Pelgrim

28 oktober 1955

Pelgrim:

Een heilig doel in het hart gedragen,

Doch voeten, die zo moede gaan,

Twijfel vaak; ‘ t zelve zich vragen,

Of het doel wel kan bestaan»

Telkens weer het leven wagen,

Lijden, armoe, nood en leed,

Met een doel, dat de pelgrim

Zelfs in ’t lijden nooit vergeet.

Ontwaken:

Nog omwazen duis’tre dromen de dag

Toch ervaart men reeds de eerste klank,

Men weet: de dageraad gaat genaken.

Men weet; ’t is tijd om weer te ontwaken,

In ’t vreemde land, dat wereld heet.

Ontwakend, blijde soms

Ontworsteld aan de nacht

Vindt men in zon, in wind en lucht

Nieuwe, frisse kracht,

Te ontwaken en te gaan in ’t heden,

’t Aanvaarden weer de taak der dag,

Om te verlangen weer dan naar de wijle,

Dat het lichaam slapen mag.

Zegen:

Een zegen is het, dat je niet alles weet,

Een zegen is het, dat je veel weer vergeet,

Een zegen, d at je steeds krachten weer krijgt,

Een zegen, dat ons alles soms zwijgt,

Een zegen, dat je leven na leven kunt strijden

Om bewustzijn en kracht.

Een zegen, dat je eens door Gods Liefde

Tot waar bewustzijn wordt gebracht,

Want:

Als pelgrims gaan wij door het leven,

Kent gij zelve niet het doel,

Wordt gij soms slechts voortgedreven

Door een innerlijk gevoel,

Dat u doet verder gaan,

Eens komt gij voor een poort te staan,

Waarop met vuur u staat geschreven?

Poort naar waarder, ander leven.

Wanneer gij dan die poort door schrijdt,

Staat gij in een nieuwe tijd,

Ja, aan de rand der eeuwigheid,

Waarin gijzelve nog niet weet,

Waar uwe plaats is?

Wat uwe wereld is en hoe gij zelve daarin heet.

Maar gij begrijpt in dit ontwaken,

Dat in u leeft een nieuwe kracht,

Gij voelt het vuur weer in u blaken,

Dat reeds zover u heeft gebracht.

Verder gaat gij, pelgrim,

Verzadigd van een nieuwe kracht,

Van poort tot poort, van sfeer tot sfeer,

Gij weet; eens vind ik weer.

Ik weet niet waar, waarom de vrede,

Die mij voor ogen stond,

Toen ik de pelgrimstocht begon.

Uw weg is als een web, o, pelgrim,

Dat het leven door het al u spon.

Gij zult beroeren alle weten,

Alle dingen, alle tijd,

Want dit is de zegen van het levens

De mens heeft GOD als Eeuwigheid,

Hij zal in licht en weten leven,

Streven noch verlangen meer.

Een werd hij uit het huis verdreven,

Het Huis van God,

Eens keert hij weer.