Overdenkingen bij overgang

1 maart 1959

Wanneer wij dan vanmorgen weer eens willen gaan nadenken over verschillende ethische en filosofische problemen, valt het ons op, dat op het ogenblik die wereld plotseling zoveel lentegedachten heeft en gelijktijdig nog bang is voor een komende winter. En dat terwijl het toch zomer gaat worden. Ongetwijfeld zult u dat kunnen lezen in de weerberichten, ofschoon wij ze zelf niet meer volgen. U zult het ook kunnen ontdekken op de gezichten van mensen, die zeggen: “Ja, het is nu wel zomerweer, maar laat ik toch mijn winterjas maar meenemen.”

Dergelijke typische toestanden doen ons onwillekeurig denken aan de problemen van een mens, die enerzijds gelooft in overgang, in het Goddelijke, in de waarheid, en anderzijds toch maar bang is om over te gaan. Een absoluut onbegrip voor de problemen van de dood treedt praktisch steeds weer op de voorgrond. En daarom moet u mij niet kwalijk nemen, dat ik zelfs wanneer het een stralende lentedag belooft te worden vandaag wat met u denk over de dood,

Je kunt die dood natuurlijk van uit vele standpunten benaderen. En dan wil ik voorop stellen de woorden van de Gautama Boeddha Siddharta: “Dood is angst. Wie angst en begeren overwint, sterft niet.” Dat is een zinsnede, die op het ogenblik belangrijker en belangrijker wordt. Want laat ons eens goed begrijpen wat angst en begeren ons aandoen. Op het ogenblik dat je de dingen vreest, maak je ze veel erger, dan ze anders ooit zouden kunnen zijn. Op het ogenblik dat je iets te sterk begeert, maak je het veel intenser, dan goed voor je is. In beide gevallen word je uit het normale, het eeuwige pad van het leven gedreven en kom je vanzelf terecht op die eigenaardige zijwegen, die laat ons eerlijk zijn voor ons toch allesbehalve aangenaam worden. Het is niet voor niets, dat we in China in een van de oude boeken over de dood het volgende vinden; “Wie waardig heeft geleefd en zijn waardigheid kent, sterft niet. Hij gaat tot zijn voorouders en leeft in grotere vreugde.” Alleen voegen ze daar direct iets aan toe: “Doch zij, die de wereld verlieten zonder vruchten, zullen arm zijn, want de wereld is hun niets meer.” Ik wil dit graag in verband brengen met al dat andere.

Kijkt u eens, men heeft daar in China dat weten we allemaal een soort voorouderdienst met het verbranden van papieren geld (vals natuurlijk, anders zou het te duur zijn), papieren huizen en al wat erbij hoort. Maar is dat nu wel de bedoeling geweest? Ligt er op de achtergrond niet iets veel belangrijkers? Wanneer je in die wereld leeft, dan moet je daar iets betekenen. En die betekenis kun je niet op menselijke wijze vastleggen in rang en stand. Of je nu directeur wordt van een groot bedrijf, of dat je die eenvoudige man blijft, die door iedereen wordt gecommandeerd en die ‘s avonds de werkplaats uitveegt, maakt weinig uit. Deze dingen kun je van je wereld niet meenemen en in deze wereld blijven geen contacten. Maar wanneer je nu op die wereld veel voor anderen hebt kunnen doen en hebt kunnen betekenen, dan leef je door je daden in die wereld. En juist wat van je daden in de wereld blijft voortbestaan, blijft leven. Dat is de grote rijkdom, die je bezit. Een rijkdom, die in een andere wereld en na de dood je voortdurend in staat stelt om verder te gaan.

U weet, het leven is eigenlijk zeer vervlochten. Het begint over het algemeen met een enkele daad, die je stelt haast zonder er bij na te denken. Een onbelangrijk iets misschien. Je helpt een vriend aan wat geld, je bent beleefd tegen iemand, die dat eigenlijk niet verwacht. Het lijkt zo onbelangrijk. Maar zo’n daad verandert de instelling van die mens. Die vriend kan met dat geld iets doen, wat voor hem belangrijk is. Het schept voor hem misschien vreugde, het geeft inhoud aan zijn leven, het stelt hem in staat om anderen iets te geven. En die anderen werken met die gaven weer verder. Of die beleefdheid heeft net die mens een ogenblik wat meer vertrouwen doen krijgen in de mensheid, waardoor hij menselijk kan handelen, waardoor hij als mens weer vele anderen kan beïnvloeden. Een enkele daad op een enkele plaats gesteld kan soms op de duur (zeker na een lange tijd) aan alle mensen op de wereld iets veranderd hebben. En wanneer dat nu ten goede is geweest, wat heb je dan een onnoemelijke rijkdom. Voor jezelf maar ook in die wereld, wanneer je dood gaat en je bent bang, dat je niet genoeg hebt gedaan, dan geloof ik eigenlijk dat je aanvoelt, dat je niet voldoende rijkdommen vergaard hebt op deze wereld.

Die rijkdommenkwestie is ook weer zo iets typisch. Jezus zelf bv. leert ons; “Geef de keizer, wat van de keizer is en aan God, wat van God is.” Maar aan de andere kant valt ons ook weer op, dat hij bv. niet tegen de duivel zegt: “Ga heen van mij, Satan, retro vade, Satanas.” maar dat hij zegt: “Ga achter mij, Satan.” Typisch verschijnsel. Geen ontkennen van het kwaad, geen poging om alles weg te cijferen, geen poging om te zeggen: “Nu is er maar één kracht.” (Om een soort theocratie misschien te maken van de hele wereld.) Het is alleen maar een poging om in die wereld alle dingen in hun juiste waarde, hun juiste verhouding, hun juiste betekenis te zien. Wanneer je die juiste betekenis in de hele inhoud van je leven kunt verwerken, krijg je vanzelf die ene en zeer belangrijke inhoud, die de dood maakt tot een overwinning, tot een ingaan in een nieuwe wereld. Sterven kan een herboren worden zijn, maar het kan dit alleen, wanneer we werkelijk in staat zijn om gelijktijdig in de wereld te blijven leven. Sterven is niet het overgaan naar een andere wereld maar het leven in een nieuwe wereld op het kapitaal van je vroegere wereld en met bindingen met die vroegere wereld.

Adieu de Cevata  geeft ons hiervan in een van zijn leringen wel een zeer typisch beeld. De rechtvaardigheid van de mens is niet de rechtvaardigheid der goden. Doch slechts de rechtvaardigheid der goden en niet de rechtvaardigheid van de mens is zonder einde. Laat ons niet rechtvaardig zijn doch ondergaan In de rechtvaardigheid van de goden. Zo zullen wij onszelf vergeten en gewinnen dat, wat de goden behoort.” (waarmee dus wordt bedoeld; onsterfelijkheid, oneindigheid.) En wat verder vertelt hij: “Zelfs de goden offeren om te verkrijgen. Doch hun offer is hun een vreugde, omdat het een daad is. Laat alle offer een daad zijn.”

Een levensbeschouwing, die voor velen in het westen misschien wat vreemd aandoet, omdat in het westen offer altijd weer onthouding wordt en dan meestal nog onthouding met een klein beetje zelfbedrog. U weet, op het ogenblik is het voor de Roomse kerk vasten. En dan mogen ze niet te veel eten. En ze mogen geen vlees eten. Nu gaat men op de volgende manier te werk. Dan zegt mens “Ik werk te hard om werkelijk te vasten, Dat kan ik dus niet doen. Dan zal ik geen vlees eten, want ik houd toch veel van vis.” Dit is de typische wijze, waarop de mens de meeste problemen van onthouding, van rechtvaardigheid e.d. benadert. De mens zegt niet: “God oordeelt, dus heb ik niet te oordelen.” Neen, hij zegt; “Ik oordeel en God zal mijn oordeel bevestigen.” De mens zegt niet: “Zoals het mij gaat is het goed, mits ikzelf kan blijven streven.” Maar hij zegt: “Hoe minder ik behoef te doen en hoe meer God voor mij doet, hoe beter het is. Maar als God niet doet wat ik wil, deugt God niet.”

Begrijpt u wat een eigenaardige tegenstellingen hier zitten? Zeker, we hebben het over de dood, niet over het leven. Maar die dood is uiteindelijk de uitkomst van het leven. Niet alleen in zijn, wegvallen van de stoffelijke vorm, maar in al wat er in die dood verder aan leven en aan wezen begrepen is. Hoe kun je rustig sterven, zoals het heet, wanneer je niet één bent met je wereld? Hoe kun je rustig sterven, wanneer je je alleen maar hebt vastgehouden aan de menselijke regels en verder niets?

In het boek Dood – een zeer geheimzinnig geschrift overigens – vinden we ook enkele zinsneden. En een daarvan is deze: “De dodenwereld weerkaatst de mensenwereld, doch niet de mensengedachten.” Uw wereld is voor een groot gedeelte – dat hebt u duizend keer gehoord – een wereld in uw ogen. U ziet niet de werkelijkheid, u ziet wat u wilt zien. En veel van wat u niet wilt zien gaat eenvoudig aan u voorbij. U merkt het niet eens. U hebt over uzelf een bepaald beeld en we zullen lang niet altijd zeggen, dat dat beeld juist is. Er zijn mensen, die ware tirannen zijn en bovendien nog gierig op de koop toe, en die zichzelf zien als buitengewoon rechtvaardige, loyale en royale mensen, die niets anders doen dan anderen geven, schenken en dienen, terwijl ze in feite de grootste egoïsten zijn. Kijk, deze illusie wordt natuurlijk niet weerspiegeld. De werkelijkheid van de stoffelijke wereld wordt weerspiegeld in de geest. Wanneer dat het geval is en de dood ons dus de openbaring is van de werkelijke betekenis van het leven, dan hebben wij geen reden om bang te zijn voor die dood, tenzij wij de conclusie hebben getrokken, dat wij in het leven allesbehalve goed hebben gedaan.

En zo komen wij van de dood tot het leven. Die dingen liggen vlak naast elkaar net als ijzel, winter en mist en sommige eerste lentedagen. De conclusies, die je gaat trekken, zijn misschien voor sommigen wat moeilijk, dat geef ik graag toe. Maar toch….mijn conclusie:

Wanneer je leeft, is het niet belangrijk wat je doet en hoe je het doet. Het is belangrijk, hoezeer je in de wereld je eigen wezen kunt uitdrukken. Het is voor ons allemaal noodzakelijk om een intens deel van het leven te zijn. Een mens, die zich buiten het leven stelt, is er slechter aan toe ook al lijkt hij misschien veel beter dan de grootste misdadiger en de grootste zondaar. Leven is een noodzaak. Maar dat leven kunnen wij alleen inhoud geven, wanneer wij alles wat in ons bestaat zo goed onze geheime dromen als onze verwerkelijkbare dromen projecteren in de wereld. Wanneer wij onze ideeën zo goed mogelijk voor onszelf tot werkelijkheid proberen te maken. Wanneer wij vooral – en dat is misschien het meest belangrijke – nooit de zaken half afgemaakt laten liggen. Want datgene, wat wij half hebben gedaan, is de onvrede, die de pijn van de dood uitmaakt, de zorg van de eerste tijd in het hiernamaals en vaak de behoefte tot reïncarnatie in een latere fase.

Mijn tweede conclusie is misschien nog veel vreemder. Je leeft nu wel in een wereld, die voor jou werkelijk is. Maar er zijn heel veel werelden, die samenvloeien in één punt. Deze wereld, waarin u op dit ogenblik bestaat, is deel van bijna 10.000 andere werelden. Zij is micro-kosmos voor de ene wereld en macro-kosmos voor de andere. Er is een ongewone grote opstapeling niet alleen in mogelijkheden van het heelal maar ook in de verschillende wereldbeelden (of zo u wilt heelallen), die elkaar kruisen. In een wereld, waar je macro-kosmos bent, ben je als mens meer dan bv. een ster voor haar planeten. Je bent a.h.w. de essence van een groot deel van een dergelijke wereld. De kleinste gedachte, de kleinste handeling is scheppend. Aan de andere kant leef je ook weer in werelden, waarvoor je micro-kosmos bent. Daarin hebben je daden niets te betekenen, maar word je weer geregeerd door de wetten en handelingen van die grotere wereld. Die verhouding loopt ten slotte in een cirkel.

Dat wil zeggen, dat er een ogenblik komt waar relativiteit tussen macro en microwerelden wegvalt en daarvoor komt een gelijkheid van werelden. Als u dit nu kunt beseffen, dan zullen u de volgende punten duidelijk zijn;

Leven in een stoffelijke wereld betekent enerzijds scheppend zijn voor hele volkeren. Niet alleen met de grootse gebaren, die u zo graag maakt, maar ook met de kleinste gedachte. Met die gedachte van: “Ik wou dat het me beter ging.” Die doet niets. Maar die gedachte van haat, die gedachte van genegenheid, die gedachte van absolute afkeer en verwerping, van onvoorwaardelijk aanvaarden, die is scheppend. Die bepaalt a.h.w., of er in vele kleine werelden nu oorlog of vrede zal zijn. Het betekent, dat 10.000 individuen aan rampen onderhevig zullen zijn, dan wel leven in een 1000-jarig vrederijk. U gaat heen zo dadelijk in deze wereld en een ander neemt dit leven over. Een ander regeert die volkeren verder. Zoals wij van de wereld immers ook zeggen: Het ene tijdperk is ten einde en er komt een ander tijdperk met een nieuwe heerser. De kleine gedachten kunnen vernietigende oorlogen zijn. Misschien is uw hele wereldoorlog niets anders geweest dan een enkele woedeaanval, een enkele haatgedachte van een meester van uw tijd. Die dingen zijn dus belangrijk. Die intentie, die instelling, waarmee je die wereld benadert, die is zo belangrijk, dat je je er geen voorstelling meer van kunt maken; tenzij je kunt begrijpen, dat je in jezelf het lot draagt niet van één aarde, maar misschien van duizend dergelijke werelden. Klein, zeker. Zo klein, dat ze voor u misschien een proton zijn, dat ergens onzichtbaar wervelt in een atoompje. Maar een wereld met wezens, die denken en reageren als u.

En aan de andere kant de onbelangrijkheid van uw wezen tegenover die grote wereld. Per slot van rekening, wanneer u zit te kijken naar de mieren en die zijn t.o.v. u nog veel groter dan u bent t.o.v. de boven u liggende krachten interesseert het u dan werkelijk veel, of ze dit paadje lopen of dat paadje lopen? Helemaal niet, nietwaar? Wanneer ze maar afblijven van hetgeen het uwe is. Goed. Dat impliceert, dat heel veel van wat u zo belangrijk vindt in gedrag, in methode van doen, van handelen, van denken, van laten we zeggen datgene wat niet van binnenuit geboren wordt naar uiterlijk is, niet dat waard is, geen cent, geen jota. Op het ogenblik, dat u klaar bent om dit stoffelijk lichaam prijs te geven, over te gaan naar een geestelijke wereld, een andere wereld, beseft u daar iets van. Dan voelt u wat u nu eigenlijk gedaan hebt. Of u misschien met uw innerlijke ideeën van “dit is de enig juiste weg” en “dat is de enige rechtvaardigheid” daar dictatoriale staten hebt opgebouwd in een kleine wereld, waar wezens die toch ook als mens kunnen worden beschouwd, zij het in het zeer kleine een dood en kleurloos leven geleefd hebben.

Maar zoals de mensen bidden tot God, zoals de stemmen van de wereld omhoog klinken tot ergens in die gebieden van de grotere wereld, waarvan de uwe een klein deel is, zo spreken die kleine werelden ook tot u. En wanneer je dan langzaam maar zeker die banden loslaat van absolute beheersing, wanneer je je geestelijk begint vrij te maken meestal reeds voor je het lichaam verlaten hebt van dit bestaantje, van dit wereldje, wat dan? Dan spreken die gedachten ineens. En dan zijn dit heel vaak de demonen, die je achtervolgen. Dan is dit de dreiging, die je vloekend en schuimbekkend ten slotte in worsteling de dood doet aanvaarden. Maar het kan ook zijn die zachte melodie, dat zachte licht, die weg waarlangs al je geliefden weer tot je kunnen komen, die je doet overgaan in een glimlach, alsof het een eerste bal is of een eerste lentedag, als je na een lange beslotenheid in huis weer eens naar buiten kunt gaan, met die echte vreugdige aanvaarding, dat idee; Ja, dit is goed! Het zal duidelijk zijn, dat begeerten en vrezen in die verhoudingen tussen werelden een rol spelen. O, ik weet het wel, wat ik zeg is fantastisch. Maar zo fantastisch is het niet, of het is waar. Er zijn nog heel wat meer dingen waar, die u onwaarschijnlijk lijken. En ongetwijfeld zal de mensheid nog heel wat duizenden jaren verder moeten gaan zonder wereldvernietiging, wil ze de eerste beginselen hiervan leren. Maar zoals ik u zeg, deze dingen zijn waar. Ze hebben inhoud, ze hebben betekenis. Het hele Al is bezield. En deze bezieling neemt vormen aan, die u zich op het ogenblik moeilijk kunt realiseren.

Op het ogenblik dat u vreest, komt er haat tot stand. Wanneer je bang bent, is er een haat. Die haat betekent een oorlog. Een voorbeeld. Maar zo’n oorlog kan ook voor uzelf gedeeltelijk een vernietiging betekenen. Waar komt plotseling uw maagkwaal vandaan? Of die eeuwige hoofdpijn? Enz. Wanneer u daarentegen dus begeert brengt u een soort dictatoriale dwang op alles wat in en rond u bestaat, op alles waarop u geestelijk invloed hebt. U gaat alleen maar af op de bevrediging van een punt. Naarmate dat begeren eenzijdiger en sterker is, betekent het ook dat uw werelden, uw heelal minder mogelijkheden heeft. Er is in die kleine wereld zowel als in uw wereld een vrije wil, die beperkt is door de mogelijkheden. En denkt u nu even na; schuld, die u op u laadt door de niet noodzakelijke verhoudingen, die u buiten u schept, dat zijn de dingen, die een overgang moeilijk maken.

Nu heb ik niet veel meer te zeggen.

Per slot van rekening ik moet hier opspreken tegen al die jeugdige stemmen, die buiten spreken van lente en mooi weer, van plezier in het leven wil ik alleen deze opmerking maken: Op het ogenblik, dat je het, leven werkelijk aanvaardt, aanvaard je ook werkelijk de dood. Op het ogenblik, dat je evenwicht vindt in jezelf, is dit evenwicht onverstoorbaar en gaat verder over vele sferen en vele werelden. Op het ogenblik, dat je waarlijk leeft, is er geen dood meer, omdat de continuïteit van je wezen in elke nieuwe verhouding en functie, waarin je zult ontstaan of dat nu sfeer a, b, of c is je dezelfde zal doen zijn, dezelfde in overeenstemming met de grote Kracht, waaruit jij op jouw beurt die krachten in je wezen hebt geput.

Nu hoop ik, dat u het niet onsamenhangend vindt, want ik zou toch wel graag, willen, dat u er eens over nadacht. Het zijn denkbeelden, die een beetje buiten het gebruikelijke liggen, dat geef ik graag toe. Het zijn feiten, waarover we op de wereld niet te veel durven spreken, uit angst dat men ons voor gek verklaart. Ook dat geef ik graag toe. Aan de andere kant, u hebt nu al een hele tijd hier gestudeerd; degenen die niet ver genoeg in deze dingen kunnen doordringen, nu ja, laten die ons dan maar dwaas noemen en laten die het maar verwerpen. Maar degenen die ons lang genoeg kennen en die begrijpen, dat we inhoud willen geven aan de dingen, dat we de waarheid willen openbaren van een schakelend heelal, nu ja, goed, die kunnen hierin misschien toch iets vinden, dat hun een verklaring is voor heel veel van hun eigen dromen en hun eigen gedachten, want de mens in zijn dromen is wel eens als God in den beginne; hij wandelt met zijn schepselen.

o-o-o-o-o

Wanneer wij het eerste onderwerp hebben gehoord, zult u waarschijnlijk denken; “Ach, dat zijn allemaal zulke raadselachtige dingen, daar moet ik mij niet te veel mee vermoeien. We zullen dat eerst eens ondergaan.” Wanneer echter een commentaar gegeven moet worden, dan kan ik dat vandaag misschien op mijn manier doen. Ik wil hierbij de nadruk leggen op de feitelijke betekenis en inhoud van het menselijk denken.

Elke gedachte die van u naar voren komt, elke realisatie die in u plaatsvindt, bouwt mee aan een wereld. U heeft misschien wel gezien, hoe een kunstenaar een groot mozaïek samenstelt. Hij zoekt nauwkeurig naar zijn stukjes steen en glas, hij corrigeert misschien een vorm, om zo ten slotte in de zachte specie te drukken en zo een beeld te maken.

Wanneer u leeft, hebt u duizenden ideeën en gedachten. Ze zijn a.h.w. de schatkist van de kunstenaar, waaruit hij hier zijn stukje robijnglas, daar een smaragd stukje tegel en daar weer een wit stukje albast neemt. Hij heeft alles klaarliggen. In u zijn alle mogelijkheden tot conceptie, tot concipiëren aanwezig. Uw gedachteleven is volkomen vervuld van alle mogelijkheden. Wat mogelijk is op het ogenblik van geboorte, blijft mogelijk tot het ogenblik van overgang. Er is geen uitbreiding van uw vermogen tot concipiëren, geen uitbreiding van uw vermogen tot denken. Er is alleen een uitbreiding van uw vermogen de in u liggende feitelijke werkelijkheden meer bewust te verwerken. En zoals de kunstenaar eerst zoekt tussen al zijn verschillende delen naar het stukje, dat past in het concept van zijn mozaïek, zo zult u zoeken in de vele mogelijkheden, die uw wezen heeft, naar de voor u belangrijke kleine dingen, die in deze wereld het leven een beetje levenswaard maken.

Dan denkt u misschien: Ah, c’est comme ça, het is nu eenmaal zo. Ach, ik zou dit stukje robijnglas zo mooi vinden. En dan spreekt u van de grote liefde of u spreekt misschien van de grote taak. U spreekt van die ene zaak, die alles overtreft, U hebt het uitgezocht. En u maakt zich daar een droombeeld van een idee. Maar past het in uw werkelijkheid? Misschien dat de kunstenaar, zoekende onder zijn schatten, daar een kostelijke diamant vindt. Dat hij zegt: “Het licht van deze steen, ah, c’est formidable, dit is prachtig, dit is overweldigend. Dit is voor mij een schat van liefde.” Maar dan kijkt hij naar zijn stuk en hij zegt; “Ik kan het niet gebruiken.” Wat doet hij dan?  Hij gooit het weg. En waarom ook niet? Wat is het beste en meest briljante denkbeeld, wat is de meest ideale droom, wanneer hij niet past in het mozaïek van uw werkelijkheid? Uw leven is opgebouwd uit allerhande kleine ideeën, uit allerhande kleine gedachten en daden. Maar overal is eerst het concept geweest. Eerst is de gedachte. Uit de gedachte komt de daad voort. De gedachte kan bewust zijn en ze kan onderbewust zijn, maar de gedachte is altijd daar.

Als u daarover begint te denken, geeft u onmiddellijk toe; Een mens moet praktisch zijn, desnoods een heel klein beetje geestelijk bourgeois. Niet zover naar boven grijpen. Niet zoeken in het hemelrijk een droom te realiseren, die hier op aarde niet mogelijk is. Grijp uit alles wat je hebt, uit je geestelijke inhoud, uit je stoffelijke ervaring, uit de gevoelens van je hart, van je maag en van je hoofd datgene, wat je nodig hebt op het ogenblik. Want je leven moet harmonisch zijn.

Als een scheppend kunstenaar creëert elke mens voor zich een leven. Een leven met licht en met schaduw. Een leven, waaruit misschien soms een wat abstracte vorm licht of het volgend ogenblik een madonna wordt gecreëerd. Een beeld van God of van een mens. De een creëert fabrieken, grote machinehallen, machines. De ander een oceaan met schepen, leder voor zich. Wat u wilt scheppen in het leven is uw eigen zaak. Er is niemand, die u zegt: Denk eraan, in dit leven moogt u alleen maken een precies beeld van deze God of van dit deel van de wereld. L’homme est libre, de mens is vrij. Er is niemand, die u zegt dat ge niet op straat moogt lopen en glimlachen, omdat de wereld mooi is. Er is niemand, die zegt dat het verboden is met een lang gezicht te lopen, omdat de wereld zo zondig is. C’est a vous. Het is uw eigen werk. En wanneer een ander daarvan iets zegt? Dat gaat hem niet aan. U maakt uw eigen mozaïek, bouwt uw eigen wereld. Maar altijd weer; Neem de gedachte, die logisch is, die praktisch is, die u gebruiken kunt op dit moment.

Wat heeft een mens eraan, wanneer hij met al zijn mooie dromen ten slotte niets presteert, niets tot stand brengt in de wereld? Wat hebt u eraan, wanneer u droomt van die grote zaken of van een grote-kunstenaar zijn, dat scheppen van de kunstenaar en het blijft een droom? Wat blijft er anders dan de onbevredigdheid en de leegte? Een mens, die alleen maar droomt, die gaat het als een bedelaar. Die staat voor een groot restaurant en ziet hoe daar de kostbare wijn wordt uitgeschonken en hoe daar de kip rotie aan het spit wordt gedraaid. Hij ziet daar hoe de beste spijzen op tafel komen. Hij staat daar en hij denkt: “Als ik daar zat.” Als hij weggaat, heeft hij alleen een grote honger. Meer niet.

Zo gaat het met u, wanneer u leeft in illusies. Een illusie is absoluut verkeerd. Een illusie heeft alleen zin, wanneer het tot werkelijkheid gemaakt kan worden. De droom van de mens heeft alleen enige betekenis in zijn leven geestelijk zowel als stoffelijk wanneer hij hem kan concretiseren. Een droom, die je tot werkelijkheid maakt, is een droom, die in het mozaïek van het leven past. Het geeft inhoud eraan, geeft vorm eraan. Maar als u alleen maar droomt uw vlak van leven blijft leeg. Er is niets te zien, helemaal niets. Dan zijn er de dromen, die u alleen de grote honger laten, de honger van het hart, le faim du coeur. En je hebt verder niets.

Bedenk wel, een illustratie te geven van al wat u werkelijk zoekt, van wat leven en wat dood is, is zo moeilijk. Maar u kunt een poging wagen om het u te realiseren, wanneer u zegt; “Voor mijn leven en mijn dood geldt alleen wat ik heb klaargemaakt.” Misschien dat u vandaag te veel hebt willen doen. U bent begonnen met een veel te groot mozaïek, U bent maar tot de helft gekomen. De kunstenaar gaat ook ‘s avonds naar huis. Wat zou anders zijn vrouw ervan zeggen, wanneer hij zou zeggen; “Ik blijf dag en nacht doorwerken tot het klaar is?” Dat kan zelfs een kunstenaar niet doen, als hij gehuwd is. Alors, u gaat ook naar huis, u gaat naar de wereld van de geest, u moet een ogenblik vrij zijn van uw beslommeringen hier op deze wereld en u komt terug en u werkt verder tot het klaar is. Het mozaïek wordt afgemaakt, het komt in orde. Dan komt er een grote exposition en zegt men: Ah, dat is een kunstenaar van leven. Die heeft uit de koninklijke, de meesterlijke levenskunst voor zich een beeld gemaakt, waardoor hij de goddelijke waarheid kon weergeven van uit zijn standpunt. Maar als u niets maakt, komt u niet verder. Laten we het zo zeggen; Het leven van de geest, het leven van de mens, de dood, de geboorte, alles tezamen behoort eigenlijk in een onderwerp; De kunst om te leven. Leven met een zekere vreugde. De mens is niet geschapen om alleen te wenen. U moet leven met een zekere intensiteit. De mens is niet geschapen om zich alleen maar te laten drijven op de stroom van gebeurtenissen. Gaat u kijken naar de rivieren. Het enige wat er op drijft, weet u wat dat is? Afval, vuil, Wat zich op de levensstroom laat drijven is geestelijk ook niet veel beter. Maar wie zich werkelijk, mijne vrienden, beweegt in die levensstroom met een bewust doel, die is goddelijk, die is uit God geboren.

Ge zult zeggen; “Ach, wat is dan deze kunst van leven?” De kunst van leven is dit; Wanneer je door het leven gaat,  moet je begrijpen. Per slot van rekening, wanneer ik een mens door het leven zie gaan, denk ik heel vaak aan de boulevardiers. Die kent u hier in Holland misschien niet zo. Maar het zijn van die mannen, die zien een aardig meisje gaan, ze kijken even en ze weten precies; dat is de soort. Ze nemen een wijnkaart, ze proeven de wijn al, als ze lezen en ze weten: Dit jaar is goed, dat jaar is helemaal niet goed. Dit is een jonge wijn, die kan ik drinken, en die is billijk voor de prijs. Dat is een wijn, die heel duur is, maar die niet deugt. Zij komen en zij zien tien restaurants, tien eethuizen. Zij kijken alleen, ze kiezen niet de mooiste. Ze zien….a.h.w…dat is waarschijnlijk het beste restaurant. En zij hebben gelijk. Het zijn mensen, die van het leven afweten.

Nu wil ik niet zeggen, dat u als een boulevardier zo door het leven moet wandelen. U hebt ook uw werk, uw arbeid, u hebt de grote plicht, de werkzaamheid van leven. Leven op zichzelf is een groot werk. Maar je moet een klein beetje kennis hebben. Je moet een klein beetje onderscheid kennen. Je moet weten aan te voelen: Ah, dat is mogelijk; ça c’est impossible, dat is niet mogelijk, dat past niet voor mij.

Dan moet je ten tweede weten: Is het de moeite waard wat ik nastreef? Je streven zelf moet je weten te waarderen. Een boulevardier? Als het een mooie vrouw is, wil hij wel een stukje meelopen, maar meestal bedenkt hij zich. Hij is niet een beroepscharmeur, hij heeft zijn eigen dingen, zijn eigen huis, zijn eigen vrouw. Zo gaat het ook u. U moogt in het leven alle dingen wel bezien en niemand zal u kwalijk nemen, wanneer u van sommige dingen, die u niet kent, wilt weten wat zij waard zijn. Maar u hebt een eigen doel, een eigen inhoud. En met uw kennis van het leven moet u die inhoud verwerkelijken.

En nu is één ding zeker. Ze zeggen altijd: De beste mens is een individualist. De mens, die van uit zijn persoonlijkheid leeft. Wanneer u leeft en u maakt uw eigen leven, u leeft uw eigen persoonlijkheid uit, dan creëert u van uit uw bewustzijn van leven voor u een band met de oneindigheid. U maakt uit wat de betekenis is voor u.

Dan gaat u kijken in Paris. Paris wanneer de zomer komt. Een Parisien. Hij gaat naar buiten en zegt: “Deze stad past mij niet met de warmte.” Hij zoekt de stad van de lichte, de vroege avond. Men komt uit de vreemde, de etranger, uit de provence, de provincies, uit alle districten, uit Holland, Duitsland, overal naar Paris in de zomer. Men zegt; Paris in de zomer is schoon. Waarom? Simplement, heel eenvoudig, omdat een Parisien leeft in Paris. Hij heeft een nieuwe indruk nodig, maar hij leeft met zijn stad. De man, die vanbuiten komt, zoekt het wonder daarin. Maar hij moet ook weer gaan en zal zijn wonder ten minste alleen in eigen herinnering dragen.

Wanneer u leeft, bent u zo’n Parisien. U leeft in uw stad, het leven. U gaat naar buiten toe in de wereld van droom om een ogenblik de kracht te vinden verder te gaan. Maar u moet rekening houden met uw stad, uw leven, met de inhoud van de dingen. En dit leven houdt alles in; een taxichauffeur, die een botsing maakt. Het houdt in: een verbod om te parkeren. Het houdt in; een theater, dat te duur is om binnen te gaan; en een appartement, dat je ook niet betalen kunt. Het is alles, c’est la vie, tout. Maar in het leven zijn het andere dingen. Deze waarden moet je kunnen waarderen. En zo goed als iedereen in de stad gelukkig kan zijn, zo kunt u in uw leven gelukkig zijn, wanneer u zich afstelt op uw leven. Wanneer u leert kennen wat in dat leven is. Wanneer u leert gebruiken wat dat leven u geeft.

Ik praat te veel. Maar laat mij proberen u dat nog een keer te vertellen. Levenskunst is niet alleen de kunst van leven op aarde op een aangename manier. Het is de kunst om zo te leven, dat er geen dood meer bestaat. En dat kun je bereiken, wanneer je uit alle wereld de kennis weet te puren, nodig voor jou om goed te leven. Wanneer je de daden stelt, waardoor je zonder conflict met jezelf met de grotere krachten in het leven verder kunt gaan. Hoe beter je leert om te leven, hoe meer je weet wat je eigen mogelijkheden zijn. Hoe meer je deze eigen persoonlijkheid weet toe te  passen in alle dingen, hoe meer formidable eigenlijk voor je oprijst het grote bouwwerk van oneindigheid. En hoe minder je denkt aan de kleine scheiding, die dood heet, hoe minder de onbelangrijkheid van ziekte en leed en dood en oorlog je wat zeggen; en hoe meer je vindt de onsterfelijkheid van eigen wezen en de krachten, die erin zijn, Laat ik het dan zeggen volgens onze manier; De ware kunst van het leven is het leven lief te hebben zonder te veel verliefd te zijn op jezelf.

Dat, mijne vrienden, is voor mij mijn kleine illustratie. Misschien vindt u het goed, misschien niet. Dat zegt weinig. Ik heb mijn best gedaan. Aan u om te oordelen, of het voor u wat betekenen kan.

0-0-0-0-0-0-0-0

LEVEND HOUT

Dat brengt bij mij zo het idee naar voren van iets, wat Jezus in de mond wordt gelegd. “Wanneer ze zo reeds handelen met het groene hout, wat zal er dan met het dorre hout gebeuren?” En daarmede bedoelde hij dit; Wanneer degenen, die geestelijk intens zijn en leven en werkelijk zijn eigenlijk, aan het kruis worden geslagen, wat moet er dan niet gebeuren met degenen, die geestelijk eigenlijk dood zijn. En dan zitten wij midden in het onderwerp, dat de twee vorige sprekers op hun manier hebben behandeld. Misschien hebt u het zo bedoeld. En anders kan ik er toch heus niets aan doen.

Levend hout puurt eigenlijk zijn leven uit de aarde. Wanneer er zo dagen als deze komen, begint er in de bomen iets te ontwaken. Dan jaagt het sap in een nieuwe drift naar boven toe, dan zwellen de knoppen, dan barst het eerste blad misschien al uit en een enkele bloem vergeet, dat er nog koude dagen komen en werkt zich in een licht gewaad reeds naar boven om te zeggen: “Hier is zon, hier is lente.” Kijk, dat kan alleen bij levend hout. Hout, dat dood is, zie je soms zitten in de bomen als een vaan van somberheid. En wanneer alles blad is geworden, dan blijft nog zo’n tak kaal, want er pulseert niets meer in, er leeft niets meer in. Levend hout is hout, waarin de krachten stuwen en pulseren, waardoor het als uit zichzelf geboren nieuwe dingen kan voortbrengen, een vreugdekanaal kan zijn in de wereld, een baken van lente, enz. enz.

Dan zijn er heel veel mensen, die ook levend hout zijn. Mensen, die evenals de boom verbonden zijn met die geheimzinnige kracht van materie en van geest, waaruit zij steeds weer de nieuwe gedachte, de nieuwe idee, de nieuwe daden halen. Een stroom, die door hen heen vloeit zonder einde; die hen steeds weer doet trachten om verder te gaan, nieuw te bouwen, schonere, betere ideeën te brengen en hun daad te stellen in overeenstemming daarmee.

En je hebt het dode hout. De mensen, die in een voortdurende zelfrechtvaardiging zonder een idee van vernieuwing verders jokken door het leven, veroordelend alles wat vernieuwing kan zijn en alles wat beweging betekent.

Dood hout, wat doe je ermee? Je gooit het op de brandstapel, niet waar? Zo zullen degenen, die dood hout zijn onder de mensenzielen, in deze zin misschien een soort hel kennen: de duistere eentonigheid, waar in elke gedachte en elke vastgeroeste gewoonte op de duur wordt tot een vuur, dat je gaat verteren, omdat het niet meer uit te houden is.

Maar wat leeft, het levende hout, ach, dat put uit de aarde en dat streeft naar de hemel. Dat groeit verder en verder, totdat het op een gegeven ogenblik misschien zoals de machtige toppen van de sequoia de aarde vereent met de wolken. En daarop zou ik dan dit slotwoord willen baseren. Ik heb geprobeerd u een klein beeld te geven, een klein idee. En nu?

Levend hout

Sombere zwarte vormen tegen de jagende grijze luchten, vluchtende witte vlokken als een lijkwa op de aard, dat is de winter, maar het leven bleef in het hout toch wel bewaard.

Nauw heeft de zon wat warmt gegeven of de drift, de kracht ontstaat, die in ‘t hout als kloppend leven alle sappen stuwen laat. Nauw is d’ eerste warmt gekomen of ontplooit zich knoppenpracht en wordt uit het hout zo leven, bloesem, blad naar voor gebracht. Vrucht wordt uit het hout gedreven. Vrucht, die van het leven geeft daar, waar nu nog slechts ligt aarde en geen leven levend streeft.

Mensheid, stam van levensboom, die tot de hemel rijken moet, in u leeft als levend hout het stuwend bloed, dat met gedachten en met krachten al te samen u voort doet gaan om te zoeken nieuwe wegen, beter kennen van ‘t bestaan. En dan wordt u uitgedreven ook de vrucht, uit u gebouwd, van een wereld nieuw beschreven en toch oud reeds en vertrouwd.

Zo maakt ‘t levend hout zijn banden, hemel en oneindigheid samengebonden met de basis, bodem van slechts stof en tijd. In een mens wordt dan herboren ‘t ware leven, ware kracht. En heeft hij door ‘t vele streven uiteindelijk zijn taak volbracht niet dood hout valt dan ter aarde, niet iets wat nu taak volbracht wordt weggeworpen. Neen, een edelsteen van ongekende waarde, opgenomen door een vreemde wolkenpracht en tot in de kern van ‘t zonneleven, de bron van al ’t bestaan gebracht.

Levend hout wil leven geven. Levend hout is levenskracht. ‘t Brengt uit zich tot wondere uiting schier een grote scheppingsmacht en ook eigen stil begrijpen.

Wanneer ge dan uw leven bouwt, hoed u voor de vaste banden van dogma, van vast denken. Zoek uw weg zo vrij en boud in het licht na het aanvaarden dan zijt gij levend hout en heeft uw leven eeuwige waarde.

Dat is dan het laatste woord. Ik kan er alleen nog dit aan toevoegen: Zoeken naar leven betekent te leven, maar vrezen een dood betekent sterven de dood. Aanvaarden krachten betekent; verwinnen; aanvaarden de angsten; steeds grotere nood.

Zoek voor jezelf de wegen te vinden. Vraag niet aan anderen waar je moet gaan. Laat je leiden door God, Die in je kan leven. Laat Hem bepalen je zoeken en streven. Leer kennen jezelf, beheers je bestaan. Dan ben je een stuk van het eeuwige leven, ontheven aan tijdelijkheid en aan waan, uiting van God door Zijn Wezen gegeven.

Want dat is de enige werkelijkheid van het leven: God te verwerkelijken en zo de vreugde van al Zijn leven en al het levende te kennen; maar gelijktijdig door Zijn wil te vervullen en Zijn kracht tot kern van je streven te maken ook Zijn volmaaktheid tot een zo volledig mogelijke uiting brengen.