Positivisme

 12 januari 1981

Inleiding

De gastspreker is deze keer een Romeins vrijgelatene van Griekse afkomst, datering ongeveer 82 voor Christus. Zijn specialiteit is : lezen, schrijven, rekenen en onderwijs geven. Hij is een heel goed handelsman en daarnaast kennelijk ook een redelijk groot filosoof. Hij heeft zich op latere leeftijd aangesloten bij de Kanï, een soort heidense Franciscanen en is behoorlijk hoog gestegen. Zijn eigen visie is vanuit ons standpunt vooral te vertalen met positivisme.

Hij zegt b.v. : “Als het donker is dan weet je in ieder geval dat het niet erger kan worden, maar er kan wel ergens een lichtje aangaan.”

Wat ik daarover moet vertellen, is voor mij een beetje moeilijk. Wanneer je de aarde zo beziet, is het soms heel erg moeilijk om erg positief te zijn. Maar natuurlijk zijn er altijd weer ontwikkelingen, krachten en zaken waarvan je kunt zeggen dat die toch wel een positieve betekenis hebben, ook wanneer de mensen dat vaak als meer negatief ervaren.

Om jullie een voorbeeld te geven : We zitten met een aantal steeds sterker wordende golven van wit licht die bijna het hele komende jaar gaan doorlopen en die worden afgewisseld met rood, blauw en noem maar op aan kleuren. Maar het witte licht op zichzelf is een kracht die alles helder doet zien, maar die ook tegenstellingen sterker maakt; die in de mensen een zekere vrede en behoefte tot gelijk veroorzaakt.

Het zijn zaken waarvan je kunt zeggen dat het op de wereld niet veel prettiger zal worden gedurende deze periode, maar dat ligt natuurlijk voor een groot gedeelte aan jezelf. Misschien speelt dat bij onze gast als oude filosoof van de Kaniï “niets is belangrijk buiten het bestaan en het erkennen van het bestaan” een grote rol.

In ieder geval is zijn visie op de wereld als volgt : ‘Wanneer je benen pijn doen, dan moet je toch blij zijn wanneer je ziet dat je dichter bij de eindstreep komt’. Onze visie is over het algemeen : ‘Als je pijn in je benen krijgt, dan zul je blij zijn wanneer je er een tijdje bij kan gaan zitten’. Dat is een verschil in benadering. De een legt de nadruk op de pijn, de ander op de mogelijkheid.

Ik heb geprobeerd om vanuit mijzelf het een en ander hieromtrent te overwegen en te overdenken.

In alle dingen zit natuurlijk een positieve en een negatieve kant. Zelfs het meest positieve kan negatieve kanten hebben en omgekeerd. De grote moeilijkheid voor ons is dat wij altijd – vanuit onszelf alleen oordelende – komen tot een erkenning van de resultaten voor onszelf. En die resultaten willen we dan nog verwerpen of eventueel voorkomen. Dat kan nu eenmaal niet altijd.

Wanneer we de zaak geestelijk zien, dan is bij incarnatie en reïncarnatie bijvoorbeeld het meest belangrijke dat je een geestelijk evenwicht bezit of dat je het verwerft. Dus niét – zoals de mensen denken – dat je je karma uitboet. (Dat komt wel.) Wel : dat je evenwicht vindt; dat je een taak vindt die je past; dat je die taak vervult op een wijze die voor jou gepast is. Dit kan vanuit het standpunt van iemand die zegt : “maar je moet verder komen”, een beetje negatief lijken. Maar eigenlijk voldoe je dan aan de eisen van het geestelijk bestaan.

De eisen van het geestelijk bestaan zijn juist – zoals jullie waarschijnlijk wel weten – : vind een innerlijk evenwicht. Blijf het handhaven en leer je eigen besef van de wereld uit te breiden tot ver buiten jezelf. Daar komt het eigenlijk op neer. En wanneer je daarmee bezig bent, zijn de gebeurtenissen niet zo belangrijk, maar alleen datgene wat ze voor jou veroorzaken.

Een voorbeeld dat een beetje actueel is, is de kwestie van de werkgelegenheid. Werkgelegenheid bestaat niet of te weinig omdat de mensen, die zouden moeten werken, te hoge eisen stellen aan hetgeen als vergoeding voor het werk moet worden gegeven en bovendien te hoge eisen stellen aan de kwaliteit van het werk in overeenstemming met hun eigen inzichten en behoeften. Wanneer je dat weg laat vallen, is er wel voldoende werkgelegenheid.

De positieve benadering is : “ik kan altijd nog wel iets doen wat de moeite waard is.” De negatieve : “ik word niet gewaardeerd naar verdienste.”

Tussen die twee uitersten zijn natuurlijk heel wat variaties mogelijk. Ik heb hier twee uitersten genomen om duidelijk te maken dat je een situatie op heel verschillende manieren kunt waarderen. Heel vaak zeggen mensen : “Ik was belangrijk en nu ben ik het niet meer.” Belangrijk ben je alleen in je eigen ogen.

Als je niet belangrijk bent in je eigen ogen dan ben je vaak in staat om voor anderen veel belangrijker te worden, want dan ben je namelijk in staat rekening te houden met anderen en te luisteren naar die anderen. Wanneer je dat geestelijk vertaalt, is het al precies hetzelfde.

Wanneer je meent dat je het ver hebt gebracht, ben je niet geneigd tot luisteren. Je doet dan een groot aantal contacten af als eigenlijk beneden je waardigheid. Het is wel leuk, maar nou ja… Heb je echter het gevoel dat je zelf nog niet zover gevorderd bent, dan wil je met iedereen spreken en wil je met iedereen contact opnemen.

En wanneer je in een wereldje in de geest terecht zou komen (ik geef maar een voorbeeld) van verlichte en daardoor in het wit geklede kakkerlakken, dan zal je eerbiedig zeggen : “Ik vind het prettig om hier te zijn.” Maar dan kan je ook delen in de kracht die ze hebben. Je kan dan bij hen weer de weg vinden die je verder moet gaan. Terwijl iemand zegt : “O, dat zijn maar kakkerlakken”, en doorloopt, automatisch zichzelf de mogelijkheid ontneemt om de meest juiste weg verder te volgen.

Het is natuurlijk krankzinnig als je het zo zegt : heilig verklaarde kakkerlakken. Waar heb je die ? Niet bij de mensen. Er zijn wel kakkerlakken bij de mensen, maar geen heilig verklaarde.

Het wordt een beetje moeilijk wanneer je te veel van jezelf overtuigd bent. Aan de andere kant moet je zeker zijn van jezelf. Want iemand die niet zeker is van zichzelf, laat zich door iedereen leiden. En je weet het; iemand die zich laat leiden, zal er onder moeten lijden. Ook een beetje fout in jullie wereld misschien, waar men wél houdt van leiders.

Je moet gewoon proberen het zo te zien : Wanneer wij zelfverzekerd zijn, behoeven we nog niet te komen tot een overwaardering van onszelf. Wat we zijn, daar staan we voor. We zeggen niet : dat is iets bijzonders; maar gewoon : dat is een norm waaraan we beantwoorden. En alle anderen die iets bezitten wat niet binnen die norm valt, zijn voor mij belangrijk.

Wanneer je te maken krijgt met hele hoge geesten, of liever met bewustzijnsontwikkelingen als die van een lichtende zon, terwijl b.v. ik zelf hoogstens een kaarsepitje ben, dan valt op, dat juist die zeer hoge geesten vaak zeer eenvoudig zijn. Het is alsof ze door de uitbreiding van hun bewustzijn een beetje minder overtuigd zijn van het laag zijn van een ander. Of dat ze veel meer een ieder toch op een voet van gelijkheid proberen te ontmoeten.

Ik dacht dat dat een heel belangrijk punt is, want onze geestelijke bewustwording ligt juist in ons vermogen tot het in ons opnemen – assimileren zou je misschien kunnen zeggen – van al datgene wat in de wereld bestaat en voor ons belangrijk kan zijn. Maar op het ogenblik dat wij een bepaalde norm gaan stellen schuiven wij automatisch een deel van dat leven van ons af. De onevenwichtigheid die daar het gevolg van is, zullen we dan later weer moeten verwerken.

Het positivisme heeft dus wel degelijk zin, dacht ik, omdat je juist uitgaande van het standpunt dat overal iets goeds in is, overal zoekt naar het goede. Zelfs naar datgene wat misschien beter is dan je zelf bent. Daardoor verrijk je jezelf met voortdurend meer kennis. Je vindt overal weer een balans, een evenwicht, wanneer de ervaringen van je wereld je misschien een beetje in de war gooien. En daar heb je iets waar je –

De gastspreker is gekozen als onderdeel van een poging om de mens te leren in het kwade ook het goede te zoeken en te vinden; om de mens te leren om in het goede ook de bedenkelijke kant, het eventuele kwade te beseffen. Deze gastspreker is vanuit zijn standpunt zeer zeker in staat om ook voor jullie een positieve houding uit te drukken. Alleen, wat is de kracht die er achter schuilt ? En dan moet ik toch een beetje ingewikkelder worden.

Wanneer we te maken hebben met de oerkracht, dan is die niet te onderscheiden in licht en duister, in goed en kwaad; in waardevol en niet waardevol. Het werkelijke bestaande ís. Vandaar dat in de bijbel staat : “Ik ben die ben, zegt de Heer uwe God.” Het is de kern waar we uit zijn voortgekomen, maar het is ook de kern waarnaar we terug moeten.

Hoe meer wij verschillen gaan maken en onderscheid gaan zoeken, hoe verder we van de basis af komen. Hoe minder wij eigenlijk proberen onderscheid te maken tussen goed en kwaad, maar proberen in alles de kracht te erkennen die behoort tot de God die in ons woont, hoe evenwichtiger we opgroeien. Maar gelijktijdig hoe dichter we weer komen bij de oerkracht waaruit we zijn geboren.

Alle werelden van de geest – en dat zijn er nogal wat – zijn in feite eenzijdigheden. Een vriend van me zei kort geleden : Dat is eigenlijk niet veel anders dan een hallucinatie. Een geestelijke sfeer is een gedachtenwereld.

Hoe komt het nu dat er zo veel van die werelden zijn die eenzijdig en vervelend worden ? Dat er werelden zijn die zo negatief zijn en zo duister ?

Hoe komt het dat er mensen in een schaduwland rondlopen, terwijl alleen één verandering in hun bewustzijn hen in het volle licht zou plaatsen ?

Dat kun je niet beantwoorden door te zeggen : “Dat is de wil Gods.” Het is natuurlijk wel leuk. Het is een heerlijke dooddoener. Maar wat je nodig hebt, is het begrip waarom het is …. Omdat zij eenzijdig zijn !

Ik heb ook in sferen geleefd, sferen met vorm. Ik ben er langzaam maar zeker uitgegroeid. Dat ik in die sfeer was, kwam voort uit mijn eenzijdigheid, niet uit mijn veelzijdigheid. Het kwam voort uit mijn Oost-Indisch doof en blind zijn voor een aantal van de meest belangrijke waarden in de kosmos. Daardoor moest ik in een wereld leven waarin de illusie eigenlijk overheersend was en waarin de werkelijkheid zo ver op de achtergrond stond, dat ik haar soms niet eens kon vinden.

Ik denk dat dat ook bij jullie vaak het geval is. Jullie leven in een wereld waarin je naar enkele dingen kijkt, niet naar alles. Daardoor worden jullie vanzelf geconfronteerd met allerhande zaken die negatief zijn. En die moet je dan gaan bestrijden. Maar als ik het negatieve ga bestrijden zonder dat ik het erken voor wat het is, erken waaruit het voortkomt, heb ik niets bereikt. En juist dat niet bereikt hebben, schept dan moeilijkheden. Want naarmate ik meer probeer mijn eigen eenzijdige gelijk – en daar komt het meestal op neer – te handhaven, hoe minder ik in wezen zal kunnen presteren. Maar ook hoe groter de conflicten waarin ik gewikkeld raak.

Een mens die innerlijke conflicten heeft, is vaak iemand die niet weet of hij zichzelf goed of kwaad moet vinden. Over het algemeen is het zo dat naarmate ze slechter zijn voor de wereld, ze denken of zichzelf zeggen, dat ze beter zijn. Hoe beter ze zichzelf achten, hoe banger ze zijn voor de duivel. En dat is te begrijpen, want de duivel is gewoon de achterkant van hun eigen persoonlijkheid, waar ze niet naar willen kijken.

Wie probeert om overal het positieve te vinden, zal zien dat hij de grenzen – niet alleen van zijn eigen besef maar ook van zijn begrip voor het leven en het levende – steeds naar buiten toe verlegt. Zijn wereld wordt groter. Ze wordt vollediger. Ze wordt harmonischer. Maar als ik een harmonische wereld heb, dan kan, wat we de verveling noemen, de spleen (weltschmerz) waaruit de reïncarnatie vooral in Zomerland zo vaak voortkomt, niet optreden. Omdat alles in een voortdurend evenwicht is, kan de hele kosmos in een beperkt evenwichtig geheel toch al het geheel van zijn werkingen vertonen. In een onevenwichtigheid kan dit niet.

In een onevenwichtigheid zijn wij dermate eenzijdig, dat elke invloed vanuit de oerkracht die normalerwijze een vreugde en een nieuwe beleving zou betekenen, voor ons een aantasting wordt van onze wereld. Iets waartegen we met het kruis en het zwaard optrekken … gewoon de heilige oorlog gaan verklaren.

Wanneer de wereld op dit ogenblik erg positief zou zijn, zouden we dus een mate van negativisme moeten prediken. Niet omdat we de mensen negatief of positief willen laten denken, maar doodgewoon om een evenwicht te scheppen.

Ik heb mezelf afgevraagd : wat moeten we eigenlijk doen ? Onze geestelijke leider Theodotus drukt het heel mooi uit : “Wij moeten een tegenwicht scheppen tegen ontwikkelingen die de mensen anders verkeerd begrijpen.” Heel mooi. Maar als ze het toch verkeerd begrijpen, misschien kun je er dan toch wat mee doen. Dat is mijn simpele visie.

Theodotus zegt echter : “Wij moeten dat tegenwicht vormen. De geest is niet alleen maar de leraar, de goeroe van de mens in de stof. Hij is wel degelijk ook het tegenwicht.”

Wanneer je een lift hebt met een hele krachtige motor, dan komt hij nog niet omhoog als er geen tegen(ge)wicht is.

Wanneer een mens in zichzelf de mogelijkheden ontwikkelt tot een verdergaand en hoger bewustzijn, dan moet hij toch nog een balans hebben. Er moet iets zijn dat voorkomt, dat hij zijn krachten gebruikt zonder dat hij verder komt. En ik denk dat dat hetgeen is waar het eigenlijk om gaat.

Het positivisme betekent helemaal niet dat je loopt te jubelen. Het betekent gewoon dat je in een begrip voor het goede in alle dingen en het kwade in alle dingen, het tegenwicht in jezelf vormt, waardoor je elke keer wanneer je geestelijk een stap hoger komt er niet op aarde het een of ander gebeurt waardoor je terugvalt.

Ik zit ondertussen een geloofsbelijdenis af te leggen. Geloofsbelijdenissen zijn erg goedkoop en erg gemakkelijk. Ik geloof in een levende God. Natuurlijk. Maar ik geloof in een levende God die alles heeft voortgebracht. Niet alleen in datgene wat de mens van het stempel van goedkeuring heeft voorzien. Ik geloof in een God die leeft in alle dingen; in het licht en in het duister in gelijke mate. Als ik dit doe dan moet ik God ook kunnen vinden in het licht en in het duister. Dan kan ik niet gaan zeggen : alleen de lichtende God is mijn God.

Ik geloof dat alles zinvol is. Dat is voor de meeste mensen op aarde helemaal moeilijk te verwerken. Maar ik meen dat alles zinvol is en zijn betekenis heeft. Ik geloof dat alles zin heeft wanneer we er deel aan hebben. Ik geloof dat alles zinloos is wanneer we het alleen maar ondergaan. Voor mij – ik zeg het een beetje vanuit mijzelf – is de eigenlijke factor waar het om gaat vooral het deel hebben aan.

Een oorlog kan verschrikkelijk zijn. Toch kan in die oorlog de schoonheid wel degelijk geopenbaard worden. Je kunt ook in een oorlog zin vinden voor jezelf en voor het gehele gebeuren, zo krankzinnig als het misschien lijkt vanuit een menselijk standpunt.

Ik zeg niet dat je gelijk hebt en zeker niet dat je werkelijk volledig en alleen gelijk hebt, maar je kunt er iets uit puren. Uit de honger en uit de dorst, uit de verzengende hitte en uit de meest barre kou kan iets tot je komen dat zegt dat het de moeite waard is om het te beleven; Om er jezelf tegen te verzetten misschien en er mee te worstelen of, om er eventueel aan ten onder te gaan.

Dat klinkt krankzinnig, ik weet het. Maar wanneer we dat niet kunnen, wanneer we eenvoudig onze voorwaarden gaan stellen aan het leven en alles wat er in dat leven is, wat moeten we dan beginnen ? We kunnen het leven eenvoudig niet dwingen om aan onze voorwaarden te beantwoorden.

We kunnen illusies opbouwen, natuurlijk. En in de illusies zeggen dat het eens wel zo zal zijn. Maar dan preken we iets voor de toekomst wat nooit waar wordt.

Wat vandaag is, wat we vandaag zijn, wat we vandaag kunnen – of we nou geest zijn of mens – is het énige criterium wat bestaat voor onze werkelijke ervaring.

Hoe meer we dromen over morgen, hoe minder we vandaag leven.

Hoe minder we vandaag leven, hoe minder we optimaal alles ervaren en verwerkelijken wat vandaag het deel is van onze mogelijkheid tot beseffen. Ik denk dat daar ergens voor alles de sleutel moet liggen.

Onze gastspreker zal het jullie ongetwijfeld anders en misschien veel beter kunnen vertellen dan ik het nu doe, maar ik moet het inleiden.

Soms denk je : steeds maar inleider spelen is toch niet zo leuk. Maar daar staat tegenover dat wanneer je niet in zou leiden, er misschien net iets aan de sfeer zou mankeren. Er zou net even iets mis kunnen gaan.. Het medium zou minder goed afgestemd kunnen zijn en dingen, die erg belangrijk zijn, zouden niet mogelijk zijn.

Dat is bij jullie toch ook zo ? Niet iedereen zegt altijd : Die inleider zit maar te bazelen. Er zijn er bij die denken : is de inleider wel nodig ? Ze ondergaan hem gelaten zoals iemand die komt voor een drama in de bioskoop en de tekenfilm op de koop toe neemt. Ik ben geen geestelijke Donald Duck, zo erg is het ook nog niet. Misschien soms een beetje meer een Pluto figuur.

Ik besef dat, wanneer ik er niet zou zijn met al mijn eigen zoeken, mijn eigen onbelangrijkheid en de woorden, die ik misschien toch nog niet helemaal juist gebruik, er iets minder mogelijk zou zijn dan nu. En daarom is het belangrijk dat die inleiding wordt gegeven. Daarom is het belangrijk dat ik vanuit mijn beperkingen op deze manier werk en spreek. Ook voor jullie.

Ik kan opgaan naar de hoogste lichtende sferen. Maar hoe kan ik opgaan naar de hoogste lichtende sferen wanneer ik mijzelf afsluit voor de werkelijke Bron van alle leven, die in al het zijnde ligt, ook in de mensen, ook in de duistere sferen.

Het is geen verloren tijd wanneer ik ronddool in een duistere wereld in de hoop dat ik iemand zo ver kan krijgen dat hij eindelijk in zijn denken het licht aanvaardt en zo bevrijd wordt van zijn eigen duisternis en de voortdurende herhaling van de kwelling die hij zichzelf aandoet.

Het lijkt misschien verloren tijd, ja, maar het is het niet. Want door dat te zijn, door dat door te maken, door er deel aan te hebben, heb ik ook deel aan het licht. Ik zou nooit zo dicht tot het lichtende kunnen komen, wanneer ik bang zou zijn zo ver in het duister door te dringen.

Als je dit zegt, beginnen heel wat mensen meewarig te schudden. Maar het is waar. Als jullie dia’s projecteren, moeten jullie zorgen dat er weinig licht is. Dus om beter te kunnen zien, heb je minder licht nodig. “Want” zeggen jullie, “achter de dia zit een lichtbron.” Natuurlijk : Achter het totale bestaan zit God, Lichtbron.

Soms moeten wij de moed vinden om tot in het duister te gaan om duidelijk te zien wat die God is en zo te leren hoe we contact moeten opnemen wanneer we in het licht leven. Dat is mijn sleutel.

Ik zit op het ogenblik geloofsbelijdenissen af te leggen bij de vleet. Maar voor mij is dit belangrijk. Misschien niet voor jullie, maar dat komt nog wel.

Zelfs in jullie eigen leven is het zo gemakkelijk om alleen maar te veroordelen. Maar hoe kun je veroordelen, wanneer je niet kunt begrijpen ? En wanneer je kunt begrijpen, hoe kun je dan alles veroordelen ? Want in alles zit iets goeds en iets lichtends, ook al weet je dat misschien nog niet te vinden.

Zoeken naar het licht is ook het erkennen van het duister. En in het duister het licht zoeken, dat is de erkenning dat het licht altijd en. overal aanwezig is. Op die manier leven, werken en verdergaan, is proberen een gehele mens te worden. Laat ik het zo maar noemen. Of moet ik zeggen : een volledig deel van het totaal ?

Dit is hetgeen waar we altijd mee geconfronteerd zullen worden. En wanneer we de komende tijd bezien, zal voor heel veel mensen het heel erg hard nodig zijn om ook naar het licht te kijken en niet alleen naar het duister. Of, omkijkende naar het licht, te beseffen dat het duister nog wel degelijk bestaat. Alleen zo kun je verder gaan.

Wanneer ik de heren zo hoor praten over een meer positieve benadering van het leven en het bestaan, een juistere uitleg, een meer volledige uitleg van het totale leven, dan zeg ik voor mijzelf : ja, jullie hebben toch wel gelijk. Alleen zoals jullie het zien, kan ik het nog niet.

Daarmee kom ik aan het einde van mijn inleiding. Ik heb hier iets toegegeven. Ik kan niet alles zien zoals b.v. Theodotus het ziet of kent. Kennen is beter dan zien voor ons. Maar betekent dat nu dat ik zijn mindere ben ? Neen. Het betekent alleen dat er aan mij grenzen zijn gesteld die hij kennelijk heeft overschreden. En in de erkenning dat er buiten mijn grenzen licht en duister bestaat, zo goed als in mij, kom ik tot het verwijden van die grens. Gelijktijdig probeer ik dan maar alles zo goed mogelijk te doen.

Ik denk dat wij pas gelukkig zullen zijn wanneer de geestelijke Benelux, waarmee wij nu misschien een beetje van genieten, niet alleen een E.E.G. zonder grens is geworden, maar een wereld waarin geen onderscheid en geen grenzen meer bestaan. Ik denk dat we dan wat men noemt het Koninkrijk Gods werkelijk bereikt hebben.

Mijn eigen onvolkomenheden erkennende, vind ik in mijzelf toch de vreugde van het zoeken van het proberen. Jullie zullen in je eigen leven eveneens onvolkomenheden hebben, zeker wanneer jullie eens even ernstig en eerlijk zijn.

Maar jullie hebben toch ook zo veel goede dingen gedaan. Jullie proberen toch ook steeds weer iets goed te doen of iets beter te zijn voor een ander. Dan is het niet zo erg dat je verkeerd hebt gedaan. Maar je moet er wel door het goede te doen een balans mee scheppen. Want als je het verkeerd zijn kunt begrijpen, kun je meer goed doen.

Wanneer je de onvolledigheid, de dwaasheid, het chaotische misschien van de wanhoop kent, dan zul je juist daardoor beter de lichtende werkelijkheid van de levende kracht ervaren kunnen. Dat vult elkaar mooi aan. Ook bij jullie.

Afsluitende kan ik eigenlijk niets anders zeggen dan : vrienden, ik ben erg nieuwsgierig wat onze vrijgelatene (jullie weten dat onze gast slaaf is geweest) te zeggen heeft. Ik zal er zeker naar luisteren. Niet omdat dit een gastspreker is die ik niet heb uitgezocht. Maar omdat elke gastspreker, waar hij ook vandaan komt en hoe hij ook is, altijd in zich iets draagt van een levende waarheid die ik moet leren erkennen. Tevens in zich ook schaduwzijden bergt, die ik eveneens moet leren kennen, omdat ik in de werking tussen licht en schaduw mij meer bewust word van de werkelijkheid zoals ze voor mij bestaat; zodat ze voor mij steeds meer vollediger, evenwichtiger, zeg maar gelukkiger en harmonischer beleefbaar zal worden.

De Gastspreker.

Vergeef mij dat ik mij even op jullie taal moet instellen.

Alle dingen die bestaan en die wij kunnen waarnemen, zijn maar een doorsnede van een veel omvangrijker werkelijkheid. Al datgene wat wij zien als tot ons behorende of niet tot ons behorende reikt zover in de onbekende wereld dat we nooit weten wat het voor ons betekent.

Bezit kan soms een vreugde schijnen. Later blijkt dat het een knevel is, die je tijdelijk onmondig maakt.

Soms lijkt vriendschap een zware last. Later blijkt dat zij een uitbreiding is van alles wat voor jou denkbaar en mogelijk is.

Juist omdat de wereld die wij kennen maar een zeer klein deel is van de werkelijkheid waarin wij leven moeten, is het niet goed om te oordelen volgens de dag en het uur. Zeker, steeds weer schijnt het noodlot op aarde toe te slaan en dan roepen de mensen : “Hora est,” het uur is gekomen. Maar het uur gaat voorbij en het gebeuren verdwijnt in het niet.

In het verleden zijn continenten vergaan, werelddelen veranderd, bergen naar de hemel gestuwd en gebergten in de diepten verzonken. Maar wie weet er nog van ? Het is al vergetelheid. En vergetelheid is datgene wat wij deze tijd, deze dag, dit leven noemen.

De werkelijkheid is groots. Wanneer je een cirkel trekt, weet je, dat is een beslotenheid, een oneindigheid. Maar als je een klein stukje van de cirkellijn neemt en je kijkt er naar, dan zeg je : het is het werk van een kind dat nog niet eens een lijn recht kan trekken.

Zo zijn wij. Wij kijken naar de kleine dingen en zeggen : het deugt niet. De werkelijkheid waarvan de dingen een klein deel zijn, zien wij niet. Alleen daarom al zouden we niet teveel moeten oordelen over wat goed is of verkeerd.

In Rome heeft men geoordeeld dat het goed was dat Romeinen alleen officieren waren in het legioen en verder vrijgelaten slaven en barbaren. Want, zo zei men, hierdoor blijft de glorie van Rome behouden. Hierdoor wordt de rijkdom van het volk steeds vollediger en duidelijker uitgedrukt. Rome is echter verdwenen omdat de Romeinen geen soldaten meer waren.

De Grieken hebben gezegd : wij zijn handelaren, handelaren en krijgers. Maar onze filosofie en onze cultuur zijn de zaken die onsterfelijk zijn. En toch, wat is er overgebleven van al die filosofen, die in de stoa stonden en praten met elkaar ? Wat is er overgebleven van de sprekers, de redenaars, die spraken op de pleinen of die bij een feestelijk gelag de redevoering hielden ? Stof in de tijd, meer niet.

Oude ruïnes staan nog in Rome en het Colosseum; in Griekenland een oude tempel; elders begraven onder het zand overblijfselen van een oude stad. De mensen die er waren, de woorden die ze hebben gesproken, de mening die zij hadden, het goed en het kwaad dat voor hen bestond, zijn verwaaid met de wind van de tijd en niemand weet meer hoe het geweest is. En toch, als die oude steden niet hadden bestaan; wanneer Griekse denkers niet denkbeelden hadden samengegaard, ontleend vaak aan anderen en ouderen of minder belangrijke denkers, wanneer Rome niet zijn grootheid had opgebouwd en wegen had geschapen die werelddelen met elkaar verenigden, zou het heden niet bestaan zoals het is.

Jullie leven en denken dat jullie tijd de belangrijkste tijd is die er bestaat. Jullie zien de dreiging van oorlogstrommen. Jullie dromen van vuurregens die uit de hemel vallen en jullie krimpen weg voor de haat van diegenen die anders denken dan jullie. Over een paar duizend jaar is het allemaal vergeten. Het enige wat blijft, ben je zelf.

Eens werd het nieuws verzameld, samengebracht en neergeschreven met het riet en de slaven werden geïnstrueerd, de twintig, de vijfentwintig. En elk van hen leerde het nieuws uit het hoofd. Daarna gingen ze uit naar de huizen en brachten het nieuws. De volgende dag was er weer ander nieuws. Na een maand sprak men heel anders over datgene wat men eerst verteld had.

De veldheer die overwonnen had was een held totdat hij een bedreiging was voor een macht in de stad. Dan was hij een misdadiger.

De slaven spraken het nieuws zoals het geschreven werd. Spraken het in de grote huizen en in de paleizen en daarnaast vaak ook tegen de slaven en de burgers van de stad.

Wat is uw wereld en uw wereldgebeuren ? Wat is het waard ? Het enige wat blijft, is de mens. Het enige wat blijft voortgaan en niet verdronken wordt in het stof van het verleden, is je wezen. Daarom moet dat wezen voortdurend uit alle momenten van tijd voor zich datgene vergaren wat vrede geeft.

De wereld kun je geen vrede geven maar wel jezelf. In jezelf kun je de vrede leren kennen. Je kunt geen geluk scheppen dat de wereld omvat. Want dat wat de één gelukkig maakt, is de ramp die de ander treft. Maar zelf kun je geluk vinden. Je kunt gelukkig zijn.

De laatste dagen van mijn laatste incarnatie ging ik als een bedelaar langs de straten. Ik was geen cliënt. Ik had geen beschermer. Ik sliep soms in de straten, bij de muren of buiten de poort van de stad. De staf, een bedelnap en het noodzakelijke gewaad, dat was alles. En ik was gelukkig.

Ik was gelukkig omdat er een kracht is die vrede geeft. Maar die kracht ligt niet in de tijd. Die kracht wordt niet geboren uit het ontwikkelen van de dingen op aarde. Ze is geen deel van de historie. Ze is alleen het wezen der dingen. En wanneer je je beroept op het wezen der dingen, op het wezen van de kracht die je zelf bent, dan vind je de vrede. Dan kun je gelukkig zijn. Gelukkig, ongeacht wat er gebeurt.

Ik heb Sibylle priesters de honden met hun staven zien neerslaan; de mensen, die zoals ik bedelend zochten naar de waarheid. Soms zijn ze gestorven zonder haat omdat ze gelukkig waren.

Ik heb mensen gezien die tot de hoogste waardigheden werden verheven; die op de Palentijn in en uit gingen als de grootsten der aarde en ze waren ongelukkig. Het touw, mes of de beker maakte een einde aan hun leven waarin ze geen vrede hadden gekend. Ze vluchtten weg uit dat leven uit angst en haat. Dat is niet het werkelijke leven.

Het werkelijke leven is dat beetje geluk dat je in jezelf draagt. Het werkelijke leven is een klein beetje licht, een klein beetje vreugde en een aanvaarding waardoor je de zin van alle dingen ziet.

De vrede van een mens kan niet buiten hem bestaan, maar ze kan in hem leven. Vrede is de aanvaarding van het heden, omdat het zo’n onbelangrijk deel is van de werkelijkheid.

Zeg me : wat lest de dorst beter, een kruik wijn na een gelag of een dronk water als je een dag dorstig langs de straat bent gegaan ? Geloof me, het water is kostbaarder dan de wijn wanneer je dorstig bent. Ik heb het zelf ervaren.

Er is kracht, kracht die geen macht betekent. Kracht die geen openbaringen plotseling in je doet ontstaan. Maar een stille levende kracht in je die je alleen bemerkt wanneer je geen uitweg meer ziet.

Een kracht die zegt : drink als je dorstig bent. En dan is het geen wijn. Niet iets wat aangevoerd wordt in de kostbare kruiken vanuit Ostia. Water dat je overal kunt vinden, maar waarvan één druppel kostbaar is wanneer je dorst hebt, omdat je wereld uitgedoofd lijkt. Die kracht draagt ieder in zich.

Een keizer bezit niet meer dan de hond die langs de straat gaat. Maar de keizer vraagt om wijn wanneer hij dorst heeft en gaat onder in zijn wanhoop. De hond drinkt het beetje licht dat hij in zich draagt en leeft in het licht en in de glorie van de werkelijke vrede.

Waarom dan somberheid ? Waarom angst voor morgen ? Waarom je voortdurend bezighouden met al die dingen in de wereld, die je – arme mens die je bent – toch niet kunt veranderen ?

Drink het licht dat in je is. Vind de vrede die in je is. Maak de kracht die in je is sterker. Dat is beter dan veroordelen of vrezen.

Wanneer de straten van de stad duister werden, gingen slaven met een toorts voor de draagstoel, want er moest licht zijn opdat de hooggeëerden niet zouden vallen.

Als ik in het donker mijn weg zocht, was soms één flits licht voldoende om te weten waar ik was. Dan had ik geen toortsen nodig en geen dragers. Je hoefde niet te vrezen voor de sleden, die met hun olielantaarn soms door de stad gingen in de nachtelijke uren. Eén flits licht en je wist waar je was.

Jullie dragen licht in je. Waarom zouden jullie voortdurend vragen naar de fakkeldragers van de voornamen ? Waarom zouden jullie zelf een olielamp mee willen voeren, brandend en wel, om jullie weg te zien ? Jullie dragen licht in je. 0, het is maar een enkele flits, maar als je niet weet waar je bent : één flits en je kent weer je weg.

Men heeft hen die het bezit verwierpen, dwazen genoemd. Maar ben je een dwaas wanneer de hele wereld je woning is ? Is dat niet beter dan een paleis ?

Men heeft ons dwazen genoemd omdat we langs de wegen sliepen; omdat we bedelden. Maar het was goed om te eten en te drinken. Het was goed om een woord te wisselen, zittend ergens op een kleisteen, sprekend met een mens, die je misschien nooit meer zou ontmoeten, over de eeuwigheid die in je leefde. Is een mens onder de vrije hemel, die spreken kan over een eeuwigheid die in hem leeft, niet machtiger dan de hoogste priester in de belangrijkste tempel ?

Jullie dragen licht in je. In jullie leeft ook iets van de eeuwigheid en van de werkelijkheid. Waarom zouden jullie zich dan door de omstandigheden laten opjagen ? Waarom zouden jullie wanhopig zeggen : het gevaar dreigt. Want er is geen gevaar dat eeuwig is. Alleen een kracht die eeuwig is en een licht dat eeuwig is.

Het is eens gebeurd dat bij de jood Jozef Septimus inbrekers binnendrongen want de man handelde in zijde uit het Oosten, naast vele andere zaken. Maar hij had slaven bij de hand. Ze brachten plotseling alle lichten binnen. De dieven werden verblind en werden slachtoffer van hun hebzucht.

Jullie hebben licht. Wanneer de wereld wil inbreken in de werkelijkheid van uw persoonlijkheid : laat het licht schijnen en de inbrekers worden het slachtoffer van hun eigen begeerte en hun eigen onvermogen.

Zoals de wereld was, zo is ze nu. Of ik goud smelt in tienduizend verschillende vormen, het blijft goud. Of ik leven neem in ongetelde gestalten, het blijft leven.

Jullie hebben leven. Jullie hebben kracht. Jullie hebben licht. Waarvoor zouden jullie vrezen ? Waarom zouden jullie in angstig begeren je verzetten ? Jullie hebben de middelen om je te verdedigen, om je weg te vinden; een mogelijkheid om datgene te bereiken wat deel is van je wezen en van de werkelijkheid.

De lijnen van het gebeuren schijnen verward. Soms lijkt het een spel waarbij de noodlotsdraden door elkaar geworpen worden volgens onbekende regels. Wie de draden volgt, ziet niet het patroon. Het is het patroon dat werkelijk is. Het is jullie wezen dat werkelijk is.

Is jullie wereld somber ? Neem je licht en vind je weg. Schieten je krachten tekort ? Neem de kracht die in je is opdat het belangrijke – dat werkelijk in je bestaat – zijn vorm moge vinden en zijn uiting moge vinden in de tijd.

Niet machteloos ben je, tenzij je vreest.

Niet in het duister leef je, tenzij je het licht vergeet dat in je leeft.

Niet dorstig behoef je te zijn, tenzij je vergeet je te laven aan de Bron die in je woont. Waarom dan veroordelen en vrezen ?

Het leven is een werkelijkheid waarin wat je bestaan noemt niet meer is dan één haal met de ganzenveer van een eeuwige schrijver. Maar jullie zijn het boek.

Denk aan het geheel dat je bent. Laat je verleden en je toekomst samenvloeien, diep in jezelf. En besef de eeuwige kracht, de eeuwige werkelijkheid.

Er zijn mensen die zeggen : “Wat je wilt, dat kun je. Als je het zelf niet kunt, dan zoek je een patroon die het wel kan.” Zo wordt men slaaf van hetgeen men zelf nastreeft en van de macht die men aanroept om te volbrengen wat men zelf niet kan. Maar wij zijn niet geboren als slaven.

O, ik ben slaaf geweest en ik heb de slagen en de zweep wel gevoeld in mijn jeugd. Maar wij zijn vrij wanneer wij het licht zoeken en erkennen. Wanneer wij ons beroepen op het licht dat in ons woont. Wanneer wij niet zoeken naar kracht buiten ons, maar onze innerlijke kracht gebruiken.

In jullie dagen gelooft men in de ene God. Ik geloof in één God met tienduizend gestalten. Het is niet belangrijk welke gestalte komt. Het is belangrijk dat het wezen van de God er is.

In jullie kunnen verschillende goden wonen. Maar ze zijn deel van de ene. Daardoor zijn zij Zijn Kracht in jullie én rond jullie én door de tijd. Elk spoor dat je baant in jezelf naar het licht is gelijktijdig een. verwerping van de eenzijdige wereld die tijd heet.

Tijd, tijd is leven, is sterven. Dat is huilen omdat je geboren bent en jammeren omdat je moet sterven. Tijd is het onbehagen dat uit het onbegrip geboren wordt. Maar de werkelijkheid kent geen tijd. De kracht die je bent, kent geen tijd. Het licht dat in je leeft, kent geen tijd. En wat geen tijd kent, kent geen grenzen.

Daarom zeg ik tot jullie : beroep jullie op het licht dat in jullie woont. Beroep jullie op de kracht die in jullie leeft. Schud de beperking af; diep in uw wezen en rond jullie verbleekt de belangrijkheid van de tijd.

In het licht sterft de angst en in de kracht wordt de vrede geboren. Breng jullie licht en vrede mee zolang de tijd nog niet verbleekt is voor jullie. Geef ze rijkelijk. Niet om te verkrijgen of aanhang te gewinnen, maar omdat de kracht en de tijd één zijn. Omdat het licht en de tijd samen het wezen van de kracht weerspiegelen. En omdat de tijd zelf het voorbijgaande is, waarin de eeuwigheid zich toch altijd weer uitbeeldt en manifesteert.

Bijna pijnlijk is het mij, in de toch wat harde klanken van jullie taal, te zoeken naar een uitdrukking van werkelijkheid die in mij leeft. Maar het is ook jullie werkelijkheid, zelfs wanneer woorden die niet omschrijven kunnen.

Het is jullie vreugde, jullie vrede, jullie kracht, waarvan ik spreek; niet de mijne. Het is van jullie zegepraal over de tijd dat ik spreek, niet van de mijne. Want ik ben niet tot jullie gekomen om te zeggen dat ik hoog en sterk en machtig ben of dat ik nederig en lichtend ben. Ik ben tot jullie gekomen om te zeggen dat jullie zelf sterk en lichtend zijn. Dat jullie, wanneer jullie de angst terzijde stellen, het oordeel vergeet en jullie beroepen op jullie innerlijke waarden en kracht, een tijdloze vrede rond jullie draagt. Een tijdloze kracht voelt, die jullie mogelijk maakt alle dingen te volbrengen die nodig zijn en in jullie een besef doet ontstaan dat de tijd haar gesel ontneemt waarmee ze jullie voortjaagt.

Heil jullie, eeuwigen, al hebben jullie in de tijd voor een ogenblik jullie afkomst verloren.

Geprezen gij lichtenden, al hebt gij uw lichten vergeten, zij leven en laaien in jullie.

Gegroet gij levenden, die sterker zijt dan dood en tijd. Gij zijt de levenden buiten de tijd. Daarom, leef het licht. Drink de kracht. Volbreng het leven en leef in licht en kracht tot alle dingen duidelijk zijn.

Ave.