Paradoxen der magie

image_pdf

14 maart 1967

Wanneer je eenmaal doorgedrongen bent in het gedachteleven en de psychologie van de mens, dan word je tevens geconfronteerd met eigenaardige afwijkingen van de realiteit. Ik wil proberen die dingen kort en bondig te stellen en wil dat daarom althans voorlopig puntsgewijze doen.

  1. De voorstelling van de werkelijkheid, die men in zich draagt, is gebaseerd op de referentiewaarden, die reeds in het bewustzijn aanwezig zijn. Als zodanig is het waarnemingsbeeld altijd verschillend van het werkelijkheidsbeeld.
  2. De begrenzingen, die de mens zichzelf door zijn denken en eventueel emotionele bindingen oplegt, zijn bepalend voor zijn vermogen in de buitenwereld te reageren.
  3. Elke opvatting, die de mens koestert omtrent zichzelf, is bepalend voor elke reactie, die  in hemzelf plaatsvindt en medebepalend voor elke relatie, die hij kent met de buitenwereld.
  4. Het feit, dat het totaal van alle geestelijke belevingen en waarden in materiële  denkbeelden zal moeten plaatsvinden, betekent dat geen enkele geestelijke waarde volledig en juist zal worden herinnerd of redelijk zal kunnen worden weergegeven.

Met deze 4 basispunten staan we dus voor de normale werkelijkheidsvervreemding, die elke mens eigen is. Wanneer wij nu te maken krijgen met hetgeen men magie noemt, worden wij geconfronteerd met het accepteren van een totaal differente realiteit. In deze realiteit spelen goden en demonen een rol, die mogelijkerwijze niet eens in een goddelijke werkelijkheid zou kunnen bestaan. Maar voor de mens is op dat moment de voorstelling realiteit. En hier ontstaat dus de zeer bekende binding van de mens met het bovennatuurlijke.

Zodra de mens zich bewust van eigen tekorten aan kracht, vermogen, inzicht of capaciteit op enigerlei terrein zich een God vormt, zal hij zich een God vormen, die de compensatie vormt voor het geheel, wat hij in zichzelf als niet-bestaand of ontbrekend beschouwt. Elk zich wenden tot de Godheid met een volledig vertrouwen en geloof impliceert, dat alle remmingen in het eigen wezen wegvallen, voor zover zij het doel van de bede (de Godsaanvaarding) betreffen.

In de magie zien wij dan ook, dat wij zeer veel te maken heb ben met persoonlijke dienaren en persoonlijke geesten. In de heksenoverlevering krijgen wij te maken met de z.g. familiaris, een dienende geest die naar men zei meestal in dierlijke gestalte aanwezig was. Een meerkat (dus aap), een kat e.d.  Deze familiaris behoeft niet reëel te zijn. Maar hij is in het heksengeloof en zelfs in het natuurgeloof van groot belang, omdat hij overal compenseert, waar het ik tekortkomingen veronderstelt.  Het is zeer belangrijk, dat wij hier de nadruk op leggen. Want de paradox van de magie is enerzijds het onvermogen van de magiër om zijn eigen bestrevingen zelf waar te maken en anderzijds het gezag, waarmee hij geesten gebiedt om die taak te volbrengen. Hier ligt ergens een discrepantie, dat zult u begrijpen.

Deze discrepantie is naar ik meen in de eerste plaats mentaal. De magiër neemt aan, dat hij zelf iemand niet op af stand kan genezen, ter dood brengen, waarnemen, etc., en neemt aan, dat hij via een bepaalde geest of familiaris dit wel zal kunnen, Hierdoor ontvangt hij dus voor zich een innerlijke zekerheid, die de beperkingen van zijn eigen wezen opheft. En dit is een heel interessant stukje. Wanneer ik n.l. in mijzelf een zekerheid doe ontstaan, ontleen ik aan die zekerheid een vergroting van vermogen, handelingsvrijheid en handelingszekerheid, waardoor ik mijn doel bijna altijd zal kunnen waarmaken, zolang het nog ligt binnen het rijk der mogelijkheden, voor zover die voor de mens bestaan. En dan niet in het menselijk voorstellingsvermogen maar in de menselijke realiteit.

De mens zelf kan n.l. niet worden beschouwd als een wezen, dat alleen maar gebonden is aan de materiële realiteit. De denkwereld van de mens en ook zijn denken gaan verder dan de werkelijkheid. Op het ogenblik dat u abstract begint te denken en u daarmede dus punten voorstelt, die in de werkelijkheid niet waarneembaar zijn, kunt u daardoor conclusies trekken omtrent de werkelijkheid, die wel waarneembaar zijn. Dat wil dus zeggen, dat u een brug hebt gebouwd tussen uw ogenblikkelijke mogelijkheden en uw feitelijke mogelijkheden.

Magie is ergens met al zijn wat flagrant realisme in vele facetten een overbruggen (zoals ook de abstractie doet) van al datgene, wat ligt tussen het m.i. mogelijke (volgens mij mogelijke) en het werkelijk mogelijke, Als zodanig is de magie, niet alleen een vlucht voor de werkelijkheid (de werkelijkheid o.m. van eigen wezen), maar ze is gelijktijdig een benadering van de bulten het ik bestaande werkelijkheid. Ook dit is een paradox, dat je tot de werkelijkheid kunt komen door ervoor weg te vluchten. Toch blijkt het in de magie waar.

Wat is het belangrijkste punt hierbij? Ik moet uitgaan van mijzelf, mijn eigen wereldinterpretatie. Dit zijn de bouwstenen, waar ik mijn denkbeelden alleen mee kan opbouwen. Al datgene, wat buiten mij bestaat al is het nog zo juist, zo redelijk en zo geleerd en dat ik innerlijk niet verwerken of aanvaarden kan, is voor mij waardeloos. Maar datgene, waar ik werkelijk in geloof hoe onredelijk, hoe onwerkelijk ook kan door mij gebruikt worden om een systeem op te bouwen. Want magie is systeem. Dit systeem stelt mij in staat om buiten de werkelijkheid omgaande te komen tot conclusies en tot handelwijzen, waarbij ik niet uitgaande van een z.g. realiteit maar alleen vanuit mijn eigen denken de buitenwereld benader. Het magisch resultaat is het ingrijpen van een niet met de realiteit strokende geest op de menselijke realiteit.

Nu moeten wij gaan zien wat in die magie dus een rol speelt. En dan treffen we allereerst aan een sterke neiging om net natuurlijk element en de voor de mens natuurlijke actie tot basis te maken. Wij vinden in de magie zeer vele gebruiken, die zich op vruchtbaarheid baseren. Daarnaast zien wij zeer veel gebruiken, die direct of indirect met voeding te maken hebben, tot zelfs de brandoffers van voeding. En ten laatste zien wij elementen, waarbij levenskracht of leven een rol spelen. (Denk hierbij bv. aan bloedoffers.) Wat gebeurt er? Ik begin met een voor mij normale actie of toestand. Ik onttrek deze aan de beperkingen en bepalingen van mijn eigen wereld. Ik vervreemd haar dus van mijn normaal bestaan. Dit is noodzakelijk.

Zodra ik deze vervreemding volbracht heb, wordt de betekenis van de handeling, van het offer, etc. voor mij de uitdrukking van mijn denken. M.a.w. mijn actie bevestigt voor mij een stelling, die of ze nu juist is of niet in mij bestaat. Door deze volledige eenheid met het gestelde maak ik voor mijzelf emotioneel en zelfs voor een groot deel ook lichamelijk het gestelde waar. Het is duidelijk, dat mijn reactie op de werkelijkheid en mijn invloed op de werkelijkheid dan veranderen zal op dezelfde wijze, waarop ik mijn innerlijke relatie tot die wereld veranderd heb.

Er zijn in de magie heel veel eigenaardige overleveringen. Bv. die van de magiër, die een bezwering doet en in het pentakel een lijntje niet doet sluiten. Het gevolg is, dat hij door de opgeroepen geest wordt verteerd, gewurgd, verbrand of iets dergelijks. Iemand, die de macht heeft een geest te dwingen tot verschijnen, zou redelijkerwijs dus ook de macht moeten hebben zich daartegen te beschermen. Waar ligt hier het hiaat? Doodgewoon in het feit, dat de mens zich zijn verhouding tot die geesten, tot die demonen (al dan niet schillen zijnde uit een astrale sfeer) niet anders kan voorstellen dan een van dwang en vrees. De magiër (vooral de zwart magiër) benadert al hetgeen hij oproept en waarmee hij werkt als een dierentemmer gevaarlijke dieren in de kooi. Hij is voortdurend onzeker, hij heeft geen vertrouwen. Door het gemis aan vertrouwen ontlaadt hij het totaal van zijn voorstellingsvermogen (en daarbij dus in hemzelf tot gelding komende krachten) op zichzelf, zodra hij het hiaat ontdekt. Het is niet het ontbreken van het lijntje, dat dodelijk is. Het is de erkenning, dat de bezwering onvolledig is. Het is het gevoel van onmacht tegenover de opgeroepen geest, waardoor de verschijnselen ontstaan.

En dan behoeven deze verschijnselen niet eens door een reële geestelijke macht tot stand gebracht te worden. Zij worden eenvoudig tot stand gebracht door het geloof eraan. Iemand, die absoluut overtuigd is, dat hij gewurgd wordt, krijgt een constructie waardoor de ademhaling beperkt wordt. En in zijn wanhopige worsteling daartegen zal hij zeer waarschijnlijk een dood sterven met alle tekenen van verstikking. Wanneer hij daarbij meent aangeraakt te worden door vingers bv., is het zelfs niet denkbeeldig dat bloeduitstortingen ontstaan op de plaatsen, waar hij door suggestie die druk meent te onderkennen.

U vraagt zich misschien af, waarom ik en zeker in een bijeenkomst als deze juist dergelijke minder aangename aspecten van de magie naar voren haal. Het wordt u misschien duidelijker, wanneer ik wederom enkele punten achtereenvolgens opsom:

1.Het totaal van het magisch werken is gebaseerd op het tot stand brengen van een geestelijke en lichamelijke verandering in het eigen ik, waardoor de eigen actie en reactie mogelijkheid t.o.v. de omgeving tijdelijk of soms blijvend gewijzigd wordt.

2.Al datgene, wat ik in een volledige aanvaarding stel, zal mijn gehele wezen beheersen, omdat mijn psyche niet in staat is een onderscheid te maken tussen het gestelde en een werkelijkheid. Dientengevolge zal elke magisch gestelde werkelijkheid zich als zodanig voor de magiër volledig openbaren en uiten. Dit met alle gevolgen vandien.

3.Daar de magiër niet-zintuiglijk kenbare relaties veronderstelt tussen zich en een deel van de werkelijkheid, brengt hij deze feitelijk tot stand. Deze relatie (ook wanneer zij gesteld wordt via het beeld van een geest, een entiteit, een demon, enz.) is altijd in de eerste plaats een persoonlijke binding. Daar, waar geen persoonlijk verband bestaat of geprojecteerd kan worden, zal geen mogelijkheid tot magisch resultaat aanwezig zijn.

En nu wordt het u misschien ook duidelijker, dat eigenlijk ons eigen innerlijk en ons eigen denken voor een zeer groot deel bepalend zijn voor al datgene, wat occultisme en magie heet. Maar wij moeten nog verder gaan.

Wanneer ik te maken heb met een andere wereld (en die zijn er sferen), dan zal mijn contact met die andere wereld niet bepaald worden – laten we dat goed begrijpen – door mijn hoogste geestelijke bereiking. Zij wordt bepaald door mijn voorstellingsvermogen en daarbij door de wijze, waarop ik mijzelf als deel van die andere wereld kan projecteren. Men denkt heel vaak, dat je esoterisch omhoog stijgt alleen maar door de wil tot stijgen. Maar dat is niet waar. Je stijgt innerlijk omhoog, omdat je een begripswereld vormt in jezelf ten dele een emotionele, ten dele een rationele waardoor je in staat bent steeds grotere delen van de onzienlijke wereld tijdelijk als werkelijkheid te accepteren. Op het moment, dat die mogelijkheid niet meer bestaat, is er ook geen bereiking meer. Uitbreiding dus van in feite innerlijke perceptie, innerlijke waarneming, de mogelijkheid tot een wisselwerking tussen het ik en de niet-zichtbare invloeden en werkingen op de wereld.

Dat betekent dat het ik, zodra het in staat is zich te stellen als deel van een geestelijke werkelijkheid, zich een voorstelling maakt die althans deels harmonisch zal zijn met de wereld van de geest, waarin men denkt te zijn. De uitdrukking, die men eraan geeft, is altijd beperkt door het eigen denken. Maar elke kracht, die daarin aanvaard wordt en gesteld wordt, kan vanuit die wereld gehanteerd worden. Niet omdat zij in die wereld noodzakelijkerwijze alleen zo bestaat, maar omdat zij (en dat is belangrijk) door het ik kan worden aanvaard. En dan vanuit het ik kan worden geprojecteerd.

Hier ligt een derde paradox in de magie. Aan de ene kant is het allemaal mijn persoonlijk werk en mijn persoonlijke invloed, terwijl ik gelijktijdig toch beschikken kan over de krachten van een andere wereld en zo in schijn of in wezen meer zijn dan mijn eigen persoonlijkheid denkbaar maakt. Maar daarbij vergeet men dan het volgende: Door mij een denkwereld, een voorstelling op te bouwen van een andere wereld, die concreet bestaat, treed ik in die wereld binnen. Door het binnentreden in die wereld zullen voor mij alle wetten van die wereld volledig gelden, voor zover zij niet één zijn met mijn voorstelling daarvan. Het resultaat is, dat elke kracht en krachtsverhouding en werkingsmogelijkheid, die in de aanvaarde wereld bestaan, niet vanuit die wereld mij gegeven worden, maar door mijn eenwording met die wereld in mij bestaan.

Dit heeft esoterisch enkele consequenties, die ik ook graag wil toelichten. Wanneer ik één ben met een wereld, die dus niet behoort tot de stoffelijke werkelijkheid, dan zal ik in die wereld ook begrippen ontmoeten. En de begrippen van die wereld zullen niet stroken met de begrippen van de stoffelijke werkelijkheid. Of om het eenvoudiger te zeggen; de logica van een geestelijke wereld is niet gelijk aan de logica van de materiële wereld. Gezien mijn denken zal ik de logica van een andere wereld alleen kunnen gebruiken als mens, zolang er enige parallel is. Zij mogen niet te veel divergeren. Maar kan ik die logica van de andere wereld gebruiken, dan kan ik deze doen inwerken op het geheel van mijn persoonlijkheid. Want ik kan mijn emoties en mijn denken daardoor beïnvloeden.

En dan komen weer die eerste regels naar voren: Hierdoor breng ik in mijzelf een omzetting tot stand. Ik verander iets in mijn persoonlijkheid, (in mijn uitstraling eventueel, in mijn lichamelijke evenwichten zelfs) waarin ik dus volgens eigen kennen, eveneens besta. De moeilijkheid bij dit alles is altijd weer het niet-controleerbaar zijn van de magie. We menen hetzelfde doel te bereiken, terwijl honderden verschillende riten worden uitgevoerd. Maar dat komt, omdat de mens wel een innerlijke toestand moet bereiken, maar die toestand niet reëel, niet concreet kan afmeten. Er is geen vaste norm. De norm is de persoonlijkheid van de mens en diens eigen reacties. Waar de ene mens misschien in ascese een weg vindt, zal een ander die in orgiastische uitingen vinden. Waar de een door meditatie iets bereikt, kan de ander alleen door magische actie iets waar maken. Dat is dus niet een kwestie van die andere wereld of van de kracht, die gehanteerd wordt het is een kwestie van de mens zelf.

Voor u allen met uw eigen reactie op wat wij zeggen, wat wij doen, is het misschien verwonderlijk, dat de ene maal voor iedereen een beleving mogelijk is, terwijl een andere keer maar een enkeling zich gegrepen voelt. Denkt u dan eens even na over hetgeen ik hier gezegd heb. De ene maal is het mogelijk voor u allen om voor een deel langs de weg, die gegaan wordt, de kracht of de wereld althans te voelen of te erkennen, die de eigen realiteit van een spreker vormt. Op het ogenblik dat u die weg niet kunt volgen, is het voor u ook niet mogelijk om deze bovenzinnelijke wereld zelfs maar als een. gevoel in uzelf te erkennen.

Het opbouwen van spanningen, het werken met innerlijke kracht, het werken met de stem en het geluid, het zijn alle methoden, die in wezen suggestief zijn. Ik kan u niet werkelijk door een magisch stemgeluid tot een ander mens maken. Maar ik kan de suggestie scheppen, waardoor u tijdelijk van de werkelijkheid wordt afgesneden. Ik kan voor u een suggestie bouwen van een bepaalde sfeer of een aanwezigheid. En of die er dan wel is of niet is, doet niet terzake.

Terzake doet, dat voor u dit op het moment aanvaardbaar is en dat u daar ook persoonlijk zelf en innerlijk een contact bereikt met iets, dat wel reëel bestaat. We hebben een vorige maal al veel gezegd over suggestie. Misschien is het goed er nogmaals op te wijzen, dat de suggestie in zichzelf geen werkelijkheid bevat. De suggestie is de sleutel tot een werkelijkheidsbeleving, die altijd ligt ín de persoon, die gesuggereerd wordt. De suggestor hanteert altijd alleen de sleutel tot een andere werkelijkheidsbeleving. De werkelijkheidsbeleving vloeit voort uit de maatstaven en waarden van de gesuggereerde persoonlijkheid.

Nu zult u ook gaan begrijpen, waarom wij in dit werken met esoterische waarden, in het werken met magische krachten en begrippen, zo heel vaak voor een muur staan, die wij niet kunnen doorbreken. Om de grens te kunnen doorbreken, die ligt tussen mijn wereld en de uwe bv, moeten wij beiden een gemeenschappelijke waarde ontdekken, een gemeenschappelijk gevoel, een gemeenschappelijke beleving, een gemeenschappelijke suggestie. Wanneer deze voor ons beiden gelijkelijk werkt en onze denkwerelden daar eigenlijk synchroon gaan lopen (gelijk zijn ze niet, maar ze zijn dan vergelijkbaar en ten dele gelijkwaardig), ontstaat de binding, waardoor mijn sfeer zich in de uwe kan uiten en omgekeerd uw wereld kenbaar en beleefbaar wordt met zekere beperkingen voor mijn wereld.

Ik besef heel wel, dat de meesten van u niet geneigd zullen zijn aan praktische magie te doen. En dat is ook helemaal niet nodig. Maar wanneer u aan esoterie doet, dan zult u met die esoterie altijd weer op het verkeerde paard wedden, tenzij u daar toch iets van het magisch besef t.a.v. uw eigen belevingen in meebrengt.

Het is een paradox, dat je door te denken de werkelijkheid kunt veranderen en gelijktijdig door de tegenstand van de werkelijkheid, die je verandert, in jezelf wijzer wordt. Want hoe kun je iets veranderen en gelijktijdig toch die verandering als een lering zien, wanneer je eigen denken hier superieur is.

Maar ook dit is begrijpelijk. Zolang u uitgaat alleen van uw eigen standpunt, dan kunt u voor uzelf een waanwereld creëren, die ten dele voor anderen geldt. Maar wat u niet kunt doen, dat is dus meten in hoeverre er andere mogelijkheden zijn. Een waanzinnige kan in zijn eigen wereld leven, in die eigen wereld desnoods volledig gelukkig zijn. Hij kan in die wereld over krachten en machten beschikken, die voor anderen niet reëel zijn maar de vermogens die hij bezit komen alleen tot uiting op het ogenblik, dat hij in conflict komt met de wereld. Waarom is een krankzinnige tien maal zo sterk als een normaal mens onder omstandigheden? Alleen maar omdat hij krachtreserves kan aanboren? Of is het misschien, omdat hij gelooft in zijn eigen kracht. En wanneer die krachtmeting komt, dan verandert zij iets. Ze brengt frustraties tot stand, zij brengt daarnaast een variatie tot stand in de denkwereld. De denkwereld wordt aangepast aan de materieel ervaren frustratie.

Wanneer ik magisch denk of esoterisch denk en ik ga alleen maar in mijn eigen wereld op, dan heb ik niet de mogelijkheid die wereld aan te passen. En wat ik van node heb – zeker als mens – is de versmelting van de materiële en de geestelijke werkelijkheden. Wanneer ik een verschil blijf maken tussen wat er in de geest bestaat en wat er in de stof bestaat, zal ik nimmer iets bereiken. Ik zal altijd weer vanuit mijn geestelijke beleving terugvallen tot een werkelijkheid, waarin die beleving alleen maar een sprookje is, iets waaraan ik misschien terugdenk, maar waaruit ik niets kan putten op dat moment.

Wanneer ik mijn geestelijke, innerlijke wereld kan toetsen aan de werkelijkheid door haar op de proef te stellen desnoods, door het conflict uit te vechten, dan zal ik steeds meer mijn geestelijke wereld en mijn materiële wereld één maken. Er ontstaat een denken (want het is uit gedachten opgebouwd, ook dit), waarin beide werelden grotendeels aan gelijke waarden, wetten en normen onderhevig zijn. En dan wordt mijn kracht uit de geestelijke wereld kenbaar in de materiële en dan kan elke materiële ervaring en kracht worden omgezet in waarden van de geestelijke wereld.

Misschien vindt u dit wat onsamenhangend. Ik kan het mij voorstellen. Maar je moet kunnen associëren. Uw gehele denkproces is associatief. Veel van hetgeen u redelijk noemt en wat algemeen als redelijk wordt aanvaard, is niet gebaseerd op de redelijkheid van feiten, maar op het in de meeste mensen gelijkelijk bestaan van dezelfde associatiewaarden.

Associëren is het samenvoegen van verschillende denksporen en denkterreinen. U weet het allemaal. In de hersenen is een bepaalde reeks indrukken, gebaseerd misschien op de doorlaatbaarheid van wat grote eiwitcellen. Wanneer er één is – in zich volledig – waar een tweede parallel mee loopt (dus gelijkwaardig mee ís), dan zal het tweede denkbeeld rijzen bij het eerste. Er ontstaat een vergelijkingswaarde. Dit vergelijken van bepaalde, in zich afgeronde denksporen (een methode, die u eigenlijk combineren en deduceren kunt noemen) is uw eigen proces tot erkenning.

Wanneer u mij hier waarneemt, neemt u mij niet waar. Wat u waarneemt is uw voorstelling van wat de geest is, kan, geweest is. En u hoort niet alleen wat ik zeg; maar u hoort al hetgeen in het verleden gezegd is en parallel loopt met hetgeen ik nu zeg, ook wanneer het in waarden verschilt. Het resultaat is, dat u komt tot een eigen interpretatie. En het vreemde is, dat wanneer die interpretatie niet alleen de waarden van de geest maar ook uw eigen levenswaarden, uw persoonlijke ervaringen, uw emoties, uw moeilijkheden, alles omvat, er een voor u persoonlijke wijsheid tot stand komt. Die persoonlijk bruikbare wijsheid is dus a.h.w. een sprong van mijn woorden tot uw reactie. Zoals u reageert op mijn woorden, moet u op het leven reageren. U associeert, zeker. Maar de associatie moet uit de nuchtere feiten, uit de nuchtere werkelijkheid, steeds brengen de persoonlijke interpretatie, die bruikbaarheid inhoudt.

Als je het geheel van de magie ziet, dan vraag je je wel eens af, waarom de mensen het zichzelf zo buitengewoon moeilijk hebben gemaakt. Nu heb ik het niet alleen over al die eigenaardige recepten, waarin wordt gesproken over vingerhoedskruid, geplukt op St. Jansdag met afnemende maan, het koord van een gehangene, veroordeeld wegens kindermoord en dergelijke dingen. Ik denk alleen maar aan de moeilijkheden, die men zichzelf oplegt door bv. nauwkeurige oriëntatie op het oosten of het noorden te eisen. De moeilijkheden, die men zichzelf oplegt door een bepaalde instelling te vergen, bepaalde kleding misschien. Kortom, de moeilijkheden die men opstapelt, voor men aan een magische taak begint. Waarom doet men dat?

Door het opstapelen van de moeilijkheden wordt niet alleen maar het ik geconcentreerd (omdat men zich met de gehele persoonlijkheid en al zijn streven moet inzetten), maar men gaat ook associëren. En in die associatie – en dat is nu het typische – komt dus binnen het kader van al die moeilijke magische voorwaarden, die rituelen, die onuitsprekelijke woorden en wat erbij hoort, dat persoonlijke element, dat de werkzame factor is. Het is de persoonlijke associatie, die de feitelijke reactie bepaalt en daarmee de vermogens, waarover men tijdelijk of voorgoed beschikt. Nu wilt u graag in contact komen met hogere krachten. U wilt beter zien. U wilt helderhorend zijn. U wilt de toekomst kennen. U wilt de krachten van de geest kunnen ontladen op de mens om hem te genezen, te troosten, of wat dan ook. Maar dat kunt u alleen, wanneer er een associatiemogelijkheid is. En uw relatie met die mensheid, met die wereld en haar problemen, is gelijktijdig de uitdrukking voor uw associatie met God. En dit is dan het laatste punt, dat ik in deze les met u wil bespreken.

Of je het weet of niet, beseft of niet, de wereld in zijn totaliteit met alle ongeziene en veronderstelde waarden en alle zichtbare waarden is de representant van God. Door de eigen verhouding tot de wereld vast te leggen, legt de mens associatief gelijktijdig zijn verhouding tot God vast. Zijn innerlijk proces als een weg naar God kan alleen waar gemaakt worden, wanneer hij zijn dienstbaarheid aan die God of zijn verwantschap met die God uitdrukt in zijn eigen wereld. En zo blijkt weer dat voor esoterie en magie een wet geldt: Innerlijke en uiterlijke wereld moeten parallellen vertonen. De eigen denkwereld is bepalend voor de oriëntatie, niet voor het proces.

Datgene, wat in eigen denkwereld ontstaat en in de werkelijkheid wordt getoetst, is niet alleen een erkenning van die werkelijkheid en van het eigen ik, maar daarnaast van de Godheid, Die achter alles schuilgaat. Door elke erkenning van God worden de oneindige waarden, die de mens toch vermoedt en kent, binnen hemzelf voor een ogenblik geuit. Hij kan hierdoor zowel in de geestelijke als in de materiële wereld veel meer volbrengen, dan hij ziet als zijn eigen mogelijkheid. Want de goddelijke wet is de alomvattende en al overheersende kracht, die in alle opzichten herscheppend en dominerend kan optreden.

Als zodanig kan de esotericus in zichzelf herscheppend optreden t.a.v. zichzelf en vanuit zichzelf t.a.v. de wereld, voor zover hij die ziet en beleeft. Als zodanig kan de magiër uit de Godserkenning – zelfs wanneer die negatief wordt uitgedrukt in een duivelserkenning – de kracht putten, waardoor hij zijn stoffelijke wereld domineert en aanpast aan de wens van zijn beleven. De paradoxen zijn schijnbaar, wanneer wij begrijpen hoe de innerlijke wereld van de mens geschapen is.

Elk van u heeft een eigen weg, een eigen wereld, een eigen reeks van mogelijkheden. Maar elk van u zal in zich eerst een weg moeten vinden om de schijn van beperking te overspringen, zowel wat denken betreft als wat daadmogelijkheid betreft of uiting van krachten, om het totaal van zijn eigen innerlijke vermogens te kunnen gebruiken en om de in hem ingeschapen wetten van andere dan de zichtbare werelden te doen gelden voor zichzelf en via zichzelf voor het andere.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0 

Ik mag voor u de gastspreker inleiden en ik wil graag enkele dingen over hem vertellen. U krijgt bijna zeker variaties te horen over het begrip naastenliefde, en dat wel in verband met bijzondere omstandigheden.

Zoals u weet is er de laatste tijd nog al erg veel te doen geweest om aardgebonden geesten een klein beetje vrij te maken. En daarbij zijn wij dus geconfronteerd geworden met bv. Joden uit concentratiekampen, soldaten van vechtende partijen, mensen die op de een of andere manier door haat aan de wereld gebonden werden.

In een tijd, waarin zoveel spanningen zijn als op het ogenblik, is het optreden van dergelijke groepen natuurlijk niet wenselijk en moet je alles doen om hen zo snel mogelijk meer bewust te maken.

Dat kan vaak gebeuren door de geest en door mensen, die samenwerken met de geest. Maar één belangrijk ding wordt daarbij vaak over het hoofd gezien. En dat is wel, dat je door gedachten en vooral door gelijkgerichte gedachten een dergelijke groep, die nog door haat of door vijandschap bezield wordt, aan de wereld kunt binden.

De gastspreker, die wij vanavond hebben, is iemand die zich daarmee al lang bezighoudt vanuit de geest ook vanuit de hogere sferen zelfs en die juist in de komende tijd en ook in deze periode al zich zeer ernstig met dit probleem aan het bezighouden is, naast de vele andere problemen, die hij kent. En misschien is het wel een klein beetje gemeen om het zo te zeggen; maar hij wil als gastspreker optreden, wanneer hij juist dit punt a.h.w. naar voren mag brengen. Het is een soort oratio pro domo dus.

Hijzelf is ongeveer twee millennia geleden overgegaan. Hij heeft zeer veel geestelijk werk gedaan, ook in de laatste tijd. En zijn grootste ellende is misschien wel het feit, dat zijn figuur, zijn wezen (dat overigens niet de grondfiguur is van een van de godsdiensten, zoals u misschien zou denken), voor een groot gedeelte verkeerd is geïnterpreteerd. Men heeft hem dus vaak gezien als de magiër of als de grote ingewijde, maar men heeft hem kennelijk niet voldoende begrepen als de entiteit, die probeert een brug te slaan tussen alle geloof, tussen alle mensen, tussen alle denken.

Ja, ik moet gaan eindigen. We hebben op het ogenblik contact. Ik wil er alleen nog dit aan toevoegen: Wanneer u deze figuur hoort, moet u proberen u ook eens te realiseren, dat hij vanuit een christelijk standpunt gezien uit het heidendom stamt. Dat zijn achtergrond eerder een Grieks-Romeins filosofische is dan een christelijke. Misschien dat u dan nog meer getroffen zult worden door de wijze, waarop hij de problemen van de naaste, van de wereld a.h.w., beziet.

0–0-0-0-0-0-0-0

 Gastspreker

Vrede en Licht

Leven wil zeggen leven erkennen. Een mens, die leeft zonder gebonden te zijn met al het levende, leeft niet werkelijk. Al datgene wat wij zien, waarmee wij in contact komen, al datgene wat ons beroert, is voor ons; het leven.

Je kunt het leven waar maken in de verschrikkingen van hen, die haat en lijden zaaien. Men kan zijn als de onvolledigen en angstigen, die slechts vernietigen. Maar vernietigen wil zeggen ook je eigen leven, je levenskracht vernietigen. Al het negatieve in de wereld op elk terrein is een afwijzen van het leven.

In de kracht van de eeuwigheid zijn wij verbonden. Banden, die wij niet volledig kunnen kennen misschien. En door diezelfde kracht zijn wij gebonden met alles, wat op ons wezen gelijkt.

Een mens kan de broeder zijn van een mens. Maar kan hij ook de broeder zijn van een vogel?

Hij kan de vogel niet begrijpen en de vogel de mens niet. En daarom zijn die twee gescheiden tot het ogenblik, dat zij elkander begrijpen. Maar een mens die leeft kan een mens begrijpen. En door het begrip, dat zij voor elkander hebben, zijn zij gebonden.

In het christendom spreekt men veel over de naaste en over de naastenliefde. Maar wat is dan uw naaste? Is de naaste niet degene, die gij begrijpen kunt? Een mens, die je niet kent en niet begrijpt, gaat aan je voorbij als een schim, zoals een wolkje langs de hemel jaagt, zonder je te beroeren. Maar op het ogenblik, dat je een mens erkent, is hij je naaste. En dit naaste-zijn is niet beperkt alleen maar tot een gedachte of tot een enkele daad. Daar, waar een wederkerige erkenning is, daar is een band, die ver over alle levens heen gaat. Die strekt tot dat punt, waarin de horizon bereikt wordt, waarin de zeeën van leven en de koepel van de hemel versmelten tot één.

Ik heb ervaren, dat de binding van mens en mens vaak een binding is, waarbij men niet wil begrijpen. Want daar, waar de positieve krachten zijn, daar waar een mogelijkheid is tot begrip, tot samenwerking, tot contact, daar gaat men verder, daar acht men het te moeilijk, de taak te zwaar.

Maar daar, waar dingen negatief zijn, daar waar hartstochten laaien, daar waar de haat als een vuur brandt, daar waar men breken kan en veroordelen, daar zijn de mensen wel elkanders naasten.

Als u denkt en u veroordeelt, dan veroordeelt u niet alleen. Want met u veroordelen velen. En veroordelen is zo gemakkelijk. Het is zo gemakkelijk om mensen te doden. En het is zo moeilijk om je eigen leven te delen met de dode, opdat hij leven moge.

Alle gedachten, die verwerpen en die veroordelen, vormen een verkeerde soort van binding. U vreest, u haat en u veroordeelt op uw wereld. En alle geest, die vreest en haat en veroordeelt, voelt zich één met u en gebonden met u. Uw gedachten worden weerkaatst in de sferen. En dat, wat leeft als een brandend vuur van haat en verachting of als een duisternis van onbesef in die andere wereld, weerspiegelt zich in u. Is dat dan al, wat het begrip naaste en naastenliefde kan inhouden? Er is een mens. Die mens ziet het licht. En dan moet hij erkennen, dat er voor een ander duister bestaat en het licht delen. Een mens heeft rijkdom en hij erkent armoede. En hij moet zijn rijkdom delen. Een mens heeft begrip en hij ontmoet onbesef. En hij moet het onbesef begrijpen en zijn kennis met het onbesef delen. Dit is een eeuwige wet. Er zijn geen mogelijkheden om onderscheid te maken tussen rassen of werelden of sferen. Allen zijn gelijk. Eén en dezelfde Kracht brengt ons voort. Eén en dezelfde wet stuwt ons bewustzijn.

Wanneer je denkt in liefde aan een vijand, dan zal al wat vijandschap kent minder vijandig worden. Wanneer je aan hen, die onrecht doen, denkt met begrip, dan schep je niet alleen maar begrip voor het onrecht, maar ook voor de verbetering ervan. Vernietigen is gemakkelijk. Wat men de wereld van duister noemt, de verstening en de bestraffing van Hades, dat is gemakkelijk te bereiken. Want daarvoor behoeft de mens slechts zichzelf te stellen boven het andere.

Maar om jezelf gelijk te stellen met het andere, dat is moeilijk. En toch, hoe kan iemand ingewijde zijn, wanneer hij niet door zijn inwijding juist in zijn begrip de naaste ontdekt in alle leven en die naaste dient.

Het is niet belangrijk dat je de tijd doet stilstaan, of dat je je wezen door de ruimte werpt van plaats tot plaats. Dat is kinderspel. Maar als je voor een rechter staat, die rechter begrijpen. En hem niet slechts vergeven, maar trachten om in het begrip iets van je wijsheid aan de rechter te geven. Dat is naastenliefde.

En zie nu naar uw wereld. Verdeeld, niet in twee maar in wel twintig kampen. Men veroordeelt elkander, men haat en men vreest elkander. En men haat en vreest en bindt de geest, die gehaat heeft en gevreesd heeft voor zij geest werd.

Men wordt gedreven door het onbehagen van ongetelde persoonlijkheden. Is er spanning in de lucht? Lijkt het of een geesten jacht voorbijtrekt zo nu en dan? Gij hebt haar geroepen gij hebt haar veroorzaakt. Gij bindt de geest, niet de geest u.

Een naaste is ieder, die je begrijpen kunt en niet alleen die je begrijpen wilt. Elk leven dat met uw leven in contact komt moet beseft worden en aanvaard. De verwerping, die de mens heeft geschapen uit de beste leringen, is de rechtvaardiging geworden van zijn eigen dwaasheid. Zelfs in het christendom staat geschreven, dat zij die het zwaard trekken door het zwaard vergaan.

Maar heeft men daarom de zwaarden tot ploegscharen omgesmeed? En toch is dat de enige mogelijkheid. Waar geweld is, moet je het geweld begrijpen. Het trachten te dempen misschien. Trachten het duidelijker te zien als een streven naar leven, evenzeer als uw eigen begrip een streven naar leven is.

Inwijding zoeken is gemakkelijk. Het is zo eenvoudig om torenhoog boven de mensen te staan, eenzaam op de berg der bereiking en dan neer te schouwen. En het is zo eenvoudig om dan als een weldoener of weldoenster van de mensheid af te dalen. Maar dan ben je alleen, dan heb je geen naaste.

Maar te beseffen hoe in de stemmen van de sterren de oneindigheid kan spreken, te weten hoe je kunt staan daar, waar mensenvoeten nooit getreden zijn, hoe je binnen kunt gaan door de poorten tot in de meeste werelden van licht… en dan mens te zijn, dat is waarlijk inwijding.

Elkander dienen is niet alleen een zaak van beantwoorden aan de eisen, die men stelt. O neen. Want om de ander te kunnen dienen moet je ook jezelf zijn. Maar als je jezelf dan bent, als je leeft zoals je meent te moeten leven, je uit zoals je voelt je te moeten uiten, dan te denken aan die naaste. En dan te trachten die naaste niet mee te sleuren volgens jouw wil, maar om hem te zien als een gelijke waarde. En om daarbij bitterheid en alle gevoelens van onvrede en teleurstelling terzijde te werpen en daarvoor in de plaats te zetten dat ene, de erkenning in al het andere, in de ander, van wat in jezelf leeft.

Een wijsgeer ging, rond met een lamp om mensen te zoeken. En men noemt hem een filosoof. Maar ik zeg u; hij was een dwaas. Want wie mensen zoekt is blind voor de mensheid. Hij stelt zijn eigen eisen aan de mens. Hij legt ze op. En in zijn zoeken zelf openbaart hij zijn zelfverheffing.

De ware wijze behoeft de mens niet te zoeken. Hij vindt de mens overal. Hij vindt die mens ook, wanneer die geen stoffelijke vorm meer heeft. Hij vindt die mens, omdat hij mens is. Omdat in hem diezelfde behoefte tot leven klopt, die in jezelf klopt. Omdat in zijn denken dezelfde noodzaak tot aanvaarding bestaat en dezelfde angst misschien voor de verloochening van iets, wat je nu nog ego, ik, noemt, of misschien plicht of eer of taak. Dat te beseffen zelfs in de laagste mens, dat is inwijding.

En uw wereld verwerpt. Zij verwerpt op grond van denkwijzen. Zij verwerpt op grond van huidskleur, van geloof. Zij verwerpt op grond van nationaliteiten. Zij verwerpt, omdat een ander afwijkende regels kent van gedrag en van moraal. Uw wereld kweekt haat.

Uw wereld kweekt een haat, die uitgrijpt. Uitgrijpt naar allen, die zichzelf nog niet gevonden hebben in de sferen. Die uitgrijpt zelfs tot werelden, waarin eigenlijk reeds licht zou moeten heersen. En die terug dwingt hen, die nog niet geleerd hebben alleen te dienen. Hen terugbrengt en bindt als groepen, als strijdende groepen, die anderen niet willen erkennen. God is de totaliteit. Leven is de totaliteit. Hoe kunt u iets uitzonderen, iets afwijzen?

Wanneer u – zoals men mij zegt – zoekt naar esoterische bewustwording, begrijp dan, dat u eerst de ander moet aanvaarden, eerst de ander moet begrijpen. Dat u zich moet buigen voor wat er in de ander leeft. Pas wanneer je dat geleerd hebt, vind je toegang tot de waarheid, die in je bestaat. Want de waarheid is de absolute verbondenheid van alle dingen, niet de verdeeldheid.

Men heeft de wereld verdeeld in licht en duister. Maar wie is licht en wie is duister? Wat is licht en wat is duister? Is de grote Pan misschien de demon, die door het licht moet worden geslagen? Of is misschien Pan het leven van de natuur, in contrast met de duisternis van een de natuur ontkennende Jahwe? Wie zal het zeggen? Wie kan hier beslissen? Of is misschien dezelfde kracht, die Jahwe heet en die toornend hoog regeert over de mensen. Pan die door de bossen gaat en bloei brengt? Zijn zij misschien één en dezelfde? Is misschien datgene, wat u zo veroordeelt, hetzelfde als datgene, wat u toejuicht?

Wie de vrijheid wil vinden van de geest, wie de vrijheid wil vinden van het licht, het werkelijke licht (dat is erkenning en openbaring), wie de naaste wil vinden in de mens en niet alleen maar conflicten, zal zijn verdeling in waarden moeten staken.

Ik wandelde eens aan het strand van de zee. En ik zag de zee versmelten met het land en het land met de zee. Er was een grens voor mij, maar geen werkelijke grens, het licht speelde op de zee en deed de steentjes van het zand blinken.

Toen, ging ik in een grot, waar het koel was en duister. Maar in mij bleef het beeld van de zee, de warmte van de zon, de schittering van het land. En in mijzelf huwde ik deze gedachten en ik maakte hen tot één begrip; leven. En dat leven, dat spreekt uit de rotsen, zelfs nu nog. Het leven is eeuwig. En waar een geest in de verdeeldheid zijn weg niet vindt, is zelfs voor de aardgebondenen dit stuk rots nog vaak een teken, dat zegt; alle dingen zijn één. De lucht en het water en het land, de gloed van de zon, de mens die zoekt, de mens die geboren wordt, de mens die sterft, ze zijn een en hetzelfde, ze zijn leven.

Kunt gij dan niet deze erkenning geven aan uw naaste? Kunt gij dan niet erkennen, dat er geen werkelijk verschil bestaat? Dat goed en kwaad een spel is, dat ge met uzelf speelt misschien? En dat vijandschap alleen maar de dwaze, de domme verkrachting is van wat de liefde zou kunnen zijn?

Kunt ge beseffen, dat ge niet moogt oordelen en niet moogt haten, naar dat ge slechts licht moogt zijn? Niet een licht, dat staat tegenover de duisternis, maar de onthulling van de eenheid van alle dingen? Dat is het, wat ik u wilde brengen op deze dag. Een gedachte. Want ik ken uw leven. En ik zie de verwarringen, die u elke dag opnieuw bespringen. Ik weet hoezeer uw eigen belangen en wat ge misschien ziet als geestelijke noodzaak of mogelijkheid met elkaar in strijd zijn. Ik ben niet blind.

Ik zie u en uw leven. Maar ik weet, dat er in dat leven altijd weer dingen zijn, die belangrijker, veel belangrijker zijn dan de bijkomstigheden. Ik weet dat er krachten zijn in u, die veel sterker zijn dan alle zwakheden, waarop ge u misschien beroept of waarover ge uzelf beklaagt.

Gij zijt mensen, maar gij zijt ook naasten. Niet alleen van de mensen, met wie ge werkelijk contact vindt, die met u spreken en die ge erkent. Maar ook van al die geest, die denkt volgens uw gedachten. Breng daarin het licht van de waarheid.

Ik heb eens tot mijn leerlingen gezegd: Besef dat alle leven een spel is. En dat achter de verschijnselen de ware acteur staat, achter het masker de persoonlijkheid, die ge niet herkent. Deze persoonlijkheid is de Godheid, Die in ons vele rollen speelt. Erken de mens achter het masker, erken de God achter de acteur. En ge zult beseffen, hoe alles ruimte en tijd, mensheid en geest, hemelwerelden en onderwereld versmelten en één en dezelfde waarheid zijn. En dat wil ik tot u zeggen.

Ik vraag u niet uzelf te veranderen, Ik vraag u alleen maar om te erkennen, dat gij juist wanneer ge meer beseft dan een ander daardoor diens mindere moet zijn. Te beseffen dat juist gij, die naar uw idee offers moet brengen, juist omdat gij ze kunt brengen, sterker, veel sterker zijt dan degene, die ze niet brengt.

Wees u bewust van uw kracht. Wees u bewust van de waarheid van de Ene, Die achter alle dingen staat. Draag die waarheid met u. En bevrijd zo velen, die gij gebonden hebt door uw oordeel en veroordeel, degenen die gebonden zijn in de geest. Velen ook, die onbewust worden opgezweept in de materie door een niet gerealiseerde harmonie met uw denken. Leef voor uw naaste en leer zo zelf waarlijk leven. Dat is alles, wat ik eigenlijk zeggen moet.

Eens heb ik geleefd onder mensen. En ik heb ontdekt, hoe vaak ik mens geweest ben, voor dat ik waarlijk als mens kon leven. Gij zijt mensen. En ge zult eens ontdekken, dat ge niet alleen mens kunt zijn, maar dat ge waarlijk als mens kunt leven. Dat is een zekerheid. Maar die zekerheid betekent nog niet, dat het vandaag geen tijd is om te erkennen wat de zin is van het bestaan.

Een kind leert lopen met vallen. Een mens leert de naaste kennen en dienen door steeds weer te struikelen. Maar lopen is noodzakelijk. Beseffen wat een naaste is, is noodzakelijk. Realiseer die noodzaak. Realiseer u, dat ik niet uw meester ben maar uw dienaar. En dat wij gezamenlijk de mensheid moeten dienen. En vooral ook de velen, die door het wanbegrip en de verdeeldheid gebonden zijn aan de strijdigheden van een wereld, waartoe ze niet meer werkelijk behoren op dit moment.

Als ge dat wilt doen, dan kan ik u waarlijk toewensen zelfs wanneer ge alleen maar poogt het te doen: Het Licht, dat alle dingen een maakt. En dan kan ik u toewensen: De Ware Vrede. Die niet is de rust zonder beweging, maar de voortdurende erkenning van de eeuwige waarde in alle dingen, waardoor de tegenstelling verdwijnt en in de eenheid het doel kenbaar wordt.

Ik laat u het zegel van mijn gedachten. Moge ze u bevrijden van veel, wat ge nu nog ziet als deel van uzelf. God zij met u. De waarheid worde uw deel.

image_pdf