Praktische wijsheden der esoterie

5 januari 1958

Het kernpunt van ons aller leven is in feite onze mogelijkheid tot ervaren. Ervaring is bepalend voor al, wat wij doen. Ervaring brengt ons tot weten, brengt ons tot inzicht. Maar deze ervaringen kunnen niet altijd worden ingepast in de feitelijke levensomstandigheden, waarin wij ons bewegen. Er bestaat dus een voortdurend conflict tussen de mens met zijn ervaringsdrang en behoefte en de mens met zijn aanvaarding van ervaringsmogelijkheid.

Er zijn daarover zeer veel stellingen verkondigd, o.a. in de hindoeïstische en brahmaanse leer maar ook in het christendom, het boeddhisme, de islam en wat dies meer zij. Ik geloof, dat in elke godsdienst zoals zij exoterisch tot uiting komt het grote bezwaar is; een normalisering van de belevingsaanvaarding. Het is niet doenlijk ons te onderwerpen aan een wetmatigheid, die onze eigen persoonlijkheid voor een zeer groot gedeelte dwingt terug te treden achter een uiterlijk, door anderen beheerst beeld. De praktijk van alle leven kan echter wel gevonden worden in de innerlijke, de esoterische leer, die in dezelfde godsdiensten verborgen ligt. Er is een begrip en een inzicht nodig omtrent de werkelijke waarde en de werkelijke inhoud van al deze leerstellingen. Deze eerste samenkomst in een nieuw jaar wilde ik graag gebruiken om U juist deze esoterische leer op meer praktische wij ze te belichten.

De kern van het christendom (esoterisch gezien) is niet in de eerste plaats zoals dit exoterisch wordt uitgedrukt een voortdurende wet van naastenliefde, een normalisering van de menselijke benadering tot God, maar een éénwording met kosmos en Al. Naastenliefde is een andere term voor eenwording, zich één gevoelen met, één zijn met. En van uit deze kern wordt ons duidelijk, dat de eigen persoonlijkheid volledig geuit kan worden in elke stoffelijke omgeving, mits deze persoonlijkheid zich daarbij harmonisch gedraagt t.o.v. de omgeving, van de omringende wereld. Het is dus niet zo belangrijk, dat wij onszelf een voortdurende beperking opleggen in de zin van “dit is Godes, wil.” Maar wij moeten onszelf weten aan te passen aan de wereld, waarin wij bestaan.

Voelt men dit aan als de kern van het christendom, dan wordt ons ook duidelijk, waarom bv. Jezus de uitspraak doet; “Vraag en U zal gegeven worden, klop en U zal worden opengedaan.” Dan wordt ons plotseling duidelijk, waarom hij verschil maakt tussen naaste en niet naaste, ook wanneer hij leert, dat voor de christen alle mensen naasten moeten zijn. Wij realiseren ons dan eerst, wat Jezus werkelijke leerstelling en bedoeling is geweest. En wat meer is; wij realiseren ons evenzeer de wijze, waarop wij die zelf praktisch kunnen uitoefenen.

Elke mens, die zijn medemens voelt als een volkomen persoonlijkheid, waarin zij zelve bestaat en voortleeft, is een mens, die te allen tijde zich volkomen zal uiten in de mensheid. Niet in één mens. Niet in een beperkte omgeving. Waar men ook is of dit is in de grote steden van Amerika, of dit is in de grote bedrijven ergens op de wereld, of misschien in de bekrompenheid van een kamp als Bergen Belsen altijd weer, wanneer de mens zich volledig weet in te stellen op zijn medemens, wordt hij gedragen door die mensheid. Er is niets voor hem onmogelijk, omdat zijn aanvaarding van eigen leven en bestaan, zijn zoeken om voor zich en anderen een gelijke conditie te scheppen, hem voortdurend de innerlijke kracht en bevrediging geeft, waaruit een werkelijk godservaren mogelijk is.

De christenen hebben in vele gevallen geprobeerd Jezus uitspraken terug te brengen tot iets van; spreek een schoon gebed uit en vraag wat je hebben wilt en God zal het je geven. Dit is de primitieve, de exoterische leerstelling, die nooit werkelijkheid worden kan. Wij kunnen niet de wereld voor ons precies aanpassen aan wat wij verlangen. Dat is onmogelijk. Wat wij wel kunnen doen is; zozeer in de wereld leven, dat al het voor ons verlangde in ons een zekere werkelijkheid gewint. En in deze zo gewonnen werkelijkheid komen wij tot een vrij beleven, waarbij geen verlangen meer blijft bestaan.

Het klinkt U misschien een klein beetje komisch. Ik zal proberen om dit te illustreren met een ervaring, die ik in mijn laatste leven op aarde heb doorgemaakt.

Wanneer men zich bevindt in een concentratiekamp, is het leven teruggebracht tot de barre nood van voortbestaan. Al het andere valt terug. Verliest men in deze toestand de menselijkheid, dan is het leven ondraaglijk. Blijft men echter als mens en deel der mensheid voor zichzelf ervaren, dan zal zelfs wanneer de lichamelijke toestanden en omstandigheden niet draaglijk zijn altijd, altijd weer in het wezen een licht blijven, een kracht, waar door men zich boven de omstandigheden verheft, zoals men dat noemt. De omstandigheden kunnen niet de kern van het zijn beroeren. En hierin ligt de waarheid, dat al wat men vraagt gegeven wordt. Want indien men zelve staat in de mensheid, in contact met groot scheppende Kracht, zoals zij geopenbaard is in het totaal der wereld, dan is elke mogelijkheid in het “ik” vervuld niet als een stoffelijke realiteit maar als een geestelijke werkelijkheid, waar door alle stof ondergeschikt wordt aan hetgeen men geestelijk kan ervaren en doormaken,

Ditzelfde vinden wij in de esoterische leer van het boeddhisme, Boeddha leert de grote weg van de onthechting en zegt tegen de mens; “Wanneer men zich niet bindt aan stoffelijke omstandigheden, zich niet laat beïnvloeden door genegenheden, door schuldgevoelens en wat dies meer zij, wanneer men voor zichzelf is zonder meer, rechtlijnig, dan is men vrij van de keten van het noodlot.”

Exoterische interpretatie; Wanneer U zich kunt losmaken van alle angsten, alle begeerten en alle genegenheden, dan staat U boven de wereld en U wordt a.h.w. meester over de wereld.

Werkelijke interpretatie; Op het ogenblik dat de mens zichzelf leert vergeten, in zijn bestaan de verwerkelijking wordt van het leven, het levende en niet slechts blijft een persoonlijke extensie van het groot Levende, dan is hij één met de Alkracht. In deze eenheid met de Alkracht kan hij mens of geest blijven, kan hij gaan van hogere tot lagere sferen, en omgekeerd, maar hij zal altijd met deze Alkracht vereend zijn en daardoor staan buiten alle gebeuren, dat invloed op hem kan uitoefenen. Bevrijding van alles, wat het leven U brengt.

Dus alweer hetzelfde wat Jezus zegt; “Vraag en U zal gegeven worden, klop en U zal worden opengedaan.” Vergeet Uzelf en gij zijt één met de kosmos. In de eenheid met de kosmos kunt gij niet ondergaan, kunt gij niet meer veranderen, zijt gij bevestigd in het Ene, de Waarheid en zijt gij vervuld in Uw eigen wezen.

Mohammed schreef o.a. in de sura El Fatiha, dat het noodzakelijk is om – en hij gaat daarin van een mannelijk standpunt uit – te beheersen en toch de wil Gods te aanvaarden. In een van zijn commentaren heeft hij dit nader aangeduid, gestipuleerd; Hij heeft gezegd; Kijk, wanneer ik als mens meester ben over mijzelf en over mijn omgeving en toch de wil van Allah accepteer, dan wordt daardoor Allah’s kracht in mij geopenbaard en ben ik een uitverkorene. Dan kan ik alle hemelen betreden en zijn wonderen voor mij de normale uitingen van het bestaan. Niet omdat ik wonderdadig ben of machtig of groot, maar omdat de grote kracht van de Schepper zich in mij openbaart en buiten dit voor mij niets anders meer bestaat, waar ik een volledige aanvaarding van Zijn wil ken.

In de praktijk kan dus allereerst worden gezegd, dat een levensaanvaarding zeer noodzakelijk is. Maar zij wordt pas tot realiteit, wanneer wij leren de goddelijke wil vóór alles te accepteren. Wanneer wij verder leren onszelf niet te zien als een verschil met de mensheid maar als een deel van de mensheid. Het geheel van ons bestaan moet het zijnde, zoals wij dat erkennen, samenvatten op een horizontaal vlak; en in dit horizontale vlak ligt het totaal van ervaren, dat ons anders zou kunnen beheersen. Maar waar wij ons verbinden met het Goddelijke, zijn wij één met alle dingen en ondanks alles toch ontheven van de persoonlijke beïnvloeding en verplichting, die anders voor ons in dit vlak gelegen zouden zijn,

Om dit verder nog terug te brengen tot simpele woorden grijp ik terug naar het oude geloof van de Hindoe, van de Brahmaan. U weet misschien, dat zij hun drie goden altijd uitbeelden met vier gezichten. Er bestaat dus een beeld, dat de drie-eenheid weergeeft, maar het heeft vier aangezichten. Ze zeggen; Kijk, waar je ook staat, moet je altijd drie persoonlijkheden van het Goddelijke kunnen zien. Dus is het noodzakelijk van uit menselijk standpunt om een vierde gezicht in te snijden, want anders zie je ze niet altijd alle drie.

Deze praktische beschouwing hebben zij ook op de menselijke leefwijze toegepast. En misschien is het zelfs daardoor, dat zij gekomen zijn tot een zeer uitvoerig kasten-systeem. Zij stellen n.l. in hun leer – ik geef het maar eenvoudiger weer, anders wordt het zo ingewikkeld-; Alle zijn is één; maar alle zijn is ook gedeeld. In het gedeelde zijn is voor ons de bestaansmogelijkheid, maar in het ene zijn ligt voor ons de kracht, waaruit wij bestaan. Om te komen tot een volledige aanvaarding van deze kracht, moet de gedeeldheid van het bestaan voor ons gerealiseerd worden als een reeks van invloeden, die in onszelf elkander opheffen.

Dus eigenlijk wil dit zeggen; Voor ons mag er geen licht en geen duister zijn. Dat zijn persoonlijkheden, goddelijke uitingen, goden. Wij hebben daarmee niets van doen. In ons komen zij samen in hun werking en zijn zij één. Dit ene is het Goddelijke, verder niets.

Alle hemelen en alle werelden, zegt de Brahmaan, worden één voor de wijsheid, die schuilen kan in een enkele mens. Niet weten, maar wijsheid. Dat is begrijpelijk. Wanneer wij begrijpen wat rond ons is, aanvaarden en begrijpen, dan hebben wij daarmede alle krachten, die in onze eigen wereld tot uiting komen, tezamen gevoegd tot een grote eenheid. Deze grote eenheid kunnen wij gebruiken om daarin God te vinden. Gelijktijdig schakelt ze alle tegenstellingen uit, waarvoor wij anders soms bang zouden zijn, die ons begeren brengen, kortom, die ons doen leven in een onvolmaaktheid, in een exoterisch bestaan.

Zij gaan nog verder. Zij zeggen n.l. dit; “Wie uit de begeerte geboren is en wederkeert, zal de begeerte overwinnen. Hij wordt dan geboren uit het weten. Wie uit het weten geboren wordt, zal de arbeid kennen. Wie nu de arbeid kent, zal de kracht ervaren en geboren worden door de kracht. Wie echter de kracht en de wijsheid heeft gevonden, wordt geboren tot de schoonheid. Hij is de viermaal wedergeboren en die in zich een goddelijk licht openbaart. (Die dus Boeddha wordt eigenlijk.)

Dit Boeddha worden is een boeddhistische term. Maar een verheven worden tot de goden, een één worden met de grote goden weet ik niet beter uit te drukken. Ook niet in hindoeïstische termen.

Wanneer wij ook deze praktijk een ogenblik bezien, blijkt ons dat de innerlijke leer, die de Hindoe ons geeft, eigen een samenvatting is van verschillende levens. Deze levens zijn niet noodzakelijk te projecteren op de aarde zelf. Zij kunnen zich overal afspelen. Er bestaat geen bepaalde definitie, ook niet in het Hindoe geloof, waardoor de wedergeboorte wordt gestipuleerd op aarde. Maar de geaardheid van de wedergeboorte, die wordt wel gestipuleerd, Niet in vorm ook deze kan zeer verschillend zij n maar in eigenschappen.

Dit is gezien over een zeer grote cyclus van misschien miljoenen jaren en duizenden wedergeboorten. Desondanks kunnen wij dit terugbrengen tot één menselijk of één geestelijk bestaan. Want een voortdurende wisseling van worden speelt zich in ons af. En wanneer wij deze wisseling van worden terug brengen tot zijn grondoorzaken, zien wij het praktisch verwerkelijkbare deel der esoterische beleving. De mens, die geboren wordt, dus bewustzijn verwerft, zal eerst zijn eigen wereld moeten afwerken, zal daarin één punt moeten bereiken, voordat hij verder kan gaan.

De mens is niet eenzijdig aan het eind van zijn leven, maar de beleving op zichzelf is in het begin, bij de geboorte, een monopolie, een vast gestelde waarde, die andere uitsluit. Dat is logisch. Want wanneer de mens leeft en vele dingen gelijktijdig probeert te bereiken, kan hij geen van deze waarden innerlijk volledig beleven. Daarom komt de mens ertoe om eerst de wereld te begrijpen. Dus weten, wanneer hij het weten, de kennis, voor zich vergaart, dan zal hij de toepassing van dat weten, met uitschakeling van alle andere invloeden, die natuurlijk optreden, kunnen gebruiken en daaruit wijsheid te verwerven.

Maar wijsheid betekent een kracht, waarmee men de wereld beheersen kan, voor zover zij het eigen “ik” betreft. Dus  uit kennis komt zelfbeheersing voort. Deze zelfbeheersing maakt het mogelijk harmonie te scheppen in de wereld. Harmonisch worden brengt schoonheid. Eerst wanneer men ook dit bereikt heeft, zal uit deze harmonische persoonlijkheid met een innerlijk weten en een volkomen eigen beheersing het werkelijke wezen “mens” ontstaan, dat in zijn eigen wereld en toestand het hoog Goddelijke accepteert, één is met het zijnde en zo een volledige uiting is van elke kracht, die op aarde en in de sferen ooit kan bestaan als een directe verwerkelijking van een goddelijke Wil, als een directe vervulling van elk verlangen en elke wet.

Nu hoop ik, dat ik dit alles niet te ingewikkeld heb gemaakt. Ik ben deze dagen gast van Uw Orde en het was mij een ware vreugde weer op aarde te mogen spreken en mijn eigen denken en geloof weer opnieuw weer te geven in termen, die de mensheid misschien ook begrijpen kan. Gelooft U mij, ik zou niet zo snel op deze aarde teruggekomen zijn en gesproken hebben, wanneer niet in mij een grote werkelijkheid leeft; dat boven alle haat de liefde staat, Niet omdat de haat kwaad is of omdat de liefde goed is, naar omdat haat isolering betekent en liefde wereld aanvaarding en vergroting van het “ik” en het bewustzijn.

Uit dit aanvaarden van een noodlot, een lot dat bitterder is, dan U zich realiseren kunt, zoals U hier tezamen zijt, is voor mij geboren geworden het vermogen om mij volkomen één te gevoelen met mijn sferen, in mijn sferen met velen samen te gaan en toch mijzelf te blijven met eigen geloof, eigen weten, in een eigen harmonie; waarin goddelijke waarden zich voor mij sterk openbaren.

Ik hoop, dat mijn woorden iets hebben bijgedragen tot Uw eigen verdergaan op deze weg, Uw eigen komen tot deze bereiking.

o-o-o-o-o

We hebben dan vandaag een gast gehad, zoals U gemerkt hebt.  Wij zijn er erg blij mee. Hij is eigenlijk een zeer eigenaardige figuur, een eigenaardige persoonlijkheid.  Hij wan n.l. zoiets als een godsdienstleraar tweede graad, woonde in Oost Duitsland, en behoorde ongelukkigerwijze tot dat ras, dat heel sterk vervolgd is en waarvan men er zoveel ter dood heeft gebracht. Dat op zichzelf is voor ons geen aanbeveling. Maar het aardige hiervan is en ook wel – het voor ons belangrijk – dat de mens in het helpen van zijn medemensen zijn eigen ellende vergeten kan, daardoor zich verheffen kan boven menselijke gevoelens en kan komen tot een bewustwording, die zo verbazingwekkend snel en volledig is, dat wij zeker – en nu spreek ik hier niet alleen voor mijzelf maar voor velen van de z.g. kleintjes in onze groep – met een ware eerbied eigenlijk zien, hoe ver je uit een zelfs benepen en bekrompen geloof kunt stijgen in een korte tijd, wanneer je zo – hoe moet ik dat zeggen – jezelf boven jezelf weet te verheffen.

Het klinkt een beetje raar, maar het is toch wel de werkelijkheid. Er zijn voor ons allemaal altijd weer andere wegen. Waar wij ook gaan, ieder van ons vindt iets anders, iets nieuws, elk van ons heeft een eigen geloof, een eigen gedachte.

Er is een volk geweest in het verleden, dat geloofde, dat de wereld, waarin men woont, een grot is. En ze zeiden; “Die zon verplaatst zich niet werkelijk. Het is alleen maar een lichtende vlek ergens boven in die grot; en daar buiten staat pas de werkelijke zon. De verplaatsing van de zon is de verplaatsing van de lichtbron boven, niet van een werkelijk licht, dat in onze wereld bestaat.”

Dit volk had een overlevering, waarin verteld werd, dat eens op een dag iemand een ladder zou vlechten zo hoog, dat hij door die opening de werkelijke wereld zou kunnen betreden. En dan zeiden ze erbij; “Hij zal blind zijn gedurende zeven maal zeven jaren. Hij zal zoeken gedurende zeven maal zeven maal zeven jaren. Maar wanneer die tijd is vervuld, zal hij zijn ladder naar de aarde steken en hij zal daar anderen brengen, die niet behoeven te lijden, wat hij geleden heeft. Want hij zal hen beschermen tegen het felle licht en hij zal hun de waarheid van die wereld tonen en dan pas zal ons volk vrij zijn.”

Het is maar een gewone volksoverlevering. Het is al tamelijk oud en o.a. de bron geweest van verschillende legenden van indianen. Maar goed, in dit geloof zit eigenlijk wel wat. Wij kunnen niet zeggen; “Wij zullen even naar boven klimmen.” Wij willen dat wel, maar kunnen het niet, we hebben de middelen niet. Maar nu is er een ander, die dat wel zal kunnen. En dan moeten wij het geduld hebben om te wachten, totdat hij terugkomt.

Dat geduld betekent dus, dat wij moeten leren van anderen. En ook, dat wanneer deze anderen ons zullen brengen in die nieuwe wereld van wijsheid, zij niet in staat zijn ons onmiddellijk aan de realiteit, zoals ze bestaat, bloot te stellen. Dat zouden wij niet kunnen verdragen. Die anderen, die leiders zou je kunnen zeggen, hebben dus de taak je te behoeden voor de al te felle waarheid.

Wanneer ik zo die legende bekijk, denk ik aan ons eigen werk en aan Uw bestaan. Ik weet, dat er op aarde mensen zijn, die zo graag hun eigen wijsheid, hun eigen waarheid aan een ander willen mededelen. Maar zij vergeten, dat er soms net zoveel verschil is tussen hun waarheid en de waarheid, die een ander nog meent te bezitten, als tussen dat heel felle zonlicht en een kaars, die ergens in het donker brandt. Nu kun je natuurlijk zeggen; “Ja, maar dan moet die ander ook maar in de zon kijken.” Hij zou er blind van worden, ervan doodgaan misschien. Dat kun je niet doen. Je moet die ander wel meer licht geven, maar je moet hem gelijktijdig voor de waarheid beschermen. Een waarheid, die zo groot is, dat ze nog niet te verdragen is.

Wanneer ik zo onze vriend hoor, dan moet ik daar onwillekeurig aan denken. Want er is misschien één op vele duizenden, die zo ver komt, dat hij zich boven zichzelf kan verheffen, die een weg vindt a.h.w. naar een nieuwe waarheid, een nieuwe wereld. De anderen zitten gevangen in hun eigen gedachten, haatgedachten, wraakgedachten, levensverwerping, angst, een vlucht voor het leven, enz. Die ene is degene, die hen ten slotte naar boven zal leiden. Die heeft eerst zijn tijd nodig. Eerst moet hij zelf leren zich in zijn nieuwe wereld te bewegen. Dan moet hij de kracht en het weten vinden, noodzakelijk om anderen tot zich op te heffen. Maar dat er één is, betekent, dat de rest van het volk laten we die uitdrukking maar gebruiken uit de overlevering te enigerlei tijd ook naar een bovenwereld zal komen.

Tegenover een dergelijke overlevering staat een andere, die precies omgekeerd is. U hebt ongetwijfeld wel eens gehoord van het onderaardse rijk van de Heer der Wereld. In de praktijk zou je kunnen zeggen; veel van de grote eigenschappen, de grote kwaliteiten, die vroeger op aarde waren, warden door een ramp en een revolutie verdreven en hebben zich onder de aarde een woning gemaakt. En men gelooft zelfs, dat hier en daar vulkanische kloven toegang geven tot het onderaardse rijk en dat de Heer der Wereld zo machtig is, dat wanneer hij een besluit uitspreekt, de hele natuur zwijgt.

Laten we dit nu eens even omwerken. Als wij nu eens i.p.v. grotten in de aarde zeggen; verborgen eigenschappen in de mens. Dan is er een tweeledigheid gekomen. De verhalen zijn niet elkaars tegendeel, maar elkaars aanvulling geworden. Het grote gemeenschapsbewustzijn, dat boven ons ligt, is in staat om ons a.h.w. tot zich op te heffen, naar gelijktijdig leven er in ons stoffelijk en geestelijk waarschijnlijk ook vele onontwikkelde kwaliteiten. Ze leven wel, zo bestaan volledig, ze zijn werkzaam, maar zo kunnen niet tot de oppervlakte van ons wezen doordringen.

Dan denk ik onwillekeurig aan al hetgeen de wetenschap onderbewust zijn noemt, al hetgeen U eigenlijk zelf niet begrijpt van Uw eigen wezen. Daar, onder de oppervlakte, daar kookt en daar kolkt zoveel, waar je maar heel weinig vanaf weet. Er zijn krachten, die je soms in staat zullen stellen om alles te volbrengen, wat je nu wilt volbrengen maar meent nooit te kunnen bereiken. Daar zijn krachten, die voor U vele technische vindingen overbodig zouden maken, als telefoon en zo, die zelfs van mens tot mens, van gedachte tot gedachte zouden kunnen spreken. Daar liggen zo grote kwaliteiten en levende krachten uit de omgeving te vergaren, dat U verder niets neer nodig hebt, geen drank, geen voedsel, geen lucht, niets. Alleen die kracht is voldoende om het organisme als een afgesloten geheel in stand te houden. Die dingen bestaan wel, maar ze liggen verborgen. En er moet natuurlijk een tijd komen, dat ook dit naar buiten treedt.

Dan denk ik hier weer aan die voorspelling; “Wanneer de wereld zich baadt in bloed, zal de Heer der Wereld zijn kluisters verbreken, de aarde doen openbarsten en met zijn volk zal hij bezit nemen van een nieuwe wereld.” Dat is een profetie, waar men op het ogenblik o.a. in Tibet weer heel erg mee schermt. Laten we nu eerst kijken, wat dat voor ons kan betekenen.

Een wereld, die in bloed baadt, een mens, die ondergaat in ellende, dat klinkt vreemd. Toch is het zo. Een mens, die werkelijk beproefd wordt boven zijn krachten, ontdekt nieuwe kwaliteiten en eigenschappen, waarvan hij vroeger nooit heeft geweten. Wanneer hij dan bovendien het inzicht en de leiding van bovenaf krijgt, waardoor hij ze kan gebruiken, dan zal hij niet alleen kunnen opklimmen tot een nieuwer en vrijer bestaan, een nieuwere en vrijere wereld, maar hij zal bovendien – en dit is zeer belangrijk – bevoertuigd zijn op een zodanige manier (dus een lichaam hebben of een voertuig in de een of andere sfeer) dat alle mogelijkheden van die wereld of sfeer onmiddellijk en geheel gerealiseerd zijn.

Daarom vind ik die spreker van zo even eigenlijk zo’n mooie inleider van een nieuw jaar. Van een jaar, waarover U ongetwijfeld al het een en ander hebt gehoord. Een jaar, dat stoffelijk gezien er nogal wat pessimistisch uitziet. Dat pessimisme is natuurlijk gewettigd, wanneer wij afgaan op het zuiver stoffelijke. Maar wanneer wij het geheel zien als een ontwikkeling, dan wordt het anders. Per slot van rekening; het is niet prettig als het regent. Maar als de aardappels in de grond moeten groeien en het koren moet groeien en rijp worden, wanneer U vruchten aan de bomen wilt zien, als de bloemen moeten bloeien, dan moet er regen vallen. Daar kun je niet om heen. Ook wanneer die regen dan niet prettig is voor de ervaring van de bewuste mens. Want eerst daardoor kan die mens op aarde leven.

Zo is het met al deze sombere dingen en sombere zorgen ook. Zij zijn er niet, omdat het nu zo leuk is of omdat sommigen er rijk door worden, ze zijn er alleen maar, omdat ze noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van de mens. En in deze profetie staat immers, dat wanneer de wereld dus onder zware druk staat – ik vertaal het nu maar een beetje eenvoudiger – dat dan de Heer der Wereld wakker zal worden. Wanneer U als mens zwaar beproefd wordt, tot het uiterste, dan ontdekt U plotseling onvermoede krachten of U gaat te gronde. Een andere weg is er niet. Wie te gronde gaat, wordt hernieuwd geboren. Daar maken we ons niet druk over. Die komt wel weer terug. Maar wie die extra krachten vindt, is voor zichzelf veel rijker geworden dan tevoren. Die heeft uit de ellende, uit de verdrukking voor zichzelf iets edels, iets reins, iets rijks geput.

Dan denk ik maar zo; Wanneer wij naar geestelijke waarheid zoeken, naar geestelijke kracht, ach, dan moeten wij eigenlijk heel veel sterkte hebben in onszelf om die weg maar steeds verder te gaan, om vol te houden. Om er ons niet met een Jantje van Leiden af te maken en halverwege de zaak neer te leggen. Dan hebben wij vermogens nodig, die boven het normale uit gaan, want wij moeten werken met krachten, waarover een normaal mens niet eens nadenkt. Of dat nu is een mens, die in gebed in verrukking komt al is hij nog zo primitief en in deze verrukking het Goddelijke ervaart, of dat het een bewuste is, die de weg van de inwijding gaat en in deze inwijding plotseling staat voor een totaal nieuw concept van werelden en bestaan, dat blijft gelijk. Er is wel iets, dat je vindt, maar je moet de kracht hebben om het te verdragen. Je moet de kracht hebben om het voor jezelf op te wekken, om er in door te gaan.

Dan kan onze vriend die zo even sprak eigenlijk dankbaar zijn, dat hij de aarde heeft verlaten via een van de beroerdste uitingen van menselijke ongevoeligheid, n.l. een gaskamer. Want daarmede heeft hij juist die  kracht moeten vinden, die hem nu verheven heeft boven heel veel anderen, die hem bevrijd heeft van zijn wereld en een heel nieuw concept heeft gegeven. En hij wil ons graag helpen, ons allemaal, geest en stof. Hij doet dat op zijn manier, misschien niet precies zoals U dat nu prettig en mooi en aangenaam vindt, maar hij doet het dan toch. Hij keert terug. En hij kan ons nog niet eens de volle waarheid zeggen van zijn beleven. Maar wanneer wij nu, wanneer het ons eens een beetje tegen de schreef gaat, wanneer het onplezierig wordt, ook weten door te zetten, ook trachten boven onszelf uit te stijgen, boven het stoffelijke, en a.h.w. in de wereld en in de mensen te leven, dan, mijne vrienden, dan zal hij en met hem velen, die een dergelijke sombere proef hebben moeten doorstaan en gewonnen hebben ons kunnen verheffen tot een geheel nieuw besef, een geheel nieuwe wereld.

En ja, dan wordt voor ons waarschijnlijk. waar, wat ook al in de oudheid werd neergeschreven. Iemand die over de dood dacht schreef n.l.; “Ik zag zijn somber gelaat en ik beefde. Want hij nam de zon, de warmte, de lucht en het hele bestaan en ik meende te vallen tot in de diepe krochten van Hades. Ik meende vergetelheid te drinken uit de Lethe. Maar ziet, uit zijn duister werd licht. Ik zag voor mij een wereld zo gouden en zonnig, dat goden benijden wie daar nog schrijdt. Toen wist ik; ik ben gestorven. Hoog boven het azuur, hoog boven de Olympus, waar goden tronen, bestaat een wereld van goud gevlochten licht, waarin een waarheid spreekt met tonen, die woorden ver te boven gaan. Hier is het, dat het noodlot wordt gesponnen. Hier is het, dat het licht U wordt gewonnen, als eens Prometheus aan de wereld bracht. ‘t Is goed te sterven, want uit doodsnood en uit sombere nacht wordt ons de gouden dag geboren.”

Het beschrijft wel een klein beetje, hoe ik erover denk. Natuurlijk, er is altijd nood en ellende en ondergang en alles wat ermee samenhangt, vrienden. Er is onbeheerstheid, enfin, alles wat wij onaangenaam vinden, niet waar. Eenzaamheid, wat moet je nog meer noemen? Luiheid soms, lichamelijke kwalen, alles wat erbij komt. Maar als je nu tegen jezelf zegt; Kijk, wanneer ik dit moet overwinnen, wanneer dit een taak is, dan moet ik het zó doen, dat ik tegenover mijzelf verantwoord ben, natuurlijk. Maar wanneer ik dit overwin door het niet te zien als een lijden of als een duisternis, maar alleen als een trap of een brug naar licht, naar nieuw weten, nieuw bewustzijn, nieuwe kracht, dan geloof ik, dat je dan de werkelijkheid gewonnen hebt.

En de werkelijkheid en dan ben ik maar een kleintje onder de sprekers hoor, maar dat durf ik wel te zeggen de werkelijkheid is een voortdurende bevrijding. Een bevrijding eerst van heel veel dingen, die je niet prettig vond in de wereld ten slotte ook een bevrijding van jezelf. De grootste last, die ge draagt, ben jezelf. Wanneer je die verloren hebt, dan zul je weten, dat je één bent met God, dat je het licht kent, dat je de eeuwigheid gevonden hebt.

Nu wil ik niet verder blijven doorpraten. Ik heb het mijne gezegd en U hebt stof genoeg om te overdenken op dit ogenblik. U moet me dus niet kwalijk nemen, dat ik het woord overgeef aan de laatste spreker, die voor U besluiten zal.

0-0-0-0-0

HET HOOGSTE GOED.

Het hoogste goed, zei eens de mens, dat is te kunnen leven. Het hoogste goed sprak later de mens, is om te kunnen streven en te bereiken. Maar wie kent wel de werkelijkheid? Uiterlijk kan men wel prijken met bereiking zonder eind. Maar waar ligt het einddoel; het hoogste goed?

Het hoogste goed is één te wezen met God. Het hoogste goed is te overwinnen stoffelijk en geestelijk lot en vrij te zijn in eeuwigheid, gebonden slechts door ene kracht, die in je leeft en is je wereld, die eens je ook  heeft voortgebracht en die je ook doet voortbestaan.

Het hoogste goed, dat is het breken van de waan, ‘t erkennen van de werkelijkheid. Liefde is het hoogste goed, wanneer je ‘t eigen “ik” niet” kent en één wordt met een vol bestaan, dat alle anderen omvaamt en in zich draagt de heilige naam, waarin de schepping is geschreven.

Het hoogste goed, dat is de gave om te ontvangen en te geven gelijkertijd. Eén met al, met al vereend, erkennend in het eigen licht de vrije taak, die hoger staat dan door de mens erkende plicht.

Het hoogste goed, dat is te leven in eenheid met al, die samen gaan om te overwinnen alle fouten van te klein, te beperkt bestaan. En zo te bereiken de wereld, die leeft, het licht van een God, die Zijn zegen U geeft. Te bereiken, bestaan, van alles bevrijd, waarin je tezamen de Kracht, Die je leidt, spreekt, heiligt de Kracht, Die het Al heeft geschapen, heiligt de Kracht, Die nu in mij leeft, zodat het “ik” zich wendt tot een wereld, ontslapen, en opnieuw haar leven geeft.

Het hoogste goed is wel; te scheppen uit liefde voor de eeuwigheid, te zijn een kracht, die anderen verder tot ‘t allerhoogste doel geleidt.

Ge zegt zo gemakkelijk, vrienden, het hoogste goed. leder voor zich omschrijft en beperkt het anders. Maar het hoogste goed is de eenheid met God. En die eenheid met God is een uiting van de volmaaktheid. Het is de liefde, zeker, maar meer dan dat. Want de liefde, die ons één maakt, is niet volmaakt zonder het begrip.

Zo is ook wijsheid het hoogste goed, althans een deel ervan. Want wat is wijsheid zonder de liefde, zonder ook de daadkracht, waarmee uiting wordt gegeven aan hetgeen er in Uw wezen leeft?

Het hoogste goed is in feite dat te zijn, wat volgens de Bijbel de mens was, toen hij door God werd geschapen; Gods evenbeeld en gelijkenis, om op te gaan tot Hem, met Hem te scheppen, te regeren de sterren, te zegenen een mensheid en in stand te houden de wereld van het allerkleinste. Dat is het hoogste goed.

Wij kunnen dit verwerven door één te zijn met God, te verloochenen de beperking van ons eigen wezen, zodra wij erkennen dat hoger Kracht ons leidt. Men zou kunnen zeggen;

Jezus, aan het kruis gestorven, gaf de wereld meer dan bloed. Hij gaf zichzelf met heel zijn wezen, verwierf daardoor het hoogste goed.

Boeddha vond in meditatie ‘t licht van de Oneindigheid. Hij heeft door ‘t anderen te geven de mensheid tot het licht geleid. Want hij vergat zijn eigen streven, zijn eigen leven, eigen doel, Dat was het hoogste goed.

Een leraar komt, hij geeft de wereld vreugde, een lach in duisternis, en zal met eigen wezen delgen een nu bestaand te groot gemis aan werkelijkheid. Wanneer hij ons door eigen offer tot ‘t allerhoogst begrip geleidt, ons delen doet in ‘s Heren kracht, dan is de taak door hem volbracht, het hoogste goed.

Wanneer wij leven en ons leven betekent ook voor anderen veel, wij kunnen ze helpen om verder te streven, te geven uit liefde, geven zoveel, dat we soms onszelf vergeten maar herdenken steeds de Eeuwigheid, dan is ook dit het  hoogste goed. Het hoogste goed is al, wat mens en geest tot God geleidt.

HET GODDELIJKE.

Logos, onbekende Kracht, mij gevend het bestaan,

wat is Uw naam, Uw werkelijkheid?

Wat is in ‘t leven waar en wat is waan?

Gij zijt het bestaan, Gij zijt de kracht,

het Leven en het Wezen.

Maar ‘k ken U niet en ik omschrijf U niet.

Ik weet slechts; Al wat ‘k ben en doe

wordt mij door U gegeven.

DE GLADDE MUUR.

Er is een tuin, zo wonderschoon, dat ik steeds daarvan dromen moet, Ik weet; wie vindt daar ‘s levens woon, voor die zijn alle dingen goed en vol van kracht.

Maar rond die tuin daar staat een muur, zo koud, zo stil, zo glad. Hij weigert mij te gaan naar wens, hij breekt mij af het pad, dat ik zou willen gaan en zegt; “Je “bent slechts geest, slechts mens. Wat wens je wel in Edens tuin? Keer terug.”

Maar in mij groeit de toorn. Ik dreig; “O,muur, je wordt tot puin, wanneer mijn woede zich ontlaadt.” De muur zegt niets, is stil en glad, maar blijft daar staan nog op mijn pad.

Dan zeg ik; “Verander heel het zijn, ik breek de wereld af.” ‘k Vernietig al, ik lijd veel pijn, maar blijft mij slechts een straf; want de muur is daar en bepaalt mijn zijn.

Dan zoek ik naar een andere weg. ‘k Verander nu mijzelf door in de kracht, die in mij schuilt en in het weten ook te delven.

Ik neem het groot besluit, ‘k verander heel mijn zijn. Daar ben ik, haast met een stille lach van ‘s levens kracht als wijn, die mij de vreugde geeft.

En ziet, wijl al intens mij leeft, ga ik in vreugdig juichen heen en vraag mij af; “Waar is die muur, die kille, koude steen?”

De muur is verdwenen, bestaat niet meer, de tuin ligt voor mij open. Dit had ik in het streven niet verwacht en in ‘t willen niet durven hopen.

Maar toen ik veranderde mijzelf, toen werd die muur geslecht. De muur bestond slechts in mijzelf. Toen in mijzelf ik vond het recht van zijn en leven, deed ik in mijzelf de muur, die mij van ‘t leven sluit, ter aarde sneven. En zo ga ik in werkelijkheid van geestelijk leven uit.