Overzicht van de lessen magie

image_pdf

18 juli 1961

  • In de vorige les staat: Alle verschijnselen, waarbij een terugvoeren in tijd ontstaat van de gedachte-impuls, voeren tot onbegrip. Daarom mag men nimmer vanuit een hoog geestelijk standpunt trachten telepathisch contacten met andere, in gelijke wereld levende mensen en wezens op te nemen. Wilt u hiervan een voorbeeld geven?

Een verschuiving van tijd is dus een contact met het verleden, een herinnering gebaseerd op het verleden, een gedachtecontact op in het verleden liggende waarden gebaseerd. Voorbeeld: 2 mensen, samen gevochten in ’14-’18. Herinnering, uitzending van gedachte, eventueel vanuit een hoog geestelijk vlak, gebaseerd op de kennis, die men toen van elkander had.

Resultaat: totaal misverstand, daardoor totaal verkeerde impulsen.

Wij moeten wel begrijpen, dat de menselijke wereld, begrensd als zij lijkt door 4 dimensies (t.w. de 3 gekende plus het verschijnsel tijd), in feite slechts is een deel van een groot aantal eventueel parallel of gelijklopende werelden, terwijl bovendien werelden met verschillende tijdslimieten elkaar kunnen doorkruisen. Er is dus een zeer grote complexiteit in het Al voorstelbaar, waarbij zeer vele werelden naast elkaar liggen (vergelijk de bladzijden van een boek) en andere werelden door elkaar liggen (vergelijk: verschillende gassen, onderling gemengd in dezelfde ruimte, zonder dat chemische reacties optreden). Het resultaat is, dat de doorsneemens zich bevindt in een wereld, waarvan hij slechts een zeer klein deel der verschijnselen en beweegredenen kan kennen.

Het is duidelijk, dat het een ware wetenschap is om alles uit te vinden, wat dit contact met een andere wereld – of eventueel het afweren van een andere wereld – tot stand brengt. Zeer belangrijk kunnen hierbij methoden zijn, waardoor men zichzelf in tijd vooruit projecteert: methoden, waardoor men zichzelf verplaatst in andere, bv. minder stoffelijke werelden.

Waar echter het totaal der regels en wetten zozeer ligt boven het bereikt materieel niveau en dus ook buiten het normaal begripsvermogen van de mens, heeft er steeds een kunst bestaan, die men occult heet of magisch.

Deze kunst is niet gebaseerd op het bewust kennen en gebruiken van wetten, maar eerder een ervaringswetenschap, waarbij talloze procedures zijn voortgekomen uit een weten omtrent resultaten. Indien later enige wetmatigheden zijn afgeleid, zo blijken deze toch niet – gezien het te weinig kennen van bijkomende condities en omstandigheden – geheel wetenschappelijk aan te tonen of te bewijzen. De wereld van de magie, de wereld van het contact met andere dan menselijke waarden is en blijft een niet-wetenschappelijke, beschouwd vanuit stoffelijk redelijk standpunt.

Alles wat wij doen om met deze andere werelden in contact te komen, evenals elke handeling, die invloeden van die andere werelden – ongeacht of zij materieel of niet-materieel zijn – kenbaar maakt in de eigen wereld, zal magie genoemd worden. Hieruit volgt, dat een groot gedeelte van eed-, bezweringsformules, offerdiensten; religieuze gebruiken, gebedsformulieren in feite magisch moeten worden genoemd. Dit echter is door gewoonte niet meer als magie bekend. Dij het beschouwen van het totaal der magie mogen wij dus uitgaan van de stelling: er is dus een erkende magie, die sterk van het gewende afwijkt; en er is een niet-erkende magie, die is ingeslopen in het leven van de mens en deel uitmaakt van diens religieuze en maatschappelijke gebruiken.

Alles nu, wat ligt buiten de gekende wereld, vraagt een zeer grote beheersing. Deze beheersing kan alleen verworven worden, indien men uitgaat van een voldoende zelfkennis, een voldoende zelfbeheersing en bovenal tegenwoordigheid van geest, afwezigheid van angst en paniek. Eerst door deze beheersing wordt het n.l. mogelijk de op zichzelf misschien natuurlijke maar voor het ik ontstellende verschijnselen van andere werelden te verwerken, of zich te verzetten tegen de bekoring van werelden, die zo zoet en hemels lijken, dat ze u zouden losweken van uw eigen aards bestaan. Alle zelfkennis en zelfbeheersing moet worden gesteld als de basis van het magisch streven. Slechts waar het gaat om het gebruik van bij de mensheid bekende en in het menselijk leven ingeslopen magische gebruiken, die dus niet meer als zodanig worden beschouwd, kunnen wij ook zonder deze kennis, deze moed en deze zelfbeheersing enige resultaten bereiken.

Hierbij zijn verschillende normen aan te leggen. Is bij de direct als zodanig bekende magie een kennis van procedures belangrijk, is het juist formuleren van woorden of klanken, het juist gebruiken van geëigende namen, het kennen van de juiste symbolen en voorstellingen van zeer grote, zo niet al-bepalende betekenis voor elk resultaat, in de normale menselijke gebruiken gaat het eerder om een aanvaarding of verwerping. Waar een aanvaarding is van het verschijnsel, is de werkzaamheid daarvan binnen de mens direct en direct waarneembaar, terwijl ook buiten hem veel daarvan gemanifesteerd kan worden.

Indien wij als mens in een stoffelijke wereld een streven nagaan, dat magische aspecten vertoont, dan kunnen wij natuurlijk een keuze doen. Kiezen wij alleen gebruik te maken van de bij de mens bekende verschijnselen, zo komen wij terecht in een wereld, die zeer vele en grote mogelijkheden biedt, maar ons daarvoor slechts zeer weinig zekerheid, geeft omtrent de resultaten. Verkiezen wij echter de studie van de magie, dan weten wij, dat een lange tijd van intensieve studie, van experimenten en ook onthouding, zelfbeheersing enz. noodzakelijk zal zijn, voor men komt tot een als magiër juist bestaan en een juist gebruik van alle wetten, in de magie bekend geworden. Ik behandel nu allereerst het eerste gedeelte, n.l. de magie, die in het menselijk leven is ingeslopen.

Er zijn zeer vele vormen van bijgeloof en geloof, die in feite gebaseerd zijn op oude overlevering. Toy, toy, toy, kloppen op ongeverfd hout. Het zal u bekend zijn, ofschoon het bij artiesten meer gebruikelijk is. Hierbij richt men zich in feite tot de boomgeest. Zoals men vroeger bij de heilige ging en daar klopte om de aandacht te trekken, daarbij een afweer vragende van een bepaald, onheil, ofwel een verlangen, een wens uitsprekende, zo leeft dit nog in het bijgeloof voort. De mens gelooft nog steeds (onbewust dan) in een band met bepaalde geesten en demonen. Gebruiken als zout over de schouder werpen wanneer het je morst is, voorzichtig zijn met spiegels, zouden tot een zelfde bron terug te voeren zijn. Dit bijgeloof maakt tot op zekere hoogte deel uit van uw eigen leven. U kent zekere bijgelovigheden, die een soort ritueel vormen. Ook wanneer u weet, dat het onzin is, is het goed u daar toch aan te houden. Want alleen op die manier kunt u voorkomen, dat eventueel onbewust bestaande bindingen met wezens uit andere werelden of krachten uit andere werelden verstoord worden, of dat door innerlijke onrust niet-gewenste werkingen optreden.

Dan kennen wij het gebed met alle bijbehorende vormen als contemplatie, meditatie, de vormen verder van religieuze dienst, mystieke rituelen enz. Deze rituelen op zichzelf kunnen zinledig zijn. De betekenis echter, die de mens daaraan hecht, alsmede de voor hem daarin gelegen verbinding met een andere wereld, is in staat hem, zonder dat hij enige wet of regel kent, tot op zekere hoogte daarmede in contact te brengen. Wel moet worden gezegd, dat waar de bewuste magiër met weten alleen vaak zeer ver kan komen, degene die onbewust van deze krachten gebruik maakt, zeer intens en met geheel zijn wezen zonder aarzeling moet opgaan in hetgeen hij gelooft, aanbidt, mystiek uitvoert enz., wil hij daarvan werkelijke vruchten plukken. Indien gij gelooft is niets onmogelijk, is geen ledige zinspreuk. Het is een feitelijke waarheid. Maar het absolute geloof, dat gevergd wordt, is door de doorsneemens slechts moeilijk op te brengen. Indien wij echter een redelijk geloof hebben, alhoewel beperkt, dan kunnen wij daarvan zeker beperkte gevolgen verwachten. Opmerkelijk is hierbij, dat niet de uiterlijke verschijnselen, maar de innerlijke houding een rol speelt. Voorbeeld: een eedsformule, die eerlijk en oprecht is uitgesproken en wordt gebroken, brengt inderdaad in de mens een bepaald schuldgevoelen en soms zelfs contact met een andere wereld op nadelige wijze. Is bij het uitspreken van de eedsformule echter een innerlijk voorbehoud gemaakt, zo kunnen deze verschijnselen niet optreden.

De conclusie hieruit te trekken is wel, dat wij, wanneer wij gebruikmaken van deze vorm van niet algemeen als magisch erkende werkingen, zullen moeten uitgaan van ons eigen wezen, onze eigen persoonlijkheid. Hierbij is geen zelfkennis noodzakelijk, maar wel een mogelijkheid tot aanvaarding van het onbekende, dus zelfvergetelheid. Hoe groter de zelfvergetelheid is, hoe sterker de werkingen optreden. Een deel van deze werkingen kunnen verklaard worden door ze suggestief en eventueel zelfs fantastisch te noemen. Maar zolang een werking voor mij reëel is en voor mij persoonlijk de juiste resultaten brengt, is dit voor mij voldoende. Ge moet altijd goed onthouden, dat zo uw wijze van werken hoofdzakelijk is gebaseerd op geloof en aanvaarding, het oordeel van anderen nietszeggend is en slechts uw eigen oordeel bepalend.

Zodra u geloofszaken – zelfs bijgelovigheden – aan het oordeel van anderen tracht af te meten, zullen alle resultaten wegvallen en zullen, waar u innerlijk nadelige resultaten vreest, deze ongetwijfeld in verschijning treden.

Regels: Indien ge uitgaat van gebed, concentratie, contemplatie, gedachte-uitstraling e.d., die niet behoren tot de directe magische praktijken, zult ge op de volgende wijze dienen te handelen.

  1. Zorg dat ge steeds met een volledige overgave en een volledig vertrouwen, alle rede en menselijke bedenkingen uitschakelend, uw weg kiest.
  2. Omschrijf uw doel vooral duidelijk. Hoe duidelijker een doel omschreven is, hoe gemakkelijker een concentratie daarop plaatsvindt.
  3. Verwacht nimmer dat op deze wijze resultaten tot stand kunnen worden gebracht, die naar u meent feitelijk niet mogelijk zijn. Elke twijfel aan het werkelijk tot stand komen van een bepaald resultaat heeft ten gevolge, dat dit resultaat inderdaad niet kan optreden.
  4. Zorg ervoor, dat u uzelf afschermt voor alle invloeden, die nadelig zijn. Een juiste instelling voor meditatie, contemplatie, gebed e.d. met een ander dan alleen innerlijk doel, dient te geschieden in een zo zuiver en juist mogelijke sfeer.
  5. Indien u lering e.d. ontvangt geldt hetzelfde. Uitgaande van een juiste sfeer wordt het juiste resultaat bereikt. Elke storing in sfeer betekent vermindering van resultaat en soms misvorming daarvan.
  6. Houdt voortdurend rekening met uw eigen geloof en uw eigen voorstellingen, maar ga daarbij nimmer te ver. Bouw u nimmer eigen goden op. Zo gij dit doet, zult ge in deze vorm nimmer een juist resultaat krijgen, maar worden uw goden u achtervolgende demonen.
  7. Degenen, die handelend op een geloofsbasis e.d., voor anderen iets trachten te verrichten, moeten zeer wel beseffen, dat zij – zo ze de werking binden aan de aanvaarding van hun principes – in 9 van de 10 gevallen een slecht of onvolledig resultaat zullen verwerven. Het is noodzakelijk, dat de wens – volledig onpersoonlijk, zonder beperkingen en zonder daarbij overdenken van consequenties – wordt uitgesproken met een zo groot mogelijke concentratie van eigen wezen en een zo sterk mogelijk innerlijk geloof.

Hiermede meen ik van dit eerste punt te mogen afstappen en over te gaan tot de andere vorm van magie, die vaak occulte wetenschap wordt genoemd.

Alle occultisme is een ervaringswetenschap. Er bestaat geen enkele mogelijkheid alle regels en wetten, waaraan het occulte gehoorzaamt, inderdaad vast te leggen. Zij variëren n.l. aan de hand van eigen persoonlijkheid, eigen sfeer en stemming en te allen tijde zal men daarmede rekening moeten houden bij alle voorbereidingen. Doet men dit, zo kunnen wel enige algemene regels worden gesteld. Deze zijn de volgende:

Voor alles wat ik in licht doe, wek ik ook duister.

Voor alles wat ik in duister doe, wek ik licht.

De krachten, die ik wek, zullen altijd evenwichtig zijn.

In de magie is het dus niet mijn taak een bepaalde kracht alleen op te roepen of te wekken, maar er wel zorg voor te dragen, dat alleen de uitwerkingen daarvan op aarde kenbaar worden.

Het is duidelijk, dat degene, die dit doet met duistere krachten, zichzelf daarvan tot slaaf maakt, omdat zolang de wereld aanhoudt, de eigen persoonlijkheid voortdurend bij deze werking betrokken blijft.

Uitgaande van een eenvoudig magisch werken moet men wel beseffen, dat de z.g. wetenschap of de regels, die indruisen tegen de menselijke rede, toch juist zijn, indien wij het totaal der condities aanvaarden. Zonder dit aanvaarden is geen magie mogelijk. Er bestaat dus een tweeledigheid van rede: de magische redelijkheid en de menselijke. Deze twee met elkaar te vermengen voert tot mislukkingen, eventueel onverwachte resultaten. De innerlijke mens zal door zijn eigen wezen en de daarin behouden krachten een zeer groot aandeel kunnen nemen in het totaal van het magisch bereiken en in vele gevallen eerder zelf aansprakelijk zijn voor de resultaten, dan de door hem (vaak imaginair) opgeroepen geesten e.d.

Wij moeten echter in deze magie wel degelijk scheiding maken. Wij kunnen spreken bij deze magie over de geestenmagie (daarmee bedoelende alle andere werelden, die voor de magiër benaderbaar zijn) en de voorwerpenmagie (waarbij het gaat om het binden van krachten, ook wanneer deze geen persoonlijkheid hebben). Het gebruik van krachten, die wel een bepaalde tendens vertonen, maar geen eigen persoonlijkheid hebben, is over het algemeen aan te bevelen voor allen, die beginnen. Immers men kan niet zijn wensen vervuld krijgen, etc. etc., indien men persoonlijkheden inschakelt, die ook een eigen reactie hebben.

Afstemming op krachten geschiedt altijd op de juiste wijze door eigen instelling. Gebruikmaken van formules voor het instralen van voorwerpen, talismans e.d. verdient aanbeveling, daar zij een zeker houvast geven. Dit wil niet zeggen, dat die formules bindend zijn. Elke improvisatie, die de juiste sfeer heeft, de juiste tendens, weergeeft, is bruikbaar. Woorden hebben in de magie geen betekenis; alleen klanken. Er wordt gewerkt met trillingen. De taal, die men spreekt, is immers toch niet verstaanbaar voor de geest. Het gaat om de gedachte, die erbij is. Voorwerpenmagie kan bestaan uit het instralen van bepaalde stoffen. Het eenvoudigst voorbeeld is het instralen van water of het z.g. magnetiseren ervan, om daaraan een suggestieve of genezende werking te verlenen. Een zeer moeilijk voorbeeld daarvan is het geven van een z.g. ziel aan een beeld of een voorwerp, dat meestal een persoon of een dier voorstelt, met de bedoeling deze persoonlijkheid door het beeld voortdurend te laten werken.

Deze persoonlijkheid is astraal geschapen, heeft geen eigen leven en is gebonden aan de schepper.

Wij kunnen dan verder gebruikmaken van bepaalde voorwerpen, die door hun vorm bv. bepalend zijn voor hun werking. Zo is het haast onmogelijk om bv. een Salomo-zegel voor zwarte magie te gebruiken. Wel kan het in de zwarte magie gebruikt worden als afweer voor gevaarlijke geesten, maar verder gaat die bruikbaarheid niet. Wel echter is het bruikbaar voor een groot aantal acties en handelingen, waarbij men voor zichzelf goede krachten in zeer grote mate wil wekken. Het hoofdbegrip daarbij is de Godheid in vorm en naam Tetragrammaton, terwijl de kerngetallen 1, 3, 7 en 9 zeer belangrijk zijn.

Gaan wij uit van andere zegels, dan zal u opvallen, dat de meeste zegels zijn gebaseerd ofwel op heilige woorden (extracten uit de Heilige Schrift, de Koran, de Zend-Avesta enz. enz.) danwel zijn gebaseerd op planeettekens, planeettaal en z.g. hemelschrift. In al deze gevallen kan worden gezegd, dat wij door de vorm, die hier in symbolen is vastgelegd, in zekere zin de werking van het voorwerp beperken. Het kan nog alleen harmonisch zijn met de invloeden, daarin afgebeeld.

Het is dwaasheid aan te nemen, dat men bv. een spreuk aan iemand in kan geven door de inkt er af te wassen. Dit is bijgeloof. Maar wel kan men een bepaalde geestelijke kracht of krachtbron concentreren rond een persoon aan de hand van een dergelijke spreuk. De eigenschappen, die via een talisman en andere voorwerpen aan een mens kunnen worden gegeven, zijn echter nooit geheel bepalend.

Voorbeeld: Onkwetsbaarheid kan niet gegeven worden; wel een zeer groot gevoel voor gevaar en daardoor de mogelijkheid aan dit gevaar te ontkomen. Een verkeerde suggestie als onkwetsbaarheid maakt de talisman onbruikbaar. Een talisman, die geluk moet geven, kan inderdaad geluk brengen. Maar zij kan dit alleen doen, in zoverre eigen acties en reacties daarmede in verband staan. Een talisman, die wijsheid moet geven, kan alleen wijsheid geven als de primaire gedachte in de mens zelf aanwezig zijn. Zij kan echter dienen als een aanknopingspunt en andere impulsen, die daarmede harmonisch zijn, doen optreden. Let wel, in alle gevallen is de talisman of bezwering gebonden aan de persoon van de magiër zelf.

Overdracht hiervan is niet mogelijk.

De rituele magie. In de rituele magie wordt – zoals u bekend zal zijn – o.m. gebruik gemaakt van z.g. geestenwapens (geestendolk, geestenzwaard) van beschermende figuren of diagrammen (en vaak tevens dienend om de opstelling van de aanwezigen aan te geven); beschermende cirkels, enz. Lampen, geurstoffen, alles is afgesteld op een bepaalde trilling.

Degenen, die daarmede werken, moeten er rekening mede houden, dat zij nauwkeurig moeten zijn in hun arbeid. Juist omdat de wetten zelve, waaraan deze magische consequenties gehoorzamen, niet bekend zijn en slechts incidenteel enigszins kenbaar worden, dient men zich met nadruk te houden aan al hetgeen daaruit voortkomt.

Alle vormen van magie zullen verder inhouden een periode van preparatie, voorbereiding. Na die periode van voorbereiding volgt een periode van eerste werk of eerste werkzaamheden, waarbij de magiër nog geen magisch geweld uitoefent, maar door het verrichten van de juiste handeling (bv. het aansteken van lampen, het verbranden van wierook, het spreken van juiste incantaties en evocaties) de sfeer vormt, waarin hij werken kan.

De tweede periode is de periode van directe activiteit. Men dient wel te beseffen, dat een volledig daadloos magisch werkzaam zijn onmogelijk is, Degene, die daaraan wil deelnemen, zal – zodra hij een belangrijke rol speelt in het ritueel – met bepaalde bewegingen, eventueel geluiden enz. daaraan tegemoet moeten komen. Want elke handeling moet de weergave zijn van iets, wat men geestelijk wil volbrengen.

Vergelijk: In de vormkennende sferen is reizen gelijk aan het zetten van de eerste schreden plus het kennen van het doel.

Voor de magiër geldt dit ongeveer op gelijke wijze. Alleen gaat het hier niet om een doel in ruimte maar in krachten.

Na elke bezwering volgt als derde fase de periode van vrijlating en zuivering. Eventuele geestelijke contacten moeten worden vrijgemaakt; zij mogen niet aan de wereld van de magiër blijven kleven. Alles wat gebruikt is moet rein en zuiver zijn, zodat het niet een werking of contact met een andere wereld kan continueren.

Daarna volgt een periode van ontspanning. Ook deze is noodzakelijk, omdat alleen op deze manier de gespendeerde zenuwkrachten enz. veer kunnen worden opgenomen. Alle magisch ritueel dient men dus te beschouwen als een proefneming, waarbij alleen datgene, wat voor u persoonlijk resultaat oplevert, ook verder gebruikt en gecontinueerd wordt. Al het andere wordt terzijde gesteld.

Ik wil er verder op wijzen, dat magische rituelen alleen dan mogen worden uitgevoerd, wanneer men zelf zich daarvoor terdege heeft voorbereid, niet slechts door het vergaren van de noodzakelijke kennis en de noodzakelijke impedimenta, maar ook door het reinigen van eigen lichaam, door het reinigen van al datgene, wat men draagt. Men moet dus zo rein, met zo weinig mogelijk aanhangsels van de aarde a.h.w., een dergelijke actie beginnen.

Heb ik in het voorgaande dan de rituele magie beschreven, zo wil ik nog wijzen op enkele punten, die ook belangrijk kunnen zijn. Allereerst: het scheppen van een aanvulling voor eigen wezen.

De doorsneemens beschikt over zeer grote capaciteiten, waarvan hij slechts een gedeelte durft activeren. De rest is door gebrek aan zelfvertrouwen, gebrek aan geloof in eigen ik of kennis, niet actief. Deze rustende delen van eigen wezen kunnen worden geactiveerd door het opbouwen van een aanvullende gestalte, die geen reëel leven heeft, ofschoon zij door bepaalde scholen soms zelfs geactiveerd wordt tot een materialisatie toe. Deze gestalte is datgene, waarmee wij samenwerken en waarop wij een beroep doen. Deze gestalte kan een vorm hebben en zij kan vormloos zijn; dit is van onszelf afhankelijk. Wel moeten wij daaraan eigenschappen toeschrijven, die een aanvulling vormen van ons eigen wezen, zo a.h.w. de tekorten van het eigen ik opvangende. Het bouwen van een dergelijke figuur vraagt maanden.

Is de figuur echter opgebouwd, dan kan de beginner daarop een beroep doen op elk ogenblik, dat zijn eigen krachten en vermogens schijnen tekort te schieten. De aanvulling, die hij ervaart, is in feite, een aanvulling uit zijn eigen wezen, waarbij hij verder het voordeel heeft, dat hij een bepaald deel van zijn capaciteiten onmiddellijk, zonder uittreding of verdere concentratie van het wezen, astraal tot uiting kan brengen. Is men zover gevorderd, dat men zichzelf bewust is en dus weet waar eigen grenzen op dit ogenblik liggen, dan dient een dergelijke figuur vernietigd te worden, want zij kan dan verder alleen nog maar nadelen met zich brengen en geen voordelen.

Een belangrijke factor in alle magisch streven zijn begrippen als licht, duister, goed, kwaad e.d. Indien men deze op conventionele wijze hanteert, zal blijken dat een groot gedeelte van het magisch gebied niet betreden kan worden. De menselijke conventies zijn n.l. niet in harmonie met de kosmische werkelijkheid. Slechts door die conventies terzijde te stellen voor zoverre het de magie betreft, zal men in het magisch werken en leven goede resultaten tot stand brengen.

Om een goed magiër te zijn dient men echter ook op de hoogte te zijn van al datgene, wat in de mens bestaat. De doorsnee-magiër heeft behoefte aan een redelijke kennis van menselijke psychologie. Hij moet een redelijk inzicht hebben in het menselijk wezen en zo mogelijk althans de uitstraling van de mens kunnen aanvoelen. Hij moet in staat zijn, zijn eigen vitaliteit te richten en te stuwen, zo mogelijk ook zonder directe contacten. Eerst daardoor is hij in staat voor elke magische werking ten bate van anderen precies af te schatten wat noodzakelijk is.

Indien men magie verricht ten bate van anderen en daarbij eigen wezen als maatstaf gebruikt, zullen de gevolgen vaak verkeerd en soms zelfs fataal zijn. De ander, die niet over dezelfde krachten, inzichten of persoonlijke kennis beschikt, zal immers dat, wat voor u normaal en hanteerbaar is, niet kunnen verwerken, vooral niet wanneer, het hem in zijn gedachtewereld of zijn levenswereld benadert. Daarom moet men alle magie grote voorzichtigheid in acht nemen, tenzij men de persoon waar het om gaat kent.

Dit geldt niet voor de zwarte magie; maar hier moet de magiër rekening houden met het feit, dat elke kracht, die uitgezonden is en niet geaccepteerd of verwerkt kan worden, tot hemzelf terugkeert, met alle gevolgen van dien.

De kwestie van de praktische magie vraagt ongetwijfeld menige afzonderlijke beschouwing.

Wij hebben in het afgelopen jaar ons best gedaan u ook enkele beginselen daarvan bij te brengen. Begrijp echter zeer wel, dat wat wij gegeven hebben niet meer is dan een vage richtlijn, een vage toespeling op datgene, wat werkelijk bestaat. Indien u in staat bent te werken met de vierde dimensie, met juiste concentratie- en contemplatiemethoden, zal dat ongetwijfeld reeds veel bijdragen tot uw beheersing en uw mogelijkheden.

In de praktijk mag ik dan nog even terugkomen op het zuiver menselijke. Praktische magie is voor vrijwel iedereen onmiddellijk hanteerbaar, mits zij berust op zuiver menselijke waarden en de daarbij ontstaande of voorkomende mentale en eventueel ook astrale uitstralingen.

Zolang geen resultaat wordt verlangd of geen stimulans, die verdergaat dan eigen levensgebied van de mens, kunnen magische ritualen met redelijk goed resultaat tot stand worden gebracht. Onder deze vormen van magie behoren o.m. suggestie, hypnose, het overbrengen van mentale bevelen, ook t.o.v. lichaamswerkingen en actie in bepaalde lichaamsdelen. Genezende kracht kan ook eventueel hieronder vallen, zo zij op een bewuste stralingsbasis en niet slechts op een geloofsbasis aan anderen wordt gegeven.

Beheersing van materie, multiplicatie, imitatie, enz. behoren niet tot dit terrein. Beheersing van materie vraagt een kennis van het grondgebied, waaruit de materie is ontstaan, de wereld der krachten. Alleen degenen, die daarin volledig thuis zijn, zullen – en dan vaak zelfs zonder ritueel of incantatie – in staat zijn materieel fantastische verschijnselen tot stand te brengen.

Dan wil ik hier – waar dit de laatste les is – nog gaarne ingaan op enkele aspecten van het onderwerp en wel speciaal die aspecten, die in verband staan met de menselijke psyche en de daaruit voortvloeiende verschijnselen. Begrijp mij dus wel, wat ik u hier beschrijf is een hulpmiddel, dat bij de magie wordt gebruikt, maar niet zonder meer op zichzelf magisch is.

Bij het bezien van de mens dienen wij altijd weer te begrijpen, dat achter zijn uiterlijk een gedachtewereld schuilt, die vreemd is aan zijn uiterlijk gedrag. Slechts weinige mensen, die in zich voldoende beheersing bezitten, komen toch tot een volledige persoonlijkheidsuiting.

Alles wat in een mens niet geuit wordt maar in droom, fantasiewereld e.d. verwerkt wordt, bouwt zich op als een spanning, die ook lichamelijk kenbaar wordt. Deze spanning kan overgevoeligheden tot stand brengen (o.m. voor contacten met andere werelden), maar zal zelden – waar zij onbeheerst is – goede resultaten geven. Wanneer wij te maken hebben met mensen, die een te groot verschil hebben tussen uiterlijk en innerlijk leven, zal het daarom onze eerste taak zijn dit innerlijk leven qua sfeer aan te voelen. Is de sfeer aangevoeld, dan kan men van daaruit verdergaan. De beelden op te bouwen, die in de mens leven als verborgenheid, betekent slechts dat wij bij die mens ressentimenten wekken en vaak een zeer groot verzet. Het heeft weinig zin al deze dingen op te rakelen en tot uiting te brengen. Maar de sfeer kennende zal het in vele gevallen mogelijk zijn het gedrag van de mens meer met die sfeer harmonisch te maken. Daardoor ontstaan lichte wijzigingen in eigen denken en gedrag en wordt de mens voor ons gemakkelijker benaderbaar, terwijl hij voor zichzelf over het algemeen vitaler en gezonder wordt.

Wij hebben in zeer vele gevallen ook te maken met defecten, stoffelijk en ook geestelijk, die niet reëel zijn. Zij zijn reëel genoeg als verschijnsel, maar zij zijn irreëel, doordat hun oorzaak is gelegen in de gedachte en niet in van buiten komende oorzaken en invloeden. Wanneer wij te maken hebben met iemand, wiens kwaal voor een groot gedeelte van de innerlijke wereld uitkomt, zullen wij moeten nagaan, wat deze mens in feite verlangt. Daarbij zal het ons opvallen, dat de doorsneemens juist datgene tot uiting brengt, wat hij in feite verlangt. Hij doet dit echter op een vreemde manier. Hij toont zich hulpbehoevend, wanneer hij in feite hulp zou willen verlenen. Hij toont zich buitengewoon sterk en eigenzinnig, wanneer hij in feite aan een sterke leiding behoefte heeft. Hij toont zich verward, wanneer hij in feite helderheid in zichzelf meent te kennen en naar buiten toe meent te mogen projecteren. Hij zal in alle lichamelijke verschijnselen verder datgene tot stand trachten te brengen, wat hem de mogelijkheid geeft zijn innerlijke wereld te beleven, zonder met die uiterlijke wereld in conflict te komen. Daardoor zullen vele gebreken en kwalen, wanneer ze goed ontleed worden, ons een aanwijzing geven voor de innerlijke gesteldheid van de persoon. Wanneer wij op psychische basis dus kwalen zien als reuma, krachtverval e.d., dan kunnen wij er bijna zeker van zijn, dat deze mens in feite van vele aansprakelijkheden en verplichtingen ontheven wenst te zijn. Hij kan dit voor zichzelf niet toegeven en veroorzaakt uit die strijdigheid een ziekteproces, dat hem in feite tot de verwerkelijking van zijn wensen in staat stelt. Nemen wij de druk en de noodzaak weg en geven wij daarvoor in de plaats een stimulans, dan blijkt dat die kwaal terugloopt.

Dit is alles nog gesteld op een zuiver materiële basis en zou eerder thuishoren in een verhandeling over psychotherapie dan over magie. Wanneer wij echter magisch willen werken, dan zijn wij – zoals reeds werd gesteld – sterk afhankelijk van de sfeer, die in een bepaalde mens leeft. De sfeer is kenbaar aan uiterlijke tekenen. Door het veranderen van betrekkelijk kleine details in de uiterlijke omstandigheden, kunnen wij vaak de innerlijke sfeer van een mens aanmerkelijk wijzigen. Wanneer het ons er magisch om gaat het contact tussen een mens en bepaalde reeksen van krachten of een bepaalde wereld tot stand te brengen (zelfs met bepaalde personen), dan zullen wij dus moeten uitgaan van een zodanige wijziging van stoffelijke condities en omstandigheden – hetzij door suggestie, hypnose, zuiver materiële hulp, beïnvloeding van omgeving e.d. of andere middelen – dat deze mens innerlijk vatbaar wordt voor hetgeen wij op hem willen projecteren.

Op het ogenblik dat wij, werkende voor een ander, in deze een voldoende rijpheid ontdekt hebben, zullen wij nog steeds moeten nagaan, welke van de binnen ons bereik liggende krachten voor deze persoon bruikbaar zijn. De magiër, die bewust handelt voor alles, is verplicht steeds weer werelden, krachten en machten te kiezen, die hij in zichzelf kent. Als regel mag gelden: men kan alleen anderen in contact brengen met die krachten; sferen en werelden, waarmede men zelf reeds harmonisch is en een – zij het beperkt – contact bereikt.

Op het ogenblik dat de magiër echter te veel zichzelf weer op raad en werkingen uit andere werelden gaat verlaten, ontstaat een dubieus verschijnsel. Hij kan n.l. niet meer werken krachtens deze raadgevingen aan de hand van zijn eigen harmonie, de in hem aanwezige sympathische krachten e.d.; hij dient te werken aan de hand van iets, wat hij niet bezit, maar zijn raadgevers wel. Het gevolg is: voortdurend vreemde ontwikkelingen: soms zeer grote resultaten en successen, maar in vele gevallen ook onverklaarbare fouten en feilen. Daarom moet men leren bewust van zichzelf uit te gaan.

Heeft men – werkende voor anderen – behoefte aan raad en hulp zo zal men deze moeten zoeken in een sfeer of wereld, waarin men zelf:

  1. gelooft, waarmede men
  2. harmonisch is en waaraan men
  3. beperkt of volledig in de stof uitdrukking durft en kan geven.

Eerst wanneer dit het geval is, zullen de raadgevingen voldoende duidelijk zijn voor u, om ze onmiddellijk te gebruiken en direct in de praktijk om te zetten. Ze blijken dan volledig bruikbaar en een bevordering van elk resultaat, dat u nastreeft.

Gaan wij uit van de geestelijke structuur van de mens, dan valt ons op, dat elk mens in praktisch alle geestelijke werelden vertegenwoordigd is. Hij zal dit niet zijn in stoffelijke werelden. Dus wezens, die leven – zij het in geheel andere condities van ruimte, tijd, van suspensie, enz. dan de mens – doch bevoertuigd zijn of gebonden zijn met de materie, kunnen nimmer langs de innerlijke weg beïnvloed worden. Hier moet gekozen worden in het eigen innerlijk dat peil van bewustzijn, dat het meest actief is en een zuiver contact met en begrijpen van die andere wezens mogelijk maakt. Daarbij reken men ermee, dat alleen een gezags- of machtspositie in staat is daar onmiddellijk resultaten te brengen. Er zijn natuurlijk methoden denkbaar, waarbij men door voortdurend contact met bepaalde entiteiten (bv. natuurgeesten) op den duur hun vrijwillige medewerking verkrijgt. Men heeft echter weinig tijd om dit met alle voorkomende geesten en werken, die aan de aarde gebonden zijn en die in de materie leven te bereiken. Daarom geldt: ik zal alleen dan krachten, die buiten mijn innerlijke geestelijke werelden en structuren liggen, aanspreken en daarin werken, wanneer ik ervan overtuigd ben, dat ik over voldoende kracht en gezag beschik om mijn wil daar onmiddellijk gelding te verschaffen.

Het z.g. gebruiken van demonen, behorend tot de zwarte magie, berust op een uitstraling, die chaotisch of negatief is. Afscherming tegen dergelijke chaotische invloeden wordt op een zeer eenvoudige wijze tot stand gebracht, n.l. door een volledige concentratie op iets, wat voor het eigen wezen lichtend, helder en zo mogelijk met het Goddelijke gelieerd is. Dit alleen op zich vormt een schild, waartegen elke demonische of chaotische kracht a.h.w. afstuit en wordt teruggezonden naar zijn bron. Is men in staat een dergelijk schild in stand te houden gedurende de periode van aanval, dan kan men zeker zijn, dat de bron zelf vernietigd wordt door deze werkingen, voor zover het zijn mogelijkheden in uw eigen onmiddellijke wereld betreft.

Alle methoden van afscherming, die gebruikt worden, berusten in feite op een innerlijk vertrouwen, een innerlijk weten en concentratievermogen. Hoe groter hierbij de kennis van het ik is, hoe werkzamer en meer omvattend natuurlijk de afscherming kan zijn. Maar de basis van alles is een zeker zelfvertrouwen. Niet een vraag of men lastiggevallen zal worden, maar – bij het erkennen van de invloed – een zeggen: Ik zal hierdoor niet lastig gevallen worden.

Symbolen zoals het trekken van een cirkel e.d. kunnen vaak – gezien hun suggestieve steun alsmede de bewegingsmagie, die erin gelegen kan zijn voor het ik – als behulpzaam of werkzaam worden beschouwd. Ik wil hierbij opmerken, dat dit niet alleen uitwendig behoeft te geschieden, maar dat dus ook b.v. een aanbrengen van symbolische cirkels binnen eigen hand, of zelfs het trekken van een cirkel met de tongpunt op het gehemelte – mits men dit identificeert met deze afscherming – een even goede en magisch even geldige actie is.

Afscherming tegen krachten is belangrijk; maar zij kan alleen juist bereikt worden, indien men niet vreest. Wees nimmer bang voor resultaten, die u uit geestelijke of demonische werelden zouden kunnen worden gebracht. Degene, die bevreesd is, is slaaf, is slachtoffer. Degene echter, die geen vrees kent, is meester over al wat uit het duister komt en kan daardoor niet worden aangetast, ook wanneer hij misschien geen mogelijkheid heeft om dit duister te bevelen. Lichte krachten echter zullen – dit vertrouwen erkennende – het wezen steunen in een vergroting van zelfkennis en zelfontwikkeling.

Dan wil ik nog kort samenvatten wat wij o.m. geleerd hebben omtrent niveaus en sferen. In elke mens is een zodanige reeks van voertuigen, dat in de praktijk kan worden gezegd, dat zover zijn bewustzijn innerlijk reikt ook alle daarin voorkomende werelden door hemzelf bewoond en beleefd kunnen worden. Het onvermogen van de doorsneemens om zich lichamelijk los te maken van eigen wereld en voor een ogenblik in een totaal andere realiteit te verzinken, brengt met zich, dat men deze innerlijke werelden vaak eerst na de dood leert beleven. Er bestaat echter voor de mens een vervanging. Deze vervanging noemt men: fantasiewereld. Deze fantasiewereld – mits bewust gebruikt – is niet slechts een zelfonthulling, maar kan bovendien gebeurtenissen, invloeden, werkingen en verhoudingen op een ander dan het stoffelijk niveau binnen het ik weergeven. Pogingen om dit te duiden zijn niet noodzakelijk.

Men verwerpt steeds de fantasie en zegge nimmer, dat deze dus werkelijk zou zijn in eigen wereld, haar door haar in de hersenen toe te laten bereikt men:

  1. Het geestelijk beleven op een bepaald niveau of een uitdrukking van dit geestelijk beleven.
  2. Een activeren van alle daarmee harmonische factoren binnen eigen lichaam.
  3. Een zo groot mogelijke werking van deze harmonie binnen het eigen ik.

Gebruikmaken van hogere geest. Dit kan nimmer geschieden vanuit eigen wil. Hier kan nimmer een evocatie maar hoogstens een supplicatie worden gebruikt. Tegenover alle hogere en lichtende kracht treden wij verzoekend en vragend op. Slechts indien wij ons op een bewuste hoogste kracht in ons-zelven beroepen, kunnen wij – mits deze kracht daarmede instemt – krachtens deze kracht een opdracht geven aan lagere lichtende werelden, die echter toch boven ons eigen niveau liggen. Zelfkennis is dus wel een zeer belangrijke kwestie. Deze zelfkennis zal binnen de mens nooit zover gaan, dat hij alle lichtende werelden geheel bewust betreedt. Incidenteel of zelfs in gewoonte betreden van bepaalde werelden, houdt dus nog niet in, dat de totale scala van het eigen innerlijk en de daarmede verknoopte wereld- of bewustzijnsmogelijkheden geopenbaard worden Indien de zelfkennis binnen de stof eerlijk en reëel is, met een terzijde stellen van alle zelfbedrog, met een aanvaarden van eigen aansprakelijkheid voor het totaal van eigen handelingen en daden, kan zo echter reeds veel bereikt worden.

Belangrijk is verder dat een ieder, die wil werken met de geest en geestelijke krachten, leert om een onmiddellijk besluit te nemen. Dit schijnt u misschien vreemd of moeilijk. Maar laat ik er u aan herinneren, dat wij bv. bij de militairen heel vaak horen, dat het op zekere ogenblikken beter is om een verkeerd bevel te geven dan geen bevel. Voor de mens moge gelden, dat het op bepaalde ogenblikken beter is een verkeerde actie te nemen dan geen actie; omdat hij slechts door de actie de in hem liggende bewustzijnswaarden kan activeren, maar in zijn afwachtende houding zowel de geestelijke wereld als zijn stoffelijk wezen tot een gehele of gedeeltelijke stilstand doemt.

Besef steeds dat een harmonie tussen stof en geest belangrijk is. Zolang u in de stof leeft, moeten stof en geest zoveel mogelijk, als eenheid worden behandeld. De mogelijkheden, die men in de geest bezit, kunnen dan – zij het misschien voorlopig – beschouwd worden als een extensie van stoffelijke wereld en stoffelijk kunnen.

Alle berekeningen en menselijke denkwijzen moeten op stoffelijk-redelijke basis plaatsvinden.

Al hetgeen men stoffelijk wil bereiken, moet gebaseerd zijn op stoffelijke kennis. Wijsheid van de geest kan alleen geopenbaard worden, wanneer zij een minimum aan kennis heeft, waaraan zij haar inzichten kan verbinden. Eerst zo ontstaat een stoffelijke uitdrukkingsmogelijkheid.

Ten laatste wil ik er u op wijzen, dat een ieder – en zeker de magiër – leeft temidden van een wereld, waarmee hij harmonisch moet zijn. Hoe groter de haatfactoren worden, die van u uitgaan, hoe feller de wereld – en niet alleen de stoffelijke wereld, maar vele geestelijke werelden met haar – zich tegen u zullen wenden. Hoe groter de hoeveelheid kracht is, die men nodig heeft om eigen onevenwichtigheden of strijd met de wereld, te bedwingen, hoe kleiner de actieve mogelijkheden, die men bezit. Alle hulpmiddelen, die het menselijk weten heeft ontworpen – gaande van de verschillende soorten van yoga, de kabbala, alchemie, via de natuurmagie tot de meest vreemde vorm – zijn principieel bruikbaar, indien eigen instelling juist is. Deze instelling dient te zijn: een zo groot mogelijke liefde en genegenheid voor het totaal van de wereld met een zo weinig mogelijk daarin leggen van zuiver persoonlijke aspecten.

Zuiver persoonlijke genegenheden mogen nimmer worden beschouwd als een vorm van harmonische liefde. Zij kunnen dit zijn tussen twee personen; maar de liefde die het geheel, dat zo ontstaan is, koestert t.o.v. de kosmos, is dan bepalend voor de werking van de kosmos t.o.v. dit geheel. Dus de onpersoonlijke genegenheid of zo ge wilt de naastenliefde is één van de belangrijke factoren in het magisch bereiken.

Ik heb u hiermede een overzicht gegeven van veel, wat reeds besproken werd en ik heb u daarbij enkele aanvullingen gegeven. Ik hoop dat deze les u van dienst zal kunnen zijn ook bij uw esoterisch zoeken. Want ofschoon de magiër zoekt naar het resultaat buiten zich en de esotericus vooral het resultaat in zich wil kennen, zullen beiden toch aan dezelfde maatstaven gebonden zijn, voor zover het de ontplooiing van persoonlijk bewustzijn zal betreffen.

Eveneens wilsscholing en wilsuiting zijn voor beiden gelijk. Als zodanig kunt u ook – indien u niet wenst een magische ontwikkeling te volgen – alleen door het beschouwen van de esoterische waarden, hierin gelegen en hieraan verknoopt, voor uzelf nog vele lessen trekken.

Ik beëindig hiermee dit eerste deel en ik wijs u er op, dat het tweede deel zal worden gewijd aan zuivere esoterie, waar ongetwijfeld gevoelselementen en gevoelswereld belangrijker zullen zijn dan de poging tot redelijke ontleding en erkenning, die dit eerste deel heeft gekenmerkt.

0-0-0-0-0-0

 Over esoterische waarden

Ik zou graag met u willen spreken over esoterische waarden. Natuurlijk beginnen wij altijd weer te putten uit hetgeen de mens daaromtrent al heeft geschreven en vastgesteld. En misschien lijkt mij wel één van de zuiverste omschrijvingen van een esoterische bereiking een gedicht van een Boeddhistische priester of monnik, die uitroept:

“Ik wil het Niet beleven. Maar zijnde in het Niet, is het mijn eigen wezen, dat heel de kosmos ziet in zich. Slechts het begeren en het vrezen zijn mij gestorven.”

Hij geeft daarmede de beleving weer, die men wel eens – overigens verkeerdelijk – nirwana wil noemen; en daarnaast ook wel datgene, wat wij bereiken, wanneer wij de werkelijke zelfkennis vinden. Ons eigen wezen is een weg, die wij moeizaam gaan. Uit alles wat vorige levens als wrakhout op het strand van het ik hebben achtergelaten, bouwen we onszelf steeds weer een nieuwe hut, een nieuwe woning en steeds weer proberen wij om de zee des levens zelf te overzien, te begrijpen en te overbruggen.

Ik weet wel, dat men zegt: het gaat ons om de zelfkennis. Maar of dit geheel waar is, meen ik te mogen betwijfelen. Want, wanneer wij zoeken naar de kern van de zaak, dan streven wij niet naar ons zelf. Het ik, dat nemen wij als iets vanzelfsprekends wel aan.

Maar wij zouden willen weten wat leven is. Het begrip leven, dat wij zolang hebben ondergaan, zouden wij willen zien in een nieuwe gedaante, in een nieuwe gestalte. Wij zouden het eindelijk begrensd willen zien. Begrijpelijk; want alles wat de mens kent, is begrensd. Hij ziet rond zich het Al, dat in zijn sterrenwereld ergens een punt kent van leegte. Hij ziet het menselijk leven, dat begrensd wordt door de dood. Hij ziet de kringloop misschien van opeenvolgende levens, die steeds weer stof en sfeer wisselend op den duur toch ook de beperking zijn van het ik. En het is dit, wat hij in feite in waarheid zoekt.

Te zeggen “Ik zie in het Niet mijzelf” is wel het suprême moment van zelfontdekking. Voor het eerst zie je het leven niet meer als werelden buiten je, als krachten waardoor je gedreven en gezweept wordt, gejaagd met een onbekende bestemming, maar als een besloten kosmos, een begrensd iets. Daarbuiten is niets meer over. Alles leeft in jezelf. En al, wat in jezelf is, ken je. Dan pas kun je zeggen: Nu weet ik wat leven is. En dat leven kun je pas kennen, wanneer er dus geen invloeden meer zijn, die je van buitenaf kunnen voortdrijven als begeerten of angst. Waar weten is, daar houdt de angst op. Waar weten is, houdt zelfs het begeren op, omdat het geen uitweg meer heeft. Zo dan is het doel, dat wij in de esoterie nastreven, een doel, dat we zoeken door het innerlijk wezen steeds weer te ontrafelen.

Ik weet niet of dat ontrafelen altijd wel gezond is. Er was eens iemand, die een buitengewoon mooie pullover had gebreid. Maar toen men wilde weten, hoe het aan dit fraaie patroon in vele kleuren kwam en het ontrafelde, was de vorm teloor gegaan. Het voleinde product was alleen nog een vage herinnering en het kostte veel tijd dat opnieuw samen te stellen. De mens, die zich te veel wil ontrafelen en ontcijferen, staat bloot aan een soortgelijk gevaar. Hij zal misschien erkennen, dat dit deel van zijn leven uit gene incarnatie stamt; dat hier de hoge geest ingrijpt en dat daar het stoffelijk zelf of lagere krachten aan het werk zijn getogen. Maar ons wezen is een geheel. Een belangrijk geheel. Een geheel, dat gekend moet worden, dat ben ik met u eens. Maar kun je jezelf kennen, wanneer je probeert alles van elkaar te scheiden?

In ons leven, ons bestaan, zijn factoren die wij goed of kwaad noemen, factoren die wij als positief of negatief plegen te schilderen. Maar kunnen wij deze dingen onafhankelijk van elkaar bezien? Het is heel erg moeilijk. Want veel van het goede, dat je op aarde doet, is in feite een compensatie voor het kwade, dat in je leeft of dat je gedaan hebt. Veel van het lijden, dat je ondergaat, is een compensatie voor iets, wat jezelf als lijden hebt geschapen; in feite dus een goed. De waarden erkennen, die je leven uitmaken, is alleen mogelijk in het juiste verband, in de juiste samenhang.

Wanneer wij dan ook verder willen gaan met zuiver esoterische beschouwingen, zo mogen wij nimmer proberen één weg zonder meer te volgen. Het is de grote fout van de mens, dat hij steeds weer zegt: er is maar één weg. Er zijn altijd vele wegen. Maar er is maar één weg, die voor ons de juiste is. En het is op deze weg, dat wij de beste vorderingen maken. Maar het ontkennen van het feit, dat er andere wegen bestaan, is gevaarlijk. Want soms kom je op een kruising. Ergens, waar invloeden uit stof en geest elkander plots beroeren om elkaar daarna weer te verlaten. En je zou – menend dat er slechts één weg is en verder niet – een pad kunnen gaan, dat je niet past.

Ik zou graag weer grijpen naar al die oude dichters en filosofen, omdat zij dit ook overdacht hebben en het soms wonderlijk zuiver hebben gekenschetst. Er is een Chinees denker, die zegt: “Wanneer ik mijn leven bezie, is het alsof ik op een berg sta. Ik zie onder mij het kleine landschap, dat “ik” heet, doorkruist door vele wegen. Maar nimmer zal ik een juiste weg kunnen kiezen, voor ik mijn bestemming bepaald heb.”

Esoterie is niet alleen maar een zoeken naar de weg want dan zou het gemakkelijk en eenvoudig zijn. Het is een zoeken naar de juiste weg, die ons brengt, tot het doel, dat wij nu kiezen. En dat doel zal voor elk van ons ietwat anders liggen. Ieder van ons heeft een eigen inzicht over wat zijn bestemming is. Misschien niet juist, dat is waar. Maar dan zijn er altijd wegen, die verder voeren, er zijn altijd nieuwe mogelijkheden om op een bergtop te staan en de wegen te overzien, tot je weet: zo moet ik gaan.

Daarom zou ik – in zekere mate tenminste – de esoterie en de esoterische beschouwing willen zien als een bergtop. Wij vluchten in de abstractie. Wij vluchten in de filosofie. Wij vluchten weg van alles, wat dagelijks leven is en stellen daarvoor in de plaats een wereld vol van symbolen en gedachte. Een wereld, die ons een doel geeft. Een doel, waarvoor wij een gemeenschappelijke term kennen, maar die elk van ons op zijn eigen wijze interpreteert. Die esoterie kan ons nooit dienen als bereiking in zichzelf. Dat moet men goed begrijpen. Zij is het middel om de juiste weg te kiezen.

Niet iedereen begrijpt dit. En ik denk, dat dit is voortgekomen uit de gedachte, dat wanneer je jezelf nu maar kent alles in orde is. Maar vraag u eens af of dat werkelijk waar is.

“Ik kende mijzelf en wist mijzelf een steen.

En in het bouwwerk van het Al zocht ik mij een plaats.

Maar ik koos mijn plaats zelf, niet bewust vazal te zijn van Hem,

Die bouwt, doch zelf beslissend.

En zo was de symmetrie verstoord.

en werd ik van mijn plaats gereten

om hernieuwd mijzelf te zoeken,

hernieuwd het weten om mijzelf.”

En de schrijver hiervan besluit dan wat pessimistisch:

“Misschien zal ik nog 1000 malen wederkeren, voordat ik weet: Ik ben niet slechts een steen, doch vast deel van een wand, gebouwd reeds in het denken van de Bouwer.”

Misschien klinkt het vreemd, dat deze symboliek – schijnbaar zo verwant aan moderne esoterische denkwijzen – van ver voor Christus stamt, kort na de val van Babylon, kort na de overwinning van Meden en Perzen. Maar de dichter hier begreep waar het om ging. Esoterie is niet alleen jezelf kennen, ofschoon zelfkennis er een deel van uitmaakt. Het is het uit jezelf voortgaan naar de plaats, die voor jou bestemd is. Niet de plaats, die je zelf begeert. En daarom moet de esotericus het begeren terzijde stellen. Maar hij mag ook niet vrezen, dat hij misschien verkeerd doet. Hij mag niet gaan naar zijn plaats in de schepping, hij moet gaan tot de Bouwer.

Het is moeilijk dat precies te begrijpen. We hebben altijd zo het idee: “Ja, maar God heeft de schepping volmaakt geschapen. Wanneer wij onszelf erkennen, dan weten wij onze plaats in die schepping.” Maar wij vergeten één ding: Al zijn wij voor onszelf uniek, in de kosmos zijn we dat niet. Want wij zijn eigenlijk elk ogenblik van ons leven een nieuwe gestalte. Een mens, die leeft, wisselt zijn stemming, zijn gedrag, zijn wensen. Hij wisselt zijn angsten, zijn begeerten, het tempo, waarin hij handelt en regeert. En zo is hij steeds weer een ander. En een geest, die leeft in een sfeer met vormen, is niet meer gelijk aan diezelfde geest, die leeft in een wereld zonder vorm. En hij, die zich baadt in een verblindend licht, een schijnbaar zilveren “niet” in een vloed van verterende waarheid, hij is niet gelijk aan de vonk, die eens uitging en zeide: “ik ben.” Ons leven is een weg en onze weg is onze vorm. En mag je in elke fase misschien van al, wat je rond je ziet, enigszins verschillen, er is een zeer grote overeenkomst tussen vele wegen. De mensheid zelf herhaalt steeds weer dezelfde gebeurtenissen en dezelfde belevingen.

Een ziener heeft eens gezegd: “Gij vraagt u af: waar is de trotse handelsstad, waarin de tempel van de maan met haar toren het eerste baken was?”  Dan praat hij even verder over dat verleden en zegt er dan achteraan: “Maar ziet, de slaaf die daar gaat, was eens een koopman in Ur. En hij, die daar in al zijn statie voorbijtrekt, was eens een slaaf.”

De denker daar, hij werkte eens in de keukens van een. vorst. En gene, armoedig gekleed maar sprekend met wijsheid, hij was het eens, die de gezangen zeide, als de maan zich spiegelde in de vijver bij de toren.

En hij heeft gelijk. Want zo is het. Wij wisselen vaak van leven tot leven van plaats, als de stukken van een schaakspel. Maar ons leven is niet de partij, die wordt gespeeld. En dat moeten we begrijpen. Ons leven is het spel zelf, het geheel. Het geheel met zijn oneindig aantal mogelijkheden. En daarom is er zoveel, dat identiek is met ons, zodra wij de volmaaktheid benaderen. Maar niet deze volmaaktheid is zo gelijk, dat ze onderling vervangen kan worden. Wanneer je komt tot het ogenblik van diep en intens beleven, waarin. je een ogenblik de grote, de uiteindelijke waarheid ziet, dan ken je jezelf. Maar zelfs dan geldt nog: Wat ken je van je schepping, wat weet je van het totaal der lijnen, waarop het Al is opgebouwd, buiten die mensheid? Je zou kunnen zeggen met één, die men bijgelovig noemde:

“Zijn er dan niet de dwergen, die wonen onder de bergen

en de feeën die gaan als vlinders over de bloemen

en dansen op het dauwnatte gras in de nacht?

Zijn daar niet de vreemde wezens, die tussen werelden leven

en de bewoners van de bomen, de stromen en de wolken?

Zijn er niet de sterren zelf, die leven?

Wie ben ik, mens, dat ik een oordeel vel

over een wereld, mij zo onbekend.”

O, gij zult zeggen: dat is bijgelovig. Maar is het niet waar? Hoe vele werelden bestaan er buiten uw eigene? En daarom kunt ge niet zelf uw plaats in de kosmos bepalen. Dat kan alleen de Schepper doen.

Natuurlijk zijn er methoden om tot die Schepper te komen. Sommige zijn wegen van wijsheid, andere van geloof. Soms zijn er wegen van liefde, dan weer van gerechtigheid. Vele vragen voeren tot de Schepper. Maar één ding is zeker: Alleen wanneer, wij in de Schepper opgaan, niet zeggende: “Nu ben ik deel van U”, maar zeggende: “Zet mij in Uw wezen, in Uw werk, waar Gij mij een plaats bestemd hebt”, komen we tot de uiteindelijke beleving. Dan komen we tot de laatste ervaring: de versmelting met een ander tot eenheid. Wij blijven onszelf; zoals stenen in de muur of de stenen, waaruit een piramide is opgebouwd, tenslotte dezelfde zijn.

Zij blijven zichzelf met het merk van degene, die ze gehouwen heeft; met het merk van hen, die ze gebakken heeft. Maar tezamen eerst op de juiste plaats zijnde, vormen zij het bouwwerk, het kunstwerk.

Zo is het met ons. Pas wanneer wij tot eenheid versmolten zijn met dat onvoorstelbaar vreemde, dat wij kosmos noemen, dit spiegelbeeld Gods, uit Zijn wil voortgebracht, kunnen wij weten wat wij zijn en kunnen wij God kennen en één zijn met Hem op de plaats, waarop wij behoren en nergens anders.

In de 9e incarnatie van Anseikoetoekoe, een naar men zegt steeds weer incarnerende monnik, sprak hij op zijn troon tijdens zijn afscheid als abt van een klooster de volgende rede uit:

“Ik heb een leven lang gezocht mijzelf te kennen en nog ben ik mijzelf vreemd.

Maar u heb ik leren kennen en leren liefhebben.

Want gij, die mijn leerlingen zijt, gij zijt deel geworden van mijn leven.

En zonder u ben ik niets, doch met u voel ik mij mijzelf.

Ik weet niet wat de grote krachten en de Raad gezegd hebben omtrent mij en omtrent u.

Maar dit weet ik zeker: Zolang er waarheid is en zolang mijn wezen waarheid kan puren,

al kent het nog niet waarlijk zichzelf, ik zal terugkeren.

Behoud kinderen, mij mijn troon; want ik keer weer en ik zal u leren.”

Dat is natuurlijk voor Westerse begrippen een wat dwaze redevoering. Maar de man had gelijk.

Wanneer u leeft, geeft u veel aan anderen. U spreekt met anderen. Maar hoe vaak is het niet gebeurd, dat ge een waarheid – juist een waarheid, die uzelf diep beroert en diep treft – pas werkelijk hebt leren kennen, toen ge haar aan een ander wilde duidelijk maken? Hoe vaak hebt ge niet ontdekt, dat werkelijk beleven, werkelijk licht en werkelijke waarheid alleen maar kunnen voortkomen juist uit het delen, uit het uiten.

Menig esotericus zal hier roepen: Maar onze weg is toch een innerlijke weg. Zeker, want ons leven is de weg. Maar wij moeten die weg leren kennen. Wij moeten in ons het bewuste weten verzamelen, waardoor wij kunnen zeggen: Ziet, dit Al ben ik. En dat kunnen wij alleen door fase na fase te uiten, te openbaren. Naar buiten toe a.h.w. moeten wij spreken, wat wij in onszelf pas aanvoelen en pas geloven. En dan door de formulering, door de uiting, wordt het pas werkelijk. Dat geldt niet alleen voor de mens; dat geldt voor de geest en vaak voor de hoge geest.

Dit vreemde spel van uiting en zelferkenning moet dan ook worden gezien als een noodzakelijk deel van de esoterische weg. Want wij hebben niet alleen maar licht of wijsheid of zelfkennis nodig. Wij moeten juist een wijsheid vinden, die alle dingen omvat. Wij moeten eerst in onszelf het begrip van verlossing, van vrijheid vinden. Een vrijheid, die niet voor ons geldt – let wel – maar die wij anderen brengen, voor wij verder kunnen gaan. Het weten ligt overal achter ons. Het is een voortdurende schim, die met ons gaat en ons steunt, waar wij dreigen te wankelen of misschien zouden aarzelen en vallen. De kennis is onze steun en de wijsheid is ons wapen; datgene, waarmede wij ons verdedigen tegen de gevaren, die ons bedreigen en aantasten. Maar onze werkelijkheid is de uiting. Want alleen dat bezitten wij in onszelf; alleen dat kunnen wij liefhebben, dat kunnen wij helemaal aanvaarden.

Ik wil u niet te lang kwellen met deze gedachte, maar het is belangrijk genoeg om er a.h.w. met geweld nog eens de nadruk op te leggen. Om jezelf te kennen moet je je uiten en leven.

Esoterisch gezien juist natuurlijk. Men moet niet dat uiten, wat het stoffelijke spel of het spel van een sfeer zou willen, maar wat je in jezelf voelt als waar. Je moet jezelf dwingen het buiten jezelf neer te zetten als een vast en onaantastbaar feit, als iets wat je aan een ander kunt geven, iets wat je in die wereld kunt stellen als een gedenkteken misschien: Hier ging een ziel voorbij op haar tocht naar de eeuwigheid. Dan alleen bezit je werkelijk. Geven en verwerven zijn kosmisch gezien één. Want slechts dat, wat je geeft, kun je verwerven.

Over het pad, dat elk voor zichzelf gaat, is natuurlijk veel te zeggen, En we zullen een jaar lang trachten steeds weer andere delen daarvan te doen zien, steeds weer een andere benadering te geven, totdat ook gij zegt: “Hier is iets voor mij waar. Hier is iets, wat ik kan gebruiken en buiten mijzelf kan uiten en openbaren, tot ik het als onveranderlijke waarheid, deel van mijzelf, in mijn ego draag.” Maar de zin van het geheel, de zin moet je allereerst kennen. En die zin ligt in hetgeen de dichter zegt over het Niet en de zelfbeschouwing. Zoals dit evenzeer ligt misschien in dat lied van een Chinees dichter, die bekend was, omdat zijn leven er één was vol van mondaine vreugden en mondain genieten. En toch schreef hij:

“Ik heb de beker en ik laaf een ander met de wijn.

En in mij brandt een vuur van waarheid, dat goden verteert

en boven de vormen uit in het geven mij zegt:

Wijn zijt gijzelf.”

En later, wanneer hij er ongetwijfeld over heeft nagedacht, zegt hij:

“Ik ben de pers en ik ben de vrucht.

Uit mij wordt sap geboren van een waarheid,

door mij gebaard en niet gekend.

En toch …. in mij is door de uiting

een stilte als een avondhemel.

En mijn ziel trekt weg als een kraanvogel,

die vlucht voor het naderend duister.”

Hier zit iets in van de luister van deze strijd. Gij zijt de vrucht; want het totaal van het leven is in u behouden, vastgelegd. Gij zijt de pers; want al wat in u is aan waarheid en aan waarde zult ge moeten uiten. Wanneer ge dit echter doet, dan komt er in uw wezen een stilte. De stilte, die is het spreken Gods, de fluistering van een oneindige waarheid. En het is daaruit en daaruit bovenal, dat ge de mogelijkheden vindt om te vluchten voor alle onbegrip naar een lichtende wereld. Niet een wereld – begrijp mij wel! – die u veilig stelt voor al het andere. Maar een wereld, die zoveel licht is, dat zij het duister verdrijft uit al wat gij zijt en u de waarheid doet kennen.

Ik heb hierin getracht het beeld van het esoterisch streven nogmaals voor u te bevestigen. Ik heb getracht dit te doen met woorden, met een sfeer en met een begrip. En ook ik mag evenals mijn voorganger tot u zeggen: Welke weg ge ook kiest, dat uw pad er één moge zijn van groeiend licht, van groeiend weten, een steeds bewustere uiting van uw wezen, tot gij uzelf kennende uw plaats vindt, die voor u bestemd is in de voleinding.

0-0-0-0-0-0-0-0

Meditatie

Spiegelbeeld 

 Een spiegel weerkaatst mijn wezen. Maar wat links is lijkt mij rechts en wat rechts is lijkt mij links. Want het beeld, dat ik zie, is niet mijn wezen maar de weerkaatsing ervan. En vele waarden zijn verwisseld en onregelmatigheden hebben volgens mijn denken een andere plaats gekregen. Als ik mijn spiegelbeeld zie, sta ik tegenover mijzelf; niet ben ik mijzelf. Nu vraagt men voortdurend naar een spiegelbeeld, want een elk wil zichzelf kennen. Wij allen willen doordringen tot grotere waarheid. Wij allen willen weten wie en wat wij zijn. Maar de enige spiegel, die waar is en duidelijk, willen wij niet beseffen. Want wij leven in de wereld, onze wereld, of het er een is van geest of van stof. In die wereld spreken wij tot de mensen en handelen wij voor de mensen of wij onthouden ons en zwijgen. En uit die wereld wordt op al wat wij zijn, op al wat wij doen een reactie gegeven, alsof een lichtstraal een enkel facet van het wezen belicht in de oneindige spiegel van de eeuwigheid.

Gij zult misschien zeggen: Maar het beeld, dat de wereld mij geeft van mijzelf, is niet waar. En gij hebt gelijk. Want veel is verwisseld. Soms is links, rechts en rechts links geworden. Maar daarom is het beeld toch nog nauwkeurig en is het juist.

Wie zichzelf wil kennen, spiegelt zich in de wereld. Wie gevolgen wil kennen, werpt een daad in de wereld, een oorzaak. Wie een besluit wil nemen, hij besluite niet slechts in zichzelf, maar stelle het als een feit buiten zich, opdat het tot hem spreekt. Dit is het beginsel van het spiegelbeeld. Zoals de Schepper Zichzelf ziet in de kosmos, zien wij onszelf in de wereld, die wij beleven. Niet zoals wij zijn volgens eigen denken, maar zoals de spiegel ons terugkaatst.

Soms kan onze spiegel onvolkomen zijn. Een buiging in het glas, een onzuiverheid in blazen en ons beeld wordt vertekend. Maar de grote lijnen zijn kenbaar en vooral de defecten. De fouten van je wezen kun je kennen uit je daden. De fouten van je streven worden je kenbaar in de gevolgen, die het voortbrengt. Uit je ongeduld wordt geboren het weten omtrent het dulden.

En zo gaat het verder.

Daarom zou ik graag dit beeld voor u willen samenvatten in een ogenblik van weven van gedachte. Want wij spiegelen ons in de kosmos.

En elke daad is een straal licht, die een beeld van onszelf tekent, mede tekent. Maar als God Zich spiegelt in Zijn kosmos, zijn wij een straal licht, die een deel van Zijn Wezen tekent.

Een groots besef, ongetwijfeld. Maar iets, wat macht in zich draagt, wat in zich een weten draagt, dat verdergaat dan vele dingen. Kunnen wij tot besluit dan niet zo spreken: Gij, ongekende Grote, verborgen achter het eerste lichtend zijn, Gij wilt Uzelf kennen en ziet in mij, in mijn ziel en wezen. En zie, ik geef U weer al wat Gij mij geeft. Wat Gij leeft in mij, weerkaats ik. Uw gebaar en Uw wil, Uw weten en Uw kracht en Uw wijsheid, ik werp het U terug, zuiver en rein en helder, zoals de onberoerde waterspiegel het beeld terugkaatst in het lichten van de zon.

Gij, Schepper, kaatst Uzelf in mij. Gij wilt Uzelf zien in mij, in mijn wezen. Laat mij dan ook mijzelf spiegelen in U. En niet slechts in de beperktheid van Uw tijdelijk spel met waarden. Ik zeg U: Zo Gij mij geschapen hebt, opdat ik mij spiegelen zal tot Gij U spiegelen kunt, Gij hebt mij recht gegeven op Uw wezen en Uw krachten. Een recht, dat deel is van het bestaan, dat ik voer door U, uit U.

Een spiegelbeeld wil ik U zijn, o Schepper. Maar geef mij dan de kracht van Uw grootheid. Geef mij licht van Uw licht en wijsheid uit Uw Weten. Dit vraag ik niet en smeek ik niet; dit, mijn Schepper, eis ik.

Uw wil geschiede. Uw kracht zij geopenbaard; maar wat Gij mij geschapen hebt, laat mij dat zijn in vol bewustzijn en in weten. En dat, wat Gij mij als invloed hebt bestemd in Uw Al, laat het mij bewuste kracht zijn. Want Gij hebt mij geschapen, mijn God, Gij onbekende Macht achter het lichtend licht. Dit is mijn recht.

Ik sta voor U, onbekende Macht, Uw spiegelbeeld; verwaten misschien,” zich metend met Uw licht; maar wetend ook om U. Al wat Gij wilt zal ik zijn. De geringste van Uw wensen en Uw gedachte wil ik weerkaatsen, trouwer dan ooit een spiegel een beweging weerkaatst heeft. Uw licht wil ik uiten, zo Gij het mij zendt, lichtender en zuiverder en onvervormder dan ooit zelfs een edelsteen het licht der zon heeft terug doen spelen.

Gij, Die mij gemaakt hebt, geef mij dan dit Al als recht en taak en inhoud van mijn door U geschapen leven. Maak mij klein of onbelangrijk of groot; dat zij Uw wil, Uw wet. Laat mij gaan van leven naar dood en van dood naar leven; het is Uw wil, het is Uw wet. Laat ik spiegelen een deel van Uw kracht en Uw wezen, maar laat mij dit bewust doen in het vervullen van Uw wil, spiegelend waarheid en licht en wetend: “Zie, dit is uw wezen, dit is Uw taak, dit is de voltooiing van al, wat leven heet voor u.” Dit vraag ik als mijn recht.

Ik, die zo goed het mij vergund is aan U Uw rechten geef, het is uit U, dat ik leef. Vervult Gij dan mijn leven, zijt Gij mijn weten en mijn kracht. Dan zal het spiegelbeeld, door U in mij (het spiegelend vlak) geschreven, de schoonheid van volmaaktheid zijn. Voorbij zal zijn alle pijn van het streven en zal er slechts werkelijkheid zijn.

En zo Gij mij daartoe geleidt en mij dit soms als taak of levensdoel wilt geven, ik aanvaard het Al, maar eis van U: geeft Gij mij dan het licht, de kracht om uit mijzelf te weven het lichtend zijn, dat Gij als deel van het spiegelbeeld in U reeds eens tot aanzijn bracht.

Stoute taal in uw oren. Maar kracht rond u, indien gij, mens, de kracht aanvaardt; indien gij aanvaardt dat, waarvoor gij zijt geschapen. In u is dit alles. Want al, wat ik hier geëist heb, is een gave ons allen gegeven.

Ontwaak dan tot bewustzijn daarvan, niet slechts zoekend uw eigen spiegelbeeld in het Al, maar spiegelend de Kracht, Die u geschapen heeft. Dit is des levens doel.

Wees niet bevreesd te eisen, zo ge u onderwerpt aan Hem, Die u tot stand gebracht heeft, in vrije aanvaarding zonder verzet of trots of haat. Dan zult ge weten, wat gij zijt. En meer: dan zult ge in uzelf erkennen wat Hij is. Want het Al is slechts het spiegelbeeld, waarin de Schepper Zelf Zijn wezen toont.

image_pdf