Paasbijeenkomst, weergegeven door een ooggetuige

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 13

1 april 1956

Uit de aard der zaak is deze Paasbijeenkomst natuurlijk gewijd aan het wonder van de heropstanding. Wij kunnen daarover ongetwijfeld op vele manieren spreken. Maar het ligt in de richting van onze groep om dat zoveel mogelijk logisch te doen en om hier ook zoveel mogelijk baten en lessen uit te trekken. Sta mij dus toe, dat ik U om te beginnen een aantal feiten voorleg. Feiten, die U waarschijnlijk reeds bekend zijn, maar die wij nodig hebben om de nodige conclusies voor onszelf te kunnen trekken.

Punt 1; Men vertelt ons, dat Jezus opstond en dat er engelen aanwezig waren.

Punt 2; Er was een verblindend licht op het ogenblik van de op standing.

Punt 3; Jezus weigerde zich te laten beroeren, toen Hij door een van de drie vrouwen in de tuin werd herkend. (de vrouw van Magdala)

Punt 4; Kort daarna zien wij, dat Hij meerdere malen in verschijning treedt. Van deze verschijningen aan zijn leerlingen zijn er – als ik mij niet vergis – vier in de Evangeliën vastgelegd.

Hoe kunnen wij al deze punten verklaren? Wanneer wij aannemen, dat Jezus tenminste een ingewijde is geweest, iemand, die dus op de hoogte was van magische en esoterische krachten, die voor elk onzer kunnen werken, wanneer wij komen tot een innerlijke gesteldheid, waarbij wij het Goddelijke aanvaarden en kennen dan is het geen wonder, dat Hij uit het graf opstaat. Want Hij is een meester over alle materie. In zijn wonderen heeft Hij ook meerdere malen dit meesterschap reeds getoond.

Hoe is de toestand? Jezus is overgegaan of gestorven aan het kruis. Dat Zijn dood reëel is, kunnen wij rustig aannemen. Er zijn natuurlijk vele stellingen, die trachten dit te ontkennen. O.a. dat Hij in zelfhypnose door de speer zou zijn gewond, waardoor het mogelijk zou Zijn voor zijn vriend Joseph van Arimathea, de geneesheer, om Hem te genezen. Maar alles, wat wij kunnen nagaan te dien aanzien is het bewijs, dat Hij inderdaad gestorven is.

Wij laten het al of niet goddelijk zijn van Jezus altijd zo veel mogelijk buiten beschouwing. Dit leidt ons uiteindelijk tot een woordenstrijd, die t.o.v. de leer en lering van Zijn leven weinig betekenis heeft.

Dan moeten wij ons dus in de eerste plaats proberen voor te stellen waarom Jezus weer is opgestaan. Zou dit alleen zijn voor het bewijs, dan zou het alleen verheerlijking van Jezus zijn. Gezien Zijn hele leven en leer komt een dergelijk iets niet in aanmerking,

Wat zijn de punten, die Hem het meest zullen treffen? Het feit dat Zijn leerlingen zich angstig verborgen hebben. Het feit dat Zijn moeder om hem treurt. Het feit, dat Zijn leer dreigt teniet te gaan in de angst, die allen die Zijn leer kennen, beheerst. Wanneer Hij dus hernieuwd opstaat, hernieuwd op deze wereld gaat optreden, dan moet het in de eerste plaats berekend zijn op het continueren van de leringen, die Hij op aarde heeft gegeven.

Hoe kan Hij dit tot stand brengen? Hij heeft een lichaam, ofschoon de levensdraad inderdaad is afgesneden. Dit lichaam bevindt zich – dank zij de koele kelder – nog in redelijke staat. Hij kan dan wel degelijk dit lichaam hernieuwd organiseren, d.w.z. de daarin aanwezige materie gebruiken om zijn geest een hernieuwd lichaam te geven. En door Zijn wil wel te verstaan: alleen door Zijn wil, niet door een vaste levensdraad kan Hij dit lichaam in stand houden en hanteren, waar Hij wil. Om dit te kunnen echter dient Hij aan Zijn lichaam een trilling mee te delen, die in overeenstemming is, harmonisch is, met zijn eigen geestelijke gesteldheid. Dergelijke wonderen worden op het ogenblik soms zwart magisch nog volbracht o.a. in Tibet, in bepaalde kloosters. Het is niet iets buitengewoons, het buitengewone is alleen, dat Jezus dit met dít doel en op dít ogenblik tot stand brengt.

Wat is daarvoor nodig? In de eerste plaats veel kracht. Die kan Hij uit zichzelf putten. In de tweede plaats een afscherming tegen elke storing. Hiertoe dient Hij dus anderen mee te brengen. Wanneer engelen worden gezien, dan zouden wij dit dus kunnen vertalen als hogere geest, die Jezus helpt om Zijn zending te volbrengen. Dit is ook veel logischer. Want engelen alleen als erewacht, dat zou we een klein beetje in tegenstelling zijn met Jezus leven en leer. Het is in tegenstelling met het gehele christendom. Maar geesten, die een directe, vaste taak hebben, dat is iets anders.

Dat zij daar zijn en aanwezig blijven, totdat elke band tussen de grafplaats, waar deze trilling is opgewekt en Jezus is afgeflauwd, is begrijpelijk. Vandaar dat zij als wachters aanwezig blijven en zelfs aannemelijk wordt, dat de windselen daar liggen en een engel zegt tot de vrouwen, die komen om Hem nog eens te zalven en bloemen te brengen, dat Hij is herrezen, dat Hij is opgestaan.

Het is een manifestatie, inderdaad. Maar een manifestatie, die gezien het wonder, dat is gebeurd betrekkelijk klein is, terwijl bovendien de omstandigheden er toe meewerken, dat de mensen overgevoelig zijn en een waarneming dus redelijk logisch is.

Dan gaan we verder kijken. Een licht op het ogenblik der opstanding. Is dit nu stoffelijk licht of geestelijk licht? Wie de Evangeliën leest, komt tot de overtuiging, dat het een stoffelijk licht moet zijn geweest. Maar ik meen dit te moeten betwijfelen. Want uit eindelijk is deze beschrijving aan de hand van commentaren van derden gegeven.

Stellen wij ons voor, dat jezelf een gewoon mens bent. En dat je in de nabijheid komt van een geestelijke kracht, zo werkende, dat haar eigen trilling vele malen hoger is dan je eigen geestelijk vermogen tot accepteren. Dan treedt hieruit een geestelijke schok op. En van daaruit kan blindheid resulteren. De verblinding van sommigen en niet van anderen van de Romeinse wacht wijst ons in deze richting. Want het blijkt ons, dat degenen, die niet getroffen worden, ofwel zo laag staan, dat zij niet beroerd worden, maar zij zien ook het licht niet. Ofwel dat zijzelf toch reeds zo edel en hoog zijn, dat zij – zij het met moeite – toch nog iets van deze hogere trilling kunnen verwerken.

Maar het is begrijpelijk, dat Jezus een dergelijk lichaam niet zonder meer kan hanteren. Er zijn bepaalde bezwaren aan verbonden. Want een dergelijke hoge trilling kan op het ogenblik van inwerken op de stof – zoals we reeds gezien hebben – mensen blind maken. Of zelfs doden. Wanneer het lichaam nog steeds in deze hoogst onstabiele toestand verkeert, wanneer het nog niet weer is gestabiliseerd in overeenstemming met de stoffelijke norm, dan komen wij uit de aard der zaak te staan voor het feit, dat een aanraking met dit lichaam, een beroering er van, grote gevaren zou inhouden door over matige ontlading van levens- en zenuwkracht in het lichaam van degene, die aanraakt. Het zou een soort van geestelijke elektrocutie worden. Vandaar dat Jezus niet aangeraakt wenst te worden, voordat Hij zeker is,dat alles stabiel is.

Waarom dan de uitdrukking :“Ik moet ingaan tot het Huis mijns Vaders”? Men kan het natuurlijk verklaren met “Hij moet nog ten hemel varen”. Maar men kan het ook anders zeggen. Want waar staat het Huis des Vaders? Uit de aard der zaak in het Koninkrijk Gods. En waar is het Koninkrijk Gods volgens Jezus? In U.

Jezus moet in zijn hernieuwd stoffelijke vorm een ogenblik in zichzelf verzinken, een ogenblik zichzelf alles realiseren, wat Hij moet doen. Opdat Hij zo aan Zijn herrezen lichaam voldoende stabiliteit geeft om met mensen te verkeren. De eerstvolgende manifestatie, n.l. bij de Emmaüsgangers, wijst hierop dan ook direct. Jezus moet hier in dit geval wel degelijk eerst proberen of Hij in staat is zich te openbaren. Hij gaat eerst naast hen. Geen contact mogelijk behalve geestelijk contact. Een proef dus t.o.v. het geestelijke. Hij eet en drinkt met hen. Een contact t.o.v. het stoffelijke. Daarna geeft Hij zich te kennen.

Ik noem deze punten op om U begrijpelijk te maken, dat we hier niet moeten spreken over een willekeurig gebeuren of over een wonder zonder meer. Jezus’ leven is altijd gebleven binnen de natuurwetten, binnen de goddelijke wetten. Zijn dood evenzeer. En ook Zijn opstanding, Zijn herrijzenis blijft binnen de natuurlijke wetten. Wat Hij heeft gedaan en bereikt, is voor ons moeilijk na te volgen, omdat we daarvoor het bewustzijn niet hebben. Maar het is wel te bereiken en na te volgen voor iedere mens, indien hij gedragen door de goddelijke wil hiertoe wil overgaan.

Welke lessen kunnen wij hier esoterisch uit trekken? In de eerste plaats, dat stof en geest ook bij Jezus gescheiden factoren zijn. Het bewustzijn kan niet onmiddellijk het stoffelijk voertuig tot zich nemen. Aan de andere kant leren wij, dat de meest ideale en perfecte uiting van het Zijn ligt in de volmaakte eenheid van stof en geest. De geest zal de stof aan zichzelve moeten aanpassen. En zij zal zichzelf in de stof weer moeten verzinken om te kunnen komen tot een uitdrukking, die volledig en volmaakt blijft.

Er liggen vóór ons twee werelden, altijd weer. Een wereld van materie en vorm, een wereld van bewustzijn en kracht. En deze beide werelden moeten een worden. Jezus toont ons aan; dat deze eenheid bereikt kan worden. Maar hij toont ons eveneens, dat een dergelijk bestaan in een onvolmaakte dus niet harmonische wereld slechts een beperkte tijd kan worden gehandhaafd.

Verder toont Hij ons, dat de bezielde materie, de door een volledig bewuste geest dus gedragen stof, meester is over alle niet bewuste stof. Hij verschijnt door gesloten deuren heen. Hij openbaart zich in volledig stoffelijke vorm, maar wordt een ogenblik later verheerlijkt. Hij stijgt op van de berg Tabor en wordt daar in de hoogte lichtend gezien.

Al deze verklaringen samen brengen ons tot de vraag: Wat kunnen wij doen, opdat wij deze weg leren volgen en voor onszelf ook een feest, een feest der herrijzenis, der opstanding, kunnen doormaken? Wij zijn er ons, geloof ik, wel allen van bewust, dat het niet zo eenvoudig is om deze weg te gaan. Jezelf volledig overgeven aan God, Hem volledig aanvaarden. En dan door de liefde voor Zijn schepping jezelf vanuit het Goddelijke opnieuw projecteren temidden van de materie; van de geuite schepping. Dat kun je zo niet. Maar wij kunnen wel, trap na trap, trachten Zijn weg te gaan.

Vrijdag j.l. heeft een mijner vrienden U reeds uiteengezet, hoezeer het aanvaarden van de goddelijke Wil, het zichzelf tot drager maken daarvan, noodzakelijk is, Gesteld echter dat wij dit bereiken, dan zullen wij nog de consequenties moeten ondergaan van dit aanvaarden van de goddelijke Wil. En eigenaardig genoeg gaat dit altijd gepaard met lijden. Men zal zich afvragen “waarom?”

Wijzelf zijn onvolmaakt. En wanneer wij het Volmaakte in ons als drijvende Kracht aanvaarden, dan moet ons gehele wezen worden omgevormd, totdat het volmaakt kan beantwoorden aan het Volmaakte dat zich door ons uit. Wat wij menen, dat ons ontnomen wordt en vernietigd, wordt in werkelijkheid omgevormd tot andere waarde, meer in overeenstemming met de goddelijke uiting in ons.

Hieruit kunt ge Uw eigen conclusies trekken: het lijden is het reinigende proces en de noodzaak voor ons allen. Maar ondanks het lijden komen wij over het algemeen niet, als kleine en minder bewuste geesten, tot een punt, vanwaar wij kunnen zeggen; “Ziet, wij keren terug in de wereld, wij herrijzen”. Wij mogen al blij zijn, wanneer wij een geestelijke sfeer onmiddellijk weer actief kunnen zijn. Er zijn n.l. inwijdingsgeheimen verbonden juist aan deze opstanding en het geestelijk proces, dat zich daarbij afspeelt.

Een van de grote geheimen is de z.g. “geheime naam Gods”. Er bestaat n.l. een klank; die Gods Wezen en Wil binnen het materiële zo volmaakt omschrijft, dat zij de weerklank van het Goddelijke wekt, voor zover deze in de materiële wereld is geuit.

En deze klank of de gedachte, die daarmee overeenstemt. is noodzakelijk om de materie te kunnen beheersen. Dus ook om te kunnen herrijzen.

Dit betekent, dat wij een inwijdingsgang moeten ondergaan. En je kunt deze Naam Gods niet horen, niet leren van anderen. Je kunt haar alleen zelf vinden. Jezus herrijzenis leert ons, dat wij tevreden moeten zijn, wanneer wij telkenmale een klein punt van het Goddelijke vinden in een heel leven. Dat is loon genoeg. Want zo zullen wij van wereld tot wereld en van sfeer tot sfeer gaande, steeds het eeuwige dienende, het bewustzijn van het Goddelijke in ons en rond óns zodanig in ons eigen wezen voelen doordringen, dat wij weten, wat het is: het kennen Gods, noodzakelijk voor de volmaakte en zelfstandige herrijzenis.

Dit, mijne vrienden, zijn een paar gedachten, aan de hand van het Paasfeest. Maar ge zult wel begrijpen, dat het niet in onze bedoeling ligt U slechts met deze theoretische beschouwingen af te schepen. Ik verzoek U slechts deze dingen niet te vergeten. Ze te zien als achtergrond van al hetgeen nog gesproken wordt omtrent de gebeurtenissen op het Paasfeest.

Ik wil nu het woord overgeven aan iemand, die aanwezig is geweest bij een van de verschijningen van Jezus na zijn herrijzenis. En deze zal U op zijn wijze, dus vanuit een meer menselijk standpunt weergeven, hoe hijzelf dit wonder heeft ervaren. Bedenk wel, dit zijn de reacties van een mens, al is het van een goed mens, het zijn de gedachten, die in die toestand ook in U zouden kunnen opkomen. Het is het verhaal van het wonder zelve. De achtergrond ervan heb ik U gegeven; Verenig deze beide met elkaar en ge zult ongetwijfeld begrijpen, wat Pasen voor U betekent. Ik geef het woord dan over aan deze spreker.

o-o-o-o-o

Ik mag misschien beginnen, met te vertellen, dat ik sedert de gebeurtenissen, door mij zo dadelijk te beschrijven, reeds meerdere malen op deze wereld ben teruggeweest. Niet door een herrijzenis. Maar door de genade Gods, die ons toelaat steeds weer te herstellen, wat je in een vorig leven hebt nagelaten of hebt misdaan.

Toch hoor ik misschien volgens de termen van de Christenheid tot de meer gelukkigen; Ik heb n.l. Jezus een tijdlang gevolgd en ik behoorde tot degenen, die voor zijn leerlingen nog wel eens het een en ander deden. Nu niet direct bediende zijn, maar toch diensten in broederschap bewijzen.

Zo is het dan ook gekomen, dat ik toen Jezus werd terechtgesteld mij tezamen met enkele anderen begaf naar een betrekkelijk geheime, grote zaal, waar dan ook een aantal van de volgelingen reeds bijeen waren. Oorspronkelijk waren zij daar bijeengekomen om te luisteren naar het verhaal van Simon, die later Petrus werd genoemd en die was gaan kijken, hoe het of nu eigenlijk voorstond met de Meester ik ben er wat later bijgekomen. De eerste besprekingen heb ik niet meegemaakt. Dus de sabbat was al voorbij, toen ik daar mijn intree deed.

Er was een zeer gedrukte stemming. En ik kan niet anders zeggen, dan dat we eigenlijk een beetje de wanhoop nabij waren. De leerlingen haalden zo nu en dan met sidderende stem een paar herinneringen op. Anderen baden tot God. Het voedsel dat er was en er was veel want het was nog steeds in de tijd van Pascha, werd haast niet aangeroerd. Ongeveer een anderhalve dag later ik was dus al een tijd daarbinnen, er kwamen een paar vrouwen aangelopen en ze vertelden, dat de Meester was opgestaan. Nou, U had Simon moeten zien. Hij word waarschijnlijk ook al geplaagd door zijn verraad, maar hij werd hier werkelijk woedend. En hij vertelde hen, dat dergelijke vrouwenleugens niet pasten. Ook de anderen waren nu niet direct geneigd om het aan te nemen.

Maar goed, de tijd ging wat verder; het werd weer ongeveer avond en we zaten daar in die schemer bij elkaar. Er was een maaltijd met wat brood, wat kruiden, wat water en wijn ook, zoals gewoonlijk. En ineens hoorde ik een kreet achter mij. Ik kijk om en ik zie daar de Meester staan. Zo midden in de zaal.

Hoe Hij binnengekomen is, mag Joost weten, ik weet het niet. Ik weet, dat alles gegrendeld was. En zelfs wanneer iemand naar de dienstvertrekken beneden ging (het was een bovenverdieping waar wij zaten), dan werd die deur weer afgesloten, omdat we – laat ik eerlijk zijn – erg bang waren, dat of de Romeinen of de tempeldienaren het ons ook lastig zouden maken.

Hoe Hij binnen gekomen is, weet ik niet. En van anderen heb ik gehoord, dat niemand het heeft ontdekt, maar Hij was er. En vreemd, het was net of we geslagen waren. U zoudt denken, dat het een vreugdige schok was. Nee, het was net, of we niet meer konden denken.

Hij stond daar gekleed in een wit gewaad uit een stuk. Ofschoon we wisten dat Zijn gewaad dat overigens gestreept was verdobbeld was door de Romeinen zelfs te koop aangeboden. We stonden daar inderdaad even verbluft te kijken en toen hoorde wij Zijn stem zeggen: “Vrede zij U lieden”, Het was een wonderbaarlijk gebeuren. Zo maar uit het niets.: “Vrede zij U lieden”.

En toen heeft Hij ons een paar lesjes gegeven, die – naar ik later bemerkt heb – niet zijn opgeschreven in de schriften. Maar die voor ons, vooral op dat ogenblik, een openbaring betekenden. Want Hij zei tegen ons en ik vermoed, dat zoals vaak een zachte spot meesprak in Zijn woorden: “Wat zijt gij hier in angst verborgen, terwijl toch de kracht des Vaders rond U is en in U woont?”

Toen kwamen eindelijk de tongen los. We zeiden tegen Hem: “Maar Heer, Meester, Gij zijt herrezen. Het is waar, wat gij hebt gezegd”. We begrepen nu wel, wat Hij vroeger bedoeld had met die tempel.

Toen zei Hij ons dit:” De Vader is de levende God, Die in ons allen woont. En Zijn kracht is liefde. In Zijn liefde zal Hij U behouden zoals Hij mij behouden heeft. Want niets is voor Hem onmogelijk, waar Hij het leven en de Kracht zelve is; En ziet, uit Hem ben ik herrezen en teruggekeerd en heb volbracht, zoals ik U gezegd heb. Want ik geef U mijn woord en mijn kracht, opdat gij zult uit gaan en dit aan de mensheid schenken als een licht, dat hen zal leiden op de duistere wegen, die zij gaan”.

Toen hebben wij gezegd: “Maar Heer, Gij zijt toch de weg; dat hebt Ge ons toch gezegd!” Toen heeft Hij ons dit geantwoord: “Door mijn daden ben ik U de weg, door mijn woorden ben ik U de waarheid. Maar door de Vader ben ik U de kracht. Want zoals de Vader leeft in U, zo zal ik in U leven tot aan het einde der dagen. En zo ge in nood tot Mij klaagt, ik zal niet versagen, maar antwoorden. Want gebonden is mijn wezen en lot met U allen. En toch zal ik moeten gaan. Maar nu, verheugt U. Want ziet, de Goddelijke Kracht in mij, door de Vader gewekt, heeft mij naast U gesteld om met U te gaan”.

Ja. U vindt het misschien erg vreemd, dat wij als mensen toen opeens ontdekten dat wij een heel erge honger hadden. Waarop wij natuurlijk prompt zijn begonnen om wat brood en wat wijn te gaan gebruiken. En toen we opkeken was de Meester weggegaan.

Later hebben wij gehoord van de leerlingen, die Hem onderweg hadden ontmoet, dat Hij met hen in een taveerne had gegeten en gedronken en met hen het brood had gebroken. Toen hebben we een  gedachtenis maal gehouden. Een mens heeft nu eenmaal behoefte aan een uitdrukking in een symbool. En we hebben in Zijn naam het brood gebroken en de wijn gedronken.

Het heeft dagen geduurd, eer we de Meester terugzagen. Dat verhaal is wel wat overdreven beschreven door de Evangelist. Misschien omdat het zo’n bewijskracht heeft voor de ongelovigen. Want enkelen onzer waren gevlucht naar het land, maar keerden nu terug, nadat boden waren gezonden. Die boden waren hoofdzakelijk gezonden door Johannes, Jezus broeder, en door Petrus. Ook Andreas deed er aan mee. Zo komt het dan, dat Thomas bij ons kwam en ons vertelde dat we allemaal gek waren. Hij had gedacht de Meester bij ons aan te treffen, En toen zij daar alleen maar een klein groepje vonden waren er al weer velen naar huis gegaan of het land opgegaan toen heeft hij ons eigenlijk aardig de mantel uitgeveegd. Hij vond, dat wij hem in levensgevaar hadden gebracht, wat helemaal niet noodzakelijk was geweest. En toen hij daar zo bezig was, toen verscheen Jezus weer. Weer precies hetzelfde. We hebben Hem niet zien binnenkomen. Niemand heeft Hem door de deur zien gaan. Ik geloof niet dat Hij van het dak heeft kunnen komen, want er was geen enkele toegang in het dak. Het huis stond alleen. Maar Hij was er.

Toen heeft zich dan dat bekende verhaal afgespeeld, waarin Thomas geprobeerd heeft vast te stellen of Jezus authentiek was. Of Hij echt was. En ik moet zeggen, dat sommigen onzer hem in het begin gelijk gaven. Maar we hebben het lichaam van Jezus gezien. Er waren de sporen van de gesel. Er was het kenbaar diepe litteken van een speerwond. Kortom, alles wat je zoudt kunnen verlangen. Dat lichaam was het lichaam van een gekruisigde. De stem en de ogen waren die van Jezus, evenals de gestalte.

Toen heeft Jezus ons ook een lesje gegeven, wat ik U toch even wil herhalen. Want er staat in de geschriften alleen maar dat heb ik later gemerkt; “Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven”. Maar Jezus heeft ons er nog wat bij verteld. Hij heeft tegen ons gezegd;

“Wees in Uw geloof als kinderen; Vraag niet naar het bewijs. Want het bewijs, dat de Vader, geeft, overtreft Uw vermogen tot begrip. Wanneer een ledige lamp brandt, verheug U in het licht en vraag niet, waar de olie is gebleven. Wanneer een dwaas wijsheid spreekt, draag zijn wijsheid in Uw hart, en vergeet de wijsheid niet in Uw verwondering over de dwaas, die spreekt in wijsheid. Ik zeg U: Veel is er ongezien in de wereld en veel onbegrepen van de Kracht, die de Vader rond ons openbaart. Maar zalig zijn zij, die geloven zonder gezien te hebben”.

Een bewijs vragen aan God – dat heb ik er tenminste uit geleerd – is dwaasheid. Wij weten, dat Hij er is. Wij weten, dat die wonderen kunnen gebeuren. Laten we niet vragen hoe. Laten we dankbaar de gave van Gods Liefde aanvaarden. Laten we daarin ons geluk zoeken. Laten, wij Zijn weg leven en Zijn weg gaan. Daar komt het op neer.

Ik ben kort daarop weggetrokken met verschillende anderen om de boodschap te verkondigen in Jaffa. En zo ben ik er dus niet bij geweest, toen Jezus later voor een paar van Zijn eerste leerlingen nog eens verschenen is bij het meer van Tiberias. Hij heeft zich nog meer geopenbaard, heb ik gehoord, in verschillende plaatsen. Maar ik heb het zelf niet bijgewoond en ik weet er niet veel van.

Ik kan alleen dit zeggen; Ik weet, dat Hij herrezen is. En ik kan er bij zeggen, dat dit gebeuren in mij eerst een grote vraag heeft doen ontstaan, Ik heb mij afgevraagd: Hoe kan het? Hoe is het mogelijk? En alleen maar met het woord “GOD” kun je dat verklaren. Maar GOD kun je niet verklaren. Toen heb ik voor mijzelf besloten om niet te vragen naar het geheim van de levende Kracht, maar mijzelf wel elke uiting daarvan steeds waardig te tonen, zo goed ik kan.

En zo ben ik opgestaan en het was voor mij een Paasfeest en een opstanding in steeds: lichtere sferen. Ik ben steeds terug gegaan naar de wereld om daar lering te geven aan degene die daar behoefte aan hadden. Ik ben verbrand door de inquisitie, ik ben gejaagd door de revolutionairen en ik ben bijna van armoede gestorven in een meer nabije tijd. Maar altijd heb ik de wereld rijker kunnen achterlaten dan ik haar gevonden heb. En wanneer je dat kunt, en voor jezelf eerlijk kunt blijven, dan vind je ook steeds weer meer licht en meer kracht.

Dat is het beste, wat een mens kan beleven en doormaken. Het is de weg naar het werkelijke Paasfeest, waarin wij misschien aan het einde der tijden eens naast Jezus zullen staan in dezelfde verheerlijkte vorm en in vol begrip niet meer tot Hem zullen zeggen “Meester”, maar “Broeder”. Want Hij heeft ons altijd gezegd: “Ik ben Uw broeder”, en wij hebben altijd gedacht, dat Hij toch zoveel wijzer en beter was. Wanneer wij de wil van de Vader kennen in onszelf, dan geloof ik pas, dat het waar zal worden en dat we die broederschap zullen kennen, waar Jezus op heeft gedoeld. een broederschap niet alleen met mensen, maar met het Al.

Nou, dat is dan mijn Paasverhaal voor U. En ik laat het er zoals ik het zelf beleefd heb, eerlijk en oprecht heb beleefd en doorgemaakt. Maak er uit, wat U wilt. Maar als U me een genoegen wilt doen, onthoudt een ding er uit: Van alle verschijnselen was het belangrijkste de liefde, die Jezus had voor ieder van ons. En die Hij ongetwijfeld ook heeft voor ieder van de mensen, die thans op deze wereld leven. Ik wens U allemaal dus een prettig en een gelukkig Paasfeest.

o-o-o-o-o

Nu sta ik voor een betrekkelijk moeilijk punt. Op het programma staat n.l. : stellen van vragen. En het stellen van vragen op een feestdag als deze, is een vaak wat moeilijke kwestie. U zult mij dus toestaan U te verzoeken alleen de hoogstnoodzakelijke vragen te stellen. (stilte). Is er iemand, die een vraag te stellen heeft? (stilte). Waaruit blijkt, dat veel van de vragen, die gesteld worden, zich niet kunnen beroemen op de noodzakelijkheid die zij soms schijnen te bezitten.

Sta mij toe om met U te gaan spreken ook over Paasfeest op mijn wijze. En als we daarover moeten beginnen, dan doet allereerst de Westelijke wijze van vechten over Paasfeest mij denken aan de bekende strijd over wat er eerst geweest zou zijn, de kip of het ei., Men wil n.l. weten, of de leer eerst was, of Jezus eerst. Men vindt het buitengewoon belangrijk om uit te maken, in hoeverre dit alles werkelijkheid en schijn ware. Maar heeft reeds niet Koeng Foe tze gezegd:” Wanneer de waarheid in de onwaarheid geborgen ligt, is zelfs de onwaarheid waardevol”. En heeft niet Tsao Lang eens in een klein gedicht gesteld;

“Ziet, de leugen van de lip ontvloden, werd tot zegen, schoon en waar, waar zij wendde in de leugen der leugen allergrootst gevaar”. (de vertaling is vrij en onvolledig natuurlijk).

Wij behoeven het ons niet moeilijk te maken over het al of niet waar zijn van het oud christelijk verhaal. Ongetwijfeld zou over veel der leerstellingen, die de christenen verkonden, menig woord te zeggen zijn. En wij zouden misschien de waarheid van vele geloofspunten kunnen betwisten. Maar dit zou noch hoffelijk noch verstandig zijn.

Want ons aller leven is niet gebaseerd op waarheid, mijne vrienden. Elke mens die leeft, is een leugen, die hij met gebaar, met woord uitspreekt, terwijl hij de waarheid soms, wanneer hij bewust is in de gedachten verbergt; maar veelal zelve zelfs beseft.

Alles op deze wereld is schijn. En om uit deze schijn ons te ontworstelen en te komen tot waarheid, dienen wij de waarheid in onszelf te zoeken; en niet over te gaan tot het zoeken van waarheid in anderen.

Bovendien sta me toe op te merken dat het zoeken naar waarheid, dat velen voorgeven te doen, niets anders is dan de vuile was van andere mensen meer in het publiek te drogen hangen. Dat is een zeer treurige gewoonte.

En wat is Paasfeest? Paasfeest, zoals U dat viert, is het grote feest van waarheid. De waarheid van een herboren geest, die de aarde betreedt, om daar haar taak te voleinden. Wie zijn wij, dat wij in dit Paasfeest ons moeten werpen op het oude, dat, wat reeds lang gebeurd is? Wie zijn wij, dat wij ons verstouten om een Paasgebeuren in de wereld buiten ons te zoeken? Laten wij toch liever zoeken in eigen wezen.

Gij zoekt naar het Paasgebeuren? Schouw in Uzelf en zie, hoe vele dingen, die gij dacht gedood te hebben, steeds weer herleven. Zie hoe altijd weer dat, wat gij meende vergeten te zijn, uitgeroeid te hebben, opnieuw zijn aandeel vraagt in Uw bestaan. Want ook dit is een herboren worden.

Een mens, die zich de moeite getroost om na te gaan, hoeveel van het oude altijd weer opnieuw binnen komt sluipen in de gedachten, hoeveel van het oude, dat men meende reeds lang terzijde gesteld te hebben, opnieuw de teugels van de daad in handen neemt en U voert door het leven langs paden, die U zelf verwonderen, dan zult gij ‘t met mij eens zijn, dat het feit der herrijzenis zich binnen ons zeer vaak afspeelt. En dan moeten wij voor onszelf gaan nazoeken, waarom deze dingen herboren worden.

Er zijn maar twee wegen, die tot hergeboorte leiden: de weg van het slechte en de weg van het goede. Wanneer een daad of een drang in ons beter is dan wijzelf beseffen, zullen wij haar vaak trachten te doden, maar zij keert terug. Want hebben wij haar geofferd op het altaar van onze verbeelding; onze waan omtrent onszelf en de wereld, zij kan niet sterven, zij is eeuwig.

En ook het slechte. Want wanneer wij onszelf boven het slechte, dat in ons leeft, verheffen, dan vergeten wij om het als leven te aanvaarden en te overwinnen. Je kunt het kwaad in jezelf niet doden. Je kunt het voor een wijle begraven, maar het komt altijd weer boven de aarde uit en grijpt opnieuw naar de zwakheden, die in je bestaan.

De les van Paasfeest lijkt mij als niet christen en als filosoof eigenlijk het probleem van het eigen bestaan ten allen tijde. Wij moeten leren het kwaad te overwinnen. Niet het terzijde te schuiven. En kwaad overwinnen, dat betekent vaak een kruisgang. Is die kruisgang voorbij, dan is het wezen gereinigd en uit de strijd en de moeite staat het herboren ego op, gezuiverd, lichtend, en kan in de wereld wonderen werken, die tot op dat ogenblik onmogelijk leken.

Wanneer wij het goede in onszelf miskennen, wanneer wij het doden, dan kruisigen wij het goede in ons, niet onszelf. Maar wij kunnen het evenzeer niet doden. Want zolang je het goede nog mede in je leven aanvaardt, kun je veel afbuigen en ompraten, tot dat het goed lijkt, of in overeenstemming met het goede dat in je leeft.

Zoals een filosoof eens zegde: “Zolang de duivel een tong heeft, zal hij heilig zijn in zijne woorden”. Zo zijn wij ook. Maar op het ogenblik, dat wij het doden, komt het terug als een verwijt. Wij erkennen het niet voor het goed, dat het is.

Mijne vrienden, wanneer die dingen in ons herboren worden. dan dienen wij ons goed te realiseren, wat zij zijn. En misschien, dat ik dan een figuur van een Thomas ben. Want ik zou elke keer weer vragen aan de herboren herinneringen en gedachten: “Vanwaar komt gij? Wie zijt ge? En waartoe keert ge terug in mijn leven?” Maar wanneer ik haar onderzoek, dan zal mij blijken, dat zij een reden heeft om terug te keren. En begrijp ik deze, zo kan ik mij zelf door dit Paasgebeuren verrijken. Ik kan n.l. een waarheid leren erkennen en daaruit krachten putten, wat voordien in die zin niet mogelijk was.

Wanneer ik hoor, hoe de leerlingen van Jezus in angst waren weggekropen, omdat hun gewoonteleventje van samen met de Meester door het land trekken, gebroken was, dan kan ik mij voorstellen, dat wij eigenlijk net zo handelen. Want wanneer de gewoonte van het goed gebroken is, dan zeggen wij; “Het is dood, Wat moeten wij beginnen? Wij staan ledig in het leven,” En wij aanvaarden het niet in de vorm, waarin het tot ons terugkeert. Op het ogenblik, dat wij leren dit te aanvaarden, vinden wij evenals deze leerlingen dan de kracht om verder te gaan, voor onze overtuiging uit te komen, ons eigen leven te beleven zo goed en zo vol als slechts mogelijk is. Misschien verwijt gij mij, dat ik een zedenpreker ben. Want veel mensen beschouwen iets dergelijks als een zedenpreek. Maar toch, er zijn hu eenmaal zeden, die niet beperkt blijven tot stof en tot tijd. Wij hebben onze gebruiken en gewoonten, die ons ingeboren zijn en altijd vanuit de geest worden voortgedragen, waar wij leven en hoe wij leven. Deze zijn het, waarover ik preek. Ook al gebruik ik niet de termen van een predikant.

Onthoud U van mij één ding over predikers, ja. Wanneer een prediker met holle toon spreekt, zo verraadt hij in zijn toon de leegte zijner woorden. Maar zodra het hart spreekt, blijft de stem gewoon. Dan klinkt zij massief. Misschien lichter dan het hol galmende. Maar door haar massiviteit heeft zij doorslagkracht, bewijs kracht en overtuigingsvermogen. Ik hoop, dat U dit in mijn woorden zult vinden. Want ik wil niet preken. Ik wil niet met een holle retoriek over U heen gaan storten de woorden, waarin ik zelf niet geloof. Ik wil U slechts overtuigen. Ik wil U overtuigen van het feit, dat veel der dingen, die U uit Uzelf steeds wegdrukt, die U terzijde stelt of misschien kunstmatig tracht te begraven, keer op keer, de moeite waard zijn om beschouwd, onderzocht en geanalyseerd te worden.

Wanneer Gij herboren wilt worden, wanneer gij herrijzen wilt uit de as van een schijnbaar versuft bestaan, dan zult U wel degelijk juist uit al, wat in U herleeft, U een beeld kunnen vormen van Uw eigen persoonlijkheid. Gij zult uit deze nieuwe persoonlijkheid, die U geboren is, begrijpen wat gij zijt en waarheen gij moet gaan. Want misschien dat ik niet christelijk ben, wanneer ik dit zeg wat zou Jezus herrijzenis voor doel gehad hebben of voor betekenis, indien zij niet de stimulans was geweest, waardoor zijn leer in de wereld werd verbreid?

Een herrijzenis op zichzelf betekent niets. Het kan een mooi wonder zijn, Maar per slot van rekening: wonderen zijn oogverblinding, tenzij je begrijpt, welke kracht ze wekt. En dan is het wonderlijke van het wonder verdwenen. Een herrijzenis op zich zelf betekent niets. Maar haar begrijpen, accepteren, er naar handelen, dit zijn de punten die onszelf door de herrijzenis tot nieuwe krachten maken, ons eeuwigheidswaarden geven ver boven onze vroegere persoonlijkheid heen.

Laten wij, mijne vrienden, dan trachten om uit al hetgeen in ons steeds herleeft ons een beeld te vormen van de tekorten, die wij kennen; van de fouten die in ons leven, maar ook van het doel, waarnaar wij zoeken. Wij vinden onze weg getekend en zullen zo eens zelve het volgens U ware Paasfeest kunnen bereiken; het ogenblik, dat wij door de volmaaktheid van ons geestelijk streven in staat zijn elke wereld te betreden en in elke wereld niet anders kunnen zijn dan de waarheid, zoals ze vanuit het Oerprincipe is voortgekomen.

Een kort betoog, vrienden. Wanneer het U tot vragen beweegt, dan zal ik mij zeer geëerd achten, wanneer ge Uw problemen wilt voorleggen.

Zo geen probleem U kwelt, dank ik U voor Uw gehoor, waar gij mij dan door Uw luisteren hebt bewezen, dat mijn tong de woorden waardiger weet te slingeren, dan ikzelf heb durven hopen.

  • Ik maak U wel mijn compliment.

Ik voel mij zeer geëerd. Laat ik U dan, zoals men op Uw Paasfeest iedereen wat Paaseieren geeft, een paar kleine woordspelingen meegeven, opdat U misschien daarin iets zult vinden van het principe van het ei. Ik verstout mij om te beginnen met het volgende:

“Het ei is het beginsel der eeuwigheid, Want al is het in zijn vorm vast besloten, zo draagt het in zich het ontwakend leven; zo is het het beeld van de mens, die leeft op de wereld.”

En misschien een tweede, een wat luchtiger ei?

“De mens, die overladen wordt door zijn zorgen vergeet zichzelf zodra hij zichzelf vergeet, is hij meester van zijn problemen”.

En dan een laatste, een zeer kleine mag ik zeggen “toegift”.

“Zodra ge Uzelf dwaas acht, hebt ge het beginsel der wijsheid. Want slechts de wijze kent de dwaasheid van alle uiterlijkheid”.

En daarmede, vrienden, ben ik U dankbaar voor Uw gehoor en wens ik U een rode en gouden dag, die in zich draagt de waarde van het geluk.

o-o-o-o-o-o

Herrijzenis.

Wanneer de wereld geslagen ligt in winterse ban en de wind meester is op het kale land, dan lijkt het dood, en stil te zijn; dan doet des winters kaalheid pijn, beweegt een mens tot mededogen.

Maar vaak is hij te sterk bewogen en begrijpt nog niet de werk’lijke gang, die voortspeelt in alle leven, eeuwen, jaren lang.

Want het zijn niet de bloemen, het zijn niet de blaad’ren, het is niet de vogel met luide stem, die zijn de werk’lijkheid van ‘t leven, van d’ aarde, het wezen, dat, uiting van Hem, Die het Al geschapen heeft ons een beeld toont van wat in Zijn Schepping ook leeft.

De kaalheid, de volheid van zomer, of lente vol prilheid, ontwakend leven, zij zijn het, die een beeld ons geven slechts van de uiterlijkheid.

Maar in dat alles ligt besloten een kracht, zo groot, zoveel, zo sterk, dat zij de kern is en het wezen van heel het godd’lijk scheppingswerk.

Waarom de winter dan nog vrezen?

Uzelf zijn, het eigen wezen uiten tot de laatste grens te zijn volmaaktheid in vorm gegeven, te zijn de heel ontwaakte mens…. het is U allen reeds gegeven; ‘t leeft in U als ‘n levenskracht, die soms door uiterlijk gebeuren een wijl naar buiten wordt gebracht. Dan wordt ze weer in ‘t ik besloten. Toch zult ge steeds Uzelf zijn.

Zijt ge groot, ge zijt altijd deel der groten.

Gevoelt ge soms Uzelf klein, in ‘t kleine ligt de goddelijkheid: van ‘t groot geheel besloten.

Wij spelen, mens en geest een spel.

Een spel van vele beelden, waarin wij mens, bedenk dat wel toch zelf ‘t Al eens reeds verdeelden.

Een spel van vorm, een spel van sfeer, van gaan en streven of verblijven, waarin wij eigen ervaren van Al te alle tijde neerschrijven.

Maar willen wij herrijzen zelf, als feniks uit zijn as, wij dienen te keren tot de kracht, die in den beginne reeds was ons wezen en leven, ons streven en zijn, onze vreugde, ons leed; onze lach, onze pijn.

Want Eén is er slechts, Die van alles weet, de God, Die in alles steeds leeft.

Wie naar bewustwording, kennen van ‘t ik, naar ‘t worden van zichzelf weer streeft die wordt tot die God en deel van die God, niet minder, maar zeker niet meer.

Want God is de Kracht en God is het ZIJN.

Hoe kun je dan verder gaan, groot of klein, terwijl niet die Kracht in je leeft?

Het kennen van ‘t Zelve uit het Eeuwige geboren.

Het kennen van ‘t Zelve, herrijzen tot Ik, dat is het doel van alle leven.

Dat ligt in een lach, dat ligt in een snik, dat is in alle gebeuren gegeven.

Dat gaat voort zonder einde. Want God in Zijn Wil geeft in het leven ons steeds weer het beeld van onszelf. En zwijgen wijzelf stil aanschouwen wij door gedachten onverheeld onszelf weer in ‘t eeuwig beeld, wij zullen dus onszelf kennen, herrijzen en aanvaarden ‘t erfdeel, ons eens voorbesteed, wanneer wij niet door vormenwereld of door gedachten meer geremd gaan tot de God, Die ons geschapen heeft.

Men zegt mij: Hier in ‘t Paasgebeuren, het feest van de herrijzenis, moeten wij het kruis gedenken.

Wij kunnen ‘t kruis de aandacht schenken en het zien als wereld omvattend symbool.

Of zijn we dwaas en stomp van zinnen, het maken tot een vreemd idool, waartot we richten de gebeden.

Maar is het kruis niet beeld van ‘t heden, verdelend het bewustzijn, wortelend in de stof en in de aard en opgaand tot in ‘t hemelrijk?

En armen van bewustzijn die reiken naar de wereld en geven blijk van ‘t verlangen heel het Al te kennen?

Wij gewennen onszelf te veel aan een beeld en menen, dat daarmede onverdeeld het Al kan worden uitgedrukt. Maar dat is nog geen mens gelukt, geen geest is dat gegeven. Wil je komen tot een waar besef, van alle Zijn en streven, begrijp: het kruis is een symbool; herrijzenis een beeld, waarmee de waarheid van ‘t eeuwig Zijn, dat in ons leeft, ons wordt verheeld. Wij zijn en leven zonder grenzen. Wij streven, sterven, staan weer op, tot eens wij God zien als de Waarde, waaruit wij leven in de sfeer of op de aarde, altijd weer te allen tijd. Dan zijn wij waarlijk pas herrezen, want wij kennen dan de Eeuwigheid.