Overgangsbelevingen

image_pdf

11 maart 1966

Bij het begin van deze bijeenkomst wil ik u er op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn.  Wij bespreken op deze bijeenkomst: Overgangsbelevingen.

De overgang, een bekende term voor wat men op aarde ook wel de dood noemt, is in feite een voortzetting van het bewustzijn, zonder dat daarbij de normale begrenzingen van een menselijke realiteit daarbij nog verder ter sprake komen. Naarmate een mens meer gebonden is aan de hem normalerwijze van buitenaf bereikende prikkels, zal deze mens ook minder activiteit vertonen in de eerste periode na de lichamelijke dood. Ik zou u hier een lange reeks van voorvallen kunnen voorschotelen, die, vaak zelfs op wat komische wijze, duidelijk maken, wat er al zo naar voren kan treden na het overlijden. Ik meen echter, dat het beter is met enkele kortere voorbeelden te volstaan en u daarnaast iets meer over de achtergronden van dit alles te vertellen.

Ik wil dan beginnen met een voorbeeld, dat voor ons eindelijk wel ergens een lachertje was.

Iemand overlijdt in een restaurant – hartinfarct – en gaat over zonder dit te bemerken. De persoon in kwestie continueerde dan ook voor eigen bewustzijn de laatst in de stof door hem waargenomen toestand. Hij is dan ook voor eigen denken nog steeds gezeten aan een tafeltje, waarop zich restanten van spijzen en drank bevinden en roept wanhopig op een ober, die niet op komt dagen. Wanneer nu iemand uit de geest tracht met deze juist overgegane persoon contact op te nemen, wordt hij automatisch uitgescholden en aangesproken als een plicht vergetende ober. In menselijke termen gesproken heeft deze toestand rond drie en een half jaar geduurd.

Daarna bleek de geest in kwestie bereid, zonder verdere protesten of pogingen tot afrekenen, de aanwezigheid van anderen te aanvaarden en kon een bewust worden van de feitelijke toestand voortgang vinden.

Misschien vindt u dit verhaal wat zielig, misschien ook vindt u het ergens wel leuk. In ieder geval is met dit historische voorbeeld een reeks van aspecten, die in de overgang voorkomen, wel zeer duidelijk gedemonstreerd. De plotselinge overgang maakte het voor het bewustzijn onmogelijk zich het feit van het sterven te realiseren. Dat, wat na de lichamelijke dood dan voortbestaat, is even onwerkelijk als een droom. Naar eigen denken heeft de persoon in kwestie zich even onwel gevoeld en wil nu normaal verder gaan. Van buitenaf wordt echter geen enkele voor de persoon aanvaardbare prikkel meer waarneembaar. Hij heeft een betrekkelijk traag voorstellingsvermogen, is wat men op aarde wel eens een “realist” noemt en blijft hierdoor de laatste bewust ervaren prikkels repeteren met een uitschakelen van de onaangename impuls die de dood ten gevolge had, maar voor eigen ik slechts een zo kort ogenblik duurde, dat hieraan geen aandacht hoeft te worden geschonken.

Men herhaalt dus voortdurend dezelfde beelden in afwachting van iets nieuws en kan alleen eigen gevoel en houding binnen dit fixe beeld enigszins wijzigen. Dit andere kan echter niet meer op stoffelijke basis en daarmede voor het ik in verschijning treden. Eerst wanneer het ego zich gaat realiseren, dat de toestand in wezen onmogelijk is, kan contact met de buiten het ik bestaande geesten tot stand worden gebracht en beseft, zodat een andere situatie ontstaat. Een ego kan onder deze condities zelf, bv. aan de hand van herinneringsbeelden, een verandering in de situatie injecteren. Het zorgt dus zelf voor de prikkels, die van buitenaf niet meer optreden en kan zo nieuwe situaties stellen.

Hiermede aanvaardt men mentale waarden als werkelijkheid, waardoor een contact met de geestelijke wereld mogelijk wordt, dat in de plaats kan treden van de normale zintuiglijke waarneming op aarde.

Ik stelde u dit voorbeeld dan ook op de eerste plaats, omdat het in vele aspecten voor de meest voorkomende overgangsbelevingen kenmerkend is. De werkelijkheid van degene, die overgaat wordt, na de klinische en feitelijke dood, bepaald door de gevoelens en verwachtingen plus de laatst ontvangen prikkels voor de overgang. Wanneer u op het punt van sterven bent, dit beseft en een hel verwacht, zal het beeld van de hel, dat u zich in deze ogenblikken bewust of onbewust vormde, domineren in de eerste tijd na de overgang en zo uw belevingen bepalen.

Verwacht u een hemel – het doet niet ter zake, of u deze nu wel dan niet verdiend hebt -, dan beleeft u haar in de eerste tijd na de overgang als een werkelijkheid. Al dergelijke  voorstellingen hebben natuurlijk een bezwaar: De beelden zijn menselijk en daardoor onvolmaakt. Er zijn grote hiaten in de voorstellingen en op de duur zullen zelfs voor eigen besef deze hiaten merkbaar worden.

Een meer gepropageerde wijze van overgang – het voorbeeld is eveneens uit de werkelijkheid genomen – is de z.g. overgang met begeleiding. Hieruit zal blijken, dat de begeleiders bij de overgang dus lang niet altijd familieleden zullen zijn, ook al stelt men het graag voor, of dit buiten kijf zou zijn. Wel is, soms voor en in ieder geval tijdens een dergelijke overgang, sprake van een waarneming van iemand – iets – anders dan het eigen ik, waarmede een contact bestaat. De eerste fase van gevoeligheid voor een dergelijk contact kwam in het bedoelde geval, zoals in de meeste gevallen, tot stand kort voor het intreden van de dood. Vaak zal een dergelijk contact dus reeds bestaan, voordat de stervende mens zich in coma bevindt. In dergelijke gevallen komt het vaak tot korte uitingen, die de omstanders als een goddelijke openbaring – of ook wel als wartaal – beschouwen. Het voorbeeld, dat ik geef, heeft betrekking op een vrouw van rond 46 jaar oud. Een van haar kinderen was voor haar overleden. Verder had tijdens het leven en ook daarna voor haar een sterke hechting aan de moeder bestaan. Ongeveer een uur voor het begin van het sterven ontwaakte deze vrouw uit een langdurige toestand van bewusteloosheid. Zij sprak volkomen redelijk tot de aan haar bed aanwezige mensen, maar betrok opeens haar – overleden – moeder in het gesprek. Even later maakte zij tegen de omstanders de opmerking dat haar kind – eveneens reeds jaren overleden – zo sterk gegroeid was. Daarna trad wederom bewusteloosheid in. De doodstrijd duurde nog ongeveer 1 uur, maar was hoofdzakelijk lichamelijk.

Hier hebben wij dus met een andere situatie te maken. Kennelijk is men zich ervan bewust te moeten sterven en “ziet” iets. Deze impressie wordt bepaald door het menselijke denken. Het beeld van de moeder is in dit geval geen reëel beeld, maar een herinneringsbeeld. Het beeld van het kind is een soort herinneringsbeeld, in dit geval door een bewustzijn van de dood van dit kind geëxtrapoleerd tot een ontwikkeling en groei in de tussenliggende jaren. Toch zijn deze beelden geen werkelijkheid. De beleving van de overgang wordt aanmerkelijk vereenvoudigd, doordat bepaalde personen als aanwezig worden ervaren. Hun dood is immers bekend en wordt kennelijk ook nog wel vaag beseft, zodat zij voor het ik aanvaard worden als een stukje van het hiernamaals. Dit houdt in, dat het contact met een deel van de buitenwereld, de wereld van de geest natuurlijk, mogelijk blijft na de overgang. Hierdoor zal de vrouw in kwestie betrekkelijk snel binnen het kader van haar nieuwe toestand gaan leven en prikkels ontvangen. Zij zal dus, zoals men dit noemt, sneller bewust worden. Er is een mogelijkheid tot reageren op de delen van eigen ik, die na de dood blijven voortbestaan, terwijl ook een zich oriënteren in een voor dit ego verwarrend wereldje aanmerkelijk wordt vereenvoudigd door het aanvaarden van delen daarvan als werkelijk.

Was nu de moeder in feite aanwezig? Mogelijk is zoiets wel, maar het is zeer waarschijnlijk dat vaak, zoals in dit geval, een entiteit, die tracht het gedachteleven van degene die overgaat, te benaderen, en door welwillendheid de moeder in herinnering brengt, voor het bewustzijn van de stervende de gestalte van de moeder kreeg. In het gegeven geval was het optreden van het kind geen waarneming van een werkelijke figuur, maar een beeld uit het eigen ik, ontstaan door associatie: Waar voor het ik de moeder in verschijning trad, moest ook het kind aanwezig zijn.

Deze tweede figuur was dus in wezen een aanvulling van de werkelijkheid, zoals wij zo vaak zien in dergelijke gevallen. In dit geval was de gestalte echter bruikbaar als een soort spreekbuis, daar aan het kind geen bijzondere eisen werden gesteld. Iemand, die de vrouw wilde benaderen en dit normaal niet zo gemakkelijk zou kunnen doen, zou de gestalte van het kind tijdelijk als eigen vorm kunnen aanvaarden – zo dus tijdelijk het beeld werkelijke inhoud verschaffende – en er zeker van zijn, dat een goed contact met de vrouw zou ontstaan.

Nu weet u waarschijnlijk ook wel, dat de overgang en alles, wat daarmede in verband staat, voor elke persoon een geheel eigen beleving is, waarin eigen waarden een grote rol spelen. Een van de meest ergerlijke verschijnselen in het menselijke denken is hierbij vanuit ons standpunt, dat de mens de dood krachtens zijn geloof en inzichten zal benaderen als welkom, of met grote angst, maar in beide gevallen geneigd is haar als iets uiteindelijk te beschouwen, als een einde van een persoonlijk leven, groeien en bewust worden. Een soort finale dus. In wezen is de dood dit zeker niet. Zij beëindigt wel bepaalde voor de mens bestaande moeilijkheden, maar de normale denkprocessen gaan, zij het op een wat andere wijze dan in de stof, toch gewoon voort.

Verder zal deze voortzetting van het denken altijd logisch zijn, zodat er nimmer sprake kan zijn van een plotselinge verandering van wezen of gedaante van degene, die overgaat, zo weinig als een besef van opeens gewijzigde structuur onmiddellijk op kan treden. In het gunstigste geval is er sprake van een besef omtrent eigen gewijzigde toestand, waarbij de in het ik liggende waarden sterker zullen gaan spreken door het in de praktijk voorlopig haast geheel ontbreken van voor het ik kenbare prikkels van buitenaf.

Wanneer je niet bang bent voor de dood noch haar begeert, maar haar wel aanvaardt, zal daarom zelfs de vraag steeds rijzen, of men zich van het feit van de overgang wel werkelijk bewust kan zijn. In het eerste door mij gegeven beeld was er geen sprake van angst voor de dood op het ogenblik van sterven, evenmin als een begeren naar de dood aanwezig was. Het bleek, dat hier een realisatie van de dood – of zelfs van de mogelijkheid op deze wijze plotseling te sterven – niet aanwezig was. Het laatste veroorzaakte hier de genoemde moeilijkheden. Zou een dergelijk besef van de dood wel aanwezig zijn geweest, dan zou het proces zich bijna geruisloos hebben voltrokken, daar er voor de geest geen enkele grote en bijzondere spanning bij te pas zou komen. Dan zou het geen overschrijden van een grens betekenen voor degene die sterft, maar eerder een voortschrijden, a.h.w. in een zelfde straat, met als enige wijziging een bezien van het straatbeeld vanuit een andere hoek of het eens kijken naar een nieuwe etalage.  Meer niet.

Overigens kan ook dit wel eens vreemde gevolgen hebben. Wij kennen dan ook vele voorbeelden van mensen, die bepaalde bezigheden op aarde hadden, die voor hen zeer belangrijk waren. Ik kies een tamelijk recent voorbeeld. Iemand is leider in de padvindersbeweging. Deze realiseert zich wel, dat hij gaat sterven en is zich van de overgang bewust. Zijn gedachten echter houden zich ook verder bezig met de padvinderij. Het gevolg was, dat de werkelijke interesse van deze geest op de wereld gericht bleef en zelfs na enige tijd vooral beelden, die met zijn ervaringen in de padvinderij verband hielden, toegang hadden tot zijn bewustzijn. Nu kan zo iemand echter nog niet de feiten op aarde bewust en juist constateren. Daarvoor moet men als geest reeds enigszins ontwikkeld zijn. Er was dan ook een intermissie, waarin een geest met korte broek en fris-vrolijke stem instructies probeerde te geven aan – niet werkelijk bestaande – akela’s, voortrekkers, spoorzoekers enz. Om toch enig contact met de geestelijke werkelijkheid mogelijk te maken en zo ook met de geestelijke wereld een blijvende verbinding te scheppen, mengden zich onder de waanbeelden geïnjecteerde voorstellingen van bepaalde geesten, die zich gedroegen als padvinders, maar gelijktijdig door vragen en opmerkingen een denken over de werkelijkheid van de geest noodzakelijk maakten. Op deze wijze was contact mogelijk. Het is bijna zeker, dat de persoon in kwestie zich, zodra een beter begrip voor de stoffelijke werkelijkheid bereikt wordt, aan het jeugdwerk zal blijven wijden.

Natuurlijk zijn er ook mensen, die geheel bewust overgaan en geen behoefte hebben aan schijnbeelden, om een aanpassing aan hun nieuwe bestaanstoestand te bereiken. Dit komt echter minder voor, dan men misschien zou veronderstellen. Wanneer je echter bij het overgaan wel een denkbeeld hebt omtrent een voortbestaan, maar daarbij geen vaste voorstellingen aan dit voortbestaan pleegt te verbinden, zo zal bij de erkenning “ik sterf” een zich oriënteren optreden. Men baseert zich dan niet op beelden, die in het ik bestaan, maar zal zich in de eerste plaats richten op indrukken, die van buiten het ik optreden. Wel degelijk maakt men zichzelf nog steeds voorstellingen op basis van stoffelijke ervaringen en indrukken, maar het wezen daarvan is ontleend aan werkelijk bestaande krachten buiten het ik. De gehele voorstellingswereld zal in een dergelijk geval een contact met de werkelijkheid, de buitenwereld betekenen, terwijl het afwezig zijn van vooroordelen en vooropgestelde beelden inhoudt dat een aanpassen van de uit het ik stammende voorstelling aan een geestelijke werkelijkheid en sneller en gemakkelijker zal verlopen. Het isolement, dat voor velen optreedt na de overgang en soms zeer lang kan duren, is hier dus niet aanwezig. De actie van het ik zal hierbij niet gebaseerd zijn op wat men in de wereld was, daar belangrijk achtte, of misschien nog voor zijn dood had willen doen, maar een reactie blijven op de werkelijke waarden in de omgeving van het ego. U begrijpt, dat een dergelijke overgang door ons als zeer gunstig wordt gezien. Wij spreken dan ook van een zeer snelle bewustwording. Het voorstellingsleven bereikt al snel een voldoende analogie met de werkelijkheid en voert al snel tot het betrekken van de persoon in de werkelijke waarden en acties van deze geestelijke werkelijkheid.

Ik kan natuurlijk nog vele andere voorbeelden geven, maar het gaat ons toch in de eerste plaats om de achtergronden van dit alles. Wanneer u op aarde leeft, ziet u niet alles, wat er werkelijk gebeurt en ziet u ook niet alles, zoals het werkelijk is of gebeurt. Denk maar eens aan de getuigen, die de kleur van een auto, die is doorgereden na een ongeval, moeten weergeven. De omschrijvingen liepen in een geval, dat ik mij herinner, van roodbruin en grijs tot donkerblauw en zwart. Herinneringen speelden daarbij een rol. Men interpreteerde een te korte waarneming aan de hand van innerlijke beelden, omdat de werkelijke waarneming te kort of te weinig intens was, zover het dit onderdeel betrof. Je kunt verder als man een vrouw mooi vinden, die eenieder lelijk vindt, terwijl je als vrouw in een man een held kunt zien, terwijl hij voor ieder ander een soort “Adamson” is – de naam van een karikaturale stripfiguur Wat voor de ene mens een onesthetisch gezicht is, zal voor de ander een aanleiding zijn tot opwinding en verrukking, enz.  Het aantal voorbeelden, waardoor duidelijk wordt dat zeer persoonlijke waarden bepalend zijn, is legio. Wij moeten dus begrijpen, dat zelfs in het stoffelijk leven het beeld van de wereld geen volledig werkelijk beeld zal zijn. Het is altijd een zeer persoonlijke interpretatie van al hetgeen buiten het ik kan worden geconstateerd. Sommige waarden worden eenvoudig niet geconstateerd of geheel afwijkend van de werkelijkheid geïnterpreteerd. Vandaar, dat een mens zo vaak voor allerlei onaangename verrassingen komt te staan.

Dit proces van interpretatie moet u zich nu eens niet alleen voorstellen als deel van het hersen denken, maar ook als deel en zelfs ergens een kernpunt in het totale bewustzijn. Dan kunnen wij nog eens kort formuleren: Alle bewustzijn volgens mogelijke normen – ook bij de geest, die uit de mens is voortgekomen – is in wezen een persoonlijke interpretatie van een deel van de buiten het ik bestaande waarden. Vaak is deze interpretatie een zeer eenzijdige.

Misschien kunt u zich ook voorstellen, dat de geest een eigen bewustzijn bezit. Ik wil er niet geheel op ingaan, om duidelijk te stellen hoe het in elkander zit. Men zou de basis ervan het best kunnen vergelijken met een reeks elkander kruisende en fluctuerende magnetische velden, waarbij de velddichtheid zowel plaatselijk als onderling verschilt. Hierdoor ontstaat een onderlinge beïnvloeding, die een zeker vast evenwicht heeft en reactie op veelzijdige manier op van buiten indringende soortgelijke velden mogelijk maakt. Maar deze vergelijking is kort en onvolledig. Zou ik hierop verder door willen gaan, dan zou er nog een zeer uitvoerige uitleg bij te pas komen. Het voornaamste is, dat u zich voor kunt stellen, dat zelf een vorm van energie, die in een gesloten keten of gelid optreedt, terwijl zij in zich niet geheel gelijkwaardig is, in zich iets kan bevatten, wat u bewustzijn kunt noemen.

De geest kunt u het beste beschouwen als een vorm van energie, waarin een dergelijk bewustzijn bestaat. De verhoudingen, die dit bewustzijn vormen, worden voor wat wij de lagere voertuigen plegen te noemen – de delen van het ik, die na de dood onmiddellijk gerealiseerd kunnen worden – hoofdzakelijk bepaald door het hersen denken. Door de geest wordt geregistreerd, wat zich in de hersenen ontwikkelt en afspeelt. De gewoonten, die in de hersenen bestaan en de platgetreden denksporen, zullen zich weerkaatsten in de geest.

De waarden, die in de stoffelijke mens onderbewust zijn, zullen in de geest aanwezig zijn als normaal bewustzijn, daar er hier geen onderscheid tussen bewustzijn en onderbewustzijn meer gemaakt kan worden. Voor de geest vormen deze waarden nu eenmaal een geheel, waarin een onderscheid tussen sterk en zwak misschien nog mogelijk is, maar dat als geheel een ondeelbaar en geheel toegankelijk bewustzijn vormt.

Het activeringsproces, dat in de hersenen grotendeels afhankelijk is van inkomende prikkels, bestaat in een energiewereld voortdurend en zonder uiterlijke oorzaken als gevolg van een innerlijke status, die ik verschil in potentiaal zou willen noemen. Er is nu eenmaal in de verschillende delen of velden, die gezamenlijk het geestelijk bewustzijn uitmaken een verschil aan krachtinhoud, welke oorzakelijk is voor een flux, die alle nabijgelegen lagere krachtvelden van het ik beïnvloed en de aard daarvan tijdelijk verandert. Er is dus een voortdurende gang van denken. U kunt zich voorstellen, dat de mens, althans het bewuste denken geheel staakt.

De geest echter kan dit niet. Zij kan haar denken of delen daarvan niet stopzetten. Bij dit denken wordt de geest beïnvloed door het patroon van wat wij haar bewustzijn kunnen noemen en/of door van buiten komende impulsen, die een verstoring van in het Ik bestaande en tijdelijke evenwichten vormen en zo een hergroepering van de veldwaarden, die gezamenlijk het “bewustzijn” vormen, noodzakelijk maken.

Maar misschien vindt u dit alles te ingewikkeld en gaat het u te ver. Is dit niet het geval dan kunt u op dit punt na de pauze nog terug komen. De kern van dit deel van mijn betoog komt neer op het volgende: De geest die overgaat bezit het totaal herinneringsvermogen, dat de mens eens bezeten heeft en beschikt daarbij geheel bewust over waarden, die voor de mens onderbewust of halfbewust bestonden. De laatste impulsen, die in de stoffelijke hersenen bestonden vóór de overgang, zullen als een actie in de geest bestaan tijdens en na de overgang. Zij zijn bepalend voor de “denkprocessen” en daarmede ook de wijze, waarop ik en omgeving door de geest gerealiseerd kunnen worden.

Het beleven van de overgang wordt vaak zeer emotioneel geschetst. Ik meen echter dat de zo ontstane voorstellingen niet geheel juist zijn: de menselijke emoties zijn grotendeels een lichamelijke kwestie, waarbij bv. verhoogde adrenaline afscheiding of andere verstoring van het evenwicht der interne secreties, zenuwspanningen en zelfs spierreacties een rol spelen in aanvulling op de meer zintuiglijk ontvangen prikkels en waarnemingen. Deze dingen bestaan in de geest niet meer. Een emotie, zoals deze in de geest moet worden gezien, is dus zuiver een patroon van denken, dat zo sterk kan worden, dat het tijdelijke alle andere impulsen kan ‘overheersen’ en van buiten komende impulsen, zo zij al optreden, binnen het kader van de heersende emotie of gedachte zal rangschikken met een voorbijgaan aan alle verder daarin bestaande waarden. Wat ons als emoties bij de dood wordt omschreven, is dan ook in wezen niets anders dan een reeks van vaak eenzijdige vaststellingen.

In dit verband wijs ik op de treurige verhalen van mensen, die bv. bij een vliegtuigramp omkomen en na de dood menen nog lange tijd te branden. De mens, die dit hoort, stelt zich dit dan voor als een bestaan in enorme pijn. Maar er is in wezen niets, waarin die pijn nog plaats kan vinden. Er is alleen een denken aan pijn mogelijk, wat meer een angst dan een feitelijke pijn is.

Bij dergelijke soorten van overgang speelt een verstoring van evenwicht in het bewustzijn en denken voor en tijdens de overgang een grote rol. Zij ontstaan door de angst van de mens voor pijn – die in haast elke mens aanwezig is – terwijl werkelijke pijn waarschijnlijk niet of slechts zeer kort en zwak op kan treden. Wat er dan wel gebeurt? Er wordt een zodanige nadruk gelegd op deze angst, dat een soort monomanie ontstaat. Het ik groepeert alle feiten binnen het kader van de angst en de daaraan vaak verbonden onaangename verwachtingen.

Nu kunnen wij zeggen, dat dit verschrikkelijk is, en van pijn blijven spreken. In feite is er sprake van een enorme geestelijke schok.

Wanneer een mens dergelijke gedachten, alleen al als gevolg van een suggestie zou moeten ondergaan, zonder de mogelijkheid na korte tijd de onwerkelijkheid van het geheel vast te stellen, zo zouden wij op aarde moeten spreken van een ernstig psychisch trauma. Dergelijke traumata hebben echter nu geen mogelijkheid om zich, zoals bij de mens op aarde wel het geval is, te spiegelen in de materie. Zij kunnen betrekkelijk snel opgeheven worden, daar geen lichamelijke pijn en suggestie van pijn meer kan bestaan. Wanneer iemand in de waan van branden verkeert en slechts een enkel ogenblik de kringloop van en zich voortdurend herhalend beeld en denken onderbroken ziet, zo zal alle pijn onmiddellijk weg zijn en zelfs alle angst opeens verdwenen zijn.

Een nieuw gedachtepoort kan optreden, waardoor de persoon in kwestie zich a.h.w. van het ene ogenblik op het andere geheel anders kan gaan voelen. Wij kennen soortgelijke werkingen ook reeds voor en tijdens de overgang van de mens. Er zijn mensen, die vloekend worstelen tegen de dood en, zonder dat het bewustzijn teloor gaat, opeens de toestand aanvaarden. De omstanders zien dan, dat de stervende in korte ogenblikken niet alleen stiller, maar ook mooier en rustiger wordt, het is zelfs, alsof zij opeens jonger worden. Misschien heeft u iets dergelijks wel eens geconstateerd. Dit opgeven der strijd impliceert nog niet, dat dergelijke mensen opeens de dood begeren, maar houdt slechts in dat zij een verkrampt en onredelijk, onmogelijk verzet opgeven. Wanneer naast lichamelijke ook geestelijke invloeden bij het gevaar voor overgang een rol spelen, zien wij zelfs, dat bij sommige personen de dood a.h.w. overwonnen wordt. De geestelijke ontspanning, die door de aanvaarding van de toestand ontstaat, maakt het het lichaam mogelijk te rusten en alle krachten voor het behoud van eigen bestaan in te zetten. Wij zien dan vaak een bewusteloosheid of zeer diepe rust optreden, een crisis, waarin het verschil tussen de overgang, en bewusteloosheid tot slaap, alleen nog door deskundigen vast is te stellen, waarin een snel en belangrijk genezingsproces zich vaak nog op tijd kan voltrekken.

Stel dit nu eens als voorbeeld voor de veranderingen, die ook in de geest mogelijk zijn. U zult dan begrijpen, dat alleen reeds een aanvaarden van de toestand, een je niet daartegen verzetten, a.h.w. een ontspanning mogelijk maakt, waardoor het geestelijk buiten het ik bestaande kan worden aanvaard en waargenomen. Een mens, die rustig en zonder verzet sterft, geeft veel meer en sneller tekenen van erkenning van andere en onzichtbare waarden, dan een geest, die overgaat in verzet en paniek. Toch zullen wij bij hen, die de overgang panisch beleven wel eens horen van waarneming van onzichtbare gestalten, ondanks de afsluiting van de geestelijke werkelijkheid, die van de grote angst en eenzijdigheid van reactie het gevolg is. De waargenomen “personen” worden dan vaak als demonen beschreven. Ontleden wij de waarneming echter, dan blijken het voornamelijk schrikgestalten te zijn, die geen enkele onaardse waarde in zich dragen. Het zijn herhalingen van desnoods romanfiguren, op aarde gangbare beschrijvingen en voorstellingen, die in een kerk de mensen worden aangepraat.

Opvallend is dan ook, dat de beschrijving van dergelijke “gestalten” van streek tot streek aanmerkelijk blijkt te verschillen.

Het mechanisme van de overgang is natuurlijk een staken van de levensfuncties, met een voortgang van de gang van het bewustzijn. Nu kunnen wij ons voorstellen, dat iemand zich geestelijk zover bewust is, dat hij in staat is, alles wat in de stof geschiedt a.h.w. vanuit de geest te redigeren. In het extreme geval zien wij dan de z.g. heilige mannen, die in staat zijn zichzelf dood te wensen. Zeg nu niet dat dit niet bestaat. U kunt het mijnentwege zelfsuggestie noemen, die fataal wordt of andere termen gebruiken, om het voor de mens onaanvaardbare meer aanvaardbaar te maken, maar ik verzoek u wel toe te geven, dat deze mogelijkheid bestaat.

Wat gebeurt er nu in dit geval? Wij zien, dat het bewustzijn de overgang aanvaardt, ja zelfs wenst en zich daarop zo sterk richt, dat het lichaam wordt afgesloten voor alle ervaring van de wereld. In de aan de dood voorafgaande tijd zien wij dan ook een soort trance ontstaan, een ongevoeligheid, waarbij de buitenwereld niets meer te zeggen heeft voor zo iemand. Dit doet gelijktijdig de werkzame energieën in het lichaam afnemen en vergroot de kracht van de geest.

Waar nu in het lichaam energie, kracht actief is, kan de geest, die zelf energie is, ingrijpen.

Neem bv. de hartspier. Wanneer ik daarop een elektrische ontlading doe plaats vinden, kan ik hierdoor de hartfunctie bevorderen, maar ik kan ook de functie van het hart doen aarzelen of zelfs doen wegvallen.

U kunt u misschien voorstellen, dat de geest dit door haar wil plus energie gemakkelijk zal kunnen doen, wanneer de functie van het lichaam en daarmede het ritme van het hart reeds zwakker is dan normaal. Gezien vanuit ons standpunt zal een dergelijk iemand zich reeds in een – voor hem geheel bestaande – geestelijke werkelijkheid bevinden, voor de klinische dood of werkelijke dood een feit worden. Zo iemand verwerpt de materie, om het reeds gekende geestelijke bestaan met groter intensiteit voort te kunnen zetten. Dat daarbij alle waantoestanden uitgeschakeld zijn, is zeldzaam. Dat de overgang echter toch vele bewuste waarden in kan houden en in ieder geval een geheel apart karakter verkrijgt, zult u wel aan willen nemen. Daar bij een dergelijke overgang in vele gevallen een sterk begrip van taak en samenwerking met krachten uit de geest overheerst, zal hierdoor vaak de actie van de geest, voor langere tijd bepaald zijnde en binnen een bepaald kader zijn vastgelegd, beperkt zijn. In vele gevallen is dit vanuit het standpunt der bewustwording gunstig.

Wat blijkt nu uit het voorgaande? De geest kan dus de dood van het lichaam a.h.w. bevorderen, maar kan deze ook tegengaan en in sommige gevallen zelfs ongedaan maken. Wanneer de klinische dood is ingetreden, zal men met hartmassage in sommige gevallen het leven nog terug kunnen brengen. Inderdaad, men kan het hart weer aan het kloppen krijgen. Maar indien dit een zuiver mechanisch proces zou zijn, hoe komt het dan, dat door onbegrepen en niet kenbare omstandigheden dit vaak ook niet zal lukken? Wanneer de geest niet meewerkt en weigert een eenheid voort te zetten van eigen krachten en de energetische processen in het lichaam, dan kan geen band van leven herontstaan. Wenst zij dit wel, dan kan een “terugkeer tot het leven” bereikt worden. Maar indien de band van energie tussen geest en stof verbroken is, dan kan men alles doen, van hartmassage en kunstmatige ademhaling tot methoden, die nu zelfs nog niet ontwikkeld zijn, en er zal niets bereikt kunnen worden.

Je kunt dan ook de volgende conclusie trekken uit dit alles. De geest en het in haar bestaande – op zeer persoonlijke waarden berustende – bewustzijn, is slechts bepalend voor de wijze, waarop de overgang beleefd wordt, maar zal ook medebepalend kunnen zijn voor het ogenblik, waarop de feitelijke overgang plaats vindt. Het laatste moet u toch eens even vasthouden.

Wanneer wij op aarde hiervan spreken, zo zegt men: “Nu ja, er zijn omstandigheden , waarbij de mens zodanig geschokt is, dat de wil tot leven ondermijnd is, enz. enz. zodat het niet mogelijk was de patiënt tegen eigen willen en streven in in leven te houden. De therapie was goed, de operatie is geslaagd, maar de patiënt succombeerde.” Wat een mooie formule is. Maar het lijkt mij beter om, vanuit geestelijk standpunt, reëel te stellen, in bepaalde gevallen onttrekt de geest haar eigen energie aan de stoffelijke levensprocessen, waardoor het feitelijke bewustzijn en reactievermogen van de stof steeds geringer wordt en een in standhouden van het stoffelijke leven navenant moeilijker wordt.

Men zou er over kunnen twisten, of dit laatste met de overgangsbeleving werkelijk te maken heeft. Maar zoals ik reeds zei: de achtergrond van de beleving is voor ons belangrijker dan de voorbeelden, die wij in overvloed zouden kunnen geven. Elke mens maakt naar eigen aard en wezen van eigen overgang echter weer iets anders. Er bestaat dus geen mogelijkheid, om een analogie te scheppen, waarin de voor het ego belangrijke aspecten van de overgang voor een ieder kenbaar en aanvaardbaar genoemd worden, terwijl zij stroken met de door iedereen eens als werkelijkheid te beleven processen van de overgang. De wijze van overgang bezit evenveel persoonlijke trekjes als een handschrift. Je moet dus wel uitgaan van de algemene waarden en vooral van de achtergronden, wil men een voor ieder belangrijke les geven.

Wanneer u bv. zou sterven, zo is de kans groot, dat ook u dit niet onmiddellijk beseft. Maar wanneer men zich nu eens zou aanwennen om dood en droom als ongeveer hetzelfde te zien? Wanneer je droomt en het wordt te onredelijk, dan zegt men tot zichzelf: “Ik droom zeker?” En men probeert op de droom dan enige invloed uit te oefenen. In vele gevallen resulteert dit in een ontwaken of minstens in een sterke verandering in de tendens van de droom. Wanneer je over bent gegaan, zo zal een wijzigen niet zo gemakkelijk meer optreden. Wat echter wel ontstaat, is in dit geval een ontwaken tot de werkelijkheid. Je zoekt immers contact met een werkelijkheid. Maar je geeft geen definitie van de prikkels, die men wil ontvangen. De reactie is een: “Ik slaap, dus er moet iets zijn. Waar kan ik een houvast vinden?” Een geestelijk contact zal dan gemakkelijker tot stand worden gebracht.

Wanneer u dus ontdekt, dat iets niet meer strookt met uw beeld van de werkelijkheid, maar toch niet weet, of u nu droomt of misschien dood bent, u er goed aan doen, uzelf de vraag te stellen: “droom ik?”, en zo de gang van zaken met eigen wil proberen te breken.

Dan is er nog een tweede raad, die echter voor velen moeilijker op te volgen is. Besef, dat de dood lichamelijk altijd een strijd is. De poging het mechanisme in stand te houden – in het lichaam dus – is altijd een strijd met alle bijkomstige verschijnselen als krampen, ademnood enz. De geest hoeft hieraan echter geen deel te hebben. Hebt u dus te maken met iemand, die sterft, zo hoeft u zich van deze lichamelijke dingen niets aan te trekken. Probeer om, zover u kunt, alles lichter en prettiger te maken, maar besef vooral dat zodra het lichamelijke bewustzijn wegvalt, de beleving van het lichamelijke door de geest in de meeste gevallen nihil is. Richt u, wanneer u iets wilt doen, tot die geest. Poog dus niet iemand uit de dood terug te roepen, door lichamelijke beroeringen en ministraties maar richt u vooral op de naam van die persoon. Voor de persoon zelf zal deze naam immers de meest compacte vorm van zelfomschrijving zijn en zo ook de aandacht van de geest kunnen trekken. Richt u hierop en tracht een associatie met uw wereld via deze naam tot stand te brengen. U zult dan sneller door de sluiers van bewusteloosheid of naderende dood heen kunnen dringen dan op elke andere wijze.

Voor uzelf geldt: Wees niet al te bang voor de pijnen van de dood. U zult tijdens een gewone, niet eens zo ernstige ziekte over het algemeen meer lijden dan tijdens het sterven. Wanneer u dus meent in gevaar van sterven te verkeren, is het beter u niet met angst voor komende pijnen enz. op de houden, maar een poging te wagen om tot een geestelijke aanvaarding van de mogelijkheid te komen. Dit verhoogt zowel uw kansen tot herstel als uw welbehagen. Tracht in de aanvaarding zo bewust te leven als mogelijk is. Probeer u bewust te blijven van uzelf en zover mogelijk van uw omgeving. Is de dood niet onvermijdelijk, dan zal dit bijdragen tot een snellere recuperatie van uw lichaam. Is de dood onvermijdelijk, dan zal een scheiding van het lichaam op deze wijze een bewustere overgang en daarmede ook een bewuster contact met de andere wereld tot stand kunnen brengen. De dood is niet zo verschrikkelijk, als men wel denkt.

Het is alleen het menselijke bewustzijn, dat met de dood vele verschrikkingen associeert, dat in en tijdens, ja, zelfs na de overgang de beleving ervan zeer pijnlijk kan maken.

Ten laatste nog een raad voor iets, wat u allen eens zult beleven: De overgang. Probeer nooit je iets aan te trekken van je lichaam, wanneer je er zelf naar kijkt vanaf een afstand. Wanneer je zelf naar je lichaam kijkt, ben je het op dat ogenblik niet zelf meer. Dit geldt zowel bij uittreding als bij de dood. Wanneer je de scheiding erkent tussen een beeld van jezelf, dat ergens ligt en het ik dat waarneemt, dient men zich te concentreren op het deel van het ik, dat waarneemt.

Het andere gaat u niet meer aan, dat bent op dat ogenblik niet. Een dergelijke houding zal u, vooral wanneer bv. sectie op het lichaam wordt gedaan of crematie plaats vindt, voor heel wat ellende beschermen.

Aan het einde van deze inleiding zou ik verder op willen merken: Elke overgangsbeleving is een geheel, dat niet kan worden gesplitst in lichamelijke benadering van de dood, lichamelijke dood, en beleving na de dood. Zij is altijd een geheel. In het bewustzijn is voor de geest dan ook geen bepaalde grens kenbaar. Het is daarom ook niet erg, wanneer het eigen bewustzijn de eigen wereld ook in de geest nog enige tijd tracht te continueren. Alleen mag men zijn eisen niet stellen in een volledig herleven van eigen wereld met alle personen en alle mogelijkheden, die men daarin kende. Dit is over het algemeen onmogelijk en zelfs, waar men dit zou benaderen, komen er slechts zelfmisleidingen en grote problemen uit voort.

U hoeft echter niet bang te zijn, dat u, wanneer u een werkelijk verwoed drinker of roker zou zijn, deze genietingen na de overgang opeens zult moeten missen. U kunt er nog langere tijd van dromen en genieten – zelfs zonder accijnzen – maar zult op de duur wel ontdekken, dat de werkelijke bevrediging, die zoiets kan geven voor de geest, toch wel zeer miniem is.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Vragen

  • Wat betekenen dromen, waarin men stervenden zo goed men kan, helpt bij hun overgang?

Het is mogelijk, al is de kans niet meer dan 50/50, dat men iemand bijstaat door middel van uittreding en dus tijdens diens overgang geestelijk aanwezig is. Het is echter evenzeer mogelijk, dat men door een indruk van buitenaf – een gelezen boek, een gehoord bericht bv. – zich heeft geconcentreerd op de overgang van iemand, en, daar men niet in staat is werkelijk te helpen, zich volgens eigen geloof en denken tot een uitleven van de behoefte tot helpen in de droom brengt. Een vuistregel is hier moeilijk te geven. Indien men echter regelmatig pleegt uit te treden, zo zal men wel geleerd hebben, dat een bewijs alleen te vinden is, wanneer men een feit constateert. Indien u dus weet, wie en waar overleden is, en wanneer, dan kunt u nagaan, of dit inderdaad een feit is. Blijken de feiten te kloppen, dan kan men wel aannemen, dat er van een uittreding sprake kan zijn.

  • Je kunt toch vaststellen dat het een uittreding is, wanneer je kleuren ziet?

De normale droom is monochroom en drukt zich meestal in een zwart-wit variatie uit, terwijl uittredingsbelevingen over het algemeen polychroom zijn, dus in kleuren, waarbij de indruk van grote rijkdom aan tinten – meer dan normaal – vaak optreedt. Deze verschillen worden echter niet altijd beseft.

  • Kunt u iets zeggen over de overgang van een krankzinnige?

De oorzaak van de afwijking heeft hiermede veel te doen, zodat het niet zonder meer mogelijk is te stellen, dat de overgang van een krankzinnige gegarandeerd op een bepaalde wijze verloopt. Algemeen geldt: Aangezien de interpretatie van de krankzinnige t.a.v. feiten en indrukken door lichamelijke oorzaken – ziekte – van de realiteit kan afwijken, maar ergens in de persoon dan toch nog een erkennen van de werkelijkheid aanwezig kan zijn, zal in vele gevallen aannemelijk zijn, dat de overgang zelf normaal beleefd kan worden en zelfs vaak een soort bevrijding wordt. Zodra de geest vrijdom verwerft van de ziekelijke prikkels van het lichaam, zal haar bewustzijn reverteren tot het normale levensbeeld en de waanvoorstellingen dus niet verder in eigen beleven betrekken. Ik wijs er op, dat in vele gevallen krankzinnigheid een afwisseling brengt tussen abnormaliteit en een min of meer terug keren tot en beseffen van de normaliteit. Bij schizofrenie pleegt dit veel voor te komen. Ook bij vervalverschijnselen als vormen van dementia zijn er tot ver in het ziekteproces nog ogenblikken aan te wijzen, waarin de patiënt tot normaal schijnt terug te keren. De dood maakt in dergelijke gevallen een terugkeer tot de meer normale beleving van de wereld en eigen wezen haast onvermijdelijk.

Indien er sprake is van iemand, die “krankzinnig” geboren werd – al noemt men dit anders – zo zal de gehele bestaansbeleving van de geldende normen afgeweken hebben. Dan zal het voorstellingsleven, dat in de dood mee wordt genomen, ook aan deze normen beantwoorden.

Daar niemand bij een krankzinnige precies zal kunnen weten, hoever een besef van de “normale” werkelijkheid in het onderbewustzijn bestond of was opgenomen, zal ook niemand kunnen zeggen, in hoeverre een terugkeer tot normaliteit van voorstellingsleven bij de overgang onmiddellijk op zal treden.

Wel blijkt over het algemeen, dat krankzinnigen sterker vatbaar zijn voor op hen gerichte impulsen uit de geest. Dergelijke mensen zijn immers vaak gewend om te luisteren naar “stemmen” e.d. – ook al is dit in wezen vaak niets neer dan het ruisen van het bloed, door hen als woorden geïnterpreteerd. Velen houden zich tijdens de ziekte bezig met het zoeken naar mogelijke helpers en vervolgers, zij zoeken dus veelal naar contacten, die niet met de algemeen erkende werkelijkheid in verband staan en zullen hierdoor in vele gevallen contacten uit de geest, ook al behoren dezen niet tot het normale stoffelijke wereldbeeld, gemakkelijker aanvaarden en daarmede eerder rekening houden. Zoals gezegd, een algeheel geldend beeld is niet te geven.

Om dit te doen zou men kennis moeten hebben van de voorgeschiedenis van de krankzinnige en de aard van de afwijking moeten bezien.

Ten laatste wijs ik er op dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen zenuwzieken en krankzinnigen, al is voor de gewone mens het maken van een dergelijk onderscheid vaak zeer moeilijk. De zenuwzieke neemt wel normaal waar, maar reageert alleen abnormaal. De krankzinnige vervalst echter de waarneming, zodat diens abnormale reacties voortkomen uit een verkeerd wereldbeeld. Bepaalde geestesziekten kunnen verder te wijten zijn aan een aanhechting, dus de invloed van een ander bewustzijn, dat niet in stoffelijke vorm meer op aarde bestaat. In het laatste geval zal de oorzaak van de ziekte wegvallen bij de dood en zal het eigen normale bewustzijn geheel domineren zonder dat de invloed van, of daden door middel van de aangehechte geest volbracht, nog een rol spelen. Krankzinnigheid bestaat dus niet voort na de dood.

Wat men op aarde krankzinnigheid pleegt te noemen, is vaak een abnormaliteit van waarneming en daardoor een vanuit het standpunt der medemensen abnormale reactie. De abnormaliteit van waarneming kan nog enige tijd blijven bestaan, doch de “wereld” past zich in de geest aan het wereldbeeld aan, zodat geen krankzinnigheid meer tot uiting komt. Daar het geestelijk wereldbeeld dus homogeen is en binnen dit kader een benadering normaal mogelijk is, meen ik, dat men in geen geval mag spreken van een overdracht van de krankzinnigheid na de dood. De eventuele abnormale waarden, die dan nog voortbestaan als herinnering e.d., kunnen immers zonder meer ingepast worden in een normaal geestelijk bestaan.

  • Men herinnert zich toch ook vroegere bestaansvormen, die normaal geweest kunnen zijn en niet alleen de abnormale waarden van het laatste bestaan?

Wij hebben het op het ogenblik over de overgangsbeleving. Een herinnering van eventuele voorgaande incarnaties zal over het algemeen eerst kunnen optreden, wanneer het geestelijke bestaan geheel aanvaard is en een assimilatie van geestelijke waarden heeft plaatsgevonden, terwijl een stoffelijk wereldbeeld plaats heeft gemaakt voor het besef, dat het ik de enige vaststaande waarde is, terwijl elke belevings- en vormuitdrukking voor het ik variabel is en meerdere van dergelijke belevingen of uitdrukkingen dus voor het ik zelfs gelijktijdig kunnen bestaan. Herinnering aan vroegere incarnaties treedt pas op, wanneer het tijdsbesef, zoals dit bij de mensen bestaat, praktisch is opgeheven.

  • Heeft een lange lichamelijke lijdensweg te maken met een nog niet rijp zijn van de geest voor de overgang?

De geestelijke rijpheid heeft niets te maken met de lichamelijke conditie. Indien u onder geestelijke rijpheid wilt verstaan het zich afwenden, bewust, en weten van de stof door de geest, kan worden gezegd, dat tijdens een lange lijdensweg in de stof deze factor nog niet aanwezig zal zijn. Een zeer bewuste geest kan echter de stoffelijke lijdensweg bewust aanvaarden, omdat zij weet of meent, dat haar bestaan onder deze omstandigheden nog betekenis heeft voor anderen of eigen bewustwording. Zij neemt dan de lichamelijke bezwaren eenvoudig op de koop toe.

  • Is er ook een tijdsbepaling bij elke menselijke overgang, dag en uur? Bewust vol, kom je dan ook meteen aan het werk? Is het dan ook in eigen roeping en taak?

Indien u vraagt, of dag en uur van de overgang ook vaststaan, zo kan ik alleen antwoorden: nimmer als een volledige zekerheid. Wel bestaat een zeer grote waarschijnlijkheid van overlijden op een bepaalde dag, en een bepaald uur, indien lichamelijke en geestelijke reacties rechtlijnig voortschrijden.

Dit betekent, dat, zo een grote verandering in lichamelijk of geestelijk opzicht plaats vindt, deze een verandering in sterfdag, uur en wijze kan veroorzaken. Er bestaat dus geen absoluut gefixeerd punt van overgang. Wij kunnen daarom het beste zeggen: Het uur en de dag van overgang zijn over het algemeen het uur, waarop het lichaam niet meer in staat is de banden met de geest te handhaven, ofwel het ogenblik, waarop de geest meent geen behoefte meer te hebben aan verdere bindingen in de stof via de huidige stoffelijke vorm.

Het tweede deel van de vraag doet bij mij de vraag rijzen, of u misschien meent, dat wij in het hiernamaals een door engelen geëxploiteerd arbeidsbureau er op na houden. Arbeid, werk, kan iets zijn wat je moet doen, maar het kan evenzeer iets inhouden, dat je wilt doen. Wanneer een geest bewust is, zal het handhaven van dit bewustzijn en het ontvangen van nieuwe impressies afhankelijk zijn van eigen activiteit.

Wij kunnen dus stellen, dat, zodra de geest na de dood tot bewustzijn van haar geestelijke werkelijkheid komt, zij een – meestal voortdurend toenemende – activiteit zal gaan vertonen. Of dit nu een werken, een taak is, zoals u dit stelt, blijft een vraag. Wij kunnen wel zeggen dat de eigen erkenning t.o.v. eigen disharmonie en tekorten de aanleiding kan zijn tot het prefereren van bepaalde activiteiten. Hierbij kan dan een binding met andere, op dezelfde wijze ingestelde geesten ontstaan, zodat een gecoördineerd werken ontstaat. Zelfs dan geschiedt het op basis van vrijwilligheid. Ik zou bijna het woord liefhebberij hier gebruiken. Er is dus geen verplichte taak. Wel zal de geest, die een bepaalde actie voor zich noodzakelijk acht, het volvoeren daarvan, voor zich als een taak beschouwen.

  • Wanneer een mens sterft, is dit dan altijd de wil van zijn psyche, al zou het maar onbewust zijn?

Lastig. Zoals u misschien weet, is de doodswens ergens inherent aan het menselijke bestaan. De typisch menselijke psychologie, die door het gemeenschapsleven zich bij de mens ontwikkelt, omvat dus altijd een soort doodswens. Ik meen echter, dat u niet hierop doelt en kan dan als volgt antwoorden. Het is niet noodzakelijk, dat een wens tot overgaan in de geest bestaat, het kan evenzeer voorkomen, dat het lichaam, bv. door structurele gebreken als gevolg van ouderdom, ongevallen e.d. niet meer in staat is een levensfunctie te vervullen, terwijl de geest niet over voldoende energie zal beschikken, om onder die omstandigheden een blijvend contact met het lichaam in stand te houden.

Ik verwijs u verder naar hetgeen hierover bij een voorgaande behandeling van een vraag reeds werd gezegd.

  • Er zijn gevallen van langdurige bewusteloosheid bekend, waarbij het lichaam kunstmatig wordt gevoed. Er is een geval bekend, waar dit reeds 13 jaren duurt. Het lichaam verschrompelt, maar blijft leven. Wat gebeurd in die tijd met de geest?

De geest zal in een dergelijk geval bindingen op aarde blijven erkennen. Haar bestaan zal hoofdzakelijk als een afwisseling van dromen en uittredingen beschouwd kunnen worden, waarbij de entiteit probeert bepaalde taken op aarde te vervullen, werkingen en reacties van anderen op een astraal, dus niet stoffelijk niveau pleegt waar te nemen en voor zich nog steeds hoopt terug te kunnen keren tot een meer actief contact met de stof. Zolang deze instelling blijft bestaan en het lichaam levensmogelijkheden heeft, zal de toestand van bewusteloosheid waarschijnlijk aan blijven houden. Een overgaan zonder algehele terugkeer tot stoffelijk bewustzijn is, gezien kunstmatige voeding, verval van lichaam e.d. zeer waarschijnlijk.

Zinloos is dit bestaan vanuit geestelijk standpunt niet, daar voor de geest ook zo een zekere oriëntatie in het bestaan mogelijk is en in vele gevallen tijdens de uittredingen ook contacten met de geheel geestelijke werelden gelegd kunnen worden, zodat het ogenblik van overgang, waarbij men de vaste normen en waarden van de stofwereld prijs moet geven, niet verwarrend zal zijn. Zonder op specifieke gevallen in te gaan, zal ik hierover niet veel meer kunnen zeggen.

  • Indien iemand tracht bewust over te gaan en zich dus wil los maken van aardse beelden en omgeving, hoe kan hij dan een contact krijgen na de overgang, waar voor hem alleen aardse voorstellingen mogelijk zijn?

U vergeet, dat men, om zover te komen, reeds in het ik een verwerping van de materie bereikt moet hebben en zijn pogen zal baseren op een reeds tijdens het stoffelijk bestaan kennen of aanvoelen van geestelijke werelden. Hierdoor beleeft men dus reeds geestelijke waarden, ook wanneer zij nog in aan de stof ontleende vormen zijn gegoten. In het door u gestelde geval zal men dus alleen iets bereiken, wanneer men over wil gaan tot een erkennen en beleven van een zuiver werkelijk geestelijke wereld in plaats van een gemengd ervaren van een stoffelijke en geestelijke werkelijkheid. De beelden, die aan de stof zijn ontleend, vormen dan de taal, waarin dit beleven kan worden uitgedrukt voor het eigen ik, zodat men zich wel los kan maken van stoffelijke voorstellingen, zover deze de stoffelijke wereld en werkelijkheid betreffen, maar niet van de uitdrukkingswaarde, die daarin ook voor het Ik is gelegen. De voor het ego stotende factoren worden dus geëlimineerd, terwijl de voor het Ik belangrijke factoren van het vorm denken gecontinueerd worden en ondanks hun structuur reeds geestelijke contacten inhouden.

  • Men voedt zijn kinderen “diesseitig” op. Zou men hen evenzeer moeten voorbereiden op de dood? En hoe met jonge mensen die door een ongeluk overlijden? Valt het leeftijdsverschil tussen jong en oud dan weg – uitzonderingen daargelaten?

In deze tijd zeer zeker, uitzonderingen daargelaten. Wanneer u kinderen opvoedt, hoeft m.i. geen nadruk op de dood te worden gelegd, maar een ontmoeten van het dode, een kennismaken met het effect van de dood, acht ik als deel van de opvoeding wel noodzakelijk.

Door de dood met de kinderen, zo zij zich daarvoor interesseren, als een normaal deel van het leven te behandelen, zal zij voor het kind volledig aanvaardbaar worden. Een kind is over het algemeen een zeer realistische egoïst – ongeacht zijn fantasieën. Indien men een verschil maakt tussen jong en oud bij de overgang, zo moet men allereerst beseffen, dat wij hier niet te maken hebben met de stoffelijke leeftijd, maar met de geestelijke rijpheid. Het kan voorkomen, dat een oud mens overgaat en toch nog stof-gebonden blijft – dus impulsen van de aarde tracht te vinden – terwijl een veel jonger mens zich daarvan onmiddellijk los weet te maken.

Wanneer jonge mensen veel verwachtingen van het leven koesteren, zo liggen deze verwachtingen als beelden in hun bewustzijn besloten, zij het vaag, ofwel geheel gedefinieerd.

Deze beelden kunnen na de overgang in een soort van gesimuleerd leven tot werkelijkheid worden gemaakt. De wereld van de geest wordt immers door het denken beheerst, niet door concrete normen als afmetingen en waarden, zoals dezen op aarde een meer objectief beleven mogelijk maken. Het resultaat is dus, dat wij te maken kunnen krijgen met jonge mensen, die onbewust, vaak plotseling overgaan en nu in de geest verder groeien. Zij simuleren dus een stoffelijk verder leren vaak in de geestenwereld, waarbij alle verschijnselen van het stoffelijke leven worden doorleefd en uitgebeeld. Een jonge mens zal echter in de meeste gevallen hierbij toch wel een contact met andere entiteiten van de geestenwereld aanvaarden en zo ontstaan dan de, op zich ontroerende, mythen over groene weiden, waarop overgegane kindertjes door geestelijke nurses worden opgevoed, tot zij volwassen zijn. Het beeld is mooi, maar waar is het niet. Dit kan individueel dus wel beleefd worden, maar kan nimmer voor meerderen geheel gelijk zijn, terwijl het doormaken van  een dergelijke fase zeker geen algemeen geldende regel is.

  • Het voorbeeld van de man, die in het café overleed en zich daarvan geheel niet bewust was, is mij onbegrijpelijk. Hoe is het mogelijk, dat niemand hem deed begrijpen, dat hij niet meer op aarde was? Is hier sprake van een eenzijdige geest, die eenvoudig niet kon verwerken dat de ober niet kwam? Was dit een laatste les?

Ik weet niet, of men dit nu als les moet beschouwen. De meeste mensen, die “geestelijk doen”, willen het leven zien als een reeks van lessen en leringen. Zij vergeten, dat dit maar zeer ten dele waar is. Het leven is in feite een reeks van ervaringen. Of je daaruit iets leert of niet, is je eigen zaak. Dus geen lesgeving gevolgd door examens. Ik maakte in het voorbeeld duidelijk dat het hier ging om een persoon met beperkt voorstellingsvermogen. Een hartcollaps als gevolg van hartinfarct kan een ogenblik van benauwdheid zijn, waarbij de persoon zelf het gevoel heeft van enige duizeling en lichte misselijkheid. Omdat het bewustzijn hiervan echter onmiddellijk vervaagt bij stilstand van het hart, ook al blijft de hersenactiviteit daarna nog 10 minuten tot een half uur voortduren, brengt dit ervaren geen beeld van sterven, dood, ziekte, met zich.

Hierdoor juist worden de laatste lichamelijke impulsen nog steeds als bepalend voor de werkelijkheid beschouwd. Verder bleek uit het voorbeeld, dat wij te maken hadden met iemand, die in bepaalde omstandigheden niet bereid was te luisteren naar een ander. Er was sprake van een bijna monomane drang de ober te zien. Een geest, die zich tot de persoon richt, zal dus wel ergens erkend worden, maar slechts binnen dit beeld en zo aangesproken worden als de ober.

Lering wordt, gezien de aard van de overledene, van zo iemand niet aanvaard. Ten hoogste wenst men van deze ober een snel afruimen van de tafel en het vervangen van voedsel en drank- resten door nieuwe voorraad. De moeilijkheid ligt hier dus in de instelling van de overgegane, die allereerst zijn eigen wil, voorstelling, bevredigd wil zien op een wijze, die hem past.

De geest kan zich hieraan niet geheel wijden met het beschreven gevolg. Ik hoop, dat de zaak nu duidelijker is geworden.

  • Wat is in de geestenwereld de realiteit? Wat wordt door alle geesten gelijk waargenomen? Wat zijn uw bezwaren tegen crematie, prefereert u een langzame ontbinding van het lichaam en zo ja, waarom?

Stop. Het lijkt wel de litanie van Allerheiligen. De bewustzijnswaarde na de dood is gebaseerd op een uitwisselen van indrukken. Er is geen reële vorm meer in menselijke zin. Er bestaat bv. geen tafel meer in onze wereld. Indien wij met twee of meerderen ons een tafel denken, zo is deze er voor ons en wordt door ons gezamenlijk als werkelijkheid waargenomen, zolang wij dit beeld in stand houden. Voor alle geesten bestaan die waarden als gemeenschappelijke werkelijkheid, die door hen gelijkelijk aanvaard wordt, dit is de beste formulering, die ik zo snel kan vinden, en omvat dus bepaalde niet in vorm of woord uitdrukbare feiten van het geestelijke bestaan, die zeker een algemeen geldende realiteit genoemd mogen worden.

Wat crematie betreft: Ik heb daartegen absoluut geen bezwaar. M.i. houdt crematie voor degene, die zich nog aan het lichaam gebonden acht, een snelle, maar pijnlijke confrontatie in met de nieuwe waarden van het bestaan. Dit kan echter een grote schok betekenen, het is pijnlijk en kan iets veroorzaken, wat je bij mensen een psychisch trauma zou noemen. Langzame ontbinding geeft meer tijd tot aanpassing. Maar indien de binding met het lichaam voor de geest gehandhaafd lijkt te zijn, zal de ontbinding in alle verschijnselen door de geest in eigen voorstelling voor het ik herschapen worden. Dit veroorzaakt een kleinere reeks psychische traumata die echter door cumulatieve effecten een nog sterkere onttrekking aan de werkelijkheid van het bestaan als geest ten gevolge kunnen hebben. Persoonlijk gesproken geef ik, zoals vele van mijn collega’s, de voorkeur aan crematie als een snelle en zindelijke wijze om bewust te worden van de overgang. Het betekent niet, dat wij de daarin gelegen gevaren en pijnen moeten verzwijgen. In een stoffelijke reclamecampagne zal men zoiets misschien wel doen, wij menen echter tot een dergelijk eenzijdige voorlichting niet gerechtigd te zijn.

  • Maar als je nu zelf wilt, dat je ze verbranden, is het dan nog mogelijk, dat je er een schok van krijgt?

Ja. Wanneer je je er nog niet bewust van bent, dat je dood bent…. Ik wil het beeldend zeggen: je moppert dan “dat die idioten niet begrijpen, dat ik nog leef. Nu zijn zij mij aan het kisten en dadelijk ga ik de kachel in….” Het bezwaar ligt dus niet in het al of niet aanvaarden van de crematie, maar in het al dan niet erkennen van het feit van de overgang.

Beseft men, dat er met het stoffelijke lichaam verder niets uitstaande is, dan zal elke schok vanzelf achterwege blijven. Overigens, ook wanneer u wenst begraven te worden, zult u niet enthousiast zijn, wanneer men de maat voor de kist komt nemen en begint je op te bergen, terwijl je zelf meent, dat je nog leeft. Er blijft in dit geval echter wat langer de hoop bestaan, dat men de vergissing nog zal ontdekken, waardoor geestelijk het schokeffect over langere tijd.

  • Berusten verhalen over het afhalen bij de overgang op een projectie van eigen verlangens of is dit een realiteit?

De wijze, waarop men dit pleegt voor te stellen, zou ik wel een projectie van eigen wensleven willen noemen. Wat niet wegneemt, dat het proces van overgang voor vele entiteiten een soort aantrekking bezit. In hen ontwaakt dan de behoefte om te helpen, zo ongeveer als bij u, wanneer een kind valt en je het op wilt tillen en op zijn voeten zetten.

Er is voor velen een emotionaliteit mee verbonden, die waarschijnlijk is gebaseerd op eigen overgangsbeleving. Bijna niemand op aarde zal dan ook overgaan, zonder dat er iemand aanwezig is om alle mogelijke hulp te verlenen. In zoverre is er sprake van een afhalen. Dit kan ook door “geliefden” gebeuren, maar zeker of noodzakelijk is dit niet. Waar sprake is van geestelijke verwantschap, zal reeds voor de overgang een contact bestaan, dat bij de overgang een contact, een afhalen, wordt op meestal meer bewust beleefde basis, gevolgd door een begeleiden daarna.

Er zijn vele gevallen bekend, waarbij het wensleven van degene, die overgaat – en afgehaald wil worden – aan de aanwezige entiteiten een gestalte verleent, die niet hun eigene is. De erkenning van de afhalers als vader, moeder enz. zal dan niet op feiten gebaseerd zijn. Het blijkt, dat degenen, die op aarde achterblijven, in de meeste gevallen hun relatie met overgeganen idealiseren en daardoor zich de illusie van een geestelijke band opbouwen, die in feite nooit heeft bestaan. Kortom: Afhalen vanuit de geest vindt haast altijd plaats. Afhalen door eigen geliefden komt veel minder voor, en berust vaak op eigen geprojecteerde wens, die tijdens de overgang echter als waarheid beleefd kan worden, om daarna weg te vallen. Waar een werkelijke geestelijke band bestaat, zal er sprake zijn van een contact, dat ook gedurende het leven bestaat, al beseft men dit misschien niet vóór de overgang. Dit contact zal tijdens en na de overgang dan op voor beiden meer concrete en wederkerige wijze tot uiting komen, zonder dat men hier feitelijk over een “afhalen” zou mogen spreken. Er is dan slechts sprake van een voortgezette begeleiding.

  • Wat is de werking van eigen geleide- en beschermgeest bij de overgang. Hebben deze actief aandeel hierbij, blijkt dan, dat wij deze herkennen?

Geleide- en beschermgeest zijn vaak één en dezelfde persoon. Dit betekent niet, dat gedurende het gehele menselijke leven dezelfde entiteit deze functie zal vervullen. Deze taak kan in verschillende fasen en door verschillende persoonlijkheden worden uitgevoerd. Wanneer de overgang naderbij komt, zal voor de geleider zijn taak ten einde zijn.

Het is dan ook niet noodzakelijk, dat deze ook bij de overgang aanwezig zal zijn en/of herkend wordt. Wanneer er sprake is van begeleiding op grond van sterke geestelijke verwantschap tussen geleider en begeleide, dan zal kort voor of tijdens de overgang op meer kenbare wijze contact worden opgenomen en zien wij, dat beiden vaak gezamenlijk een actie kiezen, die een langere samenwerking mogelijk maakt. Het gestelde is echter afhankelijk van de wijze, waarop de geleidegeest zijn taak ziet, de plaats, die hij aan de taak in eigen bewustzijn geeft en de bestaande harmonie op geestelijk terrein.

Ik wil nu het onderwerp nog kort afsluiten. Ik heb u vandaag geconfronteerd met de dood op zo reëel mogelijke wijze. Ik deed dit opzettelijk zonder u vaste punten te geven, die later voor velen toch niet zo vast zullen blijken. Het is voor ons belangrijker, zowel in de geest als in de stof, dat wij de vele mogelijkheden beseffen, die in ons schuilen, dan dat wij een aantal vaste regels proberen aan te houden, die voor ons misschien niet toetreffen.

Voor iedere mens is er een voortbestaan. Dit kan beperkter of ruimer van mogelijkheden zijn dan uw ogenblikkelijk bestaan; daar het “ik” zelf de mogelijkheden bepaalt. De enige regels zijn kosmische wetten en werkingen, die wij in onze beperkingen nimmer geheel doeltreffend zullen kennen en omschrijven. Belangrijk is, dat men voort zal leven. Voor u betekent dit, dat u de tijd hebt. U hoeft niet uit dit leven alle ervaringen en vreugden te persen. Het is beter enkele vreugden en ervaringen, die nu voor het ik belangrijk zijn, volledig te genieten.

Het leven is een wonderlijk gerecht met bitter, zoet en zout. Weet je het rustig en goed te proeven, dan is de smaak heerlijk. Probeer je te haastig te schrokken, dan overheerst echter een bittere nasmaak.

Begrijp dus, dat u geen haast hoeft te hebben. Er is een voortzetting. Het is daarom beter, twee werkelijke vreugden te kennen in het stoffelijke leven, dan duizend vreugden te benaderen zonder ze geheel te proeven.

Beter een gedachte geheel en bewust doordacht te hebben, dan alle systemen op aarde terloops te hebben aangestipt. Dat is de waarde van uw leven.

image_pdf