Persoonlijke werkelijkheid

Als wij over de persoonlijke werkelijkheid spreken, dan moeten wij ons eerst eens afvragen wat werkelijkheid is. Alles verandert. Werke­lijkheid is dus een situatie van een ogenblik, het volgende ogenblik is ze alweer anders. Toch moet achter alle werkelijkheid, zoals wij die beleven als mens of als geest, een regel of een wet schuilen. Er moet ergens iets zijn waardoor al die mogelijkheden worden bepaald.

Als wij nu te maken hebben met het patroon waarin alle werkelijk­heden samen vallen, dan spreken wij over de Ene, soms ook over de Kar­mische Werkelijkheid. Spreken wij over de menselijke werkelijkheid, dan praten wij niet eens over de feiten alleen. Er zijn mensen, die vinden een bepaalde staats­man minder aanvaardbaar omdat de man toevallig een te zware baardgroei heeft. Het resultaat is dat ze hem heel kritisch beschouwen en dat ze dus niet letten op wat de man zegt of wat hij doet, maar kijken hoe ze hun gevoel, dat de ander ergens niet prettig is, kunnen omzetten in een bewijs door in zijn woorden en daden juist datgene te zoeken waarop ze zo iemand kunnen afkraken.

Maar datzelfde heeft u eigenlijk ook. Neem nu verliefdheid. Ik denk dat, als je werkelijk verliefd bent op elkaar, de ander voor jou op dat ogenblik wel niet een ideaal is in de zin van volmaaktheid, maar toch iets beter is dan al de anderen. Op dat ogenblik tel je geen feiten bij elkaar op. Je zegt niet: die heeft inkomen en die is een drift­kop en die heeft weer wat anders. Neen, je zegt: Ik voel mij aangetrok­ken. Dat aangetrokken zijn bepaalt niet alleen de persoonlijke relatie op een bepaald moment. Dat bepaalt je benadering van alle feiten. Ook alle commentaren en opmerkingen, de daden van de ander over aan lange periode. Werkelijkheid is dus sterk emotioneel gekleurd.

Als wij te maken krijgen met zaken als bv. de wetenschap, dan zitten we ook al met dezelfde moeilijkheid. Eigenlijk is wetenschap: het voortdurend op grond van bewijzen stallen van waarschijnlijkheden. De wetenschapsman neemt het voor hem bewezene als een zekerheid aan en past zijn verdere bewijsvoering, maar ook zijn verdere proefnemingen aan het bewezene. Dat wil zeggen: hij vertekent de werkelijkheid. Hij komt dus tot conclusies die niet aanvaardbaar zijn, als ze gezien worden tegenover de werkelijke feiten, maar die voor hem omdat hij ze eenzijdig beschouwt wel degelijk aanvaardbaar en waar blijven.

Neem nu een theoloog. Nu weet ik wel, theologie is iets waar je enige moeilijkheden over kunt hebben, omdat een theoloog eigenlijk iemand is die een wetenschappelijke benadering opzet ten aanzien van een ook proefondervindelijkheid bewijsbaar geheel, dus een aantal standpunten. Je kunt wel incidenteel factoren als juist bewijzen, je kunt nooit het geheel als juist bewijzen. Zo’n theoloog gelooft. Dat wil zeggen: hij heeft een innerlijke zekerheid. In het kader van die zekerheid zal hij alles beschouwen wat hij op de wereld ontmoet: zowel zijn persoonlijke ervaring als datgene wat zich ‘bij’ anderen’ afspeelt. Dat is toch duidelijk geen werkelijkheidsbesef. De menselijke werkelijkheid bestaat uit feiten en wel de feiten­ zonder interpretatie, maar alleen op grond van hun verschijnsel, hun consequentie en hun samenhang. Voor een mens is het persoonlijk natuurlijk veel moeilijker om on­bevooroordeeld te zijn. Men heeft eens gezegd. “De mens denkt egocen­trisch, zelfs als hij probeert voor de gehele wereld en met de gehele wereld te leven.”

Maar dat is toch duidelijk. Een mens heeft bepaalde karaktereigenschappen. Hij heeft bepaalde lichamelijke eigenaardigheden. De een is bv. kleurenblind, de ander niet. De mens heeft daarnaast levenserva­ring en opvoeding: hij is in meer of mindere mate geconditioneerd. Al die dingen bepalen de manier waarop hij de wereld ziet. Dan is de wereld zoals hij die ziet niet echt. De wereld is anders. De menselijke werkelijkheid zou moeten worden ontdaan van emoties, van conditionering. Ze zou moeten worden bekeken op de zuivere feiten alleen zonder dat er enigerlei conclusie aan te verbinden valt. Dat laatste is menselijk onaanvaardbaar. Ook u, zuiver persoonlijk, bent niet geneigd om de feiten te bezien zonder daaraan enigerlei conclusie te verbinden. Een conclusie (een gevolgtrekking) impliceert echter dat u de totale betekenis van een bepaald aantal invloeden of gebeurtenissen samenvat zonder dat u de werkelijke betekenis daarvan in een groter kader kent. En daarom lopen wij vast.

Laten wij nu eens een paar stoute veronderstellingen gaan behan­delen. Als u denkt, alleen maar denkt, dat de wereld anders is en u leeft daarnaar. Is de wereld dan anders of niet? Het is heel moeilijk om daarop een concreet antwoord te geven, omdat er nu eenmaal alge­mene standpunten zijn.

Wat zou u zeggen van bv. een groep ex-nazi’s die lange tijd in Zuid‑Amerika hebben geleefd met de zekerheid (zij zagen daar voortdu­rend de bewijzen voor en ze werkten ervoor) dat de denkbeelden van hun leider in het eind zouden zegevieren. Niet alleen in Europa maar over de gehele wereld. Zij zagen in elke ontwikkeling het bewijs daarvan. Daardoor werden zij gemotiveerd. Dat bepaalde hun gevoelens. Dat be­paalde hun manier van denken en van handelen. Het bepaalde zelfs hun relatie met de wereld om hen heen. Moeten wij nu zeggen dat dat slechts een illusie, een droom was of was het voor die mensen een werkelijkheid? Tot het ogenblik dat ze moesten ervaren dat bepaalde dingen heel anders verliepen. En dan zijn er nog van overgebleven die het zelfs nu nog niet willen geloven, omdat ze zeggen: dat zijn geen bewijzen, dat zijn toeval­ligheden die in de bewijsvoering niet thuishoren.

Laten we nog een stap verder gaan. Er was een Japans soldaat die na 20 jaar uit de jungle kwam. Die man heeft daar geleefd in de zeker­heid dat Nippon niet kon verliezen. Zijn land had de oorlog gewonnen. Hij meende zich te moeten verschuilen voor kleine resten Amerikanen die zich moeizaam op de eilanden konden handhaven. In feite waren er al geen Amerikanen meer en was hij helemaal alleen. Deze mens heeft 20 jaar geleefd, gedreven door de innerlijke noodzaak een overgave te voorkomen, omdat zijn land had gewonnen. Voor de we­reld had het verloren.

Moet ik nu zeggen dat die 20 jaar voor die mens niet werkelijk zijn geweest? Of moet ik zeggen dat voor die mens die werkelijkheid bleef bestaan tot het ogenblik dat de feiten hem confronteerden met een ande­re situatie. In dit geval is die man teruggekeerd. Maar er is een an­der geval bekend van een drietal mensen ook op een eiland, ook in de jungle die toen zij werden geconfronteerd met het feit, dat Nippon had verloren hun leven hebben beëindigd: zelfmoord. Waarom? Omdat zij een andere werkelijkheid dan die waarmee ze zoveel jaren hadden geleefd niet konden aanvaarden. Ik denk dat we daar een heel groot probleem hebben. Zo is het ook met uw innerlijke wereld. In elke mens leeft een wereld van dromen, een wereld van gedachten. Elke mens staan bepaal­de krachten ter beschikking die hij soms kan manifesteren. In de wereld daarbuiten spelen ze weinig of geen rol. Wij zullen zien dat een groot aantal mensen, geconfronteerd met die innerlijke waarden. Ze terzijde schuift of ze desnoods als inblazingen van de duivel probeert uit te bannen. Want zij houden zich aan een uiterlijke wereld, meestal van de jeugd af aan bijgebracht, en wensen eenvoudig niet hun eigen situatie te herwaarderen op grond van hetgeen er in hen berust. Hetgeen wezenlijk als mogelijkheid voor hen bestaat. Moet ik nu zeggen, dat zij door daarvan af te wijken een menselijke werkelijkheid volgen? Of moet ik zeg­gen, dat zij juist een menselijke werkelijkheid verloochenen?

Nu ik u heb duidelijk gemaakt hoezeer eigenlijk alle werkelijkheids­begrip, ook zoals de mens het hanteert. Op zichzelf zeer betrekkelijk is, kunnen we misschien overgaan naar de innerlijke mens en de krach­ten daarvan. Wij herhalen in het kort enkele punten die u waarschijnlijk wel kent, maar die in dit kader van belang zijn.

De mens bestaat niet alleen maar uit een lichaam. Daarin leeft een ziel, daarin leeft een geest. De mens is verbonden met een groot aantal vlakken van bewustzijn. Op elk vlak bezit hij een bepaalde persoonlijkheid, gehoorzaamt hij aan bepaalde voor hem geldende wetten en beschikt hij over bepaalde voor hem geldende vermogens. Als we dit constateren, dan komt de vraag op: zal het geheel van de persoonlijkheid misschien ook in de mens het werkelijkheidsbeeld ver­anderen? Nu weten we wel, dat al deze geestelijke waarden en krachten over het algemeen werken in het onderbewustzijn. Maar het onderbewustzijn con­ditioneert evengoed. Het brengt u tot bepaalde interpretaties, het ver­dringt feiten en gegevens, ja zelfs delen van de werkelijkheid die u niet beseft. Waarom zou dit hier niet het geval zijn?

Als wij aannemen dat die beïnvloeding plaatsvindt, dan is de vraag ten eerste: op welke wijze wordt onze werkelijkheid door ons geestelijk ik bepaald? Ten tweede, in hoeverre bestaat er een wisselwerking tussen het­geen wij nu als werkelijkheid zien en het ik waarvan wij ons als mens tij­delijk niet bewust zijn? Het antwoord is tamelijk eenvoudig. De geest werkt conditionerend. Dat wil zeggen, dat zij eenzijdigheid van reactie en ervaring op bepaal­de punten a.h.w. aanmoedigt. Zij kan ze wel niet zonder meer bepalen, maar zij kan de condities scheppen waardoor toch een dergelijke eenzijdig­heid zeer waarschijnlijk is. De geest kan dus een aantal ervaringen, die in de stof worden, verkregen, voor een redelijk deel althans programmeren.

Wanneer een mens iets beleeft, dan heeft niet alleen zijn stoffelijk deel daarmee te maken, maar ook alle andere delen van het ik. Alles wat je op aarde bent, doet, ervaart, voelt, zal dus in zekere mate naar bo­ven worden teruggekoppeld. Hierbij zij opgemerkt (het is een oud verhaal maar in dit verband belangrijk), dat vooral de emotionele kracht die met ervaring, handelingen etc. gepaard gaat, hier bepalend is voor de mate waarin ze kan doordringen tot de geest en daarin als een soort geheu­genwaarde wordt vastgelegd.

Dat ik is echter bovendien nog een geheel. Dit geheel is onver­brekelijk in zich zelf besloten. Het is niet zo dat de wereld buiten u ligt en dat u in het middelpunt bent. Neen, het is zo dat u a.h.w. leeft binnen een bol en de reflexen van de werkelijkheid buiten u ver­taalt u dan in de termen van uw ik‑beleving. Dan moeten we stellen: Het ik in zichzelf (ook van de mens) zal altijd waarden aan zich­zelf manifesteren die direct of indirect voortkomen uit de geestelijke beleving enerzijds en het conflict met de onveranderlijke werkelijkheid buiten het ik anderzijds.

Binnen het ik vinden we een groot aantal symbolen. Die symbolen zijn niet altijd Freudiaans, ook al zijn er psychiaters die daar nog steeds meer voor voelen. Wat wij in feite doen als we dagdromen, als we uittreden, beleven, kortom, al datgene doen wat u maar wilt tot zelfs nadenken, spiegelen en mediteren toe, is het begrenzen van het tot nu toe niet ontwikkelde deel van het ik. Wij werken dus in de rich­ting van een isoleren van de delen van het ik die zijn ontwikkeld van het deel dat nog niet is ontwikkeld.

Wanneer de grenzen bekend zijn, is het mogelijk het onbekende te betreden: voor die tijd niet. Dan zal het geheel van die innerlijke we­reld in al die symbolen (dat kunnen jungle‑, tempel‑symbolen of wat dan ook zijn, ze kunnen soms zeer abstract worden), niet anders beteke­nen dan een poging om de werkelijkheid van het eigen zijn te begrijpen. En daarmee het in het ik nog niet ontwikkelde zodanig aan te duiden, dat het eindelijk mogelijk is met jezelf te werken zonder gelijktijdig in conflict te komen met de feitelijke werkelijkheid buiten je. Dan komen we bij de weerkaatsingstheorie die ik u zo-even al heb voorgelegd.

Al datgene wat wij zien is niet de werkelijkheid. Het is slechts de schim van de werkelijkheid en wel geïnterpreteerd op grond van in ons berustende gevoelens, ervaringen, vermoedens en eventueel in vergelijking met vroegere belevingen. Dit zal ook geestelijk het geval zijn. Als je zelf innerlijk een hoog geestelijk niveau hebt, dan is de kans groot dat je ook buiten je plotseling glimpen ziet van datzelfde licht, van datzelfde niveau. Misschien zegt de een: God is mij versche­nen. Een ander zegt: ik heb de geest ontmoet. Een derde zegt: ik ben verlicht door de H. Geest. Maar elk van hen zegt in wezen alleen: ik heb een innerlijke waarde erkend in datgene wat ik buiten mij meen te constateren.

Het ik projecteert ook niet menselijk bewust beleefde delen van het innerlijk naar de wereld en zoekt de weerkaatsing van zichzelf in die wereld terug te vinden. Daar waar dit gebeurt (het z.g. harmoni­sche moment) zal men a.h.w. alle kracht die men in zich heeft buiten zich vermoeden. Op het ogenblik dat dit het geval is, zal de kracht die in mij berust ook buiten mij kenbaar worden, omdat ze voor mij in mijn werkelijkheidsgevoel op dat moment concreet is. Het erkennen van iets als bestaand (met geheel van mijn wezen wel te verstaan) betekent, dat het voor mij werkelijkheid is.

Dan staan we ook nog voor de moeilijkheid dat wij zo vaak termen ge­bruiken van God, de kosmos of de Eerste Oorzaak. U noemt ze maar op. Deze termen geven iets weer wat wel behoort tot ons eigen wezen maar nog niet wordt beleeft.

De God die wij buiten ons projecteren is eigenlijk een begrenzing van het onbekende dat wij in ons aantreffen. Het is een uiterlijke vorm. Het is niet essentie. Door een dergelijke Godheid buiten ons te projecteren echter, kunnen wij daar kracht aan ontlenen. Wij kunnen ons daarin ge­sterkt, getroost weten. Wij kunnen er zelf wonderen mee doen. ­Dan volgt hieruit dat geen enkel Godsbeeld werkelijk is in de zin van een totale of kosmische werkelijkheid maar dat elk Godsbeeld dat in een mens wordt ervaren en beleefd voor die mens een concrete werkelijk­heid is.

Hier staan we dan op een heel gevaarlijk punt. Want hoeveel ver­schillende vormen van God, van godsdienst, van goden, van systemen, van denkwijzen, van hemelindeling zijn er niet? Zoveel, dat we ze niet eens kunnen opnoemen. Toch zijn ze allemaal even waar voor degene die daarin zijn innerlijk weerkaatst ziet. De weerkaatsing in je eigen wereld en in je relatie met het on­bekende is echter geen uiting van een concrete werkelijkheid. Het is een persoonlijke werkelijkheid. Het is de mens nu eenmaal eigen dat hij zijn persoonlijke werkelijkheid altijd stelt boven een controleerbare, een feitelijke werkelijkheid zonder meer. Kijk ik nog verder naar het innerlijk van de mens, dan kom ik nog tot veel meer conclusies. Je kunt als mens je relatie met andere mensen in de wereld eigen­lijk nooit goed inschatten. Je denkt het wel, maar als je het achteraf bekijkt, dan loopt het toch allemaal een beetje anders dan je dacht. Zelfs dan weet je niet wat je werkelijk hebt betekend voor een ander.

Je weet dus niet wat je werkelijke relatie met de ander is. In de men­selijke werkelijkheid speelt het eigen beeld dat je daarvan hebt natuur­lijk de hoofdrol. Maar stel nu eens dat je in staat zoudt zijn om dat eigen beeld te vervangen door een totaalbeeld waarin je niet meer het centrum bent van een aantal rimpelingen die je zelf veroorzaakt in een onbekende vijver, maar waarin je deel bent van de vijver. Aan de hand van de rimpelingen en stromingen kun je constateren wat het geheel van het menselijk leven of van het menselijk zijn is.

Het geheel van de feiten blijkt veel beperkter te zijn dan je ver­moedt, omdat een groot aantal feiten en werkingen elkaar eigenlijk op­heffen. Hun betekenis ligt alleen op persoonlijk vlak. Als je dit nu kosmisch benadert, dan zeg je: de paar dingen die overblijven zijn de werkelijke betekenissen. Dat is de functie van mijn wezen en van mijn be­staan. Het is mijn relatie met een geheel waarvan ik juist door die be­tekenis deel uitmaak. Een mens zal het zelden zo formuleren of beseffen, denk ik. Maar innerlijk weet hij het wel. Een mens denkt dat hij een vrije wil heeft. Omdat hij het gevoel wil hebben niet gebonden te zijn. Hij beseft niet hoezeer hij eigenlijk een ma­rionet is in vele gevallen. Hoe hij van alle kanten wordt gemanipuleerd. Hoe hij wordt gedwongen door z.g. noodzaken (sociale, economische, reli­gieuze en andere) om anders te zijn dan hij is. Hij beseft niet hoe gemak­kelijk hij te manipuleren is. En toch, kijk maar eens naar veel mensen. Wanneer je een paar keer aan het draadje ‘vaderlandsliefde’ trekt, dan vergeten ze prompt alle naastenliefde. Dan zijn ze prompt furieus, Dan kunnen ze zelfs in een wereld, die ten onder gaat zoals in Duitsland is gebeurd, reageren met een kreet: Wollt dir ein totalen Krieg? En dan roepen ze. Ja, wir wollen ein totalen Krieg. Wij willen de absolute onder­gang, de vernietiging. Ze willen het niet. Maar op dat ogenblik willen ze niet anders.

Hier zitten we bij dat punt van de menselijke werkelijkheid wat van veel betekenis is. Je bent in zekere mate een marionet of je het wilt of niet. Je wordt door allerlei drijfveren gestimuleerd die je eigenlijk zelf niet helemaal kunt beschouwen. Pas als je afstand noemt van jezelf, ga je enigs­zins begrijpen hoe vaak je met het onvermijdelijke wordt geconfronteerd. Hoe sommige dingen voor jou eenvoudig niet meer te vermijden zijn. Hoe je aan bepaalde noodzaken, maar ook aan bepaalde gedragingen niet eens meer kunt ontkomen.

Wij hebben wel degelijk een vrije wil, natuurlijk. Die vrije wil is achter beperkt. Ze is niet wat wij er ons van voorstellen. De menselijke werkelijkheid erkent deze belemmeringen niet, tenzij ze direct en per­soonlijk als het even kan aan anderen geweten kunnen worden. Wij zeggen nooit: ik ben deel van een gemanipuleerde wereld en ik manipuleer daar­in zelf mee. Wij zeggen: Ik heb gelijk en de ander heeft ongelijk. Of: ik heb het goed willen doen, maar de hele wereld doet het verkeerd. Wij roepen voortdurend uit: het moet anders. Maar wij begrijpen niet, dat we eerst vrij moeten zijn en zelf anders moeten worden om werkelijk iets te bereiken.

Dan brengen wij nu die innerlijke werkelijkheid er even bij te pas. Er bestaat in driekwart van de mensheid een voortdurende drang om anders te zijn dan men is. Men wil ergens loskomen uit het patroon. Waarom slaagt men daar niet in? Ik denk, omdat men nog niet in staat is om iets van de innerlijke werkelijkheid te beseffen. Omdat we nog niet weten door te dringen in de innerlijke waarde van harmonie. Omdat men zelf met een beetje fictief Godsbeeld niet voldoende ver­trouwen heeft in zichzelf, in datgene waaraan men zich toch wel over­geeft om de kracht ervan door zichzelf te manifesteren. Ik denk, dat men daardoor marionet blijft, ongeacht het verzet dat men ertegen heeft. En zoals mensen zijn (eenzijdig, ik heb het al gezegd) proberen ze dan die dingen af te schuiven op anderen. Anderen moeten dit doen. Anderen zijn dan de schuld. Anderen hadden het verkeerd. Neen, u heeft in anderen alleen maar uw eigen fouten geprojecteerd. U heeft uw eigen onevenwichtigheden a.h.w. in de we­reld gelegd. U zegt, die onevenwichtigheid, wat kan ik arme mens daar wat aan doen? Denk niet, dat dit alleen maar beperkt blijft tot filosofische of alledaagse procedures. Ook bij wetenschappelijk onderzoek, ook bij de benadering ven bijv. de vraag: is het heelal bewoond of niet, spe­len deze factoren een rol. Wij gaan niet uit van de feiten. Wij gaan uit van een wens. Wij gaan niet uit van werkelijkheden zonder meer. Wij gaan uit van een werkelijkheid die voor ons nog net hanteerbaar is.

Er is een beeld van een heel bekende parapsycholoog. Hij is al overgegaan en zit hier. Deze man heeft voortdurend gezegd: wij kunnen een leven na de dood nooit bewijzen. Toch had hij zelf daar geen aantal onweerlegbare, maar zuiver persoonlijke bewijzen voor ontvangen, ook als gevolg van zijn denken en zijn streven. Waarom heeft die mens dat nooit toegegeven? Omdat hij door het toegeven van hetgeen hem fei­telijk en persoonlijk wel degelijk bekend was in strijd zou zijn gekomen met conventies, met het denken van anderen en daardoor volgens zijn eigen besef zijn geloofwaardigheid voor de anderen zou hebben verloren. Realiseer u dat het bij u precies zo gaat.

Als ik zeg ‘mensen zijn marionetten’, dan zeg ik dat niet alleen omdat er anderen zijn die aan de touwtjes trekken, maar ook omdat je zelf niet bereid bent je eigen bewegingen te maken, daar je voelt dat je dan tegenstand kunt wekken. Dan zeg ik: de menselijke werkelijkheid, als wij haar ontdoen van de bijkomstigheden, is een deel van een totale werkelijkheid. Ze is en blijft voor ieder min of meer persoonlijk, dat is waar. Maar die werke­lijkheid houdt voor een mens in: het beschikken over geestelijke vermo­gens die over het algemeen niet of veel te weinig worden ontwikkeld: het beschikken over geestelijke krachten die maar zelden op de juiste manier worden gebruikt: het deel zijn van andere werelden en daarmee, direct verbonden zijn waardoor je op aarde anders en beter zoudt kun­nen reageren, dan je doet.

De menselijke werkelijkheid is dus in feite dat wij onszelf tot on­macht veroordelen, omdat we bang zijn het ik innerlijk in waarheid te aanvaarden. In de kosmische werkelijkheid betekent het dat wij ervaringen op­doen die geen essentieel deel zijn van onze persoonlijkheid zonder meer, maar die voor ons wel betekenen, dat wij hoe dan ook tot een besef komen dat later ‑ of moet ik zeggen elders ‑ grote betekenis kan hebben.

Wat wij doen is het uitwissen van de blinde vlakken in het erkennen van onze persoonlijkheid, van ons eigen beeld. Daar zijn we mee bezig menselijke werkelijkheid is niet een kwestie van: komt er een atoomoorlog of niet. Een atoomoorlog kan de mensheid uitroeien zonder dat er iets verandert. Dacht u misschien dat de mensen dan niet zouden leven in een wereld, die ze zich precies zo voorstellen als de wereld die ze hebben verlaten en waarin dezelfde angst en dezelfde begeerte hen nog steeds manipuleren? De werkelijkheid is, dat we ons niet kunnen losmaken van al datge­ne wat we als belangrijk beschouwen: dat wij voortdurend bezig zijn met macht te verkrijgen over anderen zonder macht te bezitten over onszelf en de macht en kracht die in ons berusten te gebruiken. Het betekent, dat wij steeds bezig zijn om de kosmische werkelijkheid te vervalsen, opdat het ons mogelijk zou kunnen zijn om onszelf gelijktijdig in een uitzonderingspositie te plaatsen en toch een grote verantwoordelijkheid, die we persoonlijk hebben. Grotendeels te ontlopen. Dat is de menselijke werkelijkheid.

Dat is de werkelijkheid van de mensen die zeggen. Wij zijn uitverkoren. Als je maar doet wat wij zeggen, is het goed. Mensen die durven zeggen: ik vind dit goed. Maar die ook zeggen: God vindt dit goed.

Dan is daar ook het denken van mensen die zeggen: mijn systeem is het enig juiste. Als de hele mensheid volgens mijn systeem leeft, dan zal alles in orde komen. Zonder daarbij zichzelf te willen toegeven dat een mens niet altijd binnen een systeem zal passen en dat het niet mogelijk is een systeem in de plaats te stellen van een menselijke re­actie.

De werkelijkheid van vandaag is een menselijke werkelijkheid. Een wereld van dreiging en angst. Een wereld van onbegrip, van chaos, van strijd met elkaar. Een wereld waarin men de strijd in de plaats zet van de innerlijke eenheid die men begeert, waarin men zoekt naar macht en dreiging, omdat men zelf te weinig vertrouwen heeft om anderen te kunnen vertrouwen. Een wereld waarin men steeds bezig is te vernieti­gen omdat men zo graag zou willen opbouwen maar niet weet wat en hoe. Een wereld waarin men voortdurend uitroept dat men een taak wil hebben en gelijktijdig elke taak als te zwaar afwijst, omdat ze je onttrekt aan de geborgenheid van de groep, aan de steun van de hogere macht, de ze­kerheid van de wet en al die dingen meer.

Nu zegt u waarschijnlijk: Dat is geen glorieus beeld. Maar alles verandert. De tijden veranderen en de mensen veranderen. Als u naar uzelf kijkt en naar uw denken, bent u dan nog precies dezelfde als vijf jaar geleden? U denkt het misschien, maar denk eens goed na. U reageert anders, maar ook uw wereld ziet u een beetje anders. Als u uw menselijke werkelijkheid een beetje dichter wilt houden bij uw innerlijke werkelijkheid, als u uw persoonlijk zijn wilt uitdrukken in uw contact met datgene wat u werkelijk acht, dan moet u eerst afstand doen

Van het, zeg ‘gezag’ van alle anderen. Als ze duizend keer uitroepen dat er een crisis is, dan is dat niet waar. Maar als mensen honger lijden, armoe lijden zonder dat anderen zich om hen bekommeren, is er een crisis: ook al zegt iedereen dat er welvaart is. Het is onze persoonlijke relatie met de mens. Het is onze persoon­lijke verbondenheid met anderen die onze innerlijke werkelijkheid helpt be­palen, maar die tevens onze uiterlijke werkelijkheidsbeleving vastlegt. Dat wat we zijn, dat wat we doen wordt bepaald door de wijze waarop wij vrijelijk uitdrukking geven aan dat wat we zijn dat wat we kunnen, dat wat onze innerlijke drijfveer is en misschien ook wat de conditionering is die de geest langs allerlei wegen probeert te leggen in het mense­lijk bestaan dat wij leiden.

Afsluiting:

Ik zou dit willen zeggen: als we praten over menselijke werkelijkheid ­dan praten we feitelijk over een aantal illusies die schijnbaar voldoende overeenstemmen. Wij praten niet over een wereld die echt zo is. Wij praten over een wereld die men tezamen heeft willen aanvaarden. Eigenlijk gaat het over allerlei dingen die geen werkelijke betekenis hebben, tenzij wij die eraan toekennen. Zoiets als een stoplicht, rood betekent stop. Of: rood betekent gevaar. In bepaalde buurten be­tekent rood weer iets anders. In al die gevallen gaat het dus niet alleen maar om een werkelijk­heid. Neen, het gaat om een overeenkomst, die we bewust of onbewust samen hebben gesloten waardoor wij aan de op zich die betekenis niet bezittende waarde die betekenis voor ons toekennen. En daar wij ons in ons gedrag bij die erkenning aanpassen, zal het toegekende voor ons als een deel van de werkelijkheid gelden en ons gedrag bepalen alsof het werkelijkheid ware zonder dat er echter een werkelijke betekenis is an­ders dan die wij overeengekomen zijn.

Op deze manier zijn wij met ontzettend veel dingen bezig. De mensen en zelfs ook de geest hier en daar zijn altijd weer bezig om waanbeelden toe te voegen aan de reeds bestaande. Ik heb in mijn lezing de vaderlandsliefde genoemd, maar ik had het ook kunnen hebben over stoplichten, over links of rechts rijden, voor­rang voor bepaalde vormen van verkeer onder bepaalde voorwaarden. Alles wat u zich maar kunt denken tot zelfs het begrip democratie, ver­kiezing e.d. Al die dingen slaan niet op werkelijkheden: ze slaan op illusies. Als u iemand kiest, dan moet hij u vertegenwoordigen. Dan is het toch een illusie. Dat zult u op grond van de feiten moeten toegeven, als u denkt dat hij inderdaad alleen datgene zal doen wat hij namens u heeft beloofd te doen. Eigenlijk is dus een groot gedeelte van de men­selijke werkelijkheid een aantal gemeenschappelijke hallucinaties. Maar achter die dingen liggen de feiten. U kunt zeggen dat dit wel goed is voor u en dat niet goed is voor u. Maar dat is nog lang niet bewezen.

Een tijdje geleden waren aardappels slecht voor u, nu zijn ze goed voor u. Wanneer ze uitroepen dat u meer melk moet drinken, dan is dat ook niet altijd waar. Zelfs dat roken slecht is, is ook niet waar. Want er zijn mensen geweest die ontzettend veel hebben gerookt en die toch heel oud zijn geworden. Er zijn ook mensen diep zoals Caruso, ont­zettend mooi konden zingen en toch heel zwaar rookten. Het zijn dus al­lemaal maar schijnzekerheden. Het zijn ideeën het zijn modes. Maar het geldt wel voor u. Als u denkt dat u longkanker krijgt van roken, krijgt u het. Misschien omdat u het denkt, als wel om het feit dat het inderdaad soms bepaalde longziekten of longverstoppingen kan veroorzaken. Als we dat gaan begrijpen, dan moeten we zeggen.

Een menselijke werkelijkheid is heel goed, als we de betrekkelijk­heid van alle dingen maar beseffen. Als we maar begrijpen dat 9/10 van hetgeen menselijk zo waar en zo zeker heet te zijn dat in feite niet is. Dat het een mening is, een opinie. Dat het een uitleg is van bepaalde feiten waarbij de feiten op zich nog aantastbaar kunnen zijn. En dan moeten we wel terugvallen op een persoonlijke werkelijkheid en vooral op een innerlijke werkelijkheid. Het zou niet redelijk zijn om dit onder­werp te beëindigen zonder ook daarop te wijzen. U heeft in u zekerheden die u misschien niet eens beseft.

Maar op het ogenblik dat u werkelijk geen raad meer weet, valt u daarop terug. Dan is het misschien een God die u in die gestalte wilt zien. In andere gevallen is het gewoon maar de stilte of het ademhalen en het even u losmaken van de wereld, opdat u dan weer sterk kunt zijn. In u heeft u een kracht. In u heeft u een mogelijkheid om die hele menselijke werkelijkheid, wanneer u ze niet meer aan kunt a.h.w. voor uzelf een nieuwe betekenis te geven. De betekenissen die u aan die men­selijke werkelijkheid toekent, zijn bepalend voor die innerlijke rust, maar ook voor het gebruik van uw geestelijke kracht, voor uw innerlijke gezond­heid, voor uw mentale gezondheid zelfs.

Het zou dwaas zijn om daaraan voorbij te gaan. Het is gemakkelijk ge­noeg te zeggen: God zal het wel doen. Of: uw engelbewaarder komt het u wel vertellen. Waarbij die engelbewaarder dan schijnbaar een soort hemel­se postbode is die zo nu en dan een kaartje komt brengen. Groeten uit het hiernamaals en uit de eeuwigheid. Het is zo gemakkelijk om het alle­maal buiten je te plaatsen. Begrijp nu dat dergelijke voorstellingen ook als ze voor u echt en waar zijn, in uzelf berusten: dat ze geen realiteit zijn maar dat ze de voorstelling zijn van zaken die u innerlijk nog niet kunt begrijpen en verwerken. U doet precies hetzelfde als u een maatschappij in de wereld benadert.

Begrijp heel goed, dat al die oplossingen die iedereen aandraagt geen werkelijke oplossingen zijn: dat ze alleen een bepaalde mentaliteit tot stand moeten brengen. En dat die mentaliteit dan veranderingen schept welke weliswaar niet geheel zal beantwoorden aan hetgeen werd gesuggereerd, maar die toch een benadering ervan in het beleven van le­ven mogelijk maakt. Laten wij gewoon begrijpen dat de menselijke werkelijkheid voor een groot gedeelte alleen maar berust op onderlinge afspraken. Laten wij be­grijpen dat alle beelden van de wereld maar ook van God en van hierna­maals grotendeels afhankelijk zijn van datgene wat mensen overeengekomen zijn ‑ bewust of onbewust ‑ om daarover te denken en daaruit de dingen voor zichzelf te distilleren. In ons berust een werkelijkheid. Een werkelijkheid die veel groter is, omdat ze ons beleven niet alleen op aarde bepaalt, maar daarnaast waarschijnlijk ook in een groot aantal werelden en zeker over een veel langere tijdsspanne dan dat wat u de tijd of het leven noemt.

Grijp terug naar die innerlijke waarde, als u maar weet hoe u het buiten u moet doen. Besef, dat beelden en voorstellingen niet absoluut kunnen zijn, maar dat de ervaring voor u werkelijkheid is. De ervaring die voor u werkelijkheid is, moet niet alleen in u bestaan, maar ook buiten u ken­baar zijn. Als u daarmee rekening houdt, dan zult u de menselijke wer­kelijkheid, die waarschijnlijk persoonlijk is. maar die u meer en meer met anderen dus kunnen delen. Wanneer de afspraken die de mensen onder elkaar maken een beetje anders worden, dan kunnen heel veel van die z.g. zekerheden van vandaag de dag en ook de grenzen van vandaag de dag worden geslecht en kun je in de plaats daarvan iets zetten wat ruimer, wijder en beter is. Dat kun je niet doen door anderen daartoe te dwingen. Je kunt het al­leen doen door in jezelf die waarheid te vinden en haar vanuit jezelf zoveel mogelijk uit te dragen.

Er zou een ogenblik kunnen komen waarop de menselijke werkelijkheid de goddelijke werkelijkheid heel dicht benadert. Wanneer mensen zozeer samen gaan in werkelijkheid en zo weinig belang hechten aan alle illusies en uiterlijke overeenkomsten die tenslotte geen betekenis hebben dat ze juist daardoor elkaar aanvoelen. In het aanvoelen van elkaar komen ze tot een langzaam aanvoelen van een goddelijke werkelijkheid, die zo omvattend is dat zelfs de beelden en beperkingen die men in de geest kent langzamerhand daarvoor verbleken. Het is mogelijk, maar het zal wel niet zo snel gebeuren. Want de mens heeft zijn kennis gezet tussen zich en de werkelijkheid. De mens heeft zijn weten verheven tot een afgod. De mens heeft zijn eigen trots gesteld tussen zich en de waarheid.

Laten wij niet aan deze menselijke ziekten lijden. Zeker, ze worden u vaak als een soort conditionering opgedrongen, maar nodig is het niet. Want wij zijn innerlijk vrij genoeg om een persoonlijke werkelijkheid te vinden en te beleven die de kracht in ons wezen weergeeft en de werkelijkheid in ons wezen doet beleven. Van daaruit zullen wij de mogelijkheid vinden om de menselijke werkelijkheid, zoals ze nu bestaat, te laten evolueren naar een werkelijkheid die dan nog menselijk is en waarin toch meer van een goddelijke werkelijkheid kan meespelen. Daarin kunnen wij ons bewuster zijn van ons geestelijk ik, zoals dat ook in een menselijk bestaan een rol blijft spe­len in alles wat we zijn doen en beleven.