Positieve gedachten

image_pdf

8 december 1961

Wij, sprekers van de ODV, zijn niet alwetend of onfeilbaar. Ons onderwerp voor heden heb ik getiteld: Positieve gedachten.

Dit jaar is het juist 2.000 jaar geleden, dat de bekende filosoof – astronoom Zhang Heng zich een eerste planetarium vervaardigde. In dit planetarium verplaatsen de planeten en sterren zich door de beweging van langzaam verplaatsbare koperen banden, die op hun beurt werden aangedreven door een z.g. waterklok. In die dagen, toen immers ook in de grote beschavingen van het westen nog vele misvattingen bestonden omtrent de vorm van de aarde en haar wezen, bouwde deze denker reeds een tweeledige beschouwing op omtrent de aarde en haar verhouding tot het Al. Een daarvan was in de eerste plaats bestemd voor de andere mensen en denkers. Volgens de normen van zijn dagen was deze stelling wetenschappelijk verdedigbaar.

Daarnaast bouwde hij, uitgaande van dezelfde erkenningen, een reeks esoterisch filosofische stellingen op, die in het bijzonder voor zijn leerlingen bestemd waren. Zijn belangrijkste wetenschappelijke stellingen hielden in, dat de aarde rond is, dat de maan een wezen is, dat slechts het licht van de zon weerkaatst en geen eigen licht bezit, terwijl een verduistering van de maan alleen voor kan komen, wanneer de schaduw van de aarde haar beroert. In de dagen van Zhang Heng waren deze stellingen niet alleen nieuw, maar gingen zij tegen alle bekende wetenschappelijke stellingen en godsdienstige opvattingen in. Wel zag hij de aarde als het centrale punt van het Al. Zo stelde hij: rond de aarde is een oneindigheid, waarin de aarde ligt als de dooier in een ei… Deze stelling werd natuurlijk wetenschappelijk aangevochten en raakte daardoor voor langere tijd in het vergeetboek. Toch was het aan de stellingen van deze grote denker te danken, dat men in China reeds meer dan 2.000 jaren geleden alle zonsverduisteringen en maansverduisteringen heeft opgetekend. De tabellen, die nu nog beschikbaar zijn, gaan tot rond 100 v. Chr. Enkele van de eerste registraties zijn als herinnering aan een bepaald gebeuren vastgelegd, zodat de aangegeven tijdswaarden maar betrekkelijk zijn: Het menselijke geheugen faalt wel eens.

Zo de wetenschappelijke stellingen van Zhang Heng reeds ontstellend waren, zijn esoterische stellingen gingen nog verder. Wij, met onze wereld, zijn slechts een ijle luchtblaas in de werkelijkheid. Dat, wat wij sterren noemen, is niets anders dan een reeks van andere plaatsen, waar de werkelijkheid verdund is en de waan overheerst. De inwerking van waan op waan is een feit. Wanneer een mens nadenkt en een ander voegt daaraan zijn gedachten toe, zal een gewijzigd beeld ontstaan, ook wanneer beider gedachten waardeloos en waanzinnig zijn. Zo leven wij in de holle wereld van de waan. Indien buiten ons de werkelijkheid ligt, is alles, wat ons bereikt, door deze werkelijkheid beroerd, zodat wij ook deze werkelijkheid kunnen leren kennen.

De essentie van de waarheid moet ook voor ons bereikbaar zijn, zodra wij door ons, door de waanbeelden, die wij werkelijkheid noemen, laten voeren, maar onttrokken aan onze wereld, uitbreken aan de waan waarin wij plegen te vertoeven. Heer Zhang bouwt dan een filosofie op, waarbij elke ster voor hem de kenbare uitstraling van een gedachte is. De maan is een bijzondere sterke en complexe gedachte, de zon is een gedachte, waarin de wil werkzaam is. Zo bouwt hij een Al op, dat kenbaar bestaat uit vele vreemde gedachten, die elkaar onderling beïnvloeden en waarbij toevalligheden, waarover de mensen gaarne spreken, als een willekeurig ingrijpen van geesten en voorouders, uitgesloten lijken.

Ik zal u niet het geheel van zijn theorieën verklaren. Dit zou ons voor deze bijeenkomst te ver voeren. De eindconclusie van Zhang lijkt mij ook voor u interessant. Wij kunnen alleen vrij leven in de waan, wanneer wij beseffen, dat door onze waan onze vrijheid van beweging en denken beperkt wordt. Wij kunnen alleen onze dagen meten in de waan, wanneer wij twee voorstellingen, die beiden onwerkelijk zijn en in waarheid niets betekenen, met elkaar vergelijken. Vergeet niet, dat voor Zhang Heng de zon evenmin een werkelijkheid is als de aarde, zodat het slechts logisch is, dat hij de verschijnselen, die uit de relatie aarde-zon voortkomen, dag en nacht, eveneens als niet reëel beschouwt. Voor hem zijn al deze dingen slechts gedachten, schimmen.

Reeds 2.000 jaar geleden werden gedachten voortgebracht, die in uw eigen tijd waarschijnlijk op ander gebied evenzo zouden kunnen rijzen. Opvallend daarbij is, dat Heer Zhang leefde in een tijd, dat, zoals ons blijkt, de verhoudingen op de wereld aanmerkelijk gewijzigd werden en het wereldconcept van de mensheid op geheel andere basis zou komen. Ook in die dagen zijn er natuurlijk velen geweest, die meenden, dat een wijziging van het bestaande wereldconcept alleen mogelijk was, indien dit gepaard zou gaan met een vernietiging van al het bestaande. De mooi geglazuurde tegels van de paleismuren stonden nog even onwrikbaar, toen de nieuwe stellingen werden verkondigd. Zelfs toen de nieuwe werkelijkheid eindelijk door de mensen aanvaard werd, meerdere honderden jaren later, stond daar nog de oude verboden stad, zetelden in alle steden de oude rechters en lazen de studenten nog dezelfde klassieken.

Menigeen meende, dat er geen verandering was, omdat er immers geen ondergang had plaats gevonden. Waarom zouden de mensen reeds in de oudheid – evenals heden – hun aandacht gericht hebben op de ondergang en niet op de vernieuwing zelf? Misschien wel, omdat de mensen te nuchter willen denken, omdat wij ons teveel aan de realiteiten, die wij rond ons geschapen hebben, binden. Wij kunnen het eenvoudig niet verdragen, dat de gebeurtenissen anders verlopen, dan wij meenden, dat de dingen anders zouden gaan, dan wij meenden te mogen stellen. Wij denken dat er immers geen andere mogelijkheid is dan zo voort te gaan, of onder te gaan. Wanneer ons beeld, dit denkbeeld van deze wereld, zou moeten vallen, moet alles mee ondergaan in chaos. Is dit een reëel standpunt?

Onwillekeurig denk ik aan een bekend dichter, die vooral om zijn levenslust beroemd was. Zijn naam hebt u waarschijnlijk wel eens gehoord: Li Po. Deze dichter, filosoof en zanger zingt ook over de waarheid, maar hij doet het op een wat vreemde manier. “Wanneer ik nuchter ben, ken ik geen waarheid. Drink ik drie glazen, dan dringt zij langzaam tot mij door. Heb ik een vat leeggedronken, dan ben ik in de waarheid ondergedompeld en kan mijn eigen waanwereld niet meer begrijpen.”

Misschien klinkt dit u, ernstige mensen, in de oren als de uitspraak van een dronkaard. Toch heeft Li Po op zijn wijze wel degelijk begrepen, waarom het eigenlijk gaat: de roes, die de werkelijkheidswaarden doet verbleken, stelt de mens heel anders ten opzichte van zijn tijd en wereld. Hij is zo niet gebonden aan een vast spoor en voelt zich vrij. Zodra de waan verbleekt en de mens de essentie van de waarheid in zich gaat dragen, zo sprak lang voordien Zhang Heng, is hij vrij. De mens is inderdaad vrijer in zijn beleven, uiting en zelfs in de wegen, die hij gaat, wanneer hij zijn eigen wereld minder redelijk ondergaat. Wanneer hij door de roes het contact met alles, wat werkelijk heet in zijn wereld, geheel verliest, treedt een vorm van geestelijke vrijheid op.

Misschien vraagt u zich nu af, waarom ik u verveel met deze oude gedachten. Ik doe dit niet zonder enige reden. Weten wij allen in de geest niet, hoe velen van u op het ogenblik denken? De mensen hebben langs vele wegen gehoord: In februari komen er grote veranderingen…

Prompt hebben zij tot zich en anderen gezegd: Nu zullen er wel grote en onoverkomelijke rampen gaan geschieden, want de wereld gaat veranderen. Daarbij hebben haast allen alleen gedacht aan het negatieve, aan mogelijke vernietigingen. Het vernietigende kan natuurlijk in de waan waar gemaakt worden, maar kan nimmer waar zijn in de werkelijkheid. Een mens, die de werkelijkheid in zich draagt, ziet innerlijk dingen, die de wereld buiten hem nog niet kan beseffen. Ook hiervan geeft de oudheid voorbeelden. Het is meer dan 3.000 jaar geleden, dat een denker reeds sprak over wat men nu atomen noemt. Het is bijna 40.000 jaar geleden, dat bruikbare energie uit zonnekracht werd gewonnen. Maar de wereld heeft deze dingen vergeten.

Ofwel zij noemde het filosofie, fantasie, dwaasheid, danwel zocht men een verklaring, die het eigen wezen niet zo sterk met een bestaande werkelijkheid confronteerde. Men zag immers de kleinste delen, waarover de denker sprak. Dat de zonnekracht groot genoeg zou zijn om bv. stenen op te heffen, konden de gewone mensen niet aannemen. Dat moest vast door geesten of Goden gedaan worden.

Er zijn vele soortgelijke voorbeelden: de eerste stoommachine, die in de ook bekende beschavingen gebruikt werd, ontstond reeds 5.000 jaren geleden. De expansiemotor, waarbij stoom en verhitting van metalen een rol speelden, is eveneens zeer oud. De oudheid heeft daarmee niets gedaan. Ten hoogste werden deze vindingen gebruikt voor z.g. tempel wonderen. Toch zijn het deze zelfde vindingen, die in uw dagen herontdekt werden en van een alles beheersend belang werden.

Misschien wilt u zich – met vele z.g. geleerden – hiervan af maken door te stellen, dat eerst in uw dagen de mogelijkheid bestond om dit alles doelmatig en praktisch te gebruiken. Wij, zo roept de moderne mens uit, hebben als eersten de mogelijkheid gezien dit alles op de juiste wijze toe te passen, vroeger was dit alles niet veel meer dan speculatie, de toepassingen waren boerenbedrog. Wíj hebben de juiste wijze van gebruiken gevonden en zijn daarmee de werkelijke uitvinders….

Wanneer geen middelen en mogelijkheden bestonden, zo vraag ik mij af, waarom en hoe konden dergelijke belangrijke vindingen en grootse gedachten reeds in het verleden leven? Zou men het niet eerder mogen stellen met Ho Chin:  Alles, wat groot is, leeft door alle tijden. Het is een werkelijkheid, die de mens moet leren beheersen. Want eerst, indien de mens een deel van de waarheid leert beheersen, kan hij het ook tot een deel van zijn eigen wereld maken.

De juiste verhoudingen, niet het bestaan op zich, zijn bepalend. Hierbij speelt de gedachte van de juiste weg, van Tao, een rol. De onderlinge verhoudingen zijn voor alle dingen bepalend. In dit geval zal voor de mens de bepalende factor zijn: De juiste ontwikkeling en rijpheid van zijn bewustzijn…. Aan de andere kant zie ik steeds weer, hoe in de oudheid veranderingen optreden, waaraan men feitelijk niets kan doen, terwijl juist daardoor nieuwe verhoudingen ontstaan, of het nut van iets nieuws bewezen wordt, zelfs wanneer de mensen er niet rijp voor schijnen te zijn. U denkt misschien, dat bv. de theorie van het lijdelijk verzet eerst stamt van modernere leraren als bv. de Mahatma Gandhi. Laat mij u teleurstellen. Toen de Manchous in China binnentrokken, kende men daar de waarde van het gemeenschappelijk lijdelijk verzet reeds lang. Dankzij en door dit lijdelijk verzet, maakten men van haast elke Manchou een Chinees, die meer Chinees was in denken en handelen, dan een gewone Chinees ooit is geweest. Lang voor deze tijd van de Manchous, lang zelfs voor het integreren van vele kleinere staten tot het grote rijk China, bestond deze wijze van strijd en verzet in bepaalde delen in India. Waarlijk kan men met recht stellen, dat er niets nieuws onder de zon is. Maar wat er wel is: Een nieuwe wijze om een oude kracht te gebruiken, om een oude stelling in de praktijk te brengen, een bewustere en juistere hantering van waarden, die in het verleden niet begrepen konden worden, of niet gewenst werden.

Duidt het mij niet euvel, wanneer ik vergelijkingen ga maken met uw wereld en uw dagen. Ik wil niets te kort doen aan haar deugden en bekrompenheden. Evenmin wil ik ontkennen, dat bepaalde gevaren en dreigingen wel degelijk ook in uw dagen bestaan. Maar gevaren zijn zelden zo ernstig, als men denkt, wanneer men maar positief weet te denken, wanneer men maar op weet te gaan in het goede. Zie naar het goede.

Voorbeeld: In dagen, dat ruilhandel vaak moeilijkheden met zich bracht, ontstond er een porseleinen munt. Deze werd het eerst in Kwansei gebakken, maar later in het gehele rijk gebruikt. Deze munten golden op den duur als wettige betaling tot in de Maleisische archipel, werden even graag aanvaard in de warme vlakten van Arabië en Perzië, als in de kille steppen en toendra’s van het noorden. Het denkbeeld van munten en symbolen in plaats van betaling in goederen, was al ruim 7000 jaren oud, terwijl de praktische verwerkelijking van deze gedachte eerst rond 4000 jaren geleden ontstond. Reeds eerder beschikte men over de mogelijkheid het handelsverkeer te vereenvoudigen, maar er moest eerst een ontwikkeling zijn, waardoor inderdaad deze vernieuwing voor de mensen zin had.

Voorbeeld: U denkt misschien, dat het bankwezen betrekkelijk nieuw is. Rond 1500 v. Chr. bestonden er reeds Phoenisische banken. In China bestond het z.g. duimzegel als vorm van cheque al lang voordien. De geldorder, voorzien van duimafdruk op kleitablet, meestal tussen twee stukjes samengebonden hout bewaard, bestond al 3300 v. Chr. Er is niets nieuws onder de zon, maar de mens moet eerst leren, hoe het te gebruiken. Het bankwezen van vroeger bestond op een zo persoonlijke basis, dat men het in deze vorm niet meer voor de moderne behoeften zou kunnen gebruiken, het moest verder ontwikkeld worden.

De oude filosofieën waren vaak zozeer vreemd aan alles, wat de mensheid kende of deed, dat de mensheid eerst moest groeien, vóór zij deze wijsheden kon herontdekken en leren er werkelijk iets mee te doen. In uw dagen klinken stemmen uit het meer nabije verleden die ongetwijfeld, voor u even belangrijk zijn als de woorden van de oude profeten. Ik denk hierbij aan de mens, die men Spinoza noemt, aan denkers als staatslieden als Bacon, Disraeli, aan technici en fantasten zoals da Vinci. Deze groten op hun terrein hebben in hun dagen waarheden uitgesproken en beelden geschapen, die nu pas werkelijkheid zijn geworden.

In een betrekkelijk korte tijd heeft de mens geleerd veel te gebruiken van de waarden, die hem ter beschikking staan. Is het dan niet redelijk aan te nemen, dat de mens in een hoger tempo voort zal gaan gebruik te maken van alle waarheden en mogelijkheden, die hem ter beschikking staan? De mens is eerst rijp om werkelijk te denken, zegt een oude leraar, wanneer hij geleerd heeft niet aan zichzelf te denken. Wie aan zichzelf denkt, meent wel redelijk te denken, maar in feite vertrouwt hij op zijn instincten. Dit zal in uw dagen nog net zo gelden. Gelukkig leert deze oude wijsgeer ons nog iets anders: Op het ogenblik dat wij leren onszelf te vergeten leren wij werkelijk denken en wie denkt, weet, dat de gedachte het schema of blauwdruk is – vult u zelf maar in – van de bereiking.

Er zijn vele mensen in deze dagen, die meer werkelijk leren denken. De gedachtewereld van  vele mensen is toch wel zeer goed. Daarom vraag ik u: Moeten wij nu met alle geweld reeksen van rampen aankondigen en verwachten, of mogen wij rekenen op een snellere en juistere ontwikkeling van de mensheid? U zult zeggen: Er zijn ons toch stakingen en relletjes aangekondigd? Ja, vroeger zijn er ook opstanden geweest, waren er ook relletjes, maar die zijn voorbij gegaan zonder veel werkelijke schade te berokkenen. In China kwam het voor, dat een generaal zich zelfstandig maakte, zijn troepen met rovers versterkte en een provincie van het rijk als zijn eigen vorstendom opeiste. Toch bleef het rijk bestaan. Opstanden en oproer zijn van voorbijgaande aard. U meent misschien, dat deze dingen voor u dan toch wel veel ellende met zich zullen brengen, maar zelfs dit is niet zeker.

Uit een van de klassieken – het Boek der Duizend Bespiegelingen – stamt het verhaal, dat ik u hier verkort weergeef. Een stad had haar poorten moeten openen voor een rovergeneraal. Allen, die angstig waren, verborgen hun schatten en vreesden, wat er zou gebeuren. Een enkeling was verstandig. Hij liet zijn winkel open, stalde zijn waren uit, gaf geschenken aan de autoriteiten en verkocht aan de soldaten. Hij verdiende daardoor veel. Voor het geld, dat men hem gaf, kocht hij de plunderbuit, die de soldaten met zich voerden. Daarbij was hij voorzichtig, bereid om een ieder te helpen en sprak nooit over hetgeen hij deed. Na enige tijd kwamen de regeringstroepen. Aangevuurd door hun generaals stormden zij voorwaarts achter hun tijgerschilden, braken de poorten open en verdreven de rovers. Alle burgers verborgen hun kostbaarheden en verborgen zich in hun huizen uit angst, dat zij van samenwerking met de opstandelingen zouden beschuldigd worden. Behalve de koopman. Deze koopman bood wederom rijke geschenken aan de autoriteiten aan en verkocht zijn waren aan de soldaten. Ook van deze kocht hij alles, wat zij met zich gebracht hadden. Zo werd hij steeds rijker.

Misschien klinkt dit verhaal een westerling wat vreemd in de oren en noemt deze gelijkenis onjuist. Toch kan men zich realiseren, zelfs indien men in het westen is opgegroeid, dat de koopman de juiste instelling had en zo zijn zaken beter behartigde, dan alle andere burgers  van zijn stad. Wanneer men naar een ramp verlangt, of deze vreest, zal men immers nooit juist kunnen handelen. Indien men, voorbereid op alle mogelijkheden en rekening houdende met alle omstandigheden, daaruit het beste tracht te maken, blijft men actief, kan men veel goeds doen en zal men weinig of niet lijden, onder alles wat geschiedt. Dit leert ons het verhaal van de koopman die zijn winkel openhield.

Er zijn in deze dagen vele kostbare gaven, die men verwerven kan. Al lijkt de tijd u misschien vijandig, toch ligt heel uw wereld vol schatten van gedachten en denkbeelden, die nog niet werden uitgewerkt. Denk niet, dat ik overdrijf. Liggen niet vele bureaus volgestapeld met patenten en ideeën, waarvan niemand heeft overwogen, of zij misschien toch bruikbaar zouden zijn, of er niet ergens een principe in schuilt, dat het de mens zo dadelijk misschien mogelijk zal maken zonder vele hulpmiddelen als een vogel te vliegen, of zelfs van de ene wereld naar de andere te gaan, zoals men nu van het ene dorp naar het andere trekt? Uw wereld is volgestapeld met rijkdommen van weten, denken en kracht. Stemmen uit de geest spreken in deze dagen tot u, zoals in de oudheid de orakels spraken. De mens van heden kan hiervan een bewuster en nuttiger gebruik maken, dan de mensen in de oudheid.

Maar ook nu geldt nog, evenals eens, dat men de taal van de geest, de uitspraak van het orakel, ook dient te begrijpen. Dit kan alleen, wanneer men eerst een begrip heeft voor hetgeen het orakel betekent. De gave van de toekomst en het zien van de toekomst is ook voor u ongetwijfeld bruikbaar. Er kan daarmee zeer veel worden gedaan. Gezien de laatste ontwikkelingen in de mensheid kan men daarmee zelfs zeer veel doen in zeer korte tijd. Maar, vrienden, dan moet men ook in staat zijn om zonder te vrezen voor komende rampen, of zelfs misschien daarnaar te verlangen, zijn weg te gaan. Anders maken wij het orakel slechts tot tolk van onze eigen vrees en verwachtingen. Bovendien: Alles, wat wij vrezen, plegen wij voor onszelf tot werkelijkheid te maken, alles, wat wij begeren, plegen wij over onszelf af te roepen.

Indien wij iets op de juiste wijze erkennen, daarbij de juiste weg verder gaande, wordt het ons tot middel en wapen en het maakt ons mogelijk onze werkelijkheid te beheersen.

Het is reeds 2.000 jaren geleden, dat Zhang Heng zijn planetarium bouwde. Lang geleden dus. Maar hij bouwde iets, wat tijdens de dan heersende cultuurgolf voor hem nog niet was gebouwd. Hij bouwde iets op van buitengewone kostbaarheid en betekenis. Zoals hij in zijn filosofische betogen zei over zijn werk: “Ik gevoel mij hierin gesteund door krachten, die rond mij zijn. Want zie, ik zou kunnen zeggen: Men valt mij aan…. Het is goed, dat de wetenschap van heden ineenstorten zal, maar ik weet dat ik in dit geval mede onder de puinen begraven zal zijn. Daarom, leerlingen, besloot ik mijn ideeën verder te ontwikkelen, mijn apparaten te scheppen en dit alles mede te delen, desnoods aan enkelen, opdat zij mijn werk tot rijpheid mogen brengen en zonder ondergang van alles wat betekenis heeft, eens aan de mensheid zullen kunnen overdragen.” Zhang Heng werd in zijn tijd niet geëerd of begrepen. Maar nu nog staat zijn naam, samen met de namen van enkele zijner leerlingen, op de karmozijnen vooroudertafelen geschreven met gouden letters. Zelfs de nieuwe heersers dezer dagen hebben die namen niet uitgewist. Want deze waren waarlijk grote mensen, die niet slechts wijsheid en kennis, maar ook begrip en geduld bezaten.

Ik kan mij voorstellen dat er onder u zijn die zeggen: “Maar nu wil ik toch eindelijk wel eens resultaten zien”. U zou misschien de wereld gaarne willen zien ondergaan, de golven van verwarring willen zien, waarin men dan meent, zijn gelijk bewezen te zien en misschien zelf een rustpunt kunnen vormen. Indien u de onrust verlangt, de ondergang a.h.w. ziet als een noodzaak, kunt u geen rustpunt voor anderen vormen, kunt u zich niet onttrekken aan de gevolgen van die onrust en ondergang. Indien jullie, mijne vrienden, in uzelf zoekt naar waarheid en streeft naar het goede, bereid om de vernieuwingen te ondergaan, maar nimmer zoekende naar, of verlangende naar de gewelddadige krachten, die voor u de vernieuwing tot werkelijkheid zouden moeten maken, zult u sterker, rustiger en beter zijn dan allen, die het onheil trachten te voorzien en hun dagen daaraan wijden.

Het is al heel lang geleden, dat er een schilder was, die met veel mooie karakters zijn spreuken op het lakwerk aanbracht. Hij was een meester in het aanbrengen van het dieppurperen en diepgroene lakwerk, dat zo lang de roem van China is geweest. Uit zijn handen kwamen ook de naamtafelen in glanzend groen met gouden en zilveren tekens, die het voorrecht waren van de hooggeplaatsten. Deze man vond een eenvoudige methode om het schrift af te drukken, namelijk door over de nog vochtige verf voorzichtig dunne zijde te leggen. Het was hem niet meer voldoende alleen namen en spreuken op lak te schilderen. Hij schreef in keerschrift de beroemde gedichten en wijsheden van zijn tijd op en drukt er zijde op, zo vermenigvuldigende het schone, dat nu velen als kostbaarheid in hun woningen konden plaatsen. Dit was het begin.

Kort daarop leerde China drukken met houtblokken, lang voor uw Laurens Janszoon Coster zijn bestreden uitvinding deed, of Gutenberg de geheimen van zijn meester – naar men zegt – wist te stelen. In mijn rijk drukte men reeds mededelingen en bevelen. Zelfs drukte men reeds nieuws. Alleen waren dit geen kranten, maar eerder mededelingen, die in traktaatvorm werden samengevoegd. Belangrijk was, dat men de grote waarheden van het volk neer kon leggen op het dunne papier en de rijke zijde, zodat allen, die de lettertekens konden verstaan, in de gedachten van de grootsten konden delen.

Sindsdien is er veel tijd verlopen. Voor Azië was dit een zeer belangrijke omwenteling. Zo belangrijk, dat uw eigen omwentelingen en zelfs de uitvindingen van de boekdrukkunst daarmee niet vergeleken kan worden. Want dankzij deze uitvinding was het mogelijk wijsheden en gedachten over geheel Azië te verspreiden in volkomen gelijkluidendheid. Zo kon er een eenheid van cultuur en denken ontstaan, die weliswaar later weer uiteen zou vallen, maar als overblijfsel nu nog de hoofdgedachten van de wijzen weerspiegelt in vele vormen van geloof. U kunt de oude gedachten en wijsheden terug vinden in het boeddhisme, het hindoeïsme, confucianisme en taoïsme. Al heeft men dit nimmer geheel beseft, zo werd er invloed uitgeoefend op geheel de wereld, want veel van het oosterse denken is ook naar het Westen doorgedrongen en heeft de westerse beschaving veel van haar belangrijkste mogelijkheden gegeven.

Ook in uw dagen wacht de wereld op een dergelijke gebeurtenis: Een nieuwe gedachte, een nieuwe uitvinding. De wereld van heden wacht op de komende omwenteling, zoals eens. Toen was het schijnbaar alleen een ongeluk, een vergissing. Toch vloeide daaruit het belangrijkste beschavingswerk en de belangrijkste filosofische ontwikkelingsmogelijkheid sedert de Atlantische periode voort. In uw tijd zijn er middelen. De krachten aan de hemel trekken samen.

Mogen wij dan niet verwachten, dat wederom vooral een dergelijke vernieuwing plaats zal kunnen vinden? Het verleden leert, dat vernieuwingen ook plaats kunnen vinden zonder algehele ondergang, zonder overheersing van de chaos. De werkelijke belangrijke vernieuwingen schijnen in deze wereld binnen te sluipen als op poezevoeten, onhoorbaar, niet bemerkt, behalve door de scherpe opmerkers. Toch beslissen dergelijke vernieuwingen over het lot van gehele naties, gehele werelddelen.

Laat ons dan positief denken, vrienden. De positieve gedachte is nimmer: “Er zal veel teloor gaan”. De positieve gedachte stelt steeds weer: “Er zal veel gewonnen worden”. De astrologen onder u roepen nu natuurlijk uit: “Ja, maar zovele planeten in één teken wijzen toch wel op bijzondere gebeurtenissen. Zij wijzen op Jupiter, de Machtige, met naast zich zijn beulsknecht: Saturnus, en vragen zich af, welke rampen dit wel niet moet betekenen. Vrienden, hoe lang is het al geleden, dat de mensheid leerde: “In wie het kwade niet woont, kan door het kwade niet worden aangetast”? Wat kan Saturnus u doen, wanneer in u geen kwaad woont? Wat kan Jupiter u beheersen, wanneer u in uzelf van uzelf en uw God bewust bent? Wat kan Mercurius u dwingen tot zakelijk denken en gebondenheid aan de materie, wanneer in u een hoger bewustzijn bestaat? Wat kan Mars u krijgszuchtig maken, wanneer u in u de vrede kent van de ware God? Ik weet wel, dat het mogelijk is, dat vreemde dingen gebeuren, maar noodzakelijk is dit zeker niet. Daar waar het goede leeft, sprak een oude meester, zal het goede weer geboren worden. Wee de mens, die meent, dat het werkelijk goede uit chaos geboren kan worden en het in de chaos zoekt te verwerven, want hij zelf zal tot kind van de chaos worden. Het goede zal voor hem onbereikbaar blijken te zijn.

Besef, wat dit werkelijk betekent. Alles, wat u tegenwoordig met zoveel trots verkondigt, is al vroeger verteld. Tegenwoordig spreekt u van bacillen en virussen. Vroeger sprak men van de kleine boosaardige wezens, die ongezien door het lichaam gingen om daar verval en dood te veroorzaken. Is het verschil zo groot? Maar het was uw tijd, die de bacillus kon zien en met stoffelijke middelen het virus kenbaar kon maken, omdat uw tijd daar de middelen voor heeft.

De geest kende dit al lang. De geest van de mensheid kent in deze dagen nog iets anders, dat in de gedachtewereld wordt uitgedrukt: De behoefte aan werkelijke vrede, aan werkelijke rust, het innig verlangen naar een geestelijke vrijheid, een verlangen om alleen nog – zonder daarom ongebonden te zijn – de door het ik gewilde lasten en banden te moeten aanvaarden. De beelden daarvan zijn geestelijk opgebouwd op duizend wijzen. In het verleden hebben wijsgeren reeds hierover gesproken, mystici hebben op hun wijze deze waarden benaderd. Augustinus deed het op zijn wijze, Thomas van Aquino, Thomas a Kempis brachten hun eigen visie. Pausen hebben hun denkbeelden hierover vastgelegd in encyclieken, politici hebben hun oplossing en hun wensen in hun levensbeschrijvingen en politieke testamenten verwerkt. De gedachte is sterk.

Vreemd genoeg heeft men in het westen langere tijd de opvatting gehuldigd, dat de rede een stoffelijke Godin moet zijn, een Godin van het Kenbare. Daarnaast verlangt het westen een contact te vinden met de Goden van het Onstoffelijke. Klinkt het dan zo vreemd, wanneer ik stel, dat niet oorlog en geweld, maar vooral de mogelijkheid van de hedendaagse mens om zowel op het terrein van de rede als dat van het supranormale door te dringen, de werkelijke omwenteling inhouden? U droomt van een aarde, die beeft, van vulkanen, die hun rode gloed uitbraken en mensenhorden, die – opgehitst tot broedermoord – door de straten gaan. Misschien dat iets daarvan op enkele plaatsen ook gebeuren zal, wie weet. Maar is dit het belangrijkst?

Deze dingen zijn ten hoogste voorbijgaande gebeurtenissen, die geblust worden door de stijgende vloed der tijd, voor iemand hun werkelijke betekenis kan beseffen. Wat er geestelijk bloeit, wat er in het heden aan oude gedachten opnieuw en concreter geuit wordt, is zeer belangrijk: “De nacht komt langs de hemel geslopen en ontsteekt met aarzeling in het opalen duister de sterren. Nauwelijks is hij – zacht en onhoorbaar – heen gegaan, of met een vlammend zwaard veegt reeds de dag weer de sterren van de hemel en maakt de koepel schoon voor het rijzen der zon. De aarde kent deze dingen wel, maar blijft toch onberoerd.”

Ik ontleen dit beeld aan een klassieke dichter, al klinkt het in mijn vertaling niet zo schoon als hij het eens heeft neergeschreven. Alles, wat gebeurt, alle verandering gaat langzaam, omdat degenen, die er in leven, alleen de kleine dingen zien, maar niet de grote. Men droomt vaak van dingen, die in de toekomst moeten gebeuren en bemerkt niet eens, dat zij zich grotendeels reeds voltrokken hebben. Wat is er in uw dagen al niet gebeurd, vrienden? Hoe groot zijn niet de wijzigingen, die de laatste 15 à 20 jaar op uw aarde tot stand werden gebracht? Hoe is het denken van de mensheid in die korte tijd niet gewijzigd? Hoe is zijn streven veranderd? Hoe sterk veranderden niet zijn technische middelen en mogelijkheden, de leerstof, die hij gebruikt.

Hoe is zijn eigen denken en zijn eigen angst niet gewijzigd? U kunt op al deze vragen nu nog geen waar antwoord geven. Eerst veel later zal het de mens mogelijk zijn te zeggen, hoe snel en gewelddadig deze omwenteling zich heeft voltrokken. Voor u lijkt het de ‘Aldag’.

Deze dagen zijn overigens als het beeld van de hemel kort voor het opkomen van de zon, de sterren fonkelen kil en vijandig, de angst trekt als een kou over de aarde. De kilte van de valse morgenschemer hangt rond u. Nu komt er een kort ogenblik van diep duister, waarin de mensheid zich zal dompelen. Niet een diep duister van rampen, maar een duister van spanningen en gedachten, die de mens niet kan verwerken. Zo gaat het de mens ook aan het einde van de nacht, wanneer de angsten en de verwachtingen oneindig schijnen. Maar voor men het zich realiseert, hebben reeds het eerste stralen van de zon de eerste sterren gedoofd en herleeft de wereld tot warmte en licht. Vrees niet teveel, want het valse duister is kort en onbelangrijk. De komende tijd is lichtend en sterk. Wie denkt aan rampen, of denkt aan de stoffelijke verschijnselen, die niet veel zullen betekenen en snel voorbij zullen gaan, wanneer hij de lichtende schoonheid ziet van een wereld, die onder de stralende kracht van een nieuwe heerser tot schoonheid en nieuwe ideeën ontwaakt?

In enkele honderden jaren kan de mensheid zich wijzigen, tot zij beheerst wordt door een totaal nieuw begrip en zal zij geheel nieuwe mogelijkheden en middelen vinden. Het zal zijn als in de dagen, dat het eerste schrift het mogelijk maakte voor het eerst in het geheim en nauwkeurig woorden te zenden, desnoods maanden ver, over zee en land. Vergelijk het gebeuren met uw eerste radio, een wonder, dat gesproken woorden door de ruimte kon slingeren, of zelfs nog voordien fluittonen door de ruimte deed fluisteren om hun geheimzinnige boodschappen over te brengen. Hoe kort is het niet geleden, dat het eerste experiment gedaan werd? Hoe vervuld is nu uw atmosfeer al niet van muziek en woorden, van noodroepen en zakelijke berichten, afspraken en beloften? Denk er eens over na, hoeveel er in korte tijd is veranderd. Denk er eens over na, hoe plotseling deze verandering van een afstand moet lijken en realiseer u, hoe haast onmerkbaar en geleidelijk dit voor u toch nog is gegaan. Zeg dan tot uzelf: wat zou ik vrezen?

Toen eens, ongeveer 700 n. Chr. Tartaren het Rijk bestormden, provincie na provincie door rennend op hun kleine paarden, alles leeg rovend, slaven makend, riep men weemoedig uit: Nu valt het Hemelse Rijk uiteen! Hier is de ondergang! De profeten spraken: Jullie allen zullen uit moeten wijken naar de wildernis en tot dieren worden, of in slavernij sterven. Eens zullen degenen, die na ons komen, misschien weer tot beschaafde mensen worden… De golf van de ruiters op hun kleine paarden duurde drie maal vijf jaren. Maar in die drie maal vijf jaren stierven er minder mensen, dan in uw wereld per dag, gerekend over geheel de wereld, door geweld. Wat groot leek was onbelangrijk en klein. De branden, die de ruiters stichtten in vele dorpen en steden, deden in vijftien jaren minder teloor gaan, dan de branden op de wereld in uw tijd gedurende drie dagen. Voor u zijn deze toestanden normaal. Verkeersslachtoffers vallen nu eenmaal, het is jammer, maar het is zo. Dat er doden vallen overal, is betreurenswaardig, maar u zult er geen ogenblik minder rustig of gelukkig om zijn. Branden breken uit en schepen vergaan, die meer waarde hebben dan vroeger gehele steden. U vindt het jammer, maar onderbreekt uw leven daarvoor niet en zegt niet dat de wereld nu wel zeker zal vergaan. Vroeger meenden men dit om verschijnselen, waar u nu om lacht.

U vreest de wereldondergang, omdat u – evenals de mensen vroeger – de juiste verhoudingen en werkingen, de mogelijkheden, niet beseft. Vroeger vreesde de mens over geheel de wereld de kleine Mongoolse ruiters op hun ruige paardjes, nu vreest men het atoomgevaar. De wereld bestaat voort… Zeg nu niet, dat er een zo groot verschil is tussen een atoombom en een speer.

Want voor een enkele mens maakt het weinig uit, door welk geweld hij sterft, het maakt weinig verschil uit, of dit geschiedt door de explosie van een atoombom, of door een kolkende vloed van stuwende wateren, dan wel door een speer, zwaard, of door een kogel. U vreest misschien, dat geheel de wereld er aan zal gaan? Dat meende men toen ook, omdat deze Mongoolse horden met hun nomadengebruiken, eveneens het einde schenen te voorspellen van alles, wat men kende. De wereld is verder gegaan. Reeds vijftig jaar na de laatste overval schreven de dichters weer als vanouds hun lofliederen, die de macht van de keizer roemden en zijn overwinningen op de draken van de vier winden. Zoals vroeger spraken zij over de duistere rode draak, die in het verborgene loert en de witte draak, die de dag brengt aan de hemel. Zij waren reeds vergeten, dat hun wereld veranderd was.

Vrienden, ik verstout mij hier u lessen te geven die reeds lang bekend zijn, of – erger nog – u te vervelen. Wat in het verleden was, is ook heden. Want de mens is nog niet zoveel veranderd.

Dat, wat hij nu profeteert, heeft hij in het verleden geprofeteerd, dat, wat hij in het verleden vreesde, vreest hij ook nu. Er verandert zo weinig en men leeft nog steeds in een waan. Uw gedachten kunnen de ondergang zijn, omdat u vernietiging verwacht. Dan zal er voor u een vernietiging ontstaan. Maar alleen voor u, ook wanneer u zich misschien toch onaantastbaar meende in de vernietiging, die – volgens u – alleen anderen zou moeten treffen. Zij, die niet aan ondergang geloven, die voortgaan met positief leven en denken, dienen de grote en goede vernieuwing. Het zijn nooit degenen geweest, die vrezen voor consequenties en mogelijke rampen, die op aarde werkelijk iets bereikten. De denkers en filosofen, die een vernieuwing dorsten te aanvaarden en te geven, hebben veel bereikt. De strijders, die een risico dorsten te nemen, hebben veel bereikt. Dat, wat niet aan het oude gebonden is, is waardevol. Maar wat gebonden is, of was, aan een vrees voor verlies en de ondergang van het oude, is immer waardeloos gebleven. Waar zijn de koningen en edelen gebleven, die vreesden voor hun volk?

Zij bestaan niet meer. Waar zijn de vorsten, die meenden zich tegen blanken te moeten verzetten met wreedheid en geheime bonden? Hun verboden steden zijn tot speeltuin geworden voor een vrijer volk, dat zij niet meer als het hunne zouden herkennen. Door hun angst zijn zij vergaan.

Altijd blijft dit waar: Door angst kan de mens vergaan, maar nimmer zal hij ten onder gaan door zijn geloof in het goede. Wat u vreest, is nimmer zo ernstig, als u denkt. Wat u ziet in uw dromen, is misschien maar ten dele waar. Wees niet angstig, maar leef en handel volgens de nieuwe tijd, dan zult u zien, dat uw samenkomst van planeten, uw fatale jaar 1963 voor u alleen een verandering inhoudt, die u eerst beseft en erkennen kunt, wanneer u veel later terug ziet op dagen, die u toen zo gewoon en normaal leken. Niet het geweld, dat u uit het leven wegrukt, of als hulpeloze vreemdeling in chaos en wildernis achterlaat, is het gebeuren van de toekomst, maar de werkelijke vernieuwing, die slechts doodt, wat vreest voor het nieuwe. Het verleden heeft vaak verandering gevreesd en ging aan deze vrees ten onder. Zoals Japan ten onder ging aan zijn vrees voor de blanken, maar nu het de blanken niet meer vreest, groter en machtiger begint te worden zonder de vrees door geweld te moeten onder gaan, als voor enkele jaren.

Indien u vreest, wat komen gaat, zult u klein zijn en onmachtig. Door uw angsten zelf zult u niet meer kunnen leven en ademen en zo ten onder worden gebracht. U zult niet meer weten, hoe te gaan en te denken en uw wereld rond u in puin zien vallen. Uw wereld, niet dé wereld! Indien u durft aanvaarden, wat deze nieuwe tijd brengt, zo is dit alles voor u niet aanwezig. Dan is er het nieuwe, het belangwekkende element in alle dagen, tot u langzaam aangepast bent aan het nieuwe, en verandert zonder zelf te beseffen hoe zelfs. Maar ook wetend: Ik werk mee aan iets, wat ik niet ten volle besef. Ik ben niet gebonden aan een bepaalde limiet. Er zullen door mijn gebondenheid geen rampen gebeuren. Ik wil vrij blijven van de waan, die zegt, dat alles zinloos is, want zo dadelijk is alles voorbij… Voortdurend werkend en strevend zal ik bereiken en – terugblikken op de verrichte arbeid – uitroepen: Hoe ver ben ik in korte tijd gestegen.

Positiviteit van denken, vrienden, is het belangrijkste, wat er in uw dagen voor u kan bestaan.

Binnenkort komt Kerstmis, de tijd, waarin u denkt aan vrede op aarde, aan naastenliefde, waarin voor u de Christusgeest kenbaar wordt op een voor het christendom aanvaardbare wijze.

Daarom verstout ik mij u aan te raden: Maak ruim gebruik van de positieve mogelijkheden van deze tijd en gebruik de kracht, welke u nu uit gewoonten en geloof kunt putten, om niet meer negatief te zijn, niet meer te vrezen… Indien u zo handelt, zult u met mij zeggen: Wat in het oude was, is ook heden, zoals in de oudheid, is de angst ondergegaan in eigen angst, maar zie, wij hebben onze angst overwonnen en verlangen niet naar ondergang en dood, omdat wij weten, dat het goed is te streven, zoals wij zijn, vernieuwend onszelf uit de kracht rond ons.

Hiermee, vrienden, beëindig ik mijn betoog. De enige vraag, die u zou kunnen stellen, luidt: “Hoe kunt u trachten ons tot een dergelijk optimisme over te halen?” Ook al is zij niet uitgesproken, zo wil ik haar toch voor alle zekerheid beantwoorden. Ik tracht u niet tot optimisme over te halen, maar ik wil u de werkelijkheid laten zien.

Wanneer u droomt van geweld en gewelddadige veranderingen, zo is dit in negen van de tien gevallen het gevolg van het feit, dat u zich machteloos voelt om uzelf te veranderen en zelf het goede te brengen. Wanneer u vreest voor ondergang van uw wereld, is dit, omdat u weet zelf op en tegenover die wereld te kort te schieten. Is het goed bij deze negatieve aspecten van uw leven neer te zitten in droevig overpeinzen? Is het goed u in de kelders van uw onvermogen te verbergen voor de rampen, die u over uzelf afroept? Is het niet beter om dát, wat u in gedachten optimisme noemde, maar wat door mij positief denken genoemd werd, te gebruiken om bewust actief te zijn en zo de langzame verandering te aanvaarden, die haast ongemerkt plaats vindt, maar dan ook onophoudbaar voortgaat? Deze invloed, die in deze dagen sterker en sterker wordt, kunt u alleen op positieve wijze verwerken. Bekommer u niet om mogelijke rampen en andere onaanvaardbare mogelijkheden. Bedenk, dat, zo deze dingen al zouden gebeuren, zij toch altijd op een andere wijze plaats zullen vinden, dan u ze verwachtte. Het heeft geen zin daaraan de aandacht te wijden, die voor positievere dingen noodzakelijk is. Het is beter te werken, terwijl het dag is, dan dag en nacht te dromen over alles wat men zal gaan doen, wanneer eenmaal de nacht is uitgeblust en de dag lichtend over de aarde regeert. Vrees niet en u zal niets geschieden, dat niet voor uw bewustwording vruchtbaar is.

Esoterie

Bij mijn beschouwing op het gebied van de esoterie ga ik voor heden uit van het feit, dat innerlijke bewustwording in feite een proces van voortdurende herhaling is. Er is geen sprake van een door geheel het wezen voortdurend volgehouden stijgende ontwikkeling van het ik. De mens bereikt een punt van geestelijk bewustzijn, waarop hij zich naar een lager niveau van beleven en bewustzijn terug trekt om even op adem te komen. De mens moet steeds weer gewennen aan wat hij in zichzelf geestelijk, ook omtrent zichzelf, beseft.

Vergelijk: Bergbeklimmers die zeer hoge toppen beklimmen zonder zuurstofapparaat, verblijven in een basiskamp. Van daaruit maken zij tochten naar boven toe, waar een tweede basiskamp wordt opgericht, en dagelijks, tot het eerste kamp terugkerende. Eerst daarna betrekken zij permanent het tweede kamp om zo een derde op te bouwen. Daardoor gewennen zij zich aan het verblijven op grotere hoogten, terwijl dan vanuit het laatste basiskamp een met succes volbrengen van de beklimming waarschijnlijker wordt. Natuurlijk zijn geestelijke bewustwording en zelfkennis schatten van zeer grote waarde. Wij kunnen de innerlijke ervaringen en ontdekkingen nooit tot een werkelijk deel van ons wezen maken, wanneer wij menen, steeds maar weer verder te moeten gaan en de praktijk menen te kunnen verwaarlozen.

Zonder oefening ontstaat al snel een innerlijke waarde, die niet meer geuit kan worden. Toch moet men leven. Daarom gaat men over tot een splitsen van uiterlijk en innerlijk bestaan. Men kan het dan innerlijk erg hoog zoeken, terwijl men uiterlijk nog maar op een zeer laag vlak verder leeft. De ervaringen, die men opdoet, passen dan niet meer in het innerlijk concept omtrent eigen wezen. De mens schept zich een waanwereld om aan de verwarring te ontkomen en verdwaalt a.h.w. in zichzelf.

Mijns inziens dient de mens regelmatig tijd de besteden aan innerlijk zoeken naar zichzelf, zijn eigen ware wezen. Van daar dient men terug te keren naar de stoffelijke – of voertuigelijke – praktijk van het ogenblik. Wij trachten deze praktijk in overeenstemming te brengen met ons innerlijk weten, ons ideaal. Daarbij erkennen wij, dat het wel niet mogelijk zal zijn dit ideaal geheel te verwerkelijken. De ervaringen, die wij nu opdoen, voortkomende dus uit dit streven, zijn voldoende aangepast aan onze innerlijke ontwikkeling om verder te gaan zonder noodzaak uit de wijken in waan.

Er zijn twee groepen van esoterici. De ene stelt, dat men eerst zijn eigen bewustwording na dient te streven, zich afsluitende van de mensheid, om later – als eens Nietsches Zarathustra – af te dalen om de mens na bereiking ook deel te doen hebben aan eigen Licht. Wat deze denkers zich niet afvragen: Of het Licht, dat men van een zo grote hoogte tot de mensheid zal gaan brengen – gesteld, dat men het eerst voor zichzelf bereikt heeft – dan nog op een zodanige wijze gebracht kan worden, dat het voor anderen aanvaardbaar is. Bovendien, men vervreemdt van de maatschappij, is “out of the running”. Het zal veel tijd vergen om weer bij te komen. Je kunt nu eenmaal niet bij blijven in je eigen wereld, wanneer je van alle dingen afstand blijft nemen.

De theorie is mooi en wel mogelijk, maar praktisch zijn deze dingen niet te volbrengen. Zelfs de geest, die vrijer is in haar wereldbeleving en deze gemakkelijker aan de juiste fase van bewustwording aan kan passen dan de mens, zal tijdens haar bewustwording steeds actief blijven. Een geest leert gelijktijdig opgaan naar een hogere en lichtere sfeer en te werken in een beneden haar liggende sfeer. Zij doet dit uit vrije wil, omdat zij wel beseft, dat alleen op deze wijze het juiste evenwicht gevonden kan worden. Alleen op deze manier kan de geest de nodige ervaringen opdoen, waardoor zij de verkregen kennis, uiterlijk zowel als innerlijk, verwerken kan. Het lijkt mij logisch te stellen, dat de esotericus, die alleen innerlijk esoterisch streeft, in menselijke vorm weinig kans van slagen heeft.

De andere groep gaat er van uit, dat men de tegenstellingen moet zoeken en niet terug mag schrikken voor meer stoffelijke dingen. Dit laatste schokt menig vroom mens. Zo iemand kan nu eenmaal niet begrijpen, dat bij een juiste bewustwording het meest sacrale gevolgd kan worden door het meest banale en omgekeerd. Hierin zien de vromen een lichtzinnigheid. Zij vergeten daarbij één ding: Wanneer ik mijzelf niet durf zijn, zal ik mijzelf ook nooit kunnen leren beheersen of kennen. Verder ziet men vaak over het hoofd, dat men God nimmer kan manifesteren op een Goddelijk niveau, wanneer het om mensen gaat. Men dient dit op een menselijk niveau te doen.

Daarom stelt deze tweede groep: Is het noodzakelijk te zoeken naar een voortdurende wisseling van waarden en belevingen, innerlijk zowel als uiterlijk, waardoor het ik juist tot uiting komt, ik ben het met hun stelling eens. De mens dankt zijn werkelijke geestelijke vooruitgang grotendeels aan zijn versatiliteit, wanneer hij het innerlijke pad heeft gekozen.

De basis van alle esoterische ontwikkelingen is gelijk. Er is een bepaald beginsel, dat innerlijk zowel als uiterlijk te verwerkelijken is. Vandaar dient men uit te gaan en tracht het beginsel, dat men als juist erkend heeft, in zich steeds vollediger te erkennen en te beleven, terwijl men zichzelf duidelijker tracht te zien, zoals men werkelijk is. Men uit dit alles en zet het zoveel mogelijk om in daden.

Vraag u steeds af: Wat kan ik doen? Wat wil ik doen? Hoe kan ik gelijktijdig geestelijk en stoffelijk een zo groot mogelijk gevoel van verbondenheid bereiken met zoveel mogelijk mensen en mijn God? Hoe kan ik dit op aarde uitdrukken? Dit brengt ons tot het beoefenen van de naastenliefde als een vorm van vrijwillige dienstbaarheid aan de medemensen, die tevens berust op een juist begrip voor de naaste. Tracht daarom niet alleen uzelf te kennen, maar tracht tevens zoveel mogelijk het ik van anderen te begrijpen, toestanden en mogelijkheden te overzien. Omstandigheden en noodzaken wisselen en kunnen niet voortdurend beantwoorden aan de gangbare voorstelling van het mooie hoog-geestelijke. De praktijk is en blijft volgens mij steeds bepalend.

Conclusie: Het zijn niet uw woorden en theorieën, maar uw daden, die uit zullen maken, wat u voor uw naaste kunt betekenen. Wie alleen in woorden hoogheid en schoonheid kent, wie deze dingen alleen innerlijk zoekt, maar weigert deze in daden om te zetten, doet beter zich niet te vermoeien met allerhande gedachten en overwegingen, die voor hem geen enkele werkelijke en blijvende waarde hebben.

Het beginpunt in deze groep is de verdraagzaamheid. Ook voor de esoterici. Wanneer men in staat is zich te beheersen, anderen te verdragen, passief te zijn waar voor het ik geen onmiddellijke noodzaak tot handelen wordt ontdekt – een uit het innerlijk wezen en denken voortvloeiende noodzakelijkheid – zal men anderen zoveel mogelijk vrijheid laten en voor hen geen beslissingen nemen. Daardoor is er geen gevaar, dat men door eigen handelen en streven anderen in de onmogelijkheid doet verkeren het voor hen noodzakelijke of ideale te bereiken.

Wie verdraagzaam is en toch zijn medemensen beschouwt, leert hen begrijpen en liefhebben. Wie zijn naaste lief heeft, gevoelt zich met deze één en zal die naasten ook beschouwen als deel van eigen leven. De eigen kosmos en wereld worden groter daardoor, waardoor het gemakkelijker wordt het eigen ik op onbevooroordeelde wijze te beschouwen en te leren kennen. Wie niet op zijn naasten let en hen niet de vrijheid gunt, die hen toekomt, zal blijven steken in een moeras van verwijten aan zich en anderen gedaan over kleine en eigenlijk onbelangrijke fouten. Wie zo leeft, zal ook bewust en daadwerkelijk zijn ingeschapen taak kunnen vervullen binnen de Schepping en zo doordringen tot de Goddelijke werkelijkheid, zichzelf, zijn Schepper en het Zijnde kennende in volkomenheid.

Motto

Niet, wat ik denk, is waar, en niet, wat ik geloof, is waar, maar dat, wat ik ervaren kan, wanneer ik het beste doe, het beste verwacht, het beste zoek, is waar. Want door mij wordt dit waar, en is het een waarheid, die ik in mijzelf ken. Uit deze waarheid wordt mij de waarheid geopenbaard, niet slechts van mijn wezen, maar van de Kracht, die alles voortbrengt.

image_pdf