Praktische mogelijkheden van het denken

SVGZ – 12 juni 1964

Allereerst wil ik kort het begrip denken, zoals dit door mij wordt gehanteerd, omschrijven. Denken is een functie van het lichaam plus een functie van de geest. De wisselwerking tussen deze beiden komt voor de mens tot uiting in het uitwisselen van in herinnering in het ik voorkomende indrukken, welke voortkomen uit overlevering van het geslacht door de generaties, met persoonlijke ervaringen of opgedane theoretische kennis. Door de confrontatie van deze in het eigen wezen berustende waarden met de impulsen, werkingen en mogelijkheden van het heden ontstaat een erkenning, die meer omvat dan deze feiten alleen. Daar, waar de ogenblikkelijke feiten en de daarop natuurlijke reacties worden uitgebreid met inzicht, welk een voorkennis van komende ontwikkelingen dan wel reminiscenties bevat, waarbij het heden bewust wordt getoetst aan het verleden, mogen wij spreken van een denken in menselijke zin.

Na deze algemene omschrijving van hetgeen door mij hier als begrip ‘denken’ gehanteerd zal worden, wil ik overgaan tot een verdelen van het denken in geest en stof in verschillende functies. Om overbodige verhandelingen en details te besparen, voor zover deze geen zin hebben voor u in de stof, zal ik uitgaan van het denken in de stof als bepalend voor deze indeling.

Allereerst kennen wij bij de mens een denkproces, dat praktisch willekeurig is. Het wordt bepaald door onderbewustzijn, genetisch overgebrachte kennis en instincten en gewoonten plus andere aan het stoffelijk karakter eigene kwaliteiten. Dit onbeheerste denken zal over het algemeen worden voortgezet in een gewoontevorming, waardoor een niet gerealiseerd gewoonte-denken soms als alles beheersend kan ontstaan, welk in zijn meest ziekelijke vormen tot monomanie kan worden, waarbij alles wordt geïnterpreteerd in verband met,  en ten aanzien van, een bepaald punt, zonder dat men zich van deze beperktheid van reactie en denken zelf bewust is.

Ten tweede kennen wij het bewust redelijk denken, waarbij een combinatie van in het Ik aanwezige gegevens en mogelijkheden bewust wordt afgemeten aan, vergeleken met en beproefd in, de buitenwereld. Dit gehele proces komt bewust en door eigen wil tot stand. Hierin vinden wij onder meer het wetenschappelijk denken ofwel actueel-experimenteel denken, doch ook het metafysisch denken en zelfs een deel – maar slechts een beperkt deel en meer niet – van de mystiek.

Als derde deel van het denkvermogen vinden wij dan een wel door het Ik beheerst, maar niet geheel binnen stoffelijke rede hanteerbaar denken. Wij kunnen hier in feite wel spreken van een sprongsgewijs denken, waarbij de tijd-ruimtelijk factoren, die het normale en zelfs onbeheerste denken beheersen, afwezig blijken te zijn. Tussen punt van uitgang en conclusie vallen hier vaak bepaalde fasen van het denkproces weg of worden eerst later, nadat reeds een kennis of beslissing bereikt werd, gerationaliseerd.

Ik zou dit laatste denken dan ook wel kosmisch denken willen noemen, omdat hierin immers niet geheel menselijke of niet geheel tot de kenbare wereld van de mens behorende factoren daarbij een grote rol plegen te spelen.

Hiervan vinden wij vele voorbeelden binnen de praktijk van het occultisme, terwijl wij eveneens in de mystiek met een dergelijk soort denken en realiseren geconfronteerd worden. Ook speelt dit denken vaak een rol bij een schijnbaar instinctief idealistisch reageren.

Nu mogen wij niet vergeten, dat de gedachtewereld van de mens in wezen een wereld op zich is: de gedachte staat namelijk vaak los van de werkelijkheid, terwijl in zeer vele gevallen de mens zelfs weigert zijn gedachtewereld aan de buiten hem beslaande feiten te toetsen. Ik meen daarom ook te mogen stellen, dat het denken een onmiddellijk creatieve factor is binnen het menselijke bestaan, waarbij de mens zich een persoonlijke wereld kan scheppen, welke al dan niet in overeenstemming kan zijn met het geheel of een deel van de feitelijke omstandigheden, zoals dezen rond de mens bestaan.

Na deze omschrijvingen wil ik trachten over te gaan tot een poging – meer dan dit kan het, naar ik vrees, in de beschikbare tijd niet zijn – om de praktische mogelijkheden en waarden van het denken naar voren te halen. De eerste punten zijn als vanzelfsprekend:   Door te denken kan ik mij zodanig oriënteren, dat ik, ongeacht mijn tijdelijke en ruimtelijke beperkingen, mij kan voorbereiden op, of rekening kan houden, met toestanden, mogelijkheden en omstandigheden, die zich voor mij op een ander punt in ruimte of tijd zullen manifesteren. Wat in wezen niet veel meer betekent, dat je dus door vandaag na te denken kunt weten, wat u morgen of overmorgen van de bakker zult moeten nemen, aannemende dat de visite, die je dan verwacht, inderdaad op komt duiken. Dit is dus een eenvoudige en welbekende functie van het denkvermogen. Het is echter ook scheppend. Ik heb dit aangestipt als zijnde een beheersbare of zelfs beheerste functie van het denken, die echter niet meer geheel menselijk redelijk zal zijn.

Wanneer ik als mens of geest een reeks denkbeelden samenvoeg, zo kan ik daarbij wel degelijk uitgaan van feiten, zonder dat elk denkbeeld op zich feitelijk ís. Het eindbeeld dat ontstaat, zal dan wel beantwoorden aan feitelijke mogelijkheden, maar van de werkelijkheid aanmerkelijk kunnen afwijken. Ik kan nu trachten om de feiten aan mijn gedachtebeeld te doen beantwoorden. De waardering hiervoor binnen de maatschappij loopt van idealistisch tot dwaas.

Ik kan echter ook trachten deze innerlijke wereld zodanig te onderscheiden en te onderzoeken, dat zij mij kennis geeft of toegang tot de kennis van eigenschappen, wetten en feiten, die ook in de werkelijke wereld van kracht zijn of voorkomen, zelfs indien zij daarin door andere mensen normalerwijze niet erkend zullen worden. Dit is nog geen wetenschappelijk denken te noemen. Het proces zelf ontbeert vaak alle steun van feiten en kan dus niet als waarlijk logisch of redelijk worden beschouwd. In feite blijken de conclusies vaak los te staan van het oorspronkelijke gedachtebeeld, de schepping van een wereld of toestand binnen het Ik.

Om tot een dergelijk inzicht te komen, dat in eigen wereld bruikbaar en waardevol zal zijn, blijft zelfs een normaal denkproces niet bruikbaar. De resultaten worden door een plotselinge gedachteassociatie bereikt, die alle kenbare redelijkheid pleegt te ontberen. Elke bewustwording op dit terrein zal dan ook voor ons het karakter van een geluidloze explosie hebben. Er komt een ogenblik, dat je opeens iets weet, zonder te weten hoe of waarom. Later kun je misschien het proces vinden, de associatie tot zijn oorzaak herleiden, maar op het ogenblik zelf blijft het onredelijk. Dit erkende tracht men dan toe te passen op zijn redelijk denken, waarbij de mens gemeenlijk weer een zeer eigenaardig gebruik van zijn lichamelijke vermogens maakt: hij gaat namelijk in zijn redelijke processen zonder meer uit van een bewezen zijn of bewijsbaar zijn van het door hem ervarene en gestelde, zonder daaromtrent ook maar enige werkelijke zekerheid te bezitten. Juist hierdoor slaagt hij er vaak in het gestelde uiteindelijk waar te maken.

Wanneer de mens of geest creatief denkt, schept hij hiermede een wereld. Deze beantwoordt aan alle eisen en wetten, die men zelf zal stellen, maar – en dit is nu wel een zeer eigenaardig verschijnsel – de waarden en regels in die zelfgeschapen wereld blijven niet beperkt tot het door het Ik gestelde alleen. Er is niemand onder ons, in geest of stof – buiten degenen misschien die direct met bepaalde hiërarchieën gelieerd zijn en zich daarvan bewust zijn – die een gedachtewereld zodanig kan scheppen dat daarin niet voor hem onvoorziene wetten en/of feiten optreden.  Conclusie: ook wanneer wij ons een gedachtewereld opbouwen, scheppen wij iets, waarop een – voor ons misschien niet kenbaar – deel van de buiten ons bestaande werkelijkheid invloed heeft. Anders gezegd: hoeveel waan van onszelf ook in de gedachtewereld geprojecteerd is, het wezen dezer zelfgeschapen wereld ligt toch altijd in een werkelijk bestaan, in een wezenlijke wereld, in wezenlijke wetten, die verder grijpen dan de willekeur van de schepper van deze gedachtewereld.

Wij komen dan ook voor het feit te staan, dat er voor ons niet redelijke of niet redelijk kenbare krachten, wetten en toestanden zijn, die via het scheppende proces der gedachten – noem dit mijnentwege fantasie – invloed uit kunnen oefenen op het werkelijke wezen van de mens en de geest en zijn omstandigheden kunnen beïnvloeden. Dit geldt voor mens en geest. Voor de mens betekent het, dat hij niet slechts tot erkenningen – redelijke erkenningen – kan komen op grond bv. van feiten of combinaties van feiten, die anderen onbekend zijn, maar dat hij ook door een zeker aanvoelen of inspiratieve processen ook kan komen tot het produceren van invloeden of krachten, die voor anderen in hun bron en werking redelijk onkenbaar of onbekend zijn.

Het klinkt misschien, alsof ik de mens – en de geest – directe origineel scheppende vermogens toeken. Laat ons echter reëel blijven: het is niet mogelijk iets te beseffen, te ontwerpen, te bedenken, of in eigen gedachten op andere wijze tot stand te brengen of te doen komen, dat niet reeds voordien was. Al wat wij innerlijk scheppen kunnen, moet dus reeds ergens bestaan of mogelijk zijn. Wij kennen nu eenmaal echter niet alle dingen. Op grond van dit onvolkomen kennen zijn dus schijnbaar onmogelijke dingen bereikbaar. Je kunt je denkvermogen praktisch dan ook vooral buiten de norm om gebruiken, door rekening te houden met de verdeling in drie afzonderlijke gebieden van denken, zoals wij die zo-even reeds maakten.

Op het ogenblik dat de mens zijn instinctief en onbewust denken geheel of grotendeels terzijde kan schuiven als zijnde een reactie, waarmede hij nimmer gevoelsmatig en innerlijk, toch ten hoogste uiterlijk een zekere mate van beheersing en aanpassing kan bereiken of behouden, blijven hem twee beheersbare werkingen binnen het ik, te weten het redelijke en het bovenredelijke denken.

Het boven redelijke denken is kennelijk ergens een voortzetting van het redelijke denken, echter op gebieden, die verre liggen van de gebieden en methoden, die voor ons gelden als basis van redelijk denken en redelijk kenvermogen. Indien ik een probleem heb, waarvoor ik redelijk geen oplossing kan vinden, zo kan ik dit aan mijn boven redelijke vermogens over dragen. Om resultaten te boeken zal men echter dan, althans i.v.m. het bewuste probleem, het redelijke denken tijdelijk uit moeten schakelen. Wij zien daarbij bv. hoe vele mensen hun problemen op lossen in hun slaap, het gezegde: “Ik zal er eerst eens een nachtje over slapen” wijst overigens op een – misschien niet geheel bewust – gebruiken van deze mogelijkheid.

Toch blijken vele van de oplossingen, die men in droom of slaap en zelfs door intuïtie op een gegeven ogenblik meent te vinden, vanuit een redelijk standpunt onmogelijk, scherts, onbruikbaar enz. te zijn. Hierom nu onmiddellijk het geheel van de oplossing te verwerpen is niet bepaald reëel. Ook wanneer het onmiddellijk beeld, de zogenaamde oplossing, niet meteen bruikbaar is, zo zal in de meeste gevallen de zo ontvangen, verkregen, oplossing wél bruikbaar zijn in boven redelijke zin, maar werd zij eenvoudigweg binnen redelijk denken en voorstellingsvermogen verkeerd vertaald. De oplossing, die wij vinden – dit is het belangrijkste punt hier – is wel degelijk reëel, zij bestaat werkelijk. Datgene wat daarvan in de rede later overblijft, is echter niet de oplossing zelf, maar kan slechts dienen als punt van uitgang, om de gedroomde oplossing of innerlijke doorvoelde oplossing te hervinden en hanteerbaar te maken binnen het kader van redelijk denken en leven.

Wat ik hier beweerd heb, kan worden gebracht tot het volgende meer eenvoudige beeld:

U droomt. Wat uit uw droom overblijft is niet de waarheid van die droom. Wanneer een probleem moet worden opgelost, dan zal de oplossing wel juist zijn in boven redelijke zin, maar zal zij slechts zelden in het bewustzijn kunnen worden overgebracht in zuiver redelijke, zuiver verstandelijke termen.  Iemand, die wil schilderen of componeren, kan dit in bovenbewuste toestand vaak doen op een vanuit normaal menselijk standpunt haast onbegrijpelijk snelle en volmaakte wijze. Zou dit boven redelijk actief zijn echter tijdens de slaap optreden en zou men de uitkomsten noteren, dan blijken zij kinderlijk of zelfs onaanvaardbaar. Toch vormen zij in wezen een oplossing, een motief, een weergave, die wel degelijk juist is. Het neergelegde kan dan worden beschouwd als een punt van uitgang.

Daarom stellen wij: degene, die zijn bovenbewuste of boven redelijke vermogens inschakelt voor de oplossing van een probleem, zal moeten beseffen, dat hij nimmer de volledige en redelijke oplossing daarvan onmiddellijk en geheel in handen krijgt, maar dat hetgeen daaruit voortkomt als punt van uitgang bij de redelijke oplossing van dit probleem gebruikt kan worden en dient te worden. Na enige overleg zal men immers steeds weer ontdekken dat, zo men niet eist dat het punt van uitgang zelf – inzicht dus – redelijk en strokende met verstandelijke overwegingen optreedt, men van daaruit wel degelijk verder kan gaan.

Een volgend punt: wanneer ik denk, zal ik daarmede een zekere hoeveelheid energie gebruiken of omzetten. Dat de energie, die voor het menselijk denken gebruikt wordt, ook indicieve waarden bezit, is voldoende bewezen door moderne instrumenten als de encefalograaf. Wij kunnen bij een encefalogram echter constateren, dat er vaak in wezen twee curven moeten zijn. De uiteindelijke curve blijkt bij nadere beschouwing in twee curven gesplitst te kunnen worden, waarbij de ene onderbewust blijkt te zijn en een eigen ritme heeft, terwijl de andere eerder de reactie op buiten het Ik optredende omstandigheden geeft. De fluctuatie van de z.g. onbewuste lijn, is over het algemeen traag, terwijl het ritme daarvan veelal wel constant is, maar van persoon tot persoon grote verschillen blijkt op te leveren. Nu zou ik willen zeggen, dat wij twee vormen van energie of energieomzetting hierin vinden: de eerste is die van het bewuste denken en lichamelijk reageren. Gezien de nevenverschijnselen mag worden gesteld, dat deze energie veel gemeen heeft met een elektrische of zelfs op wisselende elektrostatische waarden gebaseerde functie.

De tweede vorm van energie komt alleen mede via de eerste tot uiting, zodat wij de vorm van de daar optredende energie niet zo goed kunnen constateren vanuit menselijk standpunt. Toch blijken de daar optredende fluctuaties kentekenend te zijn voor het innerlijke leven en de innerlijke mogelijkheden van de mens. Op het ogenblik, dat wij in staat zouden zijn een encefalogram te maken van een mens, die een toestand van verrukking benadert, zoals iemand, die tot in de diepste meditatie of contemplatie verzonken is, zou blijken dat de uitslag van deze tweede curve in ritme ongeveer gelijk blijft, maar in amplitude, in uitslag, veel groter wordt. Op een gegeven ogenblik zou hierdoor de normaal veel scherpere uitslag van het reageren en denken daardoor geheel overvleugeld worden. Experimenten op dit terrein zijn wel degelijk genomen, maar men kon geen definitieve conclusie trekken, daar de encefalograaf en al wat met de werking en bediening daarvan samenhangt, een werkelijk langdurig bereiken van een verrukking – van geestelijke aard – of zelfs maar een meditatie van voldoende concentratie, praktisch schijnt te belemmeren.

Ik stel nu verder: bij dit denken kan dus, wanneer het boven redelijke denken is ingeschakeld in volle kracht, een vorm van energie worden opgevangen. Kennelijk is hierbij geen sprake van iets, dat alleen uit eigen wezen voortkomt. Er moet een andere bron zijn, waar de gedragingen van deze tweede curve niet alleen vanuit de hersenfunctie of de werking van het menselijk zenuw- stelsel verklaard kan worden. Deze energie kan door een bepaalde instelling vergroot worden – de vergroting van amplitude – maar moet tevens in de hersenen optreden, daar zij anders, zelfs als functie bij de hersenwerking, niet kenbaar zou worden op de omschreven wijze. Deze kracht treedt dus op binnen het menselijke organisme.

Wanneer men gebruik kan maken van dit boven redelijk denken, zal men beschikken over boven redelijke vermogens en zal het zeker ook mogelijk zijn een kracht op te wekken, die vanuit het Ik stralende, voor de wereld even scherp of zelfs scherper kenbaar zal zijn dan voor het Ik en ook meer dan alles, wat de mens redelijk produceert. In de aura zou een helderziende dit wel waar kunnen nemen.

Deze zou zien, dat de scherp gevormde en redelijke gedachten een fluctuatie tot stand brengen, welke onmiddellijk boven de infrarood laag – de uitstraling van het lichaam, de lichaamswarmte – kenbaar wordt. Wanneer het boven redelijke denken echter zijn invloed doet gelden, ontstaan pieken op dezelfde hoogte in de aura, die als een soort corona gaan tot de uiterste grenzen van de aura en soms zelfs daarbuiten nog zichtbaar zijn.

Eenvoudig en praktisch gesteld geldt dus: bij bepaalde vormen van boven redelijk denken vergroot zich een – verder niet direct omschrijfbare – vorm van energie binnen de mens.

Proefondervindelijk blijkt, dat deze energie aan anderen kan worden overgedragen. Een voorbeeld hiervan zien wij, wanneer mensen in een toestand van concentratie of opwinding verkeren, waarbij het boven redelijke een rol speelt. Zij zullen dan daardoor, zonder dat zij aan hun denkbeelden op enigerlei wijze uiting geven, anderen hierdoor tot handelingen, actie dus, nopen, welke in overeenstemming is met de innerlijke toestand, de denkbeelden ook, van de bron. Wij zien vaak, dat de emotie, die de omstanders bevangen kan bij het horen van bepaalde toespraken, vaak schijnbaar geheel tegengesteld zal zijn aan de openlijk gesproken woorden. Te veronderstellen, dat niet op de woorden, maar op de bedoeling bewust gereageerd wordt, veronderstelt wel een ongewoon groot intellect bij de toehoorders. Het is daarom logischer aan te nemen, dat hierbij een andere factor aansprakelijke moet zijn.

Je kunt, door het boven redelijk denken, dan ook de omgeving aanmerkelijk beïnvloeden en kan de kracht, die in dit boven redelijk denken aan bewustzijn verborgen is, verder om zetten in andere vormen van energie of in suggestieve kracht. Wij kennen dit verschijnsel bijvoorbeeld in de paranormale geneeswijze, maar zien een geheel andere vorm van dezelfde kracht optreden in het verre verleden, waar men van deze krachten gebruik maakte voor diagnostiek en vooral voor zelfdiagnostiek – Aesculapius – waarbij onder de invloed van een bepaalde sfeer de mens een kennis toont omtrent de voorgangen in zijn eigen lichaam, waar hij redelijke gezien deze niet onder meer zou kunnen bezitten of zelfs maar redelijk zou kunnen verwerven.

Ik stel dan, dat het gebruik van deze tot het boven redelijke behorende vermogens en krachten voor de mens in feite normaal zou behoren te zijn, terwijl vele princiepen, die men nu magie of bijgeloof pleegt te noemen, mede hierop gebaseerd zijn.   De holenmens van de oudheid tekende een beeld van een dier om dit wezen hierdoor tot zich te trekken. Hij meende verder, dat zijn actie tegen de tekening of afbeelding, zou voeren tot een verloop van de jacht, in werkelijkheid volgens de voorstelling, die tijdens de rituelen werd geschapen.

Nu kunnen wij dit misschien nog afdoen als bijgeloof. Wat echter niet met deze minachtende opmerkingen kan worden afgedaan, is het feit, dat er verschillende primitieve volkeren bestaan, die soortgelijke krachten, riten enz. nog gebruiken voor o.m. spoorzoeken, het aantrekken van wild, het opsporen van water en zelfs in sommige gevallen van mineralen, terwijl zij deze krachten bovendien weten te gebruiken om zo beelden te krijgen van ontwikkelingen, die op grote afstand van hen plaats vinden. Men spreekt hier dan van occulte verschijnselen, van paranormale begaafdheden. Men geeft als zijn mening, dat de parapsychologie zich daar maar eens mee moet gaan bemoeien. Maar blijkt uit dit alles niet, dat een bepaalde vorm van concentratie – niet redelijk zijnde of boven redelijk zijnde – een vorm van kracht opwekt?

Nu zal men de aard en het optreden van deze kracht met de huidige middelen en de hedendaagse wetenschappelijke mogelijkheden misschien niet zo goed kunnen verklaren. Maar men kan ze wel gebruiken. Daarom stel ik: intens denken aan een bepaalde mens brengt u in diens bewustzijn, zodra het redelijke besef van afstand terzijde wordt gesteld. Bij een intens denken, terwijl de andere in een toestand verkeert, waarin zijn waakbewustzijn verminderd is of zijn redelijk denken tijdelijk stilstaat, is een vorm van gedachte-overbrenging mogelijk. Ook daar, waar het enige denkproces gewoonte denken is, blijkt deze mogelijkheid te bestaan. Naarmate men de voorstelling, die men heeft van de ander, juister en scherper kan weergeven, zal de overdracht van gedachten, maar ook krachten, sterker mogelijk zijn. Het is dus mogelijk om met de medemens contacten te onderhouden, die niet van woord, direct lichamelijke contact of geschrift afhankelijk zijn en waarbij men toch elkanders denken en welzijn kan aanvoelen.

Daarbij is echter geen bedrog mogelijk: niemand kan zijn eigen uitstraling, een kenmerk van eigen persoonlijkheid, veranderen. Daarom moeten wij tevens stellen: de mens, die zijn denken juist weet te gebruiken, zal zich een vormvoorstelling maken van degene, met wie hij contact wil hebben, zal redelijk zijn doeleinden omschrijven en daarna dolen in de oerwouden der fantasie, tot het ogenblik, dat het daarin geschiedende niet meer door hemzelf beheerst kan worden. Op het ogenblik, dat dit gebeurt, heeft hij een directe kennis van de werkelijke toestand bij en in een ander. Hij zal zijn eigen wezen daarbij echter in geen enkel opzicht kunnen verloochenen.

Mensenkennis, psychologie, kan door deze eigenschap wel degelijk vervangen worden en is niet zo zeer aan directe kennis en observatie gebonden. Wanneer wij met iemand contact op willen nemen, doch dit moeilijkheden oplevert, kan een concentratie op de persoon het mogelijk maken, deze met u contact op te doen nemen dan wel de mogelijkheid tot dit contact op korte termijn te doen scheppen. Wanneer u dus met iemand wilt spreken in de stof, zal het goed zijn niet alleen maar redelijk na te gaan, waar hij zich bevindt, maar zal men er goed aan doen ook de boven redelijke vermogens te doen werken. Ook al is zelden een geheel positief resultaat daarbij te verwachten, zo kan toch wel gesteld worden, dat het uit het boven redelijke gevonden beginpunt sneller resultaten oplevert en vele moeiten zal besparen.

Een volgend punt: Terwijl ons redelijk denken als mens veelal sterk gebonden is met begrippen als bezit, begeren, angst, blijkt dat in het boven redelijk denken dit geheel niet zo sterk naar voren te treden. In de plaats van een zeer persoonlijke interpretatie komt een juister aanvoelen – boven redelijk erkennen – van feiten. Wanneer wij ons hiervan willen bedienen, zo zal het boven redelijk vermogen nimmer bruikbaar blijken in direct verband met bezit, begeerten of angsten volgens eigen visie daarvan in rede of stof. Doet men dit toch, dan is een mislukken van het experiment praktisch gegarandeerd. In alle andere gevallen is resultaat echter te behalen.

Wat ons na dit alles voor de vraagt stelt, hoe men eigen gedachteleven dan wel moet regelen en gebruiken. Gezien de moeilijkheid van het onderwerp en de beschikbare tijd laat ik de theoretische ondergronden hier maar buiten beschouwing: wij leven immers nog niet in het tijdloze, of, wat misschien juister is: u bent zich van het tijdloze in u nog niet bewust.

Iedere mens die denkt, zal zich realiseren, dat zijn denken nimmer geheel feitelijk is. In elk denken zitten dus boven redelijke elementen en argumenten verborgen. Daarnaast blijkt het onbeheerst denken, dat lichamelijk gestimuleerd wordt, maar ook wel voortkomt uit denkgewoonten – ons geloof, onze staat, ons fatsoen en dergelijke – van groot belang. Wanneer u redelijk na wilt deken, zo raad ik u aan, allereerst te trachten het redelijke argument te splitsen en van alle boven redelijke elementen, maar ook van sentimentskwesties enz., te ontdoen. Dit is een vorm van zelfnegatie. In deze vorm van zelfnegatie is het mogelijk, de feiten zuiver te stellen en een zekere objectiviteit te benaderen.

Wie de feiten zuiver omschrijft en deze a.h.w. laat verwerken door zijn boven redelijk bewustzijn of denken zal, als bij een cybernetisch brein van ongewoon grote omvang en mogelijkheden, zeer snel en haast encyclopedisch over alle werkelijke feiten en mogelijkheden kunnen beschikken, die noodzakelijk zijn om eigen denken en reageren binnen het kader van eigen leven geheel juist te richten. Deze impulsen zijn zeer waardevol: zij stammen uit een werkelijk en niet vertekend beeld en geven u de mogelijkheid, te overzien, wat redelijk onoverzichtelijk zou moeten blijven. Leer op deze impulsen af te gaan, zodra u heeft geconstateerd, dat zij niet voortdurend voortvloeien uit een onbeheersbaar denken of een gewoontevorm.

Een ander belangrijk punt kan ik het beste als volgt formuleren: eenieder weet, dat er in het denken van de mens vele heilige huisjes zijn. Overigens heeft de mens deze denkbeelden in eigen samenleving grotendeels wel waar gemaakt. Wij hebben echter altijd in ons denken een deel, dat wel redelijk zou kunnen en moeten zijn, maar dat wij in betrekking tot onszelf niet kunnen of willen aanvaarden. Dit wordt dan wel een deel van het onderbewustzijn genoemd, het geheel is in wezen een verdringingsverschijnsel. Wanneer wij trachten in dit deel van ons wezen binnen te dringen, worden wij met onszelf als wachter en vijand geconfronteerd.  Wie met zichzelf vecht, kan nooit winnen, omdat beide partijen even sterk zijn, maar dit “onderbewuste” Ik over het algemeen meer uithoudingsvermogen heeft, dan het bewuste Ik.

Wanneer wij dergelijke verschijnselen in onszelf of in anderen redelijk kunnen negeren, blijkt ons, dat het boven redelijk denken wel tot deze verborgen gebieden van de persoonlijkheid toegang heeft. Wij kunnen op deze wijze profiteren van herinneringen, feiten en zelfs kundigheden, die men in wezen liever zou willen vergeten of zich niet durft te herinneren. Voor velen heeft dit verborgen deel van het Ik het karakter van een soort reserve aan kracht en mogelijk- heden. In noodtoestanden, waarbij de neiging het eigen Ik te ontwijken, niet aanwezig meer is door allesoverheersende emoties of indrukken, blijkt de mens hiervan gebruik te kunnen maken, ook wanneer hij normaal dergelijk krachten, mogelijkheden of bekwaamheden eenvoudig wil ontkennen.

Wij zien in noodtoestanden mensen, die onbeholpen heten te zijn of zeer traag van reactie, bijvoorbeeld grote technische waardigheid, scherp inzicht, kennis enz. tonen. Deze bekwaam- heden zullen echter in de meeste gevallen weer geheel verdwijnen, nadat de noodtoestand voorbij is of de verantwoordelijkheid daarvoor aan anderen kan worden overgedragen. Mensen met z.g. lichamelijke gebreken, krachteloosheid, zelfs gebrek aan bewegingsvaardigheid onder dezelfde invloed uit verborgen krachtreserves kunnen putten en opeens lopen, terwijl zij verlamd waren, lasten tillen, die zij normaal nimmer zouden kunnen torsen, prestaties volbrengen, die niet slechts volgens hen, maar ook volgens de redelijke wereld onmogelijk en ondenkbaar waren.

Wanneer dit alles mogelijk is via het onredelijk en onbeheersbaar denken, waaruit deze impulsen en krachten ontleend worden, zo moet dit op den duur ook mogelijk zijn via het redelijke denken. In het redelijke denken is het daarom wel belangrijk de factor tijd en behoefte steeds scherp te omschrijven. Wanneer wij ons dan a.h.w. dit contemplerende, overbrengen naar het boven redelijk bewustzijn, zullen wij gebruik kunnen maken van een kennis van eigen wezen, die normaal niet bestaat en zo de belemmeringen voor het gebruik van eigen krachten en vermogens grotendeels kunnen teniet doen, of ermee omgaan.

Heeft u weleens gehoord van de lungumpa’s? Dit waren de bekende hardloopmonniken in Tibet. Tegenwoordig zijn zij misschien melders in het rode leger. Deze mensen kwamen tot buitengewone snelheid en buitengewoon uithoudingsvermogen. Wij zullen alles, wat meer tot de legende behoort eenvoudig terzijde laten en dus niet spreken over het zogenaamde feit, dat hun voetstappen zo licht zijn, dat zij zelfs een grashalm niet buigen. Wat overblijft is dan een mens, die, door het uitschakelen van zijn redelijk besef plus het scheppen van een groot doelbewustzijn, dat in het boven redelijke wordt overgebracht, zijn automatismen harmonisch weet te reguleren en zo tot een grote, voor de redelijke mens haast ondenkbare prestatie komt. De lungumpa traint zich hiervoor, dat is waar. Maar zou een gewoon mens van deze mogelijkheden geen gebruik kunnen maken?

Ik ben er van overtuigd, dat iemand die zich de noodzaak realiseert, een bepaald iets te volbrengen en daarbij alle sentimenten terzijde laat, zijn taak beginnende zonder de gebruikelijke redelijke overwegingen en perfectionistische planningsmethoden, om vol te houden tot het einde ongeacht eigen lichamelijke of van buiten optredende factoren, tot prestaties zal komen, die aanmerkelijk boven het normale liggen.

Waaruit u al weer ziet, dat je door juist denken nogal wat kunt doen. Maar misschien voelt u zich teleurgesteld, omdat ik nog steeds mij bezighoud met voor u betrekkelijk ingewikkelde of moeilijke regels. Er is, naar ik meen, toch wel ruimte voor een stukje eenvoud:  Wanneer u denkt moet u zich trachten te realiseren wat u denkt, zodra u zichzelf kunt aanwennen om waarnemer te zijn, a.h.w. een objectieve waarnemer van eigen gedachteleven, zult u de gedachteprocessen binnen het redelijke zeer goed gaan begrijpen. U kunt dan ook gemakkelijker alle niet essentiële waarden en delen van een bepaalde gedachtegang verwijderen.

Op het ogenblik, dat een gedachtereeks alleen nog maar essentiële punten bevat, is zij gelijktijdig een uitgangspunt voor boven redelijke reacties geworden en een middel om ook langs redelijke weg elk streven en werken te vereenvoudigen en met groter succes door te voeren.

Als het gevolg van boven redelijke processen ziet de waarnemer altijd weer elementen in gedrag, weten en denkgewoonte optreden, die volgens zuiver redelijke gegevens niet verklaard kunnen worden. Door op deze wijze dus kunt u uw gedachten tot de grootst mogelijke eenvoud, maar gelijktijdig tot een zo scherp mogelijke omschrijving van alle erkenning, problemen enz. brengen met en terzijde laten van alle niet onmiddellijk belangrijke of zelfs overbodige gegevens en punten. U zult zien, dat u dan – zeg mijnentwege vanuit de kosmos – het voor u noodzakelijke kunt plukken. Tracht nimmer zo ontstane impulsen te beschouwen als iets, wat eerst verklaard en overwogen moet worden, doch zie ze als beginpunt voor volgende acties, die echter in zich weer redelijk en voor u aanvaardbaar moeten zijn.

Ik zal een voorbeeld geven van de noodzaak tot onmiddellijke reactie op een impuls, die niet onmiddellijk tot eigen wezen kan worden herleid, althans niet zonder langere bespiegelingen en overwegingen:

U staat ergens in een dal of ravijn. Daarboven ligt los een grote steen, die u echter niet kunt zien. Nu komt deze steen in beweging, u ziet of hoort daarvan bewust niets, maar voelt u opeens onbehagelijk. U kunt nu reageren door dit gevoel van onbehagen te volgen en u zo snel mogelijk van de plaats, waarop u zich bevindt, te verwijderen. De steen valt dan voor of achter u, maar niet op u. U kunt het onredelijke en meestal vage gevoel eenvoudig opzij zetten en daardoor groot gevaar lopen, getroffen te worden, daar u uw normale tempo en beweging zult blijven volhouden. U kunt ook stil blijven staan, om na te denken over de mogelijke oorzaak van dit gevoel van onbehagen. Dan zult u dit na zeer korte tijd volledig weten, maar dan bent u reeds in de geest.

Hier ligt voor ons een zeer eenvoudige en belangrijke les: wanneer wij de impuls ontvangen, dienen wij ons niet af te vragen, wat daarvoor de reden of oorzaak is, maar zullen er goed aan doen allereerst aan deze impuls zover gehoor te geven, tot dat de situatie, waarin het gevoel optrad, zich gewijzigd heeft voor ons. Pas daarna kunnen wij eventueel op ons gemak ons aan overwegingen wijden. Ook indien men dit laatste niet kan of wenst te doen, geldt echter, dat zodra de situatie, die de impuls veroorzaakte, zich wijzigde, alle verdere handelingen weer geheel op de rede gebaseerd dienen te zijn. Op deze wijze is het voor de mens ook mogelijk gebruik te maken van de aan zijn menselijk bestaan inherente sensitiviteit zonder dat hij daarvoor eerst zijn z.g. paranormale vermogens geheel hoeft te ontwikkelen. Wat ontstaat is dus geen overlegde en bewuste reactie, maar een reageren volgens impulsen, die door training van de gevoeligheid op den duur een vorm van redelijkheid en kennis in zich zullen gaan bevatten.

In dit verband wijs ik erop, dat wij altijd weer te maken hebben met mensen, die helderziende of helderhorend zijn. Ten aanzien van deze verschijnselen zijn er twee richtingen: de ene soort roept voortdurend: “o, was ik het maar…!” De andere richting pleegt te zeggen: ” als ik het maar nooit word”, of: “was ik het maar nooit geworden…” De eerste stelt: ik zou de geest graag horen spreken, de ander zegt: wanneer de geesten je steeds maar weer aan je kop hangen te bazelen, wordt je er gek van…. De een zegt: “wat zou ik graag die mooie geesten allemaal zien”. De ander zegt: “er loopt zoveel vuil en slechts tussen, dat je er misselijk van kunt worden”. Waarbij deze laatsten, waar het bij helderziendheid ook vaak om astrale vormen gaat, in wezen groot gelijk hebben.

Gaven als helderziendheid en helderhorendheid zijn dus niet direct dingen, die u onmiddellijk moet ambiëren. Bovendien zijn zij vaak gevaarlijk, omdat de rede met het paranormaal waargenomene zal gaan rekening houden in plaats van met het normaal waargenomene. Boven redelijk neemt men wel degelijk bepaalde geestelijke waarden in zich op, maar deze worden niet als een redelijk element toegevoegd aan eigen leven en wereld, doch treden daarin via het boven redelijke alleen maar op als aanvullende gegevens, als inspiratief moment.

In deze tijd zijn dergelijke gaven dus niet bepaald nodig of nuttig. Wel hebben wij in deze tijd, zodra wij in de stof of lagere geestelijke sferen leven, iets anders nodig: Zoals de gave, om ons snel en bewust om te stellen. Wanneer wij bv. dogmatisch denken – wat op velerlei terrein voorkomt, zelfs t.a.v. de wijze, waarop kinderen zich tegenover ouderen dienen te gedragen – is aanpassing moeilijk, zoal onmogelijk. Wij dienen ons dan ook te realiseren, dat elke vorm van dogmatisme, is, of ontaardt, tot een vorm van monomanie. Deze moeten wij vermijden. Wij moeten voortdurend bereid zijn, elke omstandigheid, die optreedt, op zichzelf te beoordelen en alleen aan de hand van de mogelijkheden van de verplichtingen, mogelijkheden of moeilijkheden, die zij voor onszelf schept.

Zolang het redelijk denken bereid blijft elk gebeuren op zich en op eigen waarden te evalueren – eventueel te revalueren zelfs – en vandaar slechts te keren tot gevolgen en mogelijkheden voor eigen wezen, zonder daaraan kosmische stellingen e.d. te verbinden, zal het boven redelijk denken in staat zijn elk belangrijk hiaat in het menselijk weten, kunnen of kennen aan te vullen. Denk dus niet dogmatisch en u zult beter, prettiger en juister leren leven.

Een andere factor, die in het denken een zeer grote rol pleegt te spelen, is de tegenstelling tussen harmonie en disharmonie. De mensen, die harmonie zonder meer verheerlijken, vergeten daarbij vaak dat twee apen, die elkaar vlooien, op dat ogenblik ook met elkaar in harmonie zijn. Het woord harmonie geeft dus een toestand aan en is niet zonder meer iets, wat op zich waardevol is. Het is iets, wat alleen waardevol kan worden door zijn praktische betekenis voor ons.

Ik weet, dat dit zeer egoïstisch klinkt. Maar een harmonie is voor ons alleen reëel bereikbaar en werkelijk, wanneer zij voor ons ook waarlijk betekenis heeft. En al spreken wij ook nog zo altruïstisch, ons ik blijft ook daarbij toch altijd betrokken, en het altruïstisch nagestreefde is, zij het emotioneel of meer feitelijk, tevens een persoonlijke behoefte.

Ga dus uit van het standpunt, dat harmonie in uw wereld alleen bereikt kan worden door uzelf, vanuit uzelf en ten opzichte van uzelf. Ga verder uit van het standpunt, dat alle disharmonie – door u dus als zodanig ervaren – voortkomt uit een gebrek aan evenwichtigheid in uzelf. Deze laatste stelling is gevaarlijk, dat weet ik wel, omdat zij gevoelens van onvermogen en schuldbewustzijn pleegt aan te kweken. Daarom voeg ik hieraan nog toe: er is in het ontstaan van disharmonie maar zelden sprake van werkelijke en persoonlijke schuld, maar altijd van een onjuist gebruik van eigen vrezen en denkvermogen of een onjuiste aanpassing van eigen Ik aan de eisen van de omgeving.

U leeft in een tijd, waarin de optredende veranderingen nogal eens veel omvattend en

onverwacht snel zullen plaatsvinden. Je zou haast kunnen zeggen, dat de veranderingen van leven en kosmos, zoals die zich voor de mens voor zullen doen, reeds hun afschaduwing hebben gevonden – ook wat betreft de benadering vanuit de mens – in de toch zo heerlijk stabiel blijvende lonen en prijzen in Nederland. Het is een snelle en niet te overziene ontwikkeling. Goed, ga er voor jezelf dan vanuit, dat je steeds vandaag harmonisch moet zijn met de mogelijkheden van vandaag. Laat gisteren rusten en laat morgen wachten. Dan ga je, bij een redelijk denken, uit van de feiten van nu en niet van dromen, illusies of wensen. Dan kun je het totaal van je wezen a.h.w. omzetten in een onmiddellijk bruikbare kracht.

Degene die denkt dat alles, wat ik hier zeg, uiteindelijk toch maar zeer beperkte praktische waar- de heeft, vergeet één punt: wij kiezen in de kosmos altijd weer tussen twee waarden, reeksen van mogelijkheden, toestanden of ontwikkelingen.

Wij kunnen uitgaan van macht, maar ook van geweld. Wij kunnen uitgaan van verhevenheid, van het meeromvattend zijn en kosmisch stijgen of van zelfvoldaanheid en trots, een beperking dus van alle waarden tot de maatstaven van onze persoonlijkheid, zoals deze reeds nu en werkelijk bestaan. Ten laatste kunnen wij uitgaan van Licht of van duister. Deze waarden, die steeds een positieve en negatieve uiting van dezelfde kracht, of eigenschap, beheersen namelijk uw leven, of u dit nu wilt of niet. Belangrijk is het zich daarbij te realiseren, dat het beter is om geen keuze te maken, dan een negatieve waarde te kiezen.

U kunt van alles willen, maar als u geen macht hebt, zult u niets bereiken. U kunt dan trachten het met geweld te verwezenlijken, maar het resultaat blijft negatief, omdat het tot uzelf beperkt blijft en buiten u een weerstand oproept, die de betekenis van de bereiking steeds weer uiteindelijk teniet zal doen. U kunt misschien trachten tevreden te zijn met dat, wat u nu bent. Tenzij u daarbij in uzelf streeft, dan wel daarbij reeds een zekere verhevenheid, alomvattendheid bereikt hebt, zal u dit niet gelukken, zonder u geheel op uzelf terug te trekken en de wereld met al haar waarden en maatstaven af te wijzen. Dit is een vorm van trots.

Met dergelijke voorbeelden zou ik nog lange tijd door kunnen gaan, doch ik meen dat de bedoeling duidelijk is. Wat ik u vandaag verteld heb, omvat in wezen slechts enkele meer praktische gegevens omtrent het eigen denken en de waarden, die daarin een rol spelen.Wat wij moeten doen is in de eerste plaats altijd weer: 1. De juiste keuze maken. 2. Uitgaan van het juiste daarbij passende vermogen, dat wij bezitten, of waarmede wij kunnen werken.

Wanneer ik macht nodig heb en deze op het ogenblik niet bezit, zal immers elk streven mijnerzijds, dat macht vereist, voeren tot disharmonie, mislukking, kortom: onjuist zijn. Het blijkt dan vaak mogelijk het begeerde doel op andere wijze na te streven, bv. door zich op geestelijke bereiking, de verheven waarden van het bestaan te baseren, het standpunt blijft in wezen gelijk, doch door het beroep op deze geestelijke waarde zal eigen positie veranderen en zal men boven zijn oorspronkelijk doel uitreikende, dit voor zich toch weer waar kunnen maken, dan wel aan het hogere bewustzijn, dat men bereikt, de macht kunnen ontlenen om verder te gaan.

Om al deze dingen praktisch te kunnen gebruiken is het voor de mens wel in de eerste zaak belangrijk, dat hij leert zijn denken niet alleen maar als een soort gewoonte te hanteren, maar altijd zich van eigen denken en de daarbij optredende processen en invloeden bewust te erkennen. Je moet bewust denken. De praktische waarde van het denken is niet gelegen in het feit dát men denkt, ook al zegt men misschien trots: “cogito, ergo sum”, ik denk, dus ben ik, besta ik.

Bewustzijn van het bestaan op zich is echter niet voldoende. Vele mensen weten, dat zij bestaan en denken, maar blijven desondanks ezels, omdat zij niet bewust en overlegd hun gedachten vormen. Wij moeten de spreuk dus eigenlijk wijzigen, willen wij haar gebruiken als een kenteken van de bewuste mens. Zij luidt dan: “ik denk bewust, in ben bewust, dus is mijn leven iets van mijzelf, door mijzelf beïnvloed en niet alleen maar het product van een toeval of wil buiten mij.”

Het is vooral dit laatste en zeer belangrijke punt, dat mij ertoe bracht u al het voorgaande voor te leggen. Slechts wanneer ons denken uit de gewoonte wordt losgemaakt, kan men als mens werkelijk iets bereiken. Daarom is het zelfs belangrijk, dat je, wanneer je op straat bv. denkt: “wat ziet die vent er raar uit”, of: “hoe durft die vrouw met zo een hoed te lopen”, jezelf ook afvraagt, waarom je dit nu eigenlijk denkt, in hoeverre je persoonlijk oordeel of persoonlijke smaak daarvoor verantwoordelijk zijn, in hoeverre misschien associaties met andere mensen, die je vroeger hebt gekend, aanleiding zijn geworden tot dit oordeel. Een dergelijke gedachte is in wezen een oordeel, dat alle basis kan ontberen. Ontleed daarom uw mening en waarnemingen, breng ze terug tot feiten. Oefen u daarbij ook, wanneer het gaat om onbelangrijke dingen.

Wanneer u een gevoel hebt, dat het vandaag wel mooi weer zal zijn, zonder dat u daarvoor een reden hebt – bv. een voorspelling van de Bilt – zal het goed zijn u eens af te vragen, waarom u het denkt. Zoiets draagt ertoe bij, dat men leert inzien in hoeverre eigen verwachtingen en eigen oordeel omtrent de buitenwereld in wezen een projectie zijn van eigen verlangens of stemming.

Wanneer u bij de oplossing van een bepaald probleem steeds weer van een bepaald standpunt uit blijkt te gaan, is het goed u eens af te vragen, waarom u dit doet. Vaak blijkt eigen opvoeding of ander vooroordeel, ja, zelfs eigen angst voor bepaalde dingen, hiertoe de aanleiding te zijn.

Eerst wanneer u blijkt, dat voor de keuze van dit punt van uitgang geen vatbare redenen aanwezig zijn – voortkomende uit habitus, zelfverheffing of zelfrechtvaardiging – kan aan het punt van uitgang een meer dan menselijk persoonlijke waarde worden gehecht.

Door bewust een onderscheid te maken tussen de automatische reacties en gevolgtrekkingen, die men pleegt te maken en de idee, die op feiten is gebaseerd, plus de idee, die zonder kennelijke redenen of gronden ontstaat – en waarvoor geen oorzaak gevonden kan worden – leert de mens onderscheid te maken tussen bewust denken en bovenbewuste inwerkingen. Hij leert zijn boven redelijk denken te hanteren en zijn redelijk denken op de juiste wijze in zijn reactie op de wereld en zijn eigen streven in te schakelen. Dit betekent, dat u de oplossing van vele raadselen in de hand hebt en vele feiten, schijnbaar misschien onlogisch, maar toch uiteindelijk juist en bruikbaar leert combineren. Bovendien: de juistheid van de boven redelijke gevolgtrekking maakt het u altijd mogelijk om, met betrekking op in uw wereld geldende en feitelijke waarden, later te bewijzen, dat het zo is, dat u toch werkelijk gelijk had.

U kunt krachten putten uit eigen wezen, terwijl u misschien meende, dat dit alleen mogelijk zou zijn krachtens een gave, die u niet bezit. U kunt leren genezen, leren aanvoelen in ruimte en tijd, u kunt het verleden a.h.w. leren aflezen uit de ruïne en de toekomst aanvoelen vanuit de aparte sfeer, die een bepaalde plaats doordesemt. Dan blijft vooral in dit laatste ergens een gedachten- beeld bestaan, dat niet menselijk redelijk is en als zodanig beschouwd kan worden als een fantasiewereld. Maar het is een fantasiewereld, die in dit geval zoveel werkelijkheid, zoveel realiteit in zich draagt, dat wij op grond daarvan kunnen handelen en op grond daarvan ons een harmonie met de wereld kunnen bouwen, om zelfs op grond daarvan ons geestelijk bewustzijn te handhaven en uit te breiden.

Voor alles – en dit is voor u in de stof even belangrijk als bij ons in de geest – kunt u dan een persoonlijkheid zijn, een individu, dat zelf leeft, zich van eigen persoonlijkheid en eigen wezen voortdurend en juist bewust blijft, in plaats van te worden tot een pion, die door de massa en het noodlot wordt verschoven, handelende zonder werkelijke beweegredenen, eigen leven en denken wijzigende zonder bewuste eigen acties enz.

Daarmede heb ik mijn onderwerp beëindigd en is het woord aan u, zo u dit begeert.   Vraag: U spreekt over het denken, alsof dit een op zich staand geheel is. Ik vraag mij af, waaruit het is opgebouwd? Denkstof of zo? Trillingen? Wordt dit in onszelf geboren of vangen wij in verband met de harmonie en trilling van ons eigen wezen de denkstof van buitenaf op, die dan naar de hersenen wordt geleid, zodat daaruit gedachten ontstaan?  Antwoord: Ik heb bezwaar o.m. tegen uw stelling, dat de hypothetische denkstof zo maar automatisch naar de hersenen wordt overgebracht. Indien wij de geaardheid van de gedachte op willen lossen, zullen wij allereerst het raadsel van het leven, de levenskrachten op moeten lossen. Eerst wanneer wij dit hebben gedaan, kunnen wij aan de hand daarvan de raadselen van het bewustzijn oplossen. Het is het bewustzijn, beginnende met het maken van onderscheid tussen ik en niet-ik a.h.w., waaruit het denken ontstaat.

U zult mij hopelijk niet kwalijk nemen, dat ik aan deze punten maar voorbij ga.  Wel wil ik opmerken, dat gedachten op zich een soort taal zijn. Het is bv. opvallend, dat telepathie, ook de meer primaire verschijnselen daarvan, zoal deze bij kinderen vaak voorkomen, sterk gebaseerd is op wat men emotionele bindingen pleegt te noemen.

Voorbeeld: telepathische overdracht naar een klas blijkt goed mogelijk via een onderwijzer, die door deze klas enigszins vereerd wordt, terwijl de experimentator zelf praktisch geen resultaten behaalt, wanneer hij zelf als zender optreedt.

Ik neem dit voorbeeld uit de experimenten van dr. J. B. Rhine. Deze taal wordt dus alleen krachtens een binding verstaan. Wij mogen stellen, dat de band tussen het Ik en iets of iemand anders de overdracht van gedachten in sterke mate bevordert. In analogie hiermede zouden wij ook voor de geest kunnen zeggen: de gedachte is een taal – noem de dragende kracht hiervan trilling, of geef daaraan een andere naam, waarvoor het noodzakelijk is, dat een wederzijdse aanvaarding bestaat, terwijl ten tweede een wederzijds begripsvermogen op gelijke basis aanwezig dient te zijn, zij het, dat één van de begripsvermogens veel groter kan zijn, mits het in de uitwisseling van gedachten beperkt wordt, of slechts ten dele overgedragen.

Hieruit volgt, dat gedachten niet automatisch en als een soort gedachte-stof u bereiken en in u denkbeelden zullen doen ontstaan, maar dat u onder bepaalde omstandigheden gedachten zult opvangen van anderen in wereld of sfeer door een gelijke instelling, een afgestemd zijn.

Het begrip andere of anderen kunnen wij dan niet beperken tot geesten in de sferen of mensen, maar zal als alomvattend gezien moeten worden. Deze gedachten worden door ons ontvangen en omgezet in een emotie, een gevoelswaarde, en vooral in de mystiek treedt dit contact sterk op de voorgrond. Deze waarden worden weer omgezet in een visuele impressie, een beeld dus, waaruit dan een woord-impressie voortkomt. Het is pas deze woord-impressie, die gemeenlijk redelijk wordt beseft en dus naar het redelijk besef wordt overgebracht. Waaruit volgt, dat niet de oorspronkelijke impulsen en oorspronkelijke werkingen het brein van de mens bereiken, doch slechts datgene, wat door omzetting en filtering binnen eigen wezen voor het Ik daaruit ontstaat. Het is deze waarde alleen, die in het menselijk, redelijk bewustzijn gegrift kan worden, al het andere onttrek zich aan het menselijk redelijk kenvermogen.

 * Het beeld zal toch symbolisch zijn en zo zijn waarde algemeen hebben? 

Neem mij niet kwalijk, wanneer je een hond hebt en een konijn, en tot beiden het beeld ‘smakelijk voedsel’ uitzendt zal de één een heerlijk bot met vlees, de ander een heerlijke wortel met loof zien. De een spreekt dus over jacht, de ander over de producten der landbouw. Dit zal ook geschieden wanneer het uitgezonden beeld betrekking heeft op wijsheid, op geestelijk voedsel. Een en hetzelfde beeld kan dus door ieder op een andere wijze worden ontvangen. Maak van de zender een Griekse god en laat hem het beeld ‘ambrozijn’ uitzenden. Dan blijven de ontvangen beelden zeer waarschijnlijk dezelfde.

Te zeggen, dat de ontvangen impulsen de ontstane beelden op zich symbolisch zijn, lijkt mij niet geheel juist. Ik zou eerder willen zeggen: de ontvangen beelden of symbolen zijn persoonlijke associaties, zuiver persoonlijke waarden dus, die voor een deel althans binnen de mensheid wel een gemeenschappelijke waarde en mogelijkheid zullen bezitten gezien het leven in eenzelfde milieu en het bezit van een gemeenschappelijke achtergrond in het voorgeslacht. Toch zullen van mens tot mens de associaties nog aanmerkelijk kunnen verschillen. Deze geven dus niet onmiddellijk de werkelijke of geestelijke waarde weer, doch zijn er slechts een omzetting van.

* Is intuïtie eigenlijk niet een ervaren van de invloed van de geest?

Ik zou dit niet graag willen beweren. Er zijn zoveel mensen, die bv. bij paardenrennen steeds op hun intuïtie afgaan en er altijd weer verkeerd afkomen, dat het wreed zou zijn om de geest van een dergelijke valse voorlichting en propaganda te beschuldigen. Laat ons reëel blijven.

Intuïtie pleegt de mens al datgene te noemen, wat voor hem als gevoel of zekerheid ontstaat, zonder dat hij het redelijk proces, dat daartoe mogelijk voerde, kan herkennen. Of deze invloeden nu voortkomen uit het eigen Ik, vanuit het gemeenschappelijk bewustzijn van de mensheid, vanuit eigen boven redelijke vermogens, dan wel uit nog andere bronnen, maakt hierbij geen verschil, omdat al deze vormen met hetzelfde woord worden aangeduid en men daartussen slechts in enkele kringen onderscheid weet te maken.

Een intuïtie van geestelijke bronnen uit/in de mens ontstaan, is dus wel een mogelijkheid, maar in vergelijking met de andere genoemde mogelijkheden voor de doorsnee mens toch wel een van de minst belangrijke.

Sta mij toe op te merken, dat wij dan ook wel degelijk een groot verschil moeten maken tussen de termen inspiratief en intuïtief: bij inspiratie geven wij aan, dat een kracht van buitenaf op ons heeft ingewerkt en het resultaat dus zelfs niet ten dele uit ons zelf zal stammen, terwijl intuïtief juist aanduidt, dat de impuls, ongeacht zijn verdere oorzaken, vanuit onszelf tot ons komt.

Dus nogmaals, bij intuïtie kan het zowel de geest zijn die op u inwerkt als uw onderbewustzijn dat reageert op een andere oorzaak. Wanneer u iets intuïtief aanvoelt en het lijkt dringend, reageer rustig eerst daarop. Maar vraag u dan later toch af, wat de waarde en waarheid daarvan is. Maak het niet tot iets bovenmenselijks, maar tracht ook dit te zien als een deel van eigen wezen, eigen wereld, dat onderzoek verdraagt.

Realiseer u vooral, dat vele ‘intuïtieve impulsen’ niets te maken hebben met enige andere oorzaak, dan uw eigen wezen en gevoelens en in vele gevallen veroorzaakt worden door niet bewuste waarnemingen. Je moet leren, juist deze gevoelens te elimineren, omdat je eerst dan de intuïtie overhoudt, die voor je leven van grote waarde, van groot belang kan zijn.

Hoe meer men het geheel van de intuïtieve erkenningen en gevoelens echter buiten het eigen Ik plaatst, hoe gevaarlijker zij zullen worden, omdat je op den duur dat, wat je bewust niet wilt erkennen, dan gemakkelijk om zult zetten in een ‘intuïtie’ die het je zo mogelijk maakt op grond van intuïtie – anderen kiezen hier als instrument inspiratie – op rekeningen van de ‘hogere krachten’ datgene te doen, wat je verstandelijk of innerlijk weet, niet te mogen doen.

* U spreekt over bewust denken als een tegenstelling tot onbewust denken. Ik  dacht, dat dit laatste niet bestond. 

Waarde vriend, 9/10 van de mensen denkt ten hoogste 1% van zijn gedachten bewust. In het verkeer bv. denkt en reageert u, maar realiseert u zich de bronnen en de werking van uw denken niet. Er is wel degelijk sprake van een denken in dit geval, omdat de inkomende prikkels met aanwezige gegevens en herinneringen worden vergeleken, terwijl op grond daarvan een bepaling wordt gesteld. Het proces, dat tussen inkomende prikkel en uiteindelijke realisatie ligt, geschiedt onbewust. In dit geval is dit goed, omdat men in het verkeer de tijd niet heeft zich alle factoren bewust te realiseren in een tempo, dat hoog genoeg is om nog reactie mogelijk te maken, tenzij men daarvoor een lange en intense training heeft gehad. Soms blijft het geheel, inclusief de reactie, beneden de drempel van het onmiddellijke waakbewustzijn.

Gezien de definitie, die ik in het begin stelde voor het proces denken – waartegen niemand bezwaren maakte – mag dit dus als denken omschreven worden, terwijl het volgens de daarop volgende indeling in drie soorten behoort tot het onbewuste denken.

Toch zijn er wel dingen, waarover u niet bewust na kunt denken. Ik denk daarbij bv. aan de automatische reacties van uw lichaam. Dezen kunnen wel bewust worden beheerst en gewijzigd, maar worden, indien dit niet het geval is, vanuit de kleine hersenen en bepaalde zenuwknoop- punten geredigeerd.

Mijn betoog was dus gericht op het feit, dat men vele dingen, die men zich beter wel zou kunnen realiseren, zonder meer maar aanneemt, zodat de processen, die hiertoe voeren onbekend blijven, terwijl juist door het erkennen van de tussenstadia het mogelijk zou zijn juister te reageren en zichzelf beter en juister beheerst te plaatsen in de werelden van stof en geest. Wie droomt, denkt bv. wel degelijk, maar dit proces is a.h.w. spontaan, wordt niet beheerst en slechts zelden in zijn oorzaken en processen volledig beseft.

DE MENSELIJKE GEEST

Er is vanavond over het denken gesproken. Ik meen, dat wij daaraan een korte beschouwing over de geest, de menselijke geest, mogen verbinden.

Wanneer wij in ons innerlijk zoeken naar de kern van ons eigen bestaan, kunnen wij deze over het algemeen niet waarlijk vinden. Wij zijn kennelijk daarin nogal tweeslachtig: aan de ene kant hopen wij God te vinden, terwijl wij aan de andere kant toch een diepe duisternis menen waar te nemen. Het resultaat hiervan is ongetwijfeld voor ons verwarrend, tenzij wij leren begrijpen, dat voor ons slechts één oplossing mogelijk is: wanneer wij in onszelf de waarden van licht en duister als één geheel kunnen zien, vinden wij de innerlijke bewustwording, de innerlijke verlossing, waarvoor wij ons – meestal zonder dit – zoveel moeite plegen te getroosten.

De geest van de mens op zich is niet anders te omschrijven dan als een bewustzijn. Dit bewustzijn oriënteert zich vanuit het goddelijke, waarin het is ontstaan ten opzichte van de wereld, waarin het zich beleeft.

Deze wereld varieert nogal eens. Het ene ogenblik leeft men in een sfeer, het volgende op deze wereld, daarna misschien weer in andere geestelijke werelden. Elke keer oriënteert het bewustzijn zich op nieuwe omstandigheden, maar doet dit aan de hand van alles, wat het reeds eerder erkend en beleefd heeft.

Wij kunnen ons dus vanuit een menselijk of zelfs maar vanuit een door de geest gevonden standpunt, wanneer men uit de stof komt, dat er iets kan zijn, waarbij materie geheel geen rol speelt. Willen wij de materie verloochenen, dan verloochenen wij een vaak groot deel van eigen bewustzijn en dus ook van eigen geest. Het gevolg is, dat wij geen contact kunnen krijgen met de werkelijkheid. Verloochenen wij daarentegen de niet-stoffelijke, de geestelijke waarden, dan verwerpen wij een ander, nog groter deel van ons wezen en bewustzijn. In beide gevallen is het, alsof wij een deel van eigen bestaan met alle daarmede verbonden mogelijkheden willen afsnijden.

Het is niet mijn taak alle mogelijke consequenties hiervan in den brede te behandelen. In esoterische zin kunnen toch aan de hand hiervan enkele eenvoudige punten worden gesteld:

Voor elk mens is geestelijk het bestaan een combinatie van ervaringen en stellingen; elke stelling in de geest vloeit voort uit vroegere stellingen, plus de ervaringen en besluiten die daaruit omtrent eigen zijn en eigen relatie tot het zijn of het Goddelijke voortkwamen. Elk wezen, dat een geest bezit, zal altijd weer terugstreven naar het eigen aandeel, dat het in de schepping binnen God van het begin af aan heeft gehad. Wat wij zoeken is niet de oneindige en wezenlijke werkelijkheid Gods, maar ons eigen oerwezen, de grondvorm, vanwaar wij zijn uitgegaan, waar- door wij tevens onze relatie tot God en wereld geheel bepaald zien.

Ons esoterisch streven houdt namelijk – of wij dit nu toe willen geven of niet – een zoeken naar geborgenheid en zekerheid in. Wij willen ontvluchten aan vele toestanden en waarden als dood, onzekerheid, conflict met het duister, verantwoordelijkheid, besef van onvolkomenheid of schuld. Wij zullen dit echter nooit vanuit ons eigen huidig wezen alleen kunnen doen. Wij kunnen dit slechts bereiken door ons te richten op de halfvergeten oervorm, waarvan wij toch ergens deel zijn en waarnaar wij een zeker heimwee plegen te koesteren. Of dit heimwee innerlijk wel juist wordt geïnterpreteerd, waag ik te betwijfelen, want wij zeggen nu wel, dat wij zoeken naar het hoogste en bouwen daarop onze stellingen en verklaringen in de stof, maar in wezen verlangen wij niet het hoogste, doch het meest evenwichtige te vinden. Wij menen misschien te mogen stellen, dat wij streven naar God. In feite, zoeken wij alleen naar een voor ons aanvaardbare relatie van het Ik met God.

Elk ontwikkeling zal voor ons vanuit het eigen Ik plaats vinden. De menselijke geest is het volledige Ik. Wat in het stoffelijk “bewustzijn” bestaat, is altijd maar een beperkt deel van het geheel. Zo kan men aannemen, dat de geest, krachtens wezen en oorsprong steeds, ook in de stof, de weg zal bepalen, die zij zal gaan. Het doel dat zij zich stelt, kan op vele wijzen omschreven worden. Voor deze gelegenheid kies ik een beschrijving, een beeld, dat stamt uit de laatste leringen van de laatste grote leraar op aarde. Deze stelde:

“De bereiking van de mens en zijn contact met het hogere zal altijd weer gebaseerd zijn op de behoefte, die men kent, zichzelf te zijn. De wereld, waarin gij zijt, is deel van uzelf, zodat gij niet slechts deel zijt van uw wereld. Waar uw wereld deel is van uw wezen, zult gij kunnen leren, deze wereld te aanvaarden en te richten volgens uw innerlijke erkenningen; doet gij dit, zo verwezen- lijkt gij de goddelijke norm, die eens als voorvader van de mens is geschapen. Dit wezen stel ik gelijk aan een hiërarchie der lagere engelen, die zichzelf vanuit het goddelijk licht openbaren binnen de schepping. Indien gij terug wilt keren tot uw wezen en norm, zo zult gij de wereld moeten scheppen vanuit uzelf.”

De meester gaf deze opdracht aan zijn leerlingen; m.i. om hen duidelijk te maken, dat het voor de esotericus of bewust strevende mens niet aanvaardbaar is de wereld te aanvaarden, zoals deze uiterlijk is of schijnt te bestaan, men moet leren zichzelf te aanvaarden in de beste vorm, waarin men kan bestaan volgens eigen wezen, weten en besef.

Ik wil u nog enkele citaten voorleggen, die u misschien bekender voorkomen:   “Ik zeg u, indien gij slechts uzelf ziet, zo zult gij nimmer ingaan (in het koninkrijk der hemelen). Doch zo gij alles achter u laat en slechts de wil des Vaders tot uitdrukking brengt, zult gij reeds nu in dit rijk verenigd zijn.”

Citaat vrij naar de woorden van Jezus in een der apocriefe geschriften, een evangelium, toege- schreven aan Nicodemus. Kennelijk houdt Jezus hier zijn leerlingen de noodzaak voor, afstand te doen van eigen status, eigen mens-zijn als behorend in de uiterlijke wereld en daarin een vaste plaats hebbende. Hij wil de mens maken tot het variabele element in een wereld, waarin slecht de harmonie of het koninkrijk Gods belangrijk is.

Innerlijk worden wij met hetzelfde geconfronteerd: op het ogenblik, dat wij vaste waarden hante- ren of aanhouden, die voor ons niet gelijktijdig de erkenning Gods’ inhouden, zullen wij vast- lopen. Dan ontstaat voor ons de hiaat tussen Licht en duister, waardoor wij ons af gaan vragen of wij uiteindelijk niet te zeer aan het duister verwant zijn, om ooit het Licht te kunnen bereiken.