Parallellen met het verleden

uit de cursus ‘Het probleem van vernieuwing en ontwikkeling’ juni 1985

Er is in Egypte een tijd geweest dat de mensen werden geregeerd door een priesterlijk ambtelijke hiërarchie. Elk dorp had een priester. Meestal iemand die niet deugde voor de tempeldienst, maar die kon le­zen en schrijven. Hij kon dan noteren wat er werd geoogst, wat er werd gemaakt en aan de hand daarvan kon men dan bepalen wat het tribuut (een zgn. geschenk) aan de Farao en de eventuele geschenken aan de plaatselijke regeerders dienden te zijn. Totdat er iemand op een handig idee kwam.

Terwijl de priester aan de ene kant ijverig stond te registreren, sjouwden een paar van zijn slaven aan de andere kant driekwart van zijn oogst en andere verdiensten en mogelijkheden weg. Vanaf dat ogenblik kreeg de Farao en kregen diens stadhouders steeds minder.

Maar deze mensen waren ook niet gek. Zij besloten om bier (meest­al priesterbier of soldatenbier) ter beschikking te stellen aan eenieder die het tribuut kwam inleveren. Toen namen de inkomsten tijdelijk toe. Totdat men besloot de kwaliteit van het bier iets slechter te maken.

Dat is eigenlijk een aardige parallel met deze dagen. Ook in deze dagen denkt men je kunt steeds meer melken en steeds minder geven. Wat bereik je daarmee? In uw tijd heet dat de zwart geld circulatie. Dat is wel een circulatiemoeilijkheid voor de staat en gelijktijdig een noodzakelijkheid voor de economie.

Er zijn in die tijd in Egypte priesters geweest die goede magiërs waren. Bepaalde Re vereerders. Vooral onder de priesters van Thoth vond je heel veel magiërs die werkelijk veel presteerden en bovendien vaak ook over veel gezond verstand beschikten. Wat heeft men met hen gedaan? Men heeft hun kloosters en eigen tempels gegeven maar wel ver weg in de woestijn, opdat ze niemand lastig konden vallen.

Dat zie ik in de moderne samenleving ook. Er zijn heel veel mensen die zeer gezonde ideeën hebben. Die probeert men dan maar weg te stop­pen. Als dat niet lukt, dan probeer je in ieder geval om hen belachelijk te maken.

Ach, u denkt waarschijnlijk dat de problemen van uw tijd zo nieuw zijn. In de oude stad Rome heeft men een verkeersbeperking ingesteld, Wagens met sleden mochten niet door de hele stad trekken. De vracht moest wor­den overgeladen op ezel en zo mocht ze dan verder worden vervoerd.

Als je dan verder keek naar de strijdwagens en de gewone wagens die daar reden, dan was dat heel wat. Maar die belemmerden dan weer de dames en heren in hun palankijnen. En zij klaagden er weer over dat het zo rook naar paardenurine etc. Deze luchtverontreiniging probeerde men te bestrij­den door grote beperkingen aan te brengen in de vrijheid van verkeer per wagen. Toen kwamen ze allemaal als ruiter opzetten. Dus werden ruiters verboden. Toen kwamen ze tot de conclusie dat ze met een grote congestie zaten, want al die ezels met alle Romeinse burgerezels erbij versperden weer de straten zodat de palankijnen er niet door konden.

Toen hebben ze een ideale oplossing gevonden. Er werden uren in­gesteld dat wagens en sleden wel door de stad mochten rijden. Voor de voorname heren en de krijgslieden, degenen die op de Palatijnse heuvel woonden, werden een aantal wegen speciaal aangelegd daar hadden alleen de wagens recht. Voetgangers hadden daar geen recht, zelfs geen oversteekplaats. Maar dat kwam waarschijnlijk omdat zebra’s in die tijd nog een zeldzaamheid waren.

Kijk naar uw moderne situatie. Ook hier probeert men steeds meer te regelen. Ook hier is men voortdurend druk bezig om voor iedereen elk ongemak zoveel mogelijk uit de weg te ruimen. En wat zal het eind­resultaat zijn? Dat er een situatie gaat ontstaan met toenemende verkeerscongesties.

U heeft natuurlijk meer mogelijkheden dan de Romeinen. Per slot van rekening u hoort al wanneer u in Voorburg zit, dat er een file staat van zoveel kilometer bij Nieuwegein. Het is een oud geintje maar u weet het in ieder geval en u kunt er misschien rekening mee houden. Dat had­den de Romeinen niet. Het enige dat ze hadden, waren de slaven en de vrijgelatenen. De slaven mochten soms ook eigen handeltjes drijven of bepaalde diensten verrichten voor anderen. Zij hielden dan de mensen aan en zeiden: Als je met een transport daarheen moet, dan moet je niet door die straat gaan.

Ik denk als ik kijk naar de grote moeilijkheden die men in Rome heeft gehad met bv. de goden dat we ook parallellen kunnen vinden met deze tijd. Natuurlijk, Vesta was eigenlijk de godin van het hele Ro­meinse stadsrijk, maar daarnaast waren er vele andere goden. En in te­genstelling tot de katholieke tijd later vond men het helemaal niet erg om zo nu en dan een paar erbij te importeren.

Er waren synagogen voor de joden. Er waren ook Isis-tempels. En als je de oude Moederverering (Alma Materverering) wilde aanhangen, dan waren er ook nog tabernakels van de Moederverering. Het enige ver­schil met deze tijd is, dat toen de kerken tevens werkelijke prostitutie leverden, tegenwoordig is dat een zelfstandige onderneming geworden.

Als je zo kijkt, dan valt er een ding op, vanaf het ogenblik (dank­zij de overwinning van Byzantium) dat Rome werkelijk christelijk werd, is het vervallen. Hoe kwam dat? Doodgewoon zodra je een regel boven alle andere regels stelt, ontstaat er een situatie waarin alles zich niet meer kan ontwikkelen.

Ik vraag mij af of er mensen in Nederland zijn die zich dat kunnen voorstellen. Bepaalde socialisten, bepaalde democraten kunnen zich ge­loof ik niet eens voorstellen dat je in vrijheid meer kunt bereiken dan in gebondenheid.

Dit zijn natuurlijk allemaal aspecten van de tijd. Ik herinner mij nog (dat was in mijn dagen) dat de eerste tafelklop seance plaatsvond en dat men ofwel zeer fanatiek aan het geestelijke geloofde, dan wel dat men zeer fanatiek overtuigd was dat het allemaal onzin was. Dat zie ik in deze dagen ook.

Er zijn heel veel zeken die op zichzelf waardevol zijn en die als on­zin worden opzijgeschoven. Aan de andere kant zijn er vaak pretenties waar­van je denkt: waarom nemen de mensen dat nu aan?

Als een bepaalde geestelijke leider zegt dat hij een Avatar is, dan heb ik daar helemaal geen bezwaar tegen, het is alleen niet juist. Maar als wat de man op zichzelf brengt filosofisch en menselijk gezond is, dan moet ik zijn leer beoordelen op wat ze brengt. Dat is heel iets anders dan een onfeilbaar gezag instellen of een enige vaste regel of misschien zelfs een besloten groep van uitverkorenen oprichten. Elke keer als je dat doet, bestrijd je in feite het geloof in de mens en daarmee ook de ont­wikkeling die het geloof met zich kan brengen.

Het interessante van de nieuwe tijd is het groot aantal paranor­male begaafden die geen raad weten met hun gave. Dat was in het verleden ook zo. Als je rekening houdt met bv. bepaalde heksen die ook paranormaal begaafden waren en verder niets, de manier waarop die leefden, dan vraag je je ook af: Hoe komen die zo gek?

Een heks woonde op een begraafplaats. Zij waste zich nooit, maar dat was prettig voor de mensen die haar opzochten je kon ruiken waar ze was. Dat mens deed bezweringen, gaf liefdesdranken e.d. Dat was de praktijk in die dagen. Maar aan de andere kant was ze een heel goede helderziende en kon ze paranormaal genezen Als ze nu iemand paranor­maal genas, dan gaf ze hem toch nog een drankje, want met een bezwering alleen kon je niet zoveel geld binnenhalen. Ik denk dat het in deze dagen ook zo is al is misschien het broodwinningsaspect minder sterk.

Paranormaal begaafden beleven dingen, maar ze weten eigenlijk niet wat ze daarmee kunnen doen. Dan bombarderen zij zichzelf tot helderzien­de, tot medium, tot psychometrist of wat dan ook en gaan daarmee wer­ken op een bepaalde manier. Daardoor verwaarlozen ze heel veel van hun andere gaven en mogelijkheden.

Ik vind dat maar betreurenswaard. Toch is er een tijd geweest (ongeveer 700 n. Chr.) voornamelijk in Griekenland dat er opeens een groot aantal mensen opstonden die paranormale begaafdheid, filosofie, wetenschap en geloof toch onder een noemer wisten te brengen.

Deze mensen deden ook wonderen vanuit het standpunt van hun tijd. Maar als er een wonder geschiedde, dan droegen ze dat onmiddellijk op aan een heilige en dan was het meteen gepurifieerd. Als ze een gave hadden dan vroegen zij zich niet af: Waar komt die vandaan, maar: wat doe ik daarmee? Die menen zouden een voorbeeld kunnen zijn voor heel veel mensen in deze dagen.

Als je een paranormale begaafdheid hebt en je weet niet wat je ermee moet doen, wacht dan even af totdat het bruikbaar is. En als het niet bruikbaar is, negeer het. Maar vraag je wel af: is er mis­schien iets anders wat ik wel kan doen?

Het is eigenlijk zo eenvoudig. De mensen denken altijd, je bent of dit of dat. Je bent helderziend, helderhorend of je bent misschien ge­nezer of genezeres. Dan denken ze: dat ene aspect dat is bet belang­rijke. Neen. Dat ene aspect is een aanduiding dat u alle mogelijkheden in u draagt. U specialisatie kan worden veroorzaakt door de behoefte om op een bepaalde manier iets voor de mensen te zijn of te doen. Daar heb ik geen bezwaar tegen. Maar ik heb er een groot bezwaar tegen dat u zich vastklampt aan één bepaalde gave of mogelijkheid en daardoor uw andere mogelijkheden verwaarloost, terwijl u ze eigenlijk ook wel had willen hebben. Dan moet je ze ook wel ontwikkelen.

Ontwikkelen is iets wat tegenwoordig een heel moderne term is. In de oude dagen dachten ze daar echter een beetje anders over. Er was een inwijdingsschool in Thessalië, overigens meer bekend als het eiland van de heksen. In deze school werd eenieder die daar kwam en die het eerste jaar had doorlopen (dat was niet gemakkelijk) het volgen­de voorgehouden: “Hij die op dit pad gaat, kan alle dingen bereiken. Maar je kunt nooit iets bereiken door hetgeen je wilt, alleen door hetgeen je bent.” Daarmee bedoelden ze; De omstandigheden, inclusief dat wat je zelf bent op een bepaald ogenblik bepalen wat je kunt waarmaken. Je hebt die gave misschien wel maar je kunt haar pas actief gebruiken in de juiste omstandigheden en als je de juist motivering daarvoor hebt. Dat zou ik tegen de mensen in deze tijd ook wel willen zeggen.

Er zijn heel veel mensen die zeggen; Ik wil dit of ik wil dat. Dat is natuurlijk leuk, maar wat heeft u daaraan? De dingen die u wilt, brengt u meestal niet helemaal tot stand. Maar het kan zijn dat u in een situatie komt waarin iets voor u noodzakelijk is. En dan blijkt ineens dat, als u niet wilt en niet denkt, maar eenvoudig doet, geestelijk of stof­felijk, dat u dat dan tot stand brengt.

Ik heb de oudheid vroeger een beetje bestudeerd. Ik interesseer mij er nog voor. Misschien wel, omdat ik zelfs een pterodactyl op het ogen­blik nog eleganter vind dan een DC 10, in ieder geval minder lawaaierig.

Het verleden is voor mij eigenlijk een beeld van wat er vandaag en morgen mogelijk zal zijn. Ik ben niet den aanhanger van een spiraaltheorie waarin alle gebeurtenissen zich voortdurend herhalen. Ik geloof wel in een soort spiraal van beleving waarin dezelfde omstandigheden steeds weer terugkeren. Op elke spiraal dus weer hetzelfde aantal invloeden. Maar wat je daarmee doet kan heel anders zijn.

Als je die invloeden uit het verleden ontleedt dan ben je ook in staat te zeggen welke invloeden vandaag de dag zeer waarschijnlijk het me­rendeel van de mensen beïnvloeden. Je kunt op grond daarvan ook nog zeg­gen welke invloeden dus in de volgende omloop onvermijdbaar zijn. En dat is het interessante.

Ik weet dat veel mensen van mij hebben gedacht: Ach die houdt zich alleen maar bezig met oude dingen. Hij zit voortdurend te emmeren over Pepijn de Korte en Karel de Grote en dat soort vergane entiteiten. Dat is niet juist. Wat is gebeurd in de tijd van Karel de Grote heeft zich herhaald bv. in de tijd van Napoleon. De omstandigheden waren vergelijk­baar, maar ook de resultaten.

Als je denkt aan deze dagen en je zoekt terug naar het verleden, dan zie je vreemd genoeg de tijd van ongeveer 1400 voor je. De vrijwor­ding van de steden. De Gilden, de vakbonden van die tijd, zijn in sterke op­komst. De tochten van de Flagellanten en ook overal roversbenden. Kijk je naar deze tijd dan zie je hetzelfde weer.

Kijk ik naar wat er in dat verleden is gebeurd, dan kan ik nagaan wat nu waarschijnlijk is. Dan blijkt, dat door de wijze waarop de steden in die periode zich ontwikkelden, in feite de macht van de vorsten, maar zeker van de plaatselijke bestuurders, steeds kleiner werd.

De steden waren in staat om zich te bewapenen en te verweren tegen de ridders die vroeger eigenlijk de macht hadden. Daaruit zijn dan al­lerlei conflicten voortgekomen, dat is duidelijk. Maar zonder die bur­gerij van toen zou uw beschaving van vandaag niet denkbaar zijn.

Realiseer u dat voor die tijd kennis hoofdzakelijk in de kloosters werd beoefend en bewaard. Met de komst van de steden echter werd die kennis steeds meer mundaan (werelds). Zoals het ook interessant is te zien hoe de mensen in de steden juist met een godsbeeld, dat afweek van dat van het verleden, de meest grootse kerken en kathedralen hebben geschapen. Hoe de kunsten zich hebben ontwikkeld. Hoe de hele wereld anders werd. Als ik die parallel dan doortrek naar deze dagen, dan zeg ik.

In die tijd was het voor een burger van een stadje ook niet leuk. Want er was steeds wel weer een ridder die probeerde om zijn macht daar te vestigen. Dan bouwde hij maar muren en kwam er een keizer die ze om­ver gooide, tenzij de burger zoveel betaalde dat hij een stadsprivilege kreeg en muren mocht hebben.

Die tijd was misschien niet gemakkelijk, maar zoals de opkomst van de burgerij en de taakverdeling in de stadsgemeenschappen eigenlijk bepalend zijn geweest voor de gehele ontwikkeling tot heden ten dage toe, ofschoon de voornaamste basis van die ontwikkeling loopt tot 1860, kun je wel zeggen: Wij zijn nu eigenlijk in een periode waarin zich allerlei dingen ontwikkelen.

De veranderingen die wij nu constateren, zijn niet zo leuk. De conflicten die we zien, daar hebben we een hekel aan, maar ze zijn kennelijk onvermijdelijk. Want de verandering brengt nu eenmaal conflic­ten met zich mee. Er zijn meer van die dingen waar je eigenlijk een beet­je stil van wordt als je erover nadenkt.

Er is een tijd geweest dat men de lepelwerper of de lepelkatapult heeft uitgevonden Dat is ongeveer 600 v. Chr. geweest toen die voor het eerst werd gebruikt in de primitieve vorm. De lepelwerper die toen werd ontwikkeld, heeft vreemd genoeg aanleiding gegeven tot de verande­ring van de takelage op heel veel schepen. Zij hebben er een paar din­gen bijgeleerd over de mogelijkheid van katrollen en dergelijke. De dubbele katrol bv. is eigenlijk in die tijd al uitgevonden al werd die pas veel later algemeen gebruikt. Het idee van de lier voor het heffen van zware lasten in plaats van het heffen met slaven of trek­dieren stamt ook uit die periode. Allemaal door de ontwikkeling van dat wapen. Uw tefalpan heeft u ook te danken aan de ruimtevaart.

Heel veel toepassingen van elektriciteit die in deze dagen moge­lijk zijn, heeft u indirect te danken aan ontdekkingen van de oorlogvoering tot zelfs het bakkie waar ze tegenwoordig zo lekker door leuteren. Dat is te danken aan de pogingen een kleine zender te ontwik­kelen hoofdzakelijk voor de primaire radar. Als je je dat allemaal re­aliseert, dan denk je: er is toch eigenlijk niets in de wereld dat hele­maal op zichzelf staat.

Zelfs een atoombom staat niet geheel op zichzelf. Toen het bus­kruit werd uitgevonden, riepen ze ook uit: De wereld vergaat. Ik wil niet zeggen dat er atoomgeleerden zijn die het buskruit hebben uitge­vonden, maar wat ze hebben gecreëerd, is het begin geweest van een nieu­we wetenschap die zich nu nog steeds verder ontwikkelt en die zo da­delijk het mogelijk maakt om ook zonder atoomreacties zeer grote hoeveelheden energie af te tappen.

Als je dat nagaat, dan zeg je: Ach, die vernieuwing is eigenlijk een continu proces. De bewustwording ervan vindt meestal pas plaats na het gebeuren, na de ontwikkeling. Want dat je openstaat voor wat er werkelijk gebeurt, is maar een zeldzaamheid. Ik heb het historisch ten­minste weinig aangetroffen. En als je ervoor openstaat, kijk uit! Anders kom je terecht waar die goede tovenaars uit het genootschap van Thoth terecht kwamen, in de woestijn.

De grote kunst van bewustwording in een tijd van ontwikkeling is: je bewustzijn zelf verscherpen. Het wel gebruiken, maar het niet etale­ren. Misschien heb ik voor sommige begaafden onder u daaruit toch nog een nuttige les getrokken. Want er zijn een hoop dingen in de geschie­denis waarvan je zegt: Hoe konden ze zo gek zijn.

Zal ik u wat leuks vertellen? Het heeft er wel niets mee te maken, maar ik praat graag nog even.

U herinnert zich misschien dat er heel veel nonnenkloosters zijn ge­weest, die door bezeten nonnen werden geteisterd te enigerlei tijd dat daar de duivel werd uitgedreven en dat nonnen zijn verbrand als heksen. Nu is daarvoor een heel eenvoudige verklaring te vinden in die tijd.

Niet alle kloosters waren zeer kuis. Er waren kloosters waarin prak­tisch geen enkele cel elke nacht niet dubbel bezet was. Jonge dochters gingen heel vaak in het klooster, omdat ze daar meer vrijheid hadden dan de samenleving en hun normale staat hun zou toekennen. Vandaar ook dat het geld kostte om in een klooster te komen. Alle nonnen, die nu terecht kwamen in een klooster waar nu toevallig al de regels van kuisheid e.d. werden gehandhaafd, waren toch wel ergens bezeten door de normale driften van de mens.

In de goede kloosters werd dat gesublimeerd. Dan voelde men zich a.h.w. de bruid van Jezus. Flagellatie is ook een hele tijd in die kloosters in geweest. Dus dan ranselde je jezelf tot een boetvaardige bevrediging met de Heer. Maar waar dat niet zo gemakkelijk was of waar er een zichtbaar object kwam, bv. een heel knappe biechtvader, daar dwaalde de aandacht van de hypothetische verloofde naar de praktische minnaar. En ja, een enkele minnaar kan geen klooster zoals er toen waren met 120 à 100 vrouwen helpen. Dus ontstond er jaloezie. Door die jaloezie ontstond weer wederzijdse aantijging. Wederzijdse aan­tijging voerde tot strijd en tot twistuitbarstingen die dan als er eens controle kwam, natuurlijk moeten worden weggepraat. Dan was er maar een oplossing, het was de duivel die het deed.

Trouwens, wat dat betreft, als ik kijk naar alle celibataire hei­ligen, dan ben ik bang dat vele van hen in een voortdurende geeste­lijke staat van ontucht met de H. Maagd hebben geleefd. Ik wil niet uitsluiten, dat dergelijke dromen in deze dagen bij sommige mensen nog voorkomen. U vindt dat waarschijnlijk niet passend. Maar denk nu eens even na; zo was het.

Wat wordt er tegenwoordig gesublimeerd? Wat wordt op het ogen­blik soms ook aanleiding tot onredelijkheid en uitbarsting? Vraagt u zich dat eens af. U zult met verbazing ontdekken dat het meestal juist het onderukken is van één of meer menselijke kwaliteiten of mogelijkhe­den waardoor het wordt veroorzaakt. En dan kunnen de bezeten nonnen van eens ons duidelijk maken waar veel van het sociale oproer van deze dagen vandaan komt.

Ik heb weer een paar parallellen getrokken, een specialiteit van mij. Wat dat betreft, ben ik iets verder dan vele mensen die meer de lijn trekken.

Als u denkt aan die vernieuwingen, bewustwordingen, aan de toe­komst, realiseer u dan eens dat alles wat in het verleden is gebeurd in het heden wordt gespiegeld. Wel op een andere manier. Wel met an­dere mogelijkheden en eventueel andere oplossingen, maar dat de invloe­den die in het verleden ontstonden ook vandaag aanwezig zijn en dat wat in het verleden daarop volgde als vanzelf ook in deze dagen een ten­dens zou kunnen zijn die volgt op het verschijnsel dat u heeft gecon­stateerd.

Roeping

Ben ik geroepen? En zo ja ben ik uitverkoren?

Als ik diep in mijn wezen bepaalde mogelijkheden en krachten er­vaar, dan zal ik die naar buiten brengen als een roeping. Ik zal pro­beren om die roeping aan mijzelf te verklaren.

De meeste mensen zoeken de verklaring bij anderen. Ze doen het vanwege hun grootvader, vanwege de een of andere heilige instelling of ze doen het gewoon omdat een geest het hun heeft verteld. Maar dat is de rationalisatie.

De roeping zelf is een innerlijk besef van de mogelijkheid van noodzaak dat zo sterk in de persoonlijkheid aanwezig is dat het zich hoe dan ook een weg naar buiten baant en in het bewustzijn opduikt. Het kan zelfs zo sterk worden dat het een auditieve of visuele hallu­cinatie wordt. Als wij dat hebben, menen wij heel vaak dat onze roeping is gelegen in het waarmaken van wat wij hebben gehoord, hebben gezien of gevoeld. De werkelijkheid is dat onze roeping is, onszelf waar te maken.

Roepingsbesef zou dus moeten zijn, het besef dat datgene waartoe je je geroepen gevoelt mede voortspruit uit je eigen specifieke per­soonlijkheid. Het waarmaken van die persoonlijkheid door je gaven en mogelijkheden te gebruiken, betekent een vervulling in geestelijke en vaak ook in ander opzicht waardoor je in vrede kunt zijn met jezelf en als vanzelf ook meer vrede kunt vinden met de wereld waarin je leeft.

God roept u, maar God woont in u. En als er iets van naar buiten komt, dan is het waarmaken daarvan alleen maar een bevestiging van uzelf en van de kracht die in u woont.