen en daardoor eigenlijk armer wordt.

Dat heeft u dus ook met dit bezoeken in de derde of vierde geslacht, wanneer er een is die God accepteert en die dus leeft, niet om zoveel mogelijk beter te worden en om zoveel mogelijk zijn eigen lusten uit te leven, maar de beperkingen, aan zijn lusten opgelegd door zijn stoffelijke vorm, aanvaardt. Nu zijn lusten heus niet die paar dingen, er wordt dan n.l. aan een zeer bepaald gedeelte van het begeerteleven gedacht, maar dat houdt alles in hoor, dat houdt ook in het feit dat de een van kaas houdt en de ander liever een broodje met worst heeft.

Dat heeft ook wel weer met het begeerteleven te maken.

  • Ik heb ook wel gemerkt dat die wet van oorzaak en gevolg en wie kaatst moet de bal verwachten en dus wij die schulden maken, daar kun je je niet bij “niet-thuis” houden, want die rekening die komt desnoods dwars door de deur, of waar je zit daar zit je en wordt gepresenteerd en daar volgt onherroepelijk betaling op, heel ongezellig dan. Maar nu vraag ik mij af, de bijbel is een groot troostboek en de figuur van Jezus die staat daar vanaf pag. 1 tot en met het einde en de hele boodschap is eigenlijk deze: wij maken schulden en Hij betaalt.

Inderdaad en daar heeft u volkomen gelijk in, omdat – op het ogenblik dat een persoon zich vereenzelvigt met Jezus Christus en leeft volgens Zijn wet – hij ook inderdaad deel is van deze Jezus en dus door dit deel zijn van dit Hoog Geestelijk Wezen als het ware, dit Mystieke lichaam – als ik het zo uit mag drukken – de krachten krijgt waardoor zijn kruis licht te dragen valt, waar een ander onder dezelfde lasten zou bezwijken, begrijpt u?

Dat is de troost van Jezus die zegt: gehoorzaam nu alleen maar aan Mijn wet “hebt uw naasten lief gelijk uzelf”, “doe wel en zie niet om” zouden we er ook nog achter kunnen zeggen en dien, dien alleen maar. Hij zegt niet: je moet naar de kerk gaan, je moet aalmoezen geven maar Hij zegt: alles wat overvloedig is in je leven aan stoffelijk bezit, gooi dat opzij, laat dat je niet beheersen. Die moed moet je hebben, vertrouw op God en verdien je brood en waar je het niet verdient, ga verder totdat je het wel verdient, ergens is er een plaats waar je zult leven en nuttig zijn, vertrouw daarin en vertrouw in Mij want, als het dan te zwaar schijnt te worden, dan ben Ik er altijd en dan ben Ik diegene die je overeind houdt, je moet zelf lopen, maar als je dreigt te vallen dan zal Ik je steunen.

Dit is de Christusgedachte en daardoor is het zo’n verlossende gedachte want daardoor is het mogelijk dat eens de mens die normalerwijze nooit zijn hele rekening zou kunnen betalen in één leven, juist door het inschakelen van deze buitengewone kosmische krachten, deze kosmische en mystieke gemeenschap met één van de hoogstaande geestelijke machten die er te denken is, nu deze rekening wel af kan doen en wanneer dit gebeurt dan volgt daarop onmiddellijk het woord: zo zult gij heden met Mij zijn in het paradijs, niet in het koninkrijk Gods, in het paradijs. Je zult in de geest de rust vinden en in deze rust moet je dan de kracht verzamelen om het koninkrijk Gods te vinden dat in uzelf is, begrijpt u?

Dat is de boodschap van het evangelie en dat is iets dat volkomen in overeenstemming is met de wet van oorzaak en gevolg.

Kijkt u eens. Ik zou het zo willen zeggen. Niemand betaalt de rekening voor je, maar er kan wel eens iemand zijn die zegt: kerel ik weet dat je in nood zit, hier heb je het geld, betaal je rekening en dan kun je het mij afbetalen zoals het jezelf convenieert. Dat is eigenlijk wat Jezus doet. Hij zegt: wanneer je Me nodig hebt en je roept Me, je vertrouwt op Mij, dan ben Ik er en dan krijg je van Mij al datgene wat nodig is om dit zware lot, deze zware nota, af te betalen, maar denk er om – zegt Hij er achteraan – dat gaat niet zo maar, dan moet je ook wel degelijk gaan leven zoals Ik geleefd heb; je moet aan Mij als het ware teruggeven wat Ik voor jou aan dat lot betaald heb, maar Ik ben geen wrede schuldeiser; Ik zal je niet met leed bezoeken maar Ik geef je de gelegenheid om eerst het bewustzijn te verwerven en uit dit bewustzijn zal je dan door Mijn leer, door Mijn krachten, in staat zijn om uiteindelijk datgene wat je gekregen hebt, verder te geven.

Heb je naasten lief gelijk jezelf, dien de wereld, dien in de wereld niet het werelds begeren of het verlangen of het menselijk opzicht, maar dien in de wereld God en daarvoor heb je geen geld nodig, daar heb je alleen maar voor nodig de bereidheid om te dienen en hiervoor vind je overal gelegenheid. Dat klinkt allemaal erg mooi, maar er zit één ‘maar’ aan, het duurt vaak heel lang voordat iemand ertoe komt om die schuld af te lossen en zolang als hij dat niet doet, zal deze schuld steeds als een verwijt voor hem staan, maar hij staat niet meer tegenover hem als rechterzwaard als het ware van oorzaak en gevolg, daar aan deze wet werd voldaan.

En daarom zegt men ook dat Jezus draagt de zonden van de wereld, want Hij draagt de lasten voor u, totdat u in staat bent om ze weer over te nemen en daar offert Hij zich voor op, dat is het werkelijke offer. Dit is ook de betekenis van het kruisoffer.

Dat staat niet buiten oorzaak en gevolg, het gaat zelfs verder, want indien er in de wereld niet dat voortdurende verlangen naar verlossing was, zou er geen Jezus zijn geweest.

Voor Jezus moest de tijd bereid worden en eeuwenlang heeft men op deze Messias gewacht, eeuwenlang heeft men om een verlossing gesmeekt en toen in een ogenblik van zéér grote nood, ik zou haast zeggen één van de meest wrede onderdrukkingen. Vroeger heeft men wat gevangenen weggevoerd, zeker, maar dat waren niet de hele volkeren, dat waren maar delen daarvan, dat waren maar slaven, maar nu was dat hele volk tot slaaf gemaakt in zijn eigen land, de tempel was in handen geraakt van profiteurs, neem mij niet kwalijk dat ik dat zeg maar dat is iets wat meer voorkomt en dat was daar zeker gebeurd.

Er was achter de schijnbare Mozaïsche rituelen ingeslopen een zuiver heidense geldzucht en daardoor was dus de godsdienst onbetrouwbaar geworden, het land lag in ketenen en toen was er een noodkreet van het volk om redding.

En daarom kon het volk in het begin ook deze Redder aanvaarden, maar deze Redder bleek niet te voldoen aan de verwachtingen van grootheid die het volk in zichzelf had gevoed, uit wraakzucht. Waarom denkt u dat het joodse volk vaak zo bitter lijdt? Juist omdat dit volk qua afstamming en afkomst ouder is dan de meeste volkeren van Europa en zeker minder vermengd . Het is wel een mengvolk, het is een smeltpot van verschillende volkeren geweest in het begin maar het heeft zich veredeld, het heeft een veel oudere traditie en cultuur dan u.

Als het nu maar niet zou zeggen tegen God: ja maar Heer Je bent een God van wrake en Je bent onrechtvaardig, Je toornt over ons. Maar als ze zouden zeggen: God wij aanvaarden U, wij willen niet anders zijn dan een ander, wij willen alleen zijn Uw dienstknecht en dan waren ze verlost geweest. Maar juist omdat ze dat niet konden, omdat ….(De band loopt af, hierdoor missen wij een paar zinnen).

Het antwoord op de vraag was n.l. toen: “ziet zij waren Hem allen nabij en zo Zijne naasten, maar Zijn broeder was de Samaritaan”, begrijpt u? Dat was het antwoord. Maar helaas staat dat niet vermeld in de op het ogenblik geldende versie van Jezus levensgeschiedenis, ofschoon Ironimus zelfs nog deze spreuk heeft aangehaald. Kijk uw naaste is ieder mens die niet naar vernietiging nijgt, uw naaste is ieder mens die lijdt, is ieder mens die niet op dit ogenblik onrecht pleegt tegenover een ander. Op het ogenblik dat hij dit onrecht pleegt, houdt hij op uw naaste te zijn en heeft u het recht tegen dit onrecht op te treden, maar zelfs dan moet u onthouden dat, zodra het onrecht verhinderd is, de mens wederom uw naaste is.

Zo is de hele wereld uw naaste op het ogenblik dat haar streven en denken niet het chaotische toevoert maar menselijk blijft. Daar heeft u het antwoord op uw naaste.

  • Is volgens u voor eenvoudige maar gelovige mensen de bijbel niet een voldoende gids naar het eeuwige leven en ook dit aardse leven zelf?

Voor een ieder die eraan gelooft is een bijbel of een koran of onverschillig welk ander heilig boek, goed.

Maar daar waar men de eenzijdigheid begint in te zien van sommige dingen en vooral van de uitleggingen daaraan verbonden, bestaat het grote gevaar dat men zich losrukt van elke kerkelijke organisatie. Wanneer dat gebeurt dan moet er leiding zijn in het denken en deze leiding trachten o.a. ook wij te geven. Het wordt op vele andere wijzen getracht om dit te geven, daarvoor bestaan de esoterische scholen, de esoterische scholing zal u nooit zeggen: wij zijn de enig waren. Wanneer zij dit doen dan zijn zij niet esoterisch, maar ze zullen te allen tijde zeggen: wij trachten u een houvast te geven, wij trachten u een levensbeschouwing te geven die voldoende is om u die eeuwige zaligheid te geven.

Niemand zal ontkennen dat zelfs diegenen die volledig naar de letter van het Oude Testament leven, de mogelijkheid hebben om zichzelf tot wat men noemt de zaligheid of tot de gelukzaligheid op te heffen. Niemand zal verder ontkennen dat het evangelie één van de grootste boeken is die geschreven is, maar ik geloof dat het beter zou zijn om minder aandacht te besteden aan alle verhalen die eromheen geweven zijn en alle brieven die eruit geconcludeerd zijn, later door anderen, en dat men zich het beste kan houden bij de wetgeving die Christus uit heeft gesproken als een raad en die blijft, de zinspreuk: heb uw naasten lief gelijk uzelf en die heeft gezegd, nietwaar, geeft alles aan de armen, behoudt één mantel, indien ge er twee hebt zo geef er één aan de armen en ga door de wereld dienend in liefde. Dit heeft Hij uitgedrukt in verschillende gelijkenissen.

Degenen die dit doen die hebben wel degelijk dé grote weg gevonden, maar deze grote weg kan op dezelfde wijze bereikt worden wanneer men de essence neemt uit het Boeddhisme, wanneer men de essence neemt uit het Islamitisch geloof, als men de essence neemt uitonverschillig welk ander geloof dat door een profeet is geopenbaard. Het christendom is hoogstens in z’n uitdrukking iets zuiverder in z’n weg, iets moeilijker. Ik hoop dat ik daarmee een voldoende antwoord heb gegeven.

  • Blijven ziel en geest tezamen als zij de stof verlaten hebben?

Ziel en geest blijven te allen tijde tezamen en ook de stof, maar dat kunt u zich niet voorstellen omdat u denkt dat dood dood is, maar deze stof is leven, leven waaruit u nog steeds blijft ervaren totdat u hernieuwd komt op een ontvangst van een gelijkwaardige stof, dus een geest is altijd evenredig aan een bepaalde stoffelijke interesse in kracht, die kan te allen tijde omgezet worden, de geschoolde omzetting daarvan brengt dan fenomenen teweeg zoals bv. directe verschijningen.

Ik bedoel die directe verschijningen zonder het ingrijpen van een medium en omgekeerd kan bereiken van een mens uit de projectie van een geestelijk dubbel. De geest blijft te allen tijde bestaan onverschillig in welke vorm men is en blijft ook gebonden. Leeft men in de stof en is men in de stof nog beperkt, dan blijkt deze geest in hoofdzaak te zijn een zeker vermogen tot het projecteren van een eigen persoonlijkheid buiten dit lichaam en verder de mogelijkheid om een groot aantal herinneringen op te slaan die niet in het bewuste herinneringsvermogen kunnen worden vastgelegd. Later echter blijkt deze zelfde geest te zijn, de volledige levensvorm. Beiden worden gesteund door de ziel.

De ziel wordt als kracht geuit te allen tijde, in haar beide verschijningsvormen stof en geest.

  • Kunt u iets vertellen over Od-kracht van Reichenbach?

 Men gaat ervan uit dat God een zekere kracht is, een zekere lading uit het lichaam die zich o.a. zeer sterk in de adem bevindt, die kan worden overgebracht op anderen en dus een zekere overeenkomst vertoont o.a. met magnetische fluïde. Men gelooft dat het Od verder uit elk leven kan worden opgenomen en men dat dus bij het tot zich nemen van de adem van een ander, een deel van het Od van den ander in deze persoonlijkheid intreedt.

Hetzelfde kan ook gebeuren wanneer men de primitieven ziet overgaan tot het eten van bepaalde lichaamsdelen van verslagen vijanden etc. Ook hier is het geloof aan deze zelfde Od-kracht, ofschoon deze kracht dan misschien niet zo wordt genoemd. De Od-kracht op zichzelf is een bestaande radiatie die bestaat uit de omzettingsproducten van het lichaam, waarbij een groot aantal energiedelen weer wordt afgegeven en wel gedifferentieerd in bepaalde frequenties. Deze differentiatie maakt ook persoonlijke kracht van het Od uit en kan door sommigen handig gesimuleerd worden. Daardoor zijn zij versterking van de eigen kracht en wordt het mogelijk hiermee inderdaad bv. genezingen tot stand te brengen, ook wordt het mogelijk om door deze uitstroming van Od en de uitstraling dus van deze krachtvelden in een gerichte en versterkte vorm andere fenomenen tot stand te brengen.

image_pdf