Praktisch idealisme

image_pdf

11 maart 1960

Wij zijn niet onfeilbaar, of alwetend. Daarom verzoeken wij u zelfstandig na te denken.  Ons onderwerp van hedenavond luidt: Praktisch idealisme.

Wanneer wij spreken over idealisme, is dit over het algemeen in onze ogen een enigszins irreëel denken. Een ideaal is uit de aard der zaak een voorstelling van ontwikkeling, die het volmaakte benadert. In de meeste gevallen is het uiteindelijke ideaal geheel vreemd aan de onmiddellijke mogelijkheden van de omgeving. Veel idealisme zal dan ook – op de keper beschouwd – elke werkelijke waarde en betekenis ontberen. Er zijn voorstellingen te over te vinden op dit terrein.

Het is nog niet zo lang geleden, dat men ergens op deze wereld trachtte de Godsstaat te doen herleven. Hen trachtte op zuiver religieuze basis tot een bestuur en een wetgeving te komen, die de mensen zouden dwingen volgens de wetten Gods – zoals door deze groep geïnterpreteerd – te leven. Het gevolg was, dat er zelden zoveel tegen de geboden Gods werd gezondigd als in de periode dat men deze maatregelen trachtte te nemen. Men was hier niet erg praktisch te werk gegaan: Men had weliswaar een ideaal nagestreefd, maar niet begrepen, dat het noodzakelijk is eerst de mens te veranderen, voor je een dergelijk ideaal kunt verwerkelijken.

Misschien zal men onze Orde evenzeer voorhouden, dat wij geen praktisch idealisme kennen, want ook wij hebben een ideaal, dat verdraagzaamheid heet. Onze vriend Henri definieert de Orde als een groep, waarin men onderling steeds twist over de vraag, wie het verdraagzaamst is. Deze definitie is overdreven en zelfs wat cynisch, maar een grond van waarheid bevat zij wel.

Indien wij ons verdraagzaamheid als een absoluut doel en ideaal stellen, waarbij wij de verdraagzaamheid zien als een absolute verdraagzaamheid, kan men ons nauwelijks praktisch noemen. De praktijk van de verdraagzaamheid houdt namelijk een beperking van de verdraagzaamheid in. Wanneer wij spreken over praktisch idealisme, zullen wij dan ook moeten stellen, dat, om het ideaal verwerkelijkbaar te maken, het tevens beperkt moet zijn. In de tweede plaats heeft idealisme alleen praktisch zin wanneer het zich baseert op feitelijke en op het ogenblik geldende toestanden en mogelijkheden.

Wij kunnen wel een ideaal ontwerpen als Edward  Bellamy in zijn: “Het Jaar 2000”.   Indien wij trachten dit te verwerkelijken met de huidige mensheid, zonder daarbij tevens uit te gaan van de nu geldende omstandigheden en menselijke eigenschappen, bereiken wij niets. Het systeem dat Bellamy ontwierp, is zeer aanbevelenswaardig en bevat vele mooie en nuttige punten. Alleen vergeten degenen, die dit nu willen verwerkelijken, dat de huidige mens niet geneigd is, dat wat hij bezit, zonder strijd en vrijelijk af te staan, onverschillig of hij nu aannemer is, of bouwvakarbeider.

Daarmee is een criterium gesteld. Wij moeten voor alles praktisch zijn. Wij hebben ons niet alleen met de grote droom over morgen bezig te houden, maar dienen onze aandacht voornamelijk te wijden aan de kleine dingen van het heden. Daarnaast dienen wij natuurlijk het gestelde einddoel voortdurend voor ogen te houden. En – een heel belangrijk punt – wij moeten omtrent ons streven zowel als ons doel steeds eerlijk zijn. Ik wil hier geen partij aan- of afvallen, toch meen ik juist in Nederland een duidelijk kenbaar falen in dit opzicht te kunnen vaststellen.

De vroegere S.D.A.P. – de latere PvdA – is socialistisch. De tijd van de “Morgenrood” beweging was de tijd dat men het felste vocht, zijn ideaal het zuiverste en eerlijkst bewaarde en de grootste resultaten bereikte. Men wenste zo snel mogelijk en zo goed mogelijk aan een ieder een met zijn taak en arbeid evenredig deel van de volkswelvaart te verzekeren. Dit ideaal is voor het grootste deel benaderd en in enkele opzichten zelfs heden bereikt. Daarnaast gaan de idealen van het socialisme verder. Niet iedereen realiseert zich dit misschien, maar men huldigt hier het standpunt, dat alleen de staat bezit mag hebben en de staat de taak heeft dit bezit zo gelijk en rechtvaardig mogelijk ten gebruike van haar onderdanen te verdelen. Hierin ligt een pijnlijk punt. Op het ogenblik, dat de staat organen vormt, die een dergelijk beheer en een dergelijke verdeling van goederen als taak krijgt, zullen deze organen zodanig topzwaar zijn, dat zij een onevenredig groot deel van het productievermogen en de arbeid van de arbeiders zal absorberen. Er wordt dan door deze handelwijze een vermindering van welvaart in plaats van een vermeerdering bereikt. Toch meen ik te mogen stellen, dat men, wanneer men zegt volbloed socialist te zijn, dit streven heeft vol te houden en dit streven eerlijk dient te bekennen.

Men mag dan niet dit streven veranderen tot een soort kleinburgerlijk profijt trekken van anderen zonder de lasten te aanvaarden. Men pleegt te stellen, wanneer er sprake is van een belangenstrijd, dan moet je in het heden weten te marchanderen om zo in de toekomst het ideaal alsnog te kunnen verwerkelijken. Men dient dan voor zijn uiteindelijke doel uit te komen. Overigens heeft de praktijk reeds bewezen, dat het ware socialistische ideaal in deze maatschappij niet te verwezenlijken is. De partij richt zich nu geheel op de praktijk, maar voert daarbij leuzen, die zij weet niet te kunnen verwerkelijken en ook niet meer nastreeft. De PvdA heeft dit duidelijk genoeg ingezien en daarom een nieuw programma opgesteld. Dat was dan ook werkelijk nodig. Indien wij het geheel onbevooroordeeld bezien, blijkt ons, dat in dit geval de praktijk met het idealisme aan de loop is gegaan. Het is moeilijk om idealisme en praktijk verantwoord met elkaar in overeenstemming te brengen en het doel na te blijven streven zonder ooit tegen de drie genoemde voorwaarden te zondigen.

Wij hebben in deze groep een praktisch ideaal en hopen, dat ook u daaraan deel heeft. Aan ons ideaal hebben wij kortheidshalve de naam “Verdraagzaamheid” gegeven. Wij stellen ons voor de mensen steeds meer te leren over steeds meer onderwerpen, met een weergeven van steeds meer meningen over steeds meer toestanden, opdat zij daardoor zullen leren anderen – ongeacht afkomst, huiskleur, opvoeding, ras – te begrijpen. Verdraagzaam zijn is in onze praktische ideologie niet een zonder meer de voetveeg te zijn voor iedereen. Daaraan bestaat ook bij ons geen enkele behoefte. Maar wij menen, dat begrip de verdraagzaamheid op praktische en voor ieder aanvaardbare wijze kan bevorderen, indien wij de mensen maar de overtuiging kunnen geven dat een verdragen van anderen en een pogen hen te begrijpen een niet slechts nuttig, maar zelfs noodzakelijk deel van het leven is. Indien ik u de wijze, waarop wij trachten dit te doen, beschrijf, is dit niet alleen een uiteenzetting over de Orde, maar tevens een aanduiding van hetgeen wij onder praktisch idealisme verstaan. Ons ideaal is natuurlijk te hoog voor heden, zoals elk ideaal te hoog is om onmiddellijk bereikbaar te kunnen zijn. Wij stellen als ideaal: Waar alles in God één is, moeten wij dit beseffen en al onze medeschepselen ertoe brengen – met volledig besef van die eenheid – daarin bewust te leven.

Erg mooi gezegd, maar hoe kunnen wij deze stelling in de praktijk omzetten en het bewustzijn van eenheid bevorderen? In de eerste plaats moeten wij trachten vanuit eigen denken en standpunt zo verdraagzaam mogelijk te zijn en proberen anderen zo goed mogelijk te begrijpen.

Dit betekent onder meer geduld hebben. Zonder een smet te willen werpen op hen, die nu al in de zaal aanwezig zijn, wijs ik erop, dat wij wel eens vragen ter beantwoording voorgelegd krijgen die ons zouden kunnen prikkelen. Zonder verdraagzaamheid, zou je geneigd zijn te zeggen: Hoe durft u met een dergelijke dwaasheid bij ons aan te komen… . Maar wij denken verder en zeggen onszelf: Wij vinden dit wel dwaas en onredelijk, maar degene die de vraag stelt, zal dit niet zo bedoelen. Wij zullen dus verdraagzaam zijn en de vraag met de grootste ernst beantwoorden en daaraan de meest betekenende en meest zuivere inhoud toekennen die wij er aan kunnen verbinden. U zult opmerken, dat de andere aanwezigen over dergelijke vragen zich wel zullen ergeren. Ook in ons komt dit voor.

Wat men wel eens vergeet is het volgende. Men luistert meestal even geboeid naar het antwoord als de vrager zelf. Daarmee is, zonder dat men het beseft, een mogelijkheid voor iets meer onderling begrip ontstaan. Men geeft ons een onderwerp te behandelen met de bedoeling ons te toetsen, of – erger nog – te plagen. Kunnen wij dan zeggen: dit onderwerp zullen wij niet behandelen? In sommige gevallen zullen wij ons verplicht achten daarop in te gaan. Juist om te bewijzen dat wij niet bang zijn de handschoen op te nemen. Maar dit geschiedt dan in een zo volkomen mogelijke verdraagzaamheid Wanneer u ons aanvalt, zullen wij ons verdedigen. Wij zullen steeds trachten dit te doen zonder schade te berokkenen. Wanneer dit niet mogelijk blijft, zullen wij ons van handelen zoveel mogelijk onthouden, tenzij de schade daardoor niet in de eerste plaats door onszelf veroorzaakt wordt, maar een nevenverschijnsel van actie en reactie kan worden genoemd. Wij menen dat de praktijk van het ideaal ons het mogelijk maakt ons te verdedigen. Wij zijn verdraagzaam, maar ergens bestaat toch een norm van recht en rechtvaardigheid. Daar hebben wij ons aan te houden. De praktijk eist van ons, dat wij trachten deze norm te volgen en te handhaven, voor zover het ons mogelijk is. Hetzelfde geldt voor eerlijkheid. Wij zijn zo eerlijk, als het ons mogelijk is. Dat is een beperking die heel wat erger kan zijn dan zij in feite is. Want wanneer u nu zegt: ik zeg alleen de waarheid, zover het mij mogelijk is, geeft u daarmee tevens toe, dat u een deel van de waarheid niet uitspreekt, maar verbergt, of zelfs verdraait. Wij gaan hier uit van het standpunt dat bepaalde waarheden zo complex zijn, dat het ons onmogelijk is deze op redelijke wijze weer te geven.

Daarnaast is ons standpunt, dat bepaalde toestanden, of ontwikkelingen, zo ernstig zijn, dat een tevoren wijzen, of nadruk leggen van onze zijde, een aanmerkelijke verscherping van de toestand teweeg zou kunnen brengen. Wanneer wij een dergelijke mogelijkheid menen te constateren, zwijgen wij dus, of geven een beperkte en gesluierde aanduiding.

Het werk van onze Orde bestaat natuurlijk niet alleen uit het geven van lezingen. Wij moeten helpen, waar wij kunnen. Dit houdt in, wanneer een prediker op een kansel staat en tracht de liefde Gods aan zijn medemensen duidelijk te maken, wij zullen trachten die mens te inspireren.

Ook al noemt hij ons werk en het werk van onze Orde duivels, toch zullen wij deze mens in de gelegenheid trachten te stellen binnen zijn eigen kerk en gemeenschap de leer van de kosmische eenheid en liefde zo goed en zo zuiver mogelijk te verkondigen. Dat is praktijk. De praktijk zegt ons immers, dat bij het nastreven van een ideaal van alle mogelijkheden die geboden worden, gebruik moet worden gemaakt.

Mogelijkheden om verdraagzaam te zijn en jezelf, zowel als anderen het nut der verdraagzaamheid te bewijzen, zijn er elke dag. O, natuurlijk. In de gang van het dagelijkse leven is het zo nu en dan haast noodzakelijk een keer stevig op je poot te spelen. Er zijn zelfs mensen die hun goede humeur kunnen bewaren, wanneer zij zo nu en dan eens voluit de drie letters kunnen uitspreken, die altijd schriftelijk met stippeltjes worden aangevuld, omdat men een dergelijke vloek nu eenmaal niet voluit schrijft. Het is zo nu en dan haast onvermijdelijk en voor de mens noodzakelijk eens uit te barsten. Dat is aanvaardbaar. Maar laat ons er tenminste voor zorgen dat niemand daardoor enig kwaad ondergaat. Wat meer is: Laat ons steeds weer trachten, zelfs wanneer een uitbarsting onvermijdelijk is, een ander te begrijpen en te helpen. Dit laatste dient altijd weer het punt van uitgang te vormen bij al ons denken en handelen.

Een ander punt uit de praktijk mogen wij ook niet over het hoofd zien. Wanneer je een ideaal hebt en je opwerpt als pandit, als leraar, of grootmeester, schaadt je veelal hetgeen je nastreeft. Bovendien is deze voortdurende zelfverheerlijking vaak de oorzaak van een vastgeroest raken in één enkel bepaald denkspoor. Je hebt dan geen voldoende begrip voor anderen meer. Dan meen je, dat je het wel weet, of zoveel beter bent dan anderen en dit is gevaarlijk. Je dient je steeds weer te realiseren, dat je als mens en als geest onvolmaakt bent. Stellen wij dus: Wij zijn niet goed, maar ook niet kwaad. Wij moeten gebruik maken van de mogelijkheden die ons geboden worden om hetgeen wij zoeken – een zo groot mogelijke en intens mogelijke eenheid tussen alle mensen en geesten binnen het concept van de Goddelijke Liefde – te verwerkelijken.

Dit gaat vanaf het eenvoudig helpen van een mens in zijn ziekte, drift, zijn erger, of zijn armoede, tot het pogen in de wereld zelf in te grijpen. Dit gaat vanaf de laagste sferen via de wereld tot de hoogste sferen, waarin de meest verlichten van onze groep werkzaam kunnen zijn. Allen zullen trachten hun werk zoveel mogelijk in de vorm van een liefderijk werk dienen te doen en met een volkomen plichtsgetrouwheid, ook wanneer er geen enkele uiterlijke verplichting, of band bestaat. Het werken op deze wijze in alle sferen en met alle, volgens dit ideaal aanvaardbare middelen, wordt door ons dan gezien als een staaltje van praktisch idealisme.

U heeft ook uw idealen. De één is vegetariër, de ander socialist, de derde kunstenaar. Elk heeft zijn eigen instelling en zijn eigen ideaal. Een mens zonder ideaal, zonder droom, leeft niet werkelijk. Het is de mens nu eenmaal ingeschapen te grijpen naar het onbereikbare. Ergens in ons schijnt een stem te zijn die ons steeds voorhoudt, hoe wij eens – op het eerste moment der Schepping – de volmaaktheid hebben geërfd. Die stem wijst erop, hoe deze volmaaktheid rond ons steeds bestaat en spoort ons aan altijd weer naar die volmaaktheid te grijpen, ofschoon ons bewustzijn ons niet toestaat deze volmaaktheid bewust te bereiken op dit ogenblik.

Wij hebben een ideaal nodig, maar een ideaal dat alleen maar een theorie blijft, heeft weinig of geen betekenis. Wanneer wij een ideaal in de praktijk willen gaan brengen, dienen wij er allereerst voor te zorgen, dat wijzelf het geheel in praktijk brengen en het op alle fasen van ons leven van toepassing verklaren. Zo volledig en juist mogelijk zullen wij zelf ons ideaal in de praktijk moeten nastreven, terwijl wij er tevens op moeten letten, dat dit ideaal niet aan anderen, aan medemensen, zo dwingend wordt opgelegd, dat zij daartegen in verzet komen.

Misschien klinkt dit laatste u wat vreemd. Misschien herinnert u zich de tijd van het drankverbod in de USA. Het gevolg van dit ingrijpen in de vrijheid van de mensen was, dat het drankverbruik, kort na het van kracht worden van deze wettelijke maatregel, schrikbarend omhoog liep.

Het gevolg is nu nog merkbaar, want veel meer dan vroeger is in de USA het drinken van alcoholica een sociale gewoonte geworden. Degenen die meenden de drank te moeten bestrijden en niet slechts het misbruik ervan – drankbestrijding is wel degelijk ook een ideaal – hebben niet begrepen, dat het beter is de mens iets anders aan te bieden, dat praktischer, prettiger, goedkoper is, iets, wat meer sociaal prestige geeft misschien, dan eenvoudigweg het niet gewenste te verbieden zonder daarvoor iets anders in de plaats te stellen.

Als u een ideaal heeft en een medemens er toe wilt brengen dit ideaal tenminste in zijn praktische betekenis te aanvaarden en te volgen, dan zult u er ook zorg voor moeten dragen, dat u die ander niets wegneemt, zonder hem allereerst iets van meer waarde en betekenis te geven.

Laat ons aannemen, dat u vol bent van de schoonheid der klassieke muziek. U leeft op bij van Beethoven, Tsjaikovski, Chopin, Mozart, de liederen van Hugo Wolf etc. Dit alles is in uw oren vol schoonheid en schittering. De ouverture van de Parsifal klinkt u niet in de oren als een reeks van geluiden, maar als een wonder barok bouwsel van klanken, die tezamen een machtig schouwspel uitbeelden. U wilt ook anderen hieraan deel laten hebben, want deze muziek ontroert u, maakt u innerlijk beter, schenkt u rust. Probeer nu de populaire muziek, de rock ‘n roll e.d. te verbieden ten voordele van de klassieken. Voor u het weet, luisteren velen die een enkele keer naar meer klassieke werken luisterden, nu hier niet meer naar. Verbied de mens zijn nog enigszins beschaafde lichtere muziek en voor u het weet, dreunen de klanken van het oerwoud weer op in verborgen hoeken en worden zelfs de ergste muzikale excessen beluisterd in geheimzinnig gesloten studeerkamers.

Wanneer u begrijpt, hoe de mens op onnodige dwang reageert, zult u anderen niets willen ontnemen. U laat de jongelui hun rockband, maar tracht hen daarnaast een appreciatie bij te brengen voor andere en door u meer gewaardeerde muziek. Geef toe, dat hun eigen muziek niet slecht is, maar voeg er bij, dat ook in andere muziek veel schoonheid ligt. Maak het aan jonge mensen mogelijk op eenvoudige en goedkope wijze in het bezit van klassieke werken te komen en draag er zorg voor, dat er een zeker prestige aan verbonden is, wanneer zij ook openlijk hiernaar luisteren. U kunt er dan van overtuigd zijn, dat de meeste jonge mensen voor gans hun verdere leven een appreciatie voor de klassieken zullen blijven behouden. U hebt dan praktisch gehandeld. Uw werk draagt dan het stempel van een praktisch idealisme. U hebt daarvoor natuurlijk zelf veel werk moeten doen. Maar elk praktisch idealisme vraagt in de eerste plaats een grote zelfwerkzaamheid. Zelf doen! Wanneer ergens de slagzin van deze dagen: “Do it yourself” past, dan is het zeker op dit terrein. Het zelf schilderen en vervaardigen van meubels, tafels en poten, die allen een verschillende lengte hebben bv. is lang niet zo belangrijk niet. Laat u nooit verleiden de vervulling van uw idealen van anderen te verwachten.

Altijd weer hoor je de mensen zeggen: “Men zou toch moeten…” Dat voert alleen maar tot onaangename situaties. De aannemers roepen op het ogenblik: “De staat moet inzien, dat men onze winsten niet verder beperken kan. Zij zal daar iets aan moeten doen…” De arbeiders roepen al even hard: “Wij willen meer loon hebben”. “Daar moet de staat iets aan doen…” Zij roepen niet: “Wij gaan ons winstpercentage herzien en rationeler werken”, of: “wij zullen langer en harder werken om meer te verdienen….” Neen, “men” moet hier maar voor zorgen!

Het wordt altijd wel weer mooi gezegd, maar zij vragen allen hetzelfde: Zekerheid en welvaart. Men verlangt een redelijk levenspeil en enige luxe. Men vergt een goede sociale verzorging, maar men wenst gelijktijdig een inkomen zonder risico’s te verkrijgen en onafhankelijk van eigen prestaties, of men wenst bovenal de vrijheid om winsten te maken ten koste van anderen. Men heeft een voorstelling van de ideale maatschappij, zowel bij de werkgevers als bij de werknemers, maar zij weigeren zelf hieraan iets meer te doen dan onvermijdelijk blijkt en wensen de rest aan anderen over te laten. Maar wanneer je een ideaal hebt en dit wilt gaan verwerkelijken, wanneer je eisen aan het leven, of aan de maatschappij gaat stellen, moet je ook kunnen begrijpen, dat hieraan bepaalde consequenties verbonden zijn. Wanneer de aannemers bv. wensen dat de prijsvorming helemaal vrij zal zijn en zijzelf dus hun prijzen zullen kunnen bepalen, dan moeten zij de consequenties daarvan opnemen. Zij zijn dan vrij, maar ze zullen ook alle andere mensen, particulieren, beunhazen, instellingen en andere instanties geheel vrij laten zijn om zelf personeel aan te trekken en zullen dezen bij het volvoeren van een project dezelfde rechten dienen te hebben als de aannemers in kwestie. Ook voor de werknemers zou een dergelijk voorbeeld te geven zijn. Maar beide zijden wensen dit niet. Zij wensen in bonden georganiseerd te zijn en zo hun wil ten koste van anderen door te zetten.

Wanneer je eist dat jou vrijheid wordt gegeven op alle gebied, moet je ook beseffen dat anderen een dergelijke vrijheid niet ontzegd kan worden en dus gevolgen van die vrijheid ook voor u voelbaar zullen zijn. Ben je niet bereid de gevolgen te dragen, al is dit in de vorm van verliezen, of stakingen, dan doe je er beter aan te zwijgen. Zo gaat het in de hele wereld en vooral wanneer het gaat over iets, wat maar naar een ideaal zweemt. Wanneer je iets verlangt van anderen, of voor anderen, zul je allereerst zelf de gevolgen uit je ideaal moeten trekken.

Wanneer er mensen zijn, dames, die de mode onzedelijk vinden nu de rokken weer op de knie komen, is het niet voldoende met woorden te protesteren. Men moet op zeer duidelijke manier laten blijken, hoe men er over denkt, bv. door demonstratief een rok te gaan dragen die zelfs de enkels bedekt en dit vol te houden, of men u nu uitlacht of niet. Dus niet zoals een dominee met geld van de kansel af, spreken over het verderfelijke van de te veel onthullende mode en de gevaren van het gemengd baden, om vervolgens naar het zuiden te gaan, waar mevrouw in bikini rondloopt en met volle instemming van haar echtgenoot en dominee met luxe, veel onthullende toiletjes loopt te showen in Nice, om dan weer terug te komen in eigen standplaats en zich weer te tooien met lange rokken, hoge collen en droevige gezichten. Zoiets deugt niet.  In de praktijk moet je alles doen, wat je anderen als wenselijk, of noodzakelijk voorhoudt. Wanneer de pastoor zegt, dat vasten verdienstelijk en noodzakelijk is, dan zal hij zelf als eerste honger moeten lijden.

Begrijp mij goed. Ik wil hier geen enkele instelling aanvallen. Iedere mens heeft m.i. verder het recht, zonder anderen te schaden, precies te doen wat hij wil, of hij nu burger, militair, dominee, of pastoor is. Maar dan ook niet anderen iets voorhouden als ideaal. Indien u bij onze Orde hoort, zult u niet de straat op moeten gaan om anderen verdraagzaamheid te prediken, maar u zult voor alles zelf verdraagzaam moeten zijn, dag in dag uit, zonder enige uitzondering, ook wanneer u dit moeite kost. Ook wanneer u zo nu en dan alleen in een stil kamertje moet vluchten om alle lelijke woorden te zeggen, die u een paar dagen binnen hebt weten te houden.

Dan alleen bereik je iets. Praktisch idealisme begint, mijne vrienden, met een weten wat je wilt, en het zelf doen. Geen grote theorieën opbouwen. Geen dikke delen schrijven over hetgeen anderen zouden moeten doen. Zelf eerst doen. Zelf in de praktijk brengen en ervaren, wat je anderen zou willen voorhouden, of leren.

Wanneer men ergens in het oosten stelt, dat een zware industrie moet worden opgebouwd en het volk offers moet brengen daarvoor, is dit nog aanvaardbaar. Maar wanneer degene, die dit telkenmale weer verkondigt, dan in een nagemaakte Rolls-Royce rijden gaat en leeft, zoals hij wil, leeft als God in Frankrijk, dan heeft hij zijn stellingen en het ideaal, waarop zij berusten, tot een aanfluiting gemaakt. Op het ogenblik dat iemand die een meerdere is, een ouder tegenover een kind, staatsman tot zijn volk, kerkvoogd tot een kerk, anderen iets voorhoudt en dit zelf niet beter en eerlijker doet, dan heeft hij al zijn stellingen, alle leringen waardeloos gemaakt.

Wanneer u als ouder tegen uw kinderen zegt, dat zij niet mogen liegen – het is uw ideaal hen te maken tot eerlijke en rechtschapen burgers – en u zegt tegen Marietje, als er iemand met een rekening komt: Zeg maar dat ik niet thuis ben… dan brengt u haar er toe elke eerlijke verklaring als een soort leugen te beschouwen. De waarde van uw opvoeding en uw gezag lijden hieronder, ook wanneer u dit niet direct bemerkt. De kinderen zullen later even vrolijk en vlot liegen als u.

Elke verklaring over eerlijkheid wordt immers zo een zielige leugen. Wanneer een staatsman vertelt dat men dit of dat zal gaan doen en dit later stilzwijgend terzijde schuift, heeft hij daarmede letterlijk verklaard, dat hij niet te vertrouwen is en dat al hetgeen waar hij voor staat, zover het hem betreft, een leugen is. Stelt hij, dat het volbrengen van het beloofde niet mogelijk was, dan geeft hij zichzelf een brevet van onbekwaamheid, daar hij beloften heeft gedaan die hij niet na kan komen.

Praktisch idealisme vergt eerlijkheid, maar niet, dat voor de idealist het ideaal onder alle omstandigheden heilig zal zijn. Het betekent, dat men zich ook in de praktijk daaraan voortdurend houdt en zich voortdurend inspant om het te verwerkelijken. Verder eist zowel menselijkheid als de praktijk van het streven, dat men zich steeds voor ogen stelt: ik heb niet het recht een ander mijn mening op te dringen, maar ik mag wel degelijk trachten hetgeen waarnaar ik streef, voor anderen zo begeerlijk te maken, dat zij met mij hiernaar gaan streven.

Ten laatste: Wanneer een ideaal bijna bereikt is, heeft het weinig praktische waarde, of inhoud meer. Zolang men streefde naar het recht voor de arbeider, was dat streven goed. Maar op het ogenblik dat de arbeider het recht in handen krijgt, wordt het ideaal tot een waanzin en de hanteerbaarheid ervan een illusie. Daarom moet steeds weer, wanneer het gestelde doel bijna bereikt is, een ander ideaal worden gekozen, dat een uitbreiding van het oorspronkelijke dan wel een verbetering op ander gebied betekent. Wanneer er een kerk op de wereld is, die zich tot doel gesteld heeft alle mensen tot deze denkwijze te bekeren en zij heeft dit doel bijna bereikt, dan wordt het tijd, dat zij zich een andere taak gaat stellen, anders zal er geen sprake meer zijn van vernieuwing en sterft zij aan de ouderdomskwaal der verkalking.

Een ideaal houdt de mens jong. Een ideaal is een voortdurende stimulans tot denken, streven en werken. Maar wanneer dit ideaal eenmaal bereikt is, betekent het stilstand. Doe er voor die tijd afstand van en zoek een nieuw ideaal. Praktisch idealisme vraagt een doel, dat inspanningen wettigt. Is de reden tot inspanning niet meer, of niet voldoende meer aanwezig, dan is het de hoogste tijd, dat men een nieuw doel kiest en verder gaat, vooraleer ook de mens lusteloos en oud wordt in denken en geest. De praktijk vraagt een persoonlijk leven, desnoods persoonlijk lijden en strijden voor een doel, waarin je gelooft. Dit alles op een wijze die niet wereldvreemd is, maar zich steeds weer de moeite getroost een ieder zo nodig duidelijk te maken, wat men wil en waarom men het wil. Een belangrijke taak van de idealist is het ook, door eigen leven en werken, anderen duidelijk te maken, hoe waardevol en begeerlijk het nagestreefde doel is.

  • Voor particulieren kan dit verdraagzaam zijn nog door te voeren zijn, waar je zelf de verantwoordelijkheid kunt opnemen. Moeilijker wordt het in dienstverhoudingen als bij ambtenaren en militairen. Daar wordt het onverdraagzaam zijn je vaak voorgehouden als een plicht.

Met mijn antwoord moet ik voorzichtig zijn, omdat ik hier ook rekening moet houden met de stoffelijke bepalingen, die daaromtrent nu eenmaal bestaan. M.i. geldt: Wanneer je als ambtenaar moet handelen tegen beter weten en denken in, wanneer je weet dat de dingen die je als ambtenaar tot stand helpt brengen, niet zuiver en verantwoord zijn, is het je plicht je ontslag te nemen en je zo van de noodzaak tegen beter weten in te handelen, te bevrijden.

Indien je militair bent, ben je deel van een organisatie die à priori onverdraagzaam moet zijn. Een leger is nu eenmaal de stoffelijke uitdrukking van menselijke heerszucht, menselijke angst en menselijke onverdraagzaamheid. Wanneer je meent, dat hetgeen zo’n leger doet, of zou kunnen doen, voor jou, volgens je geloof en levensopvatting, niet deugt, kun je beter de vervangende burgerplicht volbrengen. Dus niet: Onttrek je aan leger etc., maar eenvoudig, weiger op de wettelijk zo juist mogelijke wijze, datgene te doen, wat jouw inziens niet goed is.

Dit brengt ongetwijfeld consequenties mee in de privésector, die minder aangenaam zijn. Daarnaast geldt, wanneer normen en regels rechtvaardig zijn, maar anderen trachten ze terzijde te schuiven, zul je moeten optreden, zodat die regels wel kunnen worden aangewend.

Onverdraagzaamheid hoeft hierbij niet op te treden, waar men zich in een dergelijk geval immers wendt tegen een toestand, niet tegen een persoon. Integendeel, zelfs dan zal men de personen sparen, zover dit mogelijk is. Blijkt, dat regels en voorschriften niet in overeenstemming te brengen zijn met hetgeen je innerlijk aanvoelt als ideaal en goed, dan heb je je van alles, wat met die regels enz. samenhangt, zoveel mogelijk los te maken.

Voor de gemeenschap zou een dergelijke wijze van handelen door enkelingen ongetwijfeld grote voordelen hebben. Wanneer elke ambtenaar die zich in zijn ambtelijke staat als overbodig, of niet noodzakelijk gevoelt, het werk vandaag neer zou leggen, zou een aanmerkelijke correctie ten goede optreden in een bestuursapparaat, dat op het ogenblik slechts zeer moeilijk te hanteren is. Dit laatste vloeit ook voort uit het feit dat de staat niet en masse wil ontslaan, terwijl elk departement zoveel mogelijk arbeidskrachten ter beschikking wil houden, ook wanneer dezen niet direct nodig zijn. Wanneer in een leger iedereen zou zeggen: Dit is onzinnig, hieraan doe ik niet mee, zou het zelfs een generaal moeilijk vallen nog iets te bereiken. Ik meen dat iemand die deel uitmaakt van een leger en niet duidelijk te kennen heeft gegeven dat hij, ongeacht de consequenties daarvan, verder geen deel uit wil maken, zich volgens de regels van dit leger zal moeten gedragen. Wie meent dat de militaire dienst en het leger strijdig zijn met zijn levenshouding, zal zich eenvoudig tot de gemeenschap moeten richten en duidelijk maken, dat hij niet wenst deel uit te maken van de militaire macht en bereid is in plaats daarvan andere diensten te verrichten als ziekenverpleger, arbeider, enz.

Belangrijk is steeds weer, dat de mens zelf de gevolgen van zijn overtuiging weet te aanvaarden en niet zegt: Ik ben gevangen in een systeem, waaraan ik niet kan ontkomen. Van een praktische idealist mogen wij toch wel in de eerste plaats eisen, dat hij offers weet te brengen voor zijn ideaal en weigert in te gaan op iets, wat met dat ideaal strijdig is. Hij dient er zich niets van aan te trekken, dat hem dit misschien zijn baantje kan kosten, of zelfs jaren gevangenisstraf. De eerste christenen waren dergelijke idealisten. Zij stierven liever dan drie korrels wierook te offeren op het altaar van een God waarin zij niet geloofden.

  • Nu merk je pas, hoe moeilijk het leven is.

Nu merk je pas, hoezeer de mens zich geketend en gekluisterd heeft aan het onbetekende, alleen door zijn onwetendheid over hetgeen het leven in feite behoort te zijn.

Wij zouden het op prijs stellen, wanneer u de verdraagzaamheid als uw eigen ideaal zou kunnen aanvaarden. Het betekent ook de gevolgen ervan te aanvaarden en niet maar alleen de steun van anderen te genieten en genoegen te hebben aan het ideaal.

De vrije geest in de sferen.

Er zijn bepaalde punten die de mens in doorsnee ontgaan. Wanneer wij spreken over de vrije  geest, moeten wij ons realiseren dat de vrijheid van de geest over het algemeen beperkt wordt door zijn voorstellingsvermogen en zijn bewustzijn. De vrije geest die werkelijk vrij is om zich in elke sfeer te bewegen, moet bewust zijn in de hoogste sfeer. Elke hogere sfeer houdt de mogelijkheid van alle lagere sferen in. Indien u als mens werkelijk bewust bent van alles, wat dit inhoudt en betekent, dan bent u meester over alle sferen die lager dan de wereld liggen en zult u zich daarin – geestelijk – ook kunnen bewegen. De geest, die in de sfeer is, is dus altijd vrij voor elke ervaring naar beneden, en is belemmerd voor de eerste fase naar boven toe, en in de hoogste fasen zelfs absoluut gebonden. Zij kan daar dus niet binnen gaan, doch ten hoogste daar, door een ander, die zich van deze sfeer gans bewust is, binnen worden gebracht. Deze situatie is aanleiding tot vele eigenaardige pogingen. Ik hoop deze toestand iets duidelijker te maken door enkele belevingen weer te geven. Aan de hand van mijn eigen belevingen wil ik trachten iets weer te geven en u te tonen van de vrijheid, waarmee de geest zich door de sferen beweegt en welke eigenaardige consequenties daaraan o.m. verbonden zijn.

Ik was aan Zomerland ontgroeid. Dit is een wat pijnlijke gebeurtenis. Het is, alsof je wereld opeens geheel verandert. Ik voelde mij als een jongen die voor het eerst in zijn leven tot de conclusie komt, dat meisjes niet alleen maar vervelende wichten zijn en daarom – zij het zeer gedeeltelijk – zijn onverzorgd uiterlijk wat begint te soigneren. Evenals zo’n jongen wist ik eerst niet goed, hoe ik mij gedragen moest. Ik was daar in mijn wereld, waarin de beelden langzaam weg waasden en in de plaats daarvoor nevelige klanken, kleur en licht kwam. Iets, wat vol betekenis was, maar dat mij moeilijkheden opleverde, als ik het ontcijferde. Uiteindelijk kon ik zelfs nog iets verder gaan in een wereld, waarin de nevelige klanken geheel weg sterven en alleen de warrelingen blijven van kleuren en lichtende waarden. Een sfeer, waarin het caleidoscopisch Scheppingswerk zich in steeds andere aspecten openbaart.

Na enige tijd meende ik, dat het tijd werd wat werk te gaan doen en bracht dus allereerst een bezoek aan Zomerland. Nu dacht ik aan Zomerland, zoals ik het altijd had gezien: een Dorisch tempeltje, een leerschool, tuinen, vijvers en een bos vol van zingende vogels en wonderlijke bloemen. U zult begrijpen, dat ik vreemd stond te kijken, toen ik bij mijn neerdalen mij opeens bevond in een woestijn, vlak bij een enkele oase. Even meende ik, dat er iets verkeerd was gegaan. Toen herinnerde ik mij, dat ik geleerd had, dat wijzelf het Zomerland helpen maken.

Door mij niet af te stellen op een bepaald landschap, of een bepaalde vormwaardering, maar op een mentaliteit, was ik bij geesten terecht gekomen, die een geheel andere indruk hadden over wat een hemel of Zomerland zou kunnen zijn. Ik heb nog geluk gehad, dat ik een juiste geestelijke instelling had, anders was ik misschien in de eeuwige strijd van een Noors Walhalla terecht gekomen, of te midden van de strijd in de Eeuwige Jachtvelden van de Indianen Je kunt in Zomerland alle voorstellingen van wereld en hemel vinden, die er in de mensen maar bestaan. Want alles, wat de mensen zich kunnen indenken als geluk, is immers in Zomerland aanwezig.

Het kostte mij wat tijd mij aan toe passen aan deze verandering van vormen, vooral, omdat ik geneigd ben deze steeds weer te herleiden tot mijn nieuwe en geen vormen kennende bewustzijn van lagere en hogere trillingen. Het bleek mij onmogelijk op deze wijze ook maar voor korte tijd in een bepaald landschap te blijven vertoeven. Ternauwernood had ik in de oase contact met een mens gekregen, of ik bevond mij – door verandering van instelling – opeens in een hemelwereld. En van daaruit verhuisde ik, voor ik het wist, naar een klein dorpje, wat armelijk, wat stoffig en toch met een zonnige glans.

In mijn nieuwe toestand moest ik eerst leren de waarde van de werelden beneden mij aan te nemen en niet in alles, wat ik rond mij zag, mijzelf en mijn wereld mede te interpreteren. Verontschuldig mij de vergelijking, maar zoals de mens soms denkt dat het hier haast menselijk is en het allerhande eigenschappen toeschrijft, die het in feite niet heeft; zo was ik geneigd in de Zomerlandwerelden mijn eigen bewustzijn mede te interpreteren, zonder mij te realiseren hoe groot het verschil tussen deze beide sferen wel was; toen ik trachtte tot de stof terug te gaan, werd het voor mij nog veel moeilijker. In de eerste plaats, omdat je als geest niet aan de tijd gebonden bent. Zolang mijn zoeken in hoofdzaak gebaseerd was op de trillingen van mijn eigen wereld, bracht dit mij in vele verschillende scènes, die o.m. in het verleden liggen. U zult het u misschien moeilijk voor kunnen stellen, maar bij mijn eerste poging bevond ik mij – eeuwen geleden – in een alchemistische werkplaats bij Florence. Even later bevond ik mij in een andere eeuw – in een klooster in Zwitserland. Weer wat later was ik – kort geleden in tijd – in Indië. Gezien deze wisselingen vond ik weinig of geen mogelijkheid tot uiting. De wisseling van scènes leerde mij opnieuw, dat ik mijzelf eerst moest ontdoen van alle wereldvoorstelling buiten het hoogst noodzakelijke, om in tijd en ruimte tot een bepaling te komen van het punt, waar ik wilde werken en beleven.

Het lijkt zo gemakkelijk voor een vrije geest uit de sferen om eens even naar beneden te gaan en bv. voor de O.D.V. een praatje te gaan maken. Daaraan zijn heus nog wel eens wat moeilijkheden verbonden. Wij kunnen alleen hier komen, wanneer wij een juiste afstemming vinden.

Nu zoeken wij onze instelling hoofdzakelijk bij het medium. Gezien een paar eigenaardigheden daarin, is het voor ons betrekkelijk gemakkelijk dit te vinden en te bestemmen. Om echter steeds het noodzakelijke contact te kunnen vinden, is er blijvend enig contact door middel van een geestelijke wisselwerking. Wij vangen voortdurend bepaalde impulsen van het medium op.

Omgekeerd zullen wij het medium kunnen helpen, beïnvloeden, of hanteren. U zult begrijpen, dat elke beperking gelijktijdig een tijdelijke en vrijwillige onvrijheid betekent.

Een vrije geest uit hogere sfeer is vrij, vooral wanneer hij zijn weg naar de sfeer heeft gevonden waarin alle licht zelfs verwaast en daarvoor alleen het Zijn zelf als een gouden schijn blijft bestaan. U zou geneigd zijn te stellen, dat zo iemand dan toch wel alle dingen precies kan beleven, zoals hij wil. Om echter – ook als vrije geest – in de sferen af te dalen, moet je steeds meer waarden van het ik achter laten. Men heeft u misschien wel eens verteld, dat je dan een voertuig op moet bouwen. Dat is natuurlijk wel waar. Maar vooral voor de hogere geest is dit lang niet zo noodzakelijk, als het tijdelijk uitschakelen van bepaalde delen van het bewustzijn, die in de lagere wereld niet meer begrepen kunnen worden en die zich aan de waarden van die lagere wereld daarom onttrekken. Zo kom je dan vanzelf tot een steeds meer leren omtrent het wezen van de meest verschillende werelden en toestanden. Je komt daardoor soms in pijnlijk komische situaties te verkeren.

Ik grijp nu als voorbeeld terug op de tijd, dat ik nog behoorde tot de wereld van kleur met klank, dus met iets lagere trillingen gemengd. Voor ik geheel had geleerd mij in lagere sferen goed te bewegen, ontstond voor mij de noodzaak iemand af te gaan halen, die juist was overgegaan.

Het was iemand, die ik goed kende. Ik trachtte hem zo snel mogelijk te ontmoeten en dacht over verschillen in wereld en begrip niet na. De goede man had daarop opeens de indruk, dat hij binnen in een suikerpaasei zat. Hij begreep niet, dat deze straling mijn wezen was. Ik dacht er niet over na, dat de ander mij niet kon herkennen en begon te praten. Hoe meer ik praatte, hoe wonderlijker het voor die mens werd. Kleuren veranderden zonder rijm of reden – voor hem tenminste. Alles, waar hij maar aan dacht, ontstond voor hem binnen mijn wezen, omdat ik op hem was afgesteld en probeerde contact met hem te krijgen. Eerst toen ik mij herinnerde, dat ik mijzelf aan die mens moest aanpassen en dus mijn persoonlijke vrijheid en mogelijkheid van beleving aanmerkelijk had beperkt, zag hij mij als een gestalte.

Nu het ergste. Weet u, wat hij tegen mij zei? “Kerel, wat heb ik op je staan wachten. Ik dacht: Hij zal mij toch zeker af komen halen? Nu laat je mij zolang in de ellende zitten. Wat er gebeurd is, weet ik niet, maar ik heb in een soort suiker paasei gezeten, dromen heb ik gehad van kleurige mist en weet ik al wat meer. Hoe kon je het mij toch aandoen, dat je zolang bent weggebleven?” Stelt u zich mijn verlegenheid voor, toen ik moest bekennen, dat ik het geweest was. Wanneer je deze belevingen in woorden tracht om te zetten, voel je pas goed, dat zij op zijn minst genomen, vreemd zijn en voor de stofmensen onbegrijpelijk.

Onbegrijpelijker zal het voor u waarschijnlijk nog zijn, wanneer ik u tracht duidelijk te maken wat er kan gebeuren wanneer een geest met een ander meegaat naar een veel hogere wereld.

Laat ik als voorbeeld alleen maar eens vertellen, hoe het is, wanneer je één enkele sfeer hoger gaat, dan je eigen wereld is. Zoals ik reeds opmerkte, zijn wij daar in onze vrijheid beperkt. Je komt in zo’n sfeer binnen en staat daar dan ongeveer als een kind van 3 jaar, dat tussen volwassenen in het snelverkeer verzeild raakt. Natuurlijk is er altijd wel iemand die ons vasthoudt en er voor zorgt, dat wij geen kwaad doen. Maar wij zijn dan gebonden aan degenen die ons mee willen nemen, of ons beschermen en kunnen zeker niet overal gaan, zoals wij zelf het zouden willen.

Op een keer heb ik getracht nog verder door te dringen in de lichtende werelden. De kleuren begonnen te verbleken. Uiteindelijk bleef alleen het witte licht. Dat is een soort van zilveren schijn, die eigenlijk hoofdzakelijk in je eigen wezen trilt en rond je weerkaatst wordt door op zich niet kenbare wezens, of dingen. Dit licht begon mij te beheersen. Ik dacht bij mijzelf: nu ga ik eens de grootste wijsheid leren, die hier bestaat, want dat doe ik nu eenmaal graag. Het kostte mij veel moeite om contact te krijgen, maar toen ik eenmaal dat contact had gemaakt met een wezen van die sfeer, vroeg ik: “Broeder, u bent zo ver gevorderd. Geef mij a.u.b. een wijsheid, waardoor ik mijzelf meer bewust kan worden en een hogere sfeer kan betreden”. Het heeft mij heel veel moeite gekost te begrijpen, wat er geantwoord werd. Het begrip leek mij eerst een soort luchtwerveling in het zilver rond mij; meer niet. Eindelijk kreeg ik toch het gevraagde op voor mij begrijpelijke wijze door. Het kwam hier op neer: Alle dingen zijn beweging, ook jijzelf.

De beweging zelf is het leven. Bij het uitschakelen van de beweging eindigt het leven, maar begint het ware Zijn …. Zoek dat maar eens uit, dacht ik. Het was overigens ingewikkelder, dan het nu klinkt, want er zaten nog enkele begrippen bij die ik niet kan vertalen. Ja, wanneer ik u het gelijk zou kunnen laten horen, zien, voelen en als een emotie doormaken, zou ik dit heel misschien nog kunnen benaderen. In ieder geval was ik in staat het merendeel van deze les mee te nemen naar mijn eigen wereld. Ik heb er veel over nagedacht, heb het probleem bestudeerd op alle mogelijke wijzen. Dat is de vrijheid van de geest: wanneer zij onderzoeken wil, ligt heel de kosmos en alle tijd voor haar open, zover zij deze maar bevatten kan.

Het resultaat dat ik uiteindelijk bereikte, zal ik weer zo goed mogelijk omzetten in woorden.

Wij spreken van een geestelijke en een stoffelijke wereld, van sferen en vormen. Maar al deze dingen zijn uiteindelijk niets anders dan een voortdurende beweging. Het is de beweging die voor ons bewustzijn altijd het voertuig is. Wij denken nu wel dat iets een vaste vorm kan zijn, of een droom, of een Zomerland, maar in feite is dit alles alleen maar een bewegen met verschillende frequenties. Er is een voortdurende wisseling van waarden die wij steeds weer ondergaan. Deze bepaalt voor ons de vorm van Zijn, die wij ervaren en de vorm, waarin wij onszelf denken. Wanneer men leert begrijpen, dat zolang het bewustzijn gefixeerd is, dus is vastgelegd aan bepaalde normen en grenzen, er een voor ons vaste wereldvorm optreedt, als gevolg van dit denken. Hoe minder de gedachte aan vaste normen en vormen is gebonden, hoe meer zij overal deel aan heeft, hoe minder er ook van een vaste persoonlijkheid – buiten het bewustzijn om – sprake kan zijn. Maak je jezelf neutraal, dan groei je steeds verder, maar zal je gelijktijdig aan alle echte verschijnselen onderworpen zijn, die er maar zijn. Echoverschijnselen zijn in feite harmonische verschijnselen.

Harmonie wil niet slechts een bepaalde vorm van eenheid, of samenklinken uitdrukken. Het begrip houdt tevens in, dat je op andere waarden reageert. Het harmonische principe kun je het beste zien, wanneer je op een piano één enkele toon aanslaat. Dan kun je nagaan, welke snaren er verder nog mee trillen en in welke mate dit geschiedt. Elke gebeurtenis die met ons wezen en zijn harmonisch is, zal in ons een betrekkelijk sterke trilling opwekken. Een vast voorstellingsvermogen is niet in staat deze indrukken verder te verwerken. De snaar is a.h.w. gedempt en kan niet doorklinken, er is geen tijd om het harmonisch gebeuren geheel te realiseren.

Voor een vrije geest in de sferen bestaat deze demping niet. Dit wil zeggen, dat een mij bereikende impuls geheel door mij wordt opgevangen en wordt doorvoeld vanuit mijn eigen persoonlijkheid. Er is geen sprake meer van een meebeleven door telepathie, maar een geheel mee beleven door identificatie. Dit is voor de bewustwording natuurlijk goed, wanneer het hier maar om één enkele impuls tegelijk gaat.

Er zijn zo onnoemelijk veel punten in het heelal, waarmee je harmonisch bent; er beroeren je zoveel gedachten, beelden, impulsen en handelingen, dat het een grote warboel dreigt te worden. Wanneer meerdere harmonische klanken elkaar samen treffen, ontstaat een akkoord, waarin een eigen klank te beluisteren valt door intermodulatie van trillingen. Dit akkoord heeft een geheel eigen eigenschap, die niet behoort aan alle tonen afzonderlijk. Zo gaat het bij ons ook: Wij ontvangen alle trillingen. Soms zullen wij ons geheel op één enkel aspect van de ons bereikende harmonische verschijnselen afstemmen en dan één enkele beleving geheel delen.

Waar wij bij een stijgen in sfeer steeds eenvoudiger worden, zullen wijzelf een ganse reeks ervaringen samen zien vloeien in ons wezen, tot een voor ons afzonderlijk bestaande en geheel aan ons wezen aangepaste ervaring. Wij weerkaatsen in onszelf a.h.w. het geheel meerdere malen, maar met een eigen waarde.

Denkt u eens aan een caleidoscoop, waarin kleine stukjes glas die steeds dezelfde blijven, harmonische en afgeronde gehelen vertonen. Op deze wijze is het nu bij ons ook. Wij zien een steeds afgerond beeld van het heelal, dat in zijn samenstelling gelijk blijvende, in zijn betekenis steeds wisselt. De vrije geest die dit wil uitschakelen en dus wil bepalen welk deel van het beeld zij wil beleven, zal alle in het bewustzijn zetelende stukjes binnen het Ik tijdelijk moeten verwijderen, om met zo weinig mogelijk echo’s in het Al een zo groot mogelijke innerlijke harmonie te bereiken met een bepaald punt, een bepaalde tijd, of een bepaalde persoon. U zult deze dingen soms zelf kunnen beleven, vooral, wanneer u geestelijk iets vrijer begint te worden en uw geest niet voortdurend meer gebonden is aan de materie en alles wat daarmee samenhangt, dan wordt deze echo, dit verschijnsel van harmonie met de kosmos binnen het ik, ook voor u steeds duidelijker beleefbaar. Deze echo spreekt u aan, heeft u iets te zeggen, maar de oorsprong ervan zult u niet gemakkelijk kunnen herkennen.

Onthoudt u daarom dit eens: Ook wanneer je nog niet een vrije geest in de sferen bent en misschien niet eens een werkelijk vrije mens, zo zijn er in je leven een hele reeks van waarden, die steeds gezamenlijk op plegen te treden en waarmee je harmonisch bent. Wij zeggen wel eens, dat je in de wereld alleen datgene ziet, wat je er in wilt zien en alleen datgene kunt zien, wat in jezelf bestaat. Op deze wijze is dit zeker waar. Al, wat er in je leeft, wekt een echo, zodra iets, wat harmonisch is, buiten je gebeurt. Daardoor trekt dit je aandacht en valt het je onmiddellijk op. Een ander zal aan diezelfde kleine dingen steeds weer onwetend voorbij gaan.

Deze verschillen maken het je mogelijk de inhoud van je eigen wezen beter te bepalen en op den duur zelfs bepaalde harmonieën in jezelf te scheppen, die in de wereld buiten jou een snellere en betere reactie mogelijk maken.

Nog een kleine geschiedenis, die natuurlijk weer bij de hemelpoort zich afspeelt. Ik weet niet hoe het komt. Misschien ben ik in mijn eigen gedachten een tijdlang bij de een of andere hemel hulpportier geweest. In ieder geval denk ik daar steeds weer aan.

Petrus stond aan de hemelpoort. Hij had zojuist zijn baard een beetje bijgetrimd en keek nu heel tevreden de lange weg af, die naar de hemel voert. Juist wilde hij zijn aandacht gaan wijden aan de tak, die naar de beneden afdeling van de eeuwigheid voert, toen hij – nog ver op de weg – een ezeltje aan zag komen draven. Het was een heel aardig ezeltje, grauw, met een zwarte plek op het voorhoofd en twee lange oren, waarvan er één een klein beetje naar beneden hing. Met zijn stevige kleine hoeven, die glansden alsof zij gepoetst waren, draaide het beest de hemelweg op en bleef voor de poort staan.

“Wil je in de hemel?” vroeg Petrus.

“Ia”, zei de ezel.

“Kun je niets anders zeggen?”

“Ia”.

“Doe het dan”, zei Petrus lachend en verwachtte niet dat er meer dan een “ia” zou komen.

Het ezeltje was geen gewoon ezeltje, want het kon spreken. Daarom zei het tegen Petrus:

“Hoor eens, apostel, ik ben de achter-achter-kleinzoon van het ezeltje dat Jezus op Palmzondag heeft gedragen bij Zijn intocht in Jeruzalem. Gezien deze gewichtige familierelatie en mijn niet onverdienstelijk leven, zou ik graag in aanmerking komen voor een plaatsje in de hemelstallen”. Petrus verloor bijna zijn apostolische waardigheid: “Maar ezels komen nooit in de hemel”.

“Ia” zei de ezel, maar hij schudde zijn hoofd, want hij was het er helemaal niet mee eens. Hij bleef staan. Petrus, die wel een goed hart had voor ezels, wilde niet zonder meer weigeren.

“Ik zal het eens aan een ander vragen” en Petrus verdween achter de gesloten hemelpoort. Daar vond hij uiteindelijk gehoor bij Gabriël, de bode. Die wist wel wat Petrus tegen het ezeltje moest zeggen.

“Als het werkelijk een aardig ezeltje is, kunnen wij er misschien wel iets aan doen. Uiteindelijk is het geen ezel, maar de geest van een ezel. Stuur het beestje naar de aarde, laat de geest daar een korte tijd in een mensenlichaam wonen, dan kan de ezel op grond van vroegere verdienste binnengaan, wanneer hij als mens terugkomt.”

“Maar zou dat niet erg lastig zijn om een ezel te zijn en als mens te leven?” vroeg Petrus.

“Wel neen, ik kom wel meer op de wereld en ik kan je verzekeren, dat het verschil tussen sommige mensen die zich belangrijk vinden en belangrijk gevonden worden en een ezel alleen een kwestie van vorm, of misschien wel helemaal symbolisch is”.

Petrus was het met die uitspraak niet helemaal eens. Dat is te begrijpen, want, Petrus is ook mens geweest en ook wel eens dwaas geweest. Hij sjokte naar de hemelpoort toe en deelde het ezeltje mee: “U mag er wel in, maar dan moet u eerst even naar de aarde om mens te worden”. Het ezeltje zei niets, zelfs geen “ia”. Het ging langzaam en met hangende oren naar de splitsing van de weg, waar een bordje staat: “De Brede Straat”. Nu weet het, dat de brede straat van de geest voert naar het stookhuis van onderen. Daar draafde het op de hellepoort toe. Petrus stond van agitatie aan zijn pas getrimde baard te trekken. Hij is bovendien nogal erg nieuwsgierig en zo kwam het, dat hij een ogenblik later zijn poort sloot, een engeltje neerzette om te waarschuwen, wanneer er gebeld werd, en met een touw over de hemelpoort zich tot vlak boven de ingang van het helse domein liet zakken.

De duivel stond vreemd te kijken, toen daar opeens een ezeltje voor zijn deur stond. “Wat moet dat hier? Wil jij misschien de hel in?” bulderde hij.

Ia”.

“Ik kan wel zien, dat je een ezel bent”.

“Ia”.

“Ga weg, of ik neem mijn drietand en prik je weg. Ik kan je hier niet gebruiken”.

“Hoor eens, broer, ze willen mij daarboven ook al niet hebben”.

“Dat is een aanbeveling, maar kun je ook nog meer dan praten?” vroeg de duivel.

“Ia”.

“Ik heb anders nog nooit een ezel op vier poten in de hel gehad, maar ik zal het eens aan grootmoeder vragen”.

De duivel ging naar zijn grootje: “Er wil een ezel binnen komen”. Grootmoe dacht niet verder na, lachte eens en meende: “Degenen die bij jou terecht komen zijn allemaal ezels, jongen. Haal hem maar gauw binnen, voordat hij wegloopt”.

Dat deed de duivel. Daarmee begon de last voor hemel en hel tegelijk. Wanneer een arme ziel zich lijdend en wenend voorover buigt, komt het ezeltje, geeft een trap met zijn achterpoten en daar vliegt die arme ziel al de hemel binnen, precies op de plek, waar Petrus heeft zitten kijken, toen het ezeltje de hel in ging.

Dat was niet prettig voor Petrus, die de hemel een beetje exclusief wil houden en ook niet prettig voor de duivel, die al een bevolkingstekort in zijn afdeling zag dreigen. Daarom zijn zij samen naar de Vader gegaan en hebben Hem gevraagd: “Heer, doe hier a.u.b. iets aan. Want met dat ezeltje is geen huis te houden.”

“Dan is er maar een ding. Het ezeltje heeft hier bewezen dat het wijzer is dan een heilige, handiger dan een duivel en verstandiger dan een mens, want buiten Mijn Zoon is er nog niemand in geslaagd zielen uit de hel in de hemel te krijgen, zonder de officiële instanties er mee lastig te vallen.”

God stuurde Jezus om het ezeltje te halen. Wat die twee onderweg hebben besproken, weet niemand. Zo nu en dan tref je het ezeltje wel eens op aarde aan en het trapt nog steeds zo nu en dan een paar zielen de hemel in, die anders ergens anders terecht zouden zijn gekomen. Wanneer u met zo een iemand in contact komt, die zo stompzinnig op zijn rechten blijft staan, dat u daardoor over de rechten van anderen leert nadenken, zou dat het ezeltje wel eens kunnen zijn. Wees daarom verdraagzaam, want je weet nooit, of je ook niet een harde trap nodig hebt om de eeuwige zaligheid te kunnen bereiken.

image_pdf