Pijn en smart

image_pdf

9 juni 1961

Aan het begin van deze bijeenkomst wil ik u er aan herinneren dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Mijn onderwerp van heden is een ingaan op de betekenis van het begrip: Pijn.

Dit onderwerp staat in direct verband met de esoterie. Indien wij nagaan, hoe de mens zich de werking van de Goddelijke rechtvaardigheid voorstelt, komt men tot de ontdekking, dat de mens pijn als belangrijkste factor heeft opgenomen in elk beeld van een onderwereld. Overal, waar sprake is van beproevingen, grijpt de mens wederom naar de pijn als een middel om de moed en deugdzaamheid van een mens vast te stellen. Ook bedreigingen zijn steeds weer ge- richt op pijn. Daarom zou ik pijn en pijnbegrip gaarne ontleden in de hoop u duidelijk te kunnen maken, in hoeverre dit in onmiddellijk verband met de innerlijke bewustwording kan staan.

In het lichaam ontstaat pijn, doordat een onevenwichtigheid van lichamelijke structuur of functie, in het zenuwstelsel een onevenredig grote druk doet ontstaan. Deze pijnimpuls wordt in de hersenen gerealiseerd. Op het ogenblik, dat lichamelijke pijnen een zekere grens overschrijden, is er geen sprake meer van een lichamelijk pijngevoel, daar het zenuwstelsel niet meer in staat is deze pijnprikkels over te brengen naar het bewustzijn.

Wij weten ook, dat de mentaliteit van de mens en zijn persoonlijke instelling onnoemelijk veel aan de pijnervaring kunnen bijdragen. Wanneer ik een treffend voorbeeld hiervan mag aanhalen. U weet allen, dat westerse vrouwen een bevalling als een uitermate pijnlijk gebeuren beschouwen. Toch is het ook bekend, dat andere vrouwen, die zich op de bevalling niet langdurig met rust en andere maatregelen voorbereiden, praktisch pijnloos en zeer snel plegen te bevallen. Klaarblijkelijk is de benadering van deze ervaring van groot belang voor de wijze, waarop de pijn optreedt en wordt de intensiteit van deze pijnen daardoor sterk mede beïnvloed.

Men heeft ook vastgesteld, dat het mogelijk is bij een mens alleen door suggestie zware pijnen te veroorzaken, of zelfs lichamelijk letsel te doen ontstaan, zonder dat er een reden voor aanwezig is. De pijn van dit letsel wordt volkomen gevoeld. Ook is het mogelijk een mens door suggestie bij vol bewustzijn zó zware pijnen te doen lijden, dat deze alle lichamelijk draagbare waarden ver te boven gaat. Het gevolg is, dat de mens krankzinnig wordt. Bekende martelingen als de kwellingen van de waterdruppel, de gong, de lachende dood – door kittelingen veroorzaakt – waren in hoofdzaak gebaseerd op het ontwikkelen van psychische reacties, die alle lichamelijke mogelijkheden tot lijden ver te boven gingen.

Na het voorgaande zal het u niet zo vreemd meer in de oren klinken, wanneer ik stel, dat pijn en pijngevoelens voor een zeer groot deel bepaald zullen worden door onze bewuste houding daartegenover.

Nu blijkt, dat het vooral onze vrees voor pijn is, die alle pijnen buiten verhouding groot doet zijn. Datgene, wat je het sterkste vreest, zal ook het sterkste op je persoonlijkheid inwerken. Datgene, waar je voortdurend in gedachten mee bezig bent, zal zich steeds duidelijker en smartelijker in het eigen wezen openbaren. Gedachten alleen blijken in staat het lichaam in een bepaalde onevenwichtige toestand te brengen en in dit lichaam bepaalde reacties te doen ontstaan, die alle redelijke en stoffelijke verwachtingen ver overtreffen. Wanneer wij te maken hebben met een geest, die na de overgang nog meent in een toestand van lijden te verkeren, zo blijkt, dat de capaciteit om zelf lijden op te wekken, praktisch onbegrensd blijft. Een groot deel van de hellepijnen die men beleeft, of op aarde op gezag van de geest als bestaand aanneemt, kunnen worden teruggevoerd op dergelijke psychische reacties: een geestelijke aanvaarding van vrees, plus realisatie daarvan, is gelijk aan helse pijn en het ondergaan daarvan.

De eerste conclusie, waartoe dit alles mij brengt, luidt: zo gij vreest, zult gij lijden, waar gij niet vreest, zult gij niet lijden. Vrees en lijden zijn voor mij tot op zeer grote hoogte identiek. Alleen, wat de stof betreft, kan worden gesproken van onafhankelijke pijnprikkels, die, door eigen instelling en wil, voor een zeer groot deel onderdrukt en beheerst kunnen worden.

Indien wij onszelf willen leren kennen, willen doordringen in eigen wezen, eigen vermogens willen realiseren, zullen wij de pijn steeds weer ontmoeten. In praktisch elke inwijdingspraktijk in de oudheid waren bepaalde pijnlijke ervaringen en beproevingen opgenomen. Een deel van deze pijnen was zuiver lichamelijk, andere proeven waren meer op het psychische, op het menselijke gedachteleven ingesteld. Vrees is een van de wapens, die in praktisch elke inwijdingsgang tegen de neofiet gebruikt wordt, om deze zo door het overwinnen van de vrees tot een aanvaarden van een nieuw bestaan in staat te stellen.

Wij moeten ook voor onszelf in staat zijn in de eerste plaats deze vrees te overwinnen. Waar wij niet vrezen, zullen wij alles wat ons in het leven – ongeacht sfeer of wereld – wordt aangedaan, of te dragen wordt gegeven, eenvoudig en betrekkelijk gemakkelijk kunnen dragen.

Gevolgtrekking: het is de eigen wijze van denken en reageren, die bepalen zal, welke lasten wij in het leven kunnen verwerken en op welke wijze wij in staat zullen zijn alle lasten en beproevingen van het leven juist en waardig te dragen.

Een schrede verder vinden wij het probleem van smart. Smart is een vorm van pijn, die niet zuiver fysiek wordt veroorzaakt en ook niet als fysiek wordt ervaren. Zij ontstaat bv. door het ontkennen van tekorten, het vrezen van eigen innerlijke ontwikkelingen, het verwerpen misschien van voor het Ik noodzakelijke en begeerde waarden, ofwel het als deel van eigen Ik beschouwen van bepaalde waarden, die daar in feite geen deel van uitmaken, zodat wij deze menen te kunnen verliezen. Deze smart mag voor de geest worden vergeleken met pijn. Alles, wat wij geestelijk vrezen, of geestelijk willen verwerpen, veroorzaakt ons smart. Op het ogenblik, dat wij geestelijk ons eigen wezen zien, zoals het werkelijk is, ontbreken daarin bepaalde facetten, die – naar wij meenden – deel van ons Ik uitmaakten en ons zelfs dierbaar waren, bv. onze belangrijkheid, op vlak van inwijdingsontwikkeling van geestelijke vermogens enz.

Indien wij dit nieuwe beeld van het Ik, ondanks het ontbreken van deze facetten, kunnen aanvaarden, blijft er geen pijn over. Wij blijven geheel onszelf en blijven geheel vrij. Op het ogenblik, dat wij ons tegen dit verlies van een illusie verzetten, ontstaat er een innerlijke spanning, waaruit voor ons onnoemelijk leed geboren kan worden. In de materie kan dit voeren tot waanzin, tot voortdurende – uit de geest voortkomende – lichamelijke pijnen, terwijl in de geest dit kan voeren tot een vertoeven in het duister, het betreden van z.g. hellesferen en alle kwellingen, die men met de onderwereld meent te mogen vereenzelvigen. Aanvaarding van het Ik in zijn werkelijke gedaante is een eerste noodzaak voor alle verdere bewustwording. Alle verzet tegen deze aanvaarding zal, als zijnde geestelijk schadelijk, door smart worden gecorrigeerd.

De banden, die onze persoonlijkheid met de persoonlijkheid van anderen binden, kunnen soms buitengemeen sterk en intens zijn. Een dergelijke band is, gezien vanuit ons eigen wezen, nimmer vast en blijvend op een bepaalde persoon te fixeren. M.a.w., ook al lijkt het u op uw eigen wereld misschien niet geheel waar: Indien u iemand lief hebt, zo hebt u in feite die persoon niet lief. In de stof kan men een persoon natuurlijk wel begeren, maar dit heeft met liefde niets te maken. Wat je in een ander werkelijk lief kunt hebben, is het deel van jezelf, dat je in die ander erkent. Is dit deel in je eigen leven niet, of niet voldoende geuit, dan zal die liefde sterker en omvattender zijn. De aanvulling van eigen persoonlijkheid, die men vanuit de ander verwerft en binnen eigen wezen realiseert, is de kern van liefde.

Op het ogenblik, dat ik mijn liefde, mijn genegenheid, op onjuiste wijze ga beleven en stellen, zal ik verantwoordelijkheid gaan aanvaarden voor die delen in het wezen van een ander, die in mijzelf niet leven. Ik veroorzaak daardoor voor mijzelf problemen, die ik niet op kan lossen, waar zij in mijzelf niet als mogelijkheid bestaan en geen juist stellen van het probleem mogelijk wordt.

In de materie zien wij dit zeer vaak en dit treedt ook vaak op. Wij zien, dat men dan iemand tracht bij te staan, te helpen, maar die zijn werkelijke drijfveren, de werkelijke waarden van zijn leven niet begrijpen kan. Men tracht dan het gedrag van de ander volgens eigen inzichten en begrip te rationaliseren en komt daardoor tot vele handelingen enz., die zowel voor het Ik, als voor degenen, die men bij wil staan, in feite eerder schadelijk dan nuttig zullen zijn.

Uit de gevolgen komt een pijnlijk ervaren van eigen onvolkomenheid voort, dat psychisch een zeer sterke invloed kan hebben en bv. een onredelijk sterk schuldgevoel veroorzaken. Vele gevoelens van schuld en onvolmaaktheid zijn op deze wijze tot stand gekomen. Laat ons daarom allereerst stellen, dat het niet onze taak is, of kan zijn, een ander te zijn en het leven van een ander te leven, of zelfs geheel voor een ander te leven. Onze eerste en belangrijkste taak is wel onszelf te zijn. Zolang ik mijzelf ben en alles, wat in mij leeft, zo goed mogelijk uitdraag, tevens dit alles, waar ik het in anderen erken, zo goed mogelijk steunende, voldoe ik aan al mijn verplichtingen, dan is mijn eigen aansprakelijkheid afgelopen.

Het is niet de taak van een mens, die het pad van de innerlijke bewustwording gaat, de wereld als geheel te verbeteren of te regeren. Zelfs voor de meest bewuste mens zal het onmogelijk zijn de lasten van geheel de wereld te dragen. Het is de taak van de mens van zichzelf bewust te worden en in zichzelf een bewustzijn te vinden van de kosmos, zoals dit door het Al-scheppend vermogen voor hem is gesteld en bedoeld op het ogenblik van de Schepping. Misschien zijn wij als mens en geest soms wel wat verwaand.
Ik heb deze neiging bij mijzelf meerdere malen moeten erkennen en ben zo vrij deze eigenschap ook zo hier en daar bij anderen te erkennen. Wij menen namelijk dat het onze taak is leiding te geven aan het Al en alle aansprakelijkheden van onze wereld in ons te dragen. Kortom, wij menen dat wij aansprakelijk en verantwoordelijk zijn voor alle dingen. Maar hoe kan ik aansprakelijk zijn voor iets, wat buiten mijzelf ligt, wat gehoorzaamt aan de wetten Gods, door de Goddelijke kracht tot stand is gekomen en op geen enkele wijze door mij geheel te beheersen, of te regeren is? Voor mijzelf ben ik aansprakelijk. Ik ben aansprakelijk voor alles, wat ik vanuit mijzelf erken en vanuit mijzelf meen te moeten volbrengen. Maar verder gaat onze aansprakelijkheid zeker niet. De gedachte zelf het middelpunt van de wereld, of zelfs de kosmos, te zijn, is schijnbaar een in de mens ingeboren misvatting.

Wij denken – ook ik – egocentrisch, wij denken vanuit ons zelf. Maar vanuit onszelf denkende, nemen wij tevens aan, dat wij het bepalende punt en centrum van het Al zijn, ook al zullen wij dit in woorden niet stellen. Wij beseffen bovendien niet, dat dit ten hoogste met enig recht vanuit onszelf en voor onszelf kan worden gesteld. Om een juiste zelfkennis te verwerven, zal men dan ook in de eerste plaats, van deze gedachte afstand moeten doen. Men is nu eenmaal niet het werkelijke middelpunt van leven en al, men is niet de berechtigende rechter over de wereld, de drager van de lasten van de wereld. Men is alleen zichzelf. Men kan stellen: In mijzelf ben ik deel van het scheppend Vermogen. Wat ik in mijzelf draag, moet ik leren erkennen. Al, wat ik in mijzelf heb erkend, zal ik – desnoods ondanks mijzelf – tot uiting moeten brengen, waar ik niet kan ontkomen aan hetgeen als wezen en taak scheppend in het begin in en voor mij werd vastgelegd.

Gaat men hierop verder door, dan kan men concluderen: Alles, wat ik in de wereld of de geest doe, is in feite iets, wat met mijn eigen persoonlijkheid en werkelijke wezen in directe relatie staat. Zodra ik hiervan afwijk, zullen zich smart en pijnen aan mij openbaren. Dit zal ook gelden wanneer ik afwijk van deze grondwaarden, omdat ik het goede wil doen volgens mijn eigen inzichten. Want goed en kwaad zijn waarden, die vanuit mijzelf worden gesteld krachtens mijn ogenblikkelijk bewustzijn en hebben daarom weinig of geen overeenkomst met enige werkelijke maatstaf binnen de kosmos. Gezien het onvolmaakte bewustzijn, waarover men beschikt, zal het oordeel omtrent wat goed en kwaad moet heten, betrekkelijk willekeurig zijn. Soms tracht men hieraan te ontkomen door zich bv. op een openbaring te beroepen.
Voor elke mens geldt: Een openbaring, die voor mij werkelijkheid is, kan niet slechts uit het verleden stammen, of ergens in een bepaalde sfeer plaats gehad hebben. Zij moet ook in mijzelf plaats gevonden hebben en deel zijn van mijn wezen. Op het ogenblik, dat ik mij tracht te voegen naar uiterlijke openbaringen, die in mijzelf geen feitelijk bestaan voeren, zal ik voor mijzelf, stoffelijk en/of geestelijk, pijnen en smart nabij roepen. Alles, wat strijdig is met hetgeen ik in de kosmische werkelijkheid ben, veroorzaakt bij mij pijn op het ogenblik, dat ik tracht het in mijn eigen wezen, leven en werken te betrekken.

Wat zijn nu – stoffelijk gezien – de juiste wegen om pijn en smart te vermijden, zonder daarbij onszelf te verloochenen, of tekort te doen?

In de eerste plaats zal moeten worden gesteld: Alle pijn, die ik lijd, komt voort uit mijzelf en is het gevolg van een onjuiste actie, reactie, of instelling, van mijn eigen wezen.

Ten tweede geldt: Op het ogenblik, dat ik mijn actie, reactie, of instelling, wijzig, zal de pijn afnemen, de smart afnemen. Op het ogenblik, dat ik mijn verkeerd handelen of denken activeer, zullen pijn en smart toenemen. Zo kan worden gesteld, dat alle smart, alle pijn, een louterende werking heeft, welke niet voortkomt uit het gelaten dragen daarvan, maar in een pogen daaraan op een voor ons juiste wijze te ontkomen.

Lang geleden heeft een dichter eens gezegd: “Wij zijn de dieren van een hemels Herder. Wanneer wij afwijken van het pad, dat Hij voor ons heeft uitgetekend, zo raakt Hij ons aan met Zijn stok. De meesten onder ons schijnen dan nogal koppige ezels te zijn want haast een ieder heeft in deze zin vele stokslagen ontvangen.” Het gezegde illustreert mijn juiste bedoeling. Zolang wij de juiste weg volgen – voor onszelf – kunnen wij bewust geheel ons wezen en denken inschakelend, zonder pijn en smart voortgaan. Elke schrede, die wij voorwaarts doen, betekent dan een schrede dichter bij een juist erkennen van onze ware persoonlijkheid, een schrede dichter bij een juist kennen van onze plaats in de kosmos, en een vollediger begrip van de functie van de scheppende Macht, zover wij daarbij zelf betrokken zijn.

Een mens in de stof zal hier opwerpen: Wanneer ik bepaalde gevoelens en ideeën van smart terzijde stel, of bepaalde pijnen verloochen, zo is dit voor mij nog niet feitelijk waar. Ik kan dit trachten te doen, maar veel verder kom ik niet. Het antwoord op deze opmerking luidt: U kunt wel wensen t.o.v. de wereld een bepaalde instelling in te nemen, maar u zult deze eerst in uzelf geheel moeten verwerkelijken – zodat dit niet alleen meer een redelijk proces is – voor de gevolgen in hun volheid kenbaar worden. Indien u probeert – zelfs tegen eigen gevoelens in – aan smart en pijn te ontkomen op een volgens eigen bewustzijn aanvaardbare wijze, zo zult u zich ook realiseren, dat, zelfs indien smart of pijnprikkel nog aanwezig blijven, men gemakkelijker leeft, meer betekenis kent en over grotere krachten beschikken kan dan voordien. In feite is voor u de pijn een aanwijzing, die mogelijk maakt te vinden in welke richting men moet leven, is smart een aanduiding waardoor eigen onjuiste instellingen in het Al verbeterd kunnen worden. Pijn, zowel als smart, zijn kostbare gaven, die het ons mogelijk maken, zowel het eigen Ik als de kracht, waaruit dit Ik eens is voortgekomen, te erkennen.

In de geest liggen deze dingen wel ietwat anders en, volgens uw stoffelijke opvattingen, eenvoudiger. Ook wij komen nog voor moeilijkheden te staan. Indien wij alles, wat ons leed veroorzaakt – zelfs in hellesferen – zouden kunnen bannen door het uit ons bewustzijn weg te wissen, zo zijn er daarmee vele voorstellingen verknoopt, waaraan wij onevenredig en zelfs vaak onmatig gehecht zijn, omdat zij deel uitmaken van het beeld, dat wij ons van eigen wezen maken. Daarom moeten wij steeds weer streven naar een voortdurend wijzigen van het beeld van het Ik in overeenstemming met de vreugden, die ons, gegeven worden, de afwezigheid van smart en pijn. Voor de geest betekent dit steeds weer een prijsgeven van vele geliefkoosde denkbeelden. Het betekent in de meeste gevallen ook een afstand doen van eigen beelden omtrent waarheid enz. Door deze stellingen komt het bestaan van het Ik en de waarheid, die het Ik meent te kennen, wel op zeer relatieve basis te staan. Wat wij zijn en weten is wel waar, maar geldt in feite alleen in bepaalde omstandigheden en onder bepaalde condities.

In het menselijke leven wordt men getraind om bepaalde stellingen als onveranderlijke waarheden aan te nemen. Bv. de stelling E = MC² wordt voorlopig door de meeste mensen als onaantastbare waarheid aangenomen, terwijl ten hoogste zou kunnen worden gezegd, dat wat in de formule wordt gezegd, soms juist is. De steller van deze formule, die op het ogenblik aan onze zijde vertoeft, zal mij dit ongetwijfeld toegeven. Zolang wij uitgaan van een vast en niet variabele waarheid, of wereld, zullen wij ons niet tot het Ik kunnen beperken. Ik wil hieruit een gedurfde conclusie trekken: alle dogmatische stellingen in wetenschap, geloof, politiek, t.o.v. zeden, menselijke verhoudingen, onderricht, dus ongeacht op welk terrein, is in zich een smart en pijn veroorzakende factor voor geest en stof. Hoe sterker men zich richt op het beheersen van zijn medemensen, of krachtens dogmatische stellingen over goed en kwaad, mensen, het Al, of zelfs God tracht te oordelen en mij een onveranderlijke en vaststaande mening te vormen, des te meer zal ik moeten lijden.

In het Westen heeft men een bekende spreuk, waarop ik graag een variatie zou willen brengen. Men zegt: “Wie de Heer liefheeft, kastijdt Hij”. Ik zou willen zeggen: “God heeft allen lief en kastijdt nimmer uit liefde, doch uit rechtvaardigheid”. Van de kastijdingen is men zélf de reden. Zo moge de kastijding een teken van Zijn liefde zijn, maar lijkt mij de toestand duidelijker omschreven met de woorden: “Wie door God gekastijd wordt, begrijpt zijn God niet goed en handelt zelf niet juist”. Deze waarheid komt in de geest sterker tot uiting dan in de stof, waar immers bepaalde vormen van lijden een geheel leven kunnen voortgaan en geen einde daarvan merkbaar hoeft te zijn.

Esoterisch gezien gaat het in het leven om de kosmische persoonlijkheid die men bezit, om het gehele wezen en niet om de beperkte en tijdelijke vorm, die de mens op aarde is. Vandaar dat ongeacht schijnbaar tegenstrijdige stoffelijke ervaringen binnen alle esoterie deze stelling als geheel juist beschouwd mag worden. Nu schept elke mens voor eigen bewustzijn niet alleen de eigen wereld en haar inhoud, maar ook de in het bewustzijn optredende tegenpolen. Voor het Westen kunnen deze het best worden voorgesteld door God en duivel. Het Oosten zal eerder spreken over Yang en Ying, de Witte en de Rode Draak. Hoe wij de grenzen ook stellen, steeds weer blijft waar, dat wij zelf ons de grenzen van onze wereld scheppen door de projectie van onze persoonlijkheid in tegenstellingen, die nimmer op een feitelijke werkelijkheid berusten, maar slechts aangeven, hoever ons eigen bewustzijn zich t.o.v. de kosmische werkelijkheid heeft uitgebreid.

Al, wat wij als een waarde zien, zal bij een later beschouwen, een complex geheel blijken te zijn. De God, die men nu als een grote Eenheid beschouwt, zal in Zich zovele facetten blijken te bergen, dat wij in feite kunnen stellen, dat deze God een gehele Godenwereld is. De demon, die nu als geheel duister en slecht alleen aan het einde van de duisternis schijnt te staan, de bron van alle kwaad, blijkt zich eveneens te ontwikkelen in een grote reeks van duistere persoonlijkheden en demonen. Uiteindelijk, tegengesteld aan ons standpunt van heden, blijken Licht en duister elkaar weer te beroeren en in elkaar over te gaan. Het is ons eigen standpunt, dat onze verhouding t.o.v. dergelijke krachten en waarden uitmaakt en onze ogenblikkelijke houding zal moeten bepalen. Daarom mag een mens nimmer enigerlei waarde in eigen leven, denken en streven als vaste en onveranderlijke maatstaf stellen, hoe moeilijk u dit ook moge lijken. Het hanteren van een vaste stoffelijke maatstaf kan betekenen, dat een innerlijke en geestelijke ontwikkeling niet meer in stoffelijke uitingen kan worden weerspiegeld. Daardoor ontstaat dan weer lijden.

Indien u al het voorgaande kunt begrijpen en enigszins kunt overzien, zo wilt u het waarschijnlijk gaan toepassen op uw eigen wezen. Welke conclusies moet u dan trekken, indien u een innerlijke bewustwording begeert, die het ware en innerlijke Ik steeds meer kenbaar maakt?

Volgens mij dient u allereerst te stellen: Alles, wat buiten mij als vaste waarde bestaat, ook elk pijngevoel, dat niet uit mijzelf is geboren, of smartgevoel, dat met de buitenwereld in direct verband staat en vandaar veroorzaakt wordt, is variabel en dus in de vorm, waarin ik dit onderga, niet waar.

Alles, wat ik ken, zal wel werkelijk bestaan, maar niets zal zo bestaan als het voor mij nu kenbaar is. Dientengevolge heb ik maar één werkelijk houvast: MIJN EIGEN PERSOONLIJKHEID.

De juiste relatie van eigen persoonlijkheid tot de kosmos, waarvan zij deel is, wordt uitgedrukt in het tegendeel van pijn en smart. De mens, die in de juiste relatie weet te komen met zijn God – of zo u wilt met alle tegenstellingen – zal op dat ogenblik niet alleen de vreugde en vrede ervaren, maar daarnaast vermogens, kracht en licht ontvangen. Zolang ik in mijzelf vertrouw op deze factoren en in mijzelf vertrouw op mijn Godheid, die zich immers binnen mijn wezen evengoed bevindt en openbaart als elders, zal ik daaruit alles kunnen putten, om het voor mij noodzakelijke mogelijk te maken.

Wanneer ik de leiding van deze Goddelijke kracht in mijzelf vervolg, zal ik uit de wereld rond mij steeds weer alles kunnen absorberen wat voor mij van belang is. Ik mag nimmer stellen, dat ik hieruit, of hiermee, persoonlijk de waarheid zal vinden. In kracht, lichtgaven en weten zal ik alle gegevens kunnen vinden, die noodzakelijk zijn om mijn eigen Ik steeds duidelijker en meer waar te definiëren. Mijn eigen persoonlijk deel, aan de kosmos en ook aan de wereld, beter te kennen en zo ook alle factoren, die mij met het groot kosmische verbinden, te beschrijven en actief te beleven.

Zo mag u, uitgaande van deze stellingen, in uw leven altijd weer zeggen: Niets is belangrijker dan de toestand, die ik op dit ogenblik bereik t.o.v. mijn ware Ik en de manifestatie daarvan, zover die nu reeds voor mij aanvaardbaar en erkenbaar is.

Verder mag u ook stellen: Daar alles buiten mij klaarblijkelijk relatief is en alles, wat pijn en smart is, in of buiten mij, een aanduiding schijnt te zijn van een door de Goddelijke, of scheppende Kracht, gewilde wijziging, kan ik in mijzelf alle krachten ontlenen die ik begeer, door harmonisch te zijn met mijzelf, ongeacht de wereld rond mij. Zover mijn eigen bewustzijn en kennen reikt, zal deze harmonie vanuit mijzelf kunnen worden overgedragen op alles, wat zich rond mij bevindt, of deel is van mijn voertuig. Het is niet voldoende te zeggen: Ik leef en moet mijn plaats kennen te midden van de kosmos….. Zo men een tempel wil bouwen en een gewelf construeert, is het niet voldoende, dat de stenen in het gewelf op hun plaats aanwezig zijn. Zij moeten op deze plaats worden vastgehecht, hetzij door een zeer zuiver aaneensluiten, een vorm van harmonie, hetzij door een verbindmiddel, dat de plaats van een te zuivere aanpassing, een te grote harmonie, in kan nemen, bv. specie.

Waar een zuivere harmonie met andere mensen vanuit het standpunt van een in de stof levende geest, of in de vormgevende sferen levende geest praktisch onbereikbaar is, zullen wij moeten trachten de specie te vinden, die ons de noodzakelijke binding kan geven. Dankzij een dergelijk hulpmiddel kunnen wij, indien wij de kosmos tempel noemen, ons dus op de juiste plaats binnen de kosmos bevinden, vooraleer de volkomen harmonie bereikt wordt. Deze specie kan voor bijna alle denkend wezen worden omschreven als: een vanuit jezelf openbaren van het hoogste beleven in jezelf door middel van alle krachten, die je vanuit de kosmos op juiste wijze in contact kunnen brengen met allen, die rond je zijn.

Bedenk, dat de juiste waarde nimmer in stoffelijke termen te definiëren is. Zij is eerder het overdragen van een deel van de Goddelijke vonk.

Om duidelijk te zeggen, wat ik meen, kan ik misschien nog beter wederom een voorbeeld uit uw tijd gebruiken: geestelijk moet hetzelfde geschieden als twee sterk magnetisch geladen delen die ondanks de tegengestelde waarde van hun lading zich onverbrekelijk aaneen kunnen hechten zodra zij elkaar benaderen en een onscheidbaar geheel kunnen vormen. Zodra wij oordelen over anderen, zal het tussen hen en ons bestaande verschil ons afstoten. Zodra wij maatstaven aanleggen aan de wereld en aan anderen vanuit onszelf, zal een dergelijke binding onmogelijk worden. Wij mogen vanuit onszelf nimmer oordelen. Wij dienen de kracht, die in ons is, zo sterk mogelijk te uiten. Méér, waar deze kracht een antwoord vindt, ontstaat een kosmische harmonie en relatie, die verder onverbrekelijk is in kosmisch opzicht en tevens de verhoudingen en relaties van het Ik t.o.v. het volmaakt kosmisch geheel verder definieert.

Alle uitingen van dit harmonisch bereiken zullen allereerst op geestelijk terrein liggen. Het is niet onmogelijk, dat dergelijke contacten zich op meer stoffelijke basis eveneens manifesteren. Wij kunnen dan onder meer te maken hebben met sterke gedachtenoverdracht, het aan anderen overdragen van genezende krachten, het spreken van de juiste profetieën t.o.v. bepaalde personen, zonder dat deze gave algemeen bruikbaar blijkt. Een deel van hetgeen op aarde paranormaal wordt genoemd, staat in directe verbinding met deze harmonie. Ook hier geldt: “Gij moogt u nimmer daarbij richten op de ander. Gij moet u richten op de God, Die in u leeft”. Zodra men zich, ongeacht met welke manifestatie op geestelijk/stoffelijk terrein geheel op de ander gaat richten, verzwakt het contact met het Goddelijke. Daardoor ontstaat dan een foutieve interpretatie binnen het Ik. Soms drukt zich dit ook in het contact zelf uit door het mislukken van de poging tot genezen, het spreken van onware profetieën, verwarringen in vermeende kosmische of telepathische contacten. Dan ontstaat weer onvrede, smart en pijn.

Elke mens kan vanuit zichzelf – mits hij de innerlijke weg gaat in een voortdurend zoeken naar weten omtrent het eigen Ik – vooral wel door de erkenning van de Goddelijke werkingen in dat Ik, de gedeelten van de kosmische werkelijkheid leren kennen, die voor hem op dat ogenblik van het hoogste belang zijn. Dit deel kan volledig zuiver en helder binnen het wezen worden gefixeerd, zodat de eenmaal verworven kennis later ook bruikbaar blijft. Aan de hand van dit beleven is het mogelijk vele foutieve instellingen van het Ik te veranderen, terwijl het eveneens mogelijk is de eigen instelling op een deel van de voor ons zo belangrijke werkelijkheid in stand te houden en bij voortduring nieuwe krachten en mogelijkheden daaruit te putten.

Het in dit betoog gestelde kan – ofschoon zelden – door de mens in de stof bereikt worden. Het berust niet op het erkennen van een kosmische waarheid als geheel, maar eerder op een klein, maar sterk Gods erkennen in het eigen Ik, van waaruit op de omschreven wijze de werkelijkheid gewonnen wordt. Wie dit eenmaal heeft mogen verwerven, zal, zelfs indien hij als eenvoudig mens verder zal moeten werken, of tot een menselijk zijn zal moeten terugkeren, kunnen zeggen, dat alle pijnen en smart voorgoed gebannen zijn. In deze is slechts voortdurende vreugde, blijvende vrede en een kracht, die het mogelijk maakt zonder strijd alles tot stand te brengen, wat behoort tot het deel van de kosmische taak, die het Ik is opgelegd.

Ik hoop dat u het voorgaande eens zult willen overdenken en de kracht hierin zult vinden om smart, pijn en dergelijke te beheersen door het steeds sterker uitdrukken van de innerlijke werkelijkheid.

image_pdf