Panta Rhei

Panta Rhei (alles vloeit)

Het is een beweging, een vormenspel van lijnen, getekend in mist,
Je denkt, ik ken er de wereld wel, maar vervloeit is alweer, wat je wist,

En dacht te bezitten en dacht te weten.
En, als je naar jezelf ziet, het eigen “ik” reeds is vergeten.

Het tekent zijn vreemde lijnenspel en niemand weet, waarom,

Waar je gaat, hoe je ook staat,
Waar ik ben of kom, altijd weer ben ik te laat,

De vormen zijn aan het vervloeien,
Ik zie, wat zo-even was, tot nieuwe schoonheid groeien

En ik zie; die schoonheid weer vergaan.
De wereld kan niet stille staan,

Het is al beweging, alles kracht,
Ik heb het leven overdacht,

Ik heb gezocht naar een vaste norm,
Maar ik kon die niet vinden in lijn en in vorm.

Wel weet ik, een kracht leidt toch het lijnenspel,
Vervlooit ook de vorm, die kracht is er wel,

Zal blijven altijd door
In het beschouwen der vorm gaat mij nog teloor,

Der wereld werkelijkheid.

Maar is een kracht, die een spel van vorm
Die het vervloeien aller dingen leidt,

En stelt een ware norm,
Die is de enige werkelijkheid.

Zo openbaart zich God aan mij
In deze woorden: Panta Rhei,

Want God is beweging.
Dat is de Schepping,

Geen overweging kan verbreken,
De bewegingen, waarin slechts God kan spreken.

In het verstoorde evenwicht is het beeld aan de Schepper opgelegd,

In de werkelijkheid, waarin God zich uit
Breken de krachten telkens uit

En vloeien terug, keer op keer,
Ik zoek naar vastheid, ik vind ze niet meer.

De wereld is en blijft voor mij:
Het eeuwig Panta Rhei.

Ik begrijp nu een deel van de werkelijkheid,
Ik speel met de vorm en ook in mij glijdt

Van norm tot norm het zijn.

Ik ken geen wet meer en geen lijn, die vast de mijne is,
Ik voel de vorm niet meer als kracht, ervaar niet als gemis,

‘t Verglijden van de vorm.

Het leven lacht weer tegen mij
‘k Ben deel van het zijn, panta rhei.

Pantha rei, alles vloeit, het speelt, het lacht en leeft,

Juist in het vervloeien van de vorm ziet men
Hoe steeds de Schepper geeft aan Al, Zijn Wezen,

Aan het Al Zijn Kracht,
Hoe in Zijn Liefde Hij volbracht

De Schepping.

Schiep daarin ook mij, die deelde toch van Hem,
Ik ben een vorm slechts, die vervloeit,

Een deel van Zijnen Stem,
die weer verklinkt, maar terwijl ik vervloei en opga in Hem,

Voel ik mij vreugdig en blij,
En het laatste woord, dat ik stamelend zeg,

Als beeld van de Schepper, die ik nu erken,
Het is en het blijft panta rhei.