Persoonlijke inwijding

11 februari 1966

Allereerst moet ik u er op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ik hoop dat u zelfstandig zult nadenken over het onderwerp: persoonlijke inwijding.

Misschien vraagt u zich af, waarom ik hier de nadruk leg op persoonlijk. Wel, er bestaan andere vormen van inwijding. Inwijding op zich is een doordringen in het gebied van het onbekende, dat niet voor een ieder toegankelijk is. Wanneer wij hierbij spreken over de inwijdingen van de inwijdingsscholen, zo zal hier sprake zijn van oefeningen, praktijken, riten en geheimen, die voor zich een grote waarde kunnen hebben, maar die behoren tot het geheel van de gemeenschap. Deze zijn daarom eigenlijk een begin: zij verschaffen de middelen, waarmede het Ik een eigen inwijding moet bereiken. Wanneer ik het woord persoonlijk dus voor het begrip inwijding plaats, zo doe ik dit, omdat met alle hulpmiddelen, waarover men beschikt, toch nimmer een werkelijke inwijding bereikt kan worden, vóór het Ik in zichzelf doordringt en in en vanuit zichzelf de waarheid beseft, zoals die voor het ik bestaat.

De beginperiode van elke inwijding kan onderscheiden worden in een aantal fasen.

De eerste fase is over het algemeen een onrust. De mens moet ontevreden zijn met zijn huidig bestaan, zijn huidige toestand, voor hij er toe komt zich met vele moeite op zoek te begeven naar een nieuw besef van leven, een nieuwe levensinhoud. Deze periode van onrust brengt met zich, dat het begin van de persoonlijke inwijding de mens tot de meest vreemde daden brengt. Wij zouden daarover kunnen spreken bv. i.v.m. grote figuren van het christelijke geloof. Zo zijn verschillende van de grootste heiligen in hun jeugd de grootste losbollen. Wij zouden daarnaast kunnen spreken over de boeddha, die, als prins Siddharta, eenvoudig huis en haard verlaat en daarna met elke willekeurige richting van streven, die hij ontmoet, meedoet. Zijn praktijken wisselen daarbij van een natuuraanbidding tot yoga en fakirisme toe. De onrust van deze perioden is kentekenend; in deze tijd zien wij het eerste verschijnsel, dat in de bewustwording van het ik zeer belangrijk is: het zoekt zich te oriënteren. Het weet wel niet, waarom, maar het heeft het gevoel, dat het voor zich een richting moet kiezen. Deze richting zal in 9 van de 10 gevallen niet de richting van de gemeenschap zijn.

Als gevolg van de onrust zien wij meestal een verzet tegen de gemeenschap. Dit verzet tegen de gemeenschap, haar aanvaarde waarden en praktijken luidt dan een tweede fase in, die wij het beste de fase van beproevingen en onderzoek kunnen noemen. In deze tijd gaat het ego na, wat er eigenlijk wel waar kan zijn van de beweringen van anderen. Het ik gaat – terecht of ten onrechte – een oordeel vellen over alles, wat het rond zich ziet en komt tot een eigen wereldwaardering. Hierbij blijkt, dat men over onvoldoende kennis beschikt. Er ontstaat een proces van leren – soms in de praktijk, in andere gevallen als een meer theoretisch onderzoek – waarbij men zich vaak een uitgebreid vocabulaire eigen maakt van z.g. mystieke begrippen en woorden. Er zal daarna vaak een korte tijd van rust volgen, omdat men dan aanneemt, dat men het nu wel weet. Maar de ontevredenheid en onrust zijn daarmede nog niet geheel opgelost.

Nu kristalliseert zich uit onrust plus weten voor het ik: de behoefte. Deze behoefte wordt beter beseft en kan ook beter dan voorheen geformuleerd worden. Zij heeft nog geen geheel logische samenhang en wordt in haar consequenties misschien nog niet geheel beseft. Maar zij is er. “Ik weet, wat ik wil!”.

De oriëntatie is van een zich draaien in alle mogelijke richtingen geworden tot een zich richten op één bepaalde streek van het hemelruim. Van het leven. Van hieruit begint het z.g. zoeken. Dit zoeken geschiedt nog steeds naar buiten toe, dus in de wereld. Men wil in de wereld zichzelf bevestigen en wil tevens uit die wereld voor zich waarden putten. Het gevolg is, dat wij juist in deze periode de mensen vaak op zien treden als leraar, genezer, ziener. Daarnaast blijken zij over het algemeen posities van aanzien te ambiëren en geven blijk van de wens de verantwoordelijkheden van anderen voor hen te dragen. Wij zien daarnaast, dat de mensen in deze periode ook nauw omschreven eisen stellen aan de wereld en hun gedrag is hierdoor vaak moeilijk anders dan dictatoriaal te noemen. In het zoeken ontstaat een onvrede met de wereld en een besef van het feit, dat het Ik die wereld misschien wel eens niet op de juiste wijze zou kunnen zien. Het wantrouwen is daarom de volgende fase.

Men vraagt zich af, of alles wel werkelijk is, men vraagt zich zelfs af, of men zelf wel werkelijk bestaat. Men onderzoekt voor zichzelf, wat het ik eigenlijk beweegt. Zo ontstaat een eerste werkelijk esoterisch streven, waarbij het niet alleen meer gaat om zelfkennis te verwerven, maar om een verklaring te krijgen voor het bestaan van het ik. Kortweg kan men deze vraag omschrijven als een: “Wat is waarheid in mij en wat is onwaarheid? Wat is werkelijk mijn verplichting en taak en wat denk ik alleen maar, dat misschien mijn verplichting en taak zou moeten zijn?” Hier is dus sprake van een selectieproces, dat zich nog veel sterker door zal gaan zetten, wanneer het ik in zichzelf eenmaal bepaalde eigenschappen heeft gevonden.

Wij zien nu voor de tweede maal een fase optreden van grote onrust. In deze onrust weet men niet, wat men moet doen. Men staat a.h.w. tussen twee werelden; aan de ene kant is de innerlijke wereld, waarom alles voor het ik reeds een redelijke samenhang en vorm heeft gekregen, terwijl aan de andere kant de wereld buiten het Ik staat, waarmede men nog in strijd is. Maar deze strijdigheid kan nu niet meer in losbandigheid worden uitgedrukt. Het ego kan zichzelf na de ontdekkingen omtrent eigen waarden, een algehele terzijdestelling van zelfdiscipline niet meer toelaten. Heel vaak blijkt dan ook deze tweede fase van onrust zich te manifesteren in het zoeken naar een bepaalde, zo mogelijk in de wereld buiten het ik bestaande, discipline. De uitingen zullen meestal stoffelijk en vaak bijna demonstratief zijn. Wij zien bv. mensen, die een vooraanstaande plaats in de wereld innamen, opeens in een klooster gaan, mensen, die altijd hoofdwerk hebben gedaan, opeens nederig de reiniging van de openbare straten op zich nemen e.d. Men tracht zich te vernederen en gelijktijdig daarbij de wereld met haar waarden, oordeel en aanvaardingen af te wijzen. Is deze tweede periode van onrust eenmaal tot kristallisatie gekomen, zo blijkt zij dus een vernieuwing van de verhouding ik – wereld te bevatten.

De volgende fase wordt hierdoor er een van consolidatie. Het in mij gevonden begrip en besef ga ik nu door innerlijk streven en een naar buiten toe werken, a.h.w. waarmaken. In plaats van een leven in een waarheid, die ik niet geheel besef, of die ik betwijfel, begin ik in een dergelijke fase mijn eigen waarheid te scheppen. Deze levenswaarheid zal dan al zeer snel een associëren van het ego met hogere waarden in gaan houden. In het begin beseft men niet, of het nu het eigen ik is, waarmede men in contact komt, ofwel dat hier sprake is van goden, demonen e.d. Men ontdekt echter stemmen in het Ik. Men zal misschien menen dat dit een psychische afwijking is, een vorm van schizofrenie. Maar neen, deze stemmen zijn kennelijk geen achtervolgende stemmen uit het eigen ik alleen. Zij treden ook niet willekeurig op, of als gevolg van bepaalde omstandigheden, maar als gevolg van een zich naar binnen richten van de mens. Hun commentaar is daarbij een aanvulling van de kennis en de mogelijkheden van het ik.

Hierdoor ontwikkelt de mens een gesprek met delen van eigen ego. Wij noemen deze fase meestal de godsdienstige, omdat zo iemand in het begin vooral de neiging toont zichzelf als een profeet te zien, tot wie God spreekt. Een ijveren voor het uitdragen van de “boodschap” komt in deze periode dan ook meestal sterk naar voren. Heeft men echter een langere tijd deze gesprekken met delen van het eigen ik gevoerd, zo ontdekt men, dat men in wezen spreekt uit het ene niveau van de eigen persoonlijkheid tot het andere niveau van de eigen persoonlijkheid. Men ontdekt dat men niet in de eerste plaats krachten van buiten het eigen ik beroert, maar dat men nieuwe, krachten en mogelijkheden binnen het eigen ik heeft aangeboord.

De daaropvolgende periode houdt dan ook in, dat men tracht de schijnbaar nog wel strijdige en tegengesteld strevende delen van het ik als eenheid te beschouwen. Men noemt deze fase daarom wel de periode van éénwording. Men noemt overigens, deze tijd van éénwording in het ik ook wel eens de “gouden poort’. Dit één worden in zichzelf gaat gepaard met een beperken van de begrenzingen, die het ik t.a.v. zichzelf en de omgeving pleegt te stellen. Heeft men tot op dit ogenblik zeer sterke opinies, denkbeelden en vooroordelen gekend, zo begint men nu alles in zijn eigen waarden te aanvaarden, wat meer is, ook in zijn eigen waarden aan te spreken. In deze fase is het inderdaad mogelijk, dat men tegen een slang, een adder, een wolf, een tijger e.d. “broeder” zegt en niet alleen de ander als broeder aanvaardt, maar ook door de ander als zodanig geaccepteerd wordt. De relatie wordt dus wederkerig. Het is de tijd, waarin men het ik door zijn geheel openstaan voor al het levende, ziet komen tot een werkelijke vrede met al het levende.

Wanneer het wonder hiervan voorbij is en het ik gaat begrijpen, hoezeer het zelf deel is van het geheel, komt de fase, die wel omschreven wordt als het betreden van het paradijs of het weiden in het paradijs. Het symbool voor deze bereiking is in vele gevallen het betreden van een grote weide, meestal een bergweide, waarop alles rein, helder, licht en zuiver is. De vertroebeling, het probleem is achter gebleven. Het geheel van de natuur spreekt. Het ego spreekt nog wel met zichzelf, maar is zich nu geheel bewust van het feit, dat het met zichzelf spreekt. Het ego verrijkt zich onnoemelijk door deel te hebben in alle emoties die rond het ik maar kunnen bestaan, vanaf de luchtige dans van de vlinder tot het stillen van de honger door een brullende leeuw. Men leert deze ervaringen niet naar menselijk sentiment, maar naar ware betekenis voor degene, die haar beleeft, te verwerken. Het ik is nu t.a.v. de wereld bijna neutraal.

De hierop volgende fase, de z.g. diamanten poort, brengt het ik dan ook in een wereld, waarin eigen daadkracht en eigen daad onbelangrijk zijn geworden. Men is het werktuig van het Hogere, kent geen verplichtingen of aansprakelijkheden meer, men is eenvoudig. En het “zijn” is voldoende. In dit “zijn” spreekt nu de Godheid of Hogere Kracht en wordt voor het eerst als een buiten het ik bestaande persoonlijkheid werkelijk kenbaar. Zij openbaart zich als iets, wat sterker is dan het ik, doch het ik niet wil beheersen. Het ambieert voor het gevoel van het ik eerder een samenwerken met dit ik. Er ontstaat een zich voegen naar het hogere, een bestaan, dat gelijktijdig gepaard gaat met een zich voeden met de kracht en het weten van het hogere.

Daarom voert dit alles langzaam maar zeker tot een ontwaken. De wereld van het ontwaken – de tweede fase na het doorschrijden van de diamanten poort – houdt in, dat het Ik geheel bewust is van de werkelijkheid en zo alle schijn en begoocheling kan doorzien. Het ik erkent gelijktijdig het bestaan van de schijn voor anderen, weet hoe deze schijnwerkelijkheid voor anderen bestaat en welke waarde zij voor die anderen bezit, terwijl toch een erkennen van de werkelijke waarden, die er achter schuilen, mogelijk blijft. Is deze laatste fase bereikt, dan zijn wij werkelijk aan de top gekomen en gaan wij binnen in een wereld, die geen verdere omschrijving vergt of gedoogt.

Het zal u opvallen, dat de opbouw, die ik u als beschrijving van de persoonlijke inwijding geef, geheel logisch is. Zij is dan ook niet exceptioneel en voorbehouden aan enkelingen, doch de haast noodzakelijke oplossing van de menselijke onvrede door steeds logisch op elkaar volgende processen, die zich binnen het ik afspelen. Daarom kan worden gezegd dat de persoonlijke inwijding de uiteindelijke bestemming is van alle mensen. Gelijktijdig moet worden opgemerkt, dat een mens deze weg echter nimmer met anderen te samen kan gaan. Er wordt wel eens gezegd, dat juist dit pad, dat wij eens allen zullen moeten gaan, toch het pad van de eenzame is. Wel is er voortdurend sprake van ontmoetingen. In elke fase van bestaan ontmoet de mens immers wezens, die een wat andere weg gekozen hebben, maar waarmede een tijdelijk contact mogelijk is, waarvan men voor een korte tijd kan leren. Men kan zich aan deze andere vaak zelfs, spiegelen. Maar als het er op aan komt, is de binding zo tijdelijk, dat men op eigen weg reeds weer verder is gegaan en alle contact verloren heeft, voor men het zelf beseft.

Deze eenzaamheid is te verklaren: elk wezen, dat de menselijke fase doorloopt, is, in de totaliteit van zijn ego, uniek. Er is geen tweede wezen in het Al met precies dezelfde elementen en mogelijkheden. Er is dan ook geen enkel wezen, waaraan men zich bij voortduring vast zou kunnen klampen, er is geen enkele weg, die volledig aan de hand van een voorbeeld, door een ander gesteld, gevolgd kan worden. Er is slechts de erkenning van de anderen en vooral de erkenning van het verschil tussen het ik en deze anderen.

Men denkt vaak, dat de persoonlijke inwijding vele wonderlijke nevenverschijnselen met zich moet brengen. Ik denk hierbij aan legenden en verhalen over z.g. ingewijden, zoals bv. het verhaal van de Tibetaanse monnik, die boven op de rots staat, omspoeld door de winden van de hoogvlakte en de regen beveelt in het dal te vallen, of met een enkel gebaar de storm zegt stil te zijn. Men denkt misschien ook aan de verhalen over een ingewijde mens, die stenen neemt en er brood van maakt, of in een woestijn droge vlakte een steen wegschopt en zie, daar spuit reeds een artesische bron. Maar dat zijn allemaal verhalen. Het zijn verhalen, die misschien nog wel ergens op een waarheid kunnen berusten vanuit het menselijke standpunt, maar toch met deze persoonlijke inwijding niets te maken hebben.

Want de persoonlijke inwijding is in wezen een ontvluchten aan hetgeen men maya, de begoocheling, noemt. Het is het erkennen van een persoonlijke werkelijkheid die blijvend is. Wanneer ik van brood stenen, of van stenen brood zou maken, zo zou ik daarmede niet meer doen, dan de ene waan door de andere vervangen. Het is een spel en heeft met eigenlijke inwijdingen of de krachten, die een inwijding in een ego kan doen ontstaan, niets te maken hebben.  Vandaar, dat wij van vele ingewijden dergelijke dingen niet mogen verwachten. Zij zouden deze dingen misschien wel kunnen volbrengen, maar de vraag is, óf het hen ook de moeite waard is. U denkt misschien aan helderziendheid, helderhorendheid e.d. als dingen, die onvermijdelijk moeten komen, wanneer het proces van inwijding voortschrijdt. Maar deze dingen hebben alleen zin, wanneer zij het normale horen en zien van een nieuwe werkelijkheid kunnen betekenen.

Indien u het fenomeen, dat u paranormaal noemt – en dat door ons meestal eerder occult of magisch genoemd wordt – optreedt als een exceptioneel iets en door u als een uitzonderlijke gave wordt beleefd, zult u het immers alleen maar gebruiken als een deel van een waan in een wereld van waan? Wanneer het echter een logisch deel van het eigen ik is geworden en zo niet meer als iets afzonderlijks wordt geopenbaard, maar in het gehele ik voortdurend meespreekt, is het pas een benaderen geworden van een persoonlijke werkelijkheid en heeft het, als deel van een persoonlijke werkelijkheidserkenning, ook werkelijk zin deze “gaven” te bezitten en te ontwikkelen.

Wij mogen dus van de persoonlijke inwijding niet zonder meer het verwerven van allerhande uitzonderlijke gaven verwachten. Wij kunnen soms in dingen, die toch noodzakelijk zijn, ook voor anderen kenbaar, die gaven tot uiting brengen. Maar dat is een andere kwestie, omdat deze openbaring van gaven in dit geval een noodzakelijk en onvermijdelijk deel van eigen beleven van eigen werkelijkheid omvat.  De persoonlijke inwijding betekent in feite een gaan van een gedeelde onwerkelijkheid tot een erkennen van een eigen werkelijkheid buiten alle tijd en beperking. Het is een vervangen van de waandenkbeelden omtrent het ik door een erkenning van de waarheden omtrent dit ik. Meer niet.

Hier is het misschien goed om ook te wijzen op de verhouding, die er kan bestaan tussen een inwijdingsprocedure op aarde, en de persoonlijke inwijding, die zich altijd zal afspelen, maar zich alleen in de eenzaamheid van de menselijke geest kan afspelen. Wanneer wij bv. binnen gaan in de tempel van de Spiegel der Wereld, zo zien wij, dat neofieten allereerst door het duister worden geleid. In deze duisternis moet de leerling zijn angsten overwinnen. In feite moet hij dus leren voort te gaan in het schijnbare “niet”. Wanneer hij dan uiteindelijk in de tempel zelf komt, is daar niets dan de grote koperen, zwaar verzilverde spiegel, die overigens concaaf is en dus een vertekend beeld geeft. De leerling staart hiernaar. Wat doet hij daarbij in feite? Hij wacht op een visioen. Hij ziet daarbij steeds zichzelf, maar juist door dit beschouwen van het eigen ik komt hij op een punt, waarbij in hem visioenen ontstaan.  Rond hem, maar niet zichtbaar voor hem, zijn Wijzen, die de inwijdingen reeds ontvingen en de oorzaak, het wezen ook van het visioen, ontstaan en vergaan daarvan, kennen. Wanneer de neofiet uit zijn visioen ontwaakt, zeggen zij tot hem: “Wat heb je gezien?” Onder hen zijn vaak Wijzen, die in staat zijn langs telepathische weg af te tappen, wat de ander meent te zien, wat hij beleeft en enkele slagen er zelfs in, voor anderen dat alles nog zichtbaar te maken ook.

Nadat de neofiet op alle vragen heeft geantwoord, zullen de Wijzen hem het visioen verklaren, maar deze verklaring is nimmer geheel juist: wat zij geven kunnen, is a.h.w. oppervlakkige waarheid, die, vergelijkend gesproken, kan worden afgewerkt tot op een millimeter, maar niet tot op 1/10.000 mm kan worden verfijnd, terwijl de werkelijke waarheid eerst kenbaar wordt en geheel voor de eeuwige waarden van het Ik functioneel wordt, wanneer de nauwkeurigheid van afwerking 1/100.000 mm bedraagt. Er blijft dus nog een groot hiaat tussen de verklaring, die gegeven wordt en de werkelijke verklaring, zoals deze voor het ik van de neofiet in wezen bestaat. Toch zal in de gegeven ruwe verklaring voor de neofiet reeds een geestelijk gericht worden schuilgaan. Hij krijgt bepaalde denkbeelden, waarmede hij heeft te worstelen. Heeft hij deze strijd om het eigen beeld, eigen besef voleind, dan wordt hij meegenomen naar een kleine, wat afgezonderde nederzetting, waar hij mag leven in de nabijheid van een leermeester. Hij mag met die leermeester denken, mediteren, hij mag naar diens lessen luisteren. Ondertussen heeft hij er – met anderen tezamen meestal, voor te zorgen, dat er voldoende voedsel is, dat de verblijven gereinigd worden, hij heeft water aan te dragen en al, wat er verder aan stoffelijke taken denkbaar is.

Geestelijk wordt de leerling echter steeds meer deel van de ander, de Meester. Zolang hij daarvan een geestelijk deel blijft, keert hij niet terug in de Tempel van de Spiegel, maar op het ogenblik, dat hij tegen zijn Meester zegt: “Wat gij hebt gedacht, is voor mij niet juist”, en daarvoor ook een geestelijk bewuste reden kan geven, een reden, die past bij zijn eigen wezen en denken, voert men hem in de tempelruimte terug. Weer staart hij naar de spiegel, weer ontstaat in hem een visioen van zijn eigen wezen en de in hem bestaande mogelijkheden of waarde. Ditmaal echter geven geen Wijzen hem een verklaring. Wanneer hij ontwaakt, brengt men hem naar een van de cellen, die evenals de tempel zelf in de rotsen zijn uitgehouwen, om in eenzaamheid te rusten. Voor men hem verlaat, zegt men hem: “Rust hier en vindt een antwoord, een verklaring.” Indien de leerling werkelijk bewust is, vindt hij niet alleen de verklaring voor zijn visioen, maar tevens een antwoord op vele van zijn problemen.

U heeft in dit beeld kunnen zien, hoe zelfs de wijze mens doet: al geeft hij een meer stoffelijke inwijding, zo laat ook hij op een gegeven ogenblik reeds de leerling alleen. Het feit, dat hier van een stoffelijke inwijdingsrite sprake is, houdt echter in, dat de leerling, na de oplossing van zijn problemen gevonden te hebben, wederom, met de “wijzen” wordt geconfronteerd en hen iets vertellen moet over zijn belevingen en overwegingen. Op grond van hetgeen hij dan zegt, geeft men hem een taak. Hij kiest dus zijn taak niet zelf en zal zich vaak verplicht achten deze taak zo goed mogelijk te vervullen, zelfs indien zij bij het eigen ego niet zo goed schijnt te passen. In dergelijke gevallen is het mogelijk, dat de leerling zelfs meerdere levens lang met het vervullen van deze taak voort zal gaan.

Altijd zal er echter een ogenblik komen, waarop de leerling van dit alles genoeg heeft. Er zal altijd weer een ogenblik komen, dat de leerling de inwijdingsband van het genootschap, waartoe hij behoort, breekt. Hij zegt dan: “ik ben vrij.” Als vergelijkend beeld kunt u denken aan iemand, die altijd als journalistiek medewerker van een dagblad heeft gefunctioneerd en op een gegeven ogenblik ontdekt, dat hij beter zal kunnen werken, wanneer hij niet aan redactionele beperkingen is gebonden, wanneer hij zichzelf kan zijn. Hij zal dan na enige tijd besluiten, als freelance te gaan werken. Op deze wijze wordt ook de leerling in feite een freelance, die zich vrijmaakt van alle redactionele bemoeiingen met zijn leren, werken en taakvervulling. In de voorgaande tijd heeft hij echter veel geleerd, zoals de methoden, die hij met goed gevolg zal kunnen gebruiken. Hij heeft gemakkelijker, dan anderen misschien kunnen, het voor hem noodzakelijke materieel, weten en inzicht, verworven.  Wat hij echter werkelijk persoonlijk presteert, de werkelijke persoonlijke bewustwording begint eerst werkelijke voortgang te maken op het ogenblik, dat de gebondenheid ophoudt te bestaan.

U kunt in elk esoterisch of ander genootschap of broederschap – gaan en daar zoeken naar de waarheid. U krijgt dan altijd weer richtlijnen. Het vreemde is, dat het vaak niet alleen mooie richtlijnen en heel mooie, theorieën zijn, maar dat dezen in 9 van de 10 gevallen nog bruikbaar zijn ook. Wanneer u persoonlijk past bij de gekozen denkrichting, kunt u met deze aanwijzingen en voorschriften veel doen. Maar op het ogenblik, dat je werkelijk gaat beseffen, ontdek je gelijktijdig, dat de grenzen van de groep voor de behoeften en mogelijkheden van het ego te eng zijn. Vandaar, dat er na de eerste periode van onrust, ook altijd een tweede periode van onrust zal komen. De eerste periode is noodzakelijk, omdat men een nieuw doel, een nieuwe benadering, van het bestaan moet vinden. De tweede periode van onrust vloeit voort uit het besef, dat de gekozen richting wel goed, maar toch voor het ik niet geheel juist is.

Zij vloeit voort uit de erkenning, dat de weg, die men volgt, te beperkt is, dat men vrij moet zijn. Daarom kunnen wij ook zeggen, dat persoonlijke bewustwording in de eerste plaats een aanvaarden van de persoonlijke vrijheid inhoudt en tevens een aanvaarden van de persoonlijke verantwoordelijkheden inhoudt, innerlijk en zowel t.a.v. enkele wezens, als t.a.v. het gehele Al. Pas wanneer de mens in staat is dit te doen, in staat is geheel eigen wegen te gaan, kan men verder komen. Maar in de ogen van vele mensen is het hieruit voortvloeiende non-conformisme – want daarop komt dit alles in de ogen van niet bewusten neer – uit den boze. Is echter conformiteit aan de denkbeelden en waarderingen van de massa, het menselijke geheel, dan een zo grote deugd? Is het dan zo verdienstelijk, om een geheel leven lang – als bv. iemand in een klooster – voortdurend alle dingen hetzelfde te blijven doen met een voortdurende en algehele onderworpenheid aan regels? Heeft bidden zin, wanneer je niet een enkel woord van het gebed mag wijzigen, wanneer het ik dit eigenlijk eist? Heeft het zin te gaan, wanneer je niet eigen wegen kunt gaan, maar altijd weer precies moet gaan naar de regels, die anderen hebben gesteld als bv. de kloosterling, die getrouw naar de kloosterkerk zal gaan, terwijl hij innerlijk voelt, dat er buiten belangrijker werk op hem wacht? Mensen, de zo zijn, gooien de verantwoordelijkheid voor eigen leven en bewustzijn van zich. Zij zeggen: mijn orde of mijn gemeenschap zal mij uiteindelijk tot het einddoel geleiden, en menen hiermede te kunnen volstaan tot de uiteindelijke bereiking.

Maar dit is niet mogelijk: de gemeenschap kan u tot een nuttig deel van de gemeenschap maken. Het geestelijke peil van deze gemeenschap kan zelfs zeer hoog zijn, maar het peil is beperkt, want het werkelijke peil, dat bereikt kan worden en kan worden gehandhaafd, is in deze gevallen afhankelijk van de zwakheden van de leiders. Dit is altijd zo en wil zeggen, dat een ego, dat zich in die gemeenschap voegt, gelimiteerd wordt in zijn geestelijke en andere mogelijkheden, door de zwakheden, onvermogen, vooroordelen enz. van andere persoonlijkheden – die hij daardoor ook noodzakelijkerwijze zal moeten delen. Persoonlijke bewustwording is een bewust verbreken van de limiteringen, die ergens in alle gemeenschapsbestaan gelegen is. In de tweede plaats houdt deze bewustwording, deze inwijding, echter een dienstbaarheid in.

Wanneer je de fasen, die ik noemde, eens voor jezelf repeteert, kun je ontdekken, dat het gevoel van het wegvallen van de persoonlijke beperking – het betreden der diamantenpoort en al, wat daar achter ligt, vanzelf een dienstbaar zijn in moet houden. Er is, reeds voordien, een algeheel begrip voor en aanvaarden van het andere. Door deze aanvaarding en het begrip voor de eigen waarden van het andere wordt men tot op zekere hoogte daaraan dienstbaar. Het is immers ondenkbaar, dat iemand, die eenmaal zover op het pad der inwijding is voortgeschreden, bv. nog aan oorlog kan denken. Hij zal zegen: deze strijd heeft geen zin, omdat niemand mij blijvend kan vernietigen. Men kan trachten mij te limiteren, maar indien ik mijzelf wens te blijven, zal men dit alleen bereiken door mijn huidige vorm van stoffelijk bestaan te vernietigen. En deze is onbelangrijk. Daarom zal ik mijzelf blijven en niet strijden. De ingewijde kent, reeds lang voor het bereiken van de uiteindelijke inwijding, geen vijanden meer. Want ware vijandschap is een vorm van afwijzing, die alleen kan bestaan door onbegrip. De ingewijde begrijpt, wat er rond hem leeft. Hij kan daarom zelfs de waarde, die hem in zijn huidige vorm vernietigt, nog begrijpen. Hij is niet alleen tolerant, verdraagzaam, maar komt tot een werkelijke aanvaarden van en zelfs werken voor allen, tot zijn beulen toe.

Hiervan zien wij mooie voorbeelden. In het Johannes-evangelie vooral zien wij dit ook binnen het kader en de leer van het christendom zeer fraai geïllustreerd.

Er zijn echter andere even schone voorbeelden te vinden in de oude overleveringen van India. Strijd bestaat voor degenen, die voortgaan op het pad der inwijding nog wel. Maar de strijd is voor hen geen bestrijden van anderen maar eerder de strijd om eigen persoonlijkheid te uiten en te tonen. De eigen persoonlijkheid maakt zichzelf immers voor zichzelf waar binnen gemeenschap en totaliteit. Wanneer het geheel of een deel daarvan het ik in zijn werkelijke uitdrukking niet aanvaardt, zo is er een strijd. Maar deze strijd zal niet ontaarden in een poging om anderen te vernietigen of te veranderen. Het is slechts een strijd om zichzelf te blijven en met de waarden van eigen werkelijk wezen zich binnen het geheel een voor het Ik aanvaardbare plaats te verwerven.

U ziet wel, dat een dergelijke persoonlijke bewustwording dus vele aspecten bevat, waarmede de wereld van vandaag het niet eens zal zijn. Aan de andere kant rijst de vraag, of een wereld werkelijk als levend geheel kan bestaan, nut en zin kan hebben, wanneer persoonlijke bewustwording daarin niet een steeds groter deel van het menselijke leven gaat worden. Wij kunnen kiezen tussen waan en werkelijkheid. Waan is de massificatie, het stellen van algemene normen, die voor niemand geheel juist en geheel waar zijn. Persoonlijke bewustwording is, vanuit een dergelijke maatschappij bezien, een vorm van anarchie, een volledige vrijheid van oordelen, erkennen en beleven, waarbij het ik gelijktijdig een volledige aansprakelijkheid erkent voor dit alles. Volgens de heersende opvattingen van de moderne maatschappij past dit niet zo goed: men meent, dat de massa de verantwoordelijkheid van de eenling voor een steeds groter deel moet overnemen. Maar hoe kan een mens waarlijk de mensheid dienen, wanneer hij niet weet, wat hij zelf is, wanneer hij niet kan zien achter de drogredenen van anderen, en zelf steeds waar kan blijven. Dit is voor de wereld tot nu toe wel zeer belangrijk.

Wanneer een mens, ondanks alle goede wil, conventies aanvaardt en daardoor op bepaalde momenten tot een leugen wordt gedwongen, – denk aan een groot staatsman als John Kennedy – zo wordt hij zelf tot slachtoffer van deze onwaarheden. Hij moet anderen leiden en noemt dit dienen, hij bedoelt het misschien goed, maar zal in werkelijkheid de waan van anderen vergroten, de begoocheling versterken en alle waarden nolens volens, zo veranderen, dat hij zelf slechts kan blijven ” dienen”, door niet de wegen van waarheid en besef te volgen, maar toe te geven aan de misvattingen, die bij anderen zijn ontstaan – misschien als gevolg van zijn eerste leugen. Persoonlijke bewustwording is daarom, volgens mij, voor de mensheid wel heel erg belangrijk. Het belangrijkste van alles zou volgens mij daarbij kunnen zijn, dat een wereld, die nu eenmaal eigen waan-werkelijkheid zo sterk weet te scheppen, tot een aanvaarding zal moeten komen van het persoonlijk denken en bewustzijn, het persoonlijk ontwikkelen van het ego, ook wanneer deze van de geldende normen af zou wijken.

Het belangrijkste is dan ook, dat de wereld zal moeten leren de innerlijke processen van anderen en de uiterlijke gevolgen daarvan te aanvaarden, te eerbiedigen, waar dit slechts mogelijk is. Met de mond zal menigeen de laatste woorden wel willen bevestigen. Metterdaad doen echter slechts zeer weinige mensen dit. Daarom is de persoonlijke inwijding in deze dagen een zo verborgen en pijnlijke zaak geworden. Niemand weet, of de werkelijk ingewijde naast u kan staat als prediker, dominee, provo, staatsman of anarchist. Niemand van u zal dit kunnen erkennen of naar waarheid kunnen zeggen onder de huidige omstandigheden. Maar een ding is zeker: inwijdingen zal het Ik moeten vinden. Hij, die de inwijding doorloopt, zal daarbij, vooral wanneer de eerste fasen eenmaal voorbij zijn, nimmer een gemeenschapsmens in de nu gebruikelijke zin van het woord kunnen zijn. Hij zal een eeuwigheidsmens geworden zijn, die door zijn denken, beschouwing van waarden en handelingen, niet meer past in een wereld, die alles tijdelijk tracht te bezien.

Vraag: Hoe weet de zoeker naar bewustzijn, dat hij op de juiste weg is?    Hoe vindt hij een punt om zich op te richten, hoe kent hij een punt om van uit te gaan?

Antwoord: Het punt van uitgang is, zoals reeds opgemerkt, onrust, die ontstaat door ontevredenheid met jezelf en met de wereld – niet voornamelijk met je lot, maar gewoon met dat, wat je bent. Daar, waar je uit zelfvoldaanheid begint te streven, kom je tot een steeds groeiende zelfmisleiding. Daar waar je uit onrust en onzekerheid begint te streven, zal dit streven altijd een juistere en nadere oriëntatie van het Ik tot gevolg hebben. Dat is dus het punt van uitgang.

En nu vraagt u: Hoe weet ik nu, dat ik op de juiste weg ben? Dit kunt u weten op het ogenblik, dat u de innerlijke erkenning en het naleven daarvan hoger gaat stellen dan alle consequenties daarvan voor u en in de wereld rond u. Op het ogenblik, dat de innerlijke werkelijkheid, niet meer geloochend kan worden, heeft u het punt van bewustzijn bereikt, waarop de eeuwige werkelijkheid ook voor het Ik door alle waan reeds heen schouwt. Een ander antwoord op deze vraag is helaas niet te geven: het innerlijk pad is nu eenmaal niet omzoomd door kilometer- palen, de juiste weg wordt daar niet aangegeven met wegwijzers. Er is eenvoudig een pad, dat je gaat en dat je eigenlijk vormt in het gaan. Daarom zijn er weinig vaste maatstaven te geven, maar er komt een ogenblik, dat u alles, wat u bent, wat u bereikt hebt, wat de wereld van u denkt, wilt opofferen, om datgene wat u innerlijk als waar beschouwt, oprecht te kunnen beleven. Wanneer u zover bent gekomen, zonder als fanaticus anderen op dezelfde weg te willen dwingen, kunt u in ieder geval zeggen: ik heb een vast punt van bewustwording bereikt, ik ben dus door een poort gegaan en sta nu in een wereld, waarin ik de werkelijkheid anders zie dan de “normale” mensen – althans de mensen, die zich normaal plegen te noemen.

Vraag: Graag enkele voorbeelden van de wijze, waarop wij onszelf bedriegen?

Antwoord: Ik kan u meerdere voorbeelden geven, maar weet niet, of u ze aangenaam zult vinden. Tevoren dus mijn verontschuldiging.

U leeft in een maatschappij, die alleen functioneren kan, omdat ieder pretendeert de leugens van anderen te geloven, terwijl hij weet, dat dit leugens zijn. Dit geldt voor de politiek, de godsdienst en het sociaal verkeer. Men weigert dit feit echter te erkennen.

Een mens probeert voortdurend, zich en anderen wijs te maken, dat hij onvergelijkelijk veel hoger staat dan een dier. Gelijktijdig gedraagt hij zich vaak op een wijze, waarvoor een dier zich zou schamen als het kon, maar de mens wil dit voor zich niet erkennen.

De mens predikt aan een ieder beheerstheid, maar zodra iemand zichzelf beheerst en weigert zich verder door anderen te laten manipuleren en beheersen, wordt hij uit de maatschappij uitgestoten en achtervolgd, tot hij sterft of zich onderwerpt. De gemeenschap doet dit uit gemakzucht, maar spreekt over handhaving van haar idealen en de vrijheid.

De mens predikt geweldloosheid, maar is gelijktijdig het meest verwoestende wezen op aarde, zonder het toe te geven, en zich rechtvaardigend met verhaaltjes. Hij predikt ook naastenliefde, maar vele dieren zijn voor hun soortgenoten barmhartiger dan mensen. Toch beroemt men zich op de “menselijke deugd”.

De mens zegt aan God te geloven maar maakt van zijn godsdienst meestal een cultus van zelfverheerlijking, waarbij hij eigen uitverkiezing of mogelijkheid om de hemel te bereiken stelt tegenover het falen van allen, die zijn mening en zelfverheerlijking niet delen. Hij noemt dit dan de waarheid.

Ten laatste: wanneer ik lezingen geef – natuurlijk niet in deze kring, maar ik kom ook in andere kringen – valt mij op, dat degenen, die het meest nadrukkelijk wijsgerig knikken het minst begrijpen, van wat er gezegd wordt.

Daar gij nu zo vriendelijk zwijgt, wil ik mijn onderwerp met enkele woorden nog afronden

Wanneer wij woorden van inwijding spreken, zoekt de mens daarin altijd het buitengewone. Ik zou het echter om willen draaien. De mens, die niet tot een begin van persoonlijke inwijding komt, heeft gefaald: zijn leven is, met alle uiterlijke bereikingen, een feitelijke stilstand, die versuffing en daarmede, dat wat men duisternis noemt, zal baren.

Alleen de mens, die voortdurend geestelijk groeit en daarin niet de uiterlijkheden bepalend acht, maar slechts zijn innerlijk wezen uitdrukt volgens beste besef, zal voortdurend meer worden; hij wordt zich voortdurend meer bewust van zichzelf en daardoor meer waardig aan de werkelijkheid.

Alle begrippen, die wij hanteren, zij het licht en duister, goed en kwaad of moreel wel of niet verantwoord, in alle gevallen hanteren wij maatstaven van de wereld der waan.

Er is uiteindelijk slechts harmonie. De kern van alle bestaan is harmonie, maar waar wij deze niet op de juiste wijze erkennen, openbaart zij zich voor ons bewustzijn soms als disharmonie of strijd. Zij ontaardt voor ons in het zondige en demonische. En toch leert zelfs de christelijke mens, dat de duivel eens een engel Gods was. Dit betekent, dat in God, waar geen tijd heerst, de duivel nog steeds een engel is. Maar dat vergeet men liever.

Al wat wij kennen als weten en stelling, vloeit voort uit onszelf, ook de tegenstellingen. Wij moeten leren een harmonie te vinden met alle dingen. Want eerst wanneer wij alle verschijnselen op gelijke wijze kunnen benaderen en zien, zullen wij achter het verschijnsel ook de werkelijke oorzaak ervan kunnen erkennen. Een persoonlijke inwijding is zeker ook gebaseerd op het in jezelf erkennen van de ware oorzaken voor alle dingen. Uit de erkenning van de oorzaken bouw je voor jezelf het begrip van de totale en eerste oorzaak. Uit de vele kleine delen van het eindige, bouw je zo een tempel voor de Eeuwige. Dit is dus de wijze waarop de werkelijke persoonlijkheid, het ware ego, langs vaak lange en moeizame paden, komt tot zichzelf. Eerst hij, die zichzelf bewust en volledig kent, is in staat in waarheid zijn schepper te erkennen en te aanvaarden.

Alleen hij die zichzelf in waarheid heeft leren benaderen, zal ook de waarheden van het Zijn werkelijk durven aanvaarden. Hij zal niet vragen naar redenen, die voor hem bewijs krachtig zijn, hij zal niet vragen naar tegenstellingen of zelfs doelstellingen in de Schepper, waardoor voor hem het leven volgens eigen begrippen zinrijk is, maar hij zal het wezen van de Schepper erkennen en in die erkenning alle vragen terzijde stellen. Het einde van de persoonlijke inwijding is dan ook het ogenblik, waarop er geen vragen meer zijn maar slechts de bevestiging van de eeuwigheid volgens het erkende eigen ik. Daar wordt men dan deel van het geheel en vervult men in de eeuwige werkelijkheid een ware taak als zichzelf kennend deel van het geheel, dat zich kent en toch slechts een deel is van het totaal.

Dit, is het dan, wat ik u op deze avond duidelijk wilde maken. Maar zelfs de romanfiguur is gelijktijdig een waan en een werkelijkheid: een deel van de schrijver, een zelferkenning misschien voor de lezer, een deel van de goddelijke wereld en toch voor de wereld niet meer dan een droom.

De waarheid van uw wereld ligt even vaak in droombeelden als in hetgeen zij de harde werkelijkheid van het leven noemt. lk meen dan ook, dat u uit het voorgaande voor uzelf enige gegevens zult kunnen trekken, die het gemakkelijker maken, wanneer u rusteloos bent, de zin daarvan te begrijpen en wanneer zich in uw leven bepaalde fasen afspelen, te begrijpen hoe ook deze deel zijn van uw weg tot volledige zelferkenning en volledige Godservaring.