Planten en dieren na de dood

image_pdf

9 maart 1984

U weet het waarschijnlijk allemaal al, maar we herhalen het toch maar weer: We zijn niet alwetend of onfeilbaar, denk dus zelf na, vorm een eigen oordeel.

Ons onderwerp handelt vanavond over: “Planten en dieren na de dood”

Er zijn heel veel mensen die zich afvragen of planten ook na de dood een bestaan hebben. In een zuiver persoonlijke zin komt dit niet zo vaak voor. Er zijn wel bomen die voortleven, dus die na de dood een zekere persoonlijkheid bewaren, maar de meeste planten die u kent, zijn –  laat ik zeggen – gauw weg. Dat is waarschijnlijk ook te verklaren door de karakteristiek van de bezieling.

Wanneer u helderziende zou zijn en zou kijken naar de uitstraling van planten, van bloemen, dan zou u bij elke plant aan de buitenkant een soort spindelachtig, lichtend dingetje zien wervelen. Dat is dan de eigenlijke geestelijke relatie, dat is het wezen van de plant. Al het andere is geprogrammeerd, dat zit in het zaad, in de weefsels.

Wanneer nu een plant afsterft, gaat de spindel gewoonlijk op in een harmonische grotere energie. Je zou kunnen zeggen: ze gaat terug naar de ras- of soortgeest. Omdat ze zich daar vermengt met alle andere energie treedt er geen werkelijke persoonlijkheid op de voorgrond. De uitzonderingen zijn de planten die een zeer lang leven hebben en die daarbij ervaringen opdoen. U zult begrijpen dat het opdoen van ervaringen voor een plant iets heel anders betekent dan voor een mens of dier. Maar er zijn veranderingen in voeding, van klimaat, misschien belevingen als het getroffen worden door de bliksem. Deze dingen worden dan toch wel vastgelegd. Hoe meer ervaring wordt opgedaan hoe houdbaarder, maar  vreemd genoeg ook hoe groter die bezielende spindel wordt, die zich dan nog steeds zich niet in de plant bevindt maar altijd erbuiten; bij bomen meestal in de kruin. De verharding die zo ontstaat betekent dat er een zekere persoonlijkheid overblijft. Die persoonlijkheid zal zich proberen te vereenzelvigen met elk beeld dat van de plant bestaat. Bv. in Zomerland denkt iemand aan een boom, vergelijkbaar met de boom die nu is gestorven. De Levenskracht hecht zich aan dit beeld, neemt daarbij harmonieën van de zomerlandsfeer op en zal zich daarna weer binden met een zaailing bv. Degenen die Zomerland wel eens bezocht hebben zullen hier zeggen: “Ja, maar ik heb er zulke mooie bomen en planten gezien, zulke prachtige bloemen. Ja, die zijn er wel maar die worden eigenlijk geschapen door de mensen die daar leven.

Van een plant kun je dus zeggen: ze zal zeer waarschijnlijk als plant opnieuw incarneren, ze zal daarbij, naarmate ze ervaring heeft opgedaan, tenderen naar dezelfde soort of een soort met een grotere houdbaarheid of een grotere mogelijkheid. Eerst wanneer zeer veel ervaring is opgedaan, komt de behoefte aan wat je noemt beweeglijkheid en dat betekent dat de levenskracht zich volgende keer verbindt met een levensbeginsel van meer dierlijke aard, die dan wel een mate van persoonlijk bestaan kent.

Bij dieren ligt het weer heel anders. Dieren hebben een mate van eigen persoonlijkheid. Toch is die persoonlijkheid niet overal even groot. Wanneer we bv. kijken naar de zgn. volkeren, de mieren, de bijen, de wespen enz., dan worden we geconfronteerd met deeltjes van een gemeenschappelijk bewustzijn. En dergelijke groep heeft een gemeenschappelijk bewustzijn dat zo sterk is, dat de individuele trekken eigenlijk alleen maar nevenverschijnselen zijn. Degenen die doodgaan trekken zich als het ware terug in de energiereserve die het gemeenschappelijk bewustzijn bevat en zullen van daaruit gewoonlijk ook in dezelfde soort reïncarneren. Ze zullen in ieder geval nooit in een geheel zelfstandig dier incarneren, tenzij ze eerst een zeer zelfstandig bestaan hebben gehad. Zelfs de koningin in een insectenstaat heeft die vrijheden in zo geringe mate, dat een incarnatie naar hogere diersoorten maar zelden zonder tussenfase plaatsvindt. Een tussenfase voor insecten zou kunnen zijn incarnatie in bv. waterjuffers. Deze hebben na hun verpopping een periode van grotere beleving en vrijheid, ze zijn ongetwijfeld instinct-gedreven zoals alle dieren (en ook de mens in veel opzichten), maar er is hier een grote variëteit van beleving mogelijk en deze krijgt een meer persoonlijk karakter. Vanuit die tussentrappen, die over het algemeen ook weer meerdere malen doorleefd worden, soms in geheel verschillen de soorten, zien we meestal een gaan in de richting van vissen of de zeelanddieren, de amfibieën, ze komen dan terecht in krabben, kreeften enz. Van een werkelijk bestaan in het hiernamaals kan dus nauwelijks worden gesproken. Er is geen besef van een andere wereld aanwezig. Er zijn wel relaties misschien met die andere wereld, maar die worden niet bewust beleefd. Het leven zelf is dus steeds: ontstaan – leven – sterven – tussenfase – ontstaan – leven – sterven.

Wanneer je de hogere diersoorten bekijkt, wordt het iets moeilijker, omdat we daar te maken krijgen met verschillen in beleving. Een kuddedier bv. heeft binnen de kudde wel wetten te volgen. Er bestaat een sociale regelmaat, maar toch zijn er persoonlijke vrijheden bij, er zijn grote mogelijkheden tot persoonlijk beleven. Dit betekent dat het kuddedier een eigen persoonlijkheid ontwikkelt. Die persoonlijkheid kan voeren tot incarnatie in een dier dat grotere vrijheid heeft. Het eigenaardige is dat wanneer herbivoren incarneren, ze één of twee incarnaties doormaken als predator, als prooi zoekend dier. In die tussentijd wordt een herinneringsbeeld beleefd. Laten we als voorbeeld een hert nemen. Het hert beleeft wel als het ware van een afstand, of als een soort droom belangrijke delen van zijn voorgaand bestaan. De recapitulatie is bij dieren van deze orde aanwezig. Maar er is niet voldoende binding om volledige activiteiten in bv. Zomerland te ontplooien. De mogelijkheid dat men in Zomerland herten tegenkomt, althans herten die bezield zijn, is dan ook zeer gering.

Herten hebben een leider. Die leider heeft verantwoordelijkheid. Paarden bv. hebben leiders met een zelfs zeer uitgesproken zin voor verantwoordelijkheid en grote plichtsbetrachting. Zij maken zich werkelijk zorgen over degenen die bij hen behoren, ook wanneer die zorg dan uit een soort bezit-zucht voortkomt. Het resultaat is dat ze geleerd hebben de wereld niet alleen van zichzelf uit te berekenen, maar ook van anderen uit. De kans op hogere, eventueel zelfs menselijke incarnaties, is hier dan ook aanwezig. Dit geldt voor paarden en leiders van kudden in het algemeen. Neem bv. zebra’s, noem ze allemaal maar op, tot zelfs ganzen en zwanen toe, die ook vaak vluchten hebben met een leider. We zien dat die leiders de neiging hebben tot hogere incarnatie en dat die gemakkelijk in een menselijke incarnatie terechtkomen.

Ik heb hier nu alleen gesproken over wilde dieren, omdat deze leven in een voor hen natuurlijk geheel en hun aandacht dus zullen richten op die manier van leven die instinct-gedreven voor hen bestaat. Ze hebben ingebouwde wetmatigheden, ingebouwde wetenschap, besefsmogelijkheid; beredeneringsvermogen hebben ze in geringe mate. Wanneer we echter terechtkomen bij bv. een huisdier dan ligt de zaak alweer een beetje anders. In de eerste plaats hebben huisdieren de neiging zich veel sterker verknocht te voelen aan hun territorium en dat is dan ook in verhouding kleiner dan normaal het geval zal zijn bij wilde dieren. Een wilde kat bv. zwerft en wordt in zijn territorium bepaald onder meer door de mogelijkheid prooi te slaan. De huiskat wordt bepaald door een genegenheid die een zekere gewoonte is, maar die zich daarnaast kan uitbreiden tot mensen en ook tot voorwerpen. Er is dus een afstand nemen van de eigenlijke persoonlijkheid. Sommige huisdieren, neem bv. honden, katten en wat dat betreft ook paarden en koeien en zelfs varkens kunnen zover komen dat ze de taal van een ander gaan interpreteren. Dat wil niet zeggen dat een huisdier u kan verstaan (er zijn mensen die zeggen: ze verstaan me, dat is helemaal niet waar), maar ze begrijpen u en dat is heel iets anders. Ze hebben geleerd wat bepaalde gebaren, houdingen, stemklank en eventueel reeksen van klanken betekenen in relatie tot henzelf: “Hij is tevreden of hij is boos”. Ze zullen het zelden abstract bezien: “O, hij heeft het tegen die en die”, ze betrekken het alleen op zichzelf. De genegenheid kan zo ver gaan dat ook na de dood de behoefte blijft bestaan het oude territorium te bezoeken of ook wel de voorwerpen of de personen waarmee een innige band bestond en die als een soort verlengstuk van het eigen ik werden beschouwd. Daardoor leven deze dieren een langere tijd astraal voort. Hebben ze daarbij een mate, al is het nog zo gering, van onzelfzuchtigheid opgedaan (dus ook denken aan anderen), dan is de kans groot dat ze daarnaast inderdaad in een sfeer voortbestaan. Hier wordt het ook weer moeilijk, want dan vraagt u weer: “Ja, wat voor sfeer?” Nu ja, een hond of een kat kan in Zomerland voorkomen. Maar honden en katten hebben een speciaal wereldbeeld dat niet gelijk is aan het menselijke. Daardoor leven ze meestal in een wereldje dat toch een beetje anders is dan een mens kan beseffen. Dus in een sfeer die door mensen – ook na de overgang – maar zelden geheel bezien en beleefd kan worden. Want je eigen karakteristiek maakt je wereldbeeld uit. Men vraagt wel eens: “Ja, maar ik heb zo veel van dat dier gehouden, leeft het daardoor voort?”. Dat is een vraag waar je nooit antwoord op kunt geven. De vraag is: “Heeft het dier van u gehouden” of: “Heeft het van iets anders gehouden”. Wanneer er een relatie is ontstaan, ongeacht welke, waarbij het dier zichzelf en zijn eigen veiligheid op het spel gaat zetten voor een  ander, dan kunnen we zeker zijn: hier is een voortbestaan dat in bepaalde mate bewust blijft. Je kunt dit natuurlijk gaan uitbreiden met insecten, spinnen en zo, maar houdt u maar één vuistregel aan: daar waar het geheel van het besef dermate instinct-gedreven is dat persoonlijke afwijkingen slechts in geringe mate kunnen voorkomen, mogen we aannemen dat het merendeel van de bezielende kracht teruggaat naar de bron, in casu de rassen- of soortgeest.

Daar waar zich door afwijkende ervaringen, dan wel afwijkende gevoelens en neigingen een persoonlijk bewustzijn ontwikkelt, is de kans op een persoonlijk voortbestaan aanmerkelijk groter, naarmate een groter wereldbeeld wordt verkregen is de kans groter dat het dier terechtkomt in een sfeer waar het mensen kan ontmoeten. Is het niet in staat tot een menselijk beeld dan zal het proberen te associëren met elke voorstelling die de laatste verschijningsvorm zo veel mogelijk nabij komt.

Laten we nu eens gaan kijken wat voor invloed dit alles heeft op de incarnatiecycli. Want ook dat is bepalend. Een plant zal over het algemeen geneigd zijn tot incarnatie in een plant, maar ze zal daarbij kiezen voor die soorten die genetisch de nadelen van haar laatste bestaan missen. Dat er andere nadelen voor in de plaats komen, wordt nog niet beseft, maar zo ontstaat een variëteit. Daarbij zal gezocht worden naar een vergelijkbare soort. Om u een voorbeeld te geven: gras – gras – dovenetel -brandnetel – doornstruik. Dit is een cyclus die voorkomt. Dan kun je verder zeggen: een bloem kan struik worden, een struik kan onder omstandigheden kiezen voor een boom (minder aantastbaar in het eigen gevoel), de boom echter, met een langere levensduur en een grotere ervaring, heeft dan heel vaak weer de kans te kiezen voor bewegelijke levensvormen. In dit geval zullen maar zelden insectoïde vormen gekozen worden. De insecten vormen op aarde eigenlijk een heel aparte soort en een heel aparte cyclus.

Dan de incarnatiecyclus van dieren. Elk dier dat ervaringen opdoet op een persoonlijke basis heeft de neiging alle ervaren tekorten in een volgende incarnatie zo veel mogelijk te compenseren. Daar hierbij wordt uitgegaan van uitstraling en er geen overzicht van eigenschappen in tijd en ruimte in het dier aanwezig is, komen er nogal wat vergissingen voor, maar het dierenleven is dan gemiddeld ook niet zo lang. Dieren beginnen eigenlijk pas interessant te worden op het ogenblik dat ze in tijd berekend, een levensduur hebben van ongeveer 40 jaar. Dit hangt samen met het aantal gedachtebelevingen, droombelevingen, de mogelijkheid tot coördineren van feiten. Als zodanig staan er dus soorten beneden die betrekkelijk simpel lijken, en komen we al heel gauw terecht bij de hondachtigen, de paardachtigen en al die families en we eindigen natuurlijk bij de mensapen. Tussen haakjes: U weet wat een mensaap is? Een mensaap is een dier dat de mens een spiegel voorhoudt, waarop de mens zich amuseert, zonder te beseffen dat hijzelf geparodieerd wordt. Misschien wel aardig om even te onthouden.

In alle gevallen is er een neiging tot incarnatie in een hogere vorm. Het kan zijn dat het schoothondje het liefst wil incarneren als staande herder, maar het kan ook heel goed dat het respect heeft gekregen – als het die gezien heeft – voor paarden bv., voor andere dieren. Dat het naar de mens toe incarneert, komt maar heel zelden voor, daarvoor is de afstand tussen de mens en de hond eigenlijk een beetje groot. Dat bij gebrek aan andere incarnatiemogelijkheden – en luistert u goed naar wat ik hier zeg – dat bij gebrek aan andere incarnatiemogelijkheden toch wel in de menselijke vorm wordt geïncarneerd, kan niet bestreden worden. Maar dergelijke incarnaties als mens zijn over het algemeen niet geslaagd. Dit betekent dat het menselijke leven een aantal malen herhaald moet worden voordat een werkelijke progressie op menselijk vlak mogelijk is. Een aap incarneert als een aap of als een mens. Een varken incarneert misschien als een aap. Maar de kans is veel groter dat het zich vereenzelvigt met jachtdieren, bv. de wilde hond, of zoekt naar grote levensvormen als de beer, maar weer niet het nijlpaard of de olifant, ofschoon die theoretisch gezien in de familie thuishoren. Het kan ook als mens incarneren. Daarvoor moeten dan ervaringen met mensen zijn opgedaan en die ervaringen moeten ten dele van schokkende aard zijn geweest.

Kijk ik naar de katten dan kan geconstateerd worden dat katachtigen een soort zekerheidssyndroom hebben. Hierdoor zullen zij, wanneer ze in menselijke omgeving leven, wel eens de neiging hebben een menselijke incarnatie te proberen. Slechts zelden slaagt dat volledig. In andere gevallen zien we dat zij, vreemd genoeg, heel vaak voor vogels kiezen en dan meestal de grotere vogelsoorten (heel weinig mussen). Veiligheid ligt in omvang, denkt de katachtige.

De situatie van bv. koeien, schapen, huisdieren is zodanig, dat zij het menselijk leven voor een deel zijn gaan begrijpen. Dit betekent dat ook voor hen menselijke incarnatie mogelijk is, maar niet altijd waarschijnlijk. Bij de schapen krijgen we bv. de neiging om naar de mens te incarneren of, eveneens merkwaardig, naar de hond. Mogelijk omdat schapen veelal met de hond als meester, hoeder en beschermer te maken hebben gehad.

Koeien hebben de neiging te incarneren in de richting van dieren die door de mens meer gewaardeerd worden. Ze kunnen terugvallen op een kleinere vorm en worden dan bv. mooie honden, andere soorten huisdieren, misschien paarden. Een paard kent zo veel genegenheid en verantwoordelijkheidsbewustzijn dat de kans op een menselijke incarnatie hier zeer groot is. Apen daarentegen zijn zeer wetsgetrouw. Ze behoren tot de diersoorten die de meest uitgesproken sociale wetten hebben. Als ze als mens incarneren dan voelen ze zich meestal tot registratieve of ambtelijke posities aangetrokken. Overigens kan worden opgemerkt dat paarden, ongeacht hun schrikachtigheid en de onsamenhangendheid van hun reacties soms, niet alleen grote genegenheid koesteren, maar ook een enorm structuur-bewustzijn hebben. Paarden die reïncarneren, hebben meestal de eerste twee, drie incarnaties een wiskundeknobbel. Dat is heel vreemd. Ja, en nu wil ik daar niet te veel op doorgaan anders komt u straks met de vraag of een mandril misschien als een politicus incarneert of zo, wat natuurlijk niet geheel onmogelijk is, maar op z’n minst genomen twijfelachtig. We hebben hier dus te maken met incarnatie-cycli die naar hoger bewustzijn voeren. Dit betekent dat de tussenfase geestelijk iets langer zal zijn dan bij een dier of een plant die uiteindelijk terugkeert naar hetzelfde begrip met vermijding van een enkel nadeel. Er zijn een groot aantal, zeg maar sferen waar dieren voorkomen.

Wanneer we kijken naar olifanten dan hebben we ook hier te maken met een uitgesproken sociaal gedrag. We hebben verder te maken met uitgesproken banden met personen, inclusief verantwoordelijkheidsbegrip, er zijn genegenheden, er zijn voorkeuren. Olifanten zullen heel vaak menselijk incarneren. Als u iemand ziet die in gestalte eraan herinnert, is het zeker dat dit geen olifant is geweest, want deze zoekt naar de geestelijke capaciteiten van de mens en zoekt niet in de eerste plaats naar een uiterlijke vormgelijkenis.

Hopelijk heb ik hier duidelijk gemaakt dat een incarnatiecyclus op zichzelf mede een aanduiding is voor tussenliggende geestelijke belevingen. Een mens, om een vergelijking te maken, zal zelden, tenzij hij erg taakgedwongen is, d.w.z. een taak als uitermate belangrijk ziet,  incarneren binnen de drie jaar. Er zijn gemiddelden te noemen, maar die gemiddelden zijn dan altijd ongeveer rond de 200 jaar. Dat wil zeggen dat er een aantal is dat per 60 jaar incarneert, maar een groter aantal dat het per 500 of 400 jaar doet. Mensen die een buitengewone geestelijke ontwikkeling doormaken, kunnen 700, misschien 2000 jaar tussen incarnaties hebben liggen. Het is duidelijk dat de duur van een vertoeven in de sferen en een eventuele ontwikkeling in die sferen mede afhankelijk is van de toestand waarin men is overgegaan en de waarden die op dat ogenblik voor de persoon bestonden. Draagt u dit nu over op de dieren, dan wordt duidelijk, dat een paard bv. niet na enkele maanden zal reïncarneren. Het zal daar op zijn minst een aantal jaren voor nodig hebben. De gemiddelde duur voor paarden kunnen we rekenen op 30 jaar.

Wanneer we kijken naar honden dan blijkt dat de hond iets sneller reïncarneert. Hij zal reïncarneren tussen de 8 en 15 jaar na de stoffelijke dood. Er zijn veel verschillende soorten en kwaliteiten vandaar dit verschil. Kijken we naar de katachtigen, dan blijkt dat hier het verschil nog groter wordt. Er zijn katten die ongeveer acht maanden na hun dood reïncarneren. De gemiddelde reïncarnatieduur ligt op ongeveer 6 tot 7 ½ jaar. De maximale incarnatieduur van katachtigen, voor zover mij bekend (en het betreft hier dan niet de huiskat maar leeuwen) bedroeg 70 jaar. In verhouding dus zeer korte tijden. Maar in die tussentijd blijft het bewustzijn actief, blijft men leven en is niet alleen een recapitulatie maar wel degelijk ook een besef van nieuwe mogelijkheden en verhoudingen in de sferen bijna onvermijdelijk. Het zijn deze ontwikkelingen die van het hoogste belang zijn voor de volgende incarnatiekeuze, maar ook voor de werkelijke ontwikkeling die het ego doormaakt. Wanneer we het ego als geheel willen bezien, dan kunnen we zeggen: het “Ik” dat ergens in een rots zit en het “Ik” dat in een mens zit, verschilt eigenlijk alleen maar in bewustzijn. Dat is tot op zekere hoogte volledig waar, alleen met één verschil. Wanneer de rots zich niet als afzonderlijke rots ervaart, zal hij nooit als “Ik” actief kunnen worden op een hoger niveau. Voor planten en dieren geldt hetzelfde. Naarmate het Ik-bewustzijn en het persoonlijk beleven sterker is uitgedrukt, is de mogelijkheid tot een incarnatie in hogere vorm groter en is gelijktijdig de duur die in een geestelijke toestand wordt doorgebracht en bewust beleefd, naar verhouding langer.

Daarmee heb ik al veel gezegd, dacht ik. U moet er maar eens over nadenken. Niet gaan zitten puzzelen of uw begonia misschien de incarnatie is van een madeliefje, want dat zijn dingen waar u als mens niet veel verder mee komt. Maar omdat geestelijk leven bestaat in planten en in dieren is iets anders misschien wel van groot belang. Geestelijk zijn harmonieën al-bepalend voor het beleven, Waar deze harmonieën eenmaal beleefd zijn, bij voorkeur meerdere malen, is het bijna zeker dat een dergelijke harmonie ook tot stand kan worden gebracht, terwijl de stoffelijke vorm bestaat. Om nu maar weer de meest voorkomende voorbeelden te noemen (er zijn er natuurlijk veel meer):  Wanneer een hond of een kat met u een harmonisch contact heeft, dan blijkt dat zij u in zekere mate telepathisch kunnen beïnvloeden en omgekeerd dat zij u kunnen aflezen. Het is niet helemaal telepathisch, het is deels empathisch, deels telepathisch. Zij kunnen dus tot op zekere hoogte deelhebben aan uw beleven en gelijktijdig hun beleven op u afdrukken. Het is duidelijk dat daardoor in het bewustzijn veranderingen kunnen optreden.

Al het voorafgaande hierover gezegd, mag als algemene regel juist zijn, maar het feit alleen dat harmonieën tussen mens en vele dieren mogelijk zijn, maakt ook duidelijk dat zodra er overdracht is van gedachte- of gevoelssignalen, voor het dier een uitbreiding van bewustzijn ontstaat, terwijl voor de mens vaak een uitbreiding van begrip ontstaat. Dat is iets wat we zeker niet terzijde mogen schuiven. Want er zijn zoveel mensen die een relatie met hun huisdieren hebben of het hun kinderen zijn. Hoe vaak zie je het niet: er loopt een ouder persoon met een rollade op pootjes die ook nog keffen kan, vertroetelt dit op zich bepaald niet meer aantrekkelijke geheel met grote innigheid en intensiteit en het dier reageert met eenzelfde intensiteit. Dan mag het uiterlijk beeld misschien belachelijk zijn, maar ik geloof toch dat er een uitwisseling is tussen die twee wezens van geheel verschillend niveau, van geheel verschillende ontwikkeling, waardoor beiden een verrijking ondergaan. Daar wil ik niet mee zeggen dat u uw dieren moet behandelen of het mensen zijn of kinderen. Dat zijn ze niet. Dat mag je nooit vergeten. Dieren blijven dieren, mensen blijven mensen. Maar naarmate het gebied, waarop je elkaar kunt begrijpen en dat je met elkaar kunt delen, groter wordt, zonder dat je het vervalst ofwel naar het zuiver dier zijn, ofwel naar het helemaal menselijk zijn, krijg je een vergroting van uitwisseling. In een dergelijk geval zal een dier na de dood deze harmonie voor een deel kunnen behouden. Het is deel geworden van het bewustzijn. Gaat nu ook de baas of de bazin over, dan is de kans heel groot dat geestelijk dit contact zich manifesteert. Een enkele keer misschien doordat het dier in verschijning treedt, bv. in een zomerlandwereld, in de meeste gevallen eerder doordat er een persoonlijke relatie ontstaat die niet helemaal in een vorm wordt gemanifesteerd, maar waarbij men deel heeft aan elkanders wereld en elkaars nabijheid en gezelschap voortdurend kan ervaren. En dat kan in de sferen bijzonder leuk zijn. Per slot van rekening, dieren zijn voor een mens uitermate sympathiek, ze praten niet terug. Bovendien maakt een dier veel minder voorbehoud wanneer het eenmaal trouw of sympathie heeft gegeven. De mens behoeft dus niet zo achterdochtig te zijn als hij ten aanzien van zijn soortgenoten is. Ook dat is een winstpunt. Maar alle gekheid terzijde: ik probeer gewoon u een beeld te geven van uw relatie met het dier. Niet omdat die op zich verwerpelijk of goed zou zijn, dat kan altijd weer verschillen, maar doodgewoon omdat de harmonieën die zijn opgebouwd (en eventueel ook de haatrelaties, vergeet u dat niet) kunnen blijven voortbestaan na de dood. Ze dragen dan bij tot een langer persoonlijk voortbestaan van het dier in geestelijke toestand en gelijktijdig zijn ze een voortdurende beïnvloeding van de mens die is overgegaan, tijdens zijn bestaan als geest. Het is heel leuk als je dat ziet.

Wanneer men zich ten laatste nog wil afvragen of dit alles kletskoek is (want dat heb je er altijd bij) dan kan ik alleen dit zeggen: Wanneer alles wat deskundige mensen meenden te weten, wordt onderzocht en wanneer we zien hoeveel beroemdheden gefaald hebben door een vergissing, hoe vaak gebieden die lange tijd werden afgedaan als niet bestaand, toch opeens van het grootste belang bleken voor de mensheid, dan is het misschien toch niet alleen maar larie wat ik heb gezegd. Daar komt bij dat ik zowel ten aanzien van de dierenwereld als ten aanzien van de plantenwereld enige ervaring heb, dat ik ook de incarnatiecycli enkele malen, deels uit nieuwsgierigheid, deels uit werkelijke belangstelling, heb gevolgd. Voor datgene wat ik heb gezegd, kan ik als geest instaan. U moet alleen maar aannemen dat het misschien zo is. Als u aanneemt dat het mogelijk is, dan hebben we bereikt wat noodzakelijk is: u moet openstaan voor de mogelijkheden. Zoals u in het gedrag van dieren in uw omgeving open moet staan voor hun signalen en moet proberen een zekere mate van harmonie met ze te vinden. Al is het alleen maar dat u begrijpt wat hen beweegt. Al deze dingen zijn belangrijk.

Wanneer u met planten veel te maken hebt, is het heus niet belangrijk dat u de incarnatiecyclus weet van een plant. Maar het kan heel belangrijk zijn dat u in staat bent de uitstraling van de plant op te vangen en daarop op uw eigen wijze met een soort rustige genegenheid bv. of bewondering en waardering te reageren. Het zal niet alleen het leven van de plant in de stof ten goede komen, maar het zal daarnaast een vergroting van ervaring betekenen en daarmee de mogelijkheid van een toch persoonlijker voortbestaan. Voor u is het ongetwijfeld een verrijking om te weten dat planten niet alleen maar gedachteloos zijn, maar dat ze in hun trage trillingen van bewustzijn enorm veel kunnen uitstralen wat samenhangt met het geheel van de aarde, met de harmonieën van die aarde en zelfs met bepaalde velden en werkingen waar u als mens zelden iets van voelt. Het kan dus heus interessant en belangrijk zijn.

Daarmee heb ik mijn inleiding zo ongeveer afgerond, want wat er meer te zeggen is over dit onderwerp is allemaal te specifiek, dat kun je niet algemeen uitwerken. Ik heb u hoofdlijnen gegeven, specifieke vragen wil ik na de pauze graag beantwoorden, met dien verstande dat u niet moet vragen of Fido in het hiernamaals nog steeds een bot per dag krijgt. Hebt u vragen ten aanzien van bezieldheid, onverschillig waarvan, ik zal proberen erop in te gaan. Wilt u iets nader weten over incarnatiecycli, zover het planten en dieren betreft, wil ik u graag verder inlichten. Op de menselijke cycli zal ik echter niet verder ingaan.

Vragen

  • Wanneer een paard of (mens)aap als mens incarneert krijgt hij dan een menselijke ziel? Het aantal zielen blijft toch gelijk?

Hij krijgt geen menselijke ziel, hij blijft nl. zichzelf. De bezielende kracht is één en dezelfde. Alleen, de apenziel komt nu in menselijke omstandigheden te leven, komt dus tot de menselijke ervaringspatronen en wordt daarmee een menselijke ziel. Wat betreft het vaststaan van het aantal zielen: ik heb daar geen vaste gegevens over. Ik kan u alleen dit zeggen: er zijn – voor zover mij bekend – zo veel overgangen van de ene soort naar de andere, ook naar de mens toe, dat daarmee elke bevolkingsaanwas tot nu toe volledig verklaard kan worden.

  • Is de mogelijkheid aanwezig dat een hond na zijn overgang incarneert in hetzelfde gezin, op zoek naar dezelfde harmonie?

Theoretisch moet ik dit beamen, het zou mogelijk kunnen zijn. De waarschijnlijkheid is echter zeer gering, één op zeer vele miljoenen; en wel om de volgende redenen. De hond kent wel de sfeer, maar de vraag is of de hond de sfeer met het gezin associeert. Alleen wanneer er een zeer persoonlijke harmonie bestaat is een dergelijke terugkeer denkbaar. Maar zelfs dan zou een gelijksoortige sfeer in de omgeving gevonden kunnen worden, zodat het dier dan misschien bij de buren terechtkomt.

  • Hebben alle mensen plantaardige en dierlijke incarnaties gehad?

Ik durf het niet met zekerheid te zeggen. Maar de waarschijnlijkheid dat het merendeel van de mensen ook plantaardige en dierlijke voorstadia heeft doorgemaakt is zo groot, dat ik de vraag, zij het met enig voorbehoud, toch bevestigend zou willen beantwoorden,

  • Hoe is het mogelijk dat na het overlijden van een poes huisgenoten, onafhankelijk van elkaar, de ervaring hebben dat zij de poes op hun bed voelen springen?

Er zijn een aantal mogelijkheden te noemen, maar de meest waarschijnlijke is: men is daar zeer aan gewend en zal een willekeurige prikkel dan vertalen in deze ervaring. Maar het is zeer wel mogelijk dat het dier bv. astraal aanwezig is, dit komt heel vaak voor. Dan zou de aanwezigheid, plus de behoefte van de poes zich als vroeger te gedragen, wel eens een telepathisch signaal kunnen worden, waardoor de mens de ervaring meent op te doen.

  • De baas van een hond kwam steeds op dezelfde tijd van zijn werk. Eenmaal binnen maakte hij altijd van zijn armen een soort hoepel, waar de hond dan doorheen sprong. Na de dood van de man zag zijn vrouw hoe de hond op die tijd naar de gang liep om blij en kwispelstaartend door een voor haar onzichtbare hoepel te springen. Dit gebeurde meerdere malen. Maar steeds kwam de hond daarna wat ontdaan en angstig terug. Wat gebeurde er hier precies en wat maakte de hond angstig?

Wat er precies gebeurd is, kun  je nooit nauwkeurig zeggen, er is geen vaste regel voor. De meest waarschijnlijke is: de persoon in kwestie heeft in Schaduwland of Laag Zomerland vertoefd en heeft geprobeerd terug te keren naar zijn oude materiële routine, werd dus aangetrokken. Daardoor was voor de hond de verwachting dat de baas thuis zou komen, gelijktijdig het besef van de aanwezigheid van de baas. De hond maakte geen verschil tussen geest en stof in de eerste ervaring, nam dus zijn normale sprong, wilde daarna zeer waarschijnlijk tegen de baas opspringen, maar dit nu gelukte niet. Daardoor had de hond een ongewone ervaring, voelde zich daardoor zenuwachtig, misleid en een beetje mistroostig.

  • Is er binnen incarnatiereeksen van planten en dieren ook sprake van zoiets als karma?

Wanneer u karma juist interpreteert, dan wel. Karma is nl. het opdoen van een reeks ervaringen die voeren tot een conditionering, die medebepalend is voor de ervaring die men  zal opdoen. In deze zin ja, bestaat er ook voor de planten- en dierenwereld een karma, omdat de opgedane ervaringen het gedragspatroon bij reïncarnatie mee helpen bepalen.

  • Kunt u iets zeggen over geestelijke ervaring van plant of dier in de sferen tussen twee incarnaties?

Dat is heel erg moeilijk. Het is heel lang geleden dat ik van deze soorten nog deel heb uitgemaakt. Ik kan u alleen dit zeggen: In de plantensfeer is een vaagheid. Het is een niet vorm hebben en toch gekoesterd worden door zonlicht, een gestreeld worden door de wind en een absoluut gevoel van voldaanheid. Dit kan soms door een gevoel van aantasting worden onderbroken, maar nooit lang.

In de dierensfeer is voor die soorten waarmee ik persoonlijk enig contact heb gehad, het bestaan over het algemeen een herhaling van een aantal instinctpatronen uit het vorige leven, maar met een gevoel van een zekere voldaanheid en het vermogen om gelijktijdig nieuwe vrijheden te proeven en oude gebondenheden terug te vinden. Je wisselt dus veel meer dan een mens ooit zal doen tussen, zeg maar de sfeer waarin je vertoeft en bepaalde plaatsen op aarde die voor jou erg belangrijk zijn geweest.

  • Kun je bij plant en dier ook van een mentaal, astraal en levenslichaam spreken, zoals Phoebe Payne dat doet?

Een grassprietje heeft geen astraal om over naar huis te schrijven. Er zit wat astrale materie bij, maar zij is niet gevormd, er wordt geen vorm behouden. Een boom kan dit wel hebben, doch niet in voldoende mate om zelf astraal een beeld van zichzelf te vormen. Dieren hebben wel astraal. Elk dier, zelfs de laagste soorten, zelfs een mier heeft nog een mate van astraal, waardoor de microvorm erg belangrijk wordt, maar het besef is weer niet genoeg om deze te concretiseren, hetzij in een sfeer, hetzij in de astrale wereld. In alle gevallen is een levenslichaam aanwezig, daar een levensproces betekent: een circulatie van levenskrachten en de circulatie van levenskrachten in een bepaald patroon noemen we nu eenmaal levenslichaam. Dus in die zin: ja, het is zo.

  • Kun je ook spreken van chakra’s bij planten en dieren en zo ja, in hoeverre verschillen ze van die van mensen?

Er is bij plant en dier sprake van chakra’s. Bij een plant is over het algemeen sprake van een enkel chakra, dat soms vier- soms zesbladig is. Wanneer we te maken hebben met bomen dan kan daarbij een tweede tweebladig chakra functioneren, maar dat gebeurt lang niet altijd, zelfs niet bij  bomen van dezelfde soort.

Wanneer we kijken naar dieren, dan zien we over het algemeen twee tot drie chakra’s. Dus niet zoals bij de mens een grotere reeks. De chakra’s worden bepaald door de zenuwknopen. Bij dieren vinden we die altijd daar waar het brein actief is en verder op het punt waar levenskracht wordt ontnomen. Bij de vertebraten dus meestal ergens bij de ruggengraat, bij de slang bv. in het midden, bij hond en paard dichtbij het staarteinde. Verder komt bij sommige dieren die wat hoger ontwikkeld zijn een borstchakra voor. Het hoogste chakra dat we bij dieren zien is 32-bladig en dat zijn dan de zeer verstandige dieren. Het laagste chakra dat je ziet bij de warmbloedige vertebraten is 16-bladig.

  • Verkeert een dier in de astrale wereld wanneer het slaapt? Treedt het ook uit? Ze lijken te slapen en waakzaam te zijn tegelijkertijd. Kennen ze ook het zilveren koord ?

Of ze het kennen, betwijfel ik ten zeerste, omdat een dier dat uittreedt zich niet afvraagt hoe het uittreden mogelijk is, maar over het algemeen een zeer intense droom beleeft zonder meer. Een dier dat waakzaam is terwijl het slaapt, heeft dit als erfelijke eigenschap. Het betekent nl. dat terwijl de hersenfunctie terugvalt tot beneden normaal waakzaam, de waarnemingsorganen scherper functioneren, terwijl de overgang tussen slaap- en waaktoestand bij het dier veel ogenblikkelijker plaatsvindt.

  • Welke vormen van voortplanting (vermenigvuldiging) hebben er bestaan bij plant en dier vanaf het begin van de evolutie?

Ja, nu vraagt u iets waarop geen antwoord is te geven, er zijn er zoveel. Maar de gemiddelde voortplanting van een plant heeft te maken gehad met celdeling in de eerste vormen als bij algen, dus laten we zeggen: een nieuwe plant groeit uit de volwassen plant. Dan hebben we de sporenvorming, waarbij de sporen in zichzelf een wortelnet veroorzaken waar dan weer een nieuwe plant uit ontstaat. Dan is er zaad in zijn vele verschillende vormen. Bestuivingsprocedures ontstaan betrekkelijk laat. Voor die tijd is het zaad dus als het ware tweeslachtig bekrachtigd door de plant zelf. Dan hebben we verder bij dieren in het begin ook te maken met het splitsingsproces. Daarna krijgen we, als de splitsingsprocessen zijn afgelopen, een soort zaaiproces; er is zaad, er zijn cellen die losgelaten worden en zich op grond van de celkernwaarde dan later ontwikkelen tot zelfstandige wezens. Daarna krijgen we de verschillende soorten van externe groei, zoals bv. bij eieren. Vervolgens krijgen we de levendbarenden, waarbij het proces nog niet volledig gelijk is aan dat van de mens. Dat ressorteert uiteindelijk in het proces van embryonale groei, welke dus niet meer enige externe factor nodig heeft, maar waarbij binnen het lichaam op grond van de bevruchting het gehele proces zich afspeelt.

  • Bestaat bij dieren ook inspiratie, begeleiding? Wonderlijke voorvallen zijn bekend van honden die dwars door Alaska hun baas wisten te vinden. Wie begeleidt wie in de dierenwereld ? Leden van de eigen soort?

Ik weet niet of er veel geleiders optreden, maar er is een zeer sterke band met een soort gemeenschapsbewustzijn, een gemeenschapsgeest, veel sterker dan bij de mens het geval is. Verder kunnen we zeggen dat een dier nooit inspiratie heeft, maar wel intuïtief reageert op signalen die meestal uit dit gemeenschappelijk bewustzijn voortkomen, maar soms ook uit bronnen daarbuiten, zelfs uit gedachten van mensen. Wanneer het dier dan bovendien een oriëntatie heeft op grond van een zeer sterke harmonische, is deze al voldoende om de richting te bepalen.

  • Kent een boom (of een plant) pijngevoel wanneer hij wordt geveld en blijft de astrale boom dan voor enige tijd ter plekke achter?

Een boom kent geen pijn zoals u die kent, maar er is een onderbreking van processen. Het ervaren hiervan is toch wel een schok, zodat je kunt zeggen: er is een soort plantaardige pijn, die eigenlijk meer lijkt op een verdoving, die met schrik wordt geconstateerd. Wanneer een boom wordt geveld, dan kan het zijn dat het astraal nog enige tijd aanwezig blijft. Het is meestal binnen twee à drie dagen verdwenen.

  • Wat is het verschil tussen het karakter van een dier, eventueel plant, op aarde en in de geest? Is het op aarde, evenals de mens, aan astrologische invloeden onderhevig en op gelijke wijze? Hebben sommige planeten, bv. Saturnus en Mars, bij hen een relatief sterkere werking dan bij de mens?

De sterkste werking bij de dieren is over het algemeen de maan. Dat is dus de sterkste werking astrologisch gezien. De stand van de maan in de geboortehoroscoop is het sterkst bepalend voor zowel vitaliteit als ontwikkelingsmogelijkheid. De grote planeten zijn niet zo belangrijk als u zou denken, ofschoon de Jupiter-invloed voor huisdieren meestal groot is. Je zou kunnen zeggen dat op aarde de dieren beïnvloed worden door het geheel van hun omgeving, net zoals de mens, dat ze daardoor gelijktijdig ook beperkt worden, onvrijheid ervaren. In de geestelijke wereld daarentegen kennen ze deze beperking en onvrijheid niet omdat ze alles beleven en verwezenlijken volgens de grenzen van hun eigen bewustzijn. Dit impliceert dat het geestelijk bestaan van plant en dier veelal toch ook  wel gelukkiger is dan het zuiver stoffelijke. Maar het stoffelijke bestaan is noodzakelijk om enige doorbreking van de eigen grenzen op geestelijk terrein mogelijk te maken.

  • Bedoelde u met de maan een relatief grotere invloed vergeleken bij de mens, of zelfs groter dan de zonne-invloed ?

De maan-invloed is voor de meeste dieren groter dan de zonne-invloed.

  • Kennen dieren, eventueel planten, na de overgang zoiets als schuldgevoel en een recapitulatieproces met zelfconfrontatie waar ze door leren, wanneer ze bij martelingen gebruikt worden op mensen? Zijn ze dan mede aansprakelijk?

Wanneer u een tang gebruikt om uw medemens te martelen is de tang aansprakelijk? Het dier weet niet wat het feitelijk doet, dat om te beginnen. De levenswaarden van het dier worden instinctief bepaald, ze zijn mede voortgevloeid uit de karakteristiek van de soort, elk gedrag dat in overeenstemming is met de mogelijkheden van de soort wordt dus als juist ervaren. Daarnaast bestaat voor het dier een aantal niet te begrijpen maar zeer krachtige invloeden, waar het zonder meer aan onderworpen is. Onder deze invloeden valt in zeer vele gevallen ook de mens. Het dier kan dus niet aansprakelijk zijn voor hetgeen het doet.

Er zijn mensen op aarde geweest die medemensen hebben gemarteld uit naam van God en het gevoel hadden dat ze goed deden. Het dier dat martelt kan zich misschien nog van de marteling bewust zijn die het veroorzaakt (ofschoon dit volgens zijn instinct een juiste handeling is) en zal zich later bij recapitulatie misschien bewust worden van het feit dat hijzelf dit heeft gedaan, maar dat een ander, zijn god, hem dit bevolen heeft. Maar daarmee is voor het dier de kous af. De recapitulatie van het dier is eerder een opsomming van ervaringen dan een afwegen van belangrijkheden als het constateren van goed en kwaad, het ondergaan van het lot van anderen, zodra ze met jou in direct verband staan en door jou daarin bepaalde reacties zijn veroorzaakt. Het is dus geen recapitulatie met de volledige mogelijkheden die de mens heeft. Wel zal de recapitulatie over het algemeen een duidelijker beeld geven van de eigen zwakten en sterkten tijdens het stoffelijk bestaan en daardoor een besef doen ontstaan van de wenselijke kwaliteiten of eigenschappen om een volgend bestaan van dierlijk standpunt uit prettiger te beleven.

  • Kunt u nog enkele incarnatiecycli noemen van planten? Kunnen slangen, krokodillen, leeuwen, tijgers, beren, ook als mensen incarneren ?

Kijk om u heen en u ziet een bevestigend antwoord. Wat betreft het eerste deel van uw vraag: deze cycli zijn zo verschillend en dat hangt zozeer samen met de plaats en dus niet alleen met de soort waar dit leven zich voltrokken heeft, dat het niet redelijk zou zijn om hier meer dan een algemeen beeld te geven. Ik kan zeggen dat een zeer eenvoudige plant over het algemeen een tussenpauze heeft tussen het eerste en tweede bestaan van 1 à 2 jaar. Ingewikkelder planten kunnen daar iets langer over doen. Wanneer we te maken hebben met een boom van laten we zeggen 50 jaar, dan kunnen we aannemen dat de geestelijke belevingscyclus ten minste 20 jaar bedraagt voordat de volgende incarnatie plaats vindt. Dus er zijn inderdaad wel algemene aanwijzingen te geven, maar daar ze van individu tot individu zo sterk verschillen dat zelfs het geven van gemiddelden misleidend is, hoop ik dat u mij zult vergeven dat ik daarop niet verder doorga.

  • Waarin incarneren vissen en vogels bij voorkeur?

Vogels kunnen als mensen incarneren wanneer ze maar voldoende bewustzijn hebben opgedaan. Dit geldt ook voor vissen. Theoretisch is voor deze dieren de incarnatiemogelijkheid  gelijk aan die van alle andere dieren, met dien verstande dat het bereikte geestelijk ervaren, het bereiken van zekere banden en sociale samenhangen, medebepalend zijn voor de mogelijkheid als mens te incarneren. Dat houdt in dat bv. een walvis of een dolfijn veel eerder als mens zal incarneren dan een haring.

  • Kunt u voor-menselijke fasen aflezen of extrapoleert u die uit het heden?

Ik extrapoleer ze niet uit het heden. Ik heb deze voorgangen en deze ontwikkelingen geconstateerd op grond van persoonlijke ervaringen zowel als waarnemingen die ik gedaan heb in verschillende sferen, verschillende werelden en dus ook ten aanzien van verschillende soorten en rassen zoals die nu op aarde bestaan.

  • Kun je met regressies teruggaan naar de beleving van dieren?

Het lijkt me voor de hogere diersoorten eventueel wel haalbaar, maar voor de lagere diersoorten en planten lijkt het mij niet haalbaar, omdat voor de mens deze bewustzijnstoestanden een zodanige vernauwing betekenen, dat je niet meer beschikt over belevings- of uitdrukkingsmogelijkheden die nog tot het menselijk bewustzijn kunnen doordringen.

  • Zijn er ook specifieke problemen wanneer dieren voor het eerst als mens incarneren?

Ongetwijfeld, het dier is gewend op zijn instincten te vertrouwen. Wanneer het dus mens wordt, zal het de instincten veel hoger aanslaan dan gezien de menselijke toestand en samenleving in feite wenselijk is.

  • Kunt u zeggen wat het bewustzijnsniveau van een walvis is en of dat lager is dan van een mens?

Het is anders dan van een mens. Er zijn bepaalde aspecten die ik zelfs iets hoger aansla, ofschoon niet bij alle soorten gelijkelijk. Er zijn ook een aantal beperkingen van bewustzijn en vooral van behoefte tot ervaren, die als zodanig een minus betekenen ten aanzien van de mens. Maar onvergelijkbare grootheden vergelijken, gaat altijd een beetje mank.

  • Wat is waar van de stelling dat sommige dieren o.a. olifanten,  van andere planeten zouden komen?

Voor zover mij bekend niets.

  •  (vraag over dolfijnen i.v.m. mensen redden)

Dat zijn niet alleen verhalen, dat komt inderdaad voor, omdat de dolfijn een wezen is met een sociaal gedrag en gemeenschapszin, een zeer behoorlijke zintuigelijke begaafdheid en een niet eens zo beperkte taal. Dolfijnen hebben een soort taal, de houdingen en staartslagen even buiten beschouwing gelaten, die alleen in tonen 120 woorden kan omvatten. Dat wil zeggen dat het dier is ingesteld op een gedrag van hulpverlening, ook ten aanzien van soortgenoten. En mensen hebben een uitstraling die voor de dolfijn vaak herkenbaar is. In een dergelijk geval zullen ze ook een noodsituatie erkennen en daarop reageren zoals ze dat zouden doen met soortgenoten. Ze zullen het gedrag voortzetten zelfs wanneer de reactie een andere is dan die welke ze van soortgenoten zouden verwachten

  • Als je bij het overplanten heel langzaam tegen een boom of plant praat verhoogt dat zijn levenskansen?

Als het alleen een kwestie is van praten, dan geloof ik het niet. Wanneer het een kwestie is van uitstraling en een  zekere mate van levensoverdracht, dan kun je inderdaad daardoor de overplanting een grotere kans van slagen geven, daar je door toevoeging van levensenergie aan de grond herstel van onderbroken levensprocessen aanmerkelijk eenvoudiger maakt.

Slotwoord

Ik heb geprobeerd uw vragen zo goed en zo eerlijk mogelijk te beantwoorden. Het heeft weinig zin erover te strijden of ze volledig zijn of niet. Ik heb de waarheid gezegd, zover ik ze weet en mijn ervaringen op dit terrein zijn tamelijk ruim. Dat de uitstraling van een mens invloed heeft op dieren en planten staat zonder enige twijfel vast. Dat het omgekeerde eveneens het geval is, wordt vaak minder beseft, maar is ook waar. Verder bestaan er wisselwerkingen tussen het plantenleven en de mens, al is het alleen maar door de afgifte van bepaalde gassen en de absorptie van bepaalde gassen, waardoor ze voor elkaar in feite onmisbaar zijn. We moeten niet proberen de mens buiten de wereld te zetten als iets wat daar helemaal bovenuit zweeft en eigenlijk nergens een relatie mee heeft. De mens is deel van een geheel waar ook planten en dieren deel van uitmaken. Het besef dat je behoort tot een geheel houdt in dat je ook als mens een aansprakelijkheid hebt ten aanzien van dieren en planten. Omgekeerd kan het begrip van dieren en planten voor jou eveneens een mate van bewustwording inhouden. Het is de wisselwerking die in alle levens belangrijk is en voor elke bewustwording. Het leven na de dood voor planten en dieren betekent uiteindelijk niet veel meer dan dat zij op hun eigen wijze deel uitmaken van dezelfde levens- en bewustwordingscyclus, waartoe ook de mens behoort. Wees er niet bang voor dit te erkennen. Het maakt u niet kleiner, het maakt u niet minder bewust. Maar degene die probeert zich los te zeggen van al hetgeen dier en plant is, zich erboven verheven achtend en het alleen maar voor eigen nut gebruikende zonder meer, zal ontdekken dat hij zichzelf hierdoor in wezen verminkt, want hij stoot een deel van het harmonisch geheel waar hij toe behoort van zich af. Hoe totaler de harmonie is die de mens beleeft, hoe vollediger hij in de geest de eenheid kan beleven en hoe gemakkelijker ook hij aan incarnatienoodzaken kan ontkomen. Het onderwerp, hoe ver het ook ligt van voor u ook werkelijk belangrijke punten, is dus bepaald niet buiten alle actualiteit. Het leven na de dood impliceert ook leven voor de dood. Het betekent dat plantenleven, dierenleven, dat de relatie tussen leven en leven niet bepaald behoeft te worden door een bijzondere zorgzaamheid of vriendelijkheid van de mens uit. Ook voor het dier en zelfs voor de plant is de regel van het leven: eet en wordt gegeten. Dat de mens van deze keten deel uitmaakt is niets om u voor te schamen. Maar het is heel iets anders bewust wreed of vernietigend op te treden ten aanzien van anderen. Er zijn slechts enkele roofdieren die dit doen in hun bloeddorst en zij hebben over het algemeen niet de meest gunstige incarnatiemogelijkheden. Besef dat je deel bent van een geheel waar je gebruik van mag maken, maar waar je in zekere mate ook verantwoordelijk voor bent. Op deze manier vergroot u voor uzelf en voor dieren en planten de bewustwordingsmogelijkheden na de dood en een betere incarnatiemogelijkheid wanneer een leven in de stof weer noodzakelijk wordt.

Ik hoop niet dat u mij dit kwalijk zult nemen. Ik wil tegen niemand zeggen: u moet wel of niet vegetariër worden. Ik zal tegen niemand zeggen: u mag niet op een grasje trappen of geen brandnetels uittrekken. Ik zeg alleen maar: heb respect voor al het levende omdat het deel is van hetzelfde leven waar ook u toe behoort. Begrijp dat alle leven in zekere mate besef bezit, ook al is dat besef van een andere grootteorde en kwaliteit dan het uwe en probeer te begrijpen waarom dit besef is zoals het is, reageert zoals het reageert. Het zal een grote verrijking van uw eigen beleven kunnen betekenen op aarde reeds en naar mijn mening ook na de overgang, wanneer u zich bezig gaat houden met het leven van de planten en dieren na de dood.

image_pdf