Praktische levenswijsheid

SVGZ – 29 mei 1959

Wij zijn niet alwetend, of onfeilbaar.  Levenswijsheid krijgen wij vaak in hele grote doses opgediend door allerhande predikers, schrijvers en ook de broeders der Orde zijn er niet vreemd aan. U krijgt die wijsheid met een zo grote dosis, dat u eigenlijk uw hele leven nodig zou hebben om de helft in de praktijk om te zetten. Daar komt nog bij dat die levenswijsheid over het algemeen mooi verkapselt is in allerhande betogen. Nu lijkt het mij wel eens leuk voor een avond, om die dingen nu eens zonder al die mooie franjes klip en klaar te stellen. Ik zal het zo doen: elke keer wanneer ik een raadgeving citeer, zal ik u vertellen waarom, ik zal proberen u duidelijk te maken, hoe u deze dingen zelf in de praktijk kunt brengen.

Het eerste punt van levenswijsheid is dit: Verzet u nooit tegen het fatale, het gebeurde. Verzet u alleen tegen datgene, wat u baas kunt.

Als je dat zo hoort lijkt het schooljongetjes filosofie. Vechten met jongens van u eigen grootte, desnoods met een kleinere, maar nooit zo een hele grote nemen, want dan krijgt u maar blauwe ogen. Toch is het in het leven heel vaak het geval, dat een mens te grote moeilijkheden en te grote problemen juist aanvalt, niet kan berusten in iets waarvan hij weet, dat het onvermijdelijk is. U leeft op aarde om gelukkig te zijn.  Hoe gelukkiger en hoe harmonischer u leeft, hoe makkelijker u alle problemen die het leven heeft voor u als bewustwordingswaarde kunt verwerken en hoe beter u er geestelijk aan toe bent. Het is logisch dat u de vraag gaat stellen: hoe breng ik dit in de praktijk? Het is soms moeilijk, maar altijd mogelijk. Vraag uzelf dan: kan ik hier nog iets aan doen? Zegt u tegen uzelf: neen, dat kan ik op het ogenblik niet. Vraag uzelf dan: wat kan ik dan anders doen om voor mijzelf deze onplezierige toestand te veranderen? Zoek het niet in één richting. Er zijn op elk punt van uw leven tenminste 5 tot 10 mogelijkheden. Maar zelfs als u bij het minimum van twee – want die zijn er altijd – terecht zult komen, dan nog is het maken van een keuze op dergelijke ogenblikken een sparen van energie, een sparen van uzelf en een behouden van geestelijke krachten. Zeg nooit: dit kan ik niet dragen. Op het ogenblik dat u het zegt, constateert u dat u het dragen kunt, want anders zou u er niet meer zijn. Beweer nooit, dat dit uw hele leven verder zal beïnvloeden. Mogelijk is het waar. Maar als u begint met het te constateren, komt u nooit verder.

Een tweede punt dat ook erg belangrijk is in het leven: Probeer altijd te vermijden dat u zegt: ik ben meer, of minder, dan een ander.

Het is heel goed mogelijk, dat u beter bent in bepaalde vakkennis, dat u meer weet op een bepaald terrein. Maar u kunt nooit meer zijn dan een andere mens. Of die mens nu in een gevangenis zit, of in een klooster, die mens een heilige is, of een grote boef, dat maakt niets uit. Hij is een mens en u bent een mens. Zolang als u gaat spreken over anderen die beter zijn, gaat u proberen om die na te apen. U weet zelf hoe bespottelijk het bv. is, wanneer u een wilde plotseling een smoking aantrekt. Veel mensen proberen juist dat geestelijk te doen. Zij proberen niet zichzelf te zijn, maar zij proberen een ander te imiteren. Imitatie is uit den boze. U bent niet meer en niet minder dan een ander: u hebt een eigen leven en een eigen weg. U hebt uw eigen mogelijkheden en uw eigen methoden. Natuurlijk kunt u van een ander leren, maar nooit mag u de ander imiteren. Hij mag slechts de stimulans zijn voor uw eigen verder streven. Door dit te doen, voorkomt u dat u enerzijds misschien met een minderwaardigheidscomplex probeert te bewijzen dat u iets bent, wat u niet kunt zijn. Aan de andere kant voorkomt u, door u de meerdere te voelen, dat u domheden uithaalt en uzelf in een zeer onaangenaam parket brengt, waar u anderen niet hebt begrepen en niet voldoende hebt bezien. Ook dit is geestelijk van groot belang. Wij moeten evenwichtig zijn. De noodkreet, die daar onmiddellijk op volgt: maar ja, dit kunnen wij niet! … U kunt dit wel, indien u slechts voor uzelf wilt bepalen, wat u precies van het leven verlangt. Zodra u dat doet, hebt u verder geen moeite. Dan bent u niet meer onevenwichtig. Dan zet u de innerlijke onevenwichtigheden om in ervaringen en die ervaringen zullen vanzelf een correctie betekenen op al wat u zich misschien verkeerd had voorgesteld.

Een derde punt is misschien een beetje meer de geestelijke kant uit, maar toch ook wel belangrijk. U moet uzelf kennen, maar u kunt uzelf nooit ontleden.

Zelfkennis is noodzakelijk om tot bewustwording te komen. Zelfontleding betekent een vernietigen van de eigen persoonlijkheid, omdat de samenhangen wegvallen. Een ontleding van de menselijke persoonlijkheid, van de menselijke psyche, is een zuiver verstandelijke zaak. Wij kunnen gevoelens niet ontleden. Wij ondergaan ze en wij kunnen ze alleen i.v.m. het geheel zien als een stuwende kracht, eventueel te gebruiken om ons in staat te stellen verder te komen. Onszelf kennen wil zeggen: weten wat ons beweegt. Het wil niet zeggen: precies elke handeling en elk gebaar als bij een dissectie uit elkaar pluizen, totdat er niets meer over blijft dan een reeks van mooi gerangschikte psychologische feitjes, kleine obsessies e.d. Daar hebben wij niets aan. Ware zelfkennis wordt niet bereikt door zelfontleding. Zij wordt bereikt door het Ik zo harmonisch te doen aansluiten bij de omgeving, en zo harmonisch mogelijk te streven in de zin van onze stoffelijke en geestelijke verlangens.

Een volgend punt: “Oordeelt niet, opdat u niet geoordeeld worde” wil niet zeggen, dat u niet over uzelf oordelen mag. Het wil alleen zeggen, dat u zich aan een oordeel over anderen hebt te onthouden. Op het ogenblik, dat u een ander gaat bezien en daar wat van gaat zeggen, loopt het fout. U stelt uzelf als maatstaf. Maar zolang als u als mens leeft, kent u uzelf niet eens. Het resultaat is, dat u altijd een valse voorstelling van de wereld krijgt. U kunt een handeling, een daad, verkeerd vinden, nooit een mens. Wanneer u daarentegen voor uzelf moet uitvinden, of iets goed of kwaad is, dan is het wel heel belangrijk dat u naar uw eigen maatstaf die u hier wel mag aanleggen – waar het het bewustzijn is, waaruit de levensdrang voortspruit – dus zeggen kunt, dit is m.i. kwaad, dat is m.i. goed. Een dergelijke vaststelling moet door daden worden ondersteund.

Er zijn een hoop mensen die zeggen: als ik geestelijk maar zó rijp was, dat ik mij los kon maken van al dat aardse gedoe…… die mensen zou ik de volgende regel voor willen houden: Elk wezen in de kosmos leeft op de plaats, waar het volgens de Goddelijke wil, plus zijn eigen bewustzijn, bewust kan bestaan. Iemand die op de wereld komt, komt op die wereld om daar te leven. Zoek nooit te ver boven uw eigen wereld, maar blijf altijd in uw eigen wereld en zoek daarin het hoogste te bereiken. U hebt een hoop mensen, die zeggen: Ik wil wel, maar ik kan niet. Dat is een vaststelling die uit de boze is. Laten wij constateren dat “willen” samengesteld is uit kennen, plus verlangen. Om iets te willen, moet u weten wat u wilt. Om iets wat u kent te bereiken, moet u verlangen het te bereiken. Wanneer uw verlangen sterk genoeg is, zult u bereiken. Dan acht u geen consequenties. Op het ogenblik dat u echter stelt: ik wil wel, maar ik kan niet…. zegt u voor uzelf: ik erken dat dit goed zou zijn, maar ik verlang andere dingen evenzeer, of meer…. Erken dit voor uzelf en u zult van veel strijdigheid in uw wezen bevrijd worden.

Dan de bekende stelling: “Wij hebben gelijk!” Dat hoort u in de kringen van de spiritisten, maar evenzeer in zoveel christelijke en andere sekten, dat u zich op den duur afvraagt wat dat “gelijk” wel kan betekenen. Als u zegt dat wij gelijk hebben, dan bedoelt men daarmede meestal: wij hebben het monopolie van de waarheid. Maar “gelijk” betekent iets anders. Iets wat gelijk is, is vlak, evenredig aan anderen. Wanneer u geestelijk streeft, dan kunt u volkomen gelijk hebben, maar dit gelijk hebben houdt in, dat anderen op hun wijze precies hetzelfde vlak bereiken. Oordeel nooit over geestelijke richtingen t.o.v. elkaar. Oordeel slechts over datgene, wat voor u aanvaardbaar, of niet aanvaardbaar is, en kies zó uw eigen weg.

Wij hebben ook nog de opmerking: “Ja, maar het is het allemaal zo verward….” U hebt gelijk. Zelfs van datgene wat wij brengen, zou u zo nu en dan verwarrend kunnen worden. Maar dat ligt niet aan ons en ook niet helemaal aan u. Onthoudt u daarom dit: Wanneer wij in de woorden van een ander iets zoeken te lezen, wanneer wij uit de daden van een ander iets trachten te besluiten, laat ons dan steeds de eenvoudigste verklaring aannemen, totdat anders bewezen is.

Dit voorkomt zeer veel zoeken naar diepte, die soms niet bestaat, of soms voor ons niet te doorgronden is. Juist vooral in het geestelijk werk, zoals wij dit al lange tijd doen, komt het voor dat mensen zoeken naar een achtergrond, die met hun eigen ideeën strookt. Zo proberen zij alle verklaringen van anderen zo te wringen, dat zij daarin passen. Als u die mensen hoort, dan zijn Descartes en Paus Pius XI de beste vrienden, want zij hebben dezelfde filosofie verkondigd. Iets, wat natuurlijk volkomen in strijd is met de waarheid. De poging om iets aan te passen aan onszelf houdt in, dat wij een verwrongen verklaring moeten geven. Wij doen dit, omdat de eenvoudige verklaring ons klaarblijkelijk niet voldoende is. Wij vertekenen de waarheid en komen tot allerhande opvattingen, die helemaal niet in overstemming zijn met de werkelijkheid. Houden wij ons echter aan de eenvoudigste interpretatie, de eenvoudigste grondwaarden, dan zullen wij nooit ver mis zijn. Zelfs wanneer een stelling gaat tot in de hoogste sferen met zijn inhoud en onze verklaring alleen maar slaat op onze stoffelijke wereld, dan zullen wij toch nog de juiste richting hebben, zij het niet de volledige bereiking. Maar als wij trachten dit te verwringen tot ons eigen beeld van een andere wereld, of sfeer, dan zullen wij door die vertekening een soort karikatuur van de werkelijkheid krijgen, dat ons misleidt in ons handelen en denken.

Dan wil ik nog een paar opmerkingen maken aangaande de richtingen, die wij kennen. Niet iedere mens is gelijk aangelegd. Sommigen zijn zuiver redelijke mensen. D.w.z., ze willen overal een bewijs en een verklaring voor hebben. Deze mensen hebben zich te hoeden voor het verwerpen van een bewijs, of verklaring, omdat het niet met hun denkbeelden strookt. Dit is voor hen het grootste gevaar. Indien zij echter leren zo objectief mogelijk alle dingen te onderzoeken en te beschouwen, zullen zij voor zich tot een bevredigend wereldbeeld komen en zo tot een bevredigende bewustwording. De mens die religieus denkt, baseert zich op een Godsgeloof. Hoe hij aan die God gelooft, doet niets ter zake. Wanneer hij echter aan een God gelooft, moet dit geloof volledig worden uitgeleefd. Niet slechts ten dele, of onder voorbehoud. Wanneer wij geloven aan een bepaalde vorm van God, aan een bepaalde gestalte van God zelfs, dan zullen wij daarmee ons richten tot het Allerhoogste, het kosmisch begrip. Slechts door ons geheel aan dit kosmisch begrip over te leveren a.h.w. met handen en voeten, zullen wij tot een uitbreiding van het begrip kunnen komen, plus tot een bewijs van deze kracht en macht, waar wij dan toch alles van verlangen. Het geeft niet hoe u gelooft, maar geloof volledig.

Voor degenen, die de weg der esoterie gaan, is het volgende belangrijk: Alle esoterie is gericht op het erkennen van de innerlijke wereld. Onze innerlijke wereld is niet het heelal. Wij zijn genoopt om voortdurend onze eigen buitenwereld, de buiten ons bestaande wereld, in overeenstemming te brengen met onze innerlijke wereld. Die innerlijke wereld is aan voortdurende wijzigingen onderhevig. Laat ons nooit denken, dat wij in staat zijn de wereld in ons te beleven met een uitsluiting van de wereld buiten ons. Slechts beiden samen zijn beleefbaar, maar in beiden tezamen vinden wij zoveel van het Goddelijke, dat wij bewust kunnen worden van de God, Die in onszelf leeft.   Dan degenen die voor mystiek voelen. De mystiek is het geheim, het verborgene. Het is een wereld van raadsels, waarin u zich aarzelend beweegt en voortdurend zoekt naar een beter begrip. Laat de mysticus dit onthouden: wanneer hij, deze weg gaande, voortdurend luistert naar wat in het diepst van zijn wezen tot hem spreekt en daarnaast zijn gebruiken buiten zich weet te formaliseren, zodat hij de diepe inhoud van zijn wezen door een gewoontehandeling weer kan geven, bereikt hij voor zich het grootst mogelijke contact met de kosmos. Dan zal hij daaruit het meeste kunnen putten.

* De mens heeft tijden van welzijn en van minder welzijn, geestelijk.  Zou u daarover iets willen vertellen? Niet speciaal lichamelijk. 

In dit geval moeten wij allereerst constateren dat het mogelijk is om braaf te zijn, wanneer u geen gelegenheid tot zondigen hebt. Dat het gemakkelijk is royaal te zijn, wanneer u zich er niets hoeft voor te ontzeggen. Dat het heel eenvoudig is om een prettig en gezellig mens te zijn, zolang de omstandigheden rond u van een gelijke geaardheid blijven. Wanneer wij dus spreken over personen die met verandering van omstandigheden zelf veranderen, dan moeten wij eigenlijk zeggen, dat wij de eigenlijke persoon niet voldoende hebben kunnen beleven en kunnen zien, omdat de omstandigheden dat beletten. Wij kunnen vaststellen dat sommige mensen bepaalde eigenschappen behouden, onverschillig of zij arm of rijk zijn. Of zij zorg hebben, of zorgeloos kunnen zijn. Het zijn deze eigenschappen die de voor ons kenbare en waardevolle grondwaarden zijn, indien wij die mens moeten waarderen.

Alle andere waarden zijn in feite bijkomstig. Opgewektheid zegt ons niets, zolang er niets is, waar u zich zorgen over kunt maken en waarover u zou kunnen treuren. Eerst wanneer die omstandigheden er wel zijn en de opgewektheid toch blijft, kunnen wij zeggen: kijk, hier zit toch wel een geestelijk Licht, een soort innerlijk contact, dat dit vreugdig bestaan mogelijk maakt… Stel dus deze regel: de mens in zichzelf kan gelijk blijven, maar waar hij zijn omgeving voortdurend respecteert, zal zowel zijn omgeving als zijn eigen persoonlijkheid in het beeld bevat zijn, dat wij van die persoon op een bepaald ogenblik verkrijgen.

* Angst doet de mens rare bokkensprongen maken. Men tracht zijn vrees te  overwinnen door bepaalde gevaren te zoeken. Dit is voor hem dan genot. 

Ik stel daar tegenover: op het ogenblik, dat een begeerte sterker wordt dan al het andere, dan zal men deze begeerte vervullen, ongeacht de consequenties. U zegt, wanneer een mens bang is, wanneer hij vrees heeft, dan maakt, hij rare sprongen. Dat ben ik volledig met u eens vanuit het standpunt van de andere mensen, maar voor zichzelf is hij dan, zelfs in zijn paniek, rationeel. Wanneer hij vreest te sterven en in zijn begeerte om te leven, dus anderen eventueel aan het gevaar overlaat en zichzelf eraan onttrekt, dan blijkt hier alleen maar uit, dat zijn begeerte tot zelfbehoud groter is, dan zijn respect, achting en liefde voor zijn medemensen. Er is dus een keuze gedaan. De kwestie angst of vrees maakt geen verschil uit. Het zegt ons alleen, dat er bepaalde lichamelijke factoren bestaan die de mens kunnen prikkelen om een zekere richting in te slaan. Dat ben ik volledig met u eens. Daarmede had ik rekening gehouden. Al heb ik dan nu geen lichaam meer – ik zou haast zeggen: God zij dank – ik heb er wel een gehad.

De mens zoekt het gevaar om het te overwinnen. Dat is niet waar. De mens zoekt de schijn van het gevaar. Wanneer er kermis is kunt u zien hoe de mensen zich aan doodsangst verwekkende sensaties onderwerpen, alleen maar om hun moed te bewijzen. Zij doen dit met een betrekkelijk grote zekerheid, dat zij er wel “uit zullen komen”. Er zijn maar heel weinig mensen die er toe komen hun moed en hun leven op de proef te stellen in een laatste poging die praktisch hopeloos is. De kamikazevliegers in Japan zouden misschien dergelijke mensen geweest kunnen zijn, als bij hen niet een religieus begrip en een eerbegrip – vooral in de eerste inzetten – in de plaats was gekomen voor deze vrees. Zij hadden een zekerheid van een eerbaar leven in het hiernamaals, zij hadden de zekerheid van eer, plechtige begrafenis enz., zielsherdenkingen in deze wereld en daardoor konden zij zover komen. Zij vreesden niet zozeer de dood als wel het niet volbrengen van hun taak, waardoor zij verachtelijk zouden zijn in de ogen van de mensen, of minder moedig. Maar ook hier speelt een begeertekwestie een rol.

* U zei: u mag niet van uzelf zeggen, dat u meer, of minder bent dan een ander…   Er zou van geen evolutie sprake zijn, indien dit niet zo was.

Evolutie is de illusie der geslachten… Het is zeker waar. Als er kinderen in de tweede klas zitten, dan zijn er een paar slechtere en een paar betere leerlingen bij, maar het zijn allemaal tweede klassers. Wanneer geesten in de stof incarneren op aarde, behoren zij allen tot dezelfde klasse. Er kunnen graduele verschillen zijn, maar die zijn niet zo groot, dat zij een beroep op “meer” of “minder” mogelijk maken. De gedachte superieur te zijn daarentegen leidt tot het misachten van de superioriteit van anderen, een verlies. Het menen minder te zijn dan anderen leidt tot een verwringen van de eigen persoonlijkheid om zo toch nog ergens superioriteit, hoofdzakelijk aan het Ik, te bewijzen. Een factor die in dezelfde klasse valt van de vraagsteller van zo-even. De conclusie zal u duidelijk zijn. Vanuit menselijk standpunt zijn er misschien verschillen. Maar zodra de mens zich op die verschillen gaat beroepen, blijkt, dat zij ten opzichte van de kosmos zo klein en zo onbelangrijk zijn, dat de handelingen op de verschillen gebaseerd, onjuist zijn in verband met de kosmos. Daarom dus, dat ik deze stelling naar voren bracht.

* Dat geeft toch ook wel aanleiding tot nederigheid?

Nederigheid is een verkapte vorm van hoogmoed. Maar hebben wij reden om nederig te zijn? Zijn wij niet door God geschapen? Leven wij niet uit Gods kracht? Hebben wij in ons niet de kracht, die uiteindelijk ook ons een bewust deel van de volmaking zal maken? Wij hebben geen reden om nederig te zijn, daarvoor is ons erfdeel – of wij nu in de stof leven, of in de geest – veel te groot. Wij hebben ook geen reden tot hoogmoed. Tussen ons en de uiteindelijke bereiking liggen nog zovele trappen, dat wij zeker niet kunnen beweren reeds iets bijzonders te zijn. Wij zijn iets: deel van God. Niet een ietsje, of niets. Wij zijn niet iets bijzonders, want in God zijn wij voorlopig nog zó onbewust, dat wij eerst na verloop van tijd de natuurlijke evenwichten in het Goddelijke zullen begrijpen en binnen onszelf verwerkelijken.

Laat ons niet nederig en niet hoogmoedig zijn. Laat ons niet zeggen: wij zijn klein tegenover God, of wij zijn groot tegenover God. Laat ons zeggen: tussen ons en God bestaat een band die zich uit zal drukken in onze relatie tot het totaal van de Schepping. Dat lijkt mij de meest juiste zienswijze. Nederig bent u pas, wanneer u zich bewust bent van u eigen goede eigenschappen, maar meent, dat zij eigenlijk toch niets bijzonders zijn, of dat zij beter zouden moeten zijn. Op het ogenblik, dat u bewust bent van u eigen goede eigenschappen, hebt u meteen de eigenschappen van alle anderen, die niet zo zijn, veroordeeld. Vandaar: nederigheid is verkapte hoogmoed. Iemand die zich vernedert – uit louter nederigheid om bv. als portier te fungeren in een klooster – kan het wel heel goed bedoelen. Maar wanneer hij gelijktijdig meent dat hij daardoor God beter dient dan een ander, dan is hij in feite hoogmoedig. Laat ons niet nederig en niet hoogmoedig zijn. Laat ons God aanvaarden, dat is de enige juiste weg voor ons. Anderen zullen over ons oordelen, wanneer het noodzakelijk is, of de tijd toe is; wij zullen slechts oordelen over ons eigen streven, zover ons bewustzijn een dergelijk oordeel mogelijk maakt.

* Ik kan mij voorstellen dat er een nederigheid is, die niet stamt uit hoogmoed.

Dan zal zij zich van zichzelf niet bewust kunnen zijn.

* Als een moeder zich vernedert om haar kind te dienen, kunt u daarin hoogmoed  zien?

Zeker, of bezitszucht. Wanneer de moeder haar kind ziet als deel van zich, zonder daarop een bezitsrecht uit te oefenen, zonder zich te vernederen om dat te dienen, dan is de normale relatie geschapen. In deze normale relatie zal de moeder het kind zelfstandig in de wereld zetten en dwingen in de wereld te gaan op het ogenblik, dat de directe lichamelijke band niet meer noodzakelijk is. Het gevolg is, dat het kind dan zijn eigen verantwoording draagt en een volledig mens wordt; althans kan worden. Als die moeder zich vernedert door – wat voortkomt – te blijven zwoegen voor een geliefd kind, zelfs wanneer dit al de middelbare leeftijd bereikt heeft, dan schuilt hier iets ziekelijks in. Ofwel doet men dit, omdat men zich verplicht gevoelt voor dit kind, ofwel men doet het, omdat men het prettig vindt voor het kind te zorgen. In het eerste geval is het een nederigheid, d.w.z.: een idee dat men zelf zoveel fouten heeft gemaakt in die opvoeding, dat men nu de consequenties daarvan moet dragen. Op zich zeer mooi, maar precies verkeerd. Het kind zal dan altijd blijven profiteren. In het tweede geval vindt men het prettig, omdat men in het leven van dat kind betekenis heeft. Maar dan gaat het in feite om het bezit. Bezit, of zelfs de illusie van bezit t.o.v. een medemens, is altijd hoogmoed. Daarin veronderstelt u, dat u daarin zoveel beter en sterker bent dan die ander, dat u voortdurend recht op hem uit kunt oefenen. Ook al realiseer u zich dat meestal niet.

Mijn standpunt is misschien niet erg conventioneel, maar wel reëel. Laat ons niet vergeten, dat de grootsten onder de groten, de Gautama Boeddha, Jezus van Nazareth, Mohammed, allen afstand hebben gedaan van de familieband. De Prins Siddharta door weg te lopen van de zorgen van zijn ouders. Zo kon hij tot bewustzijn en ontwikkeling komen. Jezus, door Zijn moeder, van wie Hij veel hield, eenvoudig af te wijzen, zodra zij recht op Hem wilde uitoefenen, terwijl het ging om Zijn werk, of bewustwording, “Vrouw, wat heb Ik met U van doen?” Mohammed door, toen eenmaal de eerste hadj begon, de eerst krijgstocht, een ieder te dwingen, ofwel heen te gaan, dan wel zijn gezag en stem te volgen en afwijzende de zorgen, zelfs van zijn gade. Dit was zijn taak. Wanneer men nu begrijpt, dat de grotere verlichten onder de mensen, de grote geesten die op aarde komen, dit doen, dan zal u duidelijk zijn, dat dit uitoefenen van wederzijdse rechten foutief is. Juist diezelfde Jezus die Zijn moeder afwees, was toch genoeg aan haar gebonden, maar door een liefde van gelijkheid, zonder trots, of nederigheid, zodat Hij haar aan het kruis trachtte te troosten. Diezelfde Gautama Boeddha die wegtrok uit het rijk van zijn vader en er niet terug wilde keren, ging terug tot dit rijk, toen zijn ouders in nood waren. Op dat ogenblik diende hij zijn vader te troosten, hij diende bij het sterven tegenwoordig te zijn. Dat was genegenheid, dat was geen recht. Toen zijn vader, nog in leven, meerdere malen boden tot hem zond, wees hij ze steeds weer af. “Ik kom, wanneer het mijn tijd is”.

Maar ook omgekeerd is dat zo. De grote wijzen zullen nooit trachten hun kinderen op te voeden en bij zich te houden, tot zij een soort evenbeeld van het Ik zijn geworden. Dat is persoonlijkheidsuiting. Dat is voor het kind geestelijk ongezond. Door het gebrek aan noodzaak zal het nooit het leven accepteren, het blijft zich in dromen vermeien en meent door de wereld onrechtvaardig behandeld te worden op de koop toe. Het neemt de grote offers van de ouders meestal als iets vanzelfsprekends. Daarmee heeft men het kind in een vals beeld van de wereld gezet, waardoor het niet zijn volledige bewustwording door kan maken. Als u dit nu doet omdat u meent fouten gemaakt te hebben, of omdat u het kind zo graag bij u wil houden, of aan u wilt binden, blijft gelijk. Het kind dat zich aan blijft leunen, maakt dezelfde fout, want dit laat zich ook weer verleiden tot bindingen, i.p.v. tot een persoonlijk beleven en een persoonlijke uiting. Ik spreek hier hoofdzakelijk vanuit geestelijk standpunt. Ik weet dat het op aarde moeilijker in de praktijk te brengen zal zijn voor sommigen, omdat het een te grote zelfoverwinning betekent, of ook wel het dragen van een te grote verantwoordelijkheid die men eigenlijk niet aandurft voor zichzelf. Maar ik blijf erbij, dat het juist is.

* Ik heb nederigheid beschouwd i.v.m. het Goddelijke. 

Daar kan men natuurlijk over vechten. Wanneer ik mij bewust ben, dat God in mij is en ik word steeds van Zijn Grootheid bewust, dan is voor mij het feit, dat Hij in mij leeft, een reden tot vreugde, niet te zeggen tot trots, en niet tot nederigheid. Te zeggen: “God is zo groot en sterk en ik ben zo klein en weinig”, lijkt mij erg oneerbiedig t.o. de God die in u leeft. Wanneer wij nederig zijn tegenover God, dan proberen wij wel onze persoonlijke belangen en onze persoonlijke gedachten klein te maken tegenover God, maar verwaarlozen iets anders, dat veel belangrijker is, n.l. in ons streven en denken één te worden met God. Wij hebben geen nederigheid van node, alleen een bewustzijn van God en een vreugde in het behoren tot God. Ik vind het niet een essentiële noodzaak, ofschoon ik het zeer waardeer, dat men soms een innerlijke nederigheid nastreeft, maar kan dit vanuit mijn standpunt niet geheel billijken.

Weet u, vrienden, wanneer wij zo bezig zijn met ons zoeken naar waarheid, met ons streven, dan gaan wij ieder onze eigen weg. Dan komen wij voor sommige moeilijkheden te staan, die misschien wel een theoretische, maar geen praktische oplossing verdraagt in absolute zin.

Voorbeeld: hoe weet ik, wanneer God in mij spreekt, of wanneer het mijn onderbewustzijn is en alleen mijn verlangen? Dat kunt u niet weten. U kunt nooit weten, wat precies Gods stem in u is en wat ergens anders uit voortkomt. U kunt het geloven, of denken. Weten doet u het nooit. Laten wij dan praktisch stellen: wanneer wij ons wenden tot God met heel ons wezen, zal alles, wat gebeurt – en niet alleen een stem in ons – het antwoord zijn erop. Ons beroep op de kosmos weerkaatst zich in alle dingen die kosmisch zijn en dat is alles, wat rond ons is.

Laat ons nooit een gebed richten op een bepaalde handeling, of gebeurtenis. Laat ons niet zeggen: geef mij dit, of dat, en dat dan definiëren. Op het ogenblik, dat wij dit doen proberen wij een bestaande orde te wijzigen, zonder te weten, of deze wijziging in overeenstemming is met Gods wil. Laten wij daarom stellen: het is noodzakelijk dat de mens bidt. Laat dit bidden niet zijn een vragen van stoffelijke zaken, maar een erkennen van Gods aanwezigheid. God is met ons, maar er zijn zoveel andere dingen rond ons. Wij hebben de geest, de meesters, de leringen, de geopenbaarde geschriften, enz. Laten wij dit niet vergeten: God openbaart zich in ons in alle dingen en toont ons daarin onze weg. Niet de weg van de wereld, of Gods wil voor de wereld, maar de weg die Hij wil die wij gaan. Al wat wij kunnen aanvaarden als een Goddelijke openbaring, zal daarom een vingerwijzing voor ons bevatten, die het ons mogelijk maakt een juister en harmonischer weg te vinden naar God.

Dan kom ik nog even op de praktijk terug van de stof. Sommige mensen vinden het erg bijgelovig, of onbenullig ook stoffelijke dingen te doen, om daardoor God nader te komen.

Wat wij doen, kan onjuist zijn. Dat stel ik voorop. Indien wij het doen met de absolute intentie tot God te komen, dan zullen alle voorwerpen, alle dingen en alle mensen, alle dieren, ons voortdurend helpen en bijstaan, weerkaatsend datgene, wat wij erin zoeken, namelijk het Goddelijke. Dit kan enkel niet gelden wanneer wij vernietigen, beschadigen, kwellen of pijnigen.

Wanneer wij deze laatste dingen doen, plegen wij handelingen die tegen onze natuurlijke instincten en gedachten ingaan, ofwel tegen ons hoger geestelijk bewustzijn.

Er zijn veel mensen die bv. wierook branden. Is wierook noodzakelijk? Neen. Maar die wierook, goed gekozen en goed gebrand, heeft ongetwijfeld een zeer sterke invloed, wanneer u in een absoluut vertrouwen op die invloed verder gaat. Wanneer u een bepaald ritueel volgt, dan zal het ritueel op zichzelf misschien leeg zijn. Het krijgt echter zijn betekenis door het bewustzijn, dat u eraan verbindt. Dan zal het een kosmische waarde kunnen weerkaatsen. Zeg nooit dat iets bijgelovig is. Zeg hoogstens: wanneer het een angst met zich meebrengt, wanneer het een poging is om stoffelijke voordelen te verkrijgen, of onheil te voorkomen, het is niet nodig. Zeg vooral niet, dat God Zich alleen openbaart in de geest. God openbaart Zich in alle werelden en sferen gelijkelijk, ook in de stof.

Wanneer wij een stem horen, een boodschap verkrijgen, een waarschuwing krijgen enz. uit de geest, dan mogen wij aannemen dat deze juist kan zijn, maar niet dat zij juist moet zijn. Want slechts indien wij Gods werken toetsen aan Gods werk in onszelf, kunnen wij tot een werkelijke overtuiging komen en kunnen wij een werkelijke betekenis gewinnen. Lessen en boodschappen hebben slechts in zoverre zin, als zij in overeenstemming zijn met ons bewustzijn van Gods wil, zoals die in ons leeft.

Bescherm geen dieren, als u mensen haat. De mens staat dichter bij uzelf dan het dier. Door u tot het lagere te wenden en het hogere te verwerpen, verwerpt u een Goddelijke openbaring.  U zult daardoor zelf schuldig worden.

Eis van niemand dat hij uw ideeën begrijpt, maar tracht ze zoveel mogelijk te beleven. Ook dat is logisch. Wanneer u naar begrip zoekt, dan komt u niet tot een uitvoering. Dat, wat werkelijk in u leeft, moet gemanifesteerd worden, moet uitgedrukt zijn. Eerst dan heeft zij betekenis. Zonder dat niet. Wanneer u eet en wanneer u drinkt, moet u altijd dit onthouden: de begeerte die in de mens leeft, is niet natuurlijk. Maar de behoefte die in de mens leeft, is wel natuurlijk. Eet en drink tot de behoefte is gestild, nooit tot dat aan de begeerte is voldaan. Op deze wijze behoudt u een natuurlijk stoffelijk evenwicht, dat u een grotere geestelijke bewegelijkheid toelaat. Ik zit wel erg in de praktijk te werken vandaag. Ik ben nu al aan eten en drinken toe. Wat ik zelf in geen 150 jaar heb gedaan……

Toch denk ik, dat het u misschien kan helpen. Nu wil ik u nog een raad geven. Zoals er geschreven staat: “Onderzoek alle dingen en behoudt alleen het goede”, zou ik u willen aanraden: bind u nooit aan één richting, één geloof, of een beschouwingswijze, tenzij uw hele wezen daarin op gaat en u een volledige geestelijke bevrediging daaruit ontvangt.  Maar wanneer u zich niet aan één richting bindt, tracht u dan niet aan meerdere richtingen te binden, want dit veroorzaakt strijd en verwarring. Sla gade, constateer en vindt uw eigen waarheid. Alleen een mens die zelfstandig zijn weg vindt door het leven, maar ook zelfstandig zijn bewustzijn kan verrijken langs zijn eigen weg en met respect voor de wegen van ieder ander, kan werkelijk een maximum aan bewustzijn verwerven op aarde. Hoe groter het bewustzijn – misschien een lichte troost – dat u hier op aarde verwerft, hoe kleiner uw angst voor de dood, hoe groter uw vreugde in het leven, hoe groter uw kracht in alle sferen.

Niet alleen bewustzijn zoeken, omdat wij daardoor een Lichte wereld krijgen, maar omdat het ons onafhankelijk maakt van de verschijnselen en zo juist in deze onafhankelijkheid God zuiverder doet erkennen. Mensen, zowel als geesten, moeten vrij zijn. Niet bandeloos, maar vrij, omdat zij God en de Goddelijke wet volgens hun eigen ervaring interpreteren en volvoeren, daarbij vertrouwend, dat God, wanneer zij verkeerd handelen hen door een correctie erop zal wijzen, dat dit niet goed was. Zo zal de ervaring ons steeds verder voeren.

 Nu wil ik even nog iets zeggen over onze Orde.  Onze Orde der Verdraagzamen is een groep met een eigen levensbeschouwing. Wij hebben deze gevonden door te zoeken, te denken, te leven, te lijden en te werken. Wij noemen ons verdraagzamen en proberen dat te zijn, omdat wij beseffen, dat een ieder op zijn eigen wijze een eigen weg kan vinden. Als u naar ons luistert, moet u wel een ding begrijpen: wij hebben op den duur geleerd dat heel veel van die z.g. grote waarden op aarde en in de sferen, in feite niets anders dan zelfbedrog zijn. Wij vinden dat op het terrein van beschaving, zedelijkheid, cultuur, als op terreinen van wijsbegeerte, godsdiensten, theologie. Wij proberen uit al deze dingen datgene te puren, wat voor ons idee en volgens onze ervaring goed is. Wij leggen u dit voor. Wij doen dit in de hoop, dat u daardoor inzicht krijgt in een mening, die mogelijk is. Wanneer u het niet met ons eens bent, dan zullen wij daar blij over zijn, wanneer dit voortvloeit uit een werkelijk bewustzijn. Wij kunnen heel wat hebben, dat hebt u misschien al wel meer bemerkt.

Wanneer u nu luistert, moet u dus goed bedenken: wij hebben een eigen zienswijze. Het is deze zienswijze die wij naar voren brengen. Die klinkt mee in elk antwoord en op elke vraag, in elk betoog, onverschillig, of het gaat over filmsterren, of de grote wijzen van het verleden. Het is niet uw taak deze geest te absorberen zonder meer. Het is uw taak, vooral wanneer u hier een paar maal komt, of geweest bent, voor uzelf te onderzoeken, in hoeverre deze ideeën kunnen stroken met uw bewustzijn van wat goed is. Het is niet zo, dat u moet zeggen: de Orde der Verdraagzamen is wijs, of zij weet veel, dus zal het wel zo zijn. Het is zo, dat u moet zeggen: beroert dit mij, treft mij dit persoonlijk, zo ja, dan zal ik nagaan of ik dit aanvaarden kan en is dit m.i. goed, ook al kom ik nooit meer luisteren naar die Broeders, dan zal ik proberen om dat in de praktijk te brengen. Wilt u terugkomen, onthoudt u dan een ding: als u lang blijft luisteren, dan gaat u op de duur denken, zoals wij. Dan gaat u onze beredeneringsmethode zo goed kennen, dat er haast geen ontkomen aan is. Dat is niet een bewust streven onzerzijds, maar dat is een noodzakelijk gevolg van ons eigen leven en denkwijze.

Wij geloven in God. Wij geloven in de liefde van die God voor ons allen in de Schepping. Het is juist daarom, dat wij streven, leven en werken, zoals wij doen. Wij hopen dat u ons in deze zin zult willen accepteren. Wij wensen werkelijk van harte, dat wat wij brengen, of het nu een debat is, waaraan u zich ergert, of een lezing die u buitengewoon mooi vindt, of een betoog waar u niets van begrijpt, dat u toch zult zeggen: zij doen hun best om, volgens hun inzicht, Gods wil te volbrengen. Ik zal het doen op mijn wijze.