Parallellen uit een ver verleden

5 juli 1959

Vandaag wil ik graag een heel eind teruggaan in de geschiedenis. Laat ons nu eens zien, hoe wij in de verre geschiedenis parallellen kunnen vinden met onze eigen tijd en misschien ook wel een paar lessen, die juist in het heden bruikbaar zouden kunnen zijn.

Het zal u niet verbazen, dat ik daarvoor terugga naar Atlantis. Atlantis, het lang vergeten eilandenrijk met zijn grote stad en zijn gouden tempels. Dit vreemde land, door vele vorsten geregeerd, verenigd in een statenbond, heeft nl. een achtergrond van geestelijk ontwaken. Er zijn in de geschiedenis van Atlantis perioden aan te duiden, die evenals deze tijd een overgang betekenen van oud naar nieuw, een ontwaken van de mensheid tot nieuwe begrippen en het verwerven van nieuwe capaciteiten.

Er zijn in Atlantis natuurlijk onnoemelijk veel verschillende priesterorden geweest. Globaal kunnen die worden onderscheiden in de Witte en Zwarte Broederschap, maar elke orde had ook weer haar eigen leerstellingen, haar eigen geloof, haar eigen denkbeelden. En menig vorst werd beheerst door de ideeën, die leefden in de leer van de broederschap, die in de regering van zijn land een overheersende rol speelde. Hoe vreemd het ook moge klinken in de oren van de moderne mens, maar altijd weer is ‘t het religieuze ideaal, het geestelijk inzicht, dat bepaalt in welke richting de mensheid gaat streven. De ontwikkeling gedurende één van deze overgangsperioden was ongeveer als volgt. De rijken waarin Atlantis verdeeld was, deden enigszins denken aan de kleine vorstendommetjes, die wij nu nog vinden in de meer zuidelijke delen van de Polynesische archipel. Eilanden bewoond door eenvoudige mensen, waar men doet aan visvangst, waar men een weinig handel drijft en daarnaast wat landbouw beoefent, geregeerd door vorsten die pas op dit ogenblik beginnen een krijgsmacht op te bouwen. In de verborgenheid van de wouden of ergens op een heuvel in de vlakte vinden wij in die oude tijden de kleine tempels of heiligdommen, die slechts door een stenen muur van de omgeving zijn afgescheiden en waarin wij al naar gelang de groepering, die regeert, de beelden vinden of de kale altaren. In die tijd begon de techniek zich voor het eerst kenbaar te maken in Atlantis. Het wiel werd uitgevonden en verschillende stuwmethoden, d.w.z. aandrijvingsmethoden. Men had ontdekt dat stoom onder bepaalde condities kracht kan leveren. Langzamerhand ontwikkelde zich een scheiding, waarbij de vaklieden, de landbouwers en de vissers zich a.h.w. elkander gescheiden wisten.

De priesters moesten daar hun eigen zienswijze over geven en probeerden steeds weer terug te grijpen naar de oude overleveringen. Die oude overleveringen, stammend uit het Lemurisch tijdperk, duidden op goden die als lichtende zuilen nederdaalden op aarde. In hun pogen tot behoud, vooral waarschijnlijk het behoud van eigen macht en ook de macht van de regerende dynastieën, horen wij dan de Zwarte Broederschap ongeveer als volgt prediken:

“Al wat nieuw is, is alleen aanvaardbaar wanneer het dienstbaar kan worden gemaakt aan de goden. Elk recht dat verworven wordt is een goddelijk recht en alle goddelijke rechten behoren toe aan de vorst. Er is maar één wet en die wet is heilig. Wij moeten alles doen om de gehele mensheid te richten op de vervulling van die wet. Het gehele volk moet dienstbaar worden gemaakt aan het streven de vorst een leven te waarborgen van zekerheid en van vrede.”

Typisch is, dat precies in diezelfde periode de Witte Broederschap uit een heel ander vaatje tapt:

“Het is de tijd van vernieuwing. De kracht der oude goden is gebroken en de oude tempels zullen leeg worden. Slechts indien een mens kan begrijpen, hoe God Zich overal en te allen tijde openbaart, wanneer hij kan verstaan de stem van de Godheid, Die tot hem spreekt, zal hij in staat zijn de grootheid van het rijk te handhaven. Ja, meer nog; Hij zal kunnen doordringen in de werelden van de voorvaderen en zo komen tot de erkenning van de lichtende kracht van het scheppend Principe Zelve.”

Twee meningen, die tegenover elkaar staan. De een zegt; “Handhaaf de wereld, zoals zij is. Laat ons toch vooral niet de gevestigde orde, onze macht en onze positie uit het oog verliezen.” De andere groepering zegt; “Er is een verandering gaande, die tevens een vooruitgang betekent. Deze vooruitgang kan alleen tot heil van de mensheid dienen, wanneer die mensheid niet meer vasthoudt aan een dogma of zich laat beperken in haar actie t.o.v. God tot een bepaalde plaats, maar eerst tracht de Godheid in al het bestaande te erkennen.” Dat is het begin geweest van de grote godsdienststrijd, die ongeveer 80.000 jaar geleden tot de eerste ramp van Atlantis heeft geleid. Er is zeer veel over en weer gesproken en eerst leek het of het een strijd was om recht. Het recht van een mens om zijn eigen leven te leven. Het recht van de mens om de goddelijke kracht te ervaren, zoals hij het zelf wilde. Maar, helaas, de Zwarte Broederschap kreeg meer en meer de overhand en kort voor deze eerste ramp zien wij dan ook dat de Witte Broederschap zich heeft teruggetrokken op bepaalde eilanden, die zijn blijven voortbestaan. Tezelfdertijd legt deze Broederschap zich toe op zendingsarbeid in de randgebieden van Atlantis. Zij spreken liever tot de slaven, dan dat zij zich bemoeien met de heersende klasse. Klaarblijkelijk zien zij het nut daarvan niet meer in. Het is te ver gegaan.

In deze tijd is er een van de witte priesters, die een verhandeling publiceert. Zo’n publicatie was toen wel iets anders dan nu natuurlijk. Leerlingen kregen een gehele reeks van leringen uit het hoofd te leren en te gelegener tijd werden ze dan door deze leerlingen in het openbaar gereciteerd, waarbij de sprekers en zangers het reciet veelal met muziek en slaginstrumenten begeleidden. De Witte Broederschap had niet zo erg veel van die volgelingen in die tijd; ook het z.g. bloemenschrift was nog niet voldoende ontwikkeld. U weet, bloemenschrift was het symboolschrift, dat wij bloemenschrift noemen om de eenvoudige reden, dat de beelden die ontstaan zijn ons herinneren aan tulpen, rozen, chrysanten e.d.

De lezing, die ik u nu ga ontvouwen, is geput uit een soort wereld-weten. De stof is voor eeuwig vastgelegd en u zult dit zelf later kunnen terugvinden.

“Wee hen, die banden leggen, want er bestaat geen enkele band die juist is, buiten de band van de mens tot zijn God.

Wee hen, die wetten stellen, want zij, die wetten stellen om zich en voor zich, worden de slaven van de wet en de wet voert hen ten verderve.

Wee hen, die de grote steden bouwen en zich machtig noemen boven de natuur. De goddelijke kracht is sterker dan al, wat uit mensen wordt geboren.”

Het doet ons enigszins denken aan de boetpredikingen, die ook in de Bijbel, het Oude Testament, worden gevonden bij Jeremia. De eigenlijke reden, waarom de oude lering van belang lijkt, ligt in het vervolg daarvan dat ik nu voor u wil aanhalen:

“Let wel, de krachten zijn verdeeld. Indien de mens zichzelf kan verloochenen en de goddelijke waarheid, die woont op de bergen, kan aanvaarden, zo zal hij rijper worden en rijker dan ooit te voren. De wereld zal haar aanzijn veranderen en de mens zal treden daar, waar hij nu nog niet durft te denken zelfs om te gaan. Er zal geen scheiding meer zijn, noch tussen mens en mens, noch tussen mens en geest. Er zal geen kracht meer zijn, die niet wordt beheerst. De mens zal kunnen rijden op de winden de storm bevelen. Maar wee hen”

en dan begint hij weer met hetzelfde:

“Wee hen, die de banden leggen, waarmee zij anderen willen ketenen, want zij worden hem tot verderf en wurging.”

Dat “wurging” vraagt een kleine uitleg. In de tijd van Atlantis was de plantengroei een andere dan die van tegenwoordig en in die periode bestond de z.g. zweepplant. Een zweepplant is een nu in de tropische gebieden nog wel voorkomende vleeseter. Deze zweepplanten uit de Atlantische tijd waren echter zo groot en sterk, dat wanneer zij hun opgerold blad of stengel uitschoven, de onvoorzichtige slachtoffers soms zo werden geraakt dat ze werden gewurgd of verbrijzeld. Met dit woord “wurging” nu wordt bedoeld dat de natuur wraak zal nemen. Geen menselijke wraak dus maar wraak van de natuur. Ook de eindconclusie in deze door mij aangehaalde lering is weer zeer interessant.

“Want ik zeg u: Het gaat niet om dat, wat rond u bestaat noch om de eer van de vorst of het belang van het land. Zelfs de priester heeft geen recht op uw eerbied. Gij zult slechts eerbied hebben voor de goden, want wie in zich de krachten van de geest of de god dat is hier verwisselbaar erkent, zal in zich het vermogen van de geest geopenbaard zien.”

Mij dunkt, dat en de situatie en de geciteerde uitspraken uit deze verhandeling in de moderne tijd eveneens van toepassing zijn. Wij zien dat de strijd van de elkander verslindende belangengroepen veroordeeld wordt, evenals het z.g. goddelijk recht van koningen en priesters. Deze hebben immers geen groter gezag dan welk ander mens. Veroordeeld wordt, dat de mens zijn God niet meer zelve zoekt. Veroordeeld wordt eveneens de behoudzucht van de mens en het feit, dat hij niet in staat is het grote levensavontuur te accepteren met alle vernieuwing, die daaruit voortkomt. Dit gaat zelfs zover, dat instellingen als het huwelijk, kloosters en hermitage, die toen ook al bestonden, alle worden veroordeeld. Want elke band, zo zegt onze Atlantische vriend, is uit den boze, indien het niet is een band met God; een verbintenis, die je aangaat met God. Hij gaat uit van het standpunt dat de ene mens geen belofte mag afleggen tegenover de andere. Een belofte is slechts geoorloofd tegenover God en dan nog alleen t.a.v. de dingen, die uit God komen. In een van de door mij niet genoemde bezwaren, verwerpt hij bv. de eed plechtigheden, die de vorsten met hun troepen de eerste troepen, die ze bij elkaar hebben eigenlijk houden. De troepen komen daarbij in tempels samen en leggen een plechtige eed af dat ze de vorst als vertegenwoordiger van God zullen volgen, hun leven voor hem zullen offeren. Deze witmagiër echter zegt: “Dwaasheid, in de wereld kun je nooit een band accepteren, die niet direct een goddelijke band is. En als het een binding is, die uit God voortkomt, dan is dit verbond alleen met God gesloten.” Hij zegt helemaal niet: “Alle huwelijken moeten ontbonden worden.” of “alle soldaten moeten hun vorst in de steek laten.” Neen, hij zegt; “De mens moet in zichzelf erkennen, dat zijn intentie voortspruit uit de goddelijke wil en zonder verdere verbintenis dan het volvoeren van de goddelijke wil, niet gebonden aan een persoon moet hij zijn taak verrichten.” Dit is ook voor het heden m.i. zo belangrijk, omdat de wereld zich in een ongeveer gelijke toestand bevindt. Wanneer je op het ogenblik de wereld bekijkt, dan zie je ook dat de techniek een totale vernieuwing aan het ondergaan is; je ziet dat de groepering van de staten en de wijze, waarop zij politiek met elkaar bedrijven geheel veranderd is t.o.v. laat ons zeggen een eeuw geleden. Toen had men daar geheel andere opvattingen over. Iedereen heeft wereldomvattende aspiraties, niemand gelooft meer aan recht en rechtvaardigheid en het streven van de mens is gericht op datgene, wat het meest voordelig is. Kortom, wij zien hier precies hetzelfde als wat zich in Atlantis voordeed. Kerken, esoterische groepen en priestergemeenschappen marchanderen met elkaar om toch vooral het opdringend ongeloof onder de duim te kunnen houden. Wij zien, dat men in sommige gevallen een groot gedeelte van het geloof tijdelijk maar liever verwaarloost teneinde, wat men noemt, een meer positieve politiek te kunnen voeren. Het is logisch, dat wanneer op het ogenblik in de wereld zo’n beslissende periode aanbreekt, dezelfde gedachtegangen uit een ver verleden in zekere zin wederom kracht krijgen. Ik geef graag toe dat er tijden zijn van een gouden wet. Tijden, waarin het begrip van werkelijkheid het de mens mogelijk maakt, meestal maar gedurende enkele honderden jaren, in een z.g. “1000-jarig rijk”, te komen tot een regeling, waarin stoffelijke en geestelijke belangen worden samengevoegd tot een onverbrekelijk geheel, waarin de ziel vrijelijk opgroeit en toch de stof mag kennen. Dat komt zelden voor. En aan een dergelijke periode zijn wij heden zeker niet toe. Als ik in deze tijd de rol moest overnemen van deze oude witmagiër, deze profeet, deze Jeremias van Atlantis, dan zou ik waarschijnlijk niet veel anders doen dan zijn woorden parafraseren. Dan zou ik zeggen: “Wee gij, die de grenzen sluit in eigen belang en vergeet de rechten van mensen, Wee gij, die de huidskleur belangrijker acht dan een bereiking. Wee gij, die macht stelt boven de vrede. Wee gij, die mensen doet verhongeren, terwijl gij dat wat hun voedsel zou zijn omzet in water. Wee gij, die het alleenrecht der waarheid meent te bezitten en u daarop verheffend, vergeet dat God leeft in alle dingen.” En dan zou ik ook moeten beginnen met op te sommen wat er eigenlijk allemaal gaande is op de wereld. Dan zou ik moeten zeggen: “Mensen, waar blijven jullie eigenlijk, waar blijft jullie menselijkheid. Aan de zelfzucht dreig je teloor te gaan. In je poging dat te behouden wat niet meer rein is, wat niet meer goed is, zou je wel eens een oordeel over jezelf kunnen uitspreken, misschien je wereld tot een ondergang doemen.” En toch kent deze tijd zijn gulden ogenblikken, zijn nieuwe lichtende krachten, zijn nieuwe mogelijkheden. En nu wil ik die niet in orakeltaal gaan gieten, maar ik wil er eens heel gewoon over spreken.

Zoals de wereld er op het ogenblik bij staat, zijn er mensen, die een innerlijke broederschap kunnen erkennen en gelijktijdig toch vrijheid toestaan aan een ieder. De vrijheid om zelf te denken en te streven, terwijl zij God als een gemeenschappelijk doel aanvaarden. Wanneer dergelijke mensen bestaan en ze leven eerlijk en oprecht en ze streven voortdurend naar datgene wat ze zeggen voor te staan, dan is daarmee een kern gevormd, die de wereld kan bevrijden. Het is begrijpelijk, dat de boeren in Duitsland en in Engeland erg verontwaardigd zijn, als de Nederlandse tomaten goedkoop zijn, dat ze beschermende rechten willen hebben. Maar ze moeten begrijpen, dat ze geen recht hebben om anderen, die willen leven van die groenten en tomaten, hun prijs op te leggen, te laten betalen voor hetgeen zijzelf klaarblijkelijk fout doen. De politicus heeft niet net recht om zijn eigen stellingen boven alles heilig te verklaren en de hele wereld er zonder meer aan te onderwerpen. Hij heeft niet het recht om een hele mensheid ten gunste van een idee van macht of recht in de waagschaal te stellen. Het is niet voor niets, dat ondanks verklaringen van het tegendeel, bepaalde staatsgeheimen kort geleden verloren gingen in een van de grote staten. Deze topgeheimen waren gevaarlijk voor de mensheid. En nu kost het weer een jaar voor men zo ver is, dat men het weer kan weten. Wij hopen dat in dat jaar de mensen verstandiger worden. Maar juist de mensen, die voortdurend met deze dwaasheid bezig zijn, betekenen niet alleen de stoffelijke maar misschien ook wel de geestelijke ondergang van een groot deel van de mensheid. Per slot van rekening, wat voor zin heeft het om geestelijk te streven, wanneer je voortdurend gekweld wordt door de angst voor een atoombom. Wat voor zin heeft het om na te denken over het doel van je leven, wanneer je gestraft wordt voor elke 5 minuten, die je te laat op het werk komt, zoals in een andere staat het geval is. Wat heb je eraan te leven in een wereld, die je geen eigen verantwoordelijkheid laat en dus ook niet de mogelijkheid om door eigen misslagen en het lijden, dat daaruit voortkomt te komen tot een beter begrip. Ziet u, zo ligt het op het ogenblik en van onze kant wordt allee gedaan om de zaak een klein beetje te regelen. Hier een kleinigheid en daar een kleinigheid en zo alles bij elkaar brengen vrij het aardig voor elkaar. Maar wat kunnen wij doen, wanneer de mens zelf niet verandert? Het is goed te zeggen; “Mens, ken jezelf.” Maar menigeen meent zichzelf te kennen en op deze geringe zelfkennis zich te mogen verheffen boven anderen. Menigeen streeft er niet naar zichzelf te zien in het licht der werkelijkheid. Velen zoeken er alleen naar zichzelf te zien in een goed licht, een licht dat hen beter en schoner doet schijnen. Wat we nodig hebben is a.h.w. een grotere band tussen geest en stof. In de eerste plaats, omdat juist het bewustzijn van de geest voor de stof op dit ogenblik zo verduveld belangrijk kan zijn. In de tweede plaats een grotere eenheid tussen geest en stof, opdat veel van de dwaze illusies, die men op het ogenblik nog op aarde koestert teloor zullen gaan en daarvoor in de plaats komt een vrijheid van denken en handelen, die een ieder nodig heeft. Wat wij nodig hebben is, dat de mens boven zijn huidige sfeer uitstijgt. Het kan. Een groot gedeelte van de mensheid is op het ogenblik meer dan gevoelig voor invloeden van buitenaf. Ja, ik weet het, op het ogenblik lijkt het een beetje op Schwärmerei, dwaas vrouwengedoe, bijgelovigheid van mensen, die niet helemaal bij hun hoofd zijn. Zo redeneert men in een tijd, waarin alles concreet en werkelijk moet zijn. Maar heel veel mensen voelen innerlijk krachten van buitenaf. Er zijn heel veel mensen, die wanneer ze maar wat vrijer konden zijn in het beleven ervan een onmiddellijk contact zouden krijgen met onze sferen en zelfs hogere sferen. Er zijn mensen genoeg, die tot een voldoende zuiver inzicht zijn gekomen om – mits zij metterdaad hun theorieën in de praktijk kunnen brengen – te komen tot een onmiddellijk contact met goddelijke krachten. Voor een kort ogenblik misschien, maar toch een contact met goddelijke krachten, openbaring. Deze wereld kent meer verschijnselen van het paranormale, dan de nuchtere werkelijkheid aanneemt. Kinderen zijn over het algemeen telepathisch begaafd. Helderziendheid komt bij kinderen en ook bij vele ouderen voor. Maar ze drukken het op ij, ze willen het niet zien, zij zijn er bang voor. Het herkennen van innerlijke waarden wordt steeds meer mogelijk door een duidelijker uitdrukken ervan in het eigen wezen. Men werpt het echter terzijde, omdat men het geestelijke alleen geestelijk wil zien en het stoffelijke alleen stoffelijk. Men kan niet begrijpen, dat deze beide toch samen moeten gaan. De wereld is aan het veranderen en bevindt zich in een kritieke periode. Zo’n periode die voor ons niet zo daverend lang duurt. Het is meestal een negen-jaars cyclus, dus negen jaren, die werkelijk kritiek zijn. Maar daaromheen speelt zich een periode af, die aan beide kanten toch ruim 360 jaren is. En juist gedurende die periode van ruim 360 jaar vindt de omvorming plaats, maar meteen ook de bevestiging ervan. Komt die bevestiging niet op tijd ja, Atlantis is tenonder gegaan door een maan, die neerstortte, vulkanische werkingen, verschuiving van aardschollen wie zal zeggen hoe de mensheid hier vernederd wordt en teruggebracht tot een peil, waarop ze voor zichzelf moet verdergaan? Niemand kan het u zeggen, maar zeker is dat het gebeurt. Er worden eisen gesteld aan de mens en het vreemde is, dat de eisen, die aan hem gesteld worden, niet in strijd zijn met zijn persoonlijke belangen, niet in strijd zijn met zijn menselijke waardigheid. Men denkt dat soms. Men denkt, dat men in een irreële droomwereld moet gaan leven. Het is echter de innerlijke werkelijkheid, zoals zj in de mensheid leeft en bestaat, die meer naar buiten moet komen. Nu moet ik toch even ergens anders gaan lenen om dit weer in een paar mooie zinnen onder te brengen. Dan wil ik hier een esoterisch werkje, dat in het Pali is neergeschreven, citeren:

“In de mens zijn vele voertuigen en elk hunner behoort tot een bepaalde godenwereld. Indien de mens een voertuig kan beheersen, zo is hij één met de goden van de wereld. waartoe het voertuig behoort.” (Dit “goden” kunnen wij wel door “geesten” vertalen.) “Wie in zichzelf de kracht leert erkennen, die hem beroert, zal in zichzelf weten, hoe die kracht te benaderen en daardoor één worden met de kracht, die hem doet leven.”

Dat is ook heel eenvoudig. Wanneer God Zich in ons openbaart en wij kunnen volledig, eerlijk en oprecht antwoord geven op die openbaring, dan hebben wij in dat opzicht de eenheid met God bereikt en die is nooit meer te verbreken.

“Wie de waarheid kent, vraagt niet naar wet of naar rede.”

Weer hetzelfde als wij in Atlantis hebben gehoord. Vraag niet naar wet of naar rede, maar de mens vraagt slechts de innerlijke kracht, waarin hij zichzelf erkent en zo komt tot het begrip van het “nietzijn”. Dus het “nietzijn” in menselijke zin. Als we dat nu eens op deze wereld van toepassing verklaren, dan wordt het toch al heel duidelijk, dat wij helemaal niet bijgelovig behoeven te zijn, wanneer wij ons laten voeren door de impulsen, die wij kunnen ontvangen. Laten we nuchtere mensen of nuchtere geesten blijven. “Wanneer wij in die impulsen waarheid erkennen, die de onze te boven gaat en daarnaar handelen ons erdoor laten leiden, dan zien wij plotseling, dat onze hele wereld een nieuwe gestalte krijgt, een nieuwe inhoud. Dat ons eigen wezen duidelijk herkenbaar is, dat onze harmonie met God groter wordt. En wanneer die harmonie groter wordt, dan wordt er vanzelf nog een andere waarheid duidelijk. Dat is nl. deze en dan grijp ik weer terug naar dat Paliwerkje:

“En zij, die één zijn met de goden zullen leven in de wereld dier goden.”

Anders gezegd; het voertuig van de mens zal zich altijd aanpassen aan het innerlijk bewustzijn, de innerlijke kracht, die hij kent en zo komen tot de perfecte zelfopenbaring in gestalte en vorm, die een directe weergave is van de innerlijke zelfrealisatie. U begrijpt wel dat het nog heel lang kan duren, voordat de mens als een vogeltje door de lucht dartelt of als een uit geestelijke energie bestaande bol wegrolt over de ruimte van de wereld. Maar wanneer wij in staat zijn om innerlijk te beantwoorden aan het Goddelijke, dan zullen wij ook lichamelijk, qua uiterlijk, qua vermogen, qua reactiesnelheid direct gaan beantwoorden aan die innerlijke kracht. Het is nu eenmaal zo dat God geen wonderen doet, maar dat het erkennen van God in onszelf het ons mogelijk maakt om – naar menselijke maatstaven gerekend – wonderen te doen vanuit ons “ik”. Wij zullen in onze volmaaktheid en onvolmaaktheid voor onszelf bepalen, hoe wij staan tegenover de goddelijke Kracht en dat bepaalt wat wij zijn voor de wereld. En hoe meer die wereld in handen blijft van hen, die de goddelijke impuls, de goddelijke werkelijkheid opzij gooien en daarvoor in, de plaats stellen het materialisme, hoe groter de mogelijkheid, dat de ramp van Atlantis zich herhaalt. Maar ja, laat ons geen pessimisten zijn. We hebben nog een paar jaren de tijd en er zijn heel veel goedwillende mensen, die elk op hun manier trachten iets verder te komen. En laat ons één ding niet vergeten. Hetgeen je bereikt, vooral wanneer je dit innerlijk streven dus gaat doorvoeren ook in de stof, is zo bedrieglijk. Zolang wij Gods kracht zelf niet kennen en dus geen overzicht hebben van de schepping, heeft het leven dezelfde eigenaardigheden van de woestijn. Soms zie je een fata-morgana. Een paar verbleekte botten van een kameel worden tot een berg of een oase. Bergen, die veraf lijken, blijken plotseling dichtbij te staan. Maar meestal is het zo, dat wanneer je een doel erkent, de weg daarheen onmetelijk lang lijkt. Wanneer je meent, dat je het op het middaguur kunt bereiken wordt het meestal wel avond. Zo gaat het met de geestelijke dingen ook. Wij kunnen geen juist overzicht krijgen van hetgeen de wereld in geestelijk opzicht bereikt. Zeker niet als je in de stof bent en eerlijk gezegd, met heel veel moeite, wanneer je in de geest bent zeker in mijn sfeer. Maar we weten, dat juist deze werking van de goddelijke Kracht, die wij vergelijken met de trillende hitte in de woestijn, voor ons een vertekening van onze werkelijkheid tot stand brengt.

En dan wil ik er maar weer een voorbeeld uit de woestijn bij halen. Koefra is de heilige stad van de Senoessiërs. Dat was een ascetische sekte van de Mohammedanen. Wanneer je naar Koefra gaat, zie je de oase niet. Je gaat door de woestijn heen en je meent te verdorsten. In de verte, zie je een paar blauwe bergen schemeren en verder niets. Je voelt je verraden. Maar dan kom je bij de laatste hoge zandberg en sta je verbluft stil, want de oase zelf ligt in een wadi, in een laagliggende bedding dus, een waterhoudend dal en je kijkt ineens van de kaalheid van de witte zandwoestijnen uit over de volle groenheid, groen in talloze nuances. Daar ligt dan de vruchtbare oase waar de Senoessiërs hun heiligen hebben begraven.

Nu meet u zich voorstellen, dat het met de mensheid op het ogenblik precies is als met zo’n karavaan. Men trekt door een woestijn van materialisme heen en meent misschien daar aan ten onder te gaan. Maar niemand weet, hoe lang de weg nog is. Vlak bij echter ligt het heiligdom van geestelijke realisatie, van innerlijke bewustwording. En niet iedereen bereikt het tegelijkertijd. Sommige karavanen sturen boden vooruit, al is het alleen maar om een plechtige ontvangst mogelijk te maken. Ze zijn degenen van de mensheid, die begrip krijgen voor de noodzaak van innerlijke en geestelijke werkelijkheid boven alle wetmatigheid van de stof en alle begrippen van rede uit, het eerst in de gelegenheid om deze oase van nieuw geestelijk bestaan te betreden. Ze zijn dan de mensheid een slag voor. Menigeen zal van hen zeggen; “Daar deugt niet veel aan.” Maar wanneer de mensheid datzelfde peil bereikt, zal men zeggen: “Ziet hoe gelukkig hij was reeds in de koele hallen te kunnen rusten, terwijl we ons nog voortsleepten door de materialistische woestijnen heen.”

En daarom is het verschil tussen het Atlantis van lang geleden en de wereld van vandaag eigenlijk niet groot.

Wij richten ons op het doel en op de bereiking, en elke mens voor zich hoort dezelfde waarschuwingen spreken, iedere mens voor zich voelt in zich de levende krachten sterker en sterker worden en elke mens voor zich zal moeten beslissen wat hij doet. En met de beslissing van al die individuen valt de beslissing over het lot van de wereld, maar niet over dat van de geest.

Ik geloof, dat ik hiermede voldoende heb gezegd vandaag. Ik hoop dat u niet pessimistisch bent geworden. Er komt m.i. steeds meer reden tot optimisme,” al is het alleen maar omdat stof en geest langzaam maar zeker tot een redelijke samenwerking komen, ook al snapt de stof er meestal nog niet veel van. Ik moet eindigen en toch wil ik nog wat zegge:

Probeer nu eens voor uzelf wat meer te leven naar die innerlijke stem, ook wanneer dat schijnbaar een verloochenen van geestelijke waarden of het prijsgeven van stoffelijke waarden inhoudt. Laat u eens leiden door dat, wat in u leeft en probeer in uzelf u God voor te stellen als een directe werking, een directe kracht. Dan zult u merken, dat u dichter bij de rust bent dan u thans denkt, dat uw welvaart beter is, dat alles beter gaat en u zult bovenal merken, dat u op deze manier en op deze manier alleen werkelijk die innerlijke vrede kunt verwerven, waardoor u de hele wereld te sterk af bent. Dat gun ik u toch van harte.

o-o-o-o-o

Na al dat spreken op meer praktische basis zult u het mij niet kwalijk hemen, wanneer ik nog een ogenblik wat zwaarwichtiger wordt. Niet ik natuurlijk, maar de stof, die ik u dan wil voorleggen. Er zijn nu eenmaal in alle leven en werken ogenblikken, dat de mens geconfronteerd wordt met dingen van – laat ons zeggen – geestelijk belang. In ons bestaan verschillende werelden, dat heeft mijn voorganger ook al gezegd. En nu is het vreemde dat die werelden ons niet gelijktijdig aanspreken maar a.h.w. om de beurt. Soms is de mens het slachtoffer van het zuiver materiële, om niet te zeggen het dierlijke, dan weer wordt hij opgeheven tot een sfeer, die ver boven het Zomerland uitgaat, waarbij hem in de vormloze wereld van goddelijke kracht een nieuw inzicht of een nieuwe vrede wordt geopenbaard, dan weer leeft hij in de droomwereld van een Zomerland, waarin zijn idealen werkelijkheid schijnen te zijn. Onwillekeurig geeft men aan een van die werelden de voorkeur boven de andere. Maar God leeft in alle dingen. Dat hebben wij al zo vaak gezegd! Wij kunnen het niet voldoende herhalen. God is in elke wereld, die binnen de mens of binnen de geest gerealiseerd kan worden. Er is niets in die werelden, dat vreemd is aan God, strijdig is met God. Om te komen tot een werkelijke erkenning van wat innerlijk in ons leeft en werkt, moeten wij ons dus wel in de allereerste plaats realiseren, dat alle dingen tot God behoren, dat God Zich in alle dingen openbaart. Wij moeten niet trachten slechts te leven op één vlak, één niveau.

Er is een nog belangrijker punt. Wanneer wij in onszelf komen tot een verheffen van de gedachten, van het bewustzijn tot hoger leven, hoger waarden het gebed bv. dan concentreren wij ons hele wezen op het allerhoogste en zien de werking daarvan in elk der werelden haast gelijktijdig. Er is geen tijd, die een verschil maakt tussen de stofwereld en de geestenwereld. Er is geen verschil tussen de hoogste lichtende sfeer en het meest stofgebonden zijn, dan alleen in ons eigen denken. God is volledig werkzaam aanwezig, de enige realiteit in al die werelden; en in elk van die werelden kunnen wij God erkennen in elke functie, in elke kracht. Voor een mens is het moeilijk zich dat te realiseren, daarvan ben ik mij bewust, maar toch kunnen wij soms proberen door te dringen achter de uiterlijkheid, die ons omgeeft. Wij kunnen proberen onze gedachten omtrent fortuin, fatsoen, filosofie, godsdienst en maatschappelijke verplichtingen een ogenblik terzijde te zetten om onszelf af te vragen: Wat wil ik, wat wens ik, wat ben ik. Door het wegwerpen van de uiterlijkheden die niet eens werkelijk “behoren tot” onze stofwereld maar door onszelf geschapen zijn, kunnen wij komen tot een eerste erkenning van wat wij zijn, onze eigen werkelijkheid. Eerst in deze erkenning kunnen wij komen tot een accepteren van God. God werkt niet volgens de gedachten der mensen. Hij gaat Zijn eigen paden, Dat wat wij werkelijk zijn, dat is God, niet dat wat wij denken te zijn. Dat laatste is illusie, dat is waan en begoocheling. Wanneer wij onszelf zien, ontdaan van alle mooie franje, ons werkelijke wezen en werkelijke figuur, zijn wij gekomen dichtbij het grote geheim van het goddelijk bestaan zelf. Op dat ogenblik weten wij voor onszelf; zo heeft God ons geschapen, met déze eigenschappen en deze kwaliteiten. Er moet in de wereld, in de geest, in de schepping, voor deze eigenschappen en kwaliteiten een volmaakt doel bestaan. Wij moeten niet onszelf veranderen, maar wij moeten passen op de plaats waar God ons met onze kwaliteiten en eigenschappen geschapen heeft. Wij hebben dat deel van het z.g. noodlot te vervullen. Het is de uitdrukking van de goddelijke wil in het totaal der schepping. En wanneer wij op deze manier leren denken en werken, dan blijkt ons dat de eigenschappen, die wij eens onze eigene noemden, langzaam maar zeker terzijde worden gelegd. Zij gaan voort ons leven te beheersen maar niet meer als iets, waarvoor wij verantwoordelijk zijn maar eerder als een erkende noodzaak, die uit het Goddelijke, het Scheppende voortkomt. Wij komen steeds verder af te staan van de schijnbare onvolkomenheden, waaruit ons wezen is opgebouwd. Meer en meer groeit in ons het bewustzijn van eeuwige waarden, leren wij voor onszelf te omschrijven en spreken, totdat wij kunnen zeggen; Het woord was in den beginne: Want juist door de afstand, die wij nemen van het principe der werking, waardoor wij worden tot kenner en beschouwer en niet tot slaaf van de wetten in de schepping, zullen wij komen tot de ervaring van het waarlijk Goddelijke en de waarlijk goddelijke Kracht. leder mens moet zijn eigen wezen tot openbaring brengen. Elke geest trekt zijn eigen baan. Maar wanneer men afstand doet van de zelfbegoocheling en daarvoor in de plaats stelt het erkennen van de goddelijke wil, dan blijkt ons meer en meer hoe onvermijdelijk vele van onze daden, vele van onze gedachten zijn. Zij komen niet voort uit een vrije wil. Zij vloeien voort uit de wetten, die buiten ons liggen, zij zijn niet van ons afhankelijk, zij worden slechts door ons volvoerd. Wanneer wij dit beseffen, maken wij ons vrij van alle gedachten van schuld en van zonde, dan maken wij ons vrij van de gedachten van verantwoordelijkheid zelfs en dan kennen wij daarvoor in de plaats het enige, waarvoor wij bestemd zijn, onze eigen taak, ontdaan van het bijkomstig gebeuren, dat uit de omgeving op ons toestroomt. Dan herkennen wij wat wij zijn, hoe wij passen in de schepping en komen tot het accepteren van onze werkelijke verantwoordelijkheid, die niet is; te leven op een bepaalde wijze maar te bestaan in een volledige harmonie met het Goddelijke, zoals God ons in Zijn schepping heeft geplaatst.

Ik ben bang, dat u zult zeggen; Dat was kort maar hevig. Maar meer heb ik vandaag niet te zeggen. Ik hoop, dat u het hiermee wilt doen.