Permanente herinnering

20 december 1971

Groeiende gaven

“Gaven” wordt in dit verband gebruikt in de zin van begaafdheid. In de bewustwording van de mens zijn nl. een paar aspecten, waarmee wij bijzonder rekening moeten houden en die zowel de innerlijke wereld,  de innerlijke ontwikkeling, als ook de reactie naar buiten toe kunnen beheersen. Er zijn nl. in het menselijk leven verschillende krachten werkzaam en sommige van die krachten zijn zelfs bepalend in incarnatieverband; zij kunnen bepalend zijn t.a.v. status of de eigen toestand  in bepaalde sferen. Om het eenvoudig te zeggen:

a) De mens heeft het denken. Het denken is weten, herinnering, in vele gevallen analoog denken, dus denken in vergelijking met vroeger gekende waarden. Dit denken betekent realisatiemogelijkheid.  Zonder deze realisatiemogelijkheid leeft de mens wel degelijk, alleen hij leeft niet bewust.

b) Emotionaliteit; De emotie is niet – zoals de mensen denken – van zuiver stoffelijke aard. Er bestaat dus een zekere vorm van emotionaliteit ook in de sferen. Eenieder, die weleens een emotie heeft doorgemaakt, weet wel dat je jezelf dan niet kunt beheersen, dat het denken dan niet in staat is om de reacties onmiddellijk tot stilstand te brengen. Zo is het met emotionaliteit ook in geestelijk verband. De emoties, die wij kennen, kunnen onder meer dingen veroorzaken. Wanneer wij dus incarneren in de voortdurende nabijheid van bepaalde personen, dan is dat vaak niet iets wat we verstandelijk  willen, vooral als het onze vijanden zijn, maar het zijn dus wel noodzaken, waaraan wij ons niet kunnen onttrekken, want de emotie is een band met een persoon. Maar emotie komt ook tot uitdrukking in vele andere aspecten van het leven. Eén daarvan is bv. “kunst” .

Je kunt emotioneel gebonden zijn met schilderkunst, met muziekuitdrukking, beeldhouwkunst, literatuur, danskunst of toneelspelen. Wanneer je daarin werkelijk bent opgegaan gevoelsmatig, dan zal je dus geneigd zijn om terug te zoeken naar iets, waarin datzelfde tot uiting komt.

Dat hebben we nodig voor ons onderwerp van vandaag.

Een “gave of een begaafdheid” is in feite alleen maar een gepredisponeerd zijn in een bepaalde richting. Het wil dus niet zeggen dat, als je een gave hebt, je die ook gebruikt of dat  je er een goed gebruik van zult maken, dat je tot een verder ontwikkeld gebruik daarvan zult komen, De gave is gewoon een voorwaarde; die is aanwezig.

Maar stel nu dat een entiteit voor muziek een zekere binding heeft. Dan zal in de eerste plaats  in  het leven die muziek betekenis hebben. Zij is a.h.w. een taal geworden van de mens die zich daarmee uitdrukt, ook al is hij geen componist of instrumentalist of zanger. Of hij heeft alleen maar geluisterd. Wanneer zo iemand reïncarneert, dan zal hij bij deze incarnatie niet alleen de emoties meebrengen, maar bovendien zal hij uit het geheel van die kunst geselecteerd hebben. Daar zijn dus bepaalde dingen, die hem bijzonder hebben aangesproken: de één voelt meer voor Pijper en de ander misschien veel voor Dvorak. En dat bepaalt dan ook nog weer de wijze, waarop zo iemand naar een gave zoekt, De gave is nl lichamelijk, maar de geest selecteert voor de gave. Wij kunnen dan te maken krijgen met iemand, die op zeer jeugdige leeftijd al bijzonder snel kan reageren op muzikaal terrein en die erin kan opgaan, die zelfs op een gegeven ogenblik – tegen de normale gebruiken van de jeugd in – a.h.w. meeleeft met de muziek, voor wie de muziek inderdaad een taal is. Dat betekent dan nog niet, dat je een wonderkind bent, want als je zoiets zegt, dan denkt iedereen aan Mozart. Maar geloof mij, Mozart is ook door dressuur op jeugdige leeftijd zo’n goed musicus geworden. Maar ook zonder die dressuur was die gave aanwezig en het begrip voor de muziek.

Stel nu dat u ook geestelijke gaven hebt. De ene heeft een talent voor magie, helderziendheid of helderhorendheid, een ander is bij zonder ingenomen met zijn vermogen tot telekinetische beïnvloeding van dingen, die gave is dus aanwezig, De geest zal selecteren voor een lichaam, waarin deze gaven, mits  een voldoende emotionaliteit bestaat, aanwezig is. Maar nu komt het moeilijke ogenblik: op het moment nl. dat de potentie van een gave aanwezig is, zal mede het verstand en dus niet alleen de emotie, de ontwikkeling daarvan verder moeten worden bepaald.

U hebt allemaal potentieel bepaalde gaven. Elke mens is geest, ook wanneer hij in de stof leeft, is hij toch geest. De geest heeft bepaalde voor haar bestaande zintuiglijke mogelijkheden. Telepathie bv. is gewoon een spraakvermogen van de geest.. Men heeft het vermogen tot uittreding dat voor de geest niets anders is dan de projectie van het eigen bewustzijn op een bepaald punt. Al die eigenschappen, die gaven, tot zelfs het opwekken van levenskracht,  het uitstralen daarvan, zijn allemaal aanwezig. Maar nu is de vraag: In hoeverre bent u bij  een incarnatie daarmee emotioneel gebonden geweest? Want wanneer deze binding niet aanwezig is, dan kiest u geen voertuig, waarin de gave sterk genoeg vertegenwoordigd is.  Je kunt later misschien nog zeggen: Ik wil graag magnetiseren, maar t.a.v., de mogelijkheden die anderen hebben, ben en blijf ik een kluns.. Ben je echter emotioneel reeds gebonden geweest met een dergelijke mogelijkheid, dan kies je een lichaam met perfecte mogelijkheden Dan gaat die gave dus groeien! Maar die gave kan alleen groeien, wanneer er een zekere integratie  is tussen stof en geest, Dat is een tweede punt. Ongeacht de selectie bij incarnatie en dergelijke is voor het doen groeien van een gave tijdens het stoffelijk bestaan een zekere harmonie tussen de geest en het lichaam noodzakelijk. Personen met innerlijke strijdigheden zullen nooit tot een goede ontwikkeling van een gave kunnen komen.

Dan komt de vraag natuurlijk in hoeverre de bewustwording op geestelijk terrein, de esoterische, innerlijke erkenning dus, een grote rol kan spelen. Zolang uw innerlijke erkenning in tegenstrijd blijft met de uiting die u lichamelijk, maatschappelijk etc.  nu eenmaal noodzakelijk acht, zult u uw gaven niet voldoende kunnen ontwikkelen. De gave kan zich misschien enigszins ontplooien, maar die ontplooiing is minimaal. Op het ogenblik dat uw innerlijk begrip en uw handelen in overeenstemming zijn, zullen alle kwaliteiten en eigenschappen van de geest in steeds sterkere mate worden uitgedrukt in het lichaam. Dat betekent voor dat lichaam ook dat vele van de erkenningsmogelijkheden, die in feite voornamelijk geestelijk van aard zijn, lichamelijk mee kunnen worden verwerkt. Het denken is dan niet meer geheel redelijk en een groot gedeelte van de innerlijke processen is dan – vanuit het menselijk standpunt althans – onlogisch. Je erkent – je kunt je erkenning niet beredeneren – maar je kunt op grond van de erkenning logisch verder denken.  Zo ontstaan dus een aantal denkbeelden, die zowel betrekking hebben op de wereld als op het ik en die de relatie tussen het ik en de wereld tot uitdrukking brengen. Deze gedachten, die dus – ik zeg het nogmaals – niet logisch of redelijk verantwoord kunnen worden genoemd vanuit het menselijk standpunt, zijn gelijktijdig het middel om gaven te ontwikkelen.

Je kunt enkele gaven nl. wel degelijk ontwikkelen zonder dat je daar innerlijk veel verder mee bent gekomen. Iemand, die een klap op zijn hoofd krijgt, kan helderziende worden en dan kunnen wij toch niet zeggen dat deze mens een grote bewustwording heeft doorgemaakt. Elke afzonderlijke gave kan ontwikkeld worden door bepaalde processen, waar wij ten dele zelfs een redelijke controle over kunnen uitoefenen. Maar een scala van gaven – dus een omvattend deel van de mogelijkheden van de geest — kan alleen in het stoffelijk leven worden geïntegreerd, wanneer eerst een voldoende bewustwording aanwezig is. Helderziendheid kan dus zo ontstaan. In feite is het meestal een gevoelig worden van een deel van de hersenen. In enkele gevallen is bekend dat dat gebeurd is doordat een zekere kortsluiting in de hersenschors tot stand was gekomen. Wij weten dat een dergelijke helderziendheid ook vaak kan ontstaan wanneer een mens lijdt onder grote zuurstof-armoede en in andere gevallen wanneer hij groot voedselgebrek heeft. Hier is het lichaam zwakker; en als het lichaam zwakker wordt, komt de geest sterker naar  buiten tot uitdrukking. Maar dat zou impliceren dat alles waarvoor energieën nodig zijn dus op dat moment onmogelijk is geworden. Als Jezus op de berg 40 dagen vast, dan kan hij helderziende zijn, hij kan met de duivel een debat hebben, bij wijze van spreken. Hij kan de duivel afwijzen, naar hij kan niet bv. stenen in brood veranderen. Dat gaat eenvoudig niet. Hij heeft de kracht niet op dat ogenblik. Indien echter die kracht wel aanwezig moet zijn, dan hebben wij een aantal innerlijke voorwaarden waaraan we moeten voldoen. Indien Jezus dus normaal lichamelijk sterk is, wanneer hij gewoon omgaat met zijn vrienden en er komt een Romeins hoofdman die zegt: “Kun je mijn dochtertje genezen?” dan zegt Hij: (en dat weten wij eigenlijk reeds) “Ga maar naar huis, het is in orde.” Dan hebben wij met geheel iets anders te maken.

In de 1ste plaats: Hier hebben wij  te maken met genezing op afstand.

In de 2de plaats: Ook met perceptie op afstand, want hij weet wat er aan de hand is.

In de 3de plaats er is ook wel degelijk telepathie aanwezig, want Jezus doorgrondt in dat korte ogenblik die mens.

Hier hebben wij een samenvatting van gaven:

1.Wanneer ik als mens zou moeten leven en ik zou dus voortdurend bezig zijn met mijzelf, dan zou  ik niets bereiken. Maar indien ik voortdurend bezig zou zijn om een harmonie te vinden tussen mijzelf en de wereld, dan zou ik a.h.w. beantwoorden aan wat ik geestelijk ben. Ik begin een harmonie te vormen tussen de geest, die incarnerend deze keuze gemaakt heeft, het leven zelf, dus de ervaringenreeks en de wereld. De groei van gaven is daarvan afhankelijk,

2. Ik. heb te maken met innerlijke erkenningen, waarbij ik het zgn. boven-redelijke en niet slechts het bovenzinnelijke betreed, De ervaringen van het nul-bewustzijn (je noemt het ook wel eens het het Goddelijke, dus met het hoger Ik) de ervaringen van hoge  krachten,  die niet omschrijfbaar zijn, zijn wel degelijk boven alle reden verheven; je kunt ze niet beredeneren. Maar zij kunnen voeren tot een denkwijze die gebaseerd is op de werkelijkheid van deze persoonlijk waargenomen verschijnselen. Op het ogenblik echter dat mijn innerlijke erkenning voor mij de basis wordt van mijn redelijkheid en beredenering, hebben wij wederom een groei van gaven.

3. Op het ogenblik dat ik een harmonie met anderen bereik, welke te-boven-gaat aan mijn zelfvoorstelling, mijn ik-voorstelling, mijn zelfzucht, en mij brengt tot een vanuit het geheel handelen, zal ik eveneens openstaan voor alle krachten rond mij plus alle   krachten van het eigen ik en ook hier zal een groei van gaven mogelijk zijn.

Waar is dan de groei van gaven waar wij  zo veel over praten? Het is dan wel leuk om dat allemaal te zeggen, meer hoe zit het in elkaar?

Ik heb u reeds gezegd: basiswaarden zitten in elke mens. Ik heb u daarnaast verteld dat wanneer er harmonie is tussen de geest en de stof, dan worden die gaven duidelijker, Maar dat is een kwestie van wennen. Je kunt niet zeggen: Nu heb ik een innerlijke bewustwording gehad en nu kan ik ineens al die gaven gebruiken. Iemand, die een tijdlang ziek in bed heeft gelegen, die ineens moet lopen, kan ook zijn spieren niet ineens gebruiken. De meeste van deze “geestelijke spiertjes”‘ – zo zal ik ze maar noemen – deze gaven. zijn niet gebruikt. Hoe vroeger je daarmee begint, hoe groter de kans is, dat een perfecte ontwikkeling wordt bereikt. Want het kind, dat reeds zijn paranormale gaven voortdurend gebruikt, wordt sterker, omdat het meer beheerst; de ervaring, de gewenning, de gewoonten op de achtergrond, maken de gaven groter. Is er sprake bij het kind van één, hooguit twee gaven, die echter voortdurend ontwikkeld en gebruikt worden, zo zal er bij de volwassene sprake zijn van een levensbeschouwing, die zowel voor de daden naar buiten toe als voor de ervaringen naar binnen toe mede bepalend is en hier wordt dan het tussenliggende gebied eveneens geactiveerd.

Nu weet u wel, wanneer u dus slecht kunt lopen en uw armen zijn goed van spieren, dan kunt u zich met krukken toch voortbewegen en daardoor vaak sneller weer komen tot een normaal gebruik van de ledematen. Op dezelfde manier gaat het ook met deze gaven. De primaire gaven, wanneer ze verder ontwikkeld worden, voortdurend gebruikt worden, scheppen dus de voorwaarde, waaronder elke andere gave, die men van node heeft, snel ontwikkeld en sneller beheersbaar wordt.

Wanneer de gave naar buiten toe machtig is – laten wij zeggen, dat u doden kunt opwekken – dan betekent dit nog niet, dat ze van binnen machtig is. Het uiterlijk bereiken is nl. afhankelijk van het aflezen van een harmonische mogelijkheid buiten het ik. Indien u elke dode kunt opwekken, dan bent u buitengewoon sterk. Indien u één keer een dode hebt kunnen opwekken, omdat de omstandigheden buitengewoon gunstig waren en alleen daarom, dan heeft u eigenlijk niet veel meer gedaan dan dat ene zetje tegen een kiezelsteentje te geven, waardoor de lawine aan het rollen kwam.

Hebben wij behoefte aan veel kracht? Nu, eigenlijk niet. Voor ons is veelzijdigheid van begaafdheid veel belangrijker dan een directe enorme energie. Kijk eens: je kunt een telekineet zijn, die in staat is om een auto eventjes uit de weg  te heffen zonder daar verder een vinger voor uit te steken. Maar wanneer je te maken hebt met een menselijk probleem, dan kun je met die kracht niets beginnen. Dan heb je daarvoor telepathisch begrip nodig, je hebt daarvoor aanvoelingsvermogen nodig, je moet doordringen in de ander en diens problemen en dan pas kun je daar misschien wat aan doen. Dat maakt ook weer duidelijk, dat wij dus aan kracht. niets hebben, naar wel aan veelvoudig ontwikkelde gaven.

Nu heb ik u zonet het een en ander verteld over de  deze paranormale gaven en de incarnatie. Daar kun je dan vreemde ontwikkelingen zien. Stel dat iemand vroeger magiër is geweest; hij kan een groot magiër geweest zijn. Hij maakt vele incarnaties door. De magie is emotioneel belangrijk geweest en hij zal dus steeds meer a.h.w. in de richting gaan van een milieu, van een niveau waarop die magie bruikbaar is. Maar maatschappelijk past het misschien niet. De man wordt misschien voddenman of minister en dan heeft hij aan magie niets.  Dan blijft toch de gave wel, maar deze komt niet verder tot uiting. Stel echter  dat hij terecht komt in een kerk, waar hij onder meer ook een duivelbezwering moet leren of waar hij sacramenten toedient of waar hij desnoods alleen maar moet proberen om door het woord iets te bereiken in de harten van de mensen, dan zal deze magische begaafdheid verder ontplooid worden. En wanneer er een zekere kennis daaromtrent aanwezig is, zal in een volgende incarnatie deze kennis zeer snel weer teruggevonden worden.

Misschien mag ik hier ook weer een vergelijking gebruiken. Er zijn gevallen bekend van totale amnesie, waarbij de persoon reverteerde (terugviel) in een bijna prenatale teruggetrokkenheid, maar wanneer hij dus  eenmaal weer belangstelling had voor de wereld, moest hij zijn taal leren; alleen leerde hij die taal in een ontzettend snel tempo en veel vollediger dan ze onderricht werd. Wanneer deze magisch begaafde en geschoolde persoon incarneert, heeft hij de potentie en hij zal alles wat in zijn wereld met de magie te maken heeft, onmiddellijk aanspreken en zo tot voldoende gegevens komen en zal hij vaak de samenbundeling daarvan mogelijk maken, die bij de mensen rond hem en bij zijn leraar nog niet aanwezig was. Hij kan ze samenvatten. Zo gaat het met alle gaven: wat je dus in het verleden hebt gehad, dat leer je gemakke1ijker aan. Alleen is het niet altijd zo, dat wij daaraan grote behoefte hebben en dat is een element, waar wij dus voor moeten uitkijken, de neiging bv. uit prestigebehoeften een bepaalde gave op de voorgrond te zetten, terwijl ze voor onszelf emotioneel en in de relatie met de wereld eigenlijk overbodig is.

Iemand, die wil genezen omdat hij gedreven wordt door het begrip voor het lijden van anderen, doet goed. Iemand, die alleen wil genezen om te laten zien dat hij méér is dan anderen,  doet verkeerd. Want wanneer ik het doe uit harmonie, want dat is dan eigenlijk dat medelijden ook, nl. een vorm van harmonie, van samengaan, dan zal ik door de wijze waarop ik tot uiting breng, de ander ontmoeten, maar gelijktijdig in mijzelf de ervaring emotioneel verwerken. Mijn innerlijke, mijn geestelijke inhoud wordt verrijkt. Deze verrijking straalt terug naar het onmiddellijk gedrag. Er is dus een  grotere potentie om nog wat meer te leren en gelijktijdig zal in de volgende incarnatie dat nieuwe weer aanwezig zijn en ik zal het veel gemakkelijker kunnen opnemen.

Indien dit tot zover duidelijk is, dat zou ik u het volgende ter overweging willen voorstellen:

Je denkt, dat je gaven hebt. Heb je die gave werkelijk nodig? Waarom heb je die gave nodig? Hoe gebruik je die gave? Waarom gebruik je ze op die manier en niet anders? Wat is er in mijzelf, waardoor deze gave belangrijk is?

Een antwoord op die vragen vindt u meestal maar ten dele, maar u moet ervan uitgaan. Op het ogenblik, dat deze constatering aanwezig is, vragen wij ons af: welke andere gaven, die ik tot nu toe niet in mijzelf heb ontdekt of niet heb gebruikt, zal ik nodig hebben, om dat, wat er in mij leeft, helemaal waar te maken? Dat blijkt in het begin een hele verlanglijst te zijn. Dan doet u net als Sinterklaas met een krappe portemonnee: u schrapt voorlopig alle grote dingen weg, dan houdt u een paar kleine dingen over, Doe alsof u die gaven zou bezitten, – een krankzinnige raad natuurlijk – en toch doe eens alsof. Zeg niet tegen  jezelf: Ja, ik zou telepaat moeten zijn, maar kijk naar een ander en zeg: De gedachten, die in hem opkomen, die zullen de anderen ook beleven. Op deze manier train je je. En wat meer is, die training maakt het je op den duur mogelijk 0m volkomen juist te reageren. In de parapsychologie kennen wij verschijnselen van het zgn. echo-spreken, waarbij  iemand woordelijk en gelijktijdig met een ander, die hij nooit gekend heeft, bepaalde dingen gaat zeggen die hij zelf niet eens weet. Hij spreekt wat de ander denkt, dat hij moet zeggen – en dat gaat  vaak zo gelijk – dat je moeite hebt om uit te maken wie van de twee nu het eerste  een lettergreep begint. Dit verschijnsel bestaat onbewust; dat wordt niet beredeneerd tot stand gebracht. Men noemt het een vorm van telepathische mediamiciteit overigens

Wanneer u de gedachten van een ander wilt lezen, dan moet u niet proberen om te formuleren wat die ander precies formuleert. U moet het gewoon over u laten komen, in uzelf laten oprijzen. Wanneer dat geoefend is en voortdurend sterker in u wordt, dan zal daardoor ook het gebruik van een gave of dat nu een gave van helderziendheid is of een gave van geneeskracht of iets dergelijks beter gaan. Naarmate wij meer van onze gaven gezamenlijk kunnen inschakelen, wordt het resultaat naar buiten toe groter en gelijktijdig wordt de werking, die het in onszelf heeft, intenser. Er is dus een intenser, emotioneler en ten dele redelijk bewust-worden, Alle bewustwording is een wisselwerking tussen de mens en de wereld, tussen de geest en zijn wereld. Wanneer wij aan die wisselwerking elementen toevoegen, zal dus de betekenis van de wereld van een ander voor ons veranderen, Dit betekent dat wij een grotere scala krijgen van uitdrukkingsmogelijkheden om onszelf daarin uit te drukken, om ons weer te geven zoals wij zijn.

Men zegt wel eens dat bewustwording toeneemt naarmate de ervaring toeneemt, omdat het geheel van de ervaring noodzakelijk is om de innerlijk ervaren waarden op een meer redelijk vlak weer te geven.

Er kan een ogenblik ontstaan, waarop emotie zodanig redelijk uitgedrukt kan worden, dat het verschil tussen emotionaliteit en redelijk proces bijna wegvalt.  Dan zijn wij bij de ingewijde .

De ingewijde is ook niet begonnen met alle grote gaven en machten. Hij is ongetwijfeld geïncarneerd met een predispositie voor een groot aantal gaven. Maar hij heeft gezocht naar zichzelf en de relatie tussen zichzelf en de wereld. De gaven, die hij nodig had, waren instrumenten, die hij gebruikte om zichzelf in de wereld en de wereld t.a.v. zijn ik a.h.w. nader te leren kennen. Dan komt er het ogenblik dat hij magiër is. Dat hij een groots gebaar maakt en de regen laat vallen waar hij wil. De droogte eveneens doet uitbreken waar hij wil.  Of eenvoudig een boom beveelt te groeien, zodat deze in enkele minuten vruchten draagt, van zaad tot vruchtdragende bomen in misschien 10 minuten.

Dit is allemaal mogelijk. Maar dan is de basis van zijn gaven niet, dat hij deze dingen speciaal wil. De uitingen van een ontwikkelde gave zijn het nevenverschijnsel van een innerlijke erkenning.  Dat geldt altijd, wanneer dus een grotere scala van begaafdheden in een persoon in ontwikkeling is of in die persoon bewust ervaren wordt.

Conclusies:

Het innerlijk wezen omvat, zoals bekend is, het totaal der sferen, gaande van de Godheid en alle verbindingen daarin bestaande tot het isolement bv. van de stoffelijke mens. Al deze waarden in het ik gezamenlijk hebben hun vermogens en hun kracht. Deze vermogens en krachten kunnen eerst tot uiting komen, indien er besef is. Als u kunt lopen en niet weet waarheen, blijft u stilstaan. Het besef is dus in dit geval belangrijk. Men zegt dat de innerlijke doelgerichtheid bepalend is voor de groei van alle gaven, die het ik voor het vervullen van een gesteld doel van node heeft. Er is dus een directe relatie tussen dat, wat je wilt bereiken of wilt erkennen, en de ontwikkeling van de gaven in je.

Wanneer het ik in staat is de beperkende ervaringen en erkenningen van één vorm uit te  schakelen, zullen volgende vormen zich volledig kunnen uitdrukken en volledig waar  kunnen maken in het ik,  ook in het ik dat beperkt was. Het vergeten van beperkingen is bepalend voor het optreden de begaafdheden, niet het wegvallen van de beperkingen in de materiële zin. Daaruit vloeit voort dat alle innerlijke bewustwording, erkenning en doelgerichtheid bepalend zijn voor de groei van welke gave dan 00k.

Wanneer je namelijk in de sferen bent, dan zijn gaven zoals je die menselijk ontwikkeld hebt, ook geestelijke paranormale gaven, iets heel gewoons. Maar het feit, dat je ze reeds gebruikte, geeft je de mogelijkheid ze onmiddellijk in volle kracht in je wereld te gebruiken, in je sfeer dus. De ontwikkeling van gaven op aarde heeft dus een zeker voordeel. Wat de bewustwording betreft is het precies  hetzelfde. Naarmate wij meer beperkingen van ons bewustzijn (zgn. zekerheden) terzijde weten te stellen en a.h.w. onthecht zijn ook t.a.v. idealen en waarheden zullen wij een geestelijke waarheid gemakkelijker kunnen aanvaarden.

Ik kan u nooit aanbevelen om neutraal te zijn. Neutraliteit is meestal geen besef, het is ook geen teken van sterkte of zwakte. Neutraliteit is isolement. Maar hij, die vecht, mag zijn tegenstander erkennen, eren en waarderen. Elk leven is een strijd tegen de wereld en verdeeld in jezelf. Als je de waarde van die wereld en van al die delen van jezelf, waar je niet zo trots op bent, ontkent, kom je nergens. Wanneer je toegeeft dat ze er zijn, aanvaardt dat ze zin en betekenis hebben, dan komt het ogenblik, waarop juist het wegvallen van de grens van het wel en niet mogen geestelijk eveneens grenzen doet wegvallen.

Er zijn tenslotte mensen op aarde, die voortdurend een ander bij zijn knoopsgat pakken, omdat zij een uitingsnoodzaak hebben en die op deze manier proberen waar te maken. Maar een uitingsnoodzaak zal geestelijk in feite betekenen: de behoefte tot een volledig contact met een bepaalde sfeer, met bepaalde entiteiten. Op het ogenblik dat de mensen denken: ik kan mij zo daaruit praten, gaat het niet. Op het ogenblik dat zij begrijpen dat het onbelangrijk is dat zij zich tegen een bepaalde persoon uiten, maar dat de uiting – al doen ze dat desnoods tegen een boom, tegen een hond, een kat of alleen maar in de verre verte – op zichzelf bepalend is, dan vallen de grenzen weg. Dat is voor ons allemaal een beetje eenvoudiger dan het lijkt.

De mens vergeet maar al te vaak dat in elk leven en in elke geestelijke ontwikkeling, in elk proces van zelfbeschouwing en zelfontdekking een groot aantal dingen nodig schijnen te zijn, die stoffelijk moeten worden waargemaakt. Maar zijn ze wel nodig? Het is geloof ik, niet noodzakelijk iets uit te spreken om iets te weten. Het is niet noodzakelijk iets in puin te slaan om te weten dat het breekbaar is. Op dezelfde manier is het heel vaak niet noodzakelijk iets volledig te uiten om toch de volledige harmonische waarde en erkenningswaarde daarin te vinden.

In de geest is het heel eenvoudig. Je ontdekt in Zomerland al dat het uiten van bepaalde denkbeelden eigenlijk alleen maar energieverspillend is. Wanneer je uit bent op een snoepje en je wilt een bonbon kopen, dan kan dat, maar het kost jou je kracht. Die kun je beter voor iets anders gebruiken. Dus stellen wij alleen: de herinnering is in mij en dat was goed. Ik behoef het niet te herhalen, want het is in mij en ik kan het voortdurend beleven, Dan heb je energie over voor iets anders.

Zo is het in uw leven heel vaak. U brengt dingen tot uiting omdat u ze bevestigd wilt zien, terwijl de bevestiging in wezen is gelegen in datgene  wat er in u bestaat aan denken, aan verlangen, aan emotie, aan aanvoelen en misschien aan een hogere waarde. De energie, die u overhoudt, is juist de energie, die u dan via de zgn.  gaven. tot uiting kunt brengen.

Een mens, die diep begaan is met de wereld vanuit zijn eigen standpunt, zal zelden een goed medium zijn voor de geest.  Hij is gewoon te eenzijdig. Iemand die voortdurend opgaat  in het lijden van anderen, zal over het algemeen geen goed geneesheer zijn, want hij is niet in staat tot een zekere objectiviteit te komen t.a.v. het verschijnsel “lijden” en zal dus niet volledig juist kunnen of durven ingrijpen. Een medicus moet zijn patiënt menselijk, als mens behandelen, maar diens ziektesymptomen moet hij behandelen als “mechanische” (zonder emotie) zaken. Want op het ogenblik, dat hij erin opgaat en medelijden heeft, dan wordt hij bang om een ingreep te doen en maakt hij veel fouten, Als je je dat gewoon gaat realiseren, dan is het heel eenvoudig: Wanneer in ons de gaven moeten groeien, dan betekent dat ook dat wij de essentie moeten nastreven en dat wij ons niet voortdurend moeten binden aan de details.

Als je nu in jezelf verdergaat, dan komt er een ogenblik dat je zegt: Ja, hier ben ik wel, maar ik weet eigenlijk niet hoe of wat? Dit is het begin misschien van een toestand van onthechting, ook wel het bereiken van het prajnana. Dat wordt dan gesteund bereikt, omdat je jezelf daar niet in stand weet te houden. Het is de onthechting, de weglating van een hele hoop dingen, en zolang je deze dingen niet nodig hebt om te bevestigen wat je bent. Bij die innerlijke gang naar boven toe nemen wij zoveel ballast mee, zodat wij elke keer terugvallen. Want wanneer ik mijn waarheid nodig heb om duidelijk te maken dat hetgeen ik innerlijk bereik waardevol is, verlies ik het al. Met de gaven is het precies zo. De gave is alleen maar de weerkaatsing van hetgeen ik innerlijk bereik. Het is a.h.w. de aanvulling daarvan.

Dan zou ik misschien ook mogen zeggen, dat de mens, die in zich leert elke verklaring over rationalisatie voor het innerlijke beleven terzijde te stellen, daarmee komt tot grotere harmonische mogelijkheden voor alle werelden en sferen, waarmee hij verbonden is en tot een juistere beleving van dat deel van het ego dat hij nog niet bewust kan omschrijven.

Heeft u opgemerkt dat wij zijn teruggekeerd naar de groei, de groei van de gave? De gave is eveneens iets dat niet redelijk kan worden overzien. Zodra je er over gaat denken (u hebt het wel bij genezing bv. :”is het nu beter of ik zo doe of anders?”) daarover gaat praten, laat de handen dan maar vallen, want dan kan je zus niet, en zo niets meer. Wanneer u zegt: Ja, ik weet eigenlijk niet waarom, maar ik zal het op deze wijze maar aanpakken, dan gaat het goed. De redenering is daar niet bij, de verklaring is er niet. Dat geeft je juist de mogelijkheid, om tot de hoogste niveaus van je eigen kunnen te gaan,  van je eigen innerlijk vermogen. Alles wat in een korset zit, dat ziet er wel mooi uit, maar het is meestal zo ingesnoerd, dat het aan bewegingsvrijheid heeft ingeboet. Wat wij nodig hebben is een maximum bewegingsvrijheid voor elke gave, die wij bezitten. En wij hebben vooral nodig een wegvallen van de grens tussen bepaalde begaafdheden. Wij moeten niet zeggen: Ik ben helderziend en hij is helderhorend. Dan gaan wij zeggen: ik zie, ik zie en wat hoor jij? Dan wordt het een film over Mozart met beatmuziek of iets dergelijks. Dat heeft geen zin. Neen, ik zie, daar moet een boodschap zijn; wat rijst er in mij op? Gewoon, een boodschap is er. Dus zij moet komen. Klaar, dan hoor je deze boodschap. Zeker, het begint flauw en aarzelend, naar het wordt steeds sterker. Wanneer je zegt: Ik moet uittreden, dan kun je dat natuurlijk doen volgens een bepaald systeem: weet u wel, ik rijs boven mijzelf uit, ik stel mij dat voor, ik stap het bed uit en ik kijk naar mijzelf en ik stap er weer in. Waarvoor ben je dan eigenlijk je nest uitgekomen? Het is toch veel eenvoudiger om te zeggen: Daar is een sfeer, een wereld, een entiteit en ik voel iets, daar ga ik naartoe. En dan het rustig over je laten komen. Zeker, dan kun je het niet precies beredeneren, maar je kunt het steeds herhalen, wanneer er maar een voldoende affiniteit, een zekere harmonie aanwezig is. Naarmate je het nl. meer doet heb je minder behoefte aan de verklaring.

Als je een kind voor het eerst vraagt: wat is 2 + 2, dan zegt het: dat is twee, dat is één, twee, drie, vier. Maar wat zegt u? Vier. U denkt er niet eens over na, u maakt niet eens de som, het antwoord vier komt direct. Kijk, zo is het bij een gave. De gave is iets wat spontaan moet functioneren. Het is iets dat vanuit zichzelf plotseling actief kan zijn, waarbij juist omdat wij geen grenzen stellen, omdat wij de redenring niet gebruiken, zich ten volle ontplooit en niet meer uiteenvalt in verschillende vakjes, waarvan we er één wel hebben en één niet. Bovendien zullen wij een ervaring opdoen, die omvattend is. Ze blijft niet beperkt tot een terrein, zij is omvattend. Dankzij deze omvattendheid en dus de emotie, de intuïtieve ervaring en erkenning in het ik, komen wij later tot een redelijke weergave van hetgeen wij zijn geweest en wat wij hebben gedaan. Zolang wij die gebruiken om voor ons die toestand te omschrijven, is dat prima in orde Maar op het ogenblik dat wij die innerlijke ervaring omzetten tot een systeem en zeggen: dus is het altijd zo, hebben wij meteen de kraan weer dichtgedraaid; dan gaat het niet meer.

Gaven groeien door een toenemende harmonie tussen geest en stof. De zgn. logische en redelijke benadering van het geestelijke probleem, zal bij het gebruik van gaven alleen maar een belemmering vormen voor de verdere ontplooiing daarvan, ja zelfs soms voor het verdere gebruik ervan.

Dan komen wij tot de eindthese:

    1 .  De gaven zijn in ons allen, wij moeten ze aanvaarden als aanwezig en niet beredeneren, waarom zij al of niet aanwezig zouden zijn.

  1. Wij moeten trachten die gaven te gebruiken zonder ze op één bepaald punt vast te leggen,
  2. Door het gebruik van deze gaven ontstaan ook redelijke inzichten, die niet bepalend zijn voor de absolute waarde en werkelijkheid van de gaven of de betekenis daarvan in de wereld, maar die het ons mogelijk maken te beseffen, wat zich in en rond ons afspeelt, zodat de bewustwording gepaard gaat met een diepere zelferkenning, zelfs een juister wordende zelfanalyse in sommige gevallen, terwijl de ontplooiing van de gaven op zichzelf een voortdurend grotere harmonie met wereld en sferen tot stand brengt, waaruit voortdurend nieuwe gegevens en krachten voor het ik terugkeren in het ik en zo de waarde daarvan en de mogelijkheid daarvan voortdurend uitbreiden. Dit proces kan zich door vele incarnaties achtereenvolgens voltrekken en zal tenslotte altijd resulteren in een bewuste erkenning van eigen wezen en daardoor een bewuste harmonische ervaring van de kosmos (een proces van onthechting of onthechtheid) en vandaaruit de beheersing, die deel uitmaakt van het Al.

Mystiek (beschouwing)

Ergens op de achtergrond van alle denken en alle leven ligt voor de mens een soort mystiek. Je weet eigenlijk niet precies hoe het mogelijk is. Het ene ogenblik ben  je nog gebonden aan alle materie en dan ineens, dan lijkt het alsof je los bent van de tijd en van de ruimte en dat je alleen maar opgaat in het een of ander, dat je niet eens omschrijven kunt. Soms ben je zo gelukkig alsof je in de hemel bent en soms lijkt het alsof je boven de afgrond van de hel zweeft.

Er zijn altijd weer krachten, die je dan ontmoet en het is een Unio Mystica, een mystieke versmelting en je weet toch niet eens wat er eigenlijk aan de hand is. Je vraagt je wel eens af, of dat nu menselijk en ook geestelijk zo hier en daar eigenlijk nog te verklaren valt.

Achter ons ligt de wereld met alles wat er heel normaal aan de hand is en de kleinste kleinigheid vervreemdt ons  van het geheel. Horen wij dan niet thuis in die wereld? Er zijn een hele hoop theorieën over. Er is iemand die heeft het ongeveer als volgt gezegd: “Wij behoren tot de eeuwigheid en daarvan afgezonderd leven wij in de tijd, maar aangetrokken door het sterke magnetisme van de werkelijkheid, waartoe wij behoren, gaan wij zo nu en dan toch terug tot onze oorsprong, ofschoon wij nog niet blijvend deze kracht kunnen verdragen. Ik vind het erg mooi gezegd. Het is natuurlijk een beetje raar als je probeert om het beter te begrijpen. God is een soort enorme magneet, wij zijn een naald en dan zo ineens floep daar zitten wij op die magneet en tegen de tijd dat wij er zijn, vallen wij weer weg. Het moet zo’n elektromagneet zijn met onderbrekingen in de stroom. Dat is een beetje raar. Een ander probeert het weer op zijn manier te zeggen: “Ach, wij leven in een werkelijkheid, die door onszelf vervalst wordt door de schijn en wanneer wij een ogenblik de schijn vergeten en met de werkelijkheid één worden, dan vergeten wij onze beperktheid en onze beperkingen en gaan op in de mystieke werkelijkheid.” Natuurlijk  heel erg leuk. Maar zo iemand, die vergeet te eten, te drinken en vergeet dat er mensen zijn, vergeet alles. Is het allemaal niet van belang? Als je geen eten en geen drinken hebt, dan kun je wel zeggen, dat het schijn is (eten en drinken) maar ik heb zo ’n idee, dat je het op aarde niet lang uithoudt. Maar als je zegt dat alle andere mensen maar droombeelden zijn, dan is de kans heel groot, dat je ook in een gekkenhuis belandt of dat je op een gegeven ogenblik ondergaat aan je minachting voor het andere Ook dat lijkt mij nog niet direct een omschrijving van de mystieke eenheid.

Misschien ligt er nog het meest in iets wat een alchemist een keer heeft neergeschreven, zo ongeveer in 1580. Hij schreef nl.: Op het ogenblik dat de levenskracht die in ons is, verbonden raakt met de krachten van het Al,  ontstaat een besef van een nieuwe wereld,  die meer omvattend is dan onze ‘normale’ wereld en in deze meer-omvattendheid vergeten wij de bijkomstigheden, waaraan wij normaal onderworpen zijn. Kijk, dat zegt  mij wel iets. Eten en drinken zijn nodig op aarde, maar zij zijn bijkomstigheden. Wanneer ik in contact ben met een hogere wereld, dan heb ik die methode niet nodig om levenskracht voort te brengen. Dan kan ik gewoon alles conserveren wat er in het lichaam is en dan doet het het toch wel. Daar is iets voor te zeggen,

Ja, en dan het denkbeeld van die mystieke vereniging, ook het versmelten van dingen, die dus een nieuwe eenheid vormen en toch eigenlijk zichzelf blijven. Daar voel ik ook wel wat voor. Er zijn een hele hoop stoffen, die bestaan uit moleculen, die wel degelijk hun eigen samenhang behouden, maar die alleen gekoppeld worden met andere moleculen en met die moleculen tot gezamenlijke moleculaire rotatie komen. Dat is dan naar buiten toe een stof met nieuwe, met andere eigenschappen. En toch, als je het goed bekijkt, is het alleen maar een fusie die, wanneer zij gebroken is, het geheel weer uiteen doet vallen in precies dezelfde elementen. Neem nu water bv. Als je in water elektriciteit bereidt, dan ontstaat er weer H aan de ene kant en 2 keer O aan de andere kant (waterstof Hydrogeen en zuurstof =  Oxygen) en toch  zijn de twee gassen qua eigenschappen totaal  verschillend van water. Ik denk dat het met ons ook zoiets is.

Onze Mystieke Unie is het één worden met het andere, als dat  andere dan ook omschreven moet worden, dan moeten wij weer een eindje verderop in de tijd gaan, dan komen wij zo ongeveer terecht in 1920. Toen was er namelijk een filosoof, die zijn mystieke ervaring ongeveer als volgt verklaarde:

“Ik ben een groot ego en van dat groot ego is een klein gedeelte geopenbaard. Dat is wat ik nu denk te zijn, Maar soms wordt ik mij bewust van de eenheid van het totale Ik. Dan is het kleine ik dat ik nu ben, op zichzelf onbelangrijk geworden, ofschoon het deel blijft van het geheel.”

Daar zit iets in. De Mystieke Unie niet gezien als de vereniging met God 0f zo, De mensen maken het altijd zo erg gemakkelijk. Als er een mystieke eenheid ontstaat op een gegeven ogenblik, dan is dat  de Heilige Geest misschien met de hele familie erbij en die versmelten dan met jou tot het ogenblik dat je wijs geworden bent en dan hup, dan gaan ze weer weg.   Net als spreeuwen die eventjes wat gepikt hebben. Dat is allemaal zo mooi, zo vroom. Als je zegt: Ik keer terug tot mijn werkelijke ik, dan is dat voor mij eigenlijk de verklaring van een mystieke beleving.

Wanneer ik vanuit mijn eigen standpunt als geest kijk naar uw wereld, dan weet ik wat hier op het ogenblik openbaar is, ongeveer – van mijn standpunt uit – iets meer dan 1 procent van  mijn werkelijke wezen.

De rest zou ik nl. niet stoffelijk kunnen openbaren of uiten. Maar gelijktijdig is er rond mij een onbekende wereld. Met die onbekende wereld kan ik versmelten op een gegeven ogenblik: dat is mijn mystieke ervaring. Maar dat ben ik dan toch ook. Zo goed als wat ik hier op dit moment voor u tot uiting breng (overigens – ik geef het graag toe – met betrekkelijke beheersing van de persoonlijkheid) (Henri) , dat is  toch tenslotte precies hetzelfde of ik nu in de hoogste sfeer ben, of dat ik als mens zou leven, het is evenzeer ik. Het is alleen maar een beperkt deel ervan. Dan krijg ik het gevoel dat ik ergens het tijdloze (daar wordt altijd mooi over gepraat, ik kan het mij niet voorstellen, waarom zou ik daarover praten) zoveel mogelijkheden gelijktijdig heeft, dat ik dat zoals ik nu ben, niet helemaal kan verwerken. Ik zal los moeten komen van mijzelf om mijzelf te kunnen zien en ik heb nog geen spiegelbeeld gevonden.

Zeker, daar zijn ook veel mooie theorieën over. U kent het verhaal wel: Wanneer je gestegen bent door alle sferen, dan wandel je tenslotte in het duister en je loopt en je loopt; en dan in het donker  zie je tenslotte een klein lichtje, daar strompel je dan naartoe, zo ongeveer als de Drie Koningen van Timmermans. Als je daar dan komt, dan is het geen kerststalletje, neen, dan kom je jezelf tegemoet. Dat is een mooie voorstelling. Maar dan moet ik dus afstand hebben gedaan  van mijzelf. Er is een splitsing. Maar zolang er een splitsing is, is de mystieke eenheid voor mij niet te verwezenlijken. Ik wil werkelijk de absolute eenheid vinden. Die eenheid wordt dan op aarde op allerhande manier weer verklaard.

U kent allemaal de geschiedenis van de Steen der Wijzen waarschijnlijk. Als je die kunt maken, dan kun je niet alleen goud maken van lood (overigens iets waar Nixon op het ogenblik heel wat voor over zou hebben), je kunt dan eigenlijk alles doen. Je kunt de sferen doorzien,  je kunt de geesten beheersen, de toekomst ligt voor je open. Je hebt alle wijsheid, je hebt alles. En als je nog vraagt: “Wat is de Steen der Wijzen?” dan krijg je een hele receptuur, waarin wordt gesproken over verschillende zwavels van de mens en wat je daar allemaal bij moet voegen. Maar herleid tot heel gewone termen betekent dat eigenlijk: De Steen der Wijzen is het eeuwige in mijzelf, gevoegd bij het tijdelijke in mijzelf, waardoor ik deelhebbend aan alle dingen, het facet van mijn wezen, dat op dit ogenblik noodzakelijk is voor uiting, naar voren kan brengen, zonder daardoor de eenheid van de totaliteit te verliezen, zodat ik het totaal kennende op elk punt, mijzelf kan uiten en de kracht van het totaal bezittende, over de kracht zal beschikken, die op elk punt noodzakelijk is. Dat is dan de Steen der Wijzen. Het klinkt erg onwijs, wanneer je het daarover hebt. Het allemaal legende.

Ik zit graag in de gelijkenissen en dan denk ik onwillekeurig aan de Golem. De kunstmens,  die door de wonderrabbi van Warschau werd gemaakt. Nu gaan we kijken wat dat is. Hij boetseert dus uit aarde een mens. En hij schrijft op het voorhoofd de Shin, de heilige naam. Als de Godsnaam daarop staat dan leeft de Golem. Als deze wordt weggewist, dan valt hij weer in aarde uit elkaar.

Misschien is het bij ons ook zo. Misschien zijn wij een soort van Golems. Als je kijkt naar de oude legende in de Bijbel, dan zie je: “De goede God zag alles en zei: Laat ons ook een mens maken. Hij nam aarde, kneedde die en vormde daaruit de mens en blies hem Zijn adem in.”

Dan zit ik voor mijn gevoel heel dicht bij die Golem. Want wat deed die rabbi Löw? Rabbi Löw ademde op de Golem en schreef de naam van God, dus  het principe van een Al weer. Zolang in ons het principe van het Al niet aanwezig is, zijn wij eigenlijk een beetje dood. Zijn we biologische robots, méér niet. Maar op het ogenblik dat die Godsnaam in ons werkt, leven wij. En wij kunnen een taak vervullen. Bij de meesten van ons in de geest is het zo dat je denkt: Ik heb een zekere taak te volbrengen, ik weet wel niet precies hoe en waarom, – dat wist de Golem ook niet – Hij wist ook niet waarom de rabbi hem naar het paleis stuurde. Maar de taak is er. Ik word gedreven tot iets. Maar dan komt er een ogenblik, (je zou je het kunnen voorstellen) waarin de naam niet meer van buiten staat, dat die naam wordt weggewist en dat die naam in het wezen is.

Op het ogenblik, dat die naam in het wezen is , is dus de Golem een levend wezen geworden dat zelfstandig leeft, dat ook niet meer vernietigd kan worden; niemand kan meer zeggen: Ik haal met een formule die naam weg en het is afgelopen. Ik heb zo het gevoel (misschien kan ik mij vergissen) dat wij eigenlijk een vorm zijn, die oorspronkelijk is geschapen door een God. Maar niet geschapen om vandaag of morgen vernietigd te worden, maar geschapen eigenlijk om het begrip dat op ons is geschreven, in onszelf terug te vinden: de Goddelijke naam onszelf in uit te schrijven en daardoor komen tot de onafhankelijkheid van bestaan. Zeker, dan kunnen we altijd aannemen dat als de schepping ten onder gaat, wij misschien ook nog ten onder zullen gaan, maar er is geen kracht meer, die ons vernietigen kan. En dat lijkt mij nu de mystieke beleving te zijn.

Wanneer wij bezig zijn om datgene, wat buiten ons is, in onszelf vast te leggen als de levende kracht, als de eeuwigheid, dan moeten wij ontrukt zijn aan alles wat buiten ons is en dan moeten wij die enorme energie, waaruit dat leven is ontstaan, in onszelf herbeleven. Wij zijn het zelf. Het is niet een God, die afzonderlijk wordt beleefd of ervaren of waarin wij zo opgaan, dat er niets overblijft.  Maar het is de kracht van deze God, die in ons gevormd wordt en die nu een perfect deel wordt van onszelf en daardoor in ons — zo zie ik het in mijzelf – een zekere onafhankelijkheid schept.

Het is heel vreemd, in het meeste mysticisme stelt men een zekere afhankelijkheid. De Christelijke mystici beleven de Christus, zij gaan op in het leven van Jezus en in het lijden van Jezus en vereenzelvigen zich daarmee en krijgen desnoods zelfs stigmata, wondmerktekens en alles, maar ergens blijven zij afhankelijk ervan. Ik denk dat je juist een stap verder zou moeten gaan. Niet: ik weerspiegel het lijden van de Christus, maar: ik lijd als en met de Christus. Dus niet: ik ben afhankelijk daarvan, ik weerkaats het. Neen: ik ben er één mee door het in mijzelf even waar te maken als het ooit buiten mij geweest zou kunnen zijn. Dan heb je geloof ik, werkelijk die mysterieuze, mystieke vereniging. Niet: ik ben één met de Christus omdat ik een soort spiegelbeeld van hem zou willen zijn, omdat ik mij aan hem overlever. Maar: ik deel in de kracht van de Christus, ik sta naast hem. Niet met het idee: ik ben meer dan jij, of: ik heb je niet meer nodig, maar om dezelfde last, dezelfde macht, dezelfde kracht te dragen.

Een goed Christen is niet iemand voor mij, die voortdurend de leer van Christus aanhangt, maar dat is iemand, die bereid is voor de mensheid ook tot aan het kruis te gaan. Dat klinkt misschien een beetje vreemd, maar ik geloof echt dat dat de mystieke unie is: het worden als, gelijk worden aan misschien. Dan zal je zeggen: Je kunt nooit gelijk worden aan God. Daar heb je gelijk in. Je kunt nooit gelijk worden aan de totale God, je kunt het ook niet omvatten, maar kunnen gelijk worden aan een deel, een functie van God. Wij kunnen zelfstandig en bewust en toch gevuld met die Goddelijke kracht, een deel worden van het Goddelijke en dan toch als persoonlijkheid die taak uitoefenen.

Misschien kan ik het zo zeggen: Je hebt een hele hoop engelen, sommige aartsengelen en een gehele bureaucratie daarvan, maar dan zeggen ze bv.: daar is Gabriël, dat is de boodschapper. Dat is iemand, die een deel van Gods wil openbaart. Het is Gods wil en Gods woord, maar het is Gabriël, die het doet. Als Gabriël dus de mystieke Unie met de Godheid bereikt, dan is het Gabriël die spreekt, omdat hij is als God in dit opzicht. Dat is een heel verhaal. Je zou dat nog veel verder kunnen uitbreiden.

Alle dingen, die er zijn in het leven, van het kleinste af tot het grootste toe, bestaan uit het onderscheid: dat ben ik wel en dat ben ik niet. En wanneer wij samenkomen, dan is het nog: dat ben ik wel en dat ben ik niet. Twee mensen kunnen huwen, zij kunnen honderd jaar met elkaar samenleven – als ze zolang leven – en dan blijven ze toch altijd nog zichzelf. En een enkele maal heb je mensen, die met elkaar in contact komen en die – zonder dat je weet hoe het eigenlijk gaat – een soort psychische osmose van elkaar overnemen. Wanneer die weggaat, dan zijn zij allebei a.h.w. qua inhoud twee personen en toch blijft de eigen persoonlijkheid bestaan, Dat lijkt voor mij de mystieke unie eigenlijk uit te drukken: jezelf blijven, maar gelijktijdig iets worden dat meer is dan jezelf bent.

Wanneer je de Steen der Wijzen hanteert, dan kan je dus bevelen geven aan allerlei natuurgeesten, maar je bent toch één met die natuur. Op het ogenblik dat ik mij bewust ben van al wat er gebeurt in de atmosfeer, wat er is in de elementen, met al die elementalen, dan behoef ik niet eens te bevelen, dan is mijn besef gelijktijdig de uitvoering in de natuur. En wanneer zij zeggen: Ja, je kunt het rijk van de schaduwen betreden (van de doden bedoel zij dan) ook met de steen der wijzen kun je nl. alle sferen binnengaan, zegt men wel eens. Ik ben dus in al die sferen. Ik ben bewust van al die sferen, ik ben en ik blijf mijzelf, maar er zijn zo veel facetten aan mijn persoonlijkheid, dat ik door elk facet een andere wereld kan zien.

Er is een schrijver geweest, die heeft een heel aardig voorbeeld gegeven. Hij ging uit van een tesseral, dat is een vierdimensionaal uitgeslagen kubus. Hij zei: Kijk, op het ogenblik dat je dat doet, heb je op elke zijde ook een andere wereld, want dat zijn andere dimensies. Dus je komt steeds op een andere plaats, in een andere wereld, in een andere kracht terecht. Wij zijn de kubus. Die kubus op zichzelf is alleen maar een ding dat staat, maar in ons zijn al die vlakken, die uitgeslagen kunnen worden. In de tesseral is de kubus aanwezig, het is zelfs de basisstructuur daarvan, alleen vierdimensionaal uitgedrukt. Dan zou ik zeggen: Die Steen der Wijzen is dus datgene wat in ons ontstaat, wanneer wij de mogelijkheid vinden om ons vierdimensionaal a.h.w. te presenteren. Wij hebben die dimensies, zij zijn in ons verborgen. Brengen wij ze naar buiten, dan openen zich plotseling alle werelden en krijgen wij allerhande krachten en allerhande gezag. Maar om dat te kunnen doen, moeten we eerst één-worden met die vierde dimensie. Wij moeten aan ons zijn, aan ons wezen, ons bestaan, ons begrip, die nieuwe factor toevoegen.  En dat is dan eigenlijk die unie, waarover ik het  heb. Dat is ook die mystieke ervaring.

Als er honderd dimensies zijn in het AI, dan heeft u honderd dimensies. Maar u kent er maar drie van, omdat er drie aan de buitenkant zitten. De rest zit binnenin. Wanneer je één dimensie verder naar buiten kunt brengen, dan heb je een nieuwe wereld, dan heb je nieuwe mogelijkheden, dan is alles veranderd. Dan kunnen we zeggen: Dat is niet meer verklaarbaar. Je kunt het beleven in de vierde dimensie niet menselijk uitdrukken. Ik weet hoe moeilijk het is.

Wij leven in de geestelijke wereld. Dat is ook anders-dimensionaal eigenlijk dan de uwe en nu kunnen wij er veel over praten – dat doen wij dan ook vaak – ,maar precies zeggen wat het is (die 4de dimensie), dat kun je niet. Je kunt wat gelijkenissen aanhalen. Je probeert een idee ervan te geven, maar het gaat er allemaal net langs heen; het is net niet helemaal de waarheid. Dat is nu mystiek. Dan komt er een ogenblik, dan praat je en straal je iets uit en dat heeft eigenlijk niets te maken met wat je zegt. Maar het vult het aan en het vreemde is dat de mensen iets gaan begrijpen wat niet gezegd is en niet te zeggen is, omdat ze een gevoel krijgen dat, gepaard aan het begrip, een beeld van een nieuwe wereld geeft. Dat is ook een soort mystieke manier. Dit is alleen maar een poging om duidelijk te maken hoever je kunt komen als mens en hoever je kunt gaan.

En  nu deze tijd: Binnenkort kerstmis, De kerststol is al gebakken. De kerstbomen zijn grotendeels reeds opgetuigd, sommige kerstboomverkopers zijn ongetwijfeld reeds afgetuigd. Kortom: alles ademt vrede op aarde en goede wil. Maar het is gelijktijdig een tijd met tamelijk sterk wit licht. Een licht van werkelijkheid, van waarheid. Wij kunnen die werkelijkheid en die waarheid niet zien, zoals je het licht ook niet kunt zien, maar je kunt het aanvoelen, je kunt het beleven. Dan kun je zeggen: dat is een vorm van mysticisme, wanneer je dat wat je aanvoelt en beleeft gaat vertalen in de termen van je eigen wereld, waarin je leeft, dat is mogelijk. Maar dat neemt niet weg, dat het er is. En als dat witte licht van een kerstfeest in u beleefd wordt, dan is er geen sprake meer van kerstmis, maar dan is er sprake van iets anders, van een soort Goddelijke geboorte van Jezus zelf of zoiets. Je vertaalt het in de termen van beierende klokken, stille nacht, heilige nacht en al die andere dingen. Dan denk je misschien dat je er iets van hebt gezegd, maar eigenlijk heb je niet gezegd wat je beleefd hebt.

Het is de beleving, die de waarheid is en rond deze dagen zijn voor een hele hoop mensen deze belevingen mogelijk. Het is dan hoofdzakelijk emotioneel, dat weet u wel. Het zijn “gevoelsmomenten” van enorme eenzaamheid of van de verrukkingen, het even ondergaan van een kerstviering van vrede,  die – als je de wereld bekijkt – een illusie is, maar die je voor dat ene ogenblik als waar aanneemt. Dat is de sleutel.  Maar wat je beleeft, gaat veel verder. Want wat je beleeft heeft niets te maken met kerstmis en niets met Pasen en niets met Pinksteren. Het heeft te maken met alle tijden en met het geheel van je eigen wezen.

En dan komen wij als vanzelf weer bij het  “superego” terecht. Superego is eigenlijk het grote geheel, waar je deel van bent. Ik geloof niet dat je verder kunt gaan dan dat wat je in de schepping bent. Maar het geheel daarvan door alle tijden, door alle werelden, door alle sferen, krachten en toestanden heen, dat is aanwezig, ook nu. En wanneer je de mystieke beleving van een kerstfeest hebt, dan ben je ergens binnengetreden in jezelf en als je dat zelf dan niet van je afschuift als iets wat later komt of wat met God te maken heeft, (waar God niet allemaal de schuld van krijgt, dat is verschrikkelijk gewoon!) of dat het alleen maar een openbaring is of een gezicht of een profetie, maar gewoon zegt: Ja, dat is een stuk van mijzelf, zou je dan misschien niet die eenheid. kunnen verkrijgen met je ware ik? Ik heb zo het idee dat ik toch wel een beetje anders ben geworden dan ik vroeger was. Vroeger leefde ik in een vakjeswerelds: hier zat Jan, daar zat Piet en daar Sinterklaas, daar de Kerstman, daar de lieve God. Allen in een mooi vakje, elk op zijn eigen manier. Nu ben ik eigenlijk terechtgekomen in zo’n soort Olympiadewereld: allemaal cirkels, die elkaar doorkruisen in verschillende kleuren en hier ben ik nu. Maar op een gegeven ogenblik ben ik Piet en aan de andere kant ben ik ook de Kerstman, Sinterklaas en misschien zelfs de lieve God zelf. Ik weet niet meer waar mijn eigen grens is. Ik weet wel dat er andere dingen zijn, die ik normaal zie als buiten mij staand, waarmee ik op een gegeven ogenblik één word, die a.h.w. overlappen met wat ikzelf ben.

Wij hebben zo het gevoel dat daar eigenlijk de waarheid begint door te schemeren. Ik zal u een gek beeld geven van wat volgens mij de  mystieke werkelijkheid is.

Toen God de schepping zag, zei Hij: Laten wij voor onszelf een maliënkolder maken. Hij heeft alle krachten tot ringetjes gebogen en ze netjes door elkaar gevlochten, zodat er een niet meer te doordringen gewaad ontstond. Dat gewaad was de uiterlijk schepping. Deze uiterlijke schepping verhult de innerlijke schepping (maya). Maar in die uiterlijke schepping zijn er allemaal ringetjes, het sluit allemaal in elkaar, je kunt eigenlijk niet eens zeggen: Hier houdt het op en daar begint het. Het zijn allemaal dingen, die in elkaar lopen en met elkaar verweven zijn en in die verwevenheid de grote werkelijkheid tot stand brengen.

Dit is allemaal ook mysticisme. Het klinkt allemaal zo leuk. Je zou zeggen: Het is bijna rationeel. Neen, het is helemaal niet rationeel. Maar in dat onredelijke dat je zo redelijk mogelijk naar voren brengt, zit de werkelijkheid.

Indien u gelooft in de kracht van God, dan. kunt u aan de kracht van God niet waarlijk geloven, als u niet gelooft aan de kracht in uzelf. Een mens, die niet in zichzelf kan geloven, kan ook niet God geloven. Want je kunt de schepping niet van je afschuiven, je kunt ze alleen dragen, wanneer je gelooft aan God, aanvaardt dat die kracht volledig in je is. Ga je dan niet afvragen, of dit wel of niet mogelijk is, maar vraag daarom diep in jezelf of het juist is. En als diep in  je gezegd wordt: “Het is juist” dan maak je desnoods van lood, goud.  Als dat goed is, dan kun je dat doen. Je beperkingen overwinnen door  de eenheid te aanvaarden met de kracht waaruit je bent en die je ook eigenlijk bent. Dat is mijn raad..

In het komende jaar zult u heel vaak zitten kijken met klapperen de oren; zo van: Tjonge, tjonge, waar gaat het naartoe met de wereld? Dan gaat de wereld van uw standpunt wel naar de haaien. Zeg dan niet meer: Foei en ach, ik kan toch niets, maar vraag jezelf innerlijk af: Wat is nu werkelijk juist? Wat is waar? Wat voel ik in mijzelf aan kracht? En dan doe je dat, dan stuur je de kracht uit. Dan moet je eens zien, wat je allemaal in zo’n verwarde tijd tot stand kunt brengen. Voor iemand, die beginnen wil, is een periode van wit licht altijd een van de beste, omdat het witte licht niet vertekent en ook niet helpt om eenzijdige gedachtenbeelden ook nog eens op de voorgrond te zetten, je kunt nu die beleving gemakkelijk krijgen. Daarom zou ik u de raad willen geven, wanneer u tijd hebt natuurlijk tussen de krans en de gans, om toch eens eventjes je af te vragen: Wat is juist? Wat moet ik zijn? Niet: Wat zou ik willen zijn, maar: wat moet ik zijn? En dan niet redeneren of je het wel of niet kunt; dan moet je het beeld in je laten opkomen. Dan vindt u op die manier, op een gegeven ogenblik, iets, dat inderdaad een unio mystica wordt. Een mystieke vereniging, een mystieke eenheid, waaruit u kunt blijven putten, zolang u niet probeert om ze tegenover uzelf te omschrijven en er zo afstand van neemt.

Trekvogel

Een trekvogel schijnt enorm vrij te zijn. Want wanneer de winter komt in Europa, dan gaat hij op de wieken en hij vliegt door de warme plaatsen van Afrika ergens naar een ander land waar het weer zomer is en waar alles weer heerlijk en prettig schijnt te zijn. Maar de mensen vergeten één ding, de vogel kan haast niet blijven. Het zijn de insecten die hem wegdrijven. De vogel schijnt vrij door het hele luchtruim te vliegen, maar als je goed kijkt, dan gaat hij zeer bepaalde, nauw gebaande paden. Hij is eraan gebonden. De mensen denken wel eens: Ach, was ik maar een trekvogel! Niet begrijpende dat de vogel net zo goed in gebaande paden moet gaan, net als zijzelf.

Neen, laten wij niet zoeken naar de trekvogel als een symbool van vrijheid, van ontwikkeling; laten wij eerder zoeken naar degene, die dat alles overziet, Indien er een mens zou zijn, die zo hoog zou kunnen zweven aan de hemel dat hij de winter in Europa en de zomer in Afrika gelijktijdig zou kunnen zien en ervaren, dan zou ik zeggen: Deze is vrij. Want waar zijn aandacht gaat, daar is zijn werkelijkheid. Maar zij, die alleen maar reizen en trekken en menen dat daarin iets te vinden is, zijn over het algemeen zo sterk gebonden aan vaste, gebaande paden, dat er van vrijheid weinig overblijft.

Ook u, wanneer u als een trekvogel weggaat naar het Zuiden om de zon te vinden of naar de sneeuw om ergens rond Arosa rond te stoeien, dan trekt u langs gebaande paden. U zoekt voorstellingen, die u reeds had. U bent niet vrij in het avontuur, u gaat langs een vaste baan. Pas wanneer u begrijpt dat die vastheid niet noodzakelijk is, wanneer u de gebondenheid van u kunt afwerpen, wanneer u vrijer bent dan een trekvogel, vindt u iets van de waarlijke vrijheid van de mens, die overal kan zijn, wanneer hij maar durft gaan en durft leven. De mens, die, als hij maar niet bang is voor de dood en voor de gevolgen, alle dingen voortdurend als mogelijkheid in zich en rond zich ervaart.

Trekvogels zijn slaven van hun instincten: Mensen moeten méér zijn. Wezens, die zich vrij hebben gemaakt van ingegrifte gebruiken, normen en maatstaven en die vrijelijk hun wegen gaande, toch  zichzelf gelijk kunnen blijven.

Print Friendly, PDF & Email