Pasen

 

13 april 1987

Inleiding

We hebben weer een gastspreker voor u. Maar dit keer hebben we het paasfeest lichtelijk in het hoofd ‑ ik hoop dat u daar geen bezwaar tegen hebt ‑ en de spreker zal zich dan ook wel bezighouden, denk ik, met al datgene wat bij Pasen hoort, laat ik het zo maar noemen.

Wat de persoon zelf betreft: hij heeft in die tijd geleefd, heeft bepaalde dingen ook meegemaakt en is, dacht ik, langzaam maar zeker toch meer realist geworden. Hij praat niet over het geheim van de opstanding, hij zegt: het is waarschijnlijk wel zo, maar dat weet ik niet.

Aan de andere kant heeft de figuur van Jezus een enorme indruk op hem gemaakt en een van zijn vreemde opmerkingen was wel: iemand die gemarteld is, die naar zijn dood toegaat en toch vrede uitstraalt, is een heel bijzonder iemand. Verder zegt hij: “Vrede is een innerlijke kwestie”, en hij begint dan een heel betoog over werkelijkheid en niet‑werkelijkheid.

Ik zal dat allemaal maar in mijn eigen woorden samenvatten, dan hebt u tenminste over de dingen waar hij waarschijnlijk minder over zegt ook wat gehoord.

Vrede in jezelf is in feite een onafhankelijk worden van de wereld buiten je. Vrede is het vermogen de tegenstellingen in jezelf op te lossen. Wie in zich die rust vindt, vindt in zichzelf kracht, iets van het Koninkrijk Gods (zouden de christenen zeggen), van Licht. Daardoor is hij in staat de buitenwereld zover uit te sluiten dat hij haar weliswaar beleeft maar dat hij er niet meer mee verbonden is op enigerlei dwingende wijze.

Zijn opvatting over Jezus was oorspronkelijk: nu ja, er zijn er zoveel van die soort. Ze kletsen aardig wat aan, ze kunnen wel leuke dingen zeggen, maar het zijn en blijven mensen. Ja, die Jezus heeft wel wonderen gedaan, maar waren het wel wonderen? Op die manier dus.

Hij zegt: “Al die dingen zeggen me zo weinig. Maar er zijn ogenblikken dat die man (Jezus) gewoon een medemens aankijkt, aanraakt, en dan zie je die ander veranderen. Die ander heeft ineens vrede. De tegenstellingen, de conflicten, zijn even uit de weg geruimd. En dat is het bijzondere.”

Nu zijn we natuurlijk allemaal in de kern eveneens deel van de goddelijke kracht, van de goddelijke eenheid. Die kracht kun je beseffen, je kunt er een beroep op doen. Wanneer dat gelukt heb je een gevoel van innerlijke warmte. Je weet niet wat er gebeurt, maar even verandert de wereld voor je. Wanneer je die kracht regelmatig zou aanroepen, je regelmatig zou verdiepen in de kern van je eigen wezen, dan zal dat gevoel als het ware naar wens kunnen worden opgeroepen en het zal gelijktijdig voor een langere tijd kunnen bestaan.

In de periode dat die innerlijke kracht in jezelf naar buiten stroomt ben je bijna onaantastbaar voor de wereld. Er kan van alles gebeuren, je zult het registreren, je zult zelfs handelen in overeenstemming ermee, maar gelijktijdig houd je er afstand van. Anderzijds beschik je juist dan over die krachten en die energie die nodig is om anderen te helpen wanneer dat wenselijk is.

Ik geloof dat je hier een paar dingen samen kunt trekken.

Je hebt natuurlijk te maken met die krachtbron. Of dat nu God is of wat anders, maar wat we wel kunnen constateren is:

Dat die kracht bestaat.

Dat die kracht iets in ons bewustzijn verandert.

Bij het volgende ga ik nu even van mijzelf uit, want u weet hoe dat gaat met dergelijke denkbee1den: ze komen van een ander, je gaat er zelf over nadenken en dan ontstaat er toch weer iets anders. Bij mij is dat ongeveer zo gegaan.

Wanneer ik dus in mijzelf die krachtbron aanboor verandert de relatie, niet mijn wereld. Maar is die wereld dan nog wel echt? Is het afstand nemen niet eerder: komen tot een groter besef van werkelijkheid, zodat je de onbelangrijke dingen aan je voorbij ziet trekken en gelijktijdig de hoofdzaken weet vast te houden? Mijn ervaring met leven en dood brengt mij ertoe te zeggen: altijd leef je in een droomwereldje, maar wanneer je tot de kern van je wezen terugkeert ontstaat er een ogenblik dat ik werkelijkheid zou willen noemen.

Als onze vriend dan praat over vrede, ben ik geneigd te zeggen: wat hij vrede noemt is in feite de werkelijkheid en dan kun je misschien van Jezus zeggen dat hij de werkelijkheid wat sterker heeft uitgestraald dan anderen in zijn tijd.

Er zijn hoofdstromen in het leven. Noem ze ‘lot’. Je kunt er niet aan ontkomen. Ze zijn deel van het bestaan of zo u wilt, deel van een kosmisch plan. Maar die hoofdstromen zullen we zelden zien, omdat we voortdurend bezig zijn met die vele kleine stromingen die binnen ons eigen bereik vallen. We zijn bezig de werkelijkheid te veranderen denken we, terwijl we in wezen onze aandacht afleiden van de onveranderlijke ontwikkeling in de werkelijkheid en ons gelijktijdig moeten overgeven aan het droombeeld dat wij uit die details hebben samengesteld en dat met die werkelijkheid weinig of niets te maken heeft.

Als je leeft, dan leef je (dat zie je na je dood) in een wereld waarin illusies en waan toch zeker 60% van je belevingen hebben bepaald en beïnvloed. Maar als je overgaat kom je ook in een droomwereld. Die wereld is groter, ze heeft misschien meer mogelijkheden, maar ook daar ben ik voortdurend bezig mijn eigen wezen als het ware te vergelijken met alle kleine, voor mij nog controleerbare details, terwijl ik de hoofdzaak, waar ik uit besta en waarin ik een functie heb, nog steeds blijf verwaarlozen.

Onze gast van vanavond had nog een opmerking die me heeft getroffen. Hij zei: “Je kunt aan je lot niet ontkomen tenzij je jezelf volledig prijsgeeft.”

Toen ik vroeg wat hij daar nu mee bedoelde antwoordde hij: “Kijk, lot is een functie. Die functie bestaat in God, in de kosmos. Die functie zal altijd bestaan. Wanneer ik mij er tijdelijk mee vereenzelvig dan ben ik deel van die functie, ik kan haar niet veranderen. Maar mijn eigen wezen heeft tot taak te beseffen, niet in de eerste plaats te functioneren.”

Nu kun je dat als geest natuurlijk veel gemakkelijker zeggen dan u op aarde, dat begrijpt u ook wel. Maar het was interessant genoeg om er ook weer even over na te denken.

Ik zei zo tegen mijzelf: ja, wanneer ik mijn laatste drie levens bekijk dan moet ik toegeven dat ik aan een bepaalde ontwikkeling niet kon ontkomen. Ik heb eraan meegewerkt, zelfs terwijl ik ertegen was. In één geval heb ik zelfs datgene wat ik bestreed door mijn bestrijding pas tot werkelijkheid helpen worden. Dat is toch krankzinnig? Tenzij je zegt: ja, maar dat is het lot. Dat is een functie die ik heb en de manier waarop ik dat interpreteer, de manier waarop ik ermee bezig ben, heeft er niets mee te maken. Ik ben een deel geworden van die waarheid, totdat mijn bewustzijn zich weer geheel van die ontwikkeling heeft losgemaakt.

Dan kijk je na je dood en dan vraag je je ook wel eens af: hoe ben ik zo gek gekomen? Stel je dat nu eens voor: student geweest, magister geweest, allemaal op de verkeerde manier, en ook nog in de politiemacht gezeten, ook op de verkeerde manier. Als je dan kijkt wat je in die geest bent zeg je: ja, maar nu zie ik dat ik iets volbracht heb. Ik kan niet zeggen: ik heb het gedaan, maar ik ben er deel van geweest.’

In de geestelijke wereld ben je ook deel van iets en je zoekt dat te concretiseren. Ik ben deel van een functie die u misschien omschrijft als interessant of vervelend. Ik probeer namelijk via verschillende mediums blabla in verstaanbare taal om te zetten.

Waarom doe ik dat? Waarom help ik anderen die in illusies gevangen zitten en die erg onaangenaam zijn? Als ik het goed bekijk eigenlijk alleen maar omdat ik zonder dat het gevoel heb van onvolledigheid. Dat wil zeggen dat er in mij dingen moeten zijn die ik nog niet ken, maar die ook bepalen wat ik in de geest ben, wat ik doe, wat ik beleef. Zodra ik mij openstel voor de werkelijkheid (u zegt dan leven in het licht) dan zit ik weer in dat schuitje. Ik word geleefd door iets, ben het misschien al, maar ik weet het niet, ik kan het op het ogenblik in ieder geval niet overzien.

Dan kom ik verder ook weer tot eigen conclusies. Want als je je eigen ervaringen erbij betrekt, dat zult u zelf ook wel eens ontdekken, dan kom je tot een heleboel denkbeelden waarvan ongeveer de helft verkeerd is. Dat moet u bij het nu volgende dan ook maar onthouden.

Ik denk (of moet ik zeggen: ik geloof) dat ik deel ben van een bepaalde keten van ontwikkelingen voor zover deze vanuit de geest worden voortgebracht. Heel waarschijnlijk behoor ik ook tot een groep die vooral in de stof ingrijpt of werkzaam is. Wanneer ik daarnaast begrijp dat eenzijdigheid voor mij een beetje onaanvaardbaar is geworden en dat ik juist daardoor onder meer voor de Orde allerlei dingen doe en ook lid ben van die groep, dan zeg ik bij mijzelf: ‘ik ben erbij terechtgekomen omdat ik de behoefte heb onbevooroordeeld te functioneren tegenover anderen en in mij de behoefte ligt een opbouwmogelijkheid voor anderen te scheppen.

En dan ga ik natuurlijk als de bliksem kijken wat er allemaal voor geesten zijn die dergelijke neigingen hebben en dan ontdek ik bepaalde groepsgeesten, bepaalde geesten die in de natuur bepaalde rassen beïnvloeden en dat soort dingen.

Voor mij is het werkelijk het gevoel dat je voor anderen een zekere stuwing vormt. Ik kan niet zeggen dat je belangrijk bent, want dat is het niet. Als ik in mijn eigen wereldje naar mijzelf kijk dan ben ik mijzelf eigenlijk wel een beetje genoeg. Dit wil niet zeggen dat ik genoeg aan mijzelf heb. Ik heb het gevoel dat zoals ik dan ben, in rust, alles naar mij toevloeit. De wereld is volmaakt. Alleen, ik word altijd uit dat begrip van volmaaktheid wakker geschud door het gevoel: er ontbreekt iets. En dat ontbrekende probeer ik dan weer aan te vullen door mijn werken in de sferen, pogingen om wat te leren en werken op aarde.

Maar hoe je dat allemaal ook bekijkt, nu ik met deze denkwijze ben geconfronteerd heb ik werkelijk het gevoel: we zitten in een reeks gebeurtenissen waarvan we deel zijn en waarvan we zonder het te willen of zelfs te weten deel uitmaken door de invloed die wij op anderen, op onze omgeving uitoefenen.

Dan vraag ik mij natuurlijk ook onmiddellijk af: maar waarom heb ik dan altijd allerlei theorieën gehad? Waarom bepaalde dingen wel, waarom andere dingen niet leuk gevonden? Ik denk dat we de waarheid, waar we een functie van zijn, niet aankunnen en dat we proberen door allerlei verklaringen voor hetgeen we doen en door allerlei rationalisaties van hetgeen we denken en geloven, voor onszelf een wereldje te scheppen waarin we oppermachtig zijn. Het is vreemd als je ziet hoeveel mensen, wanneer je hun innerlijk ontleedt, als ideaal voor zichzelf het beeld van een dondergod hebben uitgekozen. ‘Je zoekt je God te zijn’ hebben ze wel eens gezegd. Maar dat betekent gelijktijdig dat alles wat niet bij ons wezensbeeld past voor ons geen God kan zijn.

Dan kunnen we praten over Jezus en al wat hij heeft doorgemaakt, wat hij is geweest en wat hij nu zou moeten zijn en voor ons betekent. Maar we kunnen niet zover komen dat we erkennen: wat die Jezus is zijn wij in feite ook. We zijn er bang voor, omdat we het gevoel hebben dat we dan de weg van Jezus moeten gaan. Dan bedoel ik: niet ‘halleluja’ roepen of zo, want dat is de goedkoopste manier om jezelf vroom te voelen. Maar het gevoel hebben: dan moet ik misschien ook wonderen gaan doen en dat kan ik niet, ik zou misschien aan het kruis terechtkomen, ik zou veel moeten lijden, vervolgd moeten worden en dat wil ik allemaal niet, dus is Jezus iets anders dan ik ben.

Je kunt wel zeggen: Jezus heeft het zelf anders bekeken. Die zei: “Het Koninkrijk Gods is in u lieden” en ook: “Ik ben de weg en de waarheid, niemand komt tot de Vader dan door mij.” Daarmee bedoelde hij niet zijn stoffelijke persoonlijkheid. Ik denk dat hij daarmee die geestelijke kwaliteit bedoelde, functie zijn van het hogere, van het onbekende dat voor ieder van ons de weg is. Maar dan moeten we erkennen dat die weg belangrijk is. We zijn functie. Ons functioneren volgens deze ingelegde, ons opgelegde waarde is belangrijk en al het andere hangt er maar bij, is eigenlijk niet belangrijk.

De inconsequentie van ons eigen bestaan is, dacht ik, de grootste belasting voor ons waarheidsgevoel. We kunnen eenvoudig niet aanvaarden dat wij zelf zo zijn of dat we die dingen moeten doen. Achteraf weet ik het heus wel.

Er zijn ten minste twee gevallen geweest in de incarnatie waarin ik ‘agent’ was, waar ik in twee gevallen ben geholpen, tegen heel rijke beloning overigens, die erg belangrijk zijn geworden voor de latere geschiedenis.

Beide gevallen hebben zelfs tot in de tijd van Napoleon III grote invloed gehad. Daardoor hebben zij hun tijd als het ware helpen bepalen, gericht, zij hebben iets veroorzaakt waardoor de ontwikkelingen werden gestimuleerd. Als ik helemaal eerlijk was geweest was dat niet gebeurd. De fout ligt dus in het feit dat ik dit niet wist en niet in het feit dat het gebeurd is.

Ik denk dat dit een van de belangrijkste conclusies is die je kunt trekken uit alles wat ook de gastspreker zo dadelijk wel zal gaan vertellen. Het gebeuren is onontkoombaar wanneer het deel is van een kosmisch patroon dat ik niet kan overzien. Het heeft weinig zin mij over de feiten druk te maken, te beklagen, berouw te hebben. Het gaat om jezelf. Waarom deed ik het? Wat was mijn motief? Hoe heb ik het voor mijzelf aanvaardbaar gemaakt? Heb ik het gezien als iets dat werkelijk de moeite waard was of eerder dan een aardigheidje? Het antwoord op die vraag is voor ons beslissend. Als u eenmaal bent overgegaan zult u dat ook wel ontdekken. De voorstellingen die je van alle dingen hebt vallen meestal erg tegen. Het is altijd anders dan je denkt. Vooral voor die mensen die denken: ik kom dadelijk aan een grote parkpoort, die wordt voor me opengedaan en daar staat God al om me een sigaar in de mond te duwen. Je moet gewoon weten wat je eigen motieven zijn geweest. Wanneer die motieven verkeerd zijn dan kan het beste wat je in je leven tot stand hebt gebracht tegelijkertijd geestelijk een grote last zijn en je ertoe brengen weg te kruipen in het duister.

Ervaringen die je van ganser harte hebt doorgemaakt kunnen je nooit beïnvloeden, die zijn zo. Daar ben je eenvoudig deel van. Je blijft je ervan bewust, maar ze maken geen beperking uit van je contact met anderen of van je ervaring van licht, of zelfs het voelen van vrede. Het zijn alleen de dingen waar we zelf een conflict mee hebben, de dingen die we niet wilden of niet konden aanvaarden, de dingen die we via een uitvlucht, een rationalisatie hebben geprobeerd tot iets anders te maken die het ons lastig maken.

Ik kan best begrijpen dat de christenen dan zeggen: ‘Lam Gods dat de zonden der wereld draagt’. Maar het is te gemakkelijk. Onze zonden zijn onze denkfouten, niet onze daden

die voor een groot gedeelte onontkoombaar zijn. Zo geloof ik dat deze benadering dan toch een beetje aan de paassfeer beantwoordt en dat deze Pasen juist op die manier opstanding kan betekenen; het één worden met de functie die je hebt en daardoor niet meer beperkt zijn door de waarschijnlijkheden en verklaringen die je altijd hebt aangenomen.

Ik hoop dat de gastspreker u op zijn wijze, natuurlijk veel duidelijker en beter dan ik het heb gedaan, iets daarvan zal laten voelen en laten horen. Wat mij betreft, ik geloof dat ik mijn taak redelijk heb volbracht en ik hoop dat dit een avond wordt waar u toch weer heel veel uit kunt putten. Ik dank u voor uw aandacht.

De Gastspreker

Ik heb mij laten vertellen dat de mensen in uw tijd wel eens zeggen: “Ach, heeft die Jezus wel geleefd? Heeft hij misschien in een toestand van schijndood het kruis verlaten?” En wat dies meer zij.

Ik was onder de menigte die erbij was toen hij gekruisigd werd.

Jezus is gekruisigd. En die Jezus (ik heb hem tijdens mijn leven meermalen gezien) is ook wel gestorven, want met Romeinse wachten kun je op dat punt zeker niet marchanderen. En zo rijk was hij ook niet.

Maar hij was een eigenaardig mens. Een eigenaardig gebeuren. Met donkere ogen. Vriendelijke ogen wel, maar je had altijd het idee dat hij helemaal door je heen kon kijken. Het gezicht wat scherp, gestalte 1 meter 50 à 55, klein dus, handen: lange vingers, wel mooi, maar hier en daar toch wat vereelt en meestal ook niet al te schoon.

Ik heb die man de vreemdste dingen zien doen en dan heb ik het niet over wonderen.

Ik heb meegemaakt dat hij bij iemand kwam die een been had verloren, een oud‑soldaat, een Romein. Die was als Romeins burger ook niet al te vriendelijk. Jezus keek hem aan en de man werd onrustig. Jezus zei tegen hem: “Wat zit er eigenlijk fout bij jou?” De man zei: “Ik heb zo’n last van dat been dat ik verloren heb.” Toen zei Jezus: “Denk dan dat je het nog hebt, dan heb je er geen last meer van.”

Een dwaze uitlating misschien, maar het wonderlijke was dat die man begon op te klaren.

Jezus zei toen nog een paar dingen, heel terloops, voordat hij verderging. Hij had een heel stel mensen bij zich maar wilde kennelijk even op adem komen. Hij zei tegen de man: “Als je alles wat liefde is in jezelf weet te behouden, dan zal je been je niet kwellen, dan zullen je nachten rustig zijn en dan zul je weten wat ik bedoel wanneer ik spreek over de Vader.” En toen ging hij verder.

Deze man, die Romein, woonde in een naburig dorp, tenminste, ik woonde in een gehucht en dit was een iets groter plaatsje in de buurt. Ik heb hem daarna vele malen gezien en hij was altijd opgewekt. En als u had geweten, zoals wij dat deden, hoe onaangenaam die man altijd was, dan zou je dat als een groter wonder beschouwen dan iemand die even van een ziekte genezen wordt, want dat heb ik ook door anderen zien doen.

Die Jezus heeft me op de een of andere manier gegrepen. Ik ben nooit een christen geworden, we hadden onze eigen opvattingen en ik vond de wet en de overlevering veel belangrijker dan al dat toch wel wat vrijzinnige gekwebbel, al die filosofie. Maar de man had iets.

Toen ik hoorde dat hij zou sterven en dat hij gekruisigd zou worden wilde ik gaan kijken. Maar je kon er langs de weg bijna niet komen, zo druk was het in de stad zelf. Het zijn smalle wegen. Dus ben ik verder gegaan en ik ben terechtgekomen vlak bij de kruisigingplaats, vlak bij Golgotha, de schedelrots. Daar heb ik 3 à 4 uur doorgebracht.

De zon was verduisterd. Het was een eclips. Er waren geen wolken, het was geen uitdoven van de zon, het was een eclips, maar het was angstwekkend, dat vreemde bleke nachtlicht midden op de dag.

Ik heb gehoord dat men beweert dat de aarde beefde. Ik heb het niet gemerkt. Maar er zijn wel dingen kort daarna gebeurd. Toen wij teruggingen omdat de man kennelijk dood was of bijna dood ‑ het was bovendien tijd om terug te gaan want de sabbat zou aanbreken ‑ toen was er een ontzettend onweer. Sommige mensen dachten dat ze overledenen hadden zien lopen. Ik weet het niet. Er is inderdaad iets gebeurd in de tempel. Daar is de bliksem ingeslagen en het schijnt dat de scheiding tussen het heilige der heiligen en het heilige daardoor tijdelijk ongedaan is gemaakt, wel onmiddellijk hersteld.

Nu vieren de mensen Pasen en dan zeggen ze: “Hij is de verlosser, Hij is de redder.” Hij was niet de verlosser, de Messias, zoals wij erin geloofden. Hij was een profeet, ongetwijfeld. Of hij een zoon van God was? Zoals wij allen kinderen zijn van de God die ons, met alle mensen, geschapen heeft, was hij natuurlijk een kind van God. Maar Hij was van een familie van redelijke afkomst en beperkte middelen. U zou tegenwoordig zeggen: een kleine middenstander.

Het enige wat deze man mij heeft leren zien was dat je het onvermijdelijke niet nader behoeft te bekijken. Dat moet alleen beleefd worden. Het wonderlijke van deze mens is geweest toen hij de berg opkwam terwijl een ander het kruis voor hem droeg, hij was dus kennelijk al praktisch uitgeput, dat hij toch nog een paar mensen ‑ vermoedelijk van zijn groep ‑ waaraan hij voorbij kwam gerust kon stellen en zegenen en dat hij zo’n ontzettende rust uitstraalde. Ik weet nog dat ik toen dacht: je moet wel iets bijzonders zijn, want welk mens kan naar zo’n marteldood toegaan zonder bravoure en toch helemaal vrede en nog helemaal in staat om op alles te reageren?

Ik ben gestorven, heb sindsdien nog wel een paar levens gehad en heb heel veel van mijn meningen moeten herzien. Langzaam maar zeker ben ik ook terechtgekomen in een wereld waarin het soms mogelijk is die Jezus te ontmoeten.

Je kunt nog steeds niet van hem zeggen dat hij een God is of dat hij geen God is. Je kunt alleen zeggen: dit wezen draagt om zich een golf van vrede, zo intens dat je stil wordt bij de ontmoeting en dat je niet eens weet of je met hem praat, gedachten uitwisselt of hoe je het noemt, maar dat je verrijkt bent, alsof ergens een deeltje van wat hij is in je is achtergebleven.

Deze mens, deze geest, heeft mij zelf ertoe gedreven na te denken, te zoeken naar de werkelijkheid van mijn bestaan. Waarom moest ik uit alle profeten die ik heb gezien juist die ene onthouden?

Ik heb hem nooit gezocht en toch kruisten onze wegen zich verschillende malen.

Waarom moest iemand mij, terwijl ik aan heel andere dingen dacht, komen vertellen dat die Jezus gekruisigd zou worden? Waarom ben ik er naartoe gegaan? Misschien wel om het later te kunnen vertellen. Ik weet het niet. Er zijn dingen die je niet zeggen kan, die je niet weten kunt.

Als u in uw bestaan bepaalde dingen doet moet u zich eens afvragen. Waarom eigenlijk? U zult heel vaak zien dat u wel zelf een keuze maakt, maar dat er dingen zijn waaraan u gewoon niet voorbij kon gaan. Dingen die later voor u zo bepalend zijn geworden als onder meer die ontmoetingen met Jezus voor mij.

Ik geloof dat de Schepping volmaakt is wanneer je de tijd kunt uitschakelen. Ik geloof dat wij deel zijn van die volmaaktheid wanneer wij onze beperkingen, onze neiging om alles in te delen en te verdelen, eindelijk kwijt zijn. En ik geloof dat al wat er in ons bestaan gebeurt, incarnaties, geestelijke ervaringen, allen terug te voeren zijn tot deze werkelijkheid die wij nog niet kennen.

Toen die Jezus geboren werd was het al onvermijdelijk dat hij aan het kruis zou sterven. En omdat het deel is van een geloof neemt iedereen dat aan. Maar ik zeg u dat er mensen zijn die op hun 20ste of hun 50ste of hun jaar door een auto worden doodgereden en dat zij al geboren zijn om dat lot te ondergaan. Ik zeg niet dat de duur van het leven bepaald is, dat weet ik niet, maar ik zeg u dat dingen in het leven onvermijdelijk zijn. U zult mij niet horen zeggen dat je geen vrije wil hebt, maar ik geloof dat er dingen zijn die je met al je willen en al je wensen en al je vermogen niet kunt veranderen of kunt tegenhouden.

Later heb ik gehoord (ik ben in een van die incarnaties ook een tijd christen geweest) dat Jezus gezegd heeft: “Niet ben ik gekomen om u de vrede te brengen maar het zwaard.” Mogelijk is het een vervalsing, ik weet het niet. Maar één ding is zeker: op het ogenblik dat de Nazarener stierf aan het kruis veranderde er iets in de wereld en tot heden toe zijn alle eeuwen sindsdien bepaald geweest door zijn leven, of wat de mensen ervan gemaakt hebben.

Van hem wil je het aannemen, waarom niet van anderen? Al wat je bent heeft maar één doel: de werkelijkheid die in je leeft volledig te omschrijven. En al wat er gebeurt, al wat je waarneemt en denkt zelfs, maakt deel uit van dat ene patroon waarin de werkelijkheid bestaat.

Ik ben geen Jezus van Nazareth, waarschijnlijk zal ik het nooit worden of die wijsheid bereiken, maar ik kan u dingen zeggen die toch ook waar zijn.

Geloof in uzelf.

Geloof in de zin van uw leven.

Geloof dat er een kracht is waarin u en uw leven altijd betekenis zullen hebben.

De waarheid die Jezus’ vrede mij voor het eerst voor ogen heeft gesteld is het deel‑zijn van het onbeperkte. Zeker, ik heb gebeden tot en geloofd in één God die behoort bij een bepaald uitverkoren geheel. Maar toen ik Jezus een paar keer ontmoet had, had ik het gevoel dat dit niet juist was. Toen ik hem had zien sterven wist ik dat het alleen maar een vorm was en vormen zijn onbelangrijk.

Het licht van de wereld is het licht van de geest, is het licht van het geheel. Het is het kenbaar ‘zijnde’ dat alle ‘zijn’ overtreft. Het is openbaring, beleefbaarheid. Geen bijzondere kwaliteit of gave.

Wordt wakker uit uw droomgedachte, uit uw verhalen die u steeds weer uzelf vertelt.

Wordt wakker uit uw aanbidding van het verleden, uw angst voor de toekomst.

Wees stil. Heb deel aan de vrede. Heb deel aan de rust, aan de kracht, aan die werkelijkheid die altijd bestaat, zelfs als het gebeuren zijn betekenis verloren heeft.

Dit is de vrucht van mijn bestaan tot nu toe, misschien geen grote gave.

Maar de paasgedachte, altijd weer de gedachte aan een wederopstanding: hoe kan er een wederopstanding zijn waar geen dood is? Pasen zou moeten zijn: het in je beseffen en voelen. Herboren worden, opdat je eindelijk de verlatenheid vergeet die je zelf schiep en de eenheid beleeft die je, ondanks jezelf, bent.

Misschien klinkt het vreemd wanneer je na zoveel levens, na zoveel geestelijke ontwikkelingen dit gaat zeggen. Misschien is er meer. Ik weet het niet. Maar dit waarover ik u spreek is de ware vrede. Het is de werkelijke hergeboorte. Het is de opstanding uit de voortdurende vergetelheid

waarin gedachten, angsten, begeerte ons hullen.

Ik kan niet anders dan met u delen wat ik geworden ben. Niet meer, niet minder. Zoals ik deel wil zijn van alle geesten in alle werelden, die misschien nog geen vrede kent, of die deel is geworden van mijn vrede. Ik geef u wat ik kan. De waarheid ligt in uzelf. Maar wie haar omschrijft maakt haar tot leugen. Besef dit.

Keer tot uzelf en wees stil. Dan zal de vrede met u zijn. Dan zal de kracht u bezielen. Dan zal de liefde die men Christus noemt u allen omvangen, doordringen; onverschillig of uw weg u voert naar een troon of naar een kruis. En in dat weten zult u gelukkig en vredig zijn. Sterk. Zo sterk, dat u anderen kunt steunen, zelfs wanneer u bijna vergaat.

Dit kan ik u niet geven, u moet dit vinden. Maar heb deel aan de kracht zoals zij uit mij voortkomt, zoals zij deel is van mijn wezen. Die kracht die geen woorden kent, niet uitdrukbaar is, maar die ik uitstraal, zo goed ik kan.

Opdat ook voor u de innerlijke herrijzenis mogelijk worde. Opdat de vrede u de kracht worde om in vrede vredebrenger te zijn. Opdat u het vermogen gegeven worde de werkelijkheid te ervaren en te kennen, zonder gevangen te worden in een web van onbelangrijkheden en illusies.

Moge de kracht in u ontwaken, opdat gij moogt leven uit de kracht, erkennende kracht en de levende werkelijkheid.

Dat het Licht ons blijvend verbinde, want de schijn van scheiden is slechts ons onbegrip van de werkelijkheid.