Periodiciteit van verschijnselen

image_pdf

8 maart 1963

Mag ik u er vanavond weer allereerst aan herinneren, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn? Vanavond wil ik met u spreken over: Periodiciteit van verschijnselen.

Wanneer u de geschiedenis beziet, of zelfs maar het dagelijks leven wat opmerkzaam beziet, zo zult u ontdekken dat bepaalde verschijnselen en bepaalde tendensen op geregelde tijden terug schijnen te komen. De uitwerking, de wijze waarop een bepaalde invloed tot uiting komt, kan soms wel zeer afwijken van vorige inwerkingen, maar de grondoorzaak is kennelijk een gelijksoortige werking.
Daarnaast blijken bepaalde tijden of perioden een bijzonder duidelijk kenbare reeks van verschijnselen met zich mee te brengen. Wanneer wij de huidige periode nagaan, treffen wij overal verwarringen aan. Overal verkeren mensen in nood, in conflict met machten die zij niet kunnen beheersen enz. Het meest opvallend daarbij zijn natuurlijk de verschijnselen, die ruime publiciteit verwerven. Wij kunnen uit vele publicaties wel afleiden, dat vele politici in nood verkeren. Dit betreft niet alleen de toch wel zeer dringende problemen, waarmee de Gaulle, Adenauer e.a. te worstelen hebben, maar blijkt evenzeer te gelden voor mensen als Kennedy, Chroesjtsjov, de regerenden van China, Indonesië enz. Waar wij ook heen zien op de wereld, overal treffen wij regerenden en politici aan, die met ongewoon grote moeilijkheden te kampen hebben.

Nu kan ik wel begrijpen, dat menigeen onder u hier in stilte opmerkt: dat interesseert mij niet veel, dat vind ik niet zo erg. Maar deze moeilijkheden blijken voor een groot deel in verband te staan met andere golven, die rond de wereld schijnen te trekken. Plotseling blijken overal de mensen prikkelbaar en ongedurig te worden. Zij zijn opeens geneigd nu eindelijk maar eens naar iets nieuws uit te zien, het oude er eenvoudig bij neer te gooien. Individueel zowel als “en groupe” blijken de mensen naar iets te zoeken, zonder te beseffen, waarnaar zij in wezen zoeken.
Wanneer wij het verleden nagaan, blijken soortgelijke invloeden zich toen eveneens voor te hebben gedaan. Van 1925 tot 1928 bv. vinden wij een reeks verschijnselen, die op een soortgelijke beïnvloeding van de mensheid wijzen; rond 1936, maar ook bv. rond 1907 zijn dergelijke invloeden eveneens werkzaam, ofschoon op andere wijze tot uiting komende dan in deze dagen. De verwantschap is echter moeilijk te ontkennen.

Nu is in dit onderwerp het optreden van moeilijkheden voor politici, toenemende gewelddadigheid enz. van minder belang. Dit zijn de verschijnselen, die steeds van voorbijgaande aard blijken te zijn. Het feit, dat dergelijke verschijnselen met vaste tussenpozen optreden en dus periodiek genoemd mogen worden, heeft ons echter meer te zeggen. Er bestaat klaarblijkelijk een vast schema van inwerkingen, waardoor op geregelde tijden en met geregelde tussenpozen gunstige en ongunstige inwerkingen kunnen worden verwacht. Ofschoon het niet mogelijk is het geheel in eenvoudige wijze en op korte termijn geheel weer te geven, wil ik vanavond bepaalde aspecten hiervan eens met u bespreken.

De meesten van u zullen wellicht reeds gehoord hebben van een 28-daagse, een 9-daagse , een 9-jaarse periode enz. Velen zullen ook wel eens gehoord hebben van de perioden van 722, 2166 en rond 26000 jaren. Daarmee houdt echter de kennis en vaak ook de belangstelling op. Men weet, dat deze periodiciteiten optreden. Maar met de vraag, hoe deze eigenlijk tot stand komen, houdt men zich over het algemeen niet op. Het zal wel aan de sterren liggen of zoiets…
Nu kunnen wij verschillende perioden terug vinden in de activiteit van de zon. Hier is dus de verklaring eenvoudig en aanvaardbaar: de zon, die immers naast partikelstralingen ook nog stralingen van zuivere energie afschiet, zal in de ruimte die zij bereikt, veranderingen tot stand brengen, waardoor alle planeten en dus ook de aarde zullen worden beïnvloed. Voldoende is deze verklaring niet. Want al heeft de zon grote invloed op mens en aarde, toch blijken er ook  periodiciteiten te bestaan, die niet met werkingen in de zon in verband kunnen worden gebracht.
Verder lijkt mij de vraag gerechtvaardigd, hoe de zon tot deze regelmatige veranderingen in haar uitstraling en zelfs haar eigen activiteit komt.

Om de mogelijke oorzaken te zoeken en de verschijnselen te kunnen begrijpen zullen wij allereerst moeten beseffen, dat de sterrenwereld, dat het heelal – in menselijke ogen weliswaar enorm groot is, zodat het moeilijk is daarin een aan wetten gebonden verloop van vorm plaats en actie te zien – maar dat dit heelal alleen om te kunnen bestaan reeds zal moeten beantwoorden aan zeer vaste en strenge wetten. Deze wetten zijn, zoals zij door ons worden waargenomen, overigens lang niet altijd in overeenstemming met alles, wat de mensen van het Al menen te weten.
Wanneer wij spreken over een ademend Al, spreken de mensen onmiddellijk van de infraroodshift en stellen: op het ogenblik hebben wij in ieder geval te maken met een vliedend heelal. Wij moeten dan antwoorden: dit is niet noodzakelijk zo. Volgens ons leeft u in een Al, waarin alle energie, ook Licht, aan een volgens vaste regels en maatstaven zich wijzigende buiging onderhevig is. Een verschijnsel als deze infraroodshift kan dus ook bij een krimpend Al nog worden waargenomen, wanneer de buiging groter wordt: de energie is eerder ‘vermoeid’ en gaat over tot een langere golflengte. Wat zou wijzen op werking of afstand heelal. Ook hierover zou veel gezegd kunnen worden.

Wij blijven echter bij ons onderwerp en stellen, dat het Al aan vaste regels onderhevig is, die niet alle zonder meer door de mens kunnen worden beseft. De tijd, dat continu het Al bestudeerd wordt, speelt hierbij vaak een rol. Het volgende zal echter wel nimmer met zuiver stoffelijke middelen vastgesteld kunnen worden:

De wetten, waaraan het Al gehoorzaamt, blijken wel in de eerste plaats beïnvloed en tot stand gebracht te worden door punten in het ledige, punten die dus buiten de galaxies liggen, buiten de sterrennevels. Deze punten zijn, zover wij na kunnen gaan, in verhouding tot alle andere bewegingen in het Al, als rustend te beschouwen.
Nu beweegt elke sterrennevel zich in een zeer vlakke parabool, zo een baan beschrijvende waarvan wij aannemen, dat zij op de duur toch gesloten zal blijken te zijn. Dit laatste is echter een veronderstelling, die voortkomt uit de erkende regels en wetten, die het materiële Al blijken te beheersen. Daar de buiten de sterrennevels liggende punten van invloed in verhouding haast onbeweeglijk zijn, ondergaat dus een sterrennevel op haar weg invloed na invloed. Wij schatten elke periode van invloed op een duur rond 190.000.000 jaren. Daarbij treden ogenblikken op, dat de overgang van de ene kracht tot de andere schoksgewijze tot stand lijkt te komen. In dergelijke ogenblikken ontstaan inwerkingen, die bv. op de aarde geheel nieuwe levensvormen in zeer korte tijd tot stand brengen door ontwikkeling uit bestaande vormen overigens. Ook zien wij, dat de verhoudingen rond een zon soms zo sterk veranderen, dat planeten die eens bewoonbaar waren, onbewoonbaar worden en omgekeerd. Nu liggen dergelijke periodieke verschijnselen wel heel ver van u af: de tijd die daarvoor noodzakelijk is, kan een mens zich niet voorstellen. Zou hij toevallig een dergelijke grote inwerking ondergaan, zo zou hij deze eerder zien als een ramp, een toevallig en eenmalig verschijnsel.

Nu zijn er binnen het melkwegstelsel echter ook krachten, die op de aarde, etc., inwerken. In feite zijn dit er 23. De astrologen kennen hiervan elf krachten plus een accumulatie van verschillende krachten, die zij omschrijven als de tekens van de dierenriem. Hun inwerking heeft een zoveel kortere periodiciteit, zodat ook hun inwerking op tijdperken bekend is; al is dit z.g. occulte of esoterische kennis – omdat de wetenschap nog niet over de gegevens beschikt waarmee dit vast te stellen is – terwijl de inwerkingen op zeer korte termijn door haar voorlopig verworpen worden, omdat men op grond hiervan prognoses pleegt te stellen. Een wetenschappelijk denkend mens heeft nu eenmaal haast altijd een vooroordeel tegen waarzeggerij en verwerpt met gebruik en methode dan ook zonder eerlijk onderzoek vaak de feiten.

Het melkwegstelsel is discusvormig. Vanuit de aarde gezien: op de korte as van de discus treden genoemde 11 krachten op. Op de lange as vinden wij nogmaals een soort cirkel van invloeden, 12 in getal. Normaal gezien beïnvloeden de 12 de aarde steeds ongeveer gelijkelijk. Wanneer echter een teken van de dierenriem a.h.w. in het verlengde staat van een op de lange as gelegen invloeden, ontstaat een vermenging van invloeden, waardoor schijnbaar het dierenriemteken van betekenis verandert. De dierenriemtekens blijken hun invloeden op de aarde af te wisselen per – ongeveer – 2100 jaar.
Treedt een van de niet algemeen bekende beïnvloedende punten daarmede gelijkelijk op, dan ligt binnen deze periode nog eens een tijd van rond 1740 jaren, binnen welke de invloed van de ‘heerser’ aanmerkelijk gewijzigd zal worden. Er zijn dus vele combinaties van invloeden mogelijk.
Wij menen wel met vaste waarden en tijden te kunnen rekenen, maar dit is alleen waar, wanneer wij tevens alle onderlinge beïnvloedingen kunnen berekenen. Wanneer bv. Aquarius onder invloed van een kosmische – buiten de sterrennevel liggende – heerser staat, zal de inwerking van Aquarius versterkt worden en het karakter van de ontwikkelingen op aarde in ongewoon sterke mate beheersen. Ook dit zullen de mensen eerst achteraf vast kunnen stellen, omdat de periode van heerschappij te lang is en de overgangen voor de op aarde maar kort levende mens te geleidelijk plaats vinden. Gesteld, dat de mens echter deze inwerkingen geheel zou kunnen volgen, zo zou hij toch vast moeten stellen, dat ook Aquarius met zijn inwerkingen schijnt te hakkelen: zelfs in de kernperiode is de invloed niet gelijkmatig. Slechts met inwerkingen, die op korte termijn optreden en zich plegen te herhalen, zal de doorsnee mens echter nog kunnen werken.

Dit is o.m. het geval bij de inwerking van de planeten. Maar ook hun invloed is niet gelijk- blijvend, niet geheel zuiver. Zo heeft de mens vastgesteld, dat een planeet in verhouding tot de aarde nu eens vooruit loopt, dan weer terug schijnt te lopen – retrograde wordt – en geeft hieraan een bijzondere betekenis. Het waarom is echter minder duidelijk. Nu kan men stellen, dat een zonnestelsel massa en snelheid heeft, waardoor een gesloten krachtveld ontstaat. In dit opzicht kan het dus vergeleken worden met een atoom. Alle onderlinge beïnvloedingen zullen daarom aan vaste regels – voortkomende uit de geaardheid van de atoomsamenstelling – gebonden blijken. Vandaar, dat de astrologie weliswaar niet onfeilbaar is, maar toch een aardig percentage van juistheid weet te bereiken, dat ver boven de toevalsfactor ligt.

Nu leert een beschouwing van het atoom ons echter, dat het evenwicht daarin kan worden aangetast door invloeden die van buitenaf optreden. Wanneer dus bepaalde inwerkingen uit het melkwegstelsel het zonnestelsel bereiken, zullen alle delen deze inwerkingen gelijkelijk kunnen ondergaan, tenzij een baanverstoring optreedt. Is dit niet het geval, dan zal het voor alle planeten lijken, of deze invloed van de zon uitgaat, omdat deze de grootste activiteit heeft en zo de scherpste reacties zal tonen. Wij kunnen het echter ook als volgt stellen: er is een kleine verandering in de onderlinge werking van de planeten gedurende het optreden van de beïnvloeding, zodat de inwerking van de planeten tijdelijk een andere is dan de door de astrologie aangenomen wordt.
Het blijkt, dat dergelijke inwerkingen uit het melkwegstelsel zelf slechts eens per 36.000 jaren zo groot is, dat zij zonder meer bemerkt kunnen worden. Met tussenruimten van ongeveer 398 jaren treedt echter een kleinere storing op, welke nog verklaard kan worden door een kleine onjuistheid in de berekening van een horoscoop aan te nemen.

Dit zijn alle nog periodieke verschijnselen, die uit zuiver materiële inwerkingen kunnen worden verklaard. Wij hebben echter nog met iets anders te maken. U bent een mens, u leeft niet alleen zuiver stoffelijk, maar u dénkt ook – wat vaak van de stoffelijke werkelijkheid afwijkt, of zelfs abstracte waarden kan bevatten – terwijl u bovendien nog een geest hebt. Nu gehoorzaamt de geest weer aan eigen wetten, kent eigen invloeden en maakt deel uit van een cyclisch beleven,  dat men op aarde wel kent als een reïncarnatiecyclus.
In wezen is er in deze cyclus echter niet alleen maar sprake van reïncarnatie, maar zal zij eveneens de ontwikkelingsmogelijkheden van de geest bepalen. Men mag dan ook wel zeggen, dat het bewustzijn van de geest zich niet geleidelijk, maar sprongsgewijs ontwikkelt. Er worden a.h.w. perioden overgeslagen. De tijden, dat de bewustwording geen grote vooruitgang of verandering door kan maken, kan voor de geest beschouwd worden als rustend. Haar werkzaamheden in deze tijd zijn immers slechts een verder bevestigen en vastleggen van reeds bereikte waarden. Maar er zijn andere geesten, die juist dan weer actief zijn en een snelle ontwikkeling doormaken.

Dit alles is heel mooi, maar nu blijkt de ontwikkelings- en rustperiode niet voor alle geesten gelijk te zijn. Wanneer het bewustzijn van allen of van velen nu in ongeveer dezelfde periode een sprongontwikkeling door kan maken, zal er op aarde sprake zijn van zogenaamde gemengde incarnatie, waarbij dus vele verschillende incarnatiegroepen op aarde zullen vertegenwoordigd zijn, ofschoon de tijd waarin de vorige ‘sprong’ werd gemaakt en het peil van bewustzijn van de verschillende groepen, onderling sterk verschillen zal. Deze ontmoeting betekent voor alle betrokkenen, dat zij hun eigen ritme van ontwikkeling kunnen verlaten. Wanneer het merendeel van de geïncarneerden het eens kan worden, zodat stoffelijk een redelijke eenheid en samenwerking ontstaat, ontstaat een vermenging, waarbij velen niet meer in het eigen ritme, maar in het ritme van een andere groep, die veelal verder gevorderd is, verder zal gaan. Dankzij de steun van de meest gevorderden kunnen zo vele lager ontwikkelden dus een snellere bewustwording doormaken.

Dit nieuwe ritme zal dan, na het verlopen van de rusttijd, aanleiding zijn tot de geboorte van een nieuw ‘wereldras’. Misschien meent u, dat dit alles van minder belang is voor u. Maar mag ik u er aan herinneren, dat juist het heden en de komende 100 jaren gekentekend worden door de gelijktijdige incarnatie van vele verschillende incarnatiegroepen.
Op het ogenblik treffen incarnaties uit de meest verschillende perioden van de wereld samen. Misschien is het u ook wel opgevallen, hoe groot de verschillen van innerlijke en geestelijke ontwikkeling reeds nu zijn, hoever de uitersten van elkander verwijderd blijken te liggen. Want de gezamenlijke incarnatiemogelijkheid voor vele verschillende groepen is niet alleen tot uiting gekomen in een onverwacht snelle en grote toename van de wereldbevolking, maar evenzeer door de misschien zelfs grotere verschillen in menselijk zijn en denken, die er op het ogenblik bestaan.

Naast dergelijke algemene cycli hebben wij ook nog te maken met de zogenaamde persoonlijke periodiciteit, die in het leven van elke mens afzonderlijk pleegt op te treden. Zo kent elke mens zijn perioden van vitaliteit, van grotere kracht, gevolgd door soortgelijke perioden, waarin gebrek aan krachten en levenslust tot uiting plegen te komen. Normaal liggen hoogte- en dieptepunt rond negen dagen uiteen, terwijl de duur zelf ongeveer drie dagen pleegt te zijn. De gezamenlijke cyclus beloopt overigens meestal 28 en 1/3 dag, ofschoon er natuurlijk wel verschillen zijn. Maar die bedragen niet meer dan 14 uren naar de ene of de andere kant.

Wanneer de mensen nu een positieve periode doormaken, zullen zij gedurende die dagen sterk in de wereld leven. Hun gedachten zijn niet zo intens van kracht, omdat zij meestal onmiddellijk worden omgezet in daden, die alleen zichzelf als doel hebben. Men leeft dus in de positieve periode voornamelijk naar buiten toe. In de negatieve perioden echter leven de meeste mensen naar binnen toe, zij houden zich met zichzelf en met toekomstige ontwikkelingen bezig. Hun gedachten hebben dan een grotere inwerking op de wereld, terwijl zij sneller emotioneel zijn.
Op deze wijze ontstaat een ritme dat door de mensen zelf wordt bepaald en in het gemeenschappelijk denken, dat als een laag rond geheel de wereld aanwezig is, grote invloed uitoefent. Normaal zullen hoogte- en dieptepunten elkander enigszins op kunnen heffen. Wanneer niet meer dan 1/20 deel van de mensheid gelijktijdig negatief reageert, zal de gezamenlijke gedachteninhoud hierdoor niet al te zeer beïnvloed worden.

Door de kleine verschillen in persoonlijke periodiciteit plus inwerkingen van buitenaf, die de nadruk soms leggen op de negatieve, de krachteloze en daadloze periode, kan een veel groter deel van de mensheid op een bepaald ogenblik gelijktijdig negatief en gelijktijdig positief zijn. Dit betekent, dat nu de gezamenlijke gedachteninhoud – ook wel bekend onder de naam bovenbewustzijn, waarmede het aandeel aan dit gezamenlijk denken in de mens wordt om- schreven – wel sterk beïnvloed wordt. Wanneer 1/5 van de mensen gelijktijdig negatief is, zullen alle mensen nolens volens dit ondergaan en zal het normale evenwicht tussen positief en negatief verstoord worden door een toenemend optreden van negatieve handelingen, negatieve reacties en emoties bij hen, die – gezien hun persoonlijk ritme – eigenlijk positief zouden moeten reageren.
Vergeet niet, dat de negatieve periode in zijn beperktste vorm een tekort, een afnemen van energie betekent, maar kan geworden tot een hopeloze berusting. Deze kan het wezen zozeer beheersen, dat het in de positieve periode komt tot onredelijke rebellie tegen bestaande waarden, toestanden enz. Wanneer nu door een verschuiving van verschillende groepen ten overstaan van elkaar een bijna gelijktijdig optreden van een dieptepunt bij een meerderheid voorkomt – wat gemiddeld eens per 21 jaren zal geschieden – zal dus geheel het menselijke leven, de maatschappij enz. sterk onder neerslachtigheid en onredelijk verzet te lijden hebben.

Let wel: dit alles komt uit de mensheid zelf voort. Het is een mentale factor, die eventueel beheerst zou kunnen worden. Op het ogenblik echter kan van een vast ritme gesproken worden, dat zelfs de dieren aantast. Ook het dier heeft een, zij het beperkt, zelfstandig denken. Ook het dier is onderhevig aan dezelfde of soortgelijke invloeden als de mens. Ondanks de beheersende  invloed van de rassengeest zal dan ook het dier de overheersende invloeden van de gedachtesfeer ondergaan en zo bv. in een periode van negativiteit onbetrouwbaar worden. Dierentemmers kunnen dit als een tip beschouwen, want hun werk wordt in deze tijd in toenemende mate gevaarlijk, de dieren zullen meer dan anders onrustig, depressief of opgewonden en agressief zijn.

Naast deze voor het menselijke leven belangrijke cyclus van 21 jaar is er nog een energiecyclus van 9 jaar, die in verband staat met de werkzaamheid van de zon. Ook deze is voor de mensheid en alle leven op aarde buitengewoon belangrijk. Eens per 7 jaar treedt verder voor de mens een cyclus op, die in hoofdzaak van de maan afhankelijk is, maar die vooral geestelijke achtergronden blijkt te beroeren. Het is namelijk zo, dat eens per 7 jaar een maximum aan mystieke werkingen en krachten op kan treden. Vooral in de Witte Broederschap maakt men hiervan gebruik, zodat daar elk 7de jaar wordt gezien als van bijzonder belang. Gepaard hiermede gaat een opflakkering van denk- en daadkracht, zodat de mens onder zulke invloeden bijzonder vindingrijk is en met abstracte waarden, meer dan anders, zuiver en bruikbaar werk tot stand kan brengen. Het lijkt haast, of de mens in het topjaar meer dan anders intelligent blijkt te zijn en dus – wanneer hij ten minste niet te zelfzuchtig is – vooral ook voor anderen zeer veel nuttigs tot stand kan brengen.

Dan is er nog een periode van ongeveer 3 jaar en 4 maanden, die vooral in verband staat met de vruchtbaarheid op de wereld. Door deze cyclus wordt namelijk het groeimoment en tempo mede bepaald. De impuls houd echter slechts rond 35 dagen aan. Valt deze impuls dus in de zomer, dan zal men daarvan niet veel bemerken. Slechts aan de geboorten bij de mens zal dan mogelijk het optreden van deze invloed blijken. Ook in de wintertijd zal de inwerking niet merkbaar zijn bij bv. de landbouw. De inwerking is reeds voorbij vóór het graan werkelijk zal kunnen gaan groeien. Wel kan soms hierdoor laat in de winter een voortijdige bloei worden veroorzaakt, welke dan op de fruitoogst eerder een nadelige invloed zal hebben gezien vorstschade enz. Eens in de 49 à 50 jaren zal echter de inwerking juist plaats vinden in voor- of najaar. In het najaar zal dit voor de oogst vaak minder aangenaam zijn door het ‘doorschieten’ van vruchten, het overmatig optreden van onkruid, ziekten enz. In het voorjaar zal daarentegen vooral een zeer snelle en goede oogst van de vroege gewassen ontstaan, vaak gevolgd door een zeer bevredigende opbrengst van de tweede bouw.

Deze en soortgelijke verschijnselen hebben dus een directe invloed op het menselijke bestaan. De gevolgen zijn echter zodanig, dat elk van deze tendensen voor zich door de mensheid gemakkelijk overwonnen zal kunnen worden. Er zal echter steeds weer gerekend moeten worden met ogenblikken, wanneer meerdere tendenzen samenvallen. Stel dus, dat er momenten zijn, waarop een negatieve werking in de mens, een negatieve werking van de zon, een negatieve werking van de geest en misschien zelfs een aanpassing vereisende invloed vanuit de kosmos samenvallen. In dat geval ziet het er voor de mens somberder uit. Alles werkt dan mee om de mensen moedeloos te maken. Zij onderwerpen zich dan zonder meer aan alles, wat hen wordt opgelegd, of verzetten zich zonder te weten waarom en met welk doel. Het gevolg is dan, dat er een ernstige crisis ontstaat, een tijd van malaise.

Nu weet een ieder, dat er ook in de economie, in het zakenleven, een tendens bestaat tot crisis, die eens in de zoveel jaar optreedt en soms acuut wordt. Men heeft echter in de afgelopen periode wel bewezen, dat men door het nemen van maatregelen een dergelijke crisis wel kan beheersen, zodat zij in wezen haast niet merkbaar is. Dit was onder meer het geval in 1957. Geheel wegnemen kan men de inwerking echter niet. Nu zal de mens soms met zijn afweermaatregelen de situatie redden, maar gelijktijdig deze maatregelen zó blijvend maken, dat men niet meer tot een herstel, een herwinnen van de vroegere toestand komt. In dit geval verliezen de maatregelen steeds meer hun werkzaamheid, zodat elke opvolgende crisisperiode ernstiger gevolgen zal hebben.

Een voorbeeld kunnen wij vinden in de economie van de U.S.A., waar in 1957 de crisis wel enigszins merkbaar werd op de beurs, evenals door een zeer tijdelijk toenemen van de werkeloosheid. Ook de landbouw had enige moeilijkheden. Dit alles kon echter door de juiste maatregelen worden beperkt. De toen genomen maatregelen, als steunverleningen, het scheppen van zekerheid, garantieprijzen e.d. werden echter deel van de normale economie. Nu staat er weer een crisis voor de deur. Het continueren van de oude maatregelen, om daarmee ook deze crisis te bezweren betekent nu echter een veel te grote belasting, waar de kosten van de bestaande regelingen voor de gemeenschap op kan lopen tot de achtvoudige van de kosten in 1957. Daarom kan worden gesteld, dat de werkeloosheid nu haast onbeheerst toe zal gaan nemen, de landbouw voor de gehele economie een probleem vormt, terwijl de industriële ontwikkelingen eveneens vast zullen lopen. De munteenheid wordt bedreigd, de geldmarkt is niet zeker meer. De grote vraag luidt dan ook: wat zal er nu gaan gebeuren?

Wij mogen dan ook stellen: Ongeacht het vrije streven van de mens op stoffelijk vlak is hij onderhevig aan een grote reeks periodiek optredende invloeden uit verschillende bronnen. Wanneer deze invloeden afzonderlijk optreden zal de bewuste mens door zijn wil deze kunnen overwinnen. In een periode, dat meerdere invloeden gelijktijdig optreden, is het echter in de praktijk niet mogelijk dit alles te beheersen. Wanneer ook de menselijke gedachtewereld meegaat in een dergelijke tendens – en dit komt vaak voor – kan worden gesproken van een crisis waarvan de resultaten door de mens zelf worden verhevigd, zodat de gevolgen een lange tijd – tot ongeveer 14 jaren zelfs – voelbaar blijven.
U weet, dat het, wanneer het eenmaal werkelijk mis is, lange tijd zal duren, voor men zich enigszins herstellen kan. De Franse revolutie loopt van 1789 tot 1792. Het werkelijke crisispunt blijkt te liggen rond 1790. Voor het land zich van de ergste gevolgen hersteld heeft, is het 1805. Pas dan keert er enige welvaart terug.
Nu blijkt echter de menselijke mentaliteit zich niet te kunnen herstellen van de te grote veranderingen van waarden. Dit voert tot een zelfoverschatting, die o.m. in 1812 en 1815 voert tot de nederlaag van Napoleon – en met hem van het Franse volk. Wanneer men overweegt, dat dit alles inderdaad gebeurt – en nog wel met een door de mens niet te beheersen regelmaat – rijst natuurlijk de vraag, of men daartegen niets kan doen. In wezen blijkt dit wel mogelijk te zijn, maar alleen door een algehele verandering van inzichten, houding en belangen.
Dit wordt veelal tot stand gebracht door een grote geestelijke leraar. Nu blijkt tussen het optreden van grote leraren ongeveer 1970 jaar te liggen, met dien verstande, dat dan een periode van 120 jaar optreedt, waarbinnen de komst van een geestelijk vernieuwer, een Grote Leraar mogelijk is. Daaruit kan men concluderen dat, waar de laatste Grootmeester ongeveer 1960 jaar geleden leefde, binnen de komende 100 jaar zich een dergelijke Meester weer op aarde zal openbaren.

Nu blijkt, dat er op aarde altijd weer een geestelijk tegenwicht tot stand komt, wanneer te ernstige dieptepunten optreden. Er zijn echter in de menselijke ontwikkeling perioden, dat een geestelijke leer alleen geen voldoende tegenwicht kan vormen. Dan moet er een totale verandering tot stand worden gebracht, eventueel met stoffelijke middelen. Wanneer wij hiervan voorbeelden in de menselijke geschiedenis zoeken, blijkt echter, dat de tussenliggende tijdperken te groot zijn, om een zuivere herinnering tot in het heden voort te laten bestaan.
Toch kennen wij allen nog de legende van Prometheus, terwijl velen ook het verhaal kennen van Osiris of de priester-koning Aesir, die overigens ook nog onder andere namen in legenden en overleveringen voorkomen. Hieruit kunnen wij leren, dat er niet alleen sprake is van grote denkers, vorsten, geleerden, maar tevens van mensen, die de wereld een geheel nieuwe techniek, een geheel nieuw streven in de stof geven. Het gaat duidelijk niet alleen om geestelijke vernieuwingen, maar eveneens om een  omwenteling in het maatschappelijk leven, de techniek enz. Aesir – later als Osiris ook wel als een vruchtbaarheidsgod vereerd – blijkt zo de grondslag gelegd te hebben voor een vernieuwing van de landbouw, het verbouwen van nieuwe gewassen en zo voor ons van belang te zijn door zijn invloed op de ontwikkelingen rond de Middellandse Zee, die rond 12.000 jaar geleden plaats vinden.

Wanneer wij nagaan, wat degene die Prometheus wordt genoemd wel voor de mensheid heeft gedaan, zo ontdekken wij, dat hij de mensen de beheersing van het vuur leerde, maar ook de eerste belangrijke wapens gaf: de spies met vuurgeharde punt. Wanneer ik het goed heb uitgerekend, bevindt de wereld zich op het ogenblik in een periode, waarin naast veel negatieve inwerkingen ook dergelijke vernieuwingen kunnen worden verwacht.

De beslissende omwentelingen op maatschappelijk en/of technisch terrein zouden zich dan af moeten spelen in de komende 50 tot 70 jaar.

De geestelijke omwenteling, die in deze dagen verwacht kan worden, is reeds beginnend. De nieuwe Wereldleraar is reeds op aarde. Op hem zal mogelijk nog een Grootmeester uit de geest volgen. Deze zullen de noodzakelijke nieuwe geestelijke waarden, de innerlijke vernieuwing zeker doen ontstaan.
Gelijktijdig ontdekken wij, dat de menselijke mentaliteit in de laatste jaren eveneens aan het veranderen is. Nu is er op het ogenblik nog teveel gelijkmoedigheid, een verkeerde vorm van verdraagzaamheid, een laisser-faire. Aan de andere kant worden wij in steeds sterkere mate geconfronteerd met ontevredenheid, met een hunkeren naar nieuwe mogelijkheden, een verlangen naar een nieuwe horizon. Dat ook deze verschijnselen optreden doet mij veronderstellen, dat de mensen in deze dagen zekere negatieve ervaringen zullen opdoen. Voor de doorsnee mens zullen deze werkingen optreden in dit jaar, gaande van rond 26 januari tot rond 20 maart. Dit is ook bepalend voor verdere negatieve perioden verder in het jaar. Een geheel nieuwe negatieve tijd kan over twee jaar worden verwacht en zal, naar ik meen, voor de doorsnee mens vallen van mei tot midden oktober. Het is m.i. dan ook verstandig er op te rekenen, dat in dergelijke perioden mensen niet goed reageren, fouten maken, neerslachtig zijn, niet prettig gestemd zijn. Wie hiermee rekening houdt, zal veel onaangenaams kunnen voorkomen.

Wanneer ik mij afvraag, wat hiervan de oorzaak is, zo blijkt mij, dat geestelijke krachten, zowel als perioden van zon, maan, planeten een rol spelen. De geestelijke achtergronden blijken niet alleen maar als  Werk van de Broederschap, of als Gods Wil omschreven te kunnen worden. Het blijkt namelijk dat verschillende Lichtende geestelijke krachten gelijktijdig werkzaam zijn, ofschoon zij in de regel afwisselend hun invloed op aarde doen gelden.
Zeer belangrijk hierbij is het, dat de periode voor een inwerken van de Christusgeest rijp blijkt te zijn. Tenzij de mensen zich hiertegen verzetten, kan dus een gunstige invloed en een toenemen van de naastenliefde op aarde verwacht worden, wat een mogelijke oplossing voor vele anders onoplosbare problemen betekent.
Voor de mens, die geestelijk wat rijper is, betekent dit verder, dat hij zich in een bepaalde richting gedrongen zal voelen, terwijl hij voor zijn bewustwording zeer belangrijke ervaringen zal hebben. Verder blijkt, dat de invloed van de Christusgeest doorkruist wordt door een andere geestelijke invloed van groot belang, die men wel de Krishnageest noemt.
Krishna, is dansende en fluitspelende boerengod van de Hindoes, maar hij is ook een geestelijk grootmeester, die op aarde de ordening tot stand heeft helpen brengen. Hij bracht dus de orde, de taakverdeling en samenwerking van de mensen, waardoor o.m. de vier standen ontstonden, die wij in de Hindoeleer aantreffen. Op grond van alle feiten, die ik kan overzien meen ik te mogen stellen dat ook deze Krishna invloed merkbaar zal worden voor het einde van het jaar.
Er zijn dus twee grote geestelijke krachten gelijktijdig op aarde werkzaam, waarbij de eerste harmonie brengt, de tweede voornamelijk orde. Dit is gunstig, ofschoon vele hoogte- en ook dieptepunten van cycli een zeer korte tijd samenvallen – en zullen m.i. deze beide groot-geestelijke krachten voor de mens op aarde het opvangen van de ongewenste verschijnselen mogelijk maken.

Misschien vraagt u zich nu af, of het voorgaande dan de reden is, dat wij over deze tijd zo vaak hebben gesproken als een tijd van inwijding. Ik wil daarom trachten u duidelijk te maken, hoe ook deze mogelijkheid tot meer algemene inwijdingen op aarde met de verschillende cycli samenhangt. Uiteindelijk zal de inwijding zelf natuurlijk voortkomen uit de Lichtende krachten, het werk van de grote Meesters en andere geestelijke werkingen. Maar deze krachten worden voor de mens tegengesteld, doordat er rond en in hem bijzondere omstandigheden ontstaan. Wanneer een mens op een gegeven ogenblik los geschud wordt uit zijn gezapige begrippen van zekerheden, geborgenheid, en tevens beseft, dat hij niet alleen tegen geheel de wereld kan strijden, zal er in deze mens een gelatenheid, een zekere rust ontstaan, waardoor hij open staat voor meer geestelijke ervaringen.

Nu spelen eigen cycli een grote rol bij de inwijding. Wanneer men voor een vernieuwing, een inwijding staat, zullen de eigen cycli namelijk heel vaak de verwachting scheppen, dat men voor een hoogtepunt staat. Dan echter, voor de verwachting vervuld wordt, breekt alles weg. Alles valt tegen, verloopt geheel anders, dan men verwacht had. Toch zal men verder blijven streven.

Er komt wederom een hoogtepunt, weer een terugval. Dit herhaalt zich 3 tot 7 maal. Het gehele proces is moeilijk in menselijke tijd te schatten. Ik meen echter de gemiddelde waarde te benaderen, wanneer ik stel, dat een dergelijk proces veelal tussen de 10 en de 30 jaren zal duren. In deze periode vindt een geestelijke ontwikkeling plaats, waarvan men zich echter niet ten volle bewust is. Zo de mens positief blijft streven, zal aan het einde van de cyclus niet alleen de binding aan de materie grotendeels zijn weg gevallen, maar er is tevens iets anders voor in de plaats gekomen: een zoeken, erkennen en bewust gebruiken van geestelijke krachten. Zou de mens gedurende een of meer van deze perioden er niet in slagen, de juiste houding te vinden, dan zal hij voor een volgende inwijdingsmogelijkheid moeten wachten, tot de tijd, de cycli, er weer gunstig voor zijn. Want inwijdingen uit het leven zijn niet altijd zonder meer mogelijk.

Een mens, die zo een inwijdingsgang doormaakt, beseft dit zelf vaak niet of maar zeer ten dele. Hij hongert naar wijsheid, naar bereikingen en houdt zich vaak zeer intens bezig met vraagstukken, die op een meer abstract terrein liggen. Hij zal niet zeggen: “ik zoek de geest”, maar heeft een zuiver persoonlijke uitdrukking voor zijn honger en streven. De een zal dus stellen, dat hij de rechtvaardigheid nastreeft, de ander zal misschien zeggen, dat hij al het schone op de wereld wil beleven en tot uiting brengen, vaak daar aan toevoegende, dat de rest hem niets kan schelen. Soms hoort men zelfs de leuze: ik wil niets, ik wil alleen maar leven. Toch hebben al deze mensen gemeen, dat zij los zijn gekomen van sleur en niet lijden onder een al te grote gebondenheid aan dingen. Wanneer zij er – zij het soms voor zeer korte tijd – in slagen, ook van zichzelf los te komen, zo vinden zij ergens innerlijk een contact met hogere krachten.

Vooral in het begin is dit meestal niet direct iets, waarvan je opkijkt. Het is vaak een enkel woord, wat je een rilling over de rug jaagt, een onverklaarbare beleving, een contact met mensen, die je misschien nooit meer terug ziet, maar toch niet kunt vergeten. Dergelijke ervaringen zullen zich vaak langere tijd – enkele jaren – met tussenpozen van 3 tot 4 maanden herhalen. Tot de mens opeens, als gevolg van deze cumulatieve beïnvloeding een punt bereikt, waarop hij een ogenblik meent geheel los van de mensheid te staan, of zelfs boven de mensheid te staan. Dit is een belangrijk ogenblik. Want hier ontmoet men in zich de kracht van het Licht en vindt men een verbinding met de hogere geestelijke kracht, die ook in het eigen wezen woont.
Verwerkt men dit alles, zonder zich daarop te verheffen, weet men dit alles te aanvaarden, dan kan het resultaat op het innerlijk leven, ja, zelfs op het stoffelijk beleven, het beste worden vergeleken met het opeens bevloeien van vruchtbaar, maar droog land. Nu gaat alles, wat tot dan toe geen zin had, opeens zin krijgen. Alles, waarmee men eigenlijk niets wist te doen, gaat weer leven, krijgt zin en biedt nieuwe mogelijkheden. Het Ik bloeit weer op en vindt ergens een nieuwe vorm van bestaan. Een nieuw niveau van bestaan is misschien een betere uitdrukking, omdat de geestelijke waarden een veel grotere betekenis verkrijgen en een voortdurende confrontatie met hogere geestelijke waarden in houden. Daarom spreekt men hierover wel als de eerste trap van geestelijke inwijding.

De mens die niet of verkeerd reageert, zal echter ontdekken, dat alles weer terugvalt. Hij bereikt niets meer, hij gaat rustig zijn eigen weg en verlangt misschien wel het eens bereikte hoogtepunt terug te vinden, maar is te zeer met zichzelf bezig, om daarin te kunnen slagen. Het verliezen van deze mogelijkheid betekent voor de meeste mensen, dat – zo zij nog op aarde leven – meer dan 12 jaren zullen verlopen, voor zij gelijke mogelijkheid vinden. Een enkeling slaagt er wel in op de z.g. halve periode het contact te hervinden, maar zelfs dit vergt dan nog ongeveer 6 jaar en 8 maanden. Wie eenmaal het Licht in zich heeft ervaren en dit aanvaardt, zal periodiek – in overeenstemming met zijn eigen wezen en ritmen – bevestigingen van het bereikte, en nieuwe stimulansen en krachten verkrijgen. Ook dan bestaat het gevaar, dat men meent reeds alles bereikt te hebben, zichzelf overschattend en zich zo van verdere stimulansen af te sluiten.
Ook wanneer men de eisen te zwaar vindt, de taak afwijst, omdat men in de eerste plaats gewoon mens wil zijn, zal een stilstand optreden. Een hervatting van de inwijding is in dit geval in sterke mate afhankelijk van de vraag, in hoeverre men alleen voor zichzelf, dan wel omwille van anderen tot deze afwijzing kwam.

Wij zeggen nu, dat de komende jaren zeer gunstig zijn voor het verkrijgen van inwijding, omdat alle omstandigheden daarvoor gunstig zijn, terwijl gerekend kan worden op de grote krachten van de geest en het op aarde optreden van zeker één, maar waarschijnlijk zelfs twee Meesters. Wij trokken reeds eerder de conclusie, dat dit alles zal voeren tot een algehele vernieuwing van geestelijke waarden in de menselijke wereld. Dit alles is mooi, wanneer het deel uitmaakt van eigen beleving, of ten minste behoort tot de ontwikkelingen, die je kunt overzien.
Wanneer je echter als een eenvoudig mens door het leven gaat, wordt het minder interessant en is het moeilijker, voor al deze gegevens interesse op te brengen. Ik zal daarom ook proberen u een overzicht te geven van de kleinere verschijnselen, zoals deze door het samentreffen van de inwerkingen, in deze tijd wel naar voren moeten komen. Deze behoren tot het leven van alle mensen en zullen, naar ik meen, het voorgaande begrijpelijker en duidelijker maken

Zelfs de meest stofgebonden, de meest gewone mens zal in de jaren ’60 tot ’67 ontdekken, dat een bepaald denkbeeld of verlangen in hem ontstaat, en sterk, zo niet alles beheersend dreigt te worden, om opeens weg te vallen, te veranderen, kortom minder belangrijk te worden. Dit herhaalt zich verschillende malen, steeds weer met een periode van groei, een wijziging en een tijdelijk verdwijnen. Dit zal in deze tijd gemiddeld 5 maal voorkomen. Het is in deze dagen dus normaal, wanneer u alles hebt gedaan om iets te bereiken en opeens, terwijl het schijnt dat het bijna bereikt is, te ontdekken, dat alle omstandigheden veranderd zijn, of dat men er zelf geen aardigheid meer in heeft. Denk dus niet, dat zoiets iets bijzonders is, maar erken, dat dit waarschijnlijk uit de eigenschappen en mogelijkheden van deze tijd voortkomt.

In uw gezondheid zult u ontdekken, dat perioden van slapheid, lusteloosheid zich plegen te herhalen, vaak met een tussenruimte van ruim twee jaar, of van ongeveer 4 maanden. Een dergelijke inzinking duurt meestal enkele maanden waarna de oude veerkracht weer terugkeert. Ongeveer 8 maanden na een dergelijke inzinking bent u weer geheel de oude. Ook dit zal regelmatig voorkomen en door velen bemerkt worden. Bij de terugval met een tussenruimte van 4 maanden duurt het ongeveer een maand tot zes weken, voor men weer geheel de oude is, maar hier spelen andere factoren, als weer, bezigheden, gewoonten, een belangrijke rol.
Om er eens een slag naar te slaan: iemand die een ernstige inzinking heeft gehad in 1959, loopt groot gevaar een dergelijke ervaring op te doen in de tweede helft van 1963 of het begin van 1964. Men zal in dit geval nogmaals in deze periode een inzinking door moeten maken rond 1966. Iemand, die een snellere periodiciteit heeft – en vaak daardoor voor kleine invloeden gevoeliger is – zal inzinkingen vaststellen in ’57, het begin van 1960, einde ’63 én ’63. Hier zijn de perioden minder ernstig, maar men heeft er rekening mee te houden en zal zich in de genoemde tijden dus vaak minder prettig gevoelen. Deze moet ik nog de raad geven, tijdens hun negatieve periode niet te veel een beroep op anderen te doen of taken af te wijzen, die zij tot dan vervulden! Deze dingen wreken zich meestal later.

Het is belangrijk, dat men tenminste hieraan enige aandacht schenkt. Je moet nu eenmaal leven en wanneer je weet, dat bepaalde verschijnselen optreden, verschillende invloeden ontstaan, kun je er beter mee leven, zelfs wanneer je er verder niet veel aan doet.
Wanneer u bijvoorbeeld een periode van slapheid hebt, kunt u natuurlijk gaan zeggen: “Ik moet gewoon verder gaan” of, integendeel, alles van u af trachten te schuiven. Wanneer je echter meer doet dan het werkelijk noodzakelijke, put je jezelf onnodig uit en zal je langer lijden onder de depressie. Wanneer je alles van je afschuift, zal het veel moeite kosten, om later weer alles normaal te doen, met alle moeilijkheden, die er uit voort kunnen komen. Daarom geldt in een dergelijke periode: verzet je er niet te heftig tegen. Doe alles, wat werkelijk noodzakelijk is en zoek daarnaast iets te doen of te beleven, wat je vreugde geeft. Op deze wijze zal men de depressie gemakkelijker kunnen verdragen en is de periode voor het Ik niet meer werkelijk negatief, maar brengt positieve waarden. Daardoor zal het eigen gedachteleven eveneens meer positief blijven, en daarmee helpt men dus ook weer de wereld als geheel, om meer positief te blijven.

Wanneer u geconfronteerd wordt met het opeens wegvallen of afbreken van ontwikkelingen, waarvan u toch grote verwachtingen koesterde, mag u nimmer denken – of zelfs zeggen – nu is het voorbij, het is afgelopen. Nu kan niets mij meer schelen. De juiste houding is: erken, dat hetgeen schijnbaar teloor ging, nog niet juist of volmaakt genoeg was. Hou de beelden ervan in jezelf vast, maar begin eerst eens aan iets anders, iets wat u ontspanning en vreugde kan geven. Verwerp daarom echter het oude niet zonder meer, want dat brengt later maar extra moeilijkheden en soms wel een belangrijke vertraging van bewustwording en bereiking. Met het besef, dat veelal eerder sprake is van een onderbreking van een ontwikkeling, dan van een geheel afbreken, zult u gemakkelijker en gelukkiger kunnen leven.

Laat u vooral ook niet tot koppigheid brengen. Gezien de invloeden, die vooral de laatste vier maanden optreden, bent u koppiger dan normaal, maar u bent niet de enige, anderen onder- gaan dezelfde invloeden. Besef dat doorzetten onder deze omstandigheden niet altijd gunstig is.
Men is geneigd onbelangrijke waarden te zien als hét voornaamste en zo tegen eigen belangen of inzichten ingaande, dingen door te drijven, die later alleen maar ellende of spijt betekenen. Onthoudt dat u, wanneer u in deze periode geneigd bent om door te zetten, uzelf weet te bedwingen en bereid blijft een compromis te sluiten. U hoeft natuurlijk niet de voetveeg van een ander te zijn, naar moet anderzijds wel beseffen, dat men zelf geneigd is te ver te gaan, te eenzijdig te zijn in zijn oordeel en teveel van anderen te eisen. Daarom is het in deze tijd juist aan een ander, zelfs wanneer je meent, dat hij absoluut ongelijk heeft, een kans te geven. Doet men dit, zo zal de neiging om koppig te zijn en zo conflicten te veroorzaken, afnemen. Conflicten blijven dan uit, terwijl de goede zijde, een doorzettingsvermogen, dan wel behouden blijft, en vaak dienstig kan zijn, om de mens in de goede richting te doen vorderen.

Bij contacten met medemensen ondervindt men in deze dagen ook veel vreemde dingen. Is het u soms ook opgevallen, dat zoveel mensen de laatste tijd gek doen? Dat zij zo wispelturig zijn? Wanneer u dit heeft vastgesteld, heb je alleen een zeer algemeen verschijnsel geconstateerd. Er is namelijk een voortdurende reeks van depressies in het menselijk denken. Ik heb u dit reeds enigszins uitgelegd.
Door het verschuiven van de cycli der verschillende groepen zijn er op het ogenblik steeds meer mensen gelijktijdig positief of negatief. Juist degenen, die hiervoor gevoelig zijn, zullen dus op het ogenblik uit het gemeenschappelijk denken van de mensheid depressieve waarden ondergaan. In een dergelijke periode deugt er bij hen dan ook niets, ook u niet. Komt daarna de positieve periode, zo is ook hier de redelijkheid, de beperking zoek. De mensen zouden opeens alle dingen tegelijk willen doen en hebben, zijn te royaal, doen beloften, die zij waarschijnlijk nooit na zullen kunnen komen. Een buitenstaander kan het dan ook maar moeilijk verwerken, dat de depressie na enkele dagen of weken weer terugkeert en alle beloften schijnbaar gezien worden als niet gedaan, alle royaliteit verandert in schijnbare gierigheid enz. enz.

Deze dingen komen dus niet alleen voort uit de leeftijd, of uit een innerlijke onevenwichtigheid, maar zijn het gevolg van met zekere regelmaat optredende invloeden van buitenaf.
Er zijn evenwel verschillen, die onder meer voortkomen uit de omstandigheden. De een zal bv. in een omgeving verkeren, waarin de afwijkingen van de norm gemakkelijker kunnen worden opgevangen dan door anderen, weer een ander is meer beheerst en zal door zijn gewoonten de ergste aspecten kunnen onderdrukken.
Maar het merendeel van de mensheid ondergaat op het ogenblik dergelijke inwerkingen. Hoe gevoeliger de mensen zijn voor inwerkingen uit het ‘bovenbewustzijn’, hoe wispelturiger zij zullen schijnen, hoe sterker u de indruk zult krijgen, dat zij eigenlijk een beetje abnormaal zijn. Juist de gevoeligen zullen geneigd zijn iets af te dwingen wat in wezen onredelijk is enz. Bemerkt u bij uzelf dergelijke reacties, dan is dit niet ernstig. Probeer alleen alle hoogtepunten terug te brengen tot ongeveer de helft. Doe en zeg, geef uit, maar steeds maar de helft van wat u zou willen doen, wat u meent te kunnen doen. Indien dit op een verstandige manier wordt gedaan, zal men over een reserve aan kracht en moed beschikken, waarmee ook de perioden van depressie veel gemakkelijker en zonder extremen overwonnen kunnen worden.
Ontmoet u anderen, die kennelijk hieraan onderhevig zijn, zo is het goed, slechts half in te gaan op hun perioden van levendigheid en zo mogelijk hen tot enige zelfbeperking te brengen. In de depressie zult u daarentegen hen medegevoel schenken, maar gelijktijdig hen tot beheersing van hun neerslachtigheid en zelfbeklag proberen te brengen. Meen niet, dat u dit eigenlijk niets aangaat. Want juist in deze dagen dienen wij allen tot op zekere hoogte ‘ons broeders hoeder’ te zijn.

De grootste periode van lusteloosheid zal voor zeer velen dit jaar waarschijnlijk liggen tussen augustus en het eind van september. Daarna zullen velen – ondanks de spanningen in de wereld – meer tot normaal terugkeren, omdat de verschuiving van cycli dan het kritieke punt voorlopig weer heeft overschreden.

Velen zullen op het ogenblik klagen over hun gezondheid. Nu kan een deel van deze klachten aan de lange winter geweten worden, waardoor velen te weinig beweging, te weinig frisse lucht genoten hebben. Toch speelt ook hier een belangrijke cyclus op het ogenblik een rol. Men voelt zich enkele weken zo sterk als een stier om daarna wekenlang zich zo slap en onmachtig te voelen als maar denkbaar is. Maak u daarover niet te veel zorgen en leef zoveel mogelijk normaal: na 9 à 10 maanden zal ook dit verschijnsel voor de doorsnee mens wel in hevigheid afnemen. Vergeet nooit, dat hier sprake is van een normaal verschijnsel, dat ook in andere jaren regelmatig optrad, maar minder de aandacht vroeg, omdat het door andere meer positieve tendenzen werd aangevuld. Nu echter vele cyclische curven gelijk of parallel lopen, zullen zij elkaar versterken, waardoor de nadruk vaak zeer sterk zal vallen op verschijnselen, die in zich eigenlijk onbelangrijk zijn.

Stel een grote cyclus voor als een rijzende of dalende lijn. Een kleine cyclus zal nu niet moeten worden gezien als een sinusoïde, die op de nullijn is gecentreerd, maar als een sinusoïde, die op de grote lijn geënt is, zodat deze als een nullijn beschouwd kan worden. Bij een stijgende lijn zal dus elke opeenvolgende top hoger liggen, terwijl het hoogtepunt van vorige fasen in vele gevallen beneden het huidige dieptepunt zal liggen.

Bij een dalende lijn zien wij het tegenovergestelde. Wanneer u dit voor uzelf eens tekent, zal dit alles u wel duidelijk worden. Voor het menselijke denken betekent dit, dat iets steeds erger lijkt te worden, terwijl de inwerking in wezen gelijk blijft. Het intenser worden van bv. kleine kwalen, neerslachtigheid, pechperioden, berust dus vaak niet op feiten, maar eerder op de menselijke interpretatie, die het verschijnsel niet van andere verschijnselen los weet te zien.

Wij kunnen nu stellen: wanneer een grotere reeks van cyclisch weerkerende verschijnselen gelijktijdig een hoogte of dieptepunt bereikt, zullen alle kleinere cycli onder de invloed van deze grotere cycli staan, waardoor voor het menselijk denken en beleven een gelijksoortige verschuiving van alle waarden schijnt te ontstaan. Daarnaast kan worden gezegd: wanneer er een punt in de tijd is, waarin meer dan 1/3 van de op aarde werkende cycli gelijktijdig een hoogte of dieptepunt bereikt, mag worden aangenomen dat een compenserende inwerking op zal treden vanuit een andere wereld of sfeer – ‘de geest’ – waardoor een opheffen van de gevolgen mogelijk wordt. Dit betekent, dat degenen, die de inwerking van de geest aanvaarden, zelfs wanneer zij onlogisch schijn, dus eenvoudiger alles kunnen verwerken en neutraliseren. Door de tegenstelling lijkt het dan of zij, die de inwerking van de geest weigeren, of willen onderwerpen aan hun eigen ‘logische’  inzichten, er schijnbaar slechter afkomen, dan op grond van de ontwikkelingen alleen verwacht kon worden. Voor u is dit belangrijk, omdat men door gehoor te geven aan de innerlijke stem, aan de inwerkingen van de geest enz., men zich voor een groot deel aan de druk van neergaande cycli zal kunnen ontworstelen.

Ten laatste het volgende:

Wij spraken over algemene cycli en de meer persoonlijke cycli, grote en kleine invloeden, inwerkingen van de geest en inwijdingen. Wij zullen echter ook nog aandacht moeten besteden aan ons eigen geestelijk leven, wanneer wij een redelijk overzicht van dit onderwerp willen winnen.
Dit doet even vreemd aan, wanneer wij ons realiseren, dat de eigen geest nimmer binnen de reeks van cyclische verschijnselen, zoals deze op aarde kenbaar worden, kan betrokken zijn. Wel zal de geest gebonden zijn aan zuiver geestelijke inwerkingen, die, zolang haar bewustzijn gelijk blijft, regelmatig terug zullen keren en zo als een cyclus zouden kunnen worden beschouwd. Wanneer een dieptepunt optreedt in het menselijke beleven, kan de eigen geest vaak compenseren en wel zolang de geest zich niet met de negatieve waarden in de situatie gaat vereenzelvigen. Elke persoonlijke cyclus kan, beschouwd vanuit een geestelijk standpunt, enigszins worden beheerst en zodanig worden afgevlakt, dat zij als normaal kan worden beschouwd.
Een grotere, dus meer individuen betreffende cyclus zal kunnen worden beheerst en afgevlakt, wanneer men in staat is allen, die er aan onderworpen zijn, als een geheel te beschouwen, ondanks de persoonlijke verschillen, die zij tot uiting brengen. In dit geval zal een afvlakking tot stand worden gebracht, waarin de persoonlijke cycli hun werkelijke betekenis behouden voor het bewustzijn en zo een samenwerken en samengaan eenvoudiger wordt. Dit zal echter alleen ten volle kunnen gelden, wanneer er tussen de delen van de groep een gevoel van werkelijke verbondenheid bestaat.

Het is dan ook belangrijk, dat het gevoel van onderlinge verbondenheid in deze dagen op alle vlakken zo sterk mogelijk tot uiting wordt gebracht. Noem het naastenliefde, Godserkenning, harmonie. De naam is niet belangrijk, wel het gevoel van samenhorigheid, van het met elkaar verbonden zijn. U kunt met de krachten van uw eigen geest zeer veel tot stand brengen in deze dagen. Zelfs meer dan normaal. Maar dit is alleen mogelijk, wanneer u zich met andere mensen ook waarlijk verbonden kunt voelen en niet teveel beperkingen maakt ten opzichte van dit besef van eenheid. Laat desnoods uw eigen mening, uw eigen inzichten eens rusten, wees desnoods eens de minste, uw eigen inzichten zijn van minder belang, zolang u maar gezamenlijk met anderen in denken en daden het goede probeert te bereiken. Ofschoon dit streven voor u hoofdzakelijk op zuiver stoffelijk en redelijk vlak zal liggen, wekt zij harmonische waarden in de geest. Deze zal meer kunnen bereiken en gemeenlijk een snellere bewustwording doormaken, terwijl de anderen daardoor tenminste een afvlakking van de voor hen toch ook vaak zeer moeilijke omstandigheden, invloeden en verschijnselen zullen verkrijgen.

Eenzijdigheid is hier echter niet mogelijk. U mag niet veronderstellen, dat u de ongewenste invloeden en werking kunt nivelleren, terwijl u alle toppen van het goede kunt laten bestaan. Wanneer men de ergste dieptepunten weet af te vlakken, houdt dit in, dat men ook de hoogtepunten van dezelfde cyclus zal moeten missen. Slaagt men er in boven de massa uit te stijgen, zo betekent dit onder genoemde omstandigheden dus niet, dat men méér hogere waarden zal ervaren, maar dat men méér aan anderen zal kunnen geven. In wezen – dit zal de bewuste beseffen – betekent een nivelleren van bepaalde tendenzen voor anderen, dat men verplichtingen aan die anderen heeft en dus niet meer het recht heeft zonder meer de massa achter te laten en zelf verder te stijgen.
De compensatie hiervoor is het feit, dat u door het geven ook voortdurend verbonden zult zijn met het beleven van anderen, zodat de bewustwording weliswaar minder hoog is, maar daardoor een veel breder vlak betreft, wat voor de bewustwording van het ware Ik veelal meer betekent dan het voor korte tijd bereiken van een hoogtepunt, dat binnen het bewustzijn echter niet geheel verwerkt kan worden.

Grondregel: Geestelijke kracht en ervaring zal overal tot uitwisseling komen, waar een band bestaat, dankzij een of ander facet van het begrip liefde of het begrip dankbaarheid. Herinner u hierbij, dat haat negatieve liefde is, ondankbaarheid negatieve dankbaarheid, zodat ook deze negatieve waarden onder dezelfde regel vallen, en men zal oogsten wat men zaait. Deze regel is voor de geest bindend. Tracht dus banden als genoemd in deze dagen zo positief mogelijk en zo veelvuldig mogelijk te leggen, opdat het de mensheid mogelijk zal zijn aan de te krasse dieptepunten en hoogtepunten van de optredende cycli door geestelijke werkzaamheid te ontkomen.

Behoudt echter daarbij steeds uw persoonlijke vrijheid. Geestelijk kunnen geen resultaten worden verwacht, wanneer men alleen maar probeert anderen te bevelen, of zonder meer alleen maar anderen wil gehoorzamen. De basis van al het gestelde is harmonie, dus ook een gelijkwaardig samenwerken. Streef hier steeds weer naar, ook al betekent dit een gedeeltelijke zelfontkenning, het terzijde stellen van rechten, wijsheid enz. die men misschien meent te bezitten.

Laat anderen eveneens de volle vrijheid, om volgens eigen wezen te werken en te reageren, maar tracht steeds de ander duidelijk te maken, dat men gezamenlijk meer zal kunnen bereiken, zodat u daarvoor afstand wilt doen van vooroordelen, meningen en procedures, wanneer dit noodzakelijk zou zijn. Juist wanneer men op deze wijze tot samenwerking komt, blijkt hoeveel er voor mensen – zelfs al schijnen zij geen enkele geestelijke gave te bezitten – nog bereikbaar is.

Ook mag u niet over het hoofd zien, dat degenen die nu reeds de juiste houding, de juiste samenwerking weten te vinden, van de positieve tendenzen, die over enkele jaren ontstaan – wanneer de curve van haast alle cycli weer opwaarts gaat – onmiddellijk en ten volle gebruik zullen kunnen maken.

Zij zullen daarbij eerder en beter dan anderen de positieve waarden kunnen gebruiken, en zo voor anderen aan betekenis en voor zichzelf aan kracht en inhoud veel winnen.

Wanneer wij spreken over de geest, denken meerderen onmiddellijk aan het feit, dat er ingewijden zijn. De ware ingewijde is een wezen, dat door geestelijk bewustzijn in feite geheel vrijstaat van de stoffelijke cycli. Tóch blijken ook deze ingewijden bereid te zijn, af te dalen van de bereikte toppen van weten, inzicht, macht, bewustzijn, zich bindende aan de stoffelijke inwerkingen, om binnen de mensheid nivellerend te kunnen werken, waar dit maar mogelijk is.
Dit geldt ook voor meesters of ingewijden, die niet lichamelijk in de stof vertoeven. Zij kunnen echter alleen daar inwerken waar zij een zeker rapport, een binding kunnen ontdekken of tot stand brengen. Voor de mensheid is dit belangrijk, omdat de ingewijden een basis vormen, waarvan wij – ingewijd of niet – gebruik kunnen maken om alle cyclische inwerkingen zó af te zwakken, dat ons bewustzijn daardoor niet wordt geleid, zodat wij als vrij en bewust wezen ten allen tijde kunnen leven en werken.
Verder betekent dit, dat wij van elke tendens bewust gebruik zullen kunnen maken, zolang wij dit niet alleen voor ons zelf, maar ten bate van allen doen. Dit betekent dat allen, zelfs degenen, die zich op het ogenblik van geen geestelijke band bewust zijn, de mogelijkheid hebben een inwijding te verkrijgen, of althans zeer dicht te benaderen.

In dit alles, vrienden, ligt de mogelijkheid om de verschijnselen, die u in de komende jaren misschien onaangenaam aandoen, in intensiteit te doen afnemen. Door u steeds weer te bezinnen op uw geestelijke mogelijkheden en geestelijke kracht, zal het u mogelijk zijn het negativisme, dat in de wereld hand over hand dreigt toe te nemen, tegen te gaan en binnen redelijke perken te houden. U leeft in een periode, waarin vele periodieke verschijnselen van kortere en langere duur samentreffen, waardoor onevenwichtigheid van mens en wereld in de hand wordt gewerkt. Zover wij na kunnen gaan, zal ook een kracht uit de kosmos gaan optreden, welke niet behoort tot de op aarde gekende, maar waarvan de invloed ongetwijfeld eerder harmoniserend dan storend zal werken. Alle mogelijkheden ten goede zijn dus, ondanks de verstoring van het normale evenwicht, aanwezig. Waar een ieder echter die positieve mogelijkheden voor zich zal moeten realiseren, is het van belang, dat elke mens tracht een vaste basis in zichzelf te verkrijgen, waaruit hij krachten kan putten, wanneer verstoring van evenwicht voor hem of anderen dreigt.

Hoedt u daarom ook vooral voor elke bitterheid. Beheers elke neiging om tot een te plotseling optreden over te gaan, bestrijd alle onbezonnenheid en eigenzinnigheid in uzelf.

Wees echter ook op uw hoede tegen onnodige aarzelingen, tegen de neiging om dan maar helemaal niets te doen, geheel niet op te treden.

Verwacht geen initiatieven van anderen. In deze dagen bent u meer dan ooit zelf degene, die moet handelen. Maar zorg er voor zeker te zijn dat u moet handelen en wacht met handelen zoveel mogelijk, tot u voelt zelf evenwichtig en energiek te zijn.

Houd rekening met alles wat er zich in u en rond u afspeelt en maak gebruik van de mogelijk- heden, die op het ogenblik voor een ieder zo ruimschoots voorhanden zijn.

Neem zelf het initiatief, wanneer u voelt, dat tijd en innerlijk gunstig zijn voor actie en deze actie, na rijp beraad, aanvaardbaar of zelfs noodzakelijk schijnt te zijn, maar neem dan ook geen halve maatregelen en vermijd ten halve te keren.

Besef, dat openhartigheid, eerlijkheid in deze dagen een belangrijk, maar scherp wapen is, dat voorzichtig moet worden gehanteerd, maar in geval van noodzaak het bereiken van resultaten bevordert.

Ten laatste, vergeet nooit, dat uw eigen dieptepunten en hoogtepunten nimmer bepalend kunnen zijn voor de mogelijkheden of toestanden in de wereld, tenzij uw geestelijke krachten en vermogens in harmonie met anderen werkzaam zijn.

Vragen

  • Mogen wij aannemen, dat de door u genoemde grote centrale krachten steeds de zelfde plaats innemen, terwijl de aarde en de sterren zich ten opzichte daarvan bewegen?

Dit mag u wel doen, want de tijden, waarin de cycli van dergelijke krachten gemeten wordt, zijn zo groot, dat zij voor de mens gelijkwaardig en onveranderlijk schijnen te zijn, terwijl mede door de enorme afstand de beweging in duizend jaren zo miniem is, dat een mens wel mag zeggen, dat deze punten stilstaan. Vergeet echter niet, dat alleen alles, wat beweegt, wat verandert, waarlijk leeft. Dit geldt ook voor de grootste invloeden.
Men vergelijkt dergelijke kosmische entiteiten wel eens met magnetische velden. In wezen zijn zij het product van elkander kruisende invloeden, waardoor zij kunnen bestaan zonder enige materie. Zij bewegen zich verder weer langs de krachtlijnen van de invloeden, die de oorzaak van hun bestaan zijn. Vermoei u echter niet te zeer met deze begrippen.

  • Kan men zich niet aan de door u beschreven beïnvloedingen onttrekken?

Men kan ze misschien ontgaan, wanneer men bewust genoeg is om slechts dan te incarneren, wanneer zij niet optreden. Verder is het echter als bij eb en vloed. Wanneer u zich met hoog water over een smal strand moet voortbewegen, zult u waarschijnlijk kunnen voorkomen, dat u te diep in het water geraakt, maar zult u niet kunnen voorkomen dat uw voeten nat worden. Wanneer vele mensen harmonisch zijn, zullen extreme pieken van kracht echter wel kunnen vermeden worden, ofschoon de kracht zelf gelijk blijft.
Wanneer vele mensen werkelijk harmonisch zijn, zal het niet mogelijk zijn bepaalde ontwikkelingen en spanningen in de aarde te negeren. Wel zal men misschien kunnen bereiken, dat de aardbeving, die op een klein gebied op zou treden en daar veel zou verwoesten, uitwerkt over een groter terrein, waar zij dan niet meer is dan een tremblor, die haast geen schade aanricht.
Overigens zal dit laatste voorbeeld u duidelijk maken, dat de mens die werkelijk met anderen harmonisch is, dus niet de werkingen en gebeurtenissen zal kunnen verhinderen, maar wel zich zover vrij zal kunnen maken, dat hij de gevolgen voor zich en de met hem harmonische mensen wijzigt tot een meer aanvaardbaar en gemakkelijker te beheersen beleven.

  • Men kan dus bepalen, waar en hoe de spanningen zich uitwerken?

Wanneer men de binnenband van een fiets oppompt, zal zij bij overdruk springen op het zwakste punt. Wanneer er spanningen zijn in de aarde, zal zij deze tot uiting doen komen op een plaats, waar de menselijke mentaliteit in verhouding het zwakste is, terwijl ook de structuur van de aarde een zwak punt vertoont. Deze beiden dienen dus samen te vallen. Vandaar, dat bepaalde – ook cyclische – verschijnselen op aarde niet alleen afhankelijk zijn van de menselijke gedachtewereld, maar wel degelijk mede van de structuur van de aarde zelf. Zou geheel de menselijke gedachtesfeer harmonisch zijn, dan zou zij voor de aarde kunnen werken als een soort buitenband; de binnenband of de aarde kan dan een veel grotere druk verdragen, terwijl de schade aan zwakke plaatsen niet explosief snel, maar langzamer en daardoor voor de mensheid op meer aanvaardbare wijze op zal treden.

Esoterie

Een klein verhaal vooraf. Het was koud. Overal lag sneeuw. De mensen haastten zich door de guurheid en zagen niet, hoe groene blaadjes zich door het sneeuwdek boorden, merkten niet op, hoe geluidloos een sneeuwklokje op de wind begon te klepelen. Want het was koud en dan hebben de mensen te veel haast, om op zoiets te letten. Maar het sneeuwklokje vertelde toch geluidloos aan geheel de wereld, dat de lente kwam, ook al verstonden de mensen dat niet. Na enige weken had het sneeuwklokje zijn taak volbracht en verdween. Toen echter riepen de mensen: “nu komt de lente, want de krokussen bloeien”. De felle kleuren hadden hun aandacht getrokken.

Maar het sneeuwklokje hadden zij niet gezien, want sneeuwklokjes zijn zo bescheiden.

Er zijn mensen, die door kunnen dringen tot de innerlijke waarheid. In de tijd, dat de gehele wereld nog geboeid lijkt te zijn in materiële moeiten en begeerten, vinden deze reeds de kracht van het nieuwe Licht. Daardoor leven zij reeds gelukkig en vrolijk in dagen, dat volgens de meeste mensen het leven nog somber en dreigend is. Als een sneeuwklokje, dat onopvallend de lente aankondigt, brengen deze mensen even onopvallend gewoon de mensheid reeds tijding van de nieuwe kracht, het nieuwe Licht, de komende bewustwording. Men merkt hen echter niet op, maar zij zijn pioniers van een nieuwe tijd. Wanneer anderen bereid zijn om hun taak – en nu meer opvallend – over te nemen, trekken zij zich in zichzelf terug en zoeken naar nieuwere en betere krachten, om wanneer er weer een periode van veranderingen en beproevingen komt, de mensheid opnieuw te kunnen bijstaan.

Zij zijn de Meesters van deze tijd. Zij bieden u niet een nieuwe godsdienst of nieuwe wijsheid, die alle waarden doet veranderen, maar doen een beroep op uw innerlijk. Zij bereiken alleen hen, die reeds geschikt zijn voor verdere geestelijke inzichten en vernieuwingen en bereiden zo geheel de mensheid voor, op wat gaat komen. Uit deze komen dan degenen voort, die meer openbaar de wereld de vernieuwing aankondigen en de mensheid op meer opvallende wijze bijstaan in haar moeilijkheden.

De eerste spreker heeft u duidelijk gemaakt, hoe er altijd weer een tijd komt, waarin alles stuwt tot verandering en vernieuwing. Deze zal zich echter niet op voor de mensheid positieve wijze kunnen doorzetten, wanneer wij niet innerlijk beantwoorden aan de roep van de pioniers, zo de openlijke verbreiding van het nieuwe voorbereidende. Indien wij in onszelf het Licht vinden, waardoor het leven zinvol wordt, waardoor geestelijk en stoffelijk vaak, vreugde en mogelijkheden beseft worden, bevinden wij ons op het juiste pad: het innerlijke pad, dat voert tot vrijheid. Wie in zich het hoogste Licht wil verwerven, zal antwoord moeten geven op de roep van de pioniers en aan het werk moeten gaan, niet wachtende, tot anderen eveneens deze weg gaan. Alleen zó bereikt men de innerlijke kracht, de blijde vrijheid, waardoor men werkelijk in staat is anderen te helpen en gelijktijdig innerlijk steeds intensere banden met het goddelijke te vinden.

Innerlijke wijsheid wordt in deze dagen niet gevonden door somber zijn, langdurige filosofische betogen, of het zoeken in de leringen van anderen. Wie zo handelt en niet in de eerste plaats door het innerlijk Licht, de innerlijke blijheid, kan wel eens grote fouten maken. Wanneer men echter in zich het Licht waarlijk erkent en aanvoelt, wordt dit Licht tot een innerlijke bron van kracht. Dan hoeft men niet verder redelijk te zoeken naar de waarheid, doch zal de kosmische waarheid uit de mens geboren worden. Want het innerlijke pad is het Goddelijke Licht, dat vrucht draagt binnen geest en mens. Er wordt spontaan iets geboren, wat anderen verwonderd doet op zien.

Sprak men niet over Jezus als: “Is deze dan niet de zoon van Jozef, de timmerman? Hoe spreekt hij dan zo?” Dit is begrijpelijk: de mensen kunnen maar niet beseffen, dat uit het aanvaarden van de goddelijke krachten in innerlijke eenvoud, de ware wijsheid geboren wordt. Wanneer men echter die wijsheid ontvangt, dient men er zich voor te hoeden deze al te redelijk en menselijk te willen formuleren. Want dan verliest zij haar zin en zal een verdere stijging langs de innerlijke weg, een verder ontvangen van wijsheid, onmogelijk worden. Leeft daarom het Licht, dat in u is.

    (verkort )

image_pdf