Piramidologie

Piramidologie is iets wat wetenschappelijk klinkt zonder dit werkelijk te zijn. Als wij ons bezighouden met piramiden, dan komen wij voor allerlei eigenaardige verschijnselen te staan. Wat meer is, als wij goed nagaan wat er aan de hand is, dan zullen we ontdekken dat ze gewoonlijk op bepaalde en zeer bijzondere plaatsen zijn gebouwd. Dit geldt niet voor alle piramiden. De piramiden waarover wij voornamelijk moeten spreken zijn gelegen bij Gizeh.

Allereerst moet dan worden opgemerkt dat een piramide op zich een wat wonderlijke structuur is. Deze piramiden hebben namelijk verhoudingen en een vlakverdeling waardoor kosmische en andere stralingen en energieën gemakkelijk samenkomen in een brandpunt binnen het bouwwerk. Dit brandpunt is natuurlijk niet bij elke piramide hetzelfde. De intensiteit van de zo verzamelde krachten wordt bovendien vreemd genoeg mede bepaald door de massa, die de piramide als geheel bezit. Een piramide kan desnoods helemaal leeg zijn, toch zal, als verhoudingen en vlakken kloppen, binnen die piramide reeds een grotere intensiteit van straling op een bepaald punt optreden.

Zou men met een wichelroede op onderzoek gaan in Gizeh, dan zou men nog iets wonderlijks kunnen constateren: de grote piramide in het bijzonder is gebouwd op een plaats waar men een zeer sterke uitslag krijgt die de aanwezigheid van aardstralen aangeeft. Anders gezegd: In deze piramide bestaat kennelijk van twee kanten tegelijk een verhoogde stralingsintensiteit waardoor tevens het uitzonderlijke occulte karakter van dit bouwwerk wordt bepaald.

Zoals u bekend zal zijn, komen piramiden over de gehele wereld voor en in vele vormen. Er bestaan zelfs inverte piramiden: ingegraven en met de top naar beneden gericht. Er bestaan trappiramiden, torenpiramiden: torens die sterk op een langgerekte piramide lijken. Steeds weer vinden wij in oudere geloofsvormen ‑ of men nu kijkt in Egypte, Mexico, Yucatan of Perzië ‑ een verband met de goden. Zoals eens de oude zigurrats van Babylon in feite piramidevormige torens waren waarin en waarop zich tempelruimten bevonden.

Nu is de piramide bij Gizeh voor de mens wel heel belangwekkend geworden door de onderzoekingen die Flinders Petrie en anderen daar instelden. Zij kwamen tot de conclusie dat, indien men uitging van een bijzondere maateenheid (de z.g. piramide‑inch) er een directe relatie scheen te bestaan tussen de werkelijke omtrek van de aarde en de piramide zelf. Verder bleek er sprake te zijn van een zeer exacte oriëntatie van de vlakken op de windrichtingen. Men stelde zelfs dat, indien de vlakken met gepolijste steen bekleed zouden zijn (wat vroeger het geval was), de piramide op bepaalde dagen een grote weerkaatsing vertoonde van een zo helder licht dat men tot heel ver in de omtrek kon weten dat een bepaalde dag, die een magische of godsdienstige betekenis had, was aangebroken. Verder blijken in de piramide zelf nogal wonderlijke zaken te zijn aangetroffen waarvoor niet zonder meer een redelijke verklaring is te geven.

Om beneden te beginnen: Hier vindt men een lage, tamelijk grote niet afgewerkte kamer waarin nogal wat steen en puin op de grond ligt. Uitleggers willen hierin wel een uitbeelding van de chaos zien. Men kan deze ruimte bereiken via een dalende gang waarin ook een soort put of valgoot in uitkomt. De ingang van de piramide is, zoals u misschien weet, niet de oorspronkelijke. De originele ingang was vergrendeld met bijzonder zware steenblokken. Het mechanisme waarmee die stenen zijn neergelaten en mogelijk ook weer zouden kunnen worden opgehaald heeft men nog steeds niet ontdekt. Als we nu goed kijken, dan zien we dat er vanaf deze ingang een neerdalende gang loopt die wat verder onder een bepaalde hoek overgaat in een opgaande gang. Deze structuur bezit een eigenaardigheid: Als men op het laagste punt (dus tussen de beide gangen) water aanbrengt, dan ontstaat daar een spiegel waarin men ook op klaarlichte dag de sterren kan zien. De beide gangen kunnen dus onder bepaalde omstandigheden fungeren als een vaststaande telescoop. Al zijn er geen lenzen, toch is het hierdoor mogelijk de stand van vooral enkele planeten ook overdag voortdurend gade te slaan. Observaties van deze aard hebben ongetwijfeld een religieuze betekenis gehad. Het is dan ook aannemelijk dat deze piramide niet of niet volledig als een grafteken is gebouwd.

Gaan wij de opgaande gang door, dan treffen wij na enige tijd een hoge drempel aan waarachter een wijder deel van de gang zich voortzet. Hierin bevinden zich enige ruw gehouwen treden. In het plafond bevinden zich z.g. lintels: verlaagde balken of drempels. Gaan we verder, nadat de verbreding en verhoging van de gang ten einde is, dan komen we bij een splitsing. Hier kunnen we afslaan naar de z.g. koninginnekamer. Kiest men de andere zijde, dan bereikt men de iets hoger gelegen koningskamer. Deze ligt, indien men uitgaat van de berekeningen, nabij maar niet helemaal in het brandpunt van de piramide. In deze ruimte is een soort ledige trog of sarcofaag aanwezig, maar zonder deksel of ander toebehoren.

Het is duidelijk, dat men over een dergelijk bouwwerk heel wat kan filosoferen; wat de mensen dan ook hebben gedaan. En al nadenkend en redenerend kwamen zij tot de ontdekking dat er zich in de wanden van het gangenstelsel een groef bevindt. Ofschoon schijnbaar van een enkele doorgaande lijn sprake schijnt te zijn, komen er toch enkele onderbrekingen in voor en ook veranderingen in diepte. Deze zijn echter onverklaarbaar, daar ze niet samenvallen met b.v. de naad van een andere steen of iets dergelijks. Ook hieruit kan men de conclusie trekken dat men door deze lijn iets heeft willen uitdrukken. Dit “iets” is nu door de piramidologen uitgelegd als een weergave van vergane en komende historische ontwikkelingen. Maar als dit waar is en de duidingen die men reeds heeft gegeven zouden waar zijn, dan rest ons nog slechts te constateren dat de wereld reeds lang is vergaan en nu dus niet meer bestaat. Uitgaande van het gestelde tijdstempo tegenover een eenheid van lijn, houdt deze lijn in de koningskamer immers op voor het jaar 1972.

Er bestaat echter een andere verklaring voor deze lijn die mogelijk iets dichter bij de waarheid ligt: Men had in Egypte kennelijk een nogal sterk gevoel voor cycli. Men was bv. op de hoogte van tijdperken en men hanteerde magische sleutels die niet alleen woord‑ of offersleutels waren, maar die samenhingen met tijdsverloop, standen van de sterren en mogelijk zelfs met dimensionale verschuivingen. Wat dit laatste betreft, daarover is niet zoveel gepubliceerd. Men beweert zelfs dat het Ankhkruis van Egypte, dat zo vaak voorkomt, niet – zoals anderen stellen – een samenvoeging betekent van belangrijke mannelijke en vrouwelijke onderdelen, maar eerder aangeeft hoe in de dimensie van het heden de oneindigheid (de dimensie van het andere zijn) kan worden beleefd. Iets wat natuurlijk evenmin als de andere stellingen redelijk en wetenschappelijk bewezen kan worden.

Piramidologie blijft onbewijsbaar. Als je tracht enkele van de daarin voorkomende veronderstellingen te verdedigen, kom je terecht in zoveel verschillende interpretatiemogelijkheden dat je wordt geconfronteerd met zaken, die nog complexer zijn dan bij een verdediging van de astrologie ooit voorkomt. Dit wil niet zeggen, dat dit alles niet bestaat, dat er helemaal niets van al het gestelde waar is, maar het betekent wel dat je met alle duidingen voorzichtig moet zijn en het nodige voorbehoud dient te bewaren. De lijn of de groef in het gangenstelsel zou dan in feite een soort astrologische kalender vormen waarop inderdaad tijdstippen, die voor de mensen in uw wereld belangrijk zijn, terug te vinden zijn. Veranderingen in die lijn en in het gangenstelsel kunnen dan wijzen op constellaties die grote veranderingen in de geschiedenis kunnen inluiden zoals de geboorte van Jezus, het uitbreken van een wereldoorlog en dergelijke zaken. Mijns inziens is het niet onredelijk aan te nemen, dat iets van deze orde van grootte een rol speelt bij die lijn en de indeling van het gangenstelsel.

Helaas hebben piramidologen getracht de piramide te maken tot een bewijs van de grotere en verdergaande kennis van de oude Egyptenaren dan in deze dagen denkbaar is. Ik zeg helaas, want hun bewijsvoering heeft teveel mystieke elementen om een redelijk aanvaarden en dus onderzoeken hiervan te bevorderen. Nu is het ook zonder dit alles langzamerhand wel duidelijk geworden dat de Egyptenaren verder gevorderd waren en op vele gebieden een grotere kennis bezaten dan nu algemeen wordt verondersteld. Maar deze kennis vormt geen overtuigend geheel. Aan de ene kant vinden wij tekenen van een hoog ontwikkelde geneeskunde, terwijl ze aan de andere kant kennelijk maar een zeer beperkte en onduidelijke voorstelling hadden van de werking en betekenis van b.v. de bloedsomloop. Eveneens weten wij dat de Egyptenaren regelmatig gebruik maakten van gaven, die nu als paranormaal worden omschreven. Hypnose b.v. paste men toe ook voor verdovingen. Helderziende waarneming kwam in de plaats van diagnostiek en word ook gebruikt bij de bewaking van ernstige patiënten of tijdens ingrepen. Er zijn vele aanwijzingen te vinden voor het gebruik van telepathie op grote schaal tussen de tempels. Men was kennelijk ook reeds bekwaan in een vorm van helderziendheid die wij nu kristal-kijken noemen. Aanduidingen hiervan kunnen wij zelfs nog aantreffen in vele Griekse geschriften, zoals ook de vermelding dat er in Egypte rabdomanten (wichelroedelopers) waren.

Het lijkt mij niet onjuist te stellen, dat de Egyptenaren een hoge vorm van beschaving bezaten, ook als deze anders was georiënteerd dan de huidige beschaving. Dit alles lost echter het raadsel niet op waarom er piramiden werden gebouwd en waarom de piramide van Cheops juist op deze wijze word ontworpen. Zelfs op de vraag hoe men aan geld en werkkrachten was gekomen voor een dergelijke kostbare en langdurige onderneming is moeilijk een direct antwoord te geven. In een poging daartoe wil ik een vergelijking maken met zaken en mentaliteit in uw dagen. Als je vandaag aan de dag een groot project wilt uitvoeren, dan heb je daarmee mogelijk geheel andere bedoelingen dan je voorgeeft te hebben. Het is nu eenmaal noodzakelijk om eerst de nodige gelden bijeen te brengen. In het begin is het belangrijkste toch de nodige middelen te verkrijgen om de onderneming te starten. Desnoods ga je zo ver dat je later, wanneer de werkelijke opzet begint, het een en ander weer moet veranderen of afbreken. Het is zelfs mogelijk om bewust enkele fouten te maken waardoor je later kunt verklaren dat het bouwwerk toch niet zo geschikt blijkt te zijn en beter voor een ander doel kan worden gebruikt. Zo kun je dan toch je zin krijgen, iets wat in uw dagen vaak wordt gedaan.

Het ziet er naar uit dat de priester-orden, die grote kennis bezaten op occult gebied en paranormale gaven stimuleerden, op soortgelijke wijze de bouw van piramiden heeft weten te bevorderen. Oorspronkelijk werd gezegd dat men een grafteken voor een vorst bouwde. Dergelijke vorstengraven konden echter alleen worden bereikt via een labyrint. Een dergelijke bij vorstengraven algemeen gebruikelijke verdediging treffen wij echter in de piramide van Gizeh niet aan. Wel treffen wij bij vorstengraven altijd ook magische en andere vallen aan zoals muren met zegels e.d. Toen men eenmaal was doorgedrongen tot het binnenste van de piramide van Gizeh heeft men geen enkel vervloekings-tablet en geen enkele val aangetroffen.

Graven werden altijd versierd met scènes uit het leven van degene die daar zou worden begraven en ook met afbeeldingen van goden. In de gangen van de grote piramide treffen wij echter niets daarvan aan. Wel zijn er (dit blijkt reeds uit de verslagen van de eersten die tot het binnenste konden doordringen) in de z.g. hoge gang rookvervuilingen aangetroffen, waaruit men kan afleiden dat daar een langere tijd of vaak fakkels hebben gebrand. In de andere delen van het gangenstelsel en in de kamers kwamen deze tekenen echter slechts flauw of geheel niet voor. Bij een later onderzoek bleek, dat er ongeveer boven de koningskamer een drietal afgesloten ledige ruimten waren. Houdt men bij de berekening van het brandpunt van kosmische krachten rekening met deze ledige ruimten, dan blijkt dat hierdoor zowel bij de trog of ledige sarcofaag als even voorbij de ingang van de koningskamer brandpunten van zeer sterke straling ontstaan. Of dit nu toevallig is? Voor zover ik het kan nagaan, is het zeker niet toevallig zo gebouwd. Ofschoon dergelijke holten elders niet zijn aangetroffen en ze dus voor de structuur van een piramide kennelijk niet onmisbaar werden geacht, zijn ze hier wel degelijk opzettelijk ontworpen en aangebracht, hetgeen bewezen kan worden uit de op een afwijkende manier behouwen stenen in de gewelven van die kamers. Hier kan men zelfs nog de merken van de steenhouwers lezen die op de hier verwerkte stenen zijn aangebracht.

Het is mogelijk, dat men de een of andere vorst heeft voorgehouden dat men een groot grafteken voor hem bouwde, zodat het redelijk was om daarvoor de middelen en de slaven ter beschikking te stellen. Voor mij is het duidelijk, dat men reeds kort na het begin heel andere bedoelingen had. Men heeft een ruimte willen scheppen waarin de krachten van de aarde en de hemel tezamen op een zeer bijzondere wijze konden inwerken op mensen en mogelijk ook voorwerpen. Het denkbeeld, dat dit bouwwerk voornamelijk als ingangsruimte en magisch centrum werd opgezet, is dan ook volgens mij zeker niet zo ver gezocht als bepaalde historici u zouden willen doen geloven. Is er nu sprake van kennis betreffende de omtrek van de aarde en dergelijke zaken die in de bouw zijn verwerkt? Ik weet het niet zeker. Ik geloof echter, dat men een fout maakt, als men dit vooropstelt. Degenen die de betreffende berekeningen hebben gemaakt, zijn uitgegaan van een grondvlak dat iets groter was dan het werkelijke. Hierbij ging men uit van de aanwezigheid van een mantel van gepolijste steen en wel van een dikte, die op grond van vondsten niet aannemelijk kan worden gemaakt.

Verder heeft men de maat aangepast. De piramide‑inch is geen bestaande maat. Tekenen, dat deze vroeger bij tempelbouw eveneens werd toegepast, zijn er niet. De waarde van deze maateenheid schijnt gebaseerd te zijn op wiskundige handigheidjes en de behoefte om een verband te scheppen tussen het grondvlak van de piramide en de omtrek van de aarde. Op zo’n manier kan men nog wel heel andere zaken passend maken voor stellingen die niet feitelijk bewezen kunnen worden. Dit moet dus een vraag blijven. Maar de strikte oriëntatie van de piramidevlakken kunnen wij desondanks niet over het hoofd zien. Er moet wel degelijk een behoorlijke kennis hebben bestaan o.a. ten aanzien van de zon en de sterren. Maar de voorspellingen, die men uit de lijn in het gangenstelsel wil aflezen, blijken nogal onbetrouwbaar te zijn.

Het is herhaalde malen gebeurd dat piramidologen, die zich met dergelijke predicties bezighielden, een bepaald jaar als bijzonder gevaarlijk of rampzalig aanduidden, terwijl in de praktijk bleek, dat daarvan niets klopte. Achteraf vindt men wel steeds weer overeenkomsten met de historie, maar dit kan evengoed een bewuste of onbewuste aanpassing zijn aan de stelling dat de geschiedenis van de mensheid hier is vastgelegd. Heel vaak blijkt immers dat mensen de neiging tonen om nieuwe feiten of gegevens aan te passen aan een kennis of aan zekerheden die zij reeds menen te bezitten, zonder dat daartoe enige werkelijke aanleiding bestaat. Voor mij is een dergelijke berekeningswijze en uitleg dan ook niet geheel aanvaardbaar.

De astrologische aanduidingen waarover ik reeds sprak, zouden wel in een inwijdingsruimte of in deze piramide kunnen zijn verwerkt, omdat kan worden aangenomen dat men over voldoende kennis beschikte om dit te doen en daartoe in zijn geloof ook de redenen had. Het feit, dat men waarnemingen doet van de hemel en een bijzondere betekenis hecht aan het zich op bepaalde ogenblikken bevinden van planeten op een bepaald punt aan de hemel, blijkt uit vele bouwwerken en tempels. Bovendien verwijs ik in dit verband naar de mogelijkheid om de eerste delen van het gangenstelsel als een soort telescoop te gebruiken. In het geloof van de Egyptenaren was de loop van de sterren van groot belang. Plechtigheden maar ook meer wereldlijke zaken werden bepaald door de stand van de zon in een bepaald teken of door de stand van de planeten. Het is dus niet onmogelijk, dat men ook kans heeft gezien om een gehele cyclus (de gang van planeten enz.) te berekenen. Een andere vraag luidt: Hoe zijn die piramiden tot stand gekomen? Hier staan wij opnieuw voor een raadsel. Het is mogelijk te stellen dat het ongeveer op deze of gene manier zou moeten zijn, maar wij kunnen niet bewijzen dat het zo is gegaan. Om een voorbeeld te geven:

Men beweert dat aan één zijde van de in aanbouw zijnde piramide een soort helling, een dijk van zand, was aangelegd. Deze zou steeds weer verhoogd en verlengd zijn, zodat men langs deze weg de zware steenblokken omhoog kon brengen. Men ziet hier over het hoofd dat een dergelijke dijk alleen met zand opgebouwd ofwel zeer groot geweest moet zijn, dan wel de nodige stevigheid ontbeerd zou hebben die nodig was om een toch tamelijk druk slepen met zware stenen op rolsleden te kunnen verduren. Bij een talud zoals men zich dit voorstelt, zou er een materiaal nodig zijn geweest waarmee de zanddam in vorm en in stand werd gehouden. Van dergelijke materialen is in de omgeving echter niets aangetroffen. Toch zou er zoveel voor nodig zijn geweest dat men, althans enige resten daarvan zou moeten hebben aangetroffen. Het is immers niet aanvaardbaar, gezien de verdere bouwgewoonten rond 2500 v. Chr. in dit gebied, dat men alle niet gebruikte of niet meer nodige materialen volledig verwijderd zou hebben. Maar nogmaals, van dergelijke materialen vinden wij geen enkel spoor in de omgeving van het bouwwerk. Wel vinden wij kleinere tempeltjes in de buurt, maar die bestonden weer niet uit materiaal waarvan kan worden aangenomen dat het eerst als een soort beschoeiing voor een zanddam gediend kon hebben.

Anderen veronderstellen, dat men met lieren gewerkt zou hebben. Maar als men zich realiseert, dat men zelfs met de modernste hefwerktuigen heel wat moeite zou hebben om de nodige steenmassa’s op te heffen, dan kan men zich moeilijk voorstellen dat mensen dit met een zeer eenvoudige takel zouden hebben gedaan. Meer mystieke verklaringen spreken over een opheffen van de zwaartekracht. Het lijkt mij zonder meer duidelijk, dat in die tijd een opheffen van de zwaartekracht met technische middelen niet denkbaar is. Wij kennen wel andere werkwijzen die ook nu nog voorkomen. Ik denk hierbij aan een paranormaal verschijnsel als levitatie. Er zijn mediums, die een zware piano zonder kenbare steun door een kamer kunnen laten zweven. Een neiging, die ik kan begrijpen, indien kort daarvoor op het instrument zeer moderne muziek is gespeeld, want dat lijkt mij een dergelijke neiging wakker te roepen. Maar er zijn ook gevallen bekend van levitatie waarbij ook zwaardere voorwerpen zijn verplaatst. Daarnaast hoort men over magiërs die door het gebruik van de z.g. zonnemagie iets dergelijks tot stand brengen. Er zijn nu nog z.g. heilige mannen, die met deze magie voorwerpen ‑ zij het niet bepaald zware ‑ kunnen laten zweven.

In bepaalde delen van India worden dergelijke zaken ook nu nog wel gedemonstreerd. Ook bij de lama’s horen wij van een vorm van magie waarmee zware lasten kunnen worden opgeheven. De lama’s kennen een geluids‑ of trillingsmagie. Zij vertellen dat bepaalde ingewijden in staat zijn een stuk steen waarop verscheidene mensen zitten of staan alleen door het juist incanteren van het woord AUM omhoog te doen gaan als een soort lift. Of dit laatste waar is? Niemand heeft het gezien of fotografisch vastgelegd. Maar het wordt wel zo veelvuldig en nadrukkelijk verteld, dat je je als redelijk mens tenminste zou moeten afvragen hoe men aan dergelijke verhalen komt. Indien het niet op feiten berust, waar komt dan dit denkbeeld vandaan? Alles tezamen genomen zouden we kunnen stellen:

Er zijn inderdaad verschillende magische of paranormale methoden bekend waardoor het hanteren van zware steenblokken in ieder geval veel eenvoudiger zou worden. Op deze manier zou men met behulp van een eenvoudige zanddijk alles kunnen transporteren. Zoals men het gebruik van deze methoden ook een Stele heel wat eenvoudiger en beter zou kunnen oprichten dan met de daarvoor gegeven methoden van ten dele ingraven, een zanddijk aanleggen en steeds het gewicht in evenwicht anders verdelen. Op die manier kun je natuurlijk ook een Stele oprichten, maar het klinkt erg omslachtig en vergt een ruimte en een aantal werkers die op de plaats, waar dergelijke zuilen werden opgericht niet altijd een plaats zouden kunnen vinden, tenzij men aanneemt dat eerst de zuil word opgericht en daarna pas de omringende bebouwing e.d. zou zijn aangebracht. Kortom, de nu vaak aangenomen werkmethoden zijn onrendabel, moeizaam, krachtenverslindend en vergen voorzieningen waarvan in ieder geval nu niets meer is terug te vinden. Wij weten daarbij dat het gebruik van paranormale gaven in Egypte normaal was en dat met behulp daarvan vele zaken op een eenvoudige manier te bereiken waren. Bovendien waren het paranormale gaven die ook heden nog bestaan, ofschoon ze onvoldoende worden gewaardeerd.

Indien de bouw van piramiden en waarschijnlijk ook van vele andere bouwwerken werd begeleid door de inspanning van paranormaal begaafden, dan wordt het opeens ook veel logischer dat er eveneens van paranormaal verkregen kennis gebruik kon worden gemaakt bij het kiezen van de plaats, de opzet van de bouw, de indeling van ruimten enz. Dit heeft het voordeel dat wij niet meer behoeven uit te gaan van een grote kermis in de huidige zin van mannen met handboeken, cijferreeksen en kompassen. Vele prestaties uit die tijd worden dan verklaarbaar, indien wij uitgaan van mensen die in staat waren het gemeenschappelijk bewustzijn van de mensheid af te lezen, ofschoon in die dagen wel eerder over de ‘stem en de wil van de goden’ zal zijn gesproken. Om mijn stelling nog even te onderstrepen:

Er zijn verschillende malen in de geschiedenis van Egypte onverklaarbare vorderingen en ontwikkelingen op zeer korte termijn te constateren, die op deze wijze kunnen worden verklaard. Ook de manier van optreden tegen invallers soms onverklaarbaar en onredelijk, zeker als men ziet hoe het in verhouding weinig mankracht grote overwinningen werden behaald. Opvallender is dit nog, omdat in andere gevallen een Egyptische meerderheid het onderspit moest delven tegen invallende stammen. De strategie die werd gevolgd, bij de overwinningen is onverklaarbaar, soms zelfs dwaas als men die beschouwt vanuit de moderne opvattingen der strategie en alle kennis over de toepassing van strategie in de oudheid. Indien men bij acties werkelijk zo happy‑go‑lucky te werk is gegaan als men nu zou moeten geloven, dan blijft het nog een vraag hoe men er dan in slaag­de om met een zeer kleine legermacht op precies het juiste ogenblik en met de juiste intensiteit aan te vallen om zo een overmacht te verjagen. Maar als er mensen geweest zouden zijn die uit het bovenbewustzijn van de mensheid of door helderziendheid in staat waren alle bewegingen en plannen van de vijand van tevoren te kennen, dan is het duidelijk dat men ook met in verhouding een zeer kleine legermacht heel grote resultaten kon behalen. Dit schijnt meermalen gebeurt te zijn. Zoals er ook vele profetieën geweest schijnen te zijn die inderdaad werden vervuld waardoor magiërs en droomuitleg een bijzonder gezag bezaten.

Opvallend is ook, dat ineens en zonder kenbare oorzaak technieken in zeer korte tijd veranderden. Ik denk hierbij aan, bv. de wel zeer plotselinge evolutie van Nijlbarken en Nijlvlotten. Oorspronkelijk hebben we te maken met vlotten die doen denken aan de op huiden drijvende vlotten en boten van de Phoeniciërs. Primitieve vervoermiddelen die in niets doen denken aan de fraaie en luxueuze barken, die men nu nog wel in fraai technicolor en in breedbeeld op het doek pleegt te brengen. Opeens waren daar die barken. De gehele evolutie speelt zich af in minder dan vijftig jaren, wat voor die tijd ongelooflijk en onaanvaardbaar lijkt, zeker als wij de verdere evolutie van kennis en technieken in die periode bezien. Er is kennelijk opeens iets geheel nieuws geïntroduceerd. Mij lijkt het zeer wel mogelijk dat de bouw van de eerste Nijlbark tot stand kwam, als gevolg van een z.g. goddelijke inspiratie waarschijnlijker worden, als wij zien dat in diezelfde periode voor het eerst de z.g. zonne‑ of dodenbarken verschijnen, modellen die bestemd zijn om de zielen van de doden langs de hemel te voeren.

Dergelijke plotselinge veranderingen en ontdekkingen wijzen mijns inziens op invloeden van buiten en zeer waarschijnlijk behoren daaronder occulte bronnen en krachten. Wat ons weer terugbrengt tot het onderwerp dat ik op ze manier in een juister perspectief probeer te brengen. De poging om aan de hand van de bouw van de piramiden, de omvang en de oriëntatie daarvan, de lijnen die daarin voorkomen de gehele historie tot in de huidige tijd te kunnen overzien, wettigt volgens mij de volgende conclusie:

Er is in dat land ongetwijfeld sprake geweest van occulte kennis, zodat het denkbaar is dat men een bepaalde astrologische cyclus heeft kunnen vastleggen in de Grote piramide. Dit zou zelfs in die dagen belangrijk kunnen zijn geweest voor inwijdingen, omdat degene die wordt ingewijd volgens het geloof van die dagen langs de paden der doden en door de werelden der doden moet gaan om ‑ eenmaal ingewijd zijnde ‑ als herrezen Osiris te worden gehuldigd. Dit wijst erop dat zelfs vanuit ritueel standpunt en door de visie die men heeft op inwijdingen en andere methoden tot verruiming van de bewustzijnstoestand het doorlopen van een gehele cyclus belangrijk zou kunnen zijn. Dit zou de reden kunnen zijn dat men een aanduiding van de loop der sterren grifte in de wanden van de gangen die men passeerde, wanneer men naar de plaats van inwijding ging of daarvan terugkeerde.

De in te wijden persoon word, zo vertelt ons de overlevering, naar zijn “graf” geleid waar hij vervolgens 3 dagen lang zonder licht, voedsel of drank moest vertoeven om dan, teruggaand langs dezelfde weg tot de levenden terug te keren. “Gaan langs de weg der hemelen”. Een kosmische weg dus om daardoor bewustzijn en macht te verwerven die bovenmenselijk is in de ogen van hen, die de dood nog niet hebben geproefd. Persoonlijk ben ik ervan overtuigd, dat dit laatste de reden is geweest voor alles wat ons aan de grote piramide opvalt als afwijkend van andere piramiden en tevens de juiste verklaring is voor de indeling, de lijnen enz.

Natuurlijk dient u zich over dit alles zelf een oordeel te vormen. En als u meent dat de voorspellingen, die berekend kunnen worden ondanks al het voorgaande te opvallend zijn om de stelling, dat hier een wereldgeschiedenis wordt aangeduid ter zijde te stellen, dan verzoek ik u te overwegen dat de cycli in de kosmos ook in de astrologie als basis worden gehanteerd voor de predicties en aanduidingen van oorzaak en gevolg, zonder dat men behoeft aan te nemen dat de sterren en planeten alleen voor dit doel in hun banen werden gesteld. Wanneer er iets aan de hemel verandert, zal dit de aarde beïnvloeden. De gehele aarde en dus ook de mensheid zal hierop reageren, zodat bepaalde ontwikkelingen of gebeurtenissen waarschijnlijk worden. Maar dit betekend nog niet dat door de constellatie bepaalde gebeurtenissen als onvermijdelijk werden voorspeld. Er werden alleen invloeden weergegeven waarin gebeurtenissen als rampen, oorlogen e.d. gemakkelijker tot stand konden komen.

Gaat men van dit standpunt uit, dan zal volgens mij een piramideloog ook veel meer met zijn gegevens kunnen bereiken, omdat hij niet meer blijft stilstaan bij de neiging de toekomst te voorspellen, maar eerder zal proberen om alle gebeuren als een cyclisch geheel te begrijpen. Dan wordt het ook interessanter na te gaan wat in dit verband een neerdalende gang gevolgd door een nauwe opgaande gang, die zich opeens verbreedt zou kunnen aangeven omtrent kosmische verhoudingen. En dan is het ook veel belangrijker dat het einde van de cyclus valt op het punt waarop alle krachten van de aarde en de kosmos zo goed mogelijk werden geconcentreerd door de bouwers, want ook dit moet dan een verreikende betekenis hebben.

Nog een laatste opmerking:

Ik ben ervan overtuigd en meen te hebben geconstateerd vanuit mijn huidig bestaansniveau dat de piramide van Gizeh inderdaad vele malen voor dingen is gebruikt. Ik ben ervan overtuigd dat de krachten, die toen inwerkten op degenen die een inwijding ondergingen, ook in deze tijd ‑ zij het door de veranderingen in de mantellaag ‑ in wat mindere mate dan voorheen aanwezig zijn in de koningskamer.

Ik ben ervan overtuigd dat mensen, die enige tijd in deze ruimte en in de stilte doorbrengen, een bijzondere emotionele en bewustzijnsverruimende werking zullen ondergaan.

Ik meen voorts, dat in deze piramide vermoedelijk als gevolg van gedachtekracht, die in de koningskamer en in mindere mate ook in de koninginnekamer werkzaam waren, bepaalde inwijdingsgeheimen zijn vastgelegd in het materiaal die ‑ als men daarvoor ontvankelijk is ‑ op de eigen geest kunnen worden afgedrukt.

Ik meen, dat men hierdoor een besef zou kunnen verwerven van denkwijzen, mogelijkheden en meedelen die lang vergeten schijnen te zijn. Ik baseer dit wederom op waarnemingen, gedaan vanuit mijn wereld en vanuit mijn geestelijke zijnstoestand. Ik wil hieraan nog toevoegen, dat van het aanwezig zijn van dergelijke door gedachtekracht in materiaal gelegde werkingen niet alleen in de piramiden, maar ook op vele andere plaatsen op aarde sprake is. Zelfs in Italië bevindt zich en grot waarin naar men beweert eens Apollonius van Tyana zelf zijn krachten heeft gelegd. Een andere plaats, die zeer veel kracht en beelden schijnt te bevatten, ligt in de staat Utah (V.S.) nabij een bergtop. Er bevindt zich daar onder de top een komvormige uitholling. Wie daar rust, zou volgens de overlevering opeens zeer vreemde dromen hebben en soms plotseling gaven gaan ontwikkelen. Indianen schreven dit alles toe aan een zekere Ugate die een Manitou een soort godheid zou zijn geweest. Ik noem u slechts twee van de vele plaatsen.

Ik stel, dat de piramiden als schakels in een keten van vele plaatsen van inwijding van groot belang zijn. Op zich zijn ze volgens mij echter niet zonder meer een teken van de grootheid van het vergane Atlantis, ook als de bouw van dergelijke heuvelvormige of piramidevormige tempels wel is terug te volgen tot in de Atlantische periode en waarschijnlijk zelfs tot in de eerste Atlantische periode. De gegevens, die zowel in de piramide als in het schema zijn aangebracht volgens welke ruimten, kamers en gangen in de grote piramiden werden verdeeld, zijn zeer waarschijnlijk gebaseerd op oude overleveringen en op kennis. De plaats waar de huidige piramide van Gizeh staat is ook in een ver verleden reeds gebruikt voor vergelijkbare heilige bouwsels en tempels. En om te besluiten.

Bij de piramide vinden wij een tempeltje dat eerst kort geleden werd opgegraven, zoals er wat verderop bij de Sfinx, al eerder ook een werd gevonden. Deze tempeltjes waren niet alleen bedoeld om daar offergaven te brengen, maar dienden ook om hen, die eenmaal een priesterlijke graad hadden bereikt, in staat te stellen al mediterend deel te hebben aan de krachten van het bouwwerk waarbij het gelegen was. Op deze wijze schijnt men dus de paranormale en occulte krachten en de betekenis van de bouwwerken ten volle te hebben geëxploiteerd. Maar nogmaals, ik stel dit alles. Ik meen vanuit een geestelijk waarnemingen gelijk te hebben, maar bewijzen kan ik dit alles niet.

Slotwoord:

Wij hebben geprobeerd iets te zeggen over piramidologie. Maar zoals ik heb gemerkt, hebben we ons meer beziggehouden met piramiden dan met datgene wat men eraan heeft ontleend. Dat is ook verstandiger. Uitleggers zijn er overal te vinden. Er zijn mensen, die bv. vanuit het boek Openbaringen redenerend duidelijk maken dat de aarde sedert twee jaar is vergaan. Ze hebben dat later teruggenomen. In het hoofdkwartier hebben ze gezegd: Dat is te gek als we blijven leven en de aarde gaat niet ten onder, dus moeten we zeggen. De zaak is wegens succes geprolongeerd, maar dan en dan zal het toch gaan gebeuren. Op dezelfde manier zijn er ook andere prognoses uitgelegd. Prognoses die je achteraf misschien wel kunt erkennen, maar waarvan je toch heel weinig kunt berekenen wat betreft de toekomst. Dat geldt zeker ook voor de piramide. Houdt u zich niet teveel bezig met de prognostische betekenis en de waarde ervan. Als u zich wilt verwonderen over het bouwwerk, dan doet u dit terecht. Als u zich afvraagt, hoe dat alles mogelijk is geweest, stelt u een zeer interessante, zelfs intrigerende, vraag waarop men tot op heden nog nooit een antwoord heeft kunnen geven. Als u zich afvraagt wat de innerlijke betekenis van de piramide is, dan komt u mijns inziens dichter bij de werkelijkheid. Want in het innerlijk van de mens bestaat de mogelijkheid te antwoorden op de krachten, die o.m. in de piramide aanwezig zijn. En als u denkt aan al die verborgen en geheimzinnige piramiden uit de overleveringen, die grottempels zoals de kruistempel in de Karakoroum, de Tempel van de Spiegel der Waarheid en al die andere, dan moet u zich maar één ding realiseren: mogelijk bestaan ze, maar u heeft er toch niets aan. Wat u nodig heeft, is eerder de bereidheid om innerlijk open te staan voor de invloeden die u bereiken. Elke mens heeft de mogelijkheid om krachten te ontvangen, om een bepaald bewustzijn en besef in zichzelf te zien rijzen, om veranderingen door te maken die niet redelijk verklaard kunnen worden en zelfs in de materie resultaten tot stand te brengen, die in de ogen van anderen de meest grove toevalligheid zijn, ofschoon men ze zelf en bewust heeft leren bepalen. Een mens is meer en kan meer dan hij menselijk redelijk ooit is. Houdt u daar nu maar rekening mee.

Als u kijkt naar de piramide en al die mysteriën van de oudheid, zeg dan niet: de ouden hebben ons de kennis gegeven om de toekomst te bepalen. Zeg tot uzelf: de ouden hebben reeds het besef bezeten van de krachten die voor mij ook nu nog bestaan. Wanneer ik die krachten vind, dan vind ik een werkelijkheid die niet alleen beperkt is tot een aanduiding van wat morgen mogelijk, gebeurt, maar die in feite is de erkenning van alles waarvan ik deel ben en zo misschien ook een beheersing over alles waarmee ik te maken heb. Wie vanuit zijn innerlijke kracht werkt, komt verder. Wie alleen maar probeert te bewijzen dat de mensen vroeger meer wisten dan men nu gelooft, ach, die hebben wel gelijk, maar wat kom je daar verder mee. Als we kunnen bewijzen dat Noë al een patent op de grote scheepvaart had, dan komen we daar niets verder mee. Als we kunnen bewijzen, dat ruimtevaarders kaarten hebben gemaakt van de aarde en dat een zekere Piri Reïs met een kopie daarvan regelmatig op stap is gegaan, dan kunnen we hoogstens zeggen: Er is iets geweest in het verleden. maar wat kun je doen met een verleden, als het heden niet verdergaat?

Alleen datgene uit het verleden waarmee u nu verder kunt waardoor u nu wordt gestimuleerd tot nieuwe ontdekkingen, waardoor u nu openstaat voor nieuwe mogelijkheden, heeft betekenis. Leef dan zoveel u kunt in het heden.

Als u ooit het verleden ontmoet en u verwondert, verwonder u zoveel u wilt maar vraag u wel af, wat kan dit voor mij vandaag betekenen misschien dat u dan begrijpt, dat de piramiden van het verleden eigenlijk voor u voornamelijk betekenen dat er nog steeds krachten zijn en inwijdingsmogelijkheden waaruit u ook vandaag kunt putten.