Pechdagen

image_pdf

25 februari 1966

U zult wel weten, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn en zelf moet nadenken. Vandaag zou ik eens met u willen spreken over dat vreemde verschijnsel, dat men wel de naam geeft van: Pechdagen.

Pechdagen zijn die dagen, waarop alles tegen zit. Wanneer je de trap afkomt, zit op onverklaarbare wijze opeens een roede los en wanneer je beneden komt en van de eerste gevolgen van de val hersteld bent, blijkt, dat je de melk omgegooid hebt. Dan blijkt de tram niet te rijden, zodat je nog te laat op kantoor komt enz. Het is niet mogelijk de kern van de “pechdag” geheel te omschrijven: het is gewoon een gevoel, dat je overvalt. Misschien ben je wel heel vrolijk opgestaan en heb je de beste voornemens, maar opeens wil het niet meer. Zelfs wanneer er verder nog niets bijzonders is gebeurd, lijkt het opeens, of je de wereld door een donkere bril beziet. De mensen zijn opeens allen vervelend, het leven is vervelend, alles gaat mis, je beste pogen wordt niet erkend en al zo meer.

De “pechdag” wordt dan ook niet alleen maar bepaald door invloeden van buitenaf. De pech komt eigenlijk mede tot stand door je eigen houding, je eigen reacties op alle dingen. Hier kunnen wij enkele normale invloeden noemen, die de mens a.h.w. er toe brengen ongevallen tot zich te trekken. Ik denk hier bv. aan de reacties van iemand, die in het verkeer bijna is aangereden, een stevige schrik te pakken heeft en nu zo krampachtig probeert op alle gevaren te letten, dat hij vergeet uit te kijken op de gewone manier, waarop hij prompt per wagen van de EHBO naar huis kan gaan. Dergelijke mensen tonen dus een bepaalde levenshouding. Hun benadering van het voor de gehele wereld bestaande en normale is onzeker en vijandig geworden. Wie de wereld vol achterdocht binnen gaat, zal misschien kunnen voorkomen, dat hij één keer bedrogen wordt. Maar hij zal vele goede en aangename mogelijkheden voorbij laten gaan. Zo is voor hem de mensheid slecht, want het goede in de mensheid kan hij niet beseffen of aanvaarden door zijn eigen houding t.a.v. het leven.

Op een pechdag zien wij soortgelijke reacties oorzakelijk worden voor het gevoel, dat de gehele wereld tegen het ik gekeerd is. Dit blijft van kracht, ook wanneer er sprake kan zijn van kosmische invloeden, werkingen vanuit het zonnestelsel en zelfs nog ritmen van de aarde zelf.

Wij kunnen ons voorstellen, dat er een dag is waarop deze verschillende invloeden samenspannen, om het leven wat moeilijker te maken. Als voorbeeld: Er komt vanuit de kosmos een golf, die u wat meer dan normaal prikkelbaar doet zijn. U staat op de grens van een uitbarsting van energie, maar weet zelf niet, wat u met de in u roerende krachten aan moet. Gelijktijdig zien wij de invloeden, die men in de astrologie wel omschrijft, minder gunstig worden. Er is bv. een oppositie tussen Mars en Venus, terwijl ook Saturnus en Neptunus ongunstig staan. Dankzij deze invloeden wordt agressie op de wereld heftiger dan normaal geuit en treedt zij eerder op. Het is duidelijk, dat u in een dergelijke situatie de in u aanwezige extra energie via agressie zult ontladen. Hierbij kan nog een werking bij komen, bv. een verslapping in het ritme van leven dat van de aarde zelf pleegt uit te gaan. Dat betekent dan, dat men minder oplettend is en zo niet alleen door eigen schuld, maar ook door onachtzaamheid van anderen onderworpen wordt aan de onaangenaamheden, die een gebrek aan aandacht nu eenmaal met zich kan brengen.

Dan kan het een werkelijke pechdag voor u worden. De grote vraag is echter, of dit nu werkelijk wel onvermijdelijk is.

U moet hierbij vooral niet denken, dat ik dit onderwerp alleen maar aansnijdt, omdat hiermee voor u belangrijke stoffelijke aspecten verbonden kunnen zijn. Dit alles heeft wel degelijk met de geest, geestelijke waarden, innerlijke rust en zekerheid te doen. Om u duidelijk te maken, wat de geestelijke achtergronden van een pechdag kunnen zijn moet ik allereerst de normale invloeden kort opsommen.

Ik stel dus: Er zijn bepaalde dagen, waarop, door gebrek aan aandacht, energie of een overdaad aan niet gerichte energieën op aarde het gewone ritme en daarmede de als normaal geziene gang van zaken, verstoord zal worden. De mens, die zich hierin niet kan aanpassen of misschien de kleine uiterlijkheden buitengewoon belangrijk vindt, zal hierdoor ook zijn persoonlijk levensritme verstoord zien. Hierdoor zal hij alles, wat hem als deel van het normale leven anders niet roert, wanneer het hem treft, wel bijzonder zwaar laten tellen. Vandaar dat zijn dag, zelfs wanneer zij in wezen niets bijzonders inhoudt, voor hem, door zijn interpretatie en reacties alleen reeds, voor hem tot een pechdag zal worden.

In de tweede plaats stel ik: wanneer de mens innerlijk onzeker is, zal hij, door zijn angst voor het gevaar, zich onwillekeurig richten op de punten van het bestaan en de situaties, waarin het gevaar aanwezig is. Alle aandacht, die uitsluitend op gevaren is gericht, ook al doet men dit om gevaren te voorkomen, zal de wezenlijke gevaren, die rond het ik kunnen bestaan, vergroten. In de derde plaats zeg ik dan: Gebrek aan innerlijke veerkracht zal al zeer snel een enkel geval bepalend maken voor alle voorvallen, die men beleeft, en vanuit zich interpreteert gedurende een of meerdere dagen. Is dit het geval, dan zal men zich onrechtvaardig behandeld voelen, men zal de werkelijke waarden en mogelijkheden niet overzien en tot de overtuiging komen, dat alles in de wereld tegen het ik is gericht. Door deze instelling maakt men voor een deel het gestelde ook waar, daar eigen relaties met anderen, reacties op gebeurtenissen, uitgaan van een verweer en daardoor aanval zullen uitlokken.

Ten laatste zeggen wij dan: Een mens, die innerlijk onzeker is, schuldgevoelens kent etc. zal geneigd zijn voor zich een zekere bestraffing uit te denken. Hij doet dit onbewust, maar zal zichzelf, voor hetgeen hij of zij als onjuist aanvoelt, een reeks onaangenaamheden toemeten. Daar men zich van deze onbewuste drang niet bewust is en zich zelfs bewust tegen deze zelfgezochte gevolgen van eigen daden gaat verzetten, zal ook hiervoor het eigen beleven de strijd tussen bewustzijn en onderbewustzijn resulteren in een “pechdag” die veel meer onaangenaamheden met zich zal gaan brengen, dan de onderbewuste drang alleen tot stand kan brengen, daar eigen bewuste houding het onderbewust geschapen effect buiten alle normen om pleegt te versterken.

Dat zijn een paar eenvoudige punten om mee te beginnen. Maar hoe staat het bij dit alles met het innerlijk van de mens?

Er zijn in sommige gebergten en woestijnen stenen te vinden, die op hun punt staan. Zij staan zo misschien al eeuwen. Wanneer de wind waait, zullen zij niet omvallen, maar heen en weer slingeren. Een regelmatige druk kunnen zij uitstaan, daar deze hen de mogelijkheid geeft de verstoring van evenwicht door een tegenover gerichte verstoring van evenwicht te compenseren. Een betrekkelijk geringe schok kan echter voldoende zijn om hen te doen vallen.

Wanneer wij geestelijk wel enigszins evenwichtig zijn, maar innerlijk toch geen vaste basis hebben, zijn wij als dergelijke balansstenen: Wij zoeken wel voortdurend evenwicht, maar komen door het minste of geringste in beweging en kunnen ons evenwicht alleen handhaven, door steeds weer door tegenovergestelde acties te compenseren voor hetgeen de invloed van buitenaf ons doet ondergaan. Wanneer er ook maar iets gebeurt, dat uit het normale valt, zijn wij uit het lood geslagen en zullen sterk moeten reageren, om innerlijk nog enig evenwicht te kunnen handhaven. Indien wij innerlijk geen zekerheid bezitten, doch alleen een precair evenwicht, zal de kleinste kleinigheid, voldoende zijn om ons streven en beleven in een bepaalde periode een tendens te geven, die niet geheel met ons eigen wezen strookt. Van de normale prikkels kunnen wij ons wel weer herstellen, maar plotselinge gebeurtenissen kunnen ons blijven van de innerlijke rust en evenwichtigheid beroven. Rotsen, die vast met de aarde verbonden zijn, zullen echter voor geen enkele storm opzij gaan. Integendeel: De storm zal voor hen uit moeten wijken.

Zelfs het grootste en meest onverwachte geweld kan hen niet doen omvallen. Ten hoogste brokkelen zij wat af, naar dat is zo weinig, dat het op het geheel niets uitmaakt. Zij, die innerlijk een basis gevonden hebben, waarmede zij zich zo hecht verbonden weten, dat voor het innerlijk niets anders meer van belang is, zullen op grond van dit in een innerlijke werkelijkheid geheel gebaseerd zijn, onaantastbaar blijken te zijn voor de werkelijke invloeden, die van buitenaf op het ik aanstormen, zover het de innerlijke rust, evenwichtigheid e.d. betreft.

Voor dezen bestaat er dus geen “pech”. Men kan wel ongevallen meemaken, of onaangenaamheden ondergaan, maar dezen blijven voor het ik afzonderlijke feiten: Het geheel zal in de waardering van het ik niet kunnen uitgroeien tot een gehele cyclus, zodat de gevolgen elk voor zich en niet in een steeds t.a.v. het ik groter en sterker wordende reeks van krachten verwerkt moeten worden.

Misschien wordt het u nu reeds duidelijk, dat de zogenaamde pech in wezen iets is, wat grotendeels door onszelf wordt veroorzaakt, iets wat wij in vele gevallen – onderbewust – zelfs zoeken. Toch zal u bij een nader onderzoek – en ook dit mogen wij hier niet ongenoemd laten – blijken dat de “pechdagen” meestal eens per 3 à 4 maanden uitgesproken voorkomen en dan meestal rond 3, 4 dagen duren. De “pech” heeft dus wel degelijk een zekere regelmaat. Gaan wij de ritmen nog verder na, dan blijken deze pechdagen met een maanfase in verband te staan – de pech treedt steeds op in dezelfde fase van de maan – terwijl verder blijkt, dat dezelfde tijd zich kentekent door meestal iets langer durende perioden van lusteloosheid e.d. Gaat men eigen leven na, zal men zien – voor de meeste mensen zal hier sprake zijn van een 7 of 9-jaars cyclus – dat er jaren zijn, waarin werkelijk alles tegen blijft lopen en men steeds weer moedeloos en vermoeid is zonder kenbare redenen. Niets schijnt te gaan, zoals men wenst; de belangrijke dingen van het leven vertonen stilstand. Je voelt je in dergelijke jaren meestal door de wereld verwaarloosd -of zelfs bedreigd. Ook hier weer een ritme. Wij kunnen dus wel de conclusie wettigen, dat voor de mens die geen innerlijk bewustzijn en geen innerlijke weerstand en verbondenheid kent, een bepaald ritme van z.g. pechdagen en zelfs jaren normaal genoemd mag worden.

De invloeden zullen ongetwijfeld via de mens zelf werken, maar door de mens niet bewust erkend en beheerst worden. Wij zeggen dan dat de mens gedurende een bepaalde tijd een toestand van onzekerheid, besluiteloosheid en gebrek aan energie als normaal mag bezien.

Hierdoor zal hij niet in staat zijn zich tijdig aan te passen aan de wijzigingen van omstandigheden van de wereld buiten hem. Gebrek aan aanpassing en energie is de feitelijke oorzaak van de tegenslagen. Wat de pechjaren betreft, is het opvallend, dat deze regelmaat over het algemeen gelijk loopt met veranderingen, zowel mentaal als lichamelijk, in het stoffelijke bestaan. Wij kunnen daaraan dan ook, volgens mij, de conclusie verbinden, dat de mens bepaalde veranderingen in de lichamelijke toestand en grote veranderingen in het geestelijke leven niet kan verwerken, zonder zich tijdelijk zo ver van de werkelijkheid te distantiëren, dat hij niet meer in staat is om op het gebeuren in die wereld normaal te reageren.

De mens zal dit zelf echter niet beseffen en uitgaan van de veronderstelling, dat hetgeen hij denkt en gevoelt, behoort tot de werkelijkheid, buiten het ik. Het gevolg is, dat men de wereld als vijandig ervaart en bij eigen beleven zichzelf steeds weer voorstelt en ziet als slachtoffer van het noodlot. Op deze gronden is te stellen, dat, of de mens zijn pech nu bewust of onbewust zelf versterkt of zelfs doet ontstaan, het toch noodzakelijk zal zijn bepaalde maatregelen te treffen.

Je kunt per slot van rekening het onaangename niet uit het leven geheel wegnemen. Dat gaat nu eenmaal niet. Maar je kunt je er bij leren aanpassen, kunt leren alles op eenvoudige wijze en zo snel en realistisch mogelijk te verwerken. Je kunt je er rationeel mee bezig leren houden, zonder daarbij het noodlot in het geding te brengen.

Hoe meer men zich op niet reële wijze met de tegenslagen bezighoudt, hoe groter de kans zal zijn, dat enkele gebeurtenissen uitgroeien tot een blijvende tendens, die het ego en zijn beleven van de wereld steeds meer gaat beheersen. Daarom moet je in het innerlijke leven een verschil leren maken tussen dat, wat men innerlijk is en datgene, wat de wereld buiten het ik is en doet.

Het is niet belangrijk, wat er in of vanuit die wereld geschiedt. Het is belangrijk, dat het ik ten opzichte van die wereld te allen tijde juist kan reageren. Het is ook niet belangrijk, of u nu wel iets overkomt of niet, want daaraan kun je niet altijd iets doen.

Maar het is wel belangrijk, dat men alles wat om, met, en in het ik kan gebeuren, op een evenwichtige wijze weet te verwerken.

Je kunt dus zeggen, dat de mens een geestelijke achtergrond nodig heeft. Soms zal hij deze kunnen vinden in het geloof. Maar in het geloof zien wij bij het optreden van “pech” al snel het denkbeeld rijzen, dat God de mens wil straffen. En als de mensen eenmaal beginnen te denken, dat God hen straft, ontdekken zij bij zich zovele strafbare feiten, dat men zich af gaat vragen, of de “pech” nog wel ooit op zal kunnen houden. Men zal in dit geval een steeds sterker en rouwmoediger beroep op de genade Gods gaan doen, waardoor men steeds onevenwichtiger en eenzijdiger in het leven komt te staan. Dit acht ik nadelig, al is er innerlijk nog wel wat meer veerkracht en vindt het ik de gedachte, dat God zich met het ego bezighoudt – al is het op onaangename wijze – nog wel een geruststelling.

Voor de meeste mensen zal het daarom beter zijn als basis, in zich te zoeken naar een erkennen en aanvaarden van de esoterie. Waarmede ik de z.g. wetenschappelijke esoterie bedoel. Deze is wetenschappelijk in zoverre, dat zij uitgaat van systemen, die op waarnemingen, verstand en feiten gebaseerd zijn, zodat men niet uitgaat van onaannemelijke stellingen en warrige filosofieën. In deze esoterie vinden wij eerst de vaststelling van het lot. Wij zijn beperkt in onze vrijheid. In de beperkingen van onze vrijheid zullen wij omstandigheden moeten aanvaarden, die wij niet zelf verkiezen. Slechts door de aanvaarding van de feiten is het soms mogelijk, de omstandigheden voor de toekomst te wijzigen. Dit vindt u onder meer terug in delen van de yogaleer. Daarnaast maakt een dergelijke stelling, zij het in vaak vreemde woorden en ingewikkelde formuleringen, ook deel uit van vele andere systemen.

Begin dit nu eens toe te passen. U leeft onder omstandigheden, waaraan u zelf vaak weinig of niets kunt doen. U kunt er ook niets aan veranderen. Begrijp dit goed. U kunt echter leren de omstandigheden vanuit uzelf op de juiste manier te benaderen of gewoon alles op een (waarschijnlijk) onjuiste manier benaderen. Verzet geeft natuurlijk niets. Maar een pogen om, met een aanvaarden van alle onaangename omstandigheden, met de feiten zo snel, redelijk en degelijk mogelijk af te rekenen, kan vaak goede resultaten brengen. Want – en dit vinden wij in de op oorzaak en gevolg gebaseerde filosofieën steeds weer terug – op het ogenblik, dat ik een oorzaak erkennende, haar aanpas aan mijn wezen en mijn wezen daarbij zover mogelijk aan blijf passen aan de heersende condities van leven, zal er een gevolg kunnen ontstaan, dat voor het ik positief en geheel aanvaardbaar is.

In deze stelling, die ik eveneens, zij het vrij, citeer, komt tot uiting, dat de mens in zijn verhouding tot de wereld zich niet op de wensen en inzichten van het ik zonder meer zal kunnen baseren. Wij moeten uitgaan van de relatie, die tussen ons ik en de wereld bestaat en wel op de wijze, zoals wij die – eerlijk en zonder voorbehoud of zelfbedrog – menen te erkennen. Wij mogen dus niet uitgaan van een relatie tussen ons ik en de wereld, zoals anderen die menen te erkennen, maar moeten steeds af blijven gaan op eigen ervaren en erkennen hiervan. Daardoor zullen wij zelf de verhouding ik tot de wereld aan kunnen passen, of misschien zelfs wijzigen in de richting van ons besef en verlangen.

In dit verband wil ik nog een deel van een esoterisch stelsel citeren: Hij die zich onderwerpt aan het noodlot is een slaaf. Hij die het noodlot aanvaardt, maar vormt naar zijn behoeven, is een Meester. Hij zich aan het noodlot weet te onttrekken echter, is een bevrijde of volbewuste. Zolang je aanneemt, dat de buitenwereld je werkelijk dwingen kan en daardoor niet durft terugkeren tot daden en denkwijzen, die voor jou normaal en goed zouden zijn, maar je houding zonder meer door de buitenwereld laat bepalen, zul je in een staat komen te verkeren, die strijdig is met de waarden in de kern van eigen wezen. Je zult dan niet in staat zijn snel en met geheel het wezen te reageren op wat e wereld is of doet. Evenmin zal men in staat zijn om met alle energie, – die deel is van ‘t eigen ik -, zich op een bepaald punt te richten en dit na te streven of de krachten van het ego op juiste en doelmatige wijze te gebruiken. Het is duidelijk, dat je de eenheid van het eigen ik ten koste van alles moet handhaven. Degene, die dit niet doet, zal waarlijk een slaaf zijn.

De buitenwereld bepaalt, wat hij doet en is, meer nog, bepalend voor zijn denken en geloof, zijn gebruik van eigen mogelijkheden en innerlijke krachten. Dit nu is onaanvaardbaar.

Degene, die beseft, dat je door het noodlot te aanvaarden en verder gewoon je eigen gang te blijven gaan – door zekere onverschilligheid zonder angsten of buitengewone begeerten – zal het “lot” en de “wereld” blijven zien, zoals zij in verhouding tot het ego werkelijk zijn. Het is dan geen kwestie meer van de wereld, die mij misschien onrecht aandoet of mijn Ik, dat de wereld onrecht doet, naar eenvoudigweg een erkennen van een situatie. Wanneer ik de situatie ken, zie ik daarin mogelijkheden voor mijzelf, waaraan ik anders niet zou denken of, onder druk van de wereld buiten mij, voorbij zou gaan. Juist de – beperkte – objectiviteit , waarmede men het “noodlot” beziet, maakt het mogelijk te beseffen, wat men wel en niet mag en kan doen, kan aanvaarden of zal moeten verwerpen, om in harmonie met zichzelf te kunnen blijven leven. Men weet dus, hoe men het beste kan handelen. Dit wil echter niet zeggen, dat men eigen wil, zoals deze te voren was gesteld, geheel zal kunnen uitleven en vervullen. Het houdt alleen maar in, dat het ik de invloeden, die voor het ik innerlijke disharmonie zouden betekenen, of een te grote disharmonie met de wereld zouden doen ontstaan, eenvoudig terzijde kan stellen, of vervangen door reacties van het ik, die juist harmonie doen ontstaan of bevorderen.

Ik zal proberen u een voorbeeld te geven. U gaat de straat op. Het eerste, wat er gebeurt, is, dat een klein kind met een step u bijna van de sokken loopt. Reageert u zonder ergernis en gaat u zonder bijzondere haast verder, dan gebeurt er verder niets. Stel echter, dat u zich wel heftig ergert en tegen het kind probeert te oreren. Neem aan, dat u bv. een stap achteruit doet. U breekt dan bijna uw nek over de rand van het trottoir. U ergert zich daarover nu nog meer, kijkt niet uit en wilt eenvoudig weg van het toneel van deze onaangename belevingen. Hierbij dankt u het alleen aan de oplettendheid van een chauffeur, dat u nog op de been kunt blijven. Wanneer het laatste nu gebeurt, zal de logische conclusie voor iemand, die geen voldoende beheersing bezit en van zijn erger niet snel genoeg afstand weet te doen luiden: beperk uw contacten met de wereld voor de komende uren zoveel mogelijk. Ga dus na, wat werkelijk onvermijdelijk en noodzakelijk is op het ogenblik. Zet daarbij alle relaties met de buitenwereld terzijde, zover dit mogelijk is. Waar u bv. toch nog ergens heen moet gaan, geldt: doe langzaam aan, zoek de rustigste wegen op die tot uw doel voeren. Maar nogmaals, wanneer er geen werkelijk dringende noodzaak is, dient men thuis te blijven.

U meent misschien, dat het een kwestie is van ontlopen van de mogelijke onaangenaamheden. Maar dit is het zeker niet alleen. In de rust, die men thuis vindt, zal men waarschijnlijk de tijd vinden om dingen te doen, waartoe men anders voorlopig nog niet gekomen zou zijn en die toch voor het Ik en misschien zelfs voor de wereld buiten het ik van belang zijn. Je kunt bv. iets op gaan ruimen, na gaan kijken, herstellen, of desnoods alleen maar rusten en wat op adem komen, zodat men na enige tijd met meer energie zijn taken kan volbrengen. Wanneer de gevoelens van erger en onzekerheid voorbij zijn zal men gemakkelijker en sneller verder kunnen gaan. Dat hoeft zeker geen dagen te nemen. In vele gevallen kan men reeds tot betere resultaten komen en zelfs het z.g. verzuimde zonder moeite inhalen na enkele uren. Gaat men echter eenvoudig verder volgens zijn oorspronkelijke plannen, geërgerd, onzeker, met weinig reserves aan geduld en naastenliefde, dan is het haast wel zeker, dat de gevolgen van dit alles zich langere tijd zullen doen gelden, zodat ook de komende dagen “pechdagen” zullen blijven.

Ik meen, dat u dit zult kunnen begrijpen en onthouden, daar ik een voorbeeld nam, dat voor velen van u zeer dicht bij eigen werkelijkheid ligt. Het is echter niet goed het hierbij dan maar te laten, zodat wij nu een antwoord moeten zoeken op de vraag, of het misschien toch mogelijk is de moeilijkheden en “pechgevallen” vanuit zichzelf te domineren.

De bewuste mens zal dit wel kunnen volbrengen. De bewuste, de bevrijde, de vol-ingewijde, weet, dat er op de wereld niets van werkelijk belang is. Deze zal daarom alles, wat in het lot van een ander ergerlijk zou zijn, eenvoudig terzijde schuiven. Zo iemand neemt de feiten en maakt er zelf iets van, wat past bij zijn wezen. Hij deelt deze instelling en haar mogelijkheden misschien niet altijd met de wereld rondom hem, maar hij staat de wereld altijd toe deel te hebben aan deze in hem levende reactie op de feiten – indien deze wereld het begeert.

Door deze algehele neutraliteit, zover het de wereld betreft, zal de ingewijde de wereld rond zich – zover het althans waarden, die met zijn eigen wezen in verband staan betreft – eenvoudig zijn eigen waarderingen op kunnen leggen, zodat zijn ego als dominante factor in de oorzaak en gevolgketen zijn keuze en wil aan de omstandigheden schijnt te kunnen opleggen. Daarom zegt men dan ook: De bevrijde beheerst het noodlot. Voor zo iemand is er geen sprake meer van pechdagen of dagen vol meevallers. Voor zo iemand blijft alleen nog de geheel bewuste en evenwichtige beleving van het bestaan.

De kwestie van sfeer, geestelijke invloeden e.d. kan voor de niet vol-ingewijde echter nog wel degelijk een rol spelen, ook waar het pech betreft. Er zijn enkele verschijnselen, bv. als gevolg van bewuste of onbewuste contacten met overgeganen, waarop ik in het bijzonder de nadruk meen te mogen leggen.

Voorbeeld. Er is iemand overgegaan. U hebt misschien het gevoel gehad, dat u tegenover deze persoon te kort geschoten bent of misschien heeft deze persoon onheuse woorden tot u gesproken kort voor zijn verscheiden. In ieder geval stellen wij, dat u zich schuldig gevoelt tegenover deze overgegane persoon. Nu wilt u dit goed gaan maken door met bijzonder veel tederheid en meer dan gewone aandacht, deze persoon voortdurend weer te herdenken. Wat gebeurt er nu? Wanneer u uw gedachten op een persoonlijkheid richt, zal hieruit tot op zekere hoogte harmonie of zelfs contact met die persoon voortkomen. Hierdoor ontstaat opnieuw voor u de toestand van disharmonie en de schuldgevoelens, die rond de tijd van de overgang bij u ontstonden. Dit wil zeggen, dat de overgegane voor u alleen maar kan reageren met begrippen, die binnen de beperkingen van dat ogenblik lagen. Hij kan u dus niet helpen of beschermen. Uzelf gevoelt, dat u iets verkeerd gedaan hebt, dat u een zekere straf nodig hebt en zult onbewust in een toestand geraken, waardoor u zichzelf probeert te straffen, zodat men door eigen houding ongevallen en tegenslagen kweekt. Dergelijke mensen trekken de tegenslagen naar zich toe. Het gevolg is jammerlijk: Juist hierdoor gaan zij zich met hun instelling en gedachten nog meer richten op de overgegane, uit het contact waarmede in wezen de onaangenaamheden zijn voortgekomen. Er ontstaat dan in de onaangenaamheden een klimmende climax – dit is geen dubbel zegging – waarbij in de meeste gevallen hetzelfde zich op een steeds hoger niveau gaat herhalen.

Voorbeeld; De eerste keer stoot je je schenen. De tweede keer kneus of verstuik je een enkel, de derde keer breek je een teen, de vierde keer een been, de vijfde maal een knieschijf en de zesde keer verlies je door een ongeval het gehele been. Het klinkt misschien wat vreemd, wanneer ik het zo zeg. U moet dan ook wel beseffen, dat ik vanwege de duidelijkheid een voorbeeld neem, waarbij de gevolgen allen nog hetzelfde lichaamsdeel betreffen ook. U begrijpt echter, dat de climax zich evenzeer op andere waarden kan baseren, als bv. pijn, verlies, erger enz. Wij noemen dit een klimmende climax, omdat niet alleen een climax ontstaat in de reeks van tegenslagen, maar ook omdat de tegenslagen zelfs a.h.w. in trappen delen van dezelfde situatie zullen bevatten. Men kan er dus van spreken als van de treden van een trap, waarbij de grondwaarde en onderlinge afstand ongeveer gelijk zal blijven, maar de gevolgen dus steeds ernstiger worden. Op deze wijze een contact hebben en instand houden met overgeganen is dus niet goed. Wanneer wij al een gevoel van schuld tegenover een bepaalde overgegane koesteren, zullen wij het beste doen door te trachten dit aan anderen goed te maken en niet de overgegane verder bijzonder scherp in het brandpunt van onze belangstelling te zetten. Hierdoor voorkomen wij, dat de uitwerking van ons eigen schuldgevoelen het ons onmogelijk maakt werkelijk iets goed te doen, voor anderen of onszelf.

Dan is er nog een contact met overgeganen, dat wel iets aangenamer en vreedzamer ligt, maar waarbij het verlangen naar deze overgegane en deze andere wereld steeds heviger wordt. Een van de verschijnselen is, dat men zichzelf voorhoudt: Ik heb hier eigenlijk niets meer om voor te leven, en daaraan de conclusie verbindt: Was ik maar daar. Hieruit ontstaat immers langzaam maar zeker een levensverwerping. Dit verwerpen van het leven wordt, vreemd genoeg, naar buiten toe vaak gecompenseerd door vertoon van grotere daadkracht, pogingen om naar buiten toe zeer nuttig te zijn. Innerlijk echter blijft een afwijzing van het leven bestaan.

De oorzaak hiervan is al te vaak gelegen in het weigeren volgens de feiten te reageren en afscheid te nemen van een bestaand relatie in een bestaande vorm. Men kan zich geen onstoffelijk contact indenken of wil zich dit niet indenken. Men probeert dus voort te leven, alsof men in de geestelijke wereld het oude bestaan zonder meer zou kunnen hervatten. Niet alleen is dit een illusie, maar op de tweede plaats ontstaat hierdoor ook een verkeerde interpretatie van alle mogelijkheden en feiten op aarde.

Iemand, die dit regelmatig doet, reageert ook voortdurend verkeerd en is dus in de ogen van anderen wel een werkelijke pechvogel. Zo iemand is altijd ziek en onderweg, het is een type dat altijd probeert goed te doen, maar moet constateren, dat het meestal verkeerd uitloopt enz.  Wil men hieraan ontkomen, dan zal men zich moeten realiseren, dat het hiernamaals nimmer een continueren zal zijn van relaties, die op aarde bestonden, en toestanden, die op aarde bestonden op geheel dezelfde wijze. Ten hoogste kan een voortzetting bestaan uit een voortbestaan van persoonlijke relaties in de gevoelssector, maar het zal nimmer een voortzetting van de daarmede geassocieerde feiten zijn. Men zal, zich dus, ongeacht de waarden van het hiernamaals, steeds moeten blijven baseren op de voor het ik overzichtelijke feiten van de wereld en haar mogelijkheden en doet het beste door de gevoelsbanden met overgeganen als later en ook nu nog bestaand aan te nemen, zonder eigen handelen daardoor te veel te laten beïnvloeden en vooral ook, zonder zijn beleven van de wereld te binden aan voorstellingen uit het verleden, die ten hoogste als herinnering nog waarde hebben. De gevoelswaarden mogen wij natuurlijk behouden, maar zullen dezen moeten verwerken in de feiten en nooit trachten de feiten aan ons verlangen om later het leventje van eens voort te zetten, onderdanig te maken.

Hierdoor voorkom je niet alleen veel pech voor jezelf, maar voorkom je ook, dat je een nadelige invloed op anderen hebt.

Want ik heb het nu wel over de wereld van de geest, maar de mens zelf heeft ook een uitstraling. Misschien heeft u wel eens gemerkt – bij de dames mag ik hier wel een beroep doen op jeugdherinneringen – dat er mensen zijn, waarbij je je onzeker gaat voelen. Wanneer u dan ging dansen, was het wel zeker, dames, dat u op tenen trapte en op tenen getrapt werd. Wanneer u thee dronk net zo iemand, dan morste u. Alles ging altijd verkeerd. Misschien kunt u zich voorstellen, dat degene die een dergelijke invloed op u uitoefende, dit geheel niet wenste of bedoelde. Deze persoon schiep echter ergens een afstand tussen zichzelf en. U voelt dit aan, maar interpreteert dit verkeerd, reageert gevoelsmatig op een verkeerde wijze. U wordt hierdoor zenuwachtig, onrustig, onhandig. De pech begint. Voor de ander is het echter ook niet aangenaam. Voor zo iemand is het ook niet leuk, wanneer hij of zij voor de derde keer een beker limonade of zo iets over jurk of pak krijgt. Zo min als het aangenaam is, ongeacht een ogenblik lachen, u steeds weer te zien struikelen en brokken te zien maken, wanneer u wegsnelt om te laten zien, hoe handig u wel bent. Je schept dan door de afstand, die je tussen jezelf en anderen creëert, vaak onzekerheden en hierdoor ook onaangenaamheden. Deze onaangenaamheden zal men, zowel indien men oorzaak is, als wanneer men reageert op een ander, interpreteren als deel van eigen bestaan. Men verzet zich daar tegen, zij het innerlijk of ook uiterlijk en veroorzaakt daardoor disharmonie. Het effect wordt door deze disharmonie buiten alle normale proporties om groter.

Indien u een voorbeeld wilt, moet u maar aan kinderen denken. Kinderen immers worden ongezeglijk – of om het duidelijker te zeggen tot kleine ellendelingen – wanneer zij in contact komen met iemand, waarmee zij eigenlijk geen raad weten. U weet dan ook wel, dat, zo de oorzaak van dit alles neerbuigend gaat doen, de reacties alleen maar erger worden. En daarbij doel ik heus niet alleen op de flapuitjes onder de kinderen, die in zo een geval aan komen dragen met parels als: “Moeder heeft al gezegd, dat ik heel erg zoet moet zijn, als u er is, oom. Zij zei: Wees maar heel zoet, want oom is toch al zo een rot…..” Wij hoeven dergelijke voor buitenstaanders aardige voorvallen er niet bij te halen om duidelijk te maken, dat neerbuigendheid in dergelijke gevallen op zich reeds een oorzaak voor groter spanningen zal zijn. Onthoudt dus – en dit geldt ook voor onszelf – zelfs wanneer wij alleen innerlijk, en dus uiterlijk niet merkbaar, lijden onder gevoelens van minderwaardigheid of meerwaardigheid, zullen wij hierdoor reeds een gespannen verhouding scheppen, welke het aanzijn kan geven aan allerhande kleine ongevallen, die onze zekerheid en vreugde ten gronde kunnen richten. Er ontstaat dan een onverklaarbaar gebeuren, dat wij meestal als pech zullen omschrijven.

Indien een dergelijke situatie optreedt in een periode, waarin reeds door inwerkingen vanuit de kosmos, invloeden van de planeten, of werkingen van de aarde zelf, de onzekerheid wordt bevorderd, kunnen wij er wel zeker van zijn, dat de meest vreemde en krankzinnige ongevallen plaats zullen vinden, zonder dat men ergens een reden voor het gebeurde zal kunnen ontdekken. Zegt men reeds van ouds niet, dat een ongeluk in een klein hoekje ligt? Wel, uit kleinigheden, die u niet eens opmerkt, komen dan de meest ellendige dingen voort, die hun invloed in uw leven langere tijd kunnen doen gelden.

Wij moeten ons hiertegen verzetten en kunnen dit m.i. alleen doen, door met iedereen, – onverschillig wie, – wanneer wij er mee te maken hebben, zoveel mogelijk innerlijk een gevoel van gelijkwaardigheid te postuleren. U moeten proberen deze gelijkwaardigheid inderdaad aan te voelen. Of u dus te maken heeft met een koningin, een professor, een dominee, een putjesschepper, of een idioot, zult u – hoe lastig u dit ook zal lijken, vooral in het begin , – zich moeten gedragen als gelijke. Probeer innerlijk niet de verschillen, maar de punten van aanraking, van contact, met nadruk te doen gelden. U zult dan bemerken, dat hierdoor een harmonie ontstaat, die zelfs bij zeer ongunstige omstandigheden het gevoel van pech en onzekerheid verdringt en daarvoor in de plaats de mogelijkheden geeft tot bereiken, harmonisch werken en u zelfs in staat zal kunnen stellen meer tot stand te brengen, dan men eigenlijk mogelijk had geacht.

Want wanneer wij over pechdagen spreken, moeten wij niet vergeten, dat in die pechdagen de mens in vele gevallen tot prestaties komt, die hij normalerwijze onmogelijk zou noemen.

Voordbeeld hiervan is bv. de dame, die met een hak in de tramrails vaststaat, terwijl een tram met in haar ogen zeer grote vaart komt aanstuiven. Zie dan eens, met welk een dartel geweld zij niet alleen haar schoen uittrekt en loswringt – zonder aan de hak te denken – maar ook op schoen en kous door het verkeer stuift met een snelheid, lenigheid en vaardigheid, die zij voor zich, gezien toestand, leeftijd enz. onmogelijk geacht zou hebben. Denk aan een man, die denkt, dat er op hem geschoten wordt en zie, hoe hij opeens weg snelt met een tempo, dat hij onmogelijk acht, zodra hij bewust hiertoe moet komen, terwijl hij daarbij nog horden neemt met een vaardigheid, die menig kampioen hem zou benijden. Hij presteert dit, ofschoon hij normaal niet eens weet, hoe hij zonder vallen over een hekje van 30 cm. hoog moet stappen. Juist in de perioden van pech is de kans aanwezig op een z.g. overprestatie. Wij zullen dan ook juist wanneer wij pech hebben, vaak overprestaties leveren, zonder dit te beseffen. Alleen loopt het meestal toch nog verkeerd af. De dame, die zo snel en elegant door het verkeer heen wist te dringen op een kous en een schoen, zal ontdekken dat, zodra zij buiten gevaar is, zij een verkeerde wijze van steun zoeken gebruikt, waardoor bv. haar jurk scheurt. Degene, die met ongelofelijke handigheid en snelheid een vallend bord opvangt, zet het van louter opluchting zo hard neer, dat er uiteindelijk toch alleen maar scherven op de aanrecht staan enz.

U lacht om dit voorbeeld, maar realiseert zich niet, dat dit voortvloeit uit het feit, dat we wel degelijk over een hoeveelheid energie beschikken, mogelijkheden en vermogens bezitten, waarvan wij ons normalerwijze niet bewust zijn, doch daarvan zelden een beheerst gebruik weten te maken. Een groot deel van de pech komt daarom ook wel voort uit het feit, dat mensen tot prestaties in staat zijn, maar dit voor zichzelf ontkennen. Daarom moeten wij dan ook stellen dat, zo wij de evenwichtigheid willen bewaren en de pech overwinnen, wij onze eigen mogelijkheden nimmer mogen onderschatten. Probeer steeds te gaan tot het uiterste van uw kunnen en houdt daarbij nooit een veiligheidsmarge aan, tenzij dit voor anderen noodzakelijk lijkt, ga altijd uit van het standpunt, dat je iets kunt, wanneer je maar verstandig genoeg nadenkt, je hersenen gebruikt. Ga dus nimmer van het standpunt uit, dat je iets à priori toch niet kunt.

Wanneer je zo in het normale leven reageert, zul je niet alleen ontdekken, dat je veel meer problemen snel en beter op kunt lossen, dan je ooit had verwacht, dat je ook veel handiger bent dan je meende, maar je zult daarnaast ontdekken, dat je in veel mindere mate pech hebt. Door dit alles ontstaat er immers een aanvaarding van de situatie, waarbij het ik voortdurend bereid is zijn volle kracht in te zetten en bereid is meer te presteren, dan normaal lijkt of normalerwijze noodzakelijk is.

Men voelt zich niet hulpeloos en hierdoor juist wordt de pechdag vaak tot een geluksdag. Wanneer wij dus een pechdag hebben, moeten wij ons realiseren, dat hierin niet alleen onaangename mogelijkheden, maar ook wel degelijk zeer aanvaardbare en zelfs aangename mogelijkheden schuilgaan. Juist aan dit aspect van de pechdagen gaat men meestal voorbij, Wanneer uw dag begint met vele tegenslagen en u reageert daarop, zoals ik reeds omschreef, verstandig, maar daarbij aan de andere kant toch het gehele wezen in blijft zetten om er toch nog van te maken, wat men kan, dan komen de voordelen vaak – al beseft men dit op het ogenblik zelf niet zo sterk op de voorgrond,- dat men de onaangenaamheden geheel vergeet.

Er zijn mensen, die op een pechdag zich voor problemen geplaatst zien, die schijnbaar onoplosbaar zijn en, in plaats zich daarover zorgen te maken zeggen: Ik laat dit dan maar even rusten en zal proberen, of ik niet een kleiner probleem voor mijzelf of anderen tot oplossing kan brengen. Zonder het te weten vinden zij dan vaak niet alleen de oplossing voor het kleine probleem, maar ontdekken, dat hun eigen probleem eveneens geheel opgelost kan worden. Het woord, dat scherven geluk brengen, is niet alleen maar bijgeloof of een troost. Wanneer iets tegenvalt, kan het aanwezig zijn van de pechfactor in eigen leven een uitdaging worden, waardoor men juist dan komt tot een meer presteren, rustiger kan blijven en meer dingen normaal kan aanvaarden, dan in andere omstandigheden het geval zou zijn. Het eindresultaat daarvan is dan, dit kan ik u wel verzekeren, dat de z.g. pechdagen dagen vol geluk worden.

Want waar de mogelijkheden tot pech bestaan, is er rond het ik een toestand van onevenwichtigheid, die zowel ten voordele als ten nadele van het ego gebruikt kan worden.

Gebruik de onevenwichtigheden in het leven dus, om voor uzelf voordelen te behalen, door zelf bewust, beheerst en evenwichtig te blijven en zo het eigen ik daar in te zetten, waar de grootste mogelijkheden voor het ik schijnen te liggen.

Denk niet, dat dit alles onbelangrijk is, omdat het alleen uzelf kan treffen. Uw pech kan er de oorzaak van zijn, dat anderen eveneens ongeluk hebben of zelfs moeten sterven. Pech en een vergissing kunnen zelfs een wereldoorlog tot ontbranden brengen. Wij kunnen nooit met zekerheid stellen, dat de pech, die wij hebben, alleen ons zelf zal treffen. Wanneer wij pech hebben door innerlijke onzekerheden en deze waarden induceren bij anderen, ontstaat er op een gegeven ogenblik voor een geheel volk een onbeheersbare situatie. Dan zal een geheel volk verkeerd reageren en, daar het als volk invloed heeft op andere volkeren, is het mogelijk, dat daardoor ook andere volkeren tot verkeerde reacties komen.

Het is de innerlijke houding tegenover het leven, die van belang is. Verstoorde evenwichtigheid bij de mensen en dingen, die op zichzelf van weinig belang zijn, kunnen aanleiding worden tot rampen en zelfs grote oorlogen. Dan valt, zonder dat de mens in staat is het verband met het onbelangrijke te begrijpen, opeens de gehele maatschappij verstoord en kunnen dingen van het grootste belang voor het welzijn en de bewustwording van velen geschaad worden. Dit gebeurt regelmatig, men zou kunnen zeggen, dat op de wereld zich rond de 30 à 35 jaren een situatie voordoet, waarbij deze inductie vanuit een “pechkern” gehele volkeren onzeker maakt. Deze volkeren zien dan de werkelijke verhoudingen en mogelijkheden niet meer. Het loopt hen als volk tegen. Zij zullen dan ook geneigd zijn dit te wreken op anderen, die het beter schijnt te gaan. Indien wij echter de kernpunten van deze pech en onzekerheid terzijde kunnen zetten, dan zal de evenwichtigheid van de gehele wereld der mensen groter worden. Wanneer de mensen, die pech hebben nu eens reageren met een: in mijzelf kan ik rustig blijven, want het is mogelijk mij aan een gedreven worden door het noodlot te onttrekken, ik kan alle gevaarlijke factoren grotendeels ontgaan, door mij te beperken tot het werkelijk noodzakelijke en daarbij de rustigste en veiligste wegen te kiezen om mijn doel te bereiken, zodat ik mij, wat het noodzakelijke betreft, daaraan ondanks tegenvallers kan blijven geven met mijn hele wezen en mijn gehele persoonlijkheid, zal er voor de wereld veel meer rust en mogelijkheden ontstaan.

Wanneer enkele mensen zo reageren, beïnvloeden zij daardoor misschien reeds het lot en de innerlijke gesteldheid van rond 1000 mensen. Deze duizend, ofschoon zich van de invloed niet bewust, zullen daardoor weer rond 5 – 6 miljoen mensen kunnen beïnvloeden. Op den duur ondergaat dus een geheel volk zo de invloed van een betrekkelijk kleine groep. Hieruit volgt, dat ook een betrekkelijk kleine groep stabiliserend kan werken in de tijden, dat pech en gevaar, onzekerheid dreigen in te grijpen in het bestaan van een volk.

Het zou m.i. dwaas zijn alleen maar te denken aan eigen pech. Wij moeten denken aan de noodlotssfeer, waarin men de oorzaak en gevolgwerkingen op aarde meent te moeten ondergaan. Wij moeten denken aan de waan van machteloosheid, aan het zinloze protest, dat normaal door de menigte tegen geheel onbelangrijke en vaak zelfs op zich goede punten wordt gericht. Zeker, de massa probeert daarmede duidelijk te maken, dat zij het bestaande niet wil, dat zij de bedoelingen niet waardeert. Ondertussen zal zij echter, al protesterende, de feiten aanvaarden zonder daartegen werkelijk iets te doen en de waarlijk ongunstige ontwikkelingen en werkingen zelfs in de hand werken.

Laat ons tegenover dit redeloze gedrag van de massa nu eens mensen stellen, die zich van de uiterlijkheden weinig of niets aantrekken, maar eenvoudigweg zich afvragen: wat is hier voor mij de meest juiste weg, hoe kan ik mijn innerlijke vrede en evenwichtigheid zo goed mogelijk handhaven? Wat is voor ons de beste weg? Dan wil dit zeggen, dat men in vele gevallen niet te veel kan doen aan toekomstplanning. Maar dat wil niet veel zeggen, want wat heb je in je eigen leven aan planning? Immers, indien wij bv. een reis bezien, waarbij men alles tot in details heeft willen regelen, zo blijkt, dat het pechduiveltje haast onvermijdelijk komt opduiken, zodat er iets in het honderd loopt. Gaat men daarentegen op weg met de bereidheid malle plannen te laten voor wat zij zijn en van elke vreemde omstandigheid of mogelijkheid zoveel mogelijk te profiteren, dan zal men weliswaar het oorspronkelijk gestelde doel wel niet zonder hinder bereiken, maar in plaats van erger heeft men veel meegemaakt en zich geamuseerd. Indien wij met een te vast deel van de toekomst geheel gepland – zowel als eenling als als menigte – leven, maken wij het ons hierdoor onmogelijk onmiddellijk, snel en juist te reageren op alles, wat er plaats vindt. Het gevolg is dat wij pech hebben. Dan hebben wij alles zo mooi berekend en weten wij precies, wat zou moeten, maar gaat het toch niet goed en zullen wij, door onze pogingen, toch het gestelde te verwezenlijken, slechts een toenemende reeks van moeilijkheden en teleurstellingen voor onszelf tot stand brengen.

Er zijn voorbeelden genoeg, waarin u de waarheid van deze woorden bevestigd zult zien. Zien wij, dat het plan om alles te centraliseren en bv. monstergemeenten te scheppen, reeds stamt uit 1947. Toen was een centralisatie van het gezag noodzakelijk en onvermijdelijk. Maar men heeft gemeend, dat, wat toen goed was, altijd juist en goed zou blijven. Vandaar, dat men steeds meer gemeenten wil samenvoegen, om zo een meer gecoördineerd beleid mogelijk te maken. Maar in de komende jaren zal steeds sterker blijken, dat men met al zijn goede voornemens en grote plannen pech heeft. Men heeft het in 1947 wel allemaal goed berekend, maar het gaat net niet, omdat de wereld veranderd is en ook de gedragsnormen van de mensen wijzigingen hebben ondergaan. Daarom lukt het allemaal net niet, blijken openbaar vervoer en openbare voorzieningen steeds kostbaarder te worden en zal een uitvallen van bepaalde openbare diensten en dienstverleningen, juist omdat zij in een grotere gemeenschap zijn ondergebracht en “gecoördineerd” met vele andere belangen en bezigheden, steeds meer uitvallen en teruglopen in werkelijke waarde, waardoor de leefbaarheid van vooral de grotere als geheel bestuurde agglomeraties steeds afneemt. Men zal zeggen, dat dit de omstandigheden zijn, waaraan men nu eenmaal niets kan doen.

Dan zouden wij de planners eigenlijk moeten antwoorden met een: u had er wel iets aan kunnen doen, want er zijn ogenblikken genoeg geweest, waarop dergelijke plannen tegenslagen ondervonden, u had kunnen beseffen, dat grote volksagglomeraties met een sterk gecentraliseerd bestuur op wijzigingen, in omstandigheden te traag reageren. U wilde dit niet zien, omdat uw plan zo mooi leek en het doel zo edel was. Maar nu is het te laat. Over 5, 6 jaren zult u dit reeds kunnen zeggen tegen degenen, die nu hun planning ten koste van alles, zelfs van menselijke waarden als waardigheid, menen door te moeten voeren ten bate van het geheel.

Maar daarom gaat het vanavond toch niet. Waar het wel omgaat is het feit, dat wij door niet te geloven aan de pech en de tegenslag als onvermijdelijk, plus een bereidheid om alle gebeuren van het heden zonder meer te aanvaarden, zonder eigen gedrag en streven daardoor te veranderen qua innerlijke waarde, en toch rekening blijven houden met de aard van de tegenvallers en de daarin schuilende mogelijkheden, snel zullen kunnen reageren en zo gelukkig en doelmatig zullen kunnen leven.

Degenen, die dit doen, zullen hierdoor voor zich en anderen de evenwichtigheid van het menselijke bestaan vergroten en zo de inhoud aan vreugde en bewustwording van het gehele menselijke bestaan doen toenemen. Door de aanvaarding zullen niet alleen degenen, die bewust zo reageren, maar ook vele anderen – inductief – tot een overprestatie komen, zo meer bereiken, dan redelijk denkbaar of mogelijk schijnt. De vooruitgang is eerst stoffelijk, maar zal op de duur ook geestelijk een feit worden. Wanneer een groter deel van de mensheid komt tot een geestelijke overprestatie, zal er, misschien voor het eerst in de geschiedenis, de mogelijkheid rijzen voor de mens om waarlijk geheel gebruik te maken van de geestelijke krachten en mogelijkheden, die hij reeds nu als potentie bezit. Hij zal dan in staat zijn alles, wat nu nog onvermijdelijk kwaad en pech wordt genoemd, zozeer te wijzigen, dat het nieuwe bronnen van geluk brengt voor allen, die op aarde leven. Eens zal men dit ook kunnen doen voor alle anderen. Maar eerst moet je voor jezelf innerlijke vrede en geluk weten te vinden.

Dit is dan alles, wat ik te zeggen heb. Denk er echter eens over na. De meesten van jullie hebben wel eens pech, zij het thuis, op het werk of in het verkeer. Zeer velen hebben zelfs pech op geestelijk terrein. Want zij denken vaak iets bereikt te hebben en menen dan te constateren, dat zij uiteindelijk niets verder zijn gekomen, omdat zij iets bereikten, wat niet binnen het kader van hun verwachtingen lag. Bestudeer dus dit onderwerpje en leer eens te meer, dat u meester kunt zijn van eigen lot. Besef verder, dat u zelfs te midden van de onbeheersbare omstandigheden van wereld en milieu niet allen uzelf kunt zijn en blijven, maar zelfs uw belangrijkheid zover op kunt voeren, dat de ritmen uit de kosmos, de invloed van de sterren en de aarde, voor u slechts middelen zijn om uw eigen prestatie en geluk te vergroten.

0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterie.

 Deze keer is het mijn taak om met esoterie te beginnen. Dit vind ik steeds weer een moeilijke opdracht, zodat u mij niet kwalijk moet nemen, dat ik zo maar ergens begin en dan kijk, waar ik uiteindelijk terecht kom.

De kern van het menselijke denken is altijd de relatie tussen het ik, en het andere. Hoe meer het ik zich van zijn relatie met het andere bewust is, hoe meer het geneigd zal zijn eigen belangrijkheid te onderstrepen. Hoe meer het ik eigen belangrijkheid onderstreept, hoe minder het zich bewust zal zijn van de werkelijkheid in eigen ik en de wereld.

  • Daar kun je het mee doen!

U misschien wel, maar anderen willen misschien nog meer hebben en er is nog tijd genoeg, dus wij gaan rustig verder.

Het bewustzijn van de mens is gebaseerd op de waarden herinnering, verwachting en constatering. Over het algemeen constateert de mens echter, dankzij een foutieve herinnering, dat zijn verwachtingen juist zijn geweest. Op grond daarvan meent hij dan, dat zijn herinneringen een zo kostbare werkelijkheid zijn, dat hij de bestaande werkelijkheid daarvoor verwaarloost. Op deze wijze zal zijn bewustzijn langzaam maar zeker beëngd worden tot het bijna verdwijnt, terwijl de bewustwording zelfs voor het ik een retrograde beweging dreigt te worden.

We moeten dus wel begrijpen, dat de esotericus wel in de eerste plaats zichzelf in waarheid moet leren kennen, maar dat hij daarbij vooral niet alleen van zichzelf en eigen bewustzijn moet blijven uitgaan. Wie van zichzelf uitgaat, komt zelden gezond thuis. Wie echter uitgaat van het totaal, vindt zijn tehuis, d.w.z. zijn werkelijke plaats in het geheel. Hoe meer je je in het geheel thuis en op je plaats gevoelt, hoe meer je als deel van het geheel dit geheel zult beseffen. En hoe meer je het geheel beseft, hoe sterker je ook de innerlijke en uiterlijke verbondenheid met het Goddelijk als feit beleeft en erkent.

Aangezien dit het uiteindelijke doel is van alle geestelijke bewustwording en de uitkomst van alle ware esoterie, dient men er dus in zijn streven wel voor te waken, dat men niet te veel aan zichzelf denkt.

Er zijn echter ook mensen, die menen, dat je pas werkelijk geheel bewust kunt leven, wanneer je alleen aan jezelf denkt. Dat zijn idioten, die hun machine voortdurend laten lopen, maar daarbij verklaren, dat zij, omdat die machine zo belangrijk is voor de wereld deze niet hoeven te smeren. Vandaar dat de machine op een gegeven ogenblik weigert en stilstaat, vandaar ook, dat het menselijke bewustzijn eveneens tot een stilstand komt.

Maar ook uit de totaliteit van een al te groot altruïsme lijkt mij een verlies van persoonlijk bewustzijn en daarmede van werkelijke betekenis en werkzaamheid van het ik haast gewaarborgd te zijn.

Mooie zinnen, hé? Ik wil daarmede alleen aanduiden, dat wij, zo wij al over esoterie en geestelijke waarden willen spreken, er goed aan zullen doen uit te gaan van de vraag: Wat is de werkelijke verhouding tussen het ik en de wereld?

Ik zeg daarvan dan wel in de eerste plaats: Het ik zal zichzelf erkennen en waarderen aan de hand van de betekenis, die het heeft voor de wereld. Zolang het ik de wereld alleen dient, om zo zichzelf groter te maken, zal het echter in en wereld van illusie en waan blijven verkeren; zodra het zijn diensten aan de wereld echter aanbiedt, omdat deze wereld ergens het ik kenbaar maakt zonder meer, zal het ego zich bewuster worden van zichzelf.

Naastenliefde is een noodzaak, wanneer zij gebaseerd wordt op de noodzaak tot bewust bestaan. Zodra zij wordt gezien als een middel om het ik betere mogelijkheden, zij het in het heden of het hiernamaals, te verschaffen, schijnt zij helaas eerder een vorm van ernstige zelfmisleiding te worden.

Indien wij voor de gemeenschap streven, kunnen wij dit altijd op twee manieren doen. Degene, die voor de gemeenschap streeft door deze gemeenschap zijn eigen waarden op te willen leggen, zal hierdoor eigen denkbeeldige waarden aan deze gemeenschap opleggen en zo blind blijven voor de werkelijke waarden van die gemeenschap. Zo iemand lijdt aan een steeds groter wordende verblinding en komt tot een dolen, waarbij hij, geestelijk gezien, in het duister terecht dreigt te komen.

Degene echter, die zijn werken voor en waardering voor de wereld baseert op de werkelijke  behoeften en waarden, zoals de wereld die op het ogenblik begeert en kent, zal weliswaar eigen stellingen en al, wat hij het beste acht, niet aan de wereld op kunnen leggen, maar zal zich van de andere waarden, die naast de eigene bestaan, meer en meer bewust worden. Hij zal daardoor zichzelf steeds meer leren kennen en steeds scherper leren onderscheid maken tussen de werkelijkheid en alles, wat behoort tot de waan.

Maar de esoterie is uiteindelijk het middel, waarmede wij uit het schijnbare lood van het bestaan het geestelijke goud moeten vervaardigen. Ik vind dat altijd weer een mooie zin. Maar dan moet men het volgende daarbij toch wel onthouden: Je kunt uit lood goud maken. Maar over het algemeen is dit een zeer kostbare kwestie. Wie vanuit het lood van eigen wezen wil komen tot het geestelijke goud, moet daarom ook niet al te zuinig zijn met de offers, die hij voor het bereiken van dit doel wil brengen. Hoe meer je leert offeren voor hetgeen je bereiken wilt, hoe gemakkelijker het je zal gelukken, inderdaad iets te bereiken.

Er is echter met dit alles nog iets aan de hand. Wij hebben altijd het denkbeeld, dat ook in de esoterie een soort zakenrelatie ontstaat met God. Het leven is een kwestie van: Ik ontvang en daarom moet ik geven, ik geef, daarom mag ik er op rekenen, ook te ontvangen. Kosmisch  gezien mag dit alles misschien ergens waar zijn, maar voor de mens is het beeld eerder zoiets als het stapelen van kleine kazen op een weegschaal, waarop reeds zware gewichten in de andere schaal rusten; het is duidelijk dat men dan heel wat kazen aan zal moeten dragen, voor de schaal naar de kant van de kaas doorslaat.

Voor ons betekent dit in het leven meestal een geven, geven, geven, waarbij wij schijnbaar niets bereiken tot het ogenblik, dat de schaal onverwachts doorslaat en wij nu niet afzonderlijk, maar als een geheel de waarde voor alle krachten, die wij eens gegeven hebben, terug ontvangen.

Daarin zit voor de mens in de esoterie en soms ook daarbuiten een aardig lesje: Offeren en geven verschaft geen onmiddellijke rechten of onmiddellijke resultaten. Maar indien men dit geven en offeren tot deel van eigen levenshouding maakt, kent het ogenblik, dat het geheel voor ons tot een kracht en vermogen wordt, waarover het ik geheel bewust kan beschikken. Zo men over deze kracht volledig beschikken kan – verkregen door het offeren – zal men deze wijden aan het geheel, zodat men in wezen het geofferde hernieuwd offert en wel op een wijze, waardoor men zelf ook bewust en wetend deel van de totaliteit wordt.

Zo. Kunt u zover nog meekomen? Zijn er nog meer, die het er nu mee kunnen doen en hun portie dus gehad hebben? Er zijn er in ieder geval een paar, waarvan ik kan zeggen, dat dit juist is, al hebben zij het ook nog niet allen meteen in de gaten.

Wanneer wij nu aannemen, dat de kern van het kosmische bestaan geheel evenwichtig en harmonisch is, zijn alle waarden, die op aarde tegenstellingen zijn, gelijkelijk wegen, om te komen tot eenheid met deze perfecte evenwichtigheid. Liefde en haat verschillen op aarde misschien zeer veel, maar kosmisch gezien voeren zij tot hetzelfde. Wanneer wij liefde namelijk transponeren van een eenzijdige gerichtheid tot een eenzijdige aanvaarding en wij maken de haat in de plaats van een verwerpen van een bepaald iets tot een eenvoudig verwerpen van alle verschijnselen, zullen wij gelijkelijk de evenwichtigheid bereiken, waarin het geheel kenbaar wordt. In het licht en in het duister is een algehele bewustwording gelijkelijk mogelijk. Voor onszelf is natuurlijk de bewustwording in het Licht de meest aanvaardbare en ongetwijfeld ook de meest aangename. Dit neemt echter niet weg, dat ook andere wegen tot hetzelfde doel kunnen voeren.

Waarom zal menig esotericus toch aannemen, dat er maar één weg is?

Het antwoord daarop is eenvoudiger dan u denkt. Zolang er maar één weg is en de esotericus meent, dat hij die weg heeft, is hij iets bijzonders. Maar wanneer het denkbeeld van de ene juiste weg wegvalt, heeft men het gevoel, dat eigen waarde eveneens weg is. Dan weet men met zichzelf geen weg meer, zodat men zonder gerichtheid door het leven gaat dwalen zonder daarbij enige zekerheid en enige werkelijke gerichtheid te kennen. Nu is gericht streven noodzakelijk.

Maar wij mogen het begrip van de weg nooit met het begrip van het gerichte streven verwarren.

De weg tot de bewustwording is altijd het gericht erkennen van de totaliteit en wel vanuit het ego, waarbij het ik zich als deel der totaliteit blijft beschouwen, zonder daarin verdelingen, gradaties of iets dergelijks aan te brengen.

Een weg is het systeem, waardoor men het zichzelf mogelijk maakt, deze aanvaarding van de totaliteit zonder beperkingen of vooroordelen te bereiken. Daarom zijn er vele wegen en zal een ieder voor zich de eigen weg de enige of beste willen noemen. Het stellen, dat er slechts één weg is, kan men dus beschouwen als een vorm van zelfbedrog, die echter als gunstig resultaat kan hebben, dat men via deze “ene weg” de totaliteit tenminste enigszins leert benaderen en begrijpen. Tot de aanvaarding van die totaliteit komt men echter eerst, wanneer men naast eigen weg de andere wegen als juist en mogelijk gaat erkennen.

Typisch is ook, dat men hier in de esoterie christelijk wil zijn – om maar niet te zeggen: Christelijk.

Want dat is nog erger: Zolang ons esoterisch streven ons één wil maken met het liefdesaspect in het goddelijke, dat wij wel de Christus mogen noemen, is onze weg ongeacht het streven en het systeem, daarbij gevolgd, wel juist. Zodra wij echter de tendensen, strekkingen en waarden van het christendom als alleen bepalend gaan beschouwen voor de mogelijkheid van bereiken, hebben wij een zodanige verdeeldheid in ons erkennen van het Al tot stand gebracht, dat wij de totaliteit niet kunnen erkennen en zo het goddelijke zelfs in zijn liefdevolle aspect niet waarlijk kunnen beleven en bereiken.

Een verschijnsel, dat in de esoterie eveneens nogal voorkomt, is het poneren, dat iemand de enig ware meester, profeet, of verlosser is. Laten wij daarbij echter een ding goed onthouden.

De profeet mag Gods Woord inderdaad spreken, maar de toehoorder zal daarin dan ook niet zichzelf, maar zijn God moeten beluisteren; zolang hij een eigen interpretatie geeft aan de woorden, misschien omdat hij ze anders niet denkt te kunnen begrijpen, luistert hij niet meer naar God, maar alleen naar zichzelf. De meester of leraar zal inderdaad de gehele waarheid kunnen beseffen. Maar alleen indien hij in staat is de in hem levende waarheid naar erkennen over te dragen in een leerling, zal de leerling uit de stellingen van de leraar een algehele bereiking voor zich mogelijk zien worden. Indien er geen sprake is van een totale overdracht van waarden, zal de leraar voor zich misschien belangrijk zijn, maar zal hij door het geen deel hebben van de leerling voor deze geen ware meester of leraar kunnen zijn. Hetzelfde geldt voor een verlosser. Een verlosser kan ons slechts verlossen door ons de weg te tonen, langs welke wij tot een verlossing en de aanvaarding van een verlossing kunnen komen.

Hij kan ons niet verlossen van onszelf. Aanvaarden wij hem, dan moeten wij hem geheel volgen. Aanvaarden wij van hem slechts zijn verlossende werking, zonder daarbij zijn wegen en wezen te aanvaarden, dan is hij voor ons geen werkelijke verlosser, maar eerder een waanbeeld, dat vaak tot schadelijke resultaten in het geheel der bewustwording kan voeren.

Waarmee ik maar wil zeggen: Wanneer je zo doolt door alles, wat met de esoterie samenhangt, kom je tot een aantal opmerkingen, die voor de meeste mensen onaangenaam klinken. Wat begrijpelijk is, want zelfs de esotericus, die voorgeeft naar de waarheid te streven zal zich al snel gekwetst voelen, wanneer hij met een waarheid wordt geconfronteerd, die hij zelf nog niet aanvaard heeft, ontdekt heeft, of t.m. als zodanig wel verkondigd zou willen zien.

Overigens zijn wij allen zo, omdat wij in wezen maar zelden de waarheid zoeken. Wat wij zoeken, is vooral de bevestiging van ons huidig bewustzijn, bestaan en onze huidige belangrijkheid, maar vooral een bevestiging, dat ons bereiken meer dan voldoende is. Wij hebben als het er op aan komt, vaak maar een beperkte interesse in verdere bereikingen en laten bovenal ons bewustzijn maar al te graag zoals het al is. Daarom zou ik de kleur blauw als kenmerkend voor bepaalde esoterische richtingen even juist vinden als om de wetenschap aan te duiden. In beide gevallen is men immers geneigd vooruitgang te maken, zolang het beeld van eigen juistheid en gewichtigheid gehandhaafd kan worden, maar zodra deze waarden aangetast worden of dreigen te worden, weigert men de mogelijkheid tot vooruitgang te aanvaarden.

Laat mij ten laatste nog iets zeggen over de werkelijkheid van de kosmos. Hier geloof je steeds weer aan bepaalde sferen en trappen van bewustwording, bepaalde bereikingen en ook aan een zekere gave en zekere wegen. Ik meen echter, dat men in de kosmos al deze dingen opzij kan zetten, wanneer je daarvoor in de plaats zegt: Wanneer mijn liefde voor het bestaan in zijn geheel zo groot is, dat ik het in elke verschijningsvorm aanvaard, zal ik uit het geheel van het bestaan zo veel leren, dat ik één ben met alle dingen. En daarop volgt een heel bekende stelling, die ik meen te mogen bevestigen! Wie het totaal van het zijn kent, zal daaruit de beweegreden van het totale zijn erkennen en dus uit het geconstateerde de Schepper zien opdoemen en hem aanschouwende begrijpen, welke achtergronden en waarden in het geheel nog verscholen zijn.

Dat zijn zo een paar kleinigheden en misschien vindt u het meer dan genoeg. Toch is het maar een dwaaltocht der gedachten door het zeer uitgebreide gebied, dat men samen kan vatten onder het hoofd: Esoterie. Ik moet daarom nog even bekennen, dat ik een fout met velen van u deel. Soms immers zeggen wij te veel, soms ook zeggen wij niet genoeg. De oorzaak daarvan is, dat wij niet alleen spreken om wat in ons belangrijk is, over te dragen aan anderen, maar ook om ons zelf tevreden te stellen door de woorden die wij uiten.

Om deze fout niet verder te begaan, eindig ik hier mijn dooltocht door de begrippen der esoterie.

image_pdf