Planten, dieren, mensen

Evolutiefasen

Als we naar de wereld kijken, dan onderscheiden wij drie hoofdvormen van leven: de planten (de lagere vorm van leven), de dieren (een iets hogere vorm) en de mensen (de overspannende vorm). Deze drie vormen zijn voor een groot gedeelte van elkaar afhankelijk.

In het begin was het zo, dat de plant het alleen kon rooien, omdat de samenstelling van de atmosfeer, van de zee en van de aarde voldoende was voor de plant om een gas-stofwisseling in stand te houden. Langzamerhand kwamen er dieren. Deze gingen de afgescheiden stoffen van de planten inademen en de lucht, die voor de voedingsstoffen van de plant nodig was, uitademen. Het resultaat was dat er een soort evenwicht ontstond. Was dat niet gebeurd, dan zouden er nu geen planten, geen dieren en geen mensen zijn.

De mens komt dus uit de dierenwereld voort. Deze mens is in het begin eigenlijk gewoon een dier. Dat wil zeggen. hij heeft andere kwaliteiten, maar in een natuurlijke samenhang gedraagt hij zich als een dier. Hij is een jager, een omnivoor. Langzaam maar zeker echter begint de mens het milieu te veranderen. Hij past de wereld steeds meer aan zijn behoefte aan en heeft daardoor invloed op de bestaansmogelijkheden en voor de dieren én voor de planten. De mens zou natuurlijk verder en verder kunnen gaan, maar er komt een ogenblik dat de planten tekort gaan schieten of dat het evenwicht in de dierenwereld wordt verstoord. Op dat moment wordt de mens weer bedreigd. Men zou dan kunnen stellen: ten eerste: planten, dieren en mensen hebben elkaar nodig; ten tweede: zij geven elkaar veel en bestaan dank zij elkaars activiteiten. Dat is voor de mens misschien een beetje moeilijk te verteren, maar het is toch werkelijk waar.

Indien dit de enige relatie was, dan zouden we een gezellig babbeltje moeten opzetten over alles, wat de planten wel en niet doen, de dieren wel en niet doen. Maar er zit nog iets anders bij. Zoals bij alle leven op aarde zit in een plant en ook in een dier een goddelijke Vonk. We kunnen dat met enige goede wil “bezield‑zijn” noemen. Er is een levende kracht, die langer duurt dan de plant, het dier, de mens. Die kracht nu heeft een geheel eigen proces van u zoudt zeggen evolutie, wij zeggen bewustwording. Dit proces is eigenlijk het interessantste bestanddeel van de onderlinge relatie. Het verklaart ook een beetje de afhankelijkheid, die er ook materieel blijft bestaan. De plant heeft een betrekkelijk klein deel levenskracht. Dat deel levenskracht op zich is belangrijker dan het besef. Het besef (of de geest van de plant) vertoeft zelden in de plant. Alleen bij zeer lang levende bomen zien wij dat het leven zich meestal associeert met de kruin en zich daarin bevindt, dus niet in de plantaardige weefsels zelf. Bij kleinere planten zien we over het algemeen dat de geest daarbuiten zweeft en er a.h.w. een soort klokje omheen vormt. Die geest leert be­staanswaarden. Ze leert het erkennen van stoffelijke invloeden. Of die nu benoemd worden of niet, is in deze fase zeker nog niet van belang. Een plant weet wel degelijk het verschil tussen droogte en vochtigheid, tussen vruchtbare en niet‑vruchtbare aarde ook al kan ze er niet veel aan doen. Ze kan zich aanpassen aan veel dingen; ze kan zich op het licht richten en al die dingen meer. Hieruit komt een betrekkelijk eenvoudige scala van besef voort. Hoe langer een plant leeft, hoe groter de mogelijkheden worden om alle afzonderlijke factoren te vergelijken. Er is nog wel geen sprake van een geheugen in menselijke zin, maar er is – geestelijk gezien ‑ sprake van een vergelijken van factoren. Een boom, die 100 jaar oud wordt (dat is voor een boom niet eens zo gek oud) heeft een bewust­ zijn dat aanmerkelijk hoger is dan bv. een madeliefje.

Het is duidelijk, dat die geest niet beperkt blijft. Zij ressorteert in de plantenwereld onder een rassen‑ of soortgeest. Deze geest neemt voor een groot deel de bezielende kracht weer tot zich terug. Maar een bewust‑zijn dat eenmaal is gevormd, wordt niet meer teniet gedaan. Het wordt ‑ zij het onder auspiciën van de soortgeest ‑ later vaak weer geprojecteerd, tot het ogenblik dat het niet meer past in de kwaliteiten van besef, die voor de soort noodzakelijk zijn. Dan wordt het overgedragen aan een andere instantie. Zo zien we dan dat ook de bezielende kracht van een plant een evolutie door de soorten doormaakt, waardoor op den duur een groter aantal impulsen en vergelijkingen mogelijk zijn.

Is het zover gekomen dat geen nieuwe impuls meer in de bewegingloosheid, die voor de plant meestal domineert, aanwezig is, dan zullen we waarschijnlijk een evolutie zien naar een van de laagste diersoorten. Dan komt de beweging, de verplaatsing in het milieu erbij en deze gaat een rol spellen, De ervaring wordt weer groter. Hierdoor is het mogelijk weer tot een hogere soort over te gaan, enz, enz.. Eindelijk wordt die geest misschien zo complex, dat ze in de mens kan leven en dan wordt ze de bezielende factor voor de mens. Een proces, dat heel veel tijd kan ver­gen, maar dat door gunstige omstandigheden ook aanmerkelijk kan worden verkort. Om u een voorbeeld te geven;

Een plant kan om tot mens te evolueren ongeveer 30.000 incarnaties nodig hebben. Daarbij moet u rekening houden met het feit, dat de incarnatietijd aanmerkelijk korter is dan bij een mensenleven en dat ook de tus­sentijd belangrijk korter is. De kortste incarnatiereeks van plant tot mens onder de gunstigste condities, zal niet veel meer zijn dan 4000 in­carnaties. Hier ziet u reeds dat er enorme verschillen zijn. Eén ding is echter zeker: Als je mens bent, dan ben je verbonden met het leven van de planten en de dieren of je het wilt of niet, of je het weet of niet, geestelijk heb je deel uitgemaakt van hun vormingsgang en dus van het leven van plant en dier.

Die relatie vinden we bij de mens nog terug in gevoelsmatige condities. De mens reageert op bepaalde dingen in de natuur. Die reactie zal ‑ ongeacht de stoffelijke conditionering ‑ mede worden bepaald door gevoelens van antipathie en sympathie, van eenheid of afwijzing, die eigenlijk voortvloeien uit de geest op grond van de vroegere wordingsgang.

Dan moet je verder gaan denken en je eens afvragen, of er dan relaties kunnen zijn tussen de mens en de plant, de mens en het dier, die niet als zodanig worden beseft, maar die op vroegere geestelijke gelijkheden zijn gebaseerd. En dan zien we iets eigenaardigs.

Er zijn mensen, die van nature dresseurs zijn. Ze kunnen van elk dier ontzettend veel gedaan krijgen. Ze hebben inzicht in het karakter van het dier, de behoeften van het dier, eigenlijk in zijn gehele psyche. Anderen daarentegen zijn nog niet eens in staat om tot een hond te zeggen “kom”. De mens, die zozeer verbonden is met het dier, zal heel vroeger tot die soort of een aanverwante soort hebben behoord. Zo blijkt bij dompteurs bv. dat iemand, die goed is in het dresseren van paarden, misschien nog een goede beren-dresseur kan worden, maar hij zal het nooit brengen tot de katachtigen. Een dresseur, die goed is voor de katachtigen, zal waarschijnlijk nog kunnen werken met de beer (dat blijkt een tussentrap te zijn), maar hij zal weer weinig of geen succes hebben met kleinere dieren. Hij kan dus niet goed honden e.d. dresseren. Hij heeft gewoon geen gevoel voor de psychologie van die dieren. Hij heeft er onvoldoende eenheid of harmonie moe. Zo heb je mensen, die heel goed uien kunnen telen en die met aardappelen en andere knolgewassen ook nog wel succes hebben, maar als het gaat om boontjes, dan wil het niet. Het is net, of ze daar altijd even een fout maken. Ze bemesten iets te veel of iets te weinig of ze vergeten iets. Alweer: een verwantschap; en die ligt waarschijnlijk in het plantaardige bestaan. Hoe meer je nu teruggaat naar de primitieve vormen, hoe meer je ook terecht komt bij de ééncellige en de microscopische wezens, want die zijn ook leven.

We zien mensen, die tegen de aanvallen van allerlei microscopische wezen bestand zijn, waar anderen aan succumberen. Je vraagt je af: Hoe kan dat? Dan zeg je: Die mensen zijn resistent. Goed, maar verklaar die resistentie. Dat kun je doen op grond van genetische eigenschappen en dan blijkt het niet te kloppen. Je kunt het doen op grond van voorgeschiedenis, voeding e.d. en dan blijkt het soms te kloppen. Maar ga je uit van een bestaande harmonie, dan blijkt het plotseling altijd wel te kloppen. Daar hebben we dan een punt, dat we even moeten vastleggen:

De mens kan harmonisch zijn met planten, met dieren, ja zelfs met microscopisch kleine wezens. Door deze harmonie wordt zijn verhouding tot die andere soort en zijn relatie met die soort mede bepaald. Hij heeft vroeger dan in deze of een soortgelijke vorm bestaan.

Dan stellen we daarnaast: Niet elke mens heeft ten aanzien van planten­ en dierenleven gelijke mogelijkheden. Men moet hierbij zeer sterk afgaan op eigen sympathieën en antipathieën, daar deze een goede aanwijzing zijn, waardoor men een maximum aan resultaat kan behalen.

De theorie van die wedergeboorte is natuurlijk altijd weinig attractief voor een betoog als dit, omdat de mensen er niet van houden eraan herinnerd te worden, dat ze ook nog wel eens wat minders zijn geweest en misschien ook nog zouden kunnen worden. U moet het voorgaande dus maar als kennisgeving beschouwen.

U moet u dan eens afvragen, of er mensen zijn, die op een bijzondere manier reageren in die relatie tussen mens en dier en plant. En wat zien we? Er zijn mensen, die door wat men hun constitutie pleegt te noemen geconditioneerd zijn voor een bepaald milieu, een bepaalde omgeving. Er zijn mensen, die kunnen zich heel gemakkelijk herstellen aan zee. Dat is een bepaald landschap, een bepaalde lucht, een bepaalde temperatuurverhouding enz. Anderen kunnen dat beter in de bossen. Sommige mensen voelen zich het best thuis in een halftropisch of tropisch klimaat. Anderen daarentegen kunnen daar juist weer niet bestaan. Oud‑Indische gasten weten het wel. Er kwamen dan weer nieuwelingen. Sommigen van hen waren binnen een jaar weg; die konden het eenvoudig niet uithouden. Anderen daarentegen pasten zich ontzettend snel aan ­en waren binnen een half jaar beter aangepast dan de mensen, die al enkele jaren in de tropen actief waren. Hoe dat komt? Alweer: Hier zit een zekere relatie, een zekere verwantschap in. Die verwantschap is gebaseerd op een geestelijke aanvaarding.

De geestelijke aanvaarding blijkt echter stoffelijke mogelijkheden te activeren. En als je dat als mens voor jezelf kunt doen, dan moet een dergelijke beïnvloeding ook mogelijk zijn voor elk lager bewustzijn. Ook hier (ik heb het in het vorige stukje reeds aangeduid) zijn er mensen, die in staat zijn hun gedachten a.h.w. op te leggen aan planten en dieren. Hieruit kun je de conclusie trekken, dat een mens vanuit geestelijk standpunt zijn omgeving domineert, maar dat hij alleen kan domineren, indien hij uitgaat van zijn geestelijke kracht en zich aanpast bij datgene wat voor hem geestelijke harmonisch is. Nu moeten we nog een paar stoffelijke aspecten bezien.

Er zijn bepaalde kruiden, die door iemand in de tropen straffeloos gegeten kunnen worden, maar die voor iemand in een noordelijker klimaat giftig zijn. Een eigenaardig verschijnsel is dit: Een tijdlang hebben de Kalmukken en Tartaren uit het Zuiden bepaalde planten geïmporteerd, die ze gebruikten als kruiderij. In Italië werden diezelfde planten, in een misschien iets hogere concentratie, gebruikt als dodelijke giften. Omgekeerd weten we dat er dingen zijn, die een Rus rustig eet, maar waaraan een neger doodgaat.

Er is ‑ ongeacht de z.g. gelijkheid van het menselijke organisme ‑ kennelijk een factor, die de gevoeligheid van de verschillende rassen afzonderlijk bepaalt. Is die gevoeligheid voor planten en wat dat be­treft ook voor dieren aan het ras te wijten? Ik meen, dat we hier “ja” op kunnen zeggen, omdat een zekere ontwikkeling, een reeks incarnaties via plant en dier meestal uitmondt in de keuze van een bepaald mense­lijk klimaat of milieu. Dat milieu bevat dan weer bepaalde eigenschappen, die op den duur erfelijk worden, waardoor er een preconditionering ont­staat zowel van de stoffelijke vorm van het ras als van de geestelijke inhoud, die daarin voortdurend tot leven. Ik geloof, dat ook dit belangrijk is. Je kunt dan zeggen: De mens is gebonden aan zijn milieu (ook geestelijk) daar de keuze van milieu voortkomt uit voorgaande incarnaties. De preconditionering van lichaam en geest die zo ontstaat, bepaalt de relatie met plant en dier.

Dan kom ik aan een volgend punt.

Er zijn mensen, die gevoelig zijn voor planten, soms op een onaangename manier: hooikoorts of iets dergelijks. Soms echter op een heel prettige manier. Hoe zou het komen dat de ene mens met geraniums in de slaapkamer rusteloos wordt en niet slaapt, ofschoon hij lichamelijk helemaal geen tekenen geeft van geprikkeldheid, terwijl de ander juist heel lekker slaapt? Kennelijk is hier ook iets van een uitstraling of uitwaseming. Nu weten we dat planten niet alleen maar zuurstof of koolzuur uitwasemen. Ze slaan niet alleen stikstof op, ze geven bepaalde aroma’s (vluchtige stoffen) aan de omgeving af. U zegt: Wat ruikt die hyacint lekker. Dat is een verdampingsproces van een soort olie. Hetzelfde is het met de roos. Er vormt zich een olieachtig sap en de bestanddelen daarvan geven bij verdamping de geur.

Nu blijkt, dat die oliën op verschillende mensen een totaal verschillende invloed hebben en dat hierdoor psychische reacties ontstaan. Proefnemingen, die men heeft gedaan o.a. in Rusland maar ook in de Verenigde Staten, Italië en Frankrijk, hebben aangetoond dat in vele gevallen de geuren van bloemen (om een voorbeeld te nemen, er zijn ook andere geuren) invloed hebben op het voorstellingsleven van de mens. Sommige wekken zelfs bepaalde dromen of hallucinaties. De tendens daarvan vertoont een zekere overeenkomst. De psychologen hebben dat verklaard als voortkomend uit gelijksoortige achtergronden. Ik ben geneigd dat te bestrijden. Ik meen n.l. niet, dat die gelijksoortige achtergronden bestaan voor de Russische mens, de Fransman, de Italiaan en de Amerikaan. Ik meen, dat die een zodanig verschillende manier van leven hebben, zelfs een zodanig verschillende opvatting van het bestaan, dat hierdoor het ontstaan van gelijke droombeelden niet meer tot de basis van de mens kan worden teruggevoerd. Deze associaties grijpen terug naar iets anders.

Als ik dat andere terugzoek, dan blijkt weer een volgend eigenaardig punt n.l. dat dieren vaak hun reacties bepalen door de geuren van planten. Sommige trekken aan, andere stoten af. De geur van planten betekent: in deze of gene richting kan ik wel of niet prooi of voedsel vinden. Nu blijken de dromen van de mensen meestal te maken te hebben met ontwijking of sterke aantrekking; een overeenstemming met de instincten, die je bij vele dieren ziet. Is het dan niet redelijk te veronderstellen, dat de geur hier niet alleen teruggrijpt naar een menselijke reactie, maar dat er in het onderbewustzijn ergens ook factoren zitten, die uit vorige incarnaties stammen en dat de vorige bestaansvormen van de mens diens reacties (attractie of vlucht) bepalen? Het lijkt mij zeker niet onmogelijk. Nu kun je natuurlijk zeggen: Dat is allemaal leuk gezwam in de ruimte. Er wordt veel gezwamd op het ogenblik, maar ik geloof niet, dat het helemaal juist is.

De mensen zeggen: Planten zijn er om gegeten te worden en dieren zijn er om gebruikt te worden. Dat is in zoverre waar, dat de mens het milieu beheerst en daardoor ‑ of hij dat wil of niet ‑ alleen krachtens zijn manier van leven voor de dieren beslissingen neemt; dus hun leven en hun mogelijkheden bepaalt, ook als hij zegt: wij mogen de dieren niets doen. Hij doet de dieren toch iets, want hij leeft en door zijn leven beïnvloedt hij hun levensmogelijkheden en zelfs ook hun gedragspatroon.

De mens, die graag een kropje sla eet, moet zich wel realiseren, dat daarvoor speciaal zaad wordt gewonnen dat in speciale kassen wordt geteeld, opdat hij zijn kropje sla kan eten. Die groente heeft niets meer te maken met de natuur. Ze wordt voor een specifiek doel gekweekt. Zij heeft ook niet de kans om tot een natuurlijke ontwikkeling te komen. Ze wordt alleen voor voedsel gekweekt. Een verschijnsel, dat begon ongeveer een 7000 jaar geleden rond het Middellandse Zeegebied, als we de eerste werkelijke tuinbouw zien. Vóór die tijd was er wel wat graan, maar dat was eigenlijk meer een zoeken naar het voorkomen van bepaalde soorten in een bepaalde streek dan het bewust winnen en veredelen van zaad. Dat begon ongeveer 6000 jaar v. Chr.

De dieren worden ook voor een deel door de mens gehouden. Een koe heeft geen natuurlijk leven en nu heb ik het heus niet alleen over kunstmatige inseminatie. Een koe leeft in een beschermd milieu. Ze krijgt niet de voeding, die ze zelf wil hebben. Ze krijgt de voeding, die de mens voor haar juist acht. Haar beweging wordt bepaald door de gelegenheid, die de mens haar geeft. Ze is geteeld tot een in feite overvloedige melkgift, omdat de mens die melk wil hebben. In de natuur geeft de koe alleen melk zolang er gezoogd wordt. Er zijn dus heel wat verschillen. Een dergelijk dier kun je niet meer beschouwen als een duel van de natuur. Het is wel degelijk, een deel van de mensenwereld geworden en wordt door de mens geheel binnen zijn wereldbeeld aangepast aan zijn behoefte,

Zodra we naar buiten gaan, zien we wat anders. Daar zien we bv. de gnoe, de hertebeest, de wilde bok, het springbokje of de giraffe. Allemaal dieren, die in Afrika voorkomen. Ze leven in een vrije wereld. Voor hen is er natuurlijk gras; voor de giraffe is dat meestal acriciablad. Maar soms is er ook niets. De ene keer is er wel water, de volgende keer moet je heel ver trekken om water te vinden. De ene keer zijn er enorm veel gevaren en word je voortdurend aangevallen door roofdieren, een volgend ogenblik heb je rust. Er is hier geen geregeld bestaan. Hierdoor is de ervaringsmogelijkheid aanmerkelijk groter. Daarom zal praktisch geen enkel wild dier zonder meer mens worden. (Ofschoon een mens zich op den duur ook wel eens als een wild beest gedraagt, niet iedereen gelukkig,). De reden daarvoor is deze:

Het dier in zijn natuurlijk milieu leeft van gewassen in natuurlijke staat. Het leeft volgens een paradijspatroon. Er is hier geen behoefte aan bijzondere genegenheden, bijzondere gebondenheden, het is een je afstemmen op andere harmonieën dan die van je milieu en je kudde. Zodra je huisdier wordt, ben je zodanig aan de mens gebonden, dat er een emotionele en ook via de aura uitgestraalde relatie ontstaat tussen mens en dier. Nu blijkt het dier ineens wel in staat te zijn tot grote genegenheden, die niets meer te maken hebben met de eigen groep. Om u een typisch voorbeeld te geven: Een circus. Er is een olifant. Dit dier wordt door het circus gekocht en wordt onhandelbaar. Men denkt dat het komt, omdat hij uit de eigen troep weg is. Later blijkt echter, dat het dier altijd een vriendschap had met een hondje, een geitje of een paardje. Zodra dit dier nu weer in de stal wordt gebracht, is die olifant niet alleen rustig, maar hij is bovendien in de dressuur weer gezeggelijk. Dit zijn historische voorbeelden, die o.a. terug te vinden zijn in de geschiedenis van Hagenbeck.

Er ontstaan dus relaties, die niet meer een natuurlijk patroon hebben en die daardoor een zeer complex emotioneel ervaringspatroon voor de geest betekenen. Evolutie kan daaruit voortvloeien. Een evolutie ook naar het menselijke. Het merendeel der mensen heeft een geest, die direct of indirect met de dieren te maken heeft gehad. Of het een haatrelatie is geweest of een liefderelatie, doet niet ter zake, er moet een zekere band bestaan tussen het menselijk ras en het dierlijk ras. De situatie omvat verder nog een aantal aspecten, die ik nu maar heel summier zal aanstippen. Als ik als plant van bepaalde stoffen leef, dan krijg ik daaraan vaak een tekort. Nu zijn er dieren, die mijn bladeren eten en dan weer stoffen afscheiden, die ik voor mijn voeding nodig heb. Het is geen directe symbiose, maar het komt er heel dicht bij. Zo blijken er gewassen te zijn, die aan de ene kant opgevreten worden door de rupsen, maar die aan de andere kant geen grote vruchtbaarheid vertonen, indien die rupsen ze niet opvreten, omdat ze n.l. voor de bestuiving afhankelijk zijn van de vlinders, die uit de rupsen komen. Dat zijn typische verschijnselen, maar ze bestaan. Een relatie die symbiose nabij komt, blijkt tussen vele diersoorten en ook tussen vele planten‑ en diersoorten en zelfs tussen planten onderling te bestaan. Er zijn lianen, die enerzijds parasiteren op bomen (in het oerwoud ziet men dat vaak), maar die anderzijds de boom beschermen tegen vele invloeden en hen overeind houden waar hij anders reeds zou zijn neergestort.

Er zijn dieren, die op elkanders eigenschappen zijn aangewezen, In een kudde van bv. zebra’s, gnoe’s of gazellen tref je vaak struisvogels aan in sommige gebieden of anders giraffen. Het blijkt dat deze grote dieren, die ver kunnen zien, eigenlijk als een soort wachtposten fungeren voor de kudde waarmee ze samenleven, terwijl op haar beurt de kudde, als er vijanden in de buurt zijn, deze gasten een zekere bescherming biedt. Een duidelijk bewijs alweer dat er samenwerking is. Deze voorbeelden van samenwerking op de wereld zijn betrekkelijk gering. De natuurlijke samenhangen zijn n.l. grotendeels teloor gegaan, maar er is altijd een direct verband te vinden tussen de plantengroei en het dierlijk leven in een streek en zelfs de mogelijkheden, die de mens daarin kan vinden. Naarmate deze harmonischer zijn, zullen de mogelijkhe­den voor de mens beter zijn en ook de levenscondities voor de dieren, die in leven blijven. Het plantenleven zal tot grotere vruchtbaarheid komen en er is minder gevaar, dat bv. een oppervlakte wordt aangetast door zonnebrand of iets dergelijks en daardoor een tijdelijke onvruchtbaarheid van de grond optreedt. Er is tussen dit alles een grote samenhang.

Men zou mogen stellen dat het beter zou zijn, indien de mensen die harmonie weer zouden terugvinden en daarbij niet terugschrikken voor de dood van de zwakkere dieren; iets wat in de natuur a.h.w. ingeschapen is. Het zwakke moet vallen, ook in het plantenleven, opdat het sterke kan blijven bestaan. Je kunt nooit alles tegelijk in stand houden. Dit probeert de mens te voorkomen. Hij heeft bv. heel veel plantaardige hybriden in omloop gebracht, die alleen dank zij de speciale zorg van de mens in leven kunnen blijven en die zonder dit ofwel zeer snel zouden veranderen, dan wel zouden verdwijnen. Dit geldt ook voor het dierenleven. De mens benadert de totaliteit niet erg verstandig. Pas indien de mens gaat beseffen, dat ook hij voor zijn bestaan direct afhankelijk is en blijft van het plantaardig en dierlijk leven op aarde en daarbij beseft dat dit niet alleen een voedselafhankelijkheid is, maar dat het zelfs een kwestie is van luchtvochtigheid (het verdampingsvlak van een woud is vaak bepalend voor de neerslag in een bepaalde streek), dat hij voor zijn adem van planten afhankelijk is (het zijn planten die voortdurend de zuurstof aanvullen, die hij verbruikt), dan zal hij de relatie tussen plant, dier en mens weer terugbrengen tot een natuurlijker peil. Hierdoor zal hij weer komen tot een natuurlijker leven dat hem ‑ ook in een geestelijke evolutie ‑ meer kansen biedt.

De situatie, zoals ze op het ogenblik is, is wel zeer slecht, zoals u weet. Men gebruikt heel veel producten, die door de planten alleen kunnen worden verwerkt, indien ze voorzichtig muteren. Doen ze dat, dan verandert hun voedingswaarde voor de mens, maar gelijktijdig vaak ook hun attractie voor insecten, die voor bestuiving moeten zorgen of hun voedingswaarde voor dieren. De resultaten zijn niet altijd even gunstig. De natuur zelf is gewend om in elk milieu een levensmogelijkheid te scheppen voor elke soort, die ermee harmonisch is. De mens heeft deze mogelijkheid vaak verstoord. Door het verstoren hiervan heeft hij niet alleen het leven van soorten ook bedreigd, maar ook zijn eigen leven. De mens moet zoeken naar een juist evenwicht tussen zijn bestaanseisen en zijn bestaansmogelijkheid. Die bestaansmogelijkheid wordt bepaald door het z.g. lagere leven.

Ten laatste wil ik opmerken: Er zijn rassen of groepsgeesten die voor bepaalde diergroepen optreden, soms voor betrekkelijk kleine groepen (het zijn dan ook kleine geestjes), soms voor een aantal verschillende soorten, die onder één ras vallen. Dit zijn dan heel grote geesten. Deze geesten reageren op de gedachten van de mensheid. Hun reactie op de gedachten betekent een beïnvloeding van de mens. Hierdoor kunnen ook nog geestelijke wisselwerkingen ontstaan, soms met astrale nevenverschijnselen, die eveneens de mens kunnen dwingen om op zijn schreden terug te keren, dan wel voor de mens onverwachte ongunstige condities scheppen.

Daar een dergelijke geest al heel snel zal redeneren: Wanneer de mens de ontwikkelingsgang, die ik bestier ongedaan wil maken, dan moet ik hem zodanig hiervoor straffen, dat hij eindelijk er met zijn vingers afblijft. Ook dit komt voor. Het is gebeurd dat hierdoor voor de mens zeer tragische situaties zijn ontstaan. Ik denk hier bv. aan de dustbowlverschijnselen, die bij een al te intensieve landbouw kunnen optreden. Grote graanvelden, die eenmaal tot de vruchtbaarste ter wereld behoorden, zijn op het ogenblik niets anders dan zandige vlakten waar men met heel veel moeite door bomen te planten, door voortdurende inzaai, ja zelfs door kunstmatige bevloeiing weer enig leven tracht te brengen.

Er zijn heel veel dingen, waarop de mens in dit verband te weinig let. De kwestie van alleen maar: planten zijn er als voedsel voor de dieren, de dieren zijn er als dienaren en als voedsel voor de mensen, is zeker onjuist.

***********************************

*  U sprak van grond, die helemaal is verzand. Is dat geen erosie?

Dat is erosie, inderdaad. Maar ze heeft wel heel eigenaardige oorzaken. De eerste oorzaak ervan, vooral als wij met erosieverschijn­selen te maken hebben, is het scheuren van een oppervlaktelaag (gras­land). Dat is in de Ver. Staten het geval geweest. Men heeft daar prairiegrond gescheurd voor graanteelt, maar men heeft er niet voor gezorgd dat verstuiving van die grond in de tijd dat het graan was ge­oogst word tegengegaan. In een ander geval was het een kwestie van ont­bossing. Het is zo, dat planten in staat zijn om op den duur van zand vruchtbare grond te maken. En als u mij niet gelooft, moet u maar eens gaan kijken wat bv. helm kan doen en wat andere soorten, die toch helemaal niet kieskeurig zijn ‑ zoals lupine ‑ kunnen betekenen. Deze plan­ten halen uit de grond, die in feite onvruchtbaar is, voor andere plan­ten, bestanddelen, breken die af en in hun eigen afsterven verrijken, ze de bodem en geven daardoor andere plantengroei steeds meer kans. Indien ik dus een dergelijke mogelijkheid wegneem, dan put ik de bodem uit. Of ik laat er zoveel water overheen gaan, dat de ontlede op­pervlakte aarde (dat is meestal niet zo’n erg dikke laag), a.h.w. wordt weggespoeld. Wat er dan overblijft is niet verwerkt. Daar moeten we dan weer beginnen met heel fijne korstmossen, met alg-achtige soorten, kortom, met plantjes die in staat zijn om onder meer het silicium te breken, dat veel voorkomt in zand. En pas als dat is gebeurd ‑ en dan moeten we er heel goed op letten dat ze beschermd zijn ‑ kunnen we langzamerhand weer planten brengen, die ook nog wel zand kunnen aantasten of die zich zelfs uit de rotsbodem kunnen voeden. Hun afvalproducten, vermengd met wat er overblijft, geven dan op den duur een grotere vruchtbaarheid. We kunnen dan een dichtere beplanting krijgen. Daardoor wordt steeds meer water vastgehouden. Dit bespoedigt aanmerkelijk de ontbindingsprocessen en maakt voor de plant veel meer chemische processen mogelijk, met als eindresultaat dat we een herwonnen bodemstructuur hebben. Maar dat vergt honder­den jaren en heel veel werk. En de mens heeft over het algemeen niet zo heel veel geduld.

*  Is het zo, dat ‑ gezien de verschillende reacties van mensen op bepaalde dieren en planten ‑ hun ontwikkelingsgang onderling verschilt en langs andere banen loopt? Zo ja, houdt dat niet in dat de ene mens dan bepaalde ervaringen mist, die een ander wel opdoet of omgekeerd?

Tot op zekere hoogte is dat waar. Het is zo, dat elke mens op aar­de praktisch (er kan een uitzondering zijn: 1 op de zoveel miljard, daar spreken we dus niet over) een plantaardig bestaan op aarde heeft gevoerd, soms reeds daarvoor, in verband met mineralen, daarna verschillende fa­sen van dierlijk leven heeft doorlopen en dan pas mens wordt. Er is één punt bij dat altijd klopt: vóór de eerste menselijke incarnatie moet er een enorme binding zijn geweest met anderen. Een onzelfzuchtige binding of misschien een soort verering. Nu blijkt dit in 9 van de 10 ge­vallen met mensen te zijn geweest; in andere gevallen is dat met bv. een kudde. Een hengst bv. kan zich onder omstandigheden opofferen voor zijn kudde. Het resultaat is dan dat hij daardoor emotionele ervaringen opdoet, die hem rijp maken voor het menselijk zijn.

Maar niet iedereen heeft dezelfde voorgeschiedenis en niet ieder­een heeft ook geestelijk dezelfde ervaringen en neigingen om uit te put­ten. Dit betekent, dat de mensen dus ‑ ongeacht het feit dat hun voorge­schiedenis vergelijkbaar is ‑ toch allemaal een zeer persoonlijke karakte­ristiek kunnen hebben, ook geestelijk gezien. En dat krachtens deze karak­teristiek voor hen de nadruk op dingen valt in het leven, die voor een ander onbegrijpelijk zijn. Maar omdat je als mens kiest voor die dingen, welke in overeenstemming zijn met het vroeger geleerde ‑ zeker in die eerste, mogelijk in de eerste twee incarnaties ‑ krijg je al snel een aanvulling naar het menselijke toe. Zodra je in het menselijke werkelijk begint te leven, ontstaat er een gelijkrichten, omdat de harmonie met de mensheid gaat domineren. Dan krijgen we voor de mens een aanvulling van de eigenschappen in overeenstemming met wat je zou kunnen noemen het gemeenschappelijk bewustzijn of het bovenbewustzijn van de mens. Van daaruit is een zeer grote gelijkheid te zien. Om een vergelijking te nemen: Je kunt een plaats bereiken langs 20 of 30 verschillende wegen. Maar als je eenmaal in die stad gaat wonen, dan ben je toch stedeling met de anderen en zal je gedragspatroon zich sterk gaan baseren op de mode, de methodiek, zoals die in de stad in kwestie bestaat.

*  Als dit proces van evolutie eenmaal begonnen is, zet het dan altijd door?

Op den duur wel. Maar het kan een tijd stilstaan hier of daar. Het kan zijn, dat iemand eenvoudig nieuwe ervaringen weigert. Dat hij blijft terugvallen op één bepaald gedragspatroon en daardoor ‑ geeste­lijk gezien ‑ ook een vergelijkbaar ervarings‑ en emotioneel patroon krijgt. Hij legt dan meer de nadruk op de tekorten die hij heeft. Hij wordt dus in feite onevenwichtiger. En pas als hij die onevenwichtigheid gaat overwinnen in een incarnatie, komt hij weer verder. Er zijn mensen, die kans zien om drie incarnaties te blijven stilstaan. Er zijn ook mensen, die kans zien om in één of twee incarnaties zoveel te beleven en te ervaren, dat het vergelijkbaar is met tien in­carnaties van een ander. Hier is dus geen antwoord met zekerheid te ge­ven. Het is mogelijk, dat iemand tijdelijk blijft stilstaan. Er is zelfs in de gedragsnorm (niet in de bewustzijnsnorm) een zekere regressie mogelijk, maar tenslotte gaat men toch altijd weer verder. Dan moet ik hier wel even dit vermelden: Zelfs als iemand bewust gaat streven tegen de menselijke ontwikkelingsgang in (dus terugstreeft naar het nulpunt van bewustzijn, naar chaos), zal er een ogenblik komen waarop hij niet meer bewust zichzelf richt en automatisch weer wordt in­ gevat in zijn normale bewustwordingsgang en via verschillende organismen en ervaringen weer opklimt tot het menselijk zijn en van daaruit verder­ gaat. Een tijdelijke terugval is dus wel mogelijk. Maar als je tot de mens­heid behoort, behoor je tot een bepaalde cyclus, een bepaalde kringloop van bewustwording. Daarvan kun je je niet volledig vrijmaken.

*  Ik bedoelde eigenlijk de plant. Als de plant eenmaal gevormd is, zet dat dan altijd door tot de mens of kan dat stadium ook nooit worden bereikt?

Dat ligt aan de entiteit, die in die plant leeft. Er zijn ook voor de plant verschillende ontwikkelingsmogelijkheden. Vanuit de plant ge­zien zijn de mogelijkheden betrekkelijk vele en tamelijk groot. Voor be­paalde diersoorten is die mogelijkheid ook nog groot. Er zijn altijd di­vergerende mogelijkheden. Het is dus niet noodzakelijk, dat elke plant ooit mens wordt, maar het is wel zo dat elke mens, die op aarde leeft, in de praktijk ooit plant is geweest.

*  Ik doelde eigenlijk op de kern. Je kunt toch zeggen dat elke plant zowel als dier en elk mens een kern heeft dat je ziel zou kunnen noemen.

Ik heb dit eigenlijk reeds beantwoord. Ik zal het nog eens proberen duidelijk te maken. Luister goed! Als u via vijf kleine plaatsjes naar een grote plaats gaat, dan kunt u bij elk van die plaatsjes afslaan naar een andere stad. Als u via verschillende bestaansvormen naar de mens toe groeit, dan betekent dat dat u op elk van die vormen een afwijkende ontwikkelingsmogelijkheid heeft. Dan betekent dan, dat u niet op aarde als mens zult leven, maar dat u ‑ hetzij in een andere vorm, het zij op een andere planeet ‑ met uw ontwik­keling verdergaat. Het is dus niet noodzakelijk, dat je mens wordt. Maar ben je eenmaal mens, dan is het met zekerheid te zeggen, dat de voorgaande fasen (dier en plant) ergens in de cyclus van incarnaties zijn verwerkt.

*  Maar er is toch een heel groot verschil tussen dat stadium en het bereiken? Dan komt het zelfbewustzijn ineens naar voren, dat anders misschien nooit wordt bereikt.

Dat is de gebruikelijke overschatting van de mens. Een mens over­schat zichzelf, omdat hij te weinig begrip heeft voor het andere leven en de andere levensmogelijkheden, die er bestaan. Daarom pleegt hij zich als het summum summarum te beschouwen, zonder dat ooit werkelijk te zijn. Het is niet zo, dat de mens werkelijk de top is. Dat wordt u bijgebracht door mensen, die u gelijktijdig proberen te dwingen in een bepaalde vorm of in een bepaalde richting te voeren en u aan de andere kant ook een beetje moeten strelen. “De mens is de kroon van Gods werk op aarde.” Daarom moet de mens leven volgens hetgeen God zegt bij monde van andere mensen. Het vreemde is, dat de mensen die zeggen hoe God zegt dat je moet leven, over het algemeen zelf daaruit een zeker emotioneel voor­ deel of anderszins putten, als je daaraan gehoorzaamt. Rekent u het dus zelf maar uit. Er zijn zoveel vormen van leven in het heelal, soms in andere di­mensies, soms op andere werelden, die geestelijk beschouwd hoger zijn dan die van de mens of die in hun anders‑zijn, tenminste een gelijkwaardige geestelijke ontwikkeling als van de mens bereiken, dat je werkelijk niet kunt zeggen: Nou, als die mens dat niet bereikt, komt hij niet verder. Als je eenmaal mens bent, zeg je: Nu moet ik via de menselijke vorm in deze wereld verder. Maar dat is heel iets anders.

*  Kunt u iets zeggen over het ontstaan van de variatie in plant­- en diersoorten en hoe dit tot menswording heeft geleid?

Dat is eigenlijk de evolutieleer. Het is zo: Als je ééncellige wezens hebt, komt er een ogenblik dat de celdeling zich niet volledig voltrekt en dat je meercellige wezens krijgt. De wijze, waarop die meer­cellige wezens zich gaan groeperen tot meercellige organismen, is sterk afhankelijk van hun voedingsbehoefte, hun milieu, de temperatuur en de straling. Dat betekent dus, dat bij elke verandering van factoren een andere vorm kan ontstaan. Het resultaat hiervan is weer, dat het eerste plantenleven ‑ dat was dus nog in de zee ‑ al een groot aantal varian­ten vertoonde. Sommige daarvan waren sterk ingesteld op de opname van nog niet volledig opgeloste chemicaliën: grondstoffen uit de bodem. Het zijn deze varianten geweest, die het eerste plantenleven werden in de moerassen (voor hen een betere voedingsbodem). Zo krijgen we dan o.m. te maken met de varenachtigen.

Uit die varen-achtigen ontwikkelen zich weer soorten, die het moeten doen met iets dat droger is. Maar als het droger is, moeten ze an­dere wortelstelsels hebben en dan hebben ze een andere structuur nodig om het vocht dat ze eenmaal hebben beschermd en gemakkelijk naar boven te brengen. Ze moeten ook hun bladvorm veranderen om hun verdamping aan te passen aan hun levensbehoefte. En zo ontstaan er weer andere planten­ soorten. U zult begrijpen, dat als de dieren aan land komen (dat waren oor­spronkelijk jagers, zij leefden dus van ander leven) zich een soortgelijk proces afspeelt. Dan blijkt weer, dat ze sterk worden beïnvloed door hun omgeving. Als ze terechtkomen in een milieu, dat eigenlijk te koud is, dan kan een koudbloedig wezen niet helemaal blijven bestaan. Wanneer die aanpassing van temperatuur nu maar langzaam genoeg gebeurt, gaat het dier proberen zich organisch aan te passen om de warmte zelf te produce­ren (verbrandingsprocessen), die het ontbeert van buitenaf, maar het heeft weer een andere isolatie nodig. Er ontstaat dus een huid voor. Het is een feit, dat er op aarde een periode lang een sterk verschil is geweest tussen koudbloedigen en warmbloedigen, daar alle warmbloedigen over het algemeen een zware pels vertonen. Ook dieren, die nu kaal zijn zoals de olifant, het paard, de rhinoceros e.d., hadden toen allemaal een zware pels. Ook de katachtigen hadden een veel dikkere beharing dan op het ogenblik. Het was gewoon een aanpassingsproces. En toen de vorm er eenmaal was, ontstond vanzelf weer een verdere aanpassing. Op dezelfde manier is de pterodantyl ontwikkeld in de richting van de vogelachtigen en de vogels. Dan komt het ogenblik, dat een wezen dat kan manipuleren grotere kansen heeft. Dat is dan wanneer er wouden zijn, waarin je veilig kunt leven als je in de bomen zit. De eerste voorvaderen van de mens zijn dus eigenlijk de aapachtigen (dus ook de voorvaderen van de apen). Dan komt de tijd dat je zegt: Ik kan me gemakkelijker in een hol verschuilen, want ik ga van vlees leven. De eerste mensen waren hoofdzakelijk vleeseters; en die hebben zich dus ook weer moeten aanpassen. Ze moesten zich beter kunnen bewegen. Voor hen was het noodzakelijk om op afstand iets te treffen, dus gingen ze gooien. Van gooien kwam vanzelf het gebruik van primitieve werktuigen. En dan krijgen we een voortdurende verandering van levenscondities. Bij een plotselinge temperatuurstijging ontstaat er een mensenras, dat zich beter weet te beschermen dan een ander soort. Deze mens verandert waarschijnlijk iets van lichaamsbouw, misschien een andere schedelinhoud. Hij wordt iets handiger in het manipuleren. Zo ontstaan er verschillende mensensoorten, die praktisch gelijktijdig op aarde leven. De sterksten blijven over, omdat ze in een natuurlijk milieu leven. Zo gaat de sterkste zich verder ontwikkelen, totdat hij zich zover heeft ontwikkeld, dat hij de zwakste van zijn geslacht gaat beschermen en dan krijgen we weer een verzwakking van het gehele geslacht.

*  Als je, zoals vanavond, het evolutieproces op de voet volgt, dan lijkt het alsof karaktervorming hiervan het doel moet zijn. Maar ook dit moet zijn grenzen hebben. Wat is uw mening?

Karaktervorming is weer een zeer menselijke term. Mag ik beginnen met te constateren dat het karakter van een mens voor een groot gedeel­te wordt bepaald door: a. de genetische eigenschappen die aanwezig zijn, dus de mogelijkheden tot vorming op het ogenblik van de geboorte; b. de wijze, waarop hij zich aanpast in zijn milieu; c. de wijze waarop hij wel en niet harmonisch is met waarden in dat milieu. Dat vormt datgene, wat u karakter noemt. De vorming van dit karakter is dus absoluut niet de bedoeling. De bedoeling is geestelijk. Wij hebben het gehad over een geestelijke bewustwording, die u dan evolutie wilt noemen, waarbij het gaat om een steeds ruimer begrip van jezelf en je relaties met de wereld. Dat heeft niets te maken met karak­ter en slechts zeer indirect met eigenschappen. Je zou kunnen zeggen, dat de eigenschappen van een geest voortkomen uit het verschil tussen hetgeen hij reeds beseft omtrent zichzelf en zijn relatie tot de wereld en hetgeen hij nog niet kent. Dat bepaalt de wijze, waarop een geest rea­geert. Ik geloof, dat het eenvoudiger is te zeggen: Het doel van alle levensprocessen is ‑ geestelijk gezien ‑ de bewustwording, waardoor het besef, dat de ziel omgeeft, gelijk wordt aan de betekenis van haar wezen en zij zo een bewust deel wordt van een totaliteit, die zij nu als zodanig nog niet besef.

*  Kunt u iets zeggen over de mogelijkheden bij een binding van de mens met bepaalde planten‑ en diersoorten in verband met genezing?

Daar kan ik heel veel over vertellen, maar laten we allereerst be­ginnen met dit te constateren: Bepaalde mensen reageren op bepaalde plantaardige geneeswijzen veel sneller en veel beter dan anderen. Dat wil dus zeggen, dat een plant met de daarin aanwezige stoffen voor de ene mens een veel grotere invloed be­tekent dan voor de andere. Er zijn dus wel degelijk verschillen. U zou in dit geval de plant, die u gebruikt voor een genezingsproces, niet alleen moeten gebruiken op grond van de overgeleverde eigenschappen van de plant of wat eventueel een onderzoek heeft aangetoond, maar u zou daarnaast moeten uitgaan van de mentale en de fysieke gesteldheid van een mens. Dat betekent, dat u uit 10 of 20 kruiden er soms één moet kiezen niet alleen omdat het genezende mogelijkheden heeft ‑ het is theoretisch misschien zwakker dan de andere ‑ maar omdat het past bij een mens en daardoor voor die mens harmonisch zijnde een veel grotere inwerking kan hebben op zijn organisme. Dat is één van de punten.

Een tweede punt dat ook interessant is: Een mens, die verbonden is met de natuur ‑ en dat geldt dus alleen voor mensen, die voortdurend in een natuurlijke omgeving leven ‑ heeft bepaalde aan zijn milieu eigen kwalen en afwijkingen. Het typische is, dat dan in datzelfde milieu over het algemeen de kruiden, de planten en stoffen aanwezig blijken te zijn (ook in de natuur), die voor genezing kunnen worden gebruikt. Ze zijn niet de ideale geneesmiddelen, begrijp dat wel, maar het zijn geneesmiddelen. Als ik nog iets verder ga, dan zou ik misschien kunnen besluiten met de opmerking, dat zelfs reeds het kennen van de horoscoop van een mens zou kunnen bijdragen tot een juiste keuze van de voor hem bestemde geneesmiddelen. Dan zou kunnen blijken, dat voor sommige mensen een zeer geringe dosis van een plantaardig middel het beste is, voor anderen een sterke dosis van een plantaardig geneesmiddel, terwijl een derde misschien beter op chemische geneesmiddelen zal reageren.

*   Welke diersoort hoort bij de geranium?

Misschien de ezel. Ik weet het niet. Het is n.l. niet zo, dat je kunt zeggen: Bij de geranium behoort een bepaalde diersoort. Dat is weer een fout, die u maakt. Je kunt hoogstens zeggen: De geranium is harmonisch met bepaalde soorten. En dan kun je zeggen: Geraniums blijken vaak harmonisch te zijn met herkauwers; en dan nog weer harmonischer t.a.v. gedomesticeerde soorten (huisdieren) dan t.a.v. de, in het wild levende. Dan zou je ook kunnen zeggen, dat de geranium betrekkelijk disharmonisch is t.a.v. de meeste vleeseters, zodat een hond of een kat, die geranium­ blad gaat eten, daarvan kotsmisselijk pleegt te worden. Wat de mensen betreft, ik zou zeggen dat ze daar de sterkste har­monieën schijnen te wekken bij wat oudere mensen. Maar dat is een beschou­wingskwestie, een emotionele kwestie, waardoor men deze vorm aantrekke­lijk vindt. Door de benadering en de waardering, die je hebt voor de plant, krijg je over het algemeen ook een betere bloei, een juiste reac­tie van de plant, omdat een plant nu eenmaal ook een eigen geestje heeft, dat heel sterk kan reageren op de impulsen, die van buitenaf op de plant toekomen. Als iemand voortdurend denkt: Dat rotding. Tante Mien heeft het meegebracht, ik moet het laten staan. Dan denkt de plant: O, wat ben ik lelijk. Ik ben vast ziek; en dan wordt het ziek. De bladeren worden vlekkerig, ze gaan aan de randen verwelken en al doe je verder alles om de plant in leven te houden, er komt toch niets van terecht. Het kan ook zijn, dat iemand een stekje krijgt, dat er echt niet gezond uitziet en denkt: ach, wat leuk eigenlijk. Moet je eens kijken hoe dat groeit. Wat is dat mooi! En dat behoef je niet eens bewust te denken, maar dat voel je zo. Het resultaat is, dat de plant een zeker welbehagen vindt en zelfs bij een slechtere verzorging dan toch alles doet om te gedijen, want er is een sfeer, waarin ze kan gedijen. Maar dat is na­tuurlijk bijgeloof volgens vele mensen.

*  Kan een geranium zo disharmonisch zijn, dat ze ziekte bij de mens veroorzaakt?

Ja, dat kan. Dan ontstaan er overgevoeligheden. De geranium is dan heel vaak aanleiding tot verschijnselen als blaartjes of jeuk, Iets, wat je bij andere planten veel sterker hebt, omdat er zuren zitten in de bladharen, wat hier niet het geval is. De mensen kunnen er ademhalingsmoeilijkheden door krijgen. Er zijn zelfs mensen, die van geraniums, het Kaaps viooltje en bepaalde primulasoorten een soort neusholteont­steking krijgen, indien ze teveel in de buurt daarvan zijn.

*  Dan gaat de vraag nog verder. Welke planten horen bij de katachti­gen en welke bij de slangen?

Dit is nooit definitief te zeggen. Indien u een algemene aandui­ding wilt hebben, dan kunt u zeggen: Bij de katachtigen behoort de niet te grote plant, die een fijn en over het algemeen wat rond blad heeft. Een gekartelde bladvorm is veel minder in trek bij de katachtigen. Voor slangen kun je zeggen: De slang is gewoonlijk zéér harmonisch met verschillende grassoorten, vooral wolgrassoorten. Daar voelt zij zich prettig bij. Maar dat is meer een kwestie van de omgeving waarin ze voorkomen die voor de slang ook prettig is dan van een direct je aan­ getrokken voelen tot de plant. U moet niet de fout maken te denken, dat elke plant nu ook een beestje heeft, dat daar bijhoort. Anders komt er straks iemand met de vraag: Welke plant hoort bij de vlo? Dan zou ik moe­ten antwoorden: Dat weet ik niet, maar de bladluis is in elke saphoudende plant zeer geïnteresseerd. U gaat uit van een verkeerde premisse; n.l. omdat er harmonieën bestaan tussen planten en bepaalde mensen en ook tussen planten en be­paalde dieren, er ook voor elk dier een plant moet zijn waarmee hij bijzon­der harmonisch is. Dat is zeker niet het geval. Ik geloof, dat je nog kunt stellen, dat ‑ naarmate het dier hoger gevormd is, dus een hoger besef heeft en een complexer organisme ‑ harmonieën eerder zullen voorkomen.

*  Mineralen evolueren toch ook? Waar is het begin?

Ja, als we dat eens wisten. Wij denken dat het begin is gekomen op dat eerste moment, dat de niet‑actieve energie explodeerde en de eerste materie ontstond. We nemen aan, dat op dat moment het eerste Zijn is be­gonnen. Zeker weten we het niet. Er kan vóór die tijd ook nog wat geweest zijn, maar we kunnen het niet terugvinden. Dan kun je zeggen: Mineralen zijn ook bezield. Inderdaad, alle dingen zijn bezield of kunnen bezield zijn. Het is een feit, dat er mensen zullen zijn, die, een tijdlang met mi­neralen verbonden zijn geweest. Dat is inderdaad waar. Aan de andere kant is het niet zo, dat alle mineralen noodzakelijkerwijze bezield zijn. Ze geven de mogelijkheid. Maar er zijn ook werelden waar blijkt dat een geestelijke ontwikkeling zich helemaal aan kristal gaat binden en dus in feite aan bepaalde mineralen, waarbij kristalstructuren (d.w.z. de elektrische kwaliteiten daarvan) zelfs bepalend zijn voor levensprocessen. Maar dat is weer buiten deze wereld. Dat is een heel eind weg; van hier­ uit ongeveer een 1200 lichtjaren. Niet zo heel ver in de totale ruimte, maar te ver voor u om even te gaan kijken voorlopig.

*  Waar, wanneer en hoe kwam de Geest Gods in deze ontwikkeling op­ dagen? En was de ontwikkeling der stof, waaruit de Homo Sapiëns ontstond, de enige drager van de Eeuwige Geest of zijn één of meer van de hoogst ont­wikkelde dieren ook op weg naar die status?

Ja, kijk eens, wanneer God is komen opdagen, kan ik u niet vertel­len. Hij was er kennelijk, voordat het eerste bewuste leven bestond. Waar Hij vandaan is gekomen, weten wij ook niet. Maar we weten wel, dat toen er mensen waren in hun primair beginsel (toen het mensachtige ont­stond, de vorm was er nog niet helemaal), dat er contacten bestonden met geesten, wezens van hogere ontwikkeling, die een bepaalde stoffelijke evolutie hielpen bevorderen. Dezen werden als een soort God beschouwd. Zoals een hond vaak zijn baas als een soort God kan beschouwen. Vandaaraf komt de mens, die wel degelijk een begrip heeft van het “Onbekende” en dat Onbekende langzamerhand als God gaat benoemen en er een godenwereld van gaat maken. Op dat moment hebben we dus alleen te maken met de aarde en de krachten, die daar optreden. Dat is het antwoord op het eerste punt.

Of de mens nu direct het hoogtepunt is ‑ ik heb het u zo juist al gezegd ‑ de mens beschouwt zich als de kroon der schepping. Maar ik kan niet begrijpen, dat kroonjuwelen niet beter bewaard worden. Er zijn heel veel ontwikkelingsmogelijkheden in het heelal. Het aan­tal met de mens vergelijkbare rassen en soorten, die er in het Al bestaan, is op dit moment reeds ver over de duizend. De soorten die hoger zijn, zijn waarschijnlijk nog talrijker en de soorten in een lagere fase van ontwikkeling nog veel talrijker. Het is dus duidelijk, dat er heel veel verschillende mogelijkheden tot bewustwording bestaan in het Al. En als u even nadenkt, zult u ook begrijpen hoe redelijk het is. Als we aannemen, dat één op de honderd van de planeet‑hebbende-sterren ook nog levenscondities schept, dan zijn er al zoveel bewoon­bare werelden in het Al. De mens heeft kennelijk God altijd aangezien voor iemand, die niet wist wat Hij deed. Hij zegt rustig: Dit kleine planeetje Aarde, dat ergens aan de buitenkant van een sterrennevel een beetje rondwervelt, dat was het centrum van het Al voor God. God heeft het allemaal geschapen. Dan is het toch ook duidelijk, dat God het allemaal zal creëren volgens een Goddelijke rationaliteit. En als bewustwording belangrijk is voor die God, dan zal Hij die bewustwordingsmogelijkheid overal scheppen. Zelfs vanuit een meer theologisch standpunt kun je dus beredeneren, dat er vele bewoonde werelden moeten zijn.

*  Wat vreemd, dat het beginpunt weg is.

Ja, het is niet bepaalbaar. Het zal er wel zijn. Het is ook niet vast te stellen.

*  Maar het allereerste begin moet toch ook ergens vandaan komen?

Mag ik een vergelijking gebruiken om het duidelijk te maken? U bent geboren. Weet u nog precies hoe? Wij zijn ontstaan, mensen en gees­ten, maar voordat we het besef hadden om onszelf als een bepaalde waar­de in de omgeving te erkennen, lag dat zover achter ons, dat het niet te achterhalen was. Dat is een feit. Dan zegt u: God is de kracht, die we overal in alle dingen terugvinden, die is er dus geweest voordat wij er waren. Maar wat die God eigenlijk precies is, weten we nu nog niet.

*  U heeft het over: bewustwording is het doel van het hele proces. Wat komt dan daarna?

Indien we daarop een antwoord wisten, zouden we onze bewustwor­ding hebben volbracht. Wij zijn nog bezig. Of om het heel vriendelijk te zeggen: één zot kan méér vragen dan honderd wijzen kunnen beantwoorden. Dit is een van die vragen. Want juist de wijze kent zijn eigen beperking. De wijze weet, dat hierop geen antwoord is te geven. Omdat wij ons in een bewustwordingsgang bevinden en deze voor ons leven betekent, zodat we ons niet kunnen voorstellen of en hoe en op welke manier leven mogelijk zal zijn, wanneer die bewustwording voltooid is en wat er dan is. Er is mogelijk iets, maar we weten het niet.

*  Maar ik heb juist waargenomen, dat er wijzere mensen waren dan ik, die het wel konden zeggen.

Dat bewijst dat ze zich voor wijzer híelden, niet dat ze wijzer waren. Er zijn zeer veel mensen, die zich wijs achten, omdat ze een antwoord ge­ven op dingen, die ze in feite niet helemaal weten of beseffen. Het is voor mij gemakkelijk genoeg u een antwoord te geven; u kunt het tegendeel niet bewijzen. Maar ik ben wijs genoeg om te weten, dat u eens zover zult komen dat u kunt nagaan, of mijn antwoord juist is geweest. Daarom geef ik u nu alvast een eerlijk antwoord in de hoop, dat dat later zal bijdra­ge tot een grotere harmonie tussen ons.

*  U had het zo even erover dat de mens in de planten‑ en dierenwereld hybriden had geschapen. Welke zijn dat?

Een aardig voorbeeld hiervan is de muilezel. Zo heeft men ook be­paalde plantensoorten gecreëerd, die zelf niet vruchtbaar zijn, die zich dus niet kunnen voortplanten, maar die voortdurend worden gecreëerd. Daarnaast heeft de mens bepaalde rassenvermengingen tot stand gebracht. Denk nu maar alleen eens aan de mutaties en de kruisingen, die in de bloemenwereld zijn voorgekomen en die op zichzelf wel houdbaar zijn, maar qua eigenschappen nog ver van het natuurlijke afwijken. Als u nu gaat kij­ken naar bv. de appeltjes en de peertjes, die u tegenwoordig eet, dan zult u toch moeten beseffen, dat dit soorten zijn die in de natuur niet voorkomen en daar nooit zo zouden zijn voorgekomen, omdat ze veel te kwetsbaar zijn en geen voortlevingskansen hebben. Zo kan men doorgaan.

Nu zou ik gaarne nog even willen reageren op de gestelde vragen.

Als ik u zo hoor spreken, vragen en opmerkingen maken, dan blijkt mij dat het hele proces van de evolutie voor u ofwel belangrijk is in de manier waarop het gebeurd is, dan wel dat u zelfs verder wilt gaan en een antwoord wilt hebben op alle raadselen. Volgens mij is dat een fout. Ik kan het mis hebben, maar ik zie het als volgt: Een mens leeft in de wereld. In die wereld is hij afhankelijk van een harmonisch bestaan met medemensen, maar ook met planten en dieren. Voor hem is een dergelijke harmonie dus een ogenblikkelijk belang, dat direct bijdraagt tot zijn levensmogelijkheden, zijn levensvreugde en ook zijn innerlijke erkenning. Daarom vind ik dat erg belangrijk.

Als een mens zich bezighoudt met de vraag wat God of de geest op dit moment voor hem betekent, ben ik het daarmee onmiddellijk eens, want wij staan tegenover het onbekende en de wijze, waarop wij dit onbekende kunnen integreren in ons bestaan, is voor ons van het hoogste belang. Het bepaalt onze bewustwording en vaak de ontplooiing van onze eigen mogelijkheden, soms zelfs ons vermogen om verder te gaan met ons besef dan de zuiver menselijke wereld. Maar als ik dan iemand hoor vragen; “Hoe is dat eigenlijk allemaal zo gekomen?” Dan zeg ik: Ach, het is wel aardig natuurlijk om het te weten, het is een wetenswaardigheid, maar wat heeft u eraan? Wat maakt het voor u voor verschil uit of de sabeltandtijger nu wel of niet een directe voorvader is van uw poesje? Uw poes van vandaag is uw poes van vandaag en zeker niet een verklede sabeltandtijger.

Zo kan ik niet goed begrijpen, waarom de mensen zo ver vooruit willen lopen. Als U zegt: Wat is er over honderd jaar aan de hand, dan is dat nog te begrijpen, want dan moet er nu een tendens zijn, die die richting uitgaat. De kennis van een toekomstige ontwikkeling maakt het vaak beter mogelijk om de huidige stromingen te begrijpen. Maar als je vraagt: Hoe zal het over 5000 jaar zijn, dan heb je er niets aan. Dan heb ik ook zo het gevoel dat de mensen, die zich bezighouden met God en die daarbij niet uitgaan van wat is en wat betekent die God voor mij, maar Hem willen definiëren, vastleggen a.h.w. naar menselijke begrippen, een grote fout maken. Indien je ook al de mogelijkheid zou hebben om die God te volgen vanaf eerste oorzaak tot laatste moment van tijd bij wijze van spreken, en precies te zeggen wie Hij is, wat Hij is. Waarom Hij is en wat Hij doet, dan heb je nog niets, want op dit moment kun je alleen op een bepaalde manier met die God leven. Je kunt je integreren met die God en verder niet. Waarom ga je dan die niet te beantwoorden vragen stellen?

Het lijkt misschien een beetje opportunistisch. Mijn opvatting is: Als er vandaag problemen zijn, moet ik ze vandaag zoveel mogelijk oplossen en me niet bezighouden met de mogelijkheid dat ze over honderd jaar anders worden opgelost. Maar er zijn veel mensen, die zich liever bezighouden met de wijze waarop een oplossing over honderd jaar kan worden gevonden en die daardoor vergeten vandaag iets aan die problemen te doen, zodat het ook over honderd jaar niet tot een oplossing kan komen.

Je moet realist blijven. Ook in het geestelijk werk, ook in het geestelijk leven en streven. Je moet blijven bij de mogelijkheden en feiten van vandaag. Die mogelijkheden en feiten van vandaag kunnen morgen anders zijn. Dan moet je je morgen harmonisch aanpassen aan de mogelijkheden van morgen, maar je moet eerst vandaag leven. Pas dan is de aanpassing morgen mogelijk. Je moet steeds uitgaan van het heden, van wat je nu bent, wat je nu kunt. Je moet daarbij nooit uitgaan van hetgeen anderen zouden moeten zijn, zouden kunnen of moeten betekenen. Je moet uitgaan van wat je zelf bent, wat je zelf kunt en wat je zelf betekent. Alleen door op deze wijze te leven vind je de juiste harmonie. Als je het werkelijke mens zijn nastreeft als een bekroning – zoals we verschillende keren hebben gezegd ‑ van tenminste het leven op aarde, dan moeten we ook uitgaan van het feit, dat die bekroning dan vandáág het geval is. Niet door de pretentie van de mens, maar door zijn vermogen om zich bewust en harmonisch te integreren in elke relatie van de natuur, zelfs in elke relatie met de mensheid en door deze harmonische integratie voor zich een beter besef en een grotere beheersing te verwerven, elke dag opnieuw.

Het leven is niet één proces, dat ‑ wanneer het einddoel omschreven is ‑ al voldoende is gedefinieerd. Leven is een proces, dat elke dag opnieuw begint. Het is een proces, waarin je elke dag opnieuw harmonie moet vinden, waarin je elke dag opnieuw moet beseffen. Dat het verleden daarbij meetelt, is erg prettig, maar het betekent niet dat daardoor de dag wordt bepaald. Wie leeft in het heden, leeft dichter bij de eeuwigheid dan hij, die leeft in de toekomst. Hij, die leeft in het verleden, verloochent zelfs het heden.

Indien u dit wilt accepteren als mijn beschouwing, ben ik daar dankbaar voor. Want mijn ervaring is geweest én in het leven én in de sferen, dat de schoonste theorieën, stellingen en thesen over het algemeen voeren tot mislukking; dat de enig werkelijke ontwikkeling is gelegen in de mens zelf en dat alleen de mens zelf daaraan kan meewerken. Een ander kan hem de middelen geven, maar hij kan nooit de ontwikkeling van een ander bepalen. Dat kan hij alleen zelf.

Daarom is het voor de mens belangrijk zichzelf te ontwikkelen. En in deze ontwikkeling ‑ ik kan het niet genoeg zeggen ‑ moet hij rekening houden met het feit, dat hij met alle leven op aarde harmonisch dient te zijn en dat hij dus nooit kan leven krachtens de uitbuiting van dat leven, maar alleen krachtens een redelijk harmonische relatie daarmee.

Eet u rustig vlees. Daar is helemaal geen bezwaar tegen. Eet u rustig planten. Dit leven heeft in zijn bewustwordingsgang facetten, waardoor dit aanvaardbaar is. Maar probeert u a.u.b. niet te zeggen, dat het dier, waarvan u eet, alleen voor deze maaltijd was bestemd. Zeg alleen, dat in de leefwijze en het bestaan van het dier ergens deze mogelijkheid bestond, zodat u met het dier harmonisch kunt zijn, wanneer het leeft, zonder het gelijktijdig te zien als gebraden rosbief of iets dergelijks.

Leef met de dingen van vandaag. Leef harmonisch vandaag. Als u vandaag geraniums heeft, probeer harmonisch te zijn met de geranium. En als u morgen met vingerhoedkruid te maken heeft, probeer dan daarmee harmonisch te zijn. Probeer uw harmonie uit te strekken over zoveel mogelijk planten en dieren. Probeer harmonie te vinden met zoveel mogelijk mensen. Probeer open te staan voor zoveel mogelijk krachten uit de geest en daarbij uzelf te blijven. Doe dat elke dag opnieuw en u zult ervaren, dat de werkelijke integratie van alle leven en de werkelijke bewustwording uw deel zijn. Niet omdat u morgen beter zult zijn, maar omdat u vandaag bewuster bent.