Praktische bewustwording

uit de cursus ‘Algemene zelfvorming’ (hoofdstuk 10) – juli 1960

Wanneer wij spreken over iets, wat u praktische bewustwording noemt, zo moeten wij er rekening mee houden, dat de mens in zich verschillende werelden draagt. Deze werelden worden vaak vergeleken met de elementen. Elke mens heeft dan ook nog volgens de wetten van de oude astrologie een bepaald element, dat voor zijn stoffelijk wezen preferent is. Echter draagt elke mens deze symbolische elementen in zich en zij zijn bepalend voor het totaal van zijn leven en zijn werken. Ik zou u gaarne hierover willen spreken.

Het eerste element is water. Water is de natuurlijke kracht. Het kent geen vaste wil; het kent ook geen vasthoudendheid of vastheid van vorm. De mens die beheerst wordt door het waterelement, is zwak van wil. Hij heeft echter in zich enorme energieën. Het water kan nl. op elke geringste druk reageren met een volheid van kracht in alle richtingen. Zo moge de mens die in zich dit element van zwakheid ervaart, de mens die voor zich het gevoel heeft dat dit fluïde denken hem beheerst, zich realiseren dat elke handeling die hij verricht, niet slechts in een richting, maar in alle richtingen werkzaam is. In de wetten van de magie betekent dit dat de mens, in wie het element van water overheerst, niet in staat is gericht magische werkingen tot stand te brengen. Over het algemeen rekent men dat een groot gedeelte van het menselijk wezen, zeker lichamelijk, aan het waterelement zal toebehoren. Elke onbeheerstheid die daarin bestaat, brengt dus met zich mee een in alle richtingen werkende reactie op elke daad, die binnen dit kader wordt gesteld.
Realiseer u dat de z.g. gerichte zwakheid vaak sterkte kan zijn; doch dat alle ongerichte, alle willoze zwakheid ten allen tijde een demonisch karakter draagt, voor de bewustwording een grote belemmering betekent en de mens voor een reeks van onnodige verwikkelingen en dan noodzakelijk geworden ervaringen stelt.

Het tweede element is aarde. Aarde is vast. Een indruk wordt hier bijna niet gemaakt; en wanneer zij al gemaakt wordt door een daad, blijft zij gegrift en gegraveerd. Zo kan worden gesteld dat de mens in wie de aarde overheerst een sterk geheugen zal hebben, zal zijn gebonden aan sterke gevoelens van trouw en genegenheid, maar ook van haat en afkeer. Ook dit element komt in de mens normalerwijze sterk voor. Hier is het aardelement, mits het water mede werkzaam is, vaak de mogelijkheid om de schijnbare aanpassing – de zwakte van het primaire en vloeibare element – om te zetten in een gerichte stroming. De mens is dan nog niet in staat om zijn wezen en daden volledig te beheersen. Hij kan echter – krachtens dat deel van zijn wezen, dat geacht wordt tot de aarde te behoren – dit kanaliseren. Hij kan dus de stroomrichting van zijn belevingen bepalen. De vorm van bewustzijn die hierbij hoort, wordt dan ook wat hoger aangeslagen.

Het derde element is lucht. De lucht is ijl en verspreidt zich. Zo is het element lucht in de mens zijn opvatten van al wat rond hem is; een intens doordringen in alle dingen maar gelijktijdig een bewogen worden door krachten buiten zijn beheersing. Wij kunnen de storm, die in ons woedt als wij tot het luchtelement behoren, niet geheel meester zijn. Het luchtelement brengt enerzijds een zeker altruïsme met zich, een aanvaarden van de wereld, een zien van grotere lijnen en voorkomt kleinheid. Het is echter niet in staat om een gerichtheid te bestendigen, dan wel – wat toch ook belangrijk is – het geheel samen te brengen tot een conclusie.

Het volgende element in de mens wordt vuur genaamd. Het symbool ervan (de vlam) geeft reeds aan dat hier sprake is van een huwen van twee der andere elementen: lucht en aarde. Het water, de volledige onbeheerstheid, is de vijand van het vuur. De mens die het vuur kent, zal door het vuur gelouterd worden. In zijn leven ontmoet hij vaak lijden en hij zal sneller gekwetst of diep gekrenkt zijn dan anderen. Indien hij echter in staat is dit te overwinnen, loutert hij zichzelf zeer snel.

Het laatste element ether, is levenskracht. Levenskracht bezit elke mens. Maar de bewuste of de wetende ether is drager van het totaal der geestelijke invloeden. Zolang de lagere elementen de mens overheersen, zal hij niet in staat zijn zijn geestelijke capaciteiten ten volle te gebruiken. Hieruit vloeit voort, dat hij in de beperking zijn hoogste vermogens en hoogste krachten misbruikt of niet gebruikt. Heeft hij echter begrip voor de kracht van de ether, die in de mens omgeschakeld kan worden als het leven van gevoel en denken, zo zien wij daarin komen de grote realisatie en bewustwording, de eenheid met het licht.

In deze reeks van elementen heb ik u het principe gegeven van de wetten die de mens beheersen. Iedereen is een menging van deze elementen; althans van hetgeen waarvoor zij een symbool zijn. Gij kunt daaraan niet ontkomen. Gij kunt ook de verhouding der elementen in uzelf niet zonder meer wijzigen. Een mens die tracht zichzelf te veranderen, verandert de schijn van zijn wereld, maar is intenser aan zijn oorspronkelijk wezen gebonden dan voordien. De mens echter die zijn wezen weet te richten, zal in waarheid beleven wat hij is. Hij zal het totaal van zijn vermogen (lichamelijk, verstandelijk en geestelijk) kunnen ontplooien en zo binnen de begrenzing van het hem toegewezen voertuig tot de grootste prestatie kunnen komen.

Wij geloven in een ingrijpen van de goddelijke Kracht door middel van goddelijke wetten. Ook dit grijpt terug naar de oude kennis der magie, die alle tezamen ons een beeld geven van kosmische kracht en kosmische wet. Voor een praktische bewustwording is uit dit beeld van het Goddelijke, geconfronteerd met de niet-harmonische uiting van elementen binnen het menselijk wezen, zeker lering te trekken. Waar gij uzelf niet kunt veranderen, kunt gij betrouwen op de goddelijke wetten om te corrigeren.
Er is voor u niets onmogelijk dan datgene wat door de goddelijke wet voor u, in uw wezen en samenstelling, onmogelijk wordt gemaakt.

Er is niets in het leven nutteloos. Alle dingen hebben hun zin en betekenis in een kosmisch geheel. Stel u nu voor, dat gij als mens, een mengsel zijnde van de verschillende door mij omschreven elementen, tracht in het dagelijks leven uw bewustwording zo veel en zo juist mogelijk te bevorderen. Dan zult ge zoals de leerlingen uit het verre verleden u moeten richten op deze lessen:

Erken uzelf zover ge kunt, maar weet niet te veel van uzelf.

Houdt u niet met uzelf zonder enige beperking bezig. Slechts de mens, die het “ik” beschouwt als een centrum, waarin ervaring wordt verwerkt en van waaruit zo juist mogelijk oorzaak wordt geschapen, zal waarlijk goed leven en daardoor snel bewust wor­den.

Wee echter de mens die voortdurend alles op zichzelf blijft betrekken zonder meer. Hij zal voor zich slechts die ervaringen naar voren brengen, die in zijn wezen reeds overheersend zijn. Dit betekent dat hij veel van het oude herhaalt, zonder nieuwe waarden daaraan toe te voegen. Het leven wordt daardoor betekenisloos. Als ge beseft dat leven een noodzaak en een verplichting is, is de tweede taak te beseffen welke invloeden voor u daarin belangrijk kunnen zijn.

In de eerste plaats geldt wederom het stoffelijk vermogen. Ken vooral die punten waarop gij zwak bent, waarop gij onbeheerst bent. Ken verder in u het stoffelijk belang en de stoffelijke redelijkheid, die uw zwakte beperken. Tracht voor uzelf zin te vinden in de wereld en tracht al wat u in die wereld als onaangenaam voorkomt, te beschouwen als een louterend element. De beproeving die u wordt opgelegd heeft zin, ook wanneer deze niet onmiddellijk en verstandelijk kenbaar is.

Leer uw denken dus te richten op de grote Kracht, de goddelijke Kracht. Hierin zult gij een verbinding vinden met Panthees, de God in alle dingen rond u. Het contact met deze Godheid blijft voor u stoffelijk. Stel u dit niet geestelijk voor, maar erken dat God tot u spreekt uit alle dingen en u in alle dingen steunt.

Hebt ge zo uw stoffelijk wezen geprepareerd voor de geestelijke werkingen, dan kunt ge verdergaan. Leer uw denken voortdurend te richten – al is het maar een kort ogenblik per dag – in een sterke concentratie en afzondering van uw wereld op hetgeen voor u het meest belangrijke lijkt. Dit mag stoffelijk zijn, maar wij geven de voorkeur aan een doel dat meer geestelijk en dus meer betreffende het Al is georiënteerd. In dit denken zult gij steeds weer beelden voor uzelf terugvinden, die daarna als fantasmen op u af komen. Deze beelden zijn de weerkaatsing van uw wil en uw mogelijkheid. Er blijken daarin hiaten te zijn; hiaten, die worden aangeduid door angst of onbegrip en gevoelloosheid. Deze hiaten geven aan, waar gij zelf binnen de goddelijke wetten niet zult kunnen handelen en waar gij geen enkel gevolg of resultaat zult kunnen verwachten. Een besef van hetgeen onmogelijk is, maakt het de leerling mogelijk zich op het voor hem bestemde teren met de volle energie Erken daarbij noch schuld, noch verdienste, doch slechts toewijding.

Is deze fase bereikt, dan vinden wij – althans in de tijd waarin ik leefde – veelal een eerste inwijding. Besef wel dat geen enkele stoffelijke inwijding en geen enkel stoffelijk inwijding systeem volledig kan zijn. Een inwijding, die in u plaats vindt echter, zal in deze eerste fase betekenen: de juiste oriëntering van elementen binnen uw wezen. Het bevordert o.m. uw lichamelijk welzijn door de toepassing van het harmonisch principe. Daarnaast bevordert het de helderheid van uw denken.
In deze periode zult gij een groot geloof erkennen aan kracht in uzelf, waarvoor ge geen redelijk bewijs hebt. Op uw weg treden voortdurend voor u onbegrijpelijke en raadselachtige gebeurtenissen op. In vele gevallen zult ge getuige kunnen zijn van gebeurtenissen van niet volledig natuur­lijk karakter volgens menselijke zin; dus occult, paranormaal, magisch. Het besef van de ongekende wereld houdt in deze tijd nog niet in, een erkennen van de onzienlijke wereld. Alle visioenen, alle uittredingen en belevingen, die in een dergelijke tijd optreden, zijn een afschaduwing van het eigen “ik”. De waarden, die zij weergeven, zijn voor het “ik” belangrijk en juist. Zij bevorderen de bewustwording, maar geven geen direct contact zonder meer. Men vindt dankzij deze geestelijke belevingen en wat daarmee samenhangt, dankzij het wonder waarmee men geconfronteerd wordt, een nieuw levensdoel. De oriëntering zal in dit geval feller zijn, waarbij de factor tijd minder belangrijk wordt, maar de factor bereiking – hoe klein dan ook – op de voorgrond treedt. Het is voor hem, die nog in zijn praktische bewustwording zoekt naar werkelijke geestelijke inhoud, zeer belangrijk dat hij elke kleine bereiking ziet als een voldoening en dat hij daarnaast beseft, dat deze een trede is op de trap der oneindigheid, een schrede slechts op het pad der bereiking.

Zijt gij in staat datgene, wat geestelijk op u afkomt en dat voor u allen dus bereikbaar is, te ervaren als een persoonlijke interpretatie, zijt gij bereid om afstand te doen van uw persoonlijke belangrijkheid en de belangrijkheid van uw meer persoonlijke geestelijke contacten, dan begint een derde fase, die wederom geen aparte inwijder nodig heeft.
In deze fase is juist de eigen onbelangrijkheid geworden tot een God-aanvaarding. In deze God-aanvaarding valt voor het eerst het eigen denken, het eigen weten, het eigen voorstellingsvermogen terug voor meer kosmische waarden. In deze tijd ervaart de mens voortdurend weer kennelijke steun, ook al kan hij deze niet omschrijven: Hij heeft belevingen, waarvoor hij geen woorden kan vinden, maar die hem soms grote vrede, kracht of vreugde geven; in andere gevallen echter enige droefenis. Al deze gevoelens moeten verwerkt worden in het dagelijks leven. Zonder dit hebben zij geen of weinig betekenis.

Door deze voortdurende werking van het geestelijke, dat in het onbelangrijke “ik” wordt aanvaard, wordt men lots factor. Men dient dus dat deel van het lot, waarover mensen of geesten geen of weinig zeggenschap hebben. Het is dat deel van de goddelijke wetten, dat voor ons niet kenbaar is, dat voor ons niet omschrijfbaar is, maar dat op deze wijze beleefbaar wordt.

De benadering van het Goddelijke gaat nu gepaard met een zeer snelle en over het algemeen ook zeer vruchtbare occulte bewustwording. Geheimen van eens zijn nu normaal geworden. De meest wonderlijke filosofieën uit het verleden worden plotseling als een oude waarheid, die je erkent. Deze fase te kunnen bereiken in een menselijk leven betekent een grote geestelijke bereiking vooropstellen na de overgang; en verder een zo juist mogelijk leven en beleven in de stof, waarbij men ook voor anderen een volledig gerechtvaardigd deel van de kosmos is.

Ik zal zo dadelijk de inleider van deze avond verzoeken meer concrete voorbeelden te stellen. Ik wil nu echter nog kort wijzen op een ander aspect van een praktische bewustwording. Een aspect dat menigeen ontgaat. Veelal meent men dat een directe en praktische bewustwording voortkomt uit een verwerping. Anders gezegd: velen zoeken in de onthouding te vinden wat zij slechts in het leven kunnen bereiken. Velen zoeken door verwerping en veroordeling een punt van geestelijke rust te bereiken. Op het ogenblik echter dat zij dit doen, vervreemden zij zich van de goddelijke werkelijkheid en als zodanig zijn hun bereikingen van nul en generlei waarde. Het is noodzakelijk elk verschijnsel te benaderen in een positieve zin. Ontga niet aan datgene wat u afkeurenswaardig lijkt, maar tracht uw leven zoveel mogelijk te vullen met datgene wat u volgens goddelijke wet en goddelijke zin verantwoord lijkt. Maak uzelf geen verwijten. Een mens die zichzelf een verwijt maakt, is als een erfgenaam die zich beroemt op de glorie van een verre voorvader. Beroem u nooit op hetgeen het verleden had. Verwijt u nooit waar het verleden faalde. De grote waarheid, die geborgen ligt in elke inwijding, in elke directe bewustwording, is wel deze: wij smeden het heden. En de vorm van het heden is het zwaard, waarmee wij de toekomst beheersen. Niet wat was, kan ons meesterschap geven. Wat is echter betekent voor ons, dat wij leiding kunnen geven aan ons eigen lot.

Ook ontgaat het menig mens, dat slechts een wet voor allen gelijkelijk geldt. En deze is: “Erken de God die in en rond u is.” Deze erkenning is een bewustwordings noodzaak en zij behoeft niet eens te worden uitgedrukt in een bepaald begrip van God of goden. Zij moet echter als ervaring aanwezig zijn. Verder bestaat er geen enkele kosmische wet of goddelijke wet, die voor elke mens gelijk is. Vandaar dat gij uw eigen weg moet gaan en dat een ieder – of hij raaf is of leeuw, of hij zoeker is of Al-vader – hetzelfde ervaren heeft: “Slechts mijn eigen wet en de in mij erkende wetten Gods mogen mijn zijn regeren. Slechts aan de hand van de voor mij geldende wetten kan ik op de wereld reageren. Maar ik mag nooit van de wereld een gelijksoortige reactie verwachten.”

Ten slotte: erken bij elke praktische bewustwording dat gij op tenminste drie vlakken bewust zijt. Het eerste vlak is uw eigen wezen als geest. Dit is en blijft bewust en werkt voortdurend in stof en sfeer gelijktijdig. Het tweede deel is het totaal van uw stoffelijk weten. Dit beheerst uw handelingen en bepaalt een groot gedeelte van het lager of bewuste denken.
De formule daarbij is als volgt: de geest is de factor drie tot de derde macht; het onderbewustzijn de factor drie tot de tweede macht; het bewustzijn de factor drie.
Dit geeft de verhouding van beheersing van het menselijk leven aan; echter ook de waarde, die in de bewustwording geldt voor al wat in één der factoren gebeurt.
Vergeet dus nimmer dat het beter is juist te denken dan juist te geloven. Wees ervan overtuigd, dat het beter is te handelen dan juist te beseffen hoe men zou moeten handelen. Besef bovenal: dat slechts het innerlijk “ik” met volledige geldingskracht en bewijskracht het eigen leven kan maken tot lering. Gij kunt niets van anderen leren en anderen niets van u, dan datgene wat in hen aanwezig is. Wek de kracht op die in u is en gij zult daaruit de meest directe en ook de meest praktische bewustwordingswaarden kunnen vinden in uzelf en voor uzelf.

Voorbeelden

Wanneer wordt gesproken over de elementen in de mens, dan moeten wij goed begrijpen dat in elke mens een reeks van op zichzelf nauwkeurig omschrijfbare karaktertrekken wordt samengevoegd tot een niet omschrijfbaar karakter. Het is onmogelijk alle finesses te omschrijven. De grondwaarden die als elementen worden gebruikt zijn hier dus factoren uit geest en stof, die in de loop der tijden zijn gebruikt om de mens te scheppen, het menselijk voertuig te richten en te verbeteren. Zij behoren als zodanig onder de Heer der Wereld. Voorbeeld: U zult in uzelf zeer moeilijk alle kleine verborgenheden kunnen begrijpen. Wanneer ge tracht uzelf geheel te ontleden, zult ge uzelf verwarren in voortdurende tegenspraken. Bepaalde karaktereigenschappen echter zijn wel kenbaar. Ik wil u hier dus een paar van deze eigenschappen noemen, die u in uzelf kunt ontdekken.

Bent u geneigd om nederig te zijn en verheft ge u op uw nederigheid, zo mag u zeggen, dat hier een zuiver waterelement aan het woord is. Hier is een voortdurende verandering van waarden. Wees voorzichtig daarmee.

Als ge een ieder die ge hoort spreken gelijk geeft: water, m.a.w. instabiliteit. Deze dingen hebben geen zin, tenzij u er iets bijvoegt.

De vaste elementen van uw wezen zijn o.m. uw begeerten, die door scholing en de kracht van de geest zelf u worden ingelegd (daarnaast natuurlijk de stoffelijke begeerten) en ook de angsten, die uit dezelfde bronnen voortkomen. Wanneer u zich een bepaald doel hebt gesteld, waarmee uw eigen belangenwereld is verbonden, zult u daardoor zeer wel in staat zijn om alle op zichzelf wat onbeheerste impulsen en factoren zodanig te richten, dat het eigenlijke doel nog voortdurend zal worden nagestreefd.

Gij kunt dat natuurlijk niet doen zonder een voldoende kennis. Vraag u af: In hoeverre ben ik in staat om kennis op te nemen en wat voor kennis neem ik op? U zult ontdekken dat sommige mensen voortdurend feitenmateriaal verzamelen. Ze worden tot wandelende encyclopedieën vol met kennis. Dit is een bepaald aspect van het luchtteken, dat echter daarnaast – en haast onmiddellijk – ook een begrip voor de mens geeft. We zien dus twee factoren, de in uiterste tegenstelling voor het derde element zijn: een volledig technisch begrip met geen begrip voor de mens; een volledig begrip van de innerlijke mens, zonder begrip voor techniek. Erkent ge een van deze beide uitersten in uzelf, dan zult ge deze dus moeten combineren met uw doel.
Indien uw denken technisch is, heeft het geen zin te streven naar menselijkheid. Ge zult dan toch wel als mens leven, want ge zijt mens, maar ge zult uw structureel denken moeten gebruiken om daardoor uw doel nader te definiëren en zo voor uzelf de mogelijkheid te scheppen verder te komen.
Is echter uw wezen ingesteld op de mensheid, dan zult ge moeten trachten het doen en laten van de mensen te begrijpen en aan de hand van hetgeen ge uit mensen, hun gevoelens, hun reacties leert uw eigen acties en reacties verder te bepalen. De tweede weg staat geestelijk gezien iets verder, omdat zij – eenvoudiger dan een zuiver technisch en structureel denken – de mens tot eenheid brengt met zijn omgeving.

Het begrip ether of levenskracht mag m.i. worden uitgebreid, want het is ook tevens goddelijke Kracht en mag worden vergeleken o.m. met het fluïde dat kan worden uitgestraald; zij mag worden vergeleken met de levenskracht, die de voortplantingscellen beweegt; zij mag verder worden vergeleken met de verschillende vormen van bio-elektrische kracht, die in het menselijk lichaam voorkomen en die we ook daarbuiten soms erkennen. Deze etherkrachten zijn in de eerste plaats daadkracht. En wij mogen ons niet vergissen: Wanneer wij gaan stellen dat dit ether element belangrijk is, dan geldt dit alleen als zij bezielend werkt voor de lagere elementen. In eenvoudige vorm: al uw begeren, uw vrezen, uw wisselvalligheid, uw doel zoals ge het gesteld hebt, uw beheersing zoals ge die hebt gevonden, dit alles is alleen maar belangrijk, wanneer de bezielende kracht daar voortdurend in neerdaalt.
Zorg dat gij voortdurend voor iets begeesterd, enthousiast kunt zijn. Het is beter voortdurend enthousiast te zijn voor een voetbaltoto, dan zonder enthousiasme eeuwige waarheden na te streven. Want juist dit enthousiasme geeft het leven, intensifieert de levenskracht in de mens en geeft hem zo de gelegenheid om met zijn leven meer en beter te doen.

Het vuurelement, dat ik nog niet beschreef, moet worden gezien als de wil die men heeft, een zekere strijdvaardigheid. Op het ogenblik dat u strijdt tegen de wereld, kan dit heel goed zijn; mits deze strijd niet is gebaseerd op een ‘alleen tegenover de wereld staan’, maar eerder een ‘strijden voor de wereld met de wereld’. En kan het dan niet ‘met de wereld’, dan toch in ieder geval ‘voor de wereld’.
Elke strijd die zelfzuchtig is, ontaardt in een niet te dragen lijden.

Dit is het louterend element, waarover onze vriend sprak. Elke strijd echter, die gevoerd wordt met een groot doel, waarvan de verwezenlijking mogelijk blijft, mildert de louterende ervaring, de lijdensweg dus, die eventueel uit het vuur voortkomt, omdat men zich gesteund weet door het Grote. Dan wordt het leven veel gemakkelijker te dragen. Als u geestelijk iets wilt bereiken, dan wordt hier dus een formu­le gegeven. En die formule zou ik u ook graag even praktisch uiteen wil­len zetten.

Wanneer u op een geestelijk vlak bewust kunt worden, dan is de  krachtsverhouding ongeveer 9 tot l. Indien u echter verstandelijk u ergens van bewust bent, dan is het maar l tot l in de wereld. Dat wil zeggen dat elke verstandelijke actie en overweging (en vooral in het streven naar bewustwording zijn we soms geneigd om verstandelijk te zijn) maar een waarde heeft van 1 op 1. Zij is aan een voortdurende correctie van de wereld onderworpen. Komt daarbij het onderbewustzijn in het geding, dan is de waarde 3 tegen 1. Omdat nl. het onderbewustzijn een aanpassing mogelijk maakt, waardoor wij sterker staan tegenover de wereld. Maar pas de geest heeft de waarde 9 tegen 1.
En vergelijkt u dat nu eens even in idee van kracht. Hieruit kunt u leren, dat een praktische bewustwording voor de mens het eenvoudigst wordt, als hij zijn geestelijke inzichten en impulsen niet beredeneert maar aanvoelt; en dan volgens dit gevoelen reageert en handelt. Dit lijkt menselijk mis­schien erg dwaas en het kan vaak geheel in strijd zijn met wat het ver­stand zegt. Uiteindelijk is dit echter beter. Het brengt een beter levens­resultaat.

En nu nog een paar heel praktische dingen. Elke mens die ziek is kan, alleen door de kracht van de geest, de in­tensiteit waarmee hij dus aanneemt dat hij beter wordt of althans hierdoor iets beters bereikt, dit gebruiken om te genezen. Een zieke geneest door geloof, zegt men wel eens. In feite is het door een innerlijke zekerheid, die het hem mogelijk maakt innerlijke harmonie te herstellen. Elke mens die verdriet heeft – door verlies, door tegenslagen enz. – moet zich realiseren dat hij – wanneer hij dit beschouwt als een voorspel – in staat zal zijn zijn moeilijkheden te overwinnen, dat hij zijn verdriet overwint en dat het leven weer positief wordt. De mens die het verstan­delijk beziet, zal vaak zonder uitweg in het “niet” verzinken.
Elke mens die eenzaam is, kan deze eenzaamheid verdrij­ven door te beseffen dat geestelijk deze eenzaamheid nooit kan bestaan. Door een beroep te doen op de geestelijke krachten – niet als personen (want dan krijgen we een soort gedroomde theevisite), maar als kracht zon­der meer – zal men ontdekken dat de eigen belangstelling intenser wordt en dat men als heel toevallig steeds datgene in handen krijgt van mate­riaal, kleine taken, boeken, lezingen, muziek, die voor het “ik”op dat ogenblik goed zijn. Daardoor kan het “ik” zelfs in deze eenzaamheid een zo grote harmonie bereiken, dat de eenzaamheid wegvalt door het begrip voor de mensheid.

Wanneer u ooit moedeloos bent, neergeslagen, overspannen, onthoud dan dat dit een verschijnsel is door disharmonie in het “ik” veroorzaakt. Tracht dus zo harmonisch mogelijk de geestelijke kracht in u te laten werken. Tracht uw gevoelsbeleven te brengen op een peil, waarop u een ogenblik uzelf kunt vergeten en a.h.w. opgaan in iets of iemand anders. (U mag zelf kiezen wat, of het een bloem is of wat anders.) Daardoor herstelt u het evenwicht. Bedenk verder, dat rust geen geneesmiddel is voor vermoeidheid. Rust, die te ver wordt doorgevoerd, vermoeit. Geestelijke rust, te ver doorgevoerd, vermoeit evenzeer als stoffelijke rust. Want op het ogenblik dat wij trachten iets te stabiliseren in onszelf, ontstaat een groot verschil tussen onderbewuste, bewuste en geestelijke werkingen. Verstoring van evenwicht zal zich wreken op de mens. Indien wij echter werkelijk moe zijn, moeten wij leren om tegenover elke bezigheid of moeilijkheid, die een vermoeidheid heeft veroorzaakt, een andere te stellen. Leer in uw leven een evenwicht van taken tot stand te brengen. Leer geestelijke taak en stoffelijke taak af te wisselen. Leer het zwaarwichtige met het vreugdige af te wisselen en weet zelfs het leed zo nu en dan te vergeten. Alleen op deze wijze kunt u voor uzelf een steeds harmonischer en groter eenheid vormen. Realiseer u dat alles wat u voor anderen doet, mede uit de geest kracht heeft, ook uit uw eigen geest. Al hetgeen u dus werkelijk voor anderen doet en niet voor uzelf, heeft een veel grotere kans van succes en slagen. Waar slagen voor de mens in het leven vaak heel belangrijk is, dient u dus wel te bedenken dat juist hetgeen u voor anderen in de eerste plaats doet, de beste gevolgen, de beste resultaten heeft en u daardoor de grootste zekerheid geeft voor het verder gaan. Bedenk dan ook dat u nooit zonder fouten kunt zijn, anders zou u niet als mens leven. Laat fouten voorkomen. Beschouw ze als lering. Tracht ook niet te veel anderen uw fouten te vergoeden. Dat behoeft u alleen te doen in zoverre het voor uzelf een aangevoelde noodzaak is. Want uw fouten kunnen in het leven van anderen zeer positieve factoren zijn. Houd u dus wat dit betreft bezig met uw eigen intentie, uw eigen werk en uw eigen waardering.

En dan een laatste raad: Bedenk dat het zowel in de stof als in de geest de moeite loont om hoffelijk te zijn. Er bestaan regels, waardoor wij anderen eenvoudiger kunnen benaderen. Deze regels zijn niet alleen stoffelijk gemaakt in de maatschappij, zij bestaan geestelijk evenzeer. Een ieder, die een andere geest met respect benadert – ongeacht de beoordeling die men zelf heeft voor zijn mogelijke toestand of status – zal in die geest meer kunnen erkennen, zal uit die geest meer kracht en medewerking kunnen gewinnen wanneer het noodzakelijk is en zal in ieder geval nodeloze vijandschap of strijd, nodeloze misverstanden voorkomen.

Dit zijn enkele praktische lessen, die dus passen bij het voorgaande betoog, door onze gastspreker u gegeven.

Goed denken en goed geloven

Goed denken betekent: in de eerste plaats intens denken en reëel denken. Een mens, die zijn gedachteleven goed gebruikt, zal onder omstandigheden een juist inzicht in situaties verwerven. Het resultaat is, dat hij zich in zijn wereld juist oriënteert en zijn handelingen aanpast aan de door hem erkende noodzakelijkheden.

Wanneer een mens echter goed gelooft, dan is goed geloven in deze zin minder aangenaam. Goed geloven wil in dit geval zeggen: vlot geloven. Zoals intens denken als goed denken betekent: een zeer sterke actie van het element denken, zo betekent goed geloven dus in deze betekenis en in dit verband: een zeer intens geloven, maar zonder kritiek. Van goed geloven kunnen wij dan ook afleiden in uw taal het woord: goedgelovigheid.

Wanneer men in het leven wordt geconfronteerd met stoffelijke waarden, dan moeten deze vallen binnen het denkvermogen. Slechts datgene wat stoffelijk niet bereikt kan worden of datgene wat voor ons – gezien onze mentale vermogens – niet redelijk te erkennen is, mag onder geloof worden gerangschikt. Daarbij moeten wij – zover het de stof betreft – alle geloof zoveel mogelijk beperken, opdat wij niet gemakshalve een geloof stellen in de plaats van een denken. Het meest juiste of het lichtende geloof wordt voor de doorsneemens uit de gedachte geboren. Het is geen aanvaarding zonder meer, het is een aan de hand van onderzoek, overweging en omschrijving komen tot een voor het “ik” aanvaardbare mogelijkheid, die onbewijsbaar is. Deze nu gelooft men en maakt men mede tot basis van zijn leven. Maar omdat zij uit de gedachtewereld is voortgekomen, maakt zij een redelijke aanpassing van het denken en de gedachtewereld mogelijk. Het is dus in vele gevallen beter om goed te denken als mens, dan om goed te geloven. De mens staande in een wereld, die hem ervaringen geeft, maar daarvoor van hem begrip en redeneringsvermogen eist, kan op geloof alleen niet voldoende antwoord geven. Slechts daar, waar de wereld met haar mogelijkheden tekort schiet, mag het geloof aanvullen.

Geloof is voor de mens echter wel aanvaardbaar en praktisch, wanneer het dingen betreft, waarop hij geen invloed kan uitoefenen en waarvoor hij geen redelijke verklaring heeft. De grote wetten, o.a. de wet van Tao, zeggen ons dat de mens wordt gesteld in een vast schema. Hij wordt geboren op de wereld voor een bepaalde taak. Deze taak is vastgelegd in zijn stoffelijke conditie en positie, in zijn mogelijkheden van goederen, van begaafdheid, van plaats enz.. Het is zijn taak om daarvan gebruik te maken. De aanpassing in de wereld, waarin je leeft, is voor de mens belangrijk genoeg om daarvoor vele andere dingen opzij te zetten. Een mens kan – zelfs als hij weinig of geen geloof bezit – door het denken toch komen tot een redelijke ervaring, die geloof mogelijk maakt. De mens echter, die zich op een onredelijk geloof baseert, komt tot een verwerpen van de wereld, een daardoor ontkennen van zijn plaats, zijn verplichtingen en zijn ervaringen. En dit is volgens de oude wijsgeren niet slechts een terzijde stellen van een maatschappelijke ordening; neen, het is een anarchie waarbij het “ik” zelf wordt aangetast. Want staat niet geschreven dat degene, die op grond van een geloof dat geen reden heeft en niet in overeenstemming is met de kenbare feiten, voor zich en anderen de ondergang veroorzaakt, omdat hij de waarheid nimmer zal erkennen?

Hier ligt de grote fout van een geloof dat niet is gebaseerd op het kenbare voor de mens. Als zijn geloof de wereld wil veranderen aan de hand van een stelling, die men innerlijk misschien als juist ervaart, maar waarvan de praktijk bewijst dat zij onmogelijk is, zal men voor zich dus handelingen plegen die in strijd zijn met het eigen belang en het gemeenschappelijk belang. Men zal zo schade toevoegen aan een ieder. Men zal voor zich ongeluk veroorzaken zonder ooit daaruit een werkelijke bewustwording door te maken. Of – nog erger – men sluit zich af in geloofsbegrippen van uitverkiezing, waarbij men het werkelijk ervaren van de wereld geheel verwerpt en daardoor zichzelf tot een herhaling van dit zelfde leven a.h.w. dwingt, zonder uitredding in de sferen.

Geloof is goed, zodra dit geloof is gebaseerd op waarden die stoffelijk redelijk aanvaardbaar zijn, dan wel op waarden die stoffelijk niet controleerbaar zijn. Zodra echter de rede en de stof ons middelen geven om het geloof te controleren, dienen wij deze te gebruiken. Want ons einddoel is eenheid met de grote krachten van het Al.

Deze eenheid kunnen wij niet verwerven door een geloof, omdat wij dan het besef niet bezitten waardoor wij kunnen opgaan in het Grote. Geloof is een werkthesis, aan de hand waarvan men door ervaringen, stoffelijk weten en geestelijk weten voor zichzelf een zekerheid opbouwt. En eerst uit deze zekerheid kan men tot een volkomen opgaan in en actief zijn met de grootste Kracht komen.

Aanvaarding

Het onderwerp “aanvaarding”, dat mij hier wordt opgegeven, brengt met zich de gedachte aan onderwerping. Is echter de mens zonder meer voor onderwerping geschikt? De praktijk leert ons dat een verzet vaak uit den boze is, omdat het verzet weerstanden oproept, die wij niet kunnen overmeesteren. Maar indien een onderwerping inhoudt een gelijk blijven aan onszelf, zullen wij in onze onderwerping de zegepraal hebben.

Toen de woeste Mandsjoes aanstormden en het Hemelse Rijk overspoelden, meende men dat een tijd van barbarij zou aanbreken. Maar ziet, omdat het volk zichzelf gelijk bleef en ondanks de vernederingen (b.v. de vlecht, die men in deze tijd moest dragen) steeds zijn eigen wegen ging, zijn eigen denken kende, zijn eigen klassieken bleef respecteren, werden de Mandsjoes opgenomen in het volk en werd de overwinnaar overwonnen.

Wanneer wij het begrip onderwerping naar voren brengen, het begrip aanvaarding proberen duidelijk te stellen, dan mijne vrienden, moeten wij van deze stelling allereerst uitgaan: Het heeft geen zin alles zonder meer te aanvaarden. Wij hebben wel degelijk het recht te zoeken naar een zelfhandhaving en wij zijn zelfs verplicht ons eigen weten en denken zo sterk mogelijk door te voeren. Soms echter komen wij te staan tegenover krachten die onze meerdere zijn. En dan is het goed om als een grashalm voor de stormwind te buigen. Niet wordend tot een ander beeld dan grashalm, maar zich buigend tot de storm voorbij ging om zich daarna op te richten.

In het leven wordt men geconfronteerd met vele factoren die men niet beheersen kan. Er zijn ziekten, dood, lijden; er zijn onvolkomenheden in ons eigen bestaan, er zijn dingen die ons begeerlijk lijken, maar die ons onmogelijk zijn en waarbij wij moeten zeggen: “Hier zouden wij dus moeten aanvaarden.” Maar ook dit is beperkt. Wanneer ik geen middel heb om mij tegen het lijden te verzetten, zal ik het aanvaarden, natuurlijk. En ik zal trachten het zo waardig mogelijk te dragen. Ik zal trachten daaruit zelfs ervaring en bewustzijn op te doen. Maar het houdt nog niet in dat ik zonder meer het lijden aanvaard, wanneer het komt. Ik wil u een eenvoudig voorbeeld geven:

U krijgt een ontzettende tandpijn. Nu kunt ge zeggen: “Deze pijn is mij opgelegd. Ik moet haar aanvaarden.” En u zult dus stilaan wachten tot ofwel in de razernij van de pijn uw rede teloor gaat, dan wel een natuurlijk proces ten slotte daaraan een einde maakt. Een verstandig mens echter gaat naar de tandarts.

Op dezelfde wijze is het ook met lijden, met ziekte. Zolang wij middelen hebben om te strijden, als er voor ons een mogelijkheid is om het voor ons belangrijke en begeerlijke te bereiken en te behouden, mogen wij daarvan gebruik maken. Maar wij mogen niet wrokkig ons verzetten als ons doel niet kan worden bereikt; wanneer – zoals bv. door de dood – een scheiding ontstaat, die wij uit onszelf niet of eerst na lange tijd zullen kunnen opheffen. Hier past de aanvaarding als een erkenning van een bestaande toestand. En in deze zin is aanvaarding het meest belangrijke.

Wij komen vaak te staan voor conflicten met andere mensen. Wij zien bv. de wil van ouders en kinderen, van man en vrouw, van familieleden vaak tegen elkaar botsen. De inzichten zijn verschillend. Dan hebben wij het recht te proberen op onze wijze het juiste te bevorderen. Maar er is ons wederom een grens gesteld, wij hebben nl. niet het recht de persoonlijkheid van de ander aan te tasten; wij mogen niet de ander tot een slaaf maken. Zo zullen wij met alle redelijke middelen trachten te bereiken wat wij willen, maar daarnaast zullen wij aanvaarden, als het met deze middelen niet mogelijk blijkt.

U ziet dat ik deze stelling van aanvaarding, van onderwerping zeker niet wil zien doorgevoerd tot een absolute aanvaarding van het totaal van het leven en al wat erbij komt. Mijn reden daarvoor is eenvoudig. Als alleen een slaafse onderwerping en aanvaarding het doel van ons bestaan zou zijn, hoe zou ons dan de Schepper de middelen hebben gegeven tot verweer? Wij hebben het recht volgens ons beste weten ons te verzetten. Wij hebben het recht volgens onze inzichten van rechtvaardigheid en juistheid alles te doen om ons eigen doel te bereiken. Maar is ons dit onmogelijk, dan dienen wij te aanvaarden en dit te beschouwen als een normaal deel van ons bestaan. Verwerp niet wat u als ervaring wordt geboden. Aanvaard dit. Maar weet dat ervaring alleen kan voortkomen uit eigen handelen. Zo is een aanvaarding zonder meer waardeloos. Maar een ervaring, die ons leert “deze kracht is te groot”, brengt een aanvaarding, waarbij die kracht beter wordt gekend, zo ons bewustzijn vergroot en ook ons vermogen om juist te leven waarschijnlijk geïntensifieerd.

Ten laatste nog dit: Er zijn krachten in het Al en wetten in het Al waaraan wij niet kunnen ontkomen. Wij zullen vaak met bitterheid ervaren, dat ons meest geliefde plan niet gelukt, dat de waarschijnlijk geachte bereiking niet mogelijk bleek. In dergelijke gevallen zullen wij ons bij de bestaande toestand neerleggen. Wij aanvaarden de huidige situatie. Maar dat betekent nog niet, dat wij nu voor die toestand deze situatie continueren. Sta mij toe een eenvoudig voorbeeld te geven.

Wanneer gij – ongetwijfeld gracieus en schoon – op een zonnige dag uitgaat om te wandelen en de steun van een uwer schoenen (de hak) begeeft het, dan zult ge dit dienen te aanvaarden. Een slecht humeur zal u niet helpen. Loop zo goed ge kunt verder tot de plaats waar ge die hak kunt doen repareren. Dit is de zin van aanvaarding. Ga verder zolang het noodzakelijk is, zonder verzet. Maak er het beste van. Maar als zich een nieuwe mogelijkheid openbaart, gebruik haar. Want het leven is ons gegeven om actief te zijn. Zou aanvaarding de werkelijke zin zijn, wat belet ons hier neer te zitten en te wachten of de goddelijke Kracht ons wil voeden dan wel doen ondergaan.

Strijd is een belangrijk en noodzakelijk element van het menselijk leven; zelfs indien de juiste strijd alleen tegen de mens zelf door hemzelf wordt gevoerd. Maar waar strijd niet baat, staken wij om onze krachten te sparen en wachten op het ogenblik dat onze strijd kan worden voortgezet. Tot het ogenblik komt waarop wij – in het besef van de algehele harmonie der schepping – van alle strijd oorzaken, alle mogelijkheden in onszelf tot strijd ontheven zijn. En dan is er geen sprake meer van een aanvaarden en van een berusten, maar van een actief opgaan in een grote kosmos, waarin voor ons geen tegenstellingen meer bestaat.

Ik hoop hiermede op mijn wijze het begrip aanvaarding duidelijk te hebben gemaakt.

Slotwoord

Wij hebben in de afgelopen maanden vele verschillende lessen gegeven. Bepaalde belangrijke punten zijn voor u herhaald en naar ik meen is voor u een beeld gegroeid, dat praktisch en bruikbaar is voor het dagelijks leven. Natuurlijk, het blijft bij lessen en woorden. Maar een mens die leert zich in zijn eigen wereld meer aangepast, meer geestelijk zuiver te bewegen, zal ongetwijfeld daarvan in een verder bestaan vruchten kunnen plukken. Wij hebben hiermee voldaan aan een taak die wij ons hadden opgelegd.

Er is een ogenblik dat de mens in zijn weten en zoeken slechts een enkel vals licht ziet, misschien een enkele ster, maar waarin de zuiverheid van een zonlicht hem ontgaat. Juist wanneer het duister is rond ons, wanneer wij nog tasten en zoeken naar een goede weg, is het voor ons belangrijk onze koers te kunnen bepalen. Het bepalen van die koers, kan het best geschieden – wat het leven betreft – aan de vele kleine gebeurtenissen en verschijnselen, die ons voortdurend omringen. Het is misschien goed om eens te dromen van een hooggeestelijk bereiken, een ingaan in een geestelijke leerschool, maar het is vaak belangrijker nu de weg niet te verliezen, nu ons niet te verwarren in de praktijk van het bestaan.

Een cursus, die tracht een praktische bewustwording te bevorderen, kan niet meer geven dan enkele punten, enkele richtlijnen, enkele begrippen. Heeft men deze stoffelijke regels gevonden en weet men voor zichzelf welke men moet toepassen, dan volgt hieruit automatisch ook een verrijking van de geest. Maar ook die verrijking van de geest moet praktisch worden ontplooid. Want de bewustwording die alleen samenhangt met het stoffelijk verschijnsel, is nooit bevredigend. Daarom hopen wij verder te gaan, zij het in een volgend verenigingsjaar met een cursus die deze a.h.w. voortzet op een wat hoger peil. Geen zoeken nu naar abstracties, geen filosofieën over het Goddelijke die – hoe schoon en rijk op zichzelf ook zijnde – de mens misschien kunnen verwarren.

De uitroep: “Down to earth!” klinkt op het ogenblik overal in het rijk van de geest en in dubbele zin. In de eerste plaats willen wij onze invloed voor groter licht in de mensheid doen gelden en daarvoor ons wijden aan het werk op deze wereld. Maar in de tweede plaats zullen ook wij moeten leren steeds meer aan te passen aan hetgeen voor de mens onmiddellijk bruikbaar is. Al datgene wat losstaat, geheel losstaat van de materie, geheel losstaat van de mens, zoals hij nu leeft en zichzelf kent, kan later nut afwerpen, maar is nu praktisch waardeloos.

Wij zijn u dankbaar, dat u deze lessen hebt willen volgen. Of u ze hebt aangehoord of ze hebt gelezen, wij menen u daarmee inderdaad een instrument in handen te hebben gegeven, dat voor u geluk, vrede, maar ook zeker een geestelijk verder gaan kan betekenen, Wij zouden u graag meer geven. Wij zouden u graag willen leren, hoe zelfs in een stoffelijk voertuig de geest zich kan leren openbaren, hoe de geestelijke kracht steeds sterker door de stof kan werken en hoe men daar in een normaal stoffelijk bestaan de vruchten van kan plukken. Niet alleen stoffelijke vruchten, geloof mij. Want de vruchten van een werkelijk “de geest doen regeren in de stof” zijn niet te tellen in geldswaarden of in goederen. Maar zij betekenen innerlijke vrede, ze betekenen kracht, zij betekenen boven alles een zodanig besef van het werkelijk lichte, van de ware wereld, die achter deze waanwereld verborgen ligt, dat men voor zich en anderen vrede brengt, vrede kent en steeds meer werkelijkheid beseft.

Als wij in deze taak misschien hier en daar zouden hebben gefaald, zo moge u ons dit ten goede houden. Wij leven in een andere wereld dan de uwe en het valt ons vaak moeilijk om tot de aarde terug te keren, zelfs in ons denken. Aan de andere kant mag ik wijzen op de gastspreker, die deze avond tot u sprak. Het feit dat hij op deze cursus in deze bijeenkomst heeft willen spreken, betekent meer dan de woorden die hij bracht. Het is een bewijs, dat ook hogere en lichtere geesten menen dat hier iets bereikt is, dat hier iets geboren is in sommigen dat waardevol kan zijn. Wij zijn dankbaar voor het resultaat dat wij mochten bereiken. Wij hopen dat het resultaat groter zal worden. Of u nog naar ons luistert of u nog leest wat wij leren of niet, wij hopen dat u verder zult gaan. Want de behoefte aan de geestelijk rijpe en stabiele mens wordt steeds groter. Kom aan die behoefte tegemoet zover ge kunt en sta ons toe u te steunen waar ons dit mogelijk is.

Hiermee, vrienden, beëindigen wij onze cursus. Wij wensen u in de komende tijd zegen, kracht en bewustzijn.

Bezieling

Bezieling. Is de ziel niet goddelijk licht? En is dat, wat werkelijk wordt bezield, niet tevens kracht van licht geopenbaard? Is niet de eeuwigheid zelve, sprekend door het tijdelijk soms, ons leven, ons aanvaarden, onze aandacht waard en geeft zij ons niet meer dan wij vaak durven vragen?

Wij roepen tot een God, Die wij niet kennen. Wij knielen neer voor een troon van sterren, die wij niet kunnen overzien. Wij zoeken naar oneindigheden en worden in het heden steeds weer gekneveld door de tijd, door het kleine gebeuren. En toch, is ons niet vaak een kracht gegeven die verdergaat? Alsof achter het leven een groter Wezen, een grotere wereld staat, die tot ons spreekt?

Bezieling. Dat is het ogenblik, dat het “ik” zichzelf verliest, soms in het “ik”, maar vaker zelfs nog in de God, Die in dit “ik” de ziele is, de kern, het leven.

Laat ons dan met ons eigen denken, ons eigen zoeken, met ons eigen pogen trachten om die God te beleven. Laat ons trachten om niet alleen onszelf weer te geven in redelijkheid, maar om iets meer te geven, een strijd misschien, zelfs om waarheid; een geloof daar waar de rede faalt. Laat ons toch proberen een kracht te vinden, die ons staalt, wanneer het leven moeilijk is. Laat ons in ons spreken zowel als in onze daden proberen om de genade van kracht, die ons wordt gegeven, verder te beleven en voort te doen gaan in het leven van anderen.

Bezieling. God spreekt. Hij spreekt langs vele wegen. Hij spreekt in de suizelende stilte. Hij spreekt in het bloedrood van een ondergaande zon. Hij spreekt in de harten van mensen. Hij spreekt in een geloof. Hij spreekt uit geest en lichtende engelen. Hij spreekt zelfs tot ons uit de duistere hiaten, waar ons begrip faalt een wereld te erkennen.

God is. En God bezielt ons in al wat is. Wanneer wij die God zo erkennen in ons, zo wij Hem beseffen in ons en openbaren kunnen aan anderen, dan waarlijk zijn wij bezield in onze woorden en onze daden.

Besef dan wel: Zolang God ons bezielt, is er geen kwaad of goed meer, maar alleen de eeuwige Kracht die zich openbaart. Zolang God ons bezielt, is er niets meer dan dat ene doel, dat Hij in ons en juist in ons heeft geschreven. Dan mag ons geloof misschien beperkt lijken en zullen onze woorden anderen dogmatisch klinken, maar het heeft geen zin daarover te strijden. Wanneer het geloof erin ligt, de inhoud van je wezen en je leven, een weergeven van het licht dat in je heerst, dan waarlijk wordt de bezieling kenbaar voor allen.

Bezield zijn. Hoe kan een ziel spreken, wanneer ze niet kan luisteren? Hoe kan het bewustzijn openbloeien, als niet de runen der ervaring zijn gegrift in het wezen? Hoe kan men vrede kennen, wanneer niet vrezen en beven het “ik” beheerst hebben? De bezieling kent tegenstellingen; ze openbaart zich op vele wijzen. Maar indien wij geloof hebben in onszelf, daar waar de rede faalt, als wij de Eeuwige kunnen prijzen, ook wanneer wij niet begrijpen Zijn wil en Zijn weg, dan waarlijk is ons leven één bezieling. Dan schrijven wij met het levenspad dat wij gaan, de lichtende tekens op de wereld, die anderen zullen begrijpen. Dan geven wij anderen de kracht van het bestaan in ons wezen en openbaren zo dat, wat waarheid is, terwijl wij het zelf niet beseffen. Want waar bezield is hij, die God in zich en uit zich openbaart. Waar bezield is hij, die waarheid – in het “ik” nog onbegrepen en niet gekend – de wereld toont en zich wendt tot de waarheid die de wereld beheerst. Bezield is hij, die in het zich onderwerpen aan onbegrepen krachten en het streven volgens beste weten in zijn trachten meer is dan hijzelf: zijn God geopenbaard. Want in de bezieling van ouden en profeten, de bezieling van de jongen en de nieuwen (hen, die ongeboren zijn ), heeft God de geschiedenis van de wereld geschreven, heeft Hij het leven geopenbaard. En wij, die Hem ondergaan en naspreken, wij zijn slechts de echo van Zijn eeuwige stem.

Droom niet van bewustwording als een einder die zich plotseling opent. Droom van bewustwording als een nauwe poort, waardoor je gaat, staande steeds in nieuwe, andere zalen. Dromend steeds weer van een andere vorm en kennend weer een andere kleur, een andere geur. Droom van bewustwording als een praktisch werken, waardoor je poort na poort verwint en misschien eenmaal zult zien waar werkelijkheid begint en waan eindigt. Droom niet van volmaaktheid, maar wees jezelf. En wees jezelf in de volle openbaring van je wezen, niets daarbuiten latend. Dan zul je door de ervaring en de bewustwording zeker eens in staat zijn de zin van alle dingen – van eigen leven, zowel als van onbegrepen wereld grootheid – te bevatten. Eerst zij, die dit kennen en niet zich slechts bezatten aan een eenzijdig licht of een enkele waarheid, zullen de uitein­delijke bewustwording kennen.

De menselijke praktijk is het begin. Het einde ligt daar, waar het witte licht zich oplost in het ongekende en Gods beeld en Zijn schepping elkaar ontmoeten, spiegelend elkander, zijnde één en toch gedeeld voor allen die ze kennen.