Praktische achtergronden

uit de cursus ‘Occult practicum’ (hoofdstuk 10) – februari 1967

Praktische achtergronden

In het occultisme – en daaronder verstaan wij het totaal van de z.g. geheime wetenschappen – vinden wij voor de mens altijd weer de noodzaak om uit te gaan van niet‑bewezen stellingen, zich te baseren op ervaringswetenschappen en in zeer vele gevallen ook door zelfsuggestie en suggestieve werkingen naar buiten toe bepaalde resultaten mogelijk te maken. Dit houdt in, dat een deel van het z.g. occulte niet is gebaseerd op de menselijke werkelijkheid, maar moet zijn gebaseerd op de synoniemen en resonansen die in de gehele natuur bestaan. Of deze nu wél of niet in de normale wereld tot expressie komen, is van weinig belang.

Als wij bv. aan bepaalde planeetwerkingen bovendien een achtergrond in een der oude elementen toekennen, als wij de oude elementen verdelen in mannelijke en vrouwelijke of als wij uitgaan van een tweede werkelijkheid of van de verschijnselen van een slechts als hypothese bestaande vierde dimensie, gebruiken wij in alle gevallen een uitdrukkingswijze, waardoor het onmogelijke voorstelbaar wordt, niet‑bewust erkende harmonieën toch kunnen worden geactiveerd en het niet‑uitdrukbare een formulering kan krijgen, die voor onszelf – inclusief de geestelijke en emotionele achtergronden – nog net hanteerbaar is.

U zult begrijpen dat dit in de praktijk zeer vele problemen en moeilijkheden, maar ook mogelijkheden met zich brengt. Ik zou graag enkele punten naar voren willen brengen t.a.v. de meer gekende en algemeen gebruikte verschijnselen die tot het occulte worden gerekend. En dan denk ik hier allereerst aan de prognose, aan de techniek der voorspellingen.

Vele mensen gaan uit van het standpunt, dat een prognose ofwel een toeval is, dan wel een zuivere wetenschap. Geen van beide is waar. De occulte prognostiek ‑ zelfs indien het een vooruitzien van scènes betreft ‑ is gebaseerd op wat men noemt: de lijn der mogelijkheden. In de prognose zal er dus altijd een keuze plaatsvinden. Het is de kwestie van “ja” of “neen”, zoals we dit ook in de computertechniek tegenkomen. Het eindresultaat van de voorspelling is dus een aantal selecties, die op “ja” en “neen” zijn gebaseerd. Daarbij kan op elk knooppunt een verkeerde keuze zich voordoen. Naarmate echter meer wordt gewerkt met deze techniek der voorspelling, blijkt er in het “ik” een zekere bias (een bevooroordeeldheid) te ontstaan t.a.v. de in het gemeenschappelijk bewustzijn van de mensheid bestaande maximale en optimale tendensen. Er ontstaat dus een keuze, waardoor de zekerheid van een juist gericht kiezen aanmerkelijk groter wordt.

In de praktijk is men geneigd om ‑ als het over prognoses gaat ‑ te beginnen met ingewikkelde voorspellingen en technieken. Indien wij deze achtergrond in aanmerking nemen, zouden we het veel eenvoudiger kunnen doen. De laatste keuze is immers een onderbewust proces. Het is een proces dat niet berust op verstandelijke kennis en ook niet op inspiratie zonder meer. Het eigen bewustzijn en onderbewustzijn, het alomvattend bovenbewustzijn van de mensheid spelen hierin een grote rol. Willen wij dus werken met een prognostische techniek en willen wij ons die aanleren, dan is het het verstandigst een aantal vragen te stellen ten aanzien van toekomstige gebeurtenissen. U kunt dat betrekkelijk eenvoudig doen.

Bijvoorbeeld: Zal Ajax de volgende wedstrijd winnen of niet? Of als u daarin geen interesse heeft. Wint of verliest de K.V. P. bij de verkiezingen? Of desnoods: Zal de eerste, die voorbij komt, een jongen of een meisje zijn? Al die mogelijkheden zijn er. Als wij een vraag kiezen, waarop het antwoord “ja” of “neen” kan luiden, dan hebben wij dus een normale kans van 50%. In werkelijkheid ligt dat wel een beetje anders. Maar wij kunnen aannemen, dat er voor 50% kans is dat wij juist kiezen.

Als wij deze proeven nu regelmatig herhalen, dan zal op een gegeven ogenblik blijken, dat het percentage juiste antwoorden toeneemt. Wij hebben op 100 van deze vragen bv. 75 keer juist gespeculeerd en 25 keer onjuist. Verder leren wij zien op welk terrein wij de vraag het gemakkelijkst juist beantwoorden. Want niet elke vraag heeft op hetzelfde betrekking, neem ik aan. Door op deze manier gedurende enige tijd proeven te nemen vergroot men dus niet alleen eigen vermogen tot prognostisch reageren, maar erkent men bovendien die vlakken of punten van het bestaan, waarop eigen prognostisch vermogen de grootste weerklank, de grootste harmonische mogelijkheid vindt. Door deze eenvoudige methode gedurende enige tijd te volgen blijkt, dat men in staat is om op den duur in 9 van de 10 gevallen een juiste predictie te geven voor vaak zeer complexe feiten.

Nu zult u begrijpen dat in een voorspelling, die vele factoren (keuzemogelijkheden) inhoudt, het percentage aanmerkelijk zal dalen. Maar dat is niet zo belangrijk. Wij blijven nog ver boven het gemiddelde van de normale kansberekening; en dat moet ons eerste doel zijn. Zodra we weten, dat bij een prognostisch denken meer dan normaal kan worden verklaard, ontstaat zelfvertrouwen.

Zelfvertrouwen is voor de mens wederom zeer belangrijk. De mens die aarzelt, is gespannen. U kunt dit met een spierreactie vergelijken. Iemand die overtuigd is dat hij een bepaalde prestatie kan volbrengen, werkt gecoördineerd, soepel en in feite ontspannen. Degene, die niet zeker is van zichzelf, is geneigd zich te forceren. Hij presteert in verhouding dus minder met meer moeite. Zelfvertrouwen geeft die nodige ontspannenheid, waardoor ‑ zelfs met een eenvoudige spierprestatie ‑ het maximum bereikbaar wordt.

Ook voor geestelijke waarden, geestelijke reacties, zelfs voor doodgewoon mentaal werk als bv. rekenen, blijkt dit het geval te zijn. Naarmate men zekerder is van zichzelf, zal men gemakkelijker en juister reageren. Dat wil niet zeggen dat men de juiste antwoorden geeft, maar het wil zeggen dat men een maximale prestatie levert met een minimum aan vermogen en aan vermoeidheid.

Hierop kunt u zich dan weer baseren en zeggen: Naarmate ik meer zelfvertrouwen heb, zullen de voor mij eerst wat wonderlijke waarden van instinctief aanvoelen, van inspiratie en zelfs bepaalde geestelijke invloeden normaler, en zonder afzonderlijk te worden bezien in het geheel, worden geïntegreerd. Mijn totale prognose zal door deze integratie aan finesse, aan betrouwbaarheid, ja zelfs aan juiste detail‑omschrijving winnen, terwijl gelijktijdig de mogelijkheid tot een geforceerd verkeerd beslissen (door verstandelijke of instinctieve overwegingen) wordt uitgeschakeld.

 Als ik dit zeg voor prognostisch werken en denken„dan moet u be­grijpen dat dit ook geldt voor elke occulte bezigheid. Zelfs als het gaat om contemplatie of meditatie, deze toch wel zeer abstract aandoen­de toestanden, waarvan geen werking naar buiten wordt verwacht, zien wij dat zelfvertrouwen en een zekere geoefendheid een belangrijke bijdrage tot goede resultaten leveren of tot het verkrijgen van betere mogelijk­heden.

Ik mag dan eenvoudigweg het volgende constateren:

  1. Zelfvertrouwen dient gebaseerd te zijn op reeds bereikte prestaties plus aangevoelde mogelijkheden. Zodra één van beide ontbreekt, zal een wanprestatie het gevolg zijn.
  2. Elke werking kan worden teruggebracht tot 2 factoren. Bij contemplatie kan dit zijn: beschouw ik wel of beschouw ik niet mede het onderwerp van mijn contemplatie.
    Bij prognose kan het zijn: deze weg of gene weg. Zodra wij alles herleiden tot 2 factoren, is het mogelijk een zekere beheersing te verkrijgen en een zekere controle te gewinnen. Herleid het totaal van uw occulte bezigheden – zodra het gaat om oefening – tot 2 facetten: positief en negatief. Tracht voorlopig geen verdere detailleringen te vinden.
  3. Ga met zelfvertrouwen volgens de bovenbeschreven weg te werk en controleer uw resultaten eerst nadat zij tot stand zijn gekomen en niet tijdens de totstandkoming. Op deze wijze voorkomt u, dat uw denken, uw mentaliteit of uw verwachtingen u bedriegen in uw be­reiking.

Na deze eenvoudige punten, die voor u toch ‑ naar ik meen ‑ belangrijk zijn, willen we de achtergrond gaan beschouwen van de resonans die er kan bestaan tussen mensen of tussen krachten. Een groot gedeelte van het occulte is immers daarop gebaseerd. Wat zijn nu de factoren, die voor een dergelijke resonans in aanmerking komen; en waarom moeten wij daarbij een bepaalde indeling hanteren?
Een resonans is mogelijk tussen gelijke of vergelijkbare waarden, mits zij een onderlinge aanvullingsmogelijkheid bezitten. Dat is een ingewikkelde regel, maar ik hoop dat u deze goed wilt overdenken.
Als twee snaren van gelijke lengte met elkaar in resonans zijn, kan de resulterende toon hoogstens iets worden versterkt, meer niet. Zodra echter een tweede snaar gaat meeklinken, verandert het timbre; er ontstaat een gemakkelijker waarneembaar verschijnsel. Wij zeggen daarom: Resonans heeft altijd plaats tussen ongelijksoortige waarden, die echter in wezen of werking vergelijkbare mogelijkheden bezitten.
Resonans is bv. man ‑ vrouw. Vrouw ‑ vrouw kan wel een harmonie geven, maar in de meeste gevallen geen verrijkende resonans, omdat een gelijkheid in elementaire aanleg een onmiddellijke verrijking belet. Vrouwen, die qua argument met elkaar in contact zijn, zullen elkaar goed begrijpen; zij zullen elkaars elementen versterken en daarmee het expressieve element, maar ook vaak het excessieve element in hun discussie bv. vergroten. Indien echter een vrouw met een man wordt geconfronteerd, zal de vrouw op de man moeten reageren. In haar discussie zal zij dus in haar vrouwelijk denken de elementen van een mannelijke logica of denkwijze moeten introduceren. Omgekeerd wordt de man geconfronteerd met de – volgens hem redelijk niet te volgen – conclusies van de vrouw, die echter voor hem nog voldoende betekenis hebben om zijn eigen argumentatie daaraan aan te passen. De samenwerking betekent dus een verrijking van denken en van argument bij beiden. Ik weet dat dit een onvolledig voorbeeld is, maar het is toch ‑ naar ik meen ‑ verhelderend.
Op dezelfde wijze kun je zeggen, dat bv. aarde en water gelijke elementen zijn. Zij worden beschouwd als vrouwelijk. Als zij met elkaar in contact komen, ontstaat er alleen maar modder. Als we datzelfde zeg­gen van vuur en lucht, dan zien wij dat een ontmoeting van vuur en lucht eenvoudig meer vuur en meer luchtverplaatsing veroorzaakt. Maar als ik vuur met aarde in aanraking breng, dan ontstaat er iets anders. Door de gloed ontstaat er uit de aarde iets, wat geen vuur en geen aarde meer is. Het kan een gefixeerde vorm zijn: bv. een vloei­baar gesteente, dat een nieuwe verrijking van de aarde betekent; het kan een vuurtest zijn, waarin vuur kan worden bewaard. Als ik vuur en water met elkaar in aanraking breng, dan ontstaat er stoom. Er is dan een nieuw verschijnsel (waterdamp), die voor de aarde belangrijk is, maar die niet zonder meer tot die aarde behoort. Daar­door ontstaat er bv. neerslag en de mogelijkheid tot vruchtbaarheid.

Op deze manier kan men dus ‑ ook wat de elementen in de oude formulering betreft ‑ zeggen: Er is een aantal waarden, die ‑ wanneer zij samentreffen ‑ iets nieuws creëren.

In het occultisme hebben wij aan een resonans alleen iets, als zij een verrijking betekent. Niet een versterking, maar een verrijking. In het occulte is een harmonie op zich dus aanvaardbaar; zij kan een vergroting van kracht of van mogelijkheden geven. Maar een werkelijke resonans volgens vooromschreven waarden betekent: het creëren van het nieuwe; een nieuwe mogelijkheid, een nieuwe toestand, een nieuwe situatie. Deze creatieve factor is de verklaring van de werkelijk scheppen­de processen en de werkelijk kenbare fenomenen, die in het occulte zo vaak worden geciteerd en zo zelden worden geproduceerd. Het is duidelijk dat deze achtergrond ook hier kan leiden tot een paar heel simpele richtlijnen en veronderstellingen.

1. Een fenomeen is nimmer het resultaat van twee gelijksoortige krachten die samenwerken, maar van twee verschillende krachten, die met elkaar in resonans kunnen komen en daardoor een kracht veroorzaken, die in beide afzonderlijk niet aanwezig is.

2. Indien ik in het occulte iets wil bereiken ‑ onverschillig op welk terrein ‑ kan ik dus nimmer volstaan met harmonie. Daarmee kan ik alleen het bestaande versterken. Ik moet altijd een contact zoeken met het andere (het a.h.w. aan mij enigszins tegengestelde), dat op mij kan inwerken en waarop ook ik inwerk. De dan ontstaande kracht en de dan ontstane verschijnselen liggen buiten het kader van het normale, het natuurlijk te verwachten verschijnsel.

3. Indien ik dus wil werken met de krachten van het z.g. geheime, het duistere of het occulte, is het voor mij belangrijk na te gaan, welke elementen in mijzelf ‑ geestelijk en ook stoffelijk ‑ dominant zijn. Ik zal in mijn werken altijd vermijden op deze krachten een be­roep te doen. Ik zal een beroep doen op de krachten, die aanvullend of desnoods tegengesteld kunnen werken, mits daarvoor in mij nog een voldoende begrip en een voldoende ontvankelijkheid bestaat.

Weer eenvoudige regels. Maar regels, die kunnen bijdragen tot het veran­deren van het menselijk begrip.

Het is aardig tot u te zeggen dat er geen onmogelijke dingen be­staan. In zekere zin is dat waar. Het is heel aardig te zeggen dat u alles kunt. En ook dit is principieel waar. Maar u kunt die dingen al­leen waar maken, indien u de achtergrond begrijpt, waartegen de verschijn­selen tot stand komen. En dat is nimmer de perfecte evenwichtigheid. Het is het werken van tegengestelde waarden. Het is het werken van krach­ten, die niet aan elkaar gelijk zijn, ofschoon zij in hetzelfde vlak actief kunnen zijn.

Zo kunt u vanzelf doorgaan naar de voor velen wel zeer belangrijke denkbeelden van bv. spiritisme, spiritualisme, magnetiseren, eventueel bepaalde yogi‑gebruiken en wat dies meer zij. Ook hier ziet men heel veel mensen die ermee werken; maar men ziet slechts weinigen die er werkelijk een goed resultaat mee bereiken. Hoe komt dat?
Elke mens heeft persoonlijke kwaliteiten en eigenschappen. Ik kan natuurlijk proberen mijzelf te forceren. Een vrek zou zichzelf ervan kunnen overtuigen dat het noodzakelijk is aalmoezen te geven. Maar omdat hij elke aalmoes betreurt, zal hij de vreugde van het geven niet kennen en daarmee de kracht, die uit het geven kan voortspruiten, evenmin ervaren.
Wij moeten dus nagaan: wat zijn onze eigenschappen? Wat ligt voor ons ‑ ook al ligt het misschien buiten de norm van ons denken en bestaan ‑ nog binnen het kader van het aanvaardbare. Iemand, die tegen zichzelf in handelt, kan denken daarmee door een offer veel te bereiken. In de praktijk loopt het op niets uit. Het offer moet in de eerste plaats voor het “ik” ergens aanvaardbaar zijn of worden erkend als onvermijdelijk. Pas als dat het geval is en er dus een accept in het “ik” aanwezig is, is het mogelijk er ook iets mee te doen, er iets mee te bereiken. Hier hebben we dan een grondprincipe van de magie. We zullen trachten ook dit in een paar regels te formuleren.

  1. Het is onmogelijk te werken met krachten, die men als volledig onaanvaardbaar ziet of erkent.
  2. Het is onmogelijk om met resultaat te werken met krachten, die men als volledig aan zich onderworpen erkent.
  3. Het is niet mogelijk resultaten te bereiken door handelingen, riten en wat dies meer zij, tenzij men voor zich deze eerst heeft aanvaard; en wel, zonder dat men zich van de juistheid ervan be­hoeft te overtuigen met kunstmatige elementen.

Dan volgt daaruit een tweede reeks. En die zegt:

  1. De samenwerking van ongelijkwaardige krachten, waarden, persoonlijkheden of sferen resulteert in het ontstaan van kenbare en aanvaardbare verschijnselen. Het kenbaar of het aanvaardbaar resul­taat is zeer belangrijk. Zolang dit niet optreedt, heeft men de juiste werkwijze nog niet gevonden.
  2. Het resultaat, dat men zoekt, bepaalt het punt van uitgang, wanneer men de resonans‑mogelijkheden voor zichzelf nagaat. Want niet elke mogelijke resonans bergt in zich gelijksoortige mogelijk­heden. In de resonans zal vaak slechts één principe gelijk bestaan in bv. twee persoonlijkheden of twee werelden. Elke andere motivering maakt het contact en de resonans waardeloos en eerder tot krachten verbruiken dan tot kracht of fenomeen scheppende waarde.
  3. Wie in het occulte veel wil bereiken, zal allereerst zijn eigen wezen en denken moeten nagaan. Slechts wie daarvan uitgaat, kan de juiste, niet aan het “ik” gelijke of gelijkwaardige krachten en mogelijkheden vinden, waardoor een actie buiten het “ik” bereik­baar wordt.

Als u dit nu ook heeft overwogen, dan begint er zich geloof ik voor u zo langzamerhand wel een beeld te vormen. Ik had in plaats van prognostiek ook heel gemakkelijk kunnen spreken over geestelijke genezing of iets dergelijks. Of we hadden het net zo goed kunnen hebben over de mogelijkheden van telekinese als over die van gedachten‑lezen. Maar voor al deze dingen geldt hetzelfde beginsel. In die achtergrond zijn wijzelf de voor ons beheersbare en daardoor de meest belangrijke factor. Ons besef, ons bewustzijn, ons innerlijk bepalen echter t.o.v. welke krachten, verschijnselen en mogelijkheden in het leven (van de geest en van de stof) voor ons een zekere waarde is gelegen. Die waarde moeten we dus ook bepalen. Als u een geest aanroept en u wilt een mooi sonnet scheppen, dan moet u geen spotgeest oproepen. En als u vreugde wilt scheppen voor een ander, is het niet goed daarvoor een demon op te roepen. Dat is duidelijk. Er moet een gelijkheid zijn en er moet een verschil zijn. Daarom: Stel u alle krachten, waarmee u samenwerkt of denkt samen te werken (suggestie kan ook een rol spelen), steeds zo voor, dat zij voor u een bepaalde eigenschap of een bepaalde hoofdbestreving bezitten. Door dit te doen zult u ‑ zelfs indien de voorstelling op zichzelf zinloos is en alleen in u enige realiteit kan gewinnen ‑ toch het vermogen tot afstemming van het “ik” op andere waarden, waarin wel een soortgelijke resonansmogelijkheid aanwezig is, tot stand kunnen brengen.

Wie tot God bidt, krijgt soms verbinding met iets heel anders. Maar door zich tot God te richten met een bepaald doel en een bepaalde verwachting t.a.v. die God, wordt bepaald met welke waarden een resonans kan worden bereikt.

Resonans is ‑ en dat moet u goed onthouden ‑ wanneer de eerste impuls is uitgezonden, geen vrijwillige maar een automatische procedure. Indien er dus een voldoende selectie is, kan de geest bv. u dit contact (deze resonans) niet ontzeggen. Maar wanneer de geest op de stof inwerkt, zal ook de stof haar een zekere resonans niet kunnen ontzeggen, mits de waardes waarop ze in hun bestreving gebaseerd zijn, ondanks de verschillen, voldoende gelijk is.