Patronen

uit de cursus ‘Occulte filosofie’ (hoofdstuk 4) – januari 1975

Patronen

Als wij de kosmos bezien, kunnen we stellen dat het geheel energie is. Dat is ongetwijfeld juist. Daarnaast kunnen wij stellen dat in die energie bepaalde vormen, bepaalde oertypen, bepaalde patronen voorkomen. Wat is nu eigenlijk een patroon in dit geval? Het is een aantal grondlijnen waarin een opbouw eventueel meerdimensionaal kan worden uitgebeeld. Want veel in de kosmos is potentieel; althans voor ons is maar zeer weinig op een bepaald ogenblik volledig werkelijk. Dat is nu het punt waarop ik vanavond, in meer praktische zin naar ik hoop, uw aandacht wil richten.
Als wij te maken hebben met een werkelijkheid, dan hebben wij te maken met een deel van het geheel. Als wij die werkelijkheid in beroering brengen, ontstaat er een zekere vaagheid. Maar als wij weten welke patronen er bestaan, dan kunnen wij in die vaagheid een patroon uitleggen en zal de kracht zich kristalliseren volgens dat patroon. Ik zal proberen dit nog te verduidelijken.
Misschien heeft u wel eens op een mooie zonnige dag of op een heldere avond in het water gekeken. Als het water rimpelloos is, dan zie je beneden je eigenlijk een soort omgekeerde werkelijkheid. Alle mensen, huisjes, boompjes, beestjes zijn aanwezig, de wolken drijven voorbij, eventueel zie je de maan en wat er verder nog is. Steek nu één vinger in de waterspiegel. Wat gebeurt er? Er ontstaan golfjes. Er vertekent zich iets. Er is een vaagheid. De scherpe lijnen zijn verdoezeld. Verder gebeurt er niets. Het water komt weer tot rust, de oude lijnen hergroeperen zich en er is niets veranderd.
Maar stel nu dat ik hier niet te maken heb met alleen maar een weerkaatsing. Het is misschien een onvolledig voorbeeld, maar wellicht kunt u zich voorstellen dat er onder de waterspiegel een tweede werkelijkheid zou zijn. Een werkelijkheid, die kan afwijken van de uwe, ook al is ze er schijnbaar een weerspiegeling van. Stel nu dat u op het ogenblik van de verdoezeling een verandering zou kunnen aanbrengen, dan ontstaat er een verschil tussen het spiegelbeeld en de werkelijkheid.
Als wij in het occultisme bezig zijn met concentraties met meditatie, met magie, dan kijken we eigenlijk naar een weerkaatsing van de werkelijkheid. Wij zien niet de werkelijkheid zelf, we zien er maar een klein stukje van en dat stukje is nog bespiegeld. Ken ik nu de grondpatronen waarin de energie zich pleegt te openbaren, dan zou ik een patroon kunnen schetsen. Door die werkelijkheid in beweging te brengen (dus door er iets aan te veranderen), zou ik dat moment van vaagheid in het patroon kunnen aanvullen en ik zou een verschil zien tussen de voor mij beleefbare werkelijkheid en de totale werkelijkheid.
Als we in de magie bezig zijn, dan werken we met spreuken, wij werken met incantaties, zoals we uitvoerig hebben besproken. Daarnaast werken we met zegels en magische cirkels. En als we een beetje anders gericht zijn, dan werken we met mudra’s, met mandala’s, kortom met symbolen, op welke wijze dan ook tot stand gebracht, die eigenlijk in de plaats kunnen treden van de werkelijkheid die op dat ogenblik voor ons bestaat. Het is dit punt van waaruit je moet vertrekken, als je wilt begrijpen wat praktisch occultisme kan betekenen.
Ik kan de werkelijkheid veranderen. Niet zonder limiet, niet naar eigen inzicht zonder meer, maar aan de hand van een wetmatigheid, die in de hele kosmos bestaat. Indien ik die wetmatigheid kan uitdrukken in een specifieke vorm, dan is de kans zeer groot dat bij een verstoring van een krachtsevenwicht, het nieuwe evenwicht die vorm mee zal bevatten.
Men heeft wel eens gezegd: Dit is kolder. Dat kan ik begrijpen. Het is voor een mens heel moeilijk te begrijpen dat iemand, die een mudra maakt, daarmee iets concreets doet. Toch is dat waar, want je verandert je relatie met de kosmos.
Als ik een enkel gebaar maak, dan kan dat gebaar op zichzelf voldoende zijn om daarmee het contact dat ik heb met mijn beeld van het leven (mijn werkelijkheid), te veranderen. Dan is voor mij die wereld anders geworden. Maar dat betekent ook dat ik anders reageer omdat de krachten die in mij gecentreerd zijn, op een andere manier tot uiting komen. Indirect betekent dit dus ook dat voor anderen, die met mij te maken hebben, mijn waarde en betekenis in het geheel veranderen.
Maak ik gebruik van b.v. een mandala om mij te concentreren, dan houd ik mij bezig met bepaalde oerkleuren en oervormen. Ik concentreer mij daarop en probeer a.h.w. daarin te verzinken. Maar ik kan mijzelf niet ontkennen zoals ik ben. Ik zal dus mijzelf stellen in die nieuwe wereld, die door mij wordt beleefd aan de hand van de mandala. Die kan mij dan omsluiten. Dit kan een vertrek zijn, het kan ook een eenvoudige tekening zijn die ik beschouw. Ik heb mijn eigenschappen, kwaliteiten en problemen losgemaakt uit de werkelijkheid waarin ze voor mij bestonden of waarin ze ontstaan zijn. Het resultaat is dat hun betekenis voor mij een andere wordt.
Nu wordt het nog veel aardiger, want doordat de betekenis anders wordt, kan ik anders reageren. Mijn vermogen tot manipuleren van mijn persoonlijkheid, maar ook van de facetten van die persoonlijkheid, is groter geworden. Ik kan daardoor mijzelf doen beantwoorden aan denkbeelden, die in mij bestaan, of aan het besef dat ik heb opgedaan. Als ik dan terugkeer uit mijn meditatie, is er voor anderen schijnbaar niets gebeurd maar voor mijzelf ben ik veranderd. Mijn problemen zijn niet de oude problemen; ja, in vele gevallen heb ik zelfs vele problemen opgelost en vele spanningen, die mijn wezen lange tijd hebben beheerst in mijn persoonlijke werkelijkheid, eenvoudig teniet gedaan.
Hier ziet u dat het werken met deze modellen (patronen) wel degelijk zin heeft. Ik geloof dat iedereen die zich wil bezighouden met de praktische kant van het occultisme, moet begrijpen dat deze dingen reëel zijn, dat je er reëel mee kunt werken.
Neem nu voor de mensen in de christelijke wereld het kruis. Het kruis is een algemeen erkend symbool. Oorspronkelijk kwam het in vele verschillende vormen voor. Niemand heeft er iets bij gedacht. In het christendom heeft het een zeer specifieke betekenis gekregen die sterk afwijkt van de betekenis van datzelfde kruis in het hindoeïsme, in de vroeg-Egyptische periode, in de vroeg-Tolteekse beschaving vooral. In al deze gevallen heb ik een voorstelling, die verbonden is aan een beeld. Dat beeld is voor mij dus een werkelijkheid.
Als iemand naar een kerk gaat en daar voor een kruis neerknielt en begint te bidden, dan kun je zeggen: Ach, die mens is een beetje getroebleerd. Dat is hij eigenlijk wel een beetje, want het is ten slotte een stuk hout dat daar hangt, al dan niet voorzien van een beeldje. Die goede man zit daar te stamelen en te mompelen. Er gebeurt eigenlijk niets. Hij krijgt zere knieën en misschien pijn in de rug, maar hij blijft bidden. Dan gaat hij weg en zegt: Er is iets veranderd. Een normaal nuchter mens zegt dan: Dat kan niet. Maar wat heeft die man gedaan?
Dat kruis is voor hem een andere wereld. Als hij in zijn gebed of in zijn meditatie genoeg is doorgedrongen in die andere wereldvoorstelling, dan heeft hij zichzelf ervaren als een ander wezen. En daarin ligt nu juist het geheim. Want als een ander wezen bezie je jezelf, je problemen maar ook je mogelijkheden anders. En dit besef speelt zich af in de persoonlijkheid die je bent, ook als je terugkeert uit die toestand. Je hebt dus een nieuwe inhoud gekregen.
Op deze manier kunnen mensen beelden aanbidden. Dat is krankzinnig natuurlijk. Een beeld is geen God, een beeld heeft geen betekenis, het is een voorstelling. Maar indien die voorstelling voor mij een andere wereld betekent, dan is die voor mij een sleutel naar een andere beleving van mijzelf. En in die andere beleving van mijzelf ben ik bevrijd van grenzen, die in deze wereld voor mij bestaan. Ik kan anders denken, beseffen en voelen. Hierdoor kan ik mijn standpunt wijzigen ten aanzien van de wereld waarin ik weer terugkeer.
Waarom zouden we alleen gebruik maken van een kruis? Als een magiër een cirkel uitzet, compleet met pentagram en lampen met geurige oliën, dan bouwt hij eigenlijk ook een wereld op, want die dingen hebben voor hem, let wel, voor hem, een specifieke betekenis. Zij veranderen voor zijn denken zijn relatie met de wereld en daardoor beschikt hij over andere vermogens dan voor hem in zijn werkelijkheid normaal zou zijn. Daar heeft u dan het geheim van de magiër.
De magiër is iemand, die ontvlucht aan een werkelijkheid welke hem om de een of andere reden teveel belemmert in het uiten van zijn wil of van zijn persoonlijkheid, om binnen te treden in een andere wereld, die hij middels symbolen zelf heeft opgebouwd. Maar er zit een haakje aan. Iemand, die dezelfde rituelen volbrengt, met dezelfde intentie maar niet weet wat hij doet, is niet in staat de wereld te beseffen die hij betreedt. Dat wil zeggen dat zijn gehele reactie gebaseerd zal zijn op zijn normale persoonlijkheid. Hij kan mogelijk de krachten van een andere wereld rond zich wekken, maar hij kan niet zijn eigen persoon gelijktijdig ontdoen van de normale beperkingen van zijn eigen wereld. Hij verkeert dan, zoals dat heet, in gevaar. Dat gevaar is ook voor een groot gedeelte het gevaar van de mens zelf.
Een mens heeft bepaalde angsten in zich, een bepaalde onlust. Iedereen heeft wel wat te klagen in het leven, laten we eerlijk zijn. Die mens gaat naar die andere wereld. Wat brengt hij mee? Zijn angsten. Niet zijn probleem als iets wat opgelost moet worden, maar als een toestand waarin hij verkeert; een beperking dus in plaats van een vraagstuk dat tegen nieuwe achtergronden kan worden bezien. Hij brengt ook zijn onlust met zich mee. Onlust betekent afwijzing. Een afwijzing, die zal geschieden, mee op grond van de nieuwe omstandigheden waarin hij verkeert, maar op grond van oude omstandigheden welke in die nieuwe wereld, in de nieuwe magische situatie eigenlijk niet meer gelden. Het is duidelijk dat hij dan het slachtoffer dreigt te worden van alles wat hij in zich draagt.
Wanneer iemand uittreedt, komt hij ook in een andere wereld terecht.
Als dat nu onbewust gaat, dan laat die mens een groot gedeelte van zijn stoffelijk bewustzijn achter. Er is dus geen gevaar want hij kan alleen handelen volgens dat deel van zijn wezen dat thuishoort in die nieuwe werkelijkheid. Maar stel nu, dat een mens volledig bewust gaat uittreden en zijn lichaam a.h.w. elke herinnering kan registreren zodat alles wat hij beleeft en wat hij beseft, kan worden vastgelegd, dan moet zijn lichaam met alle daarin bestaande spanningen, problemen, fouten e.d. die andere wereld verwerken. De kans is dan groot dat de uitgetredene niet reageert volgens de normen en wetten van die nieuwe sfeer waarin hij zich tijdelijk beweegt, maar dat hij probeert te reageren zoals hij dat op aarde heeft gedaan. En dat kan wel eens vreemde gevolgen hebben. Ik mag hier een enkel voorbeeld ter verduidelijking aanhalen:
U bent gewend om beleefd te zijn. U schudt handjes. Er zijn mensen die verslaafde handenschudders zijn. Overal waar ze komen, gaat het pootje uit en er wordt geschud. Zo iemand treedt uit, bewust. Hij komt in een duistere sfeer. In die duistere sfeer kun je geen contact met een ander opnemen zonder dat er een grens tussen blijft bestaan. Anders kan die ander zijn behoefte a.h.w. aan je uitleven. Hij kan b.v. je energie opnemen. Hij kan zich aan je vastklampen. Die persoon gaat in uitgetre­den toestand handjes schudden in die lagere sfeer. Het resultaat zal waarschijnlijk zijn dat hij lichtelijk zenuwziek ontwaakt en dat hij in de volgende dagen in heel veel situaties terecht komt waarin hij eigenlijk zichzelf niet meer is en hij gewoon door aanhechtingen wordt gedomi­neerd. Zo ver kan dat dus gaan. Ook hier is het weer erg belangrijk dat u weet wat u doet. Als u dus in de magie wordt geconfronteerd met een wereld die u niet kent, dan bestaat er maar één regel: Handel niet maar observeer alleen.
Als u werkt met magische zegels, dan kan dat heel aardig zijn. Je kunt er leuke dingen mee doen. Maar als u een zegel gebruikt en u weet niet hoe het is opgebouwd, waaruit het bestaat, wat het betekent, kortom welke samenhang van krachten, welk patroon van werkelijkheid daarin is gegrift, dan bestaat er kans dat, als u dat zegel bewust gaat maken en gebruiken, u terechtkomt in een wereld waarvan u de regels niet kent. Dan kunnen er nevenverschijnselen zijn waarop u niet heeft gerekend. Voorbeeld:
Iemand maakt een zegeltje om van alle zorgen af te zijn. Hij weet echter niet wat hij doet. Kort daarop overlijdt hij. In stoffelijke zin heeft hij misschien zijn zin gekregen, maar aan de andere kant heeft hij alleen maar zijn problemen verruilt voor andere.
Een ander mens weet wat hij doet. Hij maakt datzelfde zegel. Dat betekent dat de uitwerking hier is: een egalisatie van de invloeden die op hem afkomen. De krachten, die hem normaal als een buffer hebben gebruikt, kunnen hem nu niet beroeren en botsen tegen elkaar. Hij blijft beschouwen en wordt er niet persoonlijk bij betrokken. Dat is het verschil. Hopelijk heeft u hiermee enig inzicht gekregen in datgene wat men bedoelt, als men het heeft over patronen.
Nu is de kosmos ingedeeld (door ons, niet door de Schepper) in een groot aantal verschillende werelden. Als je zo’n wereld wilt beschrijven, kun je zeggen: Elke wereld bestaat in feite uit een begrenzing van mogelijkheden plus een aantal gedragsregels waardoor het geheel van mogelijkheden onderling wetmatig is vastgesteld.
Indien ik tot een wereld behoor, kan ik niet daartoe behoren zonder gelijktijdig te behoren tot het geheel van regels waardoor het bestaan van die wereld mogelijk wordt. Als ik één grondregel terzijde stel, kan het hele bouwwerk voor mij niet meer bestaan. Ik zal dan niet meer kunnen profiteren van de positieve mogelijkheden die er in zijn. De negatieve mogelijkheden daarvan zal ik beleven in zoverre ik persoonlijk meen dat ze op me inwerken. Ze zijn dus niet reëel meer. Het is een gedachtekracht die op me inwerkt.
Wie dit alles praktisch voor zich wil gebruiken, zal dus weer rekening moeten houden met bepaalde grondregels of aanwijzingen.
Ten eerste: Als u een vreemde wereld betreedt, bewust, onbewust of vrijwillig: reageer niet, zodat u zelf geen actieve factor bent in die wereld. Laat die wereld u tonen wat u bent of wat u kunt zijn. Reageer alleen daarop.
Ten tweede: Gebruik nimmer een patroon waarvan u de betekenis niet voldoende kent en beheerst. U kunt alle krachten en krachtsverhoudingen voor uzelf wel degelijk wijzigen. Dat is mogelijk. Maar u kunt dat alleen bewust en beheerst doen, indien u weet welke mogelijkheid van wereld of welke krachtsverhouding u construeert. Ga bij al wat u doet uit van het u bekende.
Ten derde: Het zonder meer herhalen of imiteren van toverspreuken, magische spreuken, goddelijke of sacramentele formules van anderen, moet u nalaten. Een ander kan weten wat hij doet, maar als u dat niet even goed weet, is het geheel voor u ofwel waardeloos, dan wel gevaarlijk.
Ten vierde; Indien men bepaalde symbolen kent die voor het ‘ik’ van groot belang zijn maar die niet in relatie staan met de nu gekende verhoudingen en de nu gekende wereld, probeer dan, door deze samen te voegen, voor uzelf een wereldbeeld te construeren waarin u meent meer te kunnen zijn of meer te kunnen bereiken. Let wel, begeef u niet in die wereld, maar construeer het geheel. Leg dit vast in symbolen. Laat nu het geheel enige tijd rusten. Beschouw dan uw aantekeningen, probeer ze terug te lezen. Tracht u de volledige betekenis van die symbolen weer voor ogen te brengen. Gelukt u dat zonder enige aarzeling, dit is heel belangrijk, dan kunt u trachten die symbolen te groeperen tot een zegel, een formule of u kunt er eventueel een beschouwingsstuk (mandala) van maken waarmee u in staat bent een andere werkelijkheid voor u te concretiseren.
Ten laatste zou ik willen opmerken: Bij elke magische handeling maar ook bij elke meditatieve of inspiratieve ontvluchting van de eigen werkelijkheid, in nieuwe krachtsverhoudingen zal men als mens er goed aan doen zich een tijdslimiet te stellen. Kies deze limiet nooit te ruim. Als u in het begin werkt met beschermingsmogelijkheden of met kleine zegels en probeert een toestand daarvan in u te realiseren, volsta met ongeveer een kwartier. Ga nooit verder, zelfs als u bekwaam bent, dan maximaal 2,5 uur. Als u namelijk langer in een totaal andere toestand verkeert, kunt u niet met zekerheid zeggen hoe u lichamelijk zult reageren op de confrontatie met de werkelijkheid waarin u normaal leeft en u zult door de grote veranderingen in uw wezen waarschijnlijk problemen krijgen met die wereld.

Zo’n paar regels lijken misschien wat kinderlijk. De hele kosmos is eigenlijk kinderlijk eenvoudig. Ik zou hier willen citeren: “Indien gij niet zijt zoals dezen (de kinderen), voorwaar ik zeg u: Gij zult niet ingaan in het Koninkrijk.”
Zeg dat het Koninkrijk een innerlijke werkelijkheid is waarin de beperkingen, die aan normale werelden zijn opgelegd, niet bestaan. Zeg dat het Koninkrijk een wereld is waar u de werkelijkheid, die u bent en beleeft, volledig kunt bepalen. Dan zal u duidelijk zijn dat we, juist omdat we te maken hebben met een zeer complex geheel vanuit redelijk menselijk standpunt gezien en we deze complexiteit toch nimmer in haar geheel en verstandelijk kunnen begrijpen, beheersen en verwezenlijken, wij moeten terugvallen op de eenvoud die men kinderlijk of van het kind noemt.
In de magie en in meditatietechnieken, ook bij genezing e.d. trouwens, zou je daarom de mens eigenlijk moeten voorleggen: reageer als een kind. Een kind reageert niet zo buitengewoon edel. Het vraagt zich niet af: Is wat ik doe, goed? Het vraagt zich eenvoudig af: Is wat ik doe op dit moment wat ik wil doen? En als ik het niet wil, dan doe ik wat anders. Een kind reageert volledig, het maakt geen voorbehoud. Als een kind lief is, dan is het helemaal lief en als het driftig is, dan is het helemaal driftig. Er zijn geen remmen ingebouwd die eigenlijk behoren bij uw wereld. Een groot gedeelte van de goede manieren, die de volwassenen beheerst, is eigenlijk maar een beperking van de werkelijke persoonlijkheid. Het is een illusie, die u is opgelegd waardoor een samenleving gemakkelijker mogelijk wordt, dat geef ik graag toe, maar waardoor u gelijktijdig niet meer uzelf bent, waardoor u bent losgekomen van een groot gedeelte van uw mogelijkheden, blind bent geworden zelfs voor uw eigen situatie in bepaalde opzichten.
De kosmos is kinderlijk eenvoudig. Er is één grote kracht. Die kracht kan in een groot aantal vormen tot uiting komen. Er kan nimmer meer kracht bijkomen in het geheel, er zal nimmer kracht afgaan van het geheel. De enige verschuiving die mogelijk is in het geheel, is die van vorm, dus de wijze waarop de kracht zich manifesteert. Dat is op zichzelf al eenvoudig genoeg.
De vorm, waarin de kracht zich manifesteert, wordt bepaald door de bestaande patronen. Daar waar geen patroon is, is het niet mogelijk dat de kracht zich daarin manifesteert. De consequentie daarvan is dus heel eenvoudig: Wij kunnen alleen het bekende herscheppen. Wij kunnen nimmer het nieuwe scheppen tenzij het nieuwe een patroon is dat inherent is aan de wereld, de kosmos, de ruimte die wij betreden. Alleen in dat geval worden wij met het wezenlijk nieuwe geconfronteerd.
U weet waarschijnlijk wel dat kinderen de meest conservatieve wezens zijn. Kinderen zijn niet zo progressief. Progressiviteit komt bij de mens eigenlijk voort uit drie factoren: de eerste is verveling, de tweede is weelde en de derde is eigenwaan. Dat wil niet zeggen dat alle progressiviteit op zichzelf verwerpelijk is. Het betekent eenvoudig dat je altijd moet uitgaan van het bestaande en niet van het niet bestaande. Voor een kind is dat een regel. Een kind vindt het jammer dat het regent; maar als het nu toch regent, nu ja, dan trapt het in een plas, dat is ook leuk. Op dezelfde manier zou de mens, die bewust occult wil werken, moeten kunnen reageren. Je moet niet zeggen: Die conditie is nodig, anders kan ik het niet. Je moet zeggen: Dit ben ik met mijn kunnen. Indien de condities anders zijn, zal ik reageren zoals ik ben en dan zal ik toch resultaat behalen.
Nu gaan we over tot het maken van een eenvoudig zegel.
Wat is het meest eenvoudige zegel dat een mens kan maken? Het antwoord is: een persoonlijk zegel.
Elke mens heeft een aantal symbolen waarin hij zijn wezen uitdrukt. Daar behoeft u het niet mee eens te zijn. Er zijn in mijn wereld personen die zichzelf zouden willen uitdrukken als een duif, terwijl anderen menen dat een jakhals of een kat een beter symbool zou zijn. Maar het gaat er niet om wat een ander van u denkt. Het gaat erom wat u van uzelf denkt. Die persoonlijke symbolen zijn altijd zo te groeperen dat ze een nieuwe betekenis krijgen. Als u b.v. het gevoel heeft: ik ben potentieel erg goed voor mijn medemensen, het lukt me alleen niet en ik ben machteloos op een ander terrein, dan gaat u eens kijken: Wat zijn mijn positieve kanten, wat zijn mijn negatieve kanten? Als u voor elk daarvan een symbooltje heeft gevonden, dan trekt u gewoon een cirkel. Zet in die cirkel nu een kruis van lijnen. Als u meent dat u vele eigenschappen heeft, verdeel die cirkel dan in 8 segmenten. Laat de lijnen doorlopen tot ongeveer een derde van de afstand tussen middelpunt en buitenste cirkel. Nu gaat u de eigenschappen groeperen plus de symbolen die u daarvoor heeft gevonden. Zeg dat u het idee heeft dat u erg driftig bent en ook erg laks. Dan zet u laks tegenover driftig. Die twee heffen elkaar op. In het middelpunt zal evenwicht ontstaan. Zo kunt u dat voor alle eigenschappen doen, totdat u zegt: Nu heb ik twee kwaliteiten die positief zijn en die wil ik laten werken. Die twee versterken elkaar. Wij groeperen dus altijd zodanig dat de eigenschappen elkaar opheffen, behalve de twee die we willen laten werken. Die zetten we tegenover elkaar, meestal op de horizontale of op de verticale balk.
Wat heeft u nu gedaan? Wel, heel eenvoudig, u heeft een hergroepering van uw eigenschappen voor uzelf tot stand gebracht. U weet wat u heeft gedaan. Nu is het nodig dat u zich op dat zegel concentreert.
Die concentratie kunt u op vele manieren doen. U kunt bidden, u kunt een aantal ingewikkelde spreuken gaan opzeggen. Kies dan bij voorkeur een taal die u niet geheel beheerst, b.v. latijn. Dat klinkt heel mooi en plechtig. Bovendien is de worsteling ermee voldoende om u, als het ware, helemaal erbij te houden want u moet aan niets anders denken. Deze verhouding, dit wereldje dat ik in de cirkel heb gemaakt, moet echt zijn.
Dan moet u ook nog weten waarom u het wilt doen. Maak een randschrift. U trekt rond de eerste cirkel een tweede. Meestal gebruikt men als afstand 1/5 van de afstand middelpunt tot binnenste cirkel. Nu schrijft u in die rand uw voornemen, de kracht waarin u gelooft en in de naam waarvan u dat wilt doen. Dan kan het zijn dat u alleen maar gelooft aan de mensheid. Dan schrijft u: “In naam van de mensheid worde de ziekte verdreven en ontsta gezondheid.” Dan heeft u dus een zegel dat gezondheid moet brengen.
Nu is het heel wonderlijk: door de concentratie daarop heeft u iets van uw persoonlijkheid overgedragen aan dat zegel. Een ander behoeft niet te weten wat dat zegel betekent. Maar als u het aan een ander geeft, dan zal het voor die ander eveneens ziekte verdrijvend en gezond makend kunnen werken; en wel indien uw wezen het nog geheel eens is met het daarin gestelde. Voor uzelf kunt u het natuurlijk ook gebruiken. Waarom zou u dan geen zegel maken dat het u mogelijk maakt om eindelijk eens de werkelijkheid te zien waarbij alle onevenwichtigheden, die u innerlijk kent, zo worden opgesteld dat ze elkaar opheffen, totdat er ten slotte twee dingen overblijven: het gevoel en het verstand, de beleving en het redelijk besef daarvan?
Maak zo’n zegel. Concentreer u op God, op de kosmos of op wat anders en u zult tot uw verbazing zien dat dit gaat werken als een mandala maar vollediger, intenser. Het betekent dat u een deel van uzelf uitschakelt en het geheel van uw vermogens en krachten samenbrengt in die ene relatie (in het voorbeeld): gevoel en rede. Zo kunt u met die zuiver persoonlijke symbolen, heel veel zegels maken die voor u erg belangrijk zijn. En wat meer is, zegels die voor u kunnen werken.
Toch geldt voor het maken van zelfs zo’n persoonlijk zegeltje ook een aantal voorschriften;

  1. Een zegel dient altijd opgebouwd te zijn uit symbolen waarvan wij de betekenis hebben overdacht en volledig beseft.
  2. Wij moeten, voordat wij beginnen aan het vervaardigen van het zegel, de groepering van de symbolen hebben overdacht en de reden voor deze groepering beseffen. Wij kunnen wel een kladje maken maar dit kan nooit in de plaats komen van het werkelijke zegel.
  3. Het maken van een zegel moet voor ons besef belangrijk zijn. Wij zullen hiertoe bijdragen als wij daarvoor alleen speciaal voor dit doel gestemde ingrediënten en instrumenten gebruiken. Wij zullen verder hiertoe bijdragen als wij ons in een toestand brengen van reinheid, een gevoel van gezuiverd te zijn van de rest van de wereld. Daarnaast zullen we er goed aan doen te zorgen dat wij op geen enkele manier kunnen worden gestoord in de tijd, die we nodig hebben om het zegel te tekenen, te etsen of wat u verder ook wilt doen. Onthou één ding: een dergelijk zegel is een geheel. Het onderbreken van de actie van vervaardiging betekent gelijktijdig het niet meer evenwichtig zijn van het symbool, daar onze gedachtegang en inzicht onderbroken zijn geworden.
  4. Vervaardig een dergelijk zegel of symbool met een volledige concentratie op hetgeen u doet. Datgene wat u wilt doen, heeft u daarvoor immers reeds rijpelijk overdacht. De gevolgen die het zal hebben, zult u later wel zien. Nu is de vervaardiging het enig belangrijke.

Nu een paar regels, die eigenlijk niet erg bindend zijn, maar die voor sommigen erg belangrijk kunnen zijn.

  1. Als u gelooft in bovennatuurlijke krachten, dan kan dat u vaak helpen om ze aan te roepen. Gelooft u aan God, dan roept u God aan. Iemand die misschien liever de lieve geestjes erbij haalt, kan het daarmee proberen. Heeft u een bepaalde beschermheilige, een bepaalde koning uit de oudheid of wat dan ook, roep die rustig aan. Roep, voordat u begint, alle krachten aan waarin u gelooft, zelfs als ze niet werkelijk zouden bestaan, dan zult u zich daardoor sterker voelen en u zult minder begrensd zijn in uw denken en voelen.
  2. Als u krachten heeft opgeroepen, dan moet u ook bewust die krachten weer van u wegzenden. Dat betekent: wie krachten oproept, moet na het beëindigen van zijn daadstelling, in dit geval het tekenen van het zegel, hen dank zeggen voor hun hulp en hun zeggen heen te gaan. Behalve als u God Zelf heeft aangeroepen. Die kunt u dat natuurlijk niet zeggen, anders zou u niet in Hem geloven als in een werkelijke God. Dan zegt u alleen: Heer, dank voor de bijstand mij gegeven. Bescherm mij volgens Uw wil, terwijl ik mijn streven volvoer.

Dit is een kleine handleiding.

Nu kan ik mij voorstellen dat iemand zegt: Ik wil ook andere symbolen gebruiken. Nu, symbolen waarmee u iets kunt doen als mens, zijn de gewone astrologische symbolen. Wij kunnen namelijk een zegel vervaardigen dat er ongeveer uitziet als een horoscoop. In dat geval moeten we ook een indeling maken, maar, die mag nooit verder gaan dan de binnenste cirkel. Dat moet u wel onthouden. Als wij bepaalde planeettekens daarin aanbrengen en daarmee een bepaalde werking willen aangeven, zullen wij ze door lijnen moeten verbinden. Kies voor die lijnen een andere kleur dan u heeft gebruikt voor de lijnen van het zegel zelf. U kunt dus a.h.w. constellaties creëren, die er op dit moment helemaal niet zijn, maar die voor u een werking vertegenwoordigen. Ook op deze manier kunt u voor uzelf een actief zegel maken. Gaat u nog een beetje verder en bent u thuis in de magie, den wordt het helemaal gemakkelijk. U heeft dan tekens te kust en te keur. Elke planeet heeft alleen reeds 3 graden van tekens. Dat wil zeggen: er zijn eerste-, tweede- en derdegraads tekens. Dat geeft de intensiteit aan waarmee die tekens werken plus de functie die ze hebben, eenvoudig gesteld.
Een bepaald teken kan tweede- of zelfs derdegraads zijn bij de zon en gelijktijdig eerstegraads bij de maan omdat de maan de zon reflecteert en als zodanig zijn de krachten, die van de zon komen en voor de zon onbelangrijk zijn, soms kenmerkend voor hetgeen de maan kan betekenen. U ziet dat de mogelijkheden praktisch oneindig zijn.
U kunt ook gebruikmaken van lettertekens. Dat doet men graag, vooral Sanskrietletters, Griekse letters e.d, hebben de voorkeur. Waarschijnlijk omdat de magiërs menen dat anderen die minder gemakkelijk kunnen ontcijferen.
U kunt gebruikmaken van randschriften en daarin namen opstellen; maar dan moet u wel weten wat een naam betekent. Schrijft u b.v. Tetragrammaton, dan moet u wel degelijk beseffen dat dit een bepaalde Godsomschrijving is. Gebruikt u Agla (samengesteld uit de beginletters van de spreuk: Ateh Gibor Leolam Adonaï: Gij zijt machtig in eeuwigheid, Heer), dan heeft u te maken met een totaal ander deel van het Godsbegrip. Het maken van zegels is helemaal niet zo moeilijk als het lijkt. Het is alleen maar weten wat je doet en een voldoende concentratie.
Wat hebben we dan eigenlijk gedaan? Wel, wij hebben met symbolen een patroon getekend waarin bestaande krachten zich kunnen groeperen en door onze intense concentratie op hetgeen wij doen, hebben we de waterspiegel even beroerd. Het beeld van de werkelijkheid is even vervaagd. En juist door die vervaging is de overdracht mogelijk en kan het patroon een gestalte krijgen. Die gestalte kan een zeer bekwaam magiër zelfs wijzigen op een manier dat ze voor anderen direct kenbaar is. Meestal blijft het echter beperkt tot een veranderen van situatie of relatie van het eigen ‘ik’ met de werkelijkheid, dan wel de relatie van een andere persoon met die werkelijkheid en daar blijft het bij.
Men kan zich afvragen of voor het vervaardigen van die zegels bepaalde metalen moeten worden gebruikt en of deze alleen op bepaalde uren of bepaalde dagen moeten worden vervaardigd. Ik meen dat dit voor het merendeel afhankelijk is van degene die het zegel maakt. Als u gelooft in de z.g. planeetzegels (zegels die onderworpen zijn aan een bepaalde planeet) en die zijn opgebouwd uit eigenschappen welke volgens menselijk magisch denken behoren tot die planeet, dan kunt u het best een metaal gebruiken dat daarbij past. Bijvoorbeeld: voor Mars gebruikt u ijzer, voor de maan zilver, voor de zon goud enz. Maar noodzakelijk is het niet. In andere gevallen werd door magiërs voorgeschreven dat men perkament moest gebruiken dat op een bepaalde manier is vervaardigd uit de huid van een ongeboren lam. Nu ja, als u dat met alle geweld wilt, zal niemand u tegenhouden. Over het algemeen zult u er wel goed aan doen om voor uw zegels materiaal te gebruiken dat volgens uw begrip goed is. Dus geen goedkoop kladpapier nemen voor een zegel. Want onwillekeurig zeg je: Dat is goedkoop, dus is mijn zegel het ook. Ga wat dat betreft voornamelijk af op uw gevoel en u zult ontdekken dat materialen veel minder belangrijk zijn in deze vorm van magisch werken dan men wel veronderstelt.
Ik heb getracht u hiermee te introduceren in een bepaald deel van het praktisch occultisme dat in deze dagen te vaak wordt verwaarloosd dan wel misbruikt.
Zegelmagie, het gebruik van bepaalde symbolen heeft wel degelijk zin. Maar wij moeten daarbij uitgaan van ons besef, van de betekenis die ze voor ons heeft. Zo min als een mens werkelijk volledig en terecht voor een ander kan spreken, zo min kan iemand werkelijk geheel en terecht een zegel ontwerpen dat voor een andere persoon passend is. Je kunt alleen maar uitgaan van jezelf; het ‘ik’ en het besef dat in het ‘ik’ bestaat, is bepalend.
Voor eenieder, die te maken heeft met het occultisme, is het daarom wel erg belangrijk dat hij voor zich een bepaalde wereldvoorstelling heeft. Het is niet zo belangrijk welke, want al hetgeen voor een mens denkbaar is, zal in de goddelijke Realiteit ergens wel bestaan. Maar het is belangrijk dat wij een beeld hebben, omdat voor ons dat het punt van uitgang is. Wij kunnen alleen uitgaande van het geheel dat wij zijn (en daar behoort ons wereldbeeld bij, onze godsvoorstelling en al wat dies meer zij) een zegel samenstellen dat niet alleen voor ons emotioneel, maar voor de kosmische kracht in de goddelijke Werkelijkheid een patroon vormt waardoor een hergroepering van waarden mogelijk is.
Als wij menen dat deze dingen voor ons te hoog gegrepen zijn, dan zijn er nog altijd de eenvoudige kleine symbolen, die we haast onbewust gebruiken. Als wij b.v. voor een bepaalde taak bij voorkeur op een bepaalde stoel gaan zitten, dan betekent dat helemaal niet dat die stoel de beste is, maar wel dat wij, indien wij op die stoel zitten, het best zullen werken omdat we het gevoel hebben dat dat zo het beste is. Zo zijn er huisvrouwen die met een bepaalde blikopener elk blikje open krijgen, maar met een andere niet. Dat zegt niets over de kwaliteit van de blikopener. Het zegt alleen iets over de preferentie. Naarmate je meer het gevoel hebt: hiermee kan ik werken, zul je er beter mee werken. Dat betekent dat u in uw dagelijks leven bepaalde gewoonten of gebaren heeft die een bepaalde betekenis voor u hebben. En als de toestand nu niet zo is dat dat gebaartje vanzelf komt maar u wilt wel de situatie veranderen, loop er dan op vooruit met dat gebaartje, met die kleine actie en u heeft grote kans dat u uw situatie daardoor aanpast aan de toestand die u wilt hebben.
Onthoud echter wel één ding: U kunt nooit anderen veranderen zonder hen te beheersen. Wie een ander beheerst, brengt daardoor voor zichzelf enorm grote problemen tot stand, die hij zelden geheel kan oplossen, juist omdat hij die ander niet voldoende kent. Zie dus af van liet beheersen van anderen, maar probeer voor uzelf de krachtsverhoudingen zo te wijzigen dat u in deze wereld met haar bestaande condities, uitgaande van uw bestaande inzichten, een optimale energie, kracht en mogelijkheid tot streven krijgt. Ook als u dan geen zegel gebruikt, maar werkt uit het besef dat de basis is van deze gehele lezing, zult u bewust of onbewust, patronen vormen die voor u nieuwe kracht, nieuwe mogelijkheden, nieuwe inzichten betekenen.

De onderwereld

De onderwereld wordt over het algemeen een beetje weggedrukt, behalve in bepaalde preken waarin de hel natuurlijk primair staat. Toch is het duidelijk dat de gehele mensheid altijd in een onderwereld heeft geloofd. Zelfs in de oudste geschriften, die we kunnen terugvinden, is er een onderwereld, is er een bijzondere toegang tot die onderwereld. En altijd weer worden we geconfronteerd met een soort koning der Aarde, koning der Wereld of een geest die verslindend uitgaat en die het gezag heeft in de onderwereld. Voor de occultist is het wat moeilijk om dat nu op de juiste wijze te interpreteren. Ik meen dat het goed zou zijn om daarover het een en ander te zeggen.
Als we te maken hebben met het begrip ‘onderwereld’, dan hebben we te maken met een wereld waarin minder mogelijkheden bestaan dan in de menselijke wereld. Dat er hinderpalen zijn voor een mens om die wereld te betreden, is duidelijk want je zult een deel van je mogelijkheden a.h.w. moeten beheersen, wil je in die wereld terecht komen. En ben je in die wereld en wil je terugkeren, dan zul je die eigenschappen zo sterk onder beheersing moeten hebben dat je ze niet verliest onder invloed van de sfeer waarin je dan vertoeft.
Het denkbeeld dat de gehele wereld wordt geregeerd door het kwade of door de onderwereld, is vooral daar te vinden waar de mensen bang zijn voor God. De meeste mensen hebben namelijk een angst voor het licht, voor het al te felle en al te onthullende van de lichtende werelden. Juist daardoor richten zij hun aandacht veel meer op een schaduwland. Een wereld waarin demonen regeren, waarin angsten zijn, waarin koude is of eeuwig vuur, maar waarin je aan de andere kant een zeker gevoel van verhevenheid en een mogelijkheid tot beheersing in je meent te erkennen.
Als wij een wereld betreden en wij doen dat met besef van hetgeen wij zijn, dan kunnen wij in die wereld vertoeven en daarin waarnemen, maar we zullen er nooit deel van zijn.
Een heer der Wereld kan de wereld alleen dan beheersen indien de mensen zelf tot demonen worden. Dat wil zeggen: zichzelf ontdoen van juist die kwaliteiten en mogelijkheden waardoor ze in een lichtere wereld kunnen leven en bewuster zichzelf kunnen ontwikkelen.
Een Satan kan alleen op de wereld macht verkrijgen indien de mensen zichzelf prijsgeven. Het is niet zo dat het Kwade je met geweld kan nemen. Er bestaat geen wereld, die je eenvoudig kan opslokken. Er is alleen maar duisternis waarin je kunt wegvluchten, omdat je bang bent voor het licht.
Wie dit eenmaal beseft, zal zich ook minder getroffen voelen door al die oude, in de mythologie zo vaak bekende voorstellingen van de Hades of van de onderwereld van de Egyptenaren. Dat er een stroom is die beide werelden scheidt, is heel begrijpelijk. Vroeger werden gebieden vaak door stromen verdeeld. Die verdeling was erg belangrijk. Een stroom was een grens. Demonen kunnen je niet over stromend water volgen, dus moet de wereld van demonen wel worden afgesloten door stromend water. Zo eenvoudig is dat.
Als men vertelt dat je allerlei wonderlijke proeven moet afleggen, zowel om naar een lichtende als om naar een duistere wereld te gaan, dan vloeit dat weer voort uit het feit dat de mens beseft dat hij nog niet voldoende in staat is om de lichtende wereld zelf te begrijpen en zich daarin te bewegen. Terwijl hij aan de andere kant ook wel aanvoelt dat je in een duistere wereld alleen kunt leven indien je jezelf een beetje meer beperkt. En die beperking is nu ook weer niet iets wat een mens zichzelf gemakkelijk oplegt.
Alle proeven, die worden voorgesteld en zelfs de inwijdingsproeven, hebben eigenlijk alleen te maken met het overwinnen van je eigen begrenzing. Wie wil afdalen in de duistere wereld, is daartoe in staat zolang hij zijn eigen licht bij zich draagt.
Er wordt verteld dat Jezus na z’n dood door alle hellewerelden, alle onderwerelden is gegaan. Dat is een verhaal dat ons wat doet denken aan de theorieën van de Rozenkruizers waarin het leven wordt voorgesteld als een kringloop, die de laagste en de hoogste werelden omvat. Maar aan de andere kant, Jezus gaat door die werelden als een licht en er wordt gezegd dat hij vele zielen heeft bevrijd. Dat is alleen denkbaar als we zeggen dat Jezus zijn eigen licht bij zich droeg.
Voor elke mens bestaat dezelfde mogelijkheid. Een entiteit die neerdaalt in de onderwereld, zal dit doen met behoud van zijn eigen licht en met zij eigen kwaliteiten. Hij zal begrip hebben voor de wereld, hij zal antwoorden op die wereld, maar hij zal niet prijsgeven wat hij is. Integendeel, hij beheerst slechts die delen van zijn eigen wezen waardoor een communicatie met het duister onmogelijk zou zijn. Op deze wijze kun je dus afdalen in zeer duistere werelden en kun je iemand, die daar snakt naar bewustzijn, toch helpen om naar een wat hogere sfeer te komen, ook als dat misschien nog niet direct een lichte wereld is.
Elke mens draagt in zich het duister zowel als het licht. Daar is niets aan te doen. Elke mens draagt zijn eigen hel en zijn eigen hemel met zich mee. Dat hij daarbij over het algemeen hemel en hel pleegt te verwarren, dat is nu eenmaal menselijk, maar dat maakt geen verschil uit ten aanzien van de werkelijkheid.
Een hel is een wereld van angst, van ontbering, van het net niet kunnen. Een hemel is een wereld waarin alles eenvoudig is, waarin de vervulling van alle dingen voor je aanwezig is.
De mens die in zich een hemel draagt, is iemand die in zich het vermogen vindt om al datgene wat hij ontmoet, te aanvaarden en gelijktijdig daarin zichzelf terug te vinden en zo zijn vrijheid te bewaren.
Een mens, die naar een onderwereld gaat (die het duister dus in zich draagt), dit is een mens die bang blijft voor de angsten welke deel uitmaken van zijn wezen, die wegvlucht voor de werkelijkheid die hij zelf is etc. etc. Dat is eigenlijk het hele geval.
De occultist, die met een duistere wereld wordt geconfronteerd, is vaak geneigd om daar een beetje de boot af te houden. Hij zegt: Dat duister, daar moet ik bang voor zijn, daar wil ik niets mee te maken hebben. Maar men moet eenvoudig zeggen: Dat duister kan met mij te maken willen hebben, maar dan kan het dat alleen doen op grond van hetgeen ik ben. Als Satan hier naast je staat, dan kan hij je alleen beheersen, je alleen maken tot datgene wat hij van je wil, indien je bereid bent iets van wat je bent prijs te geven, anders kan het niet. En om diezelfde reden kun je nooit een lichte wereld betreden, al staat de meest lichtende geest naast je, tenzij je bereid bent om je angsten te overwinnen.
U zult, als u zich bezighoudt met occultisme, nooit alleen met licht te maken hebben. Vergis u niet. Het occultisme is een zaak van licht én duister, omdat het occultisme in zichzelf een wetenschap is, die berust op de totaliteit. Eenzijdigheid kunnen we ons permitteren indien we een godsdienst prediken, niet als we in feite toch wel enigszins wetenschappelijk zoeken naar de werkelijkheid van het bestaan. De werkelijkheid van het bestaan is nu eenmaal opgebouwd uit licht en duister. Zoals je ook kunt zeggen dat er geen mens op aarde is, die een leven kent dat alleen maar vreugde in zich draagt. En niemand kan terecht beweren dat hij een leven heeft dat alleen maar vervuld is van tegenslagen en verdriet. Het is altijd een mengsel.
Het occultisme confronteert je met het mengsel. Maar de verleiding is soms groot om dan maar toe te geven aan dat duistere, van het sinistere, aan het sombere om je angsten te gaan verheerlijken en het goede dat in je is, te ontkennen. En dan maak je jezelf inderdaad tot slachtoffer van het duister dat in je woont, dan wordt zelfs het leven op aarde voor je een onderwereld, een asgrauwe wereld waarin alleen nog maar plaats is voor verveling, wanhoop en machteloosheid. Aan de andere kant kan je natuurlijk proberen om al het licht en al het sterke dat in je bestaat, ondanks alles naar voren te brengen. En dan zul je zeker niet altijd alleen maar gelukkig zijn, maar je zult wel ontdekken dat je steeds meer licht en steeds meer kracht in je nabijheid hebt, dat je steeds meer mogelijkheden hebt, ondanks alles, om gelukkig te zijn, om een zekere harmonie te kennen, om in het leven toch vreugde te smaken. Want hemel en hel, onderwereld en de wereld van de goden bestaan in het menselijk leven zo goed als daar buiten. Er is geen sfeer of geen wereld denkbaar waarin je de tegenstelling onderwereld en bovenwereld niet zou kunnen handhaven, want elke wereld ligt tussen twee grenzen van besef: die van het lagere waarin je alleen door beperking kunt be­staan en die van het hogere waarin je alleen bewust kunt leven indien je je meer openstelt voor waarden, die tot op dit ogenblik geen deel waren van je persoonlijkheid.
Als u dit eenmaal een beetje gaat begrijpen, dan gaat u als van­zelf ook een keuze maken. U gaat dan niet het duister ontvluchten, u gaat het erkennen. U zegt: Het is erg maar, zo zegt u erbij, in mij is het licht; waar licht en duister met elkaar versmelten, daar komt de waarheid naar voren.
De waarheid is de kern van het occultisme. Occult  –  duister.
Duister is de wereld zolang wij haar verdelen in licht en donker.
Duister is de wereld zolang we haar proberen te zien als een soort tussenterrein in een eeuwige strijd tussen hemel en hel. Maar licht, werkelijk licht wordt het bestaan als we beseffen dat die dingen sa­mengaan, dat licht en duister samen in ons en buiten ons bestaan en wij voor onszelf de bewuste keuze doen, elke keer weer en in overeen­stemming met hetgeen we zijn en in overeenstemming met hetgeen we wil­len volbrengen.
Als men iemand vraagt: Wat is de reden van uw falen? dan zal hij over het algemeen verhalen ophangen over omstandigheden, desnoods over de duivel die hem heeft lastig gevallen of de schuld van andere mensen, die hem helemaal niet hebben gewaardeerd en die niet wilden doen wat hij toch zo graag zou willen. Maar de werkelijkheid is dit: Ik kan niet falen, tenzij ik zelf faal. Falen is een kwestie van mijn streven dat niet juist is. Het is nooit een kwestie van iemand anders, die het je onmogelijk maakt te bereiken. Zo goed als slagen, bereiken, harmonie vinden, gelukkig zijn niet een kwestie is van een ander, die het mij geeft en die mij aanvult, maar een kwestie is van mijn eigen ‘ik’ dat bereid is iets te aanvaarden, te begrijpen, te leren beseffen waardoor het geheel aanvaardbaar wordt, waardoor het ‘ik’ rustig kan zijn, niet door een verandering van omstandigheden maar door een verandering van eigen wezen in de omstandigheden.
De onderwereld is altijd het droombeeld en het angstbeeld van de mens. Er bestaat bij de bewuste mystici een regel die zegt:
“Hij, die tot het licht wil gaan, moet gaan door werelden van duister, voorbij gaan aan de wachter bij de poort en eerst overwonnen hebbend zijn angsten en zichzelf in het aangezicht gezien hebbend, kan hij ingaan tot de werelden van licht waar vreugde is en harmonie. En daar zal hij beseffen hoe het geheel is, want wie het licht bereikt, zal het duister niet meer beseffen, omdat het duister is opgenomen in het licht. Maar hij, die in het duister blijft steken en wegvlucht voor zichzelf, hij zal gebonden zijn in een voortdurende duisternis waarin het licht mee behouden is maar door hem niet wordt beseft.”
Dit is een mystieke regel, die echter voor elke occultist in elk occult streven mee van kracht is.
Als wij proberen iets ten koste van alles te bereiken in één richting, dan zijn we altijd fout. Als wij proberen een harmonie tot stand te brengen waarbij we de disharmonische factoren naar ons beste weten proberen uit te schakelen, dan zullen we een harmonie krijgen waarin wel degelijk licht en duister een rol spelen, maar waarin ze beide samen een resultaat geven dat voor ons aanvaardbaar is. Maak van uzelf geen slagveld tussen licht en duister. Wek in u een bewustzijn dat het duister kan verdragen, omdat het het licht in zich draagt. Dat is de enige manier om de onderwereld te beheersen. Hij, die deze kunst beheerst, heeft de poorten van Hades geopend voor zich en misschien ook voor anderen. Maar hij zal ook kunnen gaan tot op de Olympus. Hij, die op deze wijze is gegaan, kan de onderwerelden betreden, over de stroom gaan waar het Schip van de Zon vaart, maar hij kan ook opgaan tot het Hof van de Rechteren, de Hallen der Herinnering en de Velden van de Gelukzaligen, want niets is voor hem gesloten.
Het erfdeel van de mens is de totaliteit, niet één klein stukje werkelijkheid waar je al het gevreesde, al het onaanvaardbare achter de donkere gordijnen van bijgeloof moet verbergen, al jubelend dat je gelukkig bent, omdat je weigert de schaduwen te zien. Zie de schaduw en het licht en besef hoe zij tezamen de volle schoonheid van leven en schepping weten te openbaren.

Tredmolen

De molen draait en je loopt en loopt en komt niet verder. Je gaat steeds dezelfde gang en brengt iets in beweging. Misschien weet je niet eens wat. Voor jou alleen het zwoegen, het zweet, de eindeloze taak waarvan je geen verlichting ziet.
Soms zien de mensen het leven ook zo. Maar vaak zit een mens in een tredmolen, omdat hij te dom is om eruit te stappen. Vaak zit een mens in een tredmolen gevangen, omdat hij niet in staat is de middelen te vinden waardoor het noodzakelijke gebeurt op een andere manier.
Een tredmolen zal in deze dagen u niet door iemand worden opgelegd. De geest bindt u niet in een tredmolen. En de dagen dat mensen werden veroordeeld om in een tredmolen rond te gaan om wijn te persen, graan te dorsen, is ook allang voorbij.
Als je in een tredmolen bent, dan komt dat omdat je in een sleur gevangen bent die je niet ziet als de eindeloze herhaling van hetzelfde en je niet je innerlijke kracht gebruikt om in jezelf de verandering te bewerkstelligen waardoor de betekenis van het geheel zich wijzigt en je door deze gewijzigde betekenis je bewuster wordt van al datgene wat werkelijk rond je is. Want vrijheid is gelegen in het beseffen van een werkelijkheid rond je.
Een tredmolen echter is een gevangenschap waarin je door de herhaling van dezelfde illusies en dezelfde waanideeën jezelf het recht ontzegt de vrijheid te proeven, die toch je erfdeel is en die in je leven, geestelijk en stoffelijk, je eindbestemming zal zijn.
Uiterlijke vrijheid bij de mensen komt vaak voort uit een te sterk innerlijk gebonden zijn waardoor ze toch in de tredmolen lopen. Maar wie innerlijk vrij wordt, zal die vrijheid naar buiten toe eventueel waarmaken wanneer het zin heeft en belangrijk is. Hij zal zich niet laten intimideren door de schijnbare gelijkvormigheid van de dagen en de gebeurtenissen.