Prehistorie en de moderne mens

image_pdf

26 november 1965

Bij het begin van deze bijeenkomst wil ik u er op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ik hoop, dat u zelf zult nadenken over alles, wat er gezegd zal worden en u ook zelf een oordeel daarover zult willen vormen. Ons onderwerp van heden gaf ik de titel: Prehistorie en de moderne mens.

De prehistorie was een tijd, waarin de mens, volgens de huidige normen, nog dom was: Er waren ternauwernood stenen werktuigen. Een speer van in vuur gehard hout en een stenen bijl waren misschien wel de voornaamste werktuigen die beschikbaar waren, terwijl de godsdienst ten hoogste bestond uit vormen van totemisme en sjamanisme. Verder was er echter – alweer volgens de mens van heden – weinig te doen in die dagen. Zo er al een ontwikkeling was, zo valt toch wel voor alles op, dat zij ontzettend traag was. Om een voorbeeld te geven tussen het eerste inzamelen van zaden, bessen enz. op plaatsen, waar zij veelvuldig voorkomen, tot het zelf verzamelen en op zelf gekozen plaatsen uitzaaien ervan verloopt 10.000 jaren. Ofschoon men reeds voor transport een soort slede kende rond 300.000 jaren geleden, werd het wiel eerst toegepast en uitgevonden rond 80.000 jaren. Bepaalde gebieden wil ik hier buiten laten, zoals bv. delen van het Atlantische rijk.

De grote vraag is nu, wat in die dagen dan wel kentekenend was voor het leven van de mensen. In de eerste plaats blijkt dan, dat het recht van de sterkste gold. Elke stam werd geregeerd door een vorst of hoofdman, die de sterkste van de stam was en zijn recht ontleende aan zijn kracht.

Eerst ongeveer 90.000 jaren geleden zien wij, dat het gezag uiteenvalt in het gezag van oorlogsheren, die tijdens krijg regeren, en regenten, die in perioden van vrede het gezag handhaven. Meestal zijn deze laatsten magiërs, priesters, sjamanen. Het geheel van de gemeenschap komt tot uiting in een sterk gevoelde en geuite onderlinge band. Er zijn betrekkelijk weinig morele wetten in de huidige zin van het woord “moraal”, maar toch bestaat wel degelijk een zeer grote, ja, absolute gebondenheid van het individu aan wetten, die grotendeels “bovennatuurlijk” genoemd zouden kunnen worden. Reeds rond 300.000 jaren geleden geschiedde het jagen en verwerven van voedsel reeds in gemeenschap.

Door het gemeenschappelijk optreden van de jagers – dit kunnen wij aan gevonden resten en eenvoudige afbeeldingen wel nagaan – is het hen mogelijk om gevreesde en grote dieren als sauriërs, holenbeer, sabeltandtijger, enz. te overmeesteren en zelfs de mammoet te vellen als jachtprooi.

De gevolgde jachtmethoden lijken misschien vindingrijk, maar blijven lange tijd gelijk en blijken dan ook, eerder door traditie dan door reageren op de omstandigheden, bepaald te worden. Ik kan u hierbij wel zeggen, dat men, zelfs wanneer een andere methode van jagen bekend was en men wist dat deze betere resultaten zou opleveren, men zich toch hield aan het oude, in de stam gangbare patroon van handelen.

Ik haal deze dingen naar voren om u duidelijk te kunnen maken, hoeveel daarvan in de huidige tijd nog over is gebleven. U spreekt misschien van een democratie, maar in feite is er ook nu nog steeds en overal sprake van een direct of indirect geregeerd worden door de sterkste, de meest gewetenloze, enz. Of deze sterkste nu tot uiting komt in een partij of in een persoon maakt in wezen niet veel uit, daar blijft gelden, dat hij, die de meeste macht bezit of kan doen uitoefenen – in deze tijd vaak op economisch gebied – het voor het zeggen heeft.

De gemeenschap heeft vele mogelijkheden om haar problemen tot oplossing te brengen en erkent velen daarvan. In de praktijk blijft men zich echter haast altijd houden aan traditionele methoden. Ofschoon er in deze dagen in veel mindere mate sprake is van totemisme en sjamanisme, maar eerder gesproken kan worden van grote delen van de wereld beheersende godsdiensten, blijkt toch ook daar, dat men oplossingen en denkbeelden, die men op zich bruikbaar zou achten en voorstellingen, die met de feiten stroken, blijft verwerpen, omdat zij nu eenmaal niet passen bij de gepropageerde voorstelling van God en goddelijke wetten. Wel formuleert men het oude steeds weer opnieuw, om het zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met datgene, wat men als het meest levende beeld van de “hedendaagse” mens denkt te zien. De samenwerking in deze dagen is eveneens gebonden aan bepaalde door gewoonte en hiërarchie vastgelegde patronen. Een arbeider is en blijft nog steeds een arbeider, terwijl een kantoorklerk geen “arbeider” is. Men zegt u wel, dat dit onderscheid heeft afgedaan, maar feitelijk wordt tussen deze groepen ook nu nog degelijk onderscheid gemaakt.

Zoals in het verleden priesters en sjamanen zich beriepen op het bovennatuurlijke en hun kennis van de werkelijke feiten voor het vulgus verborgen hielden, zo treft men ook nu nog standen en groepen aan, die hun “geheimen” op een eigen wijze trachten te behoeden. Ik denk bv. aan de medische wetenschap, die nog steeds een groot doel van haar constateringen en werkwijzen achter potjeslatijn pleegt te verbergen. Politieke en juridische regelingen, die, zover zij openbaar moeten zijn, door een bewust gekozen grote complexiteit onverstaanbaar worden gemaakt voor leken. Zelfs bij belastingen en begrotingen treffen wij een geheel eigen jargon aan, dat bovendien nog zo wordt gebruikt in vele landen, dat men daarvan niets kan begrijpen of de zaak verkeerd zal moeten begrijpen, tenzij men ingewijd is, een expert. Heeft men toch inzicht in de werkelijke toestanden en verhoudingen, dan blijkt, dat in vele gevallen het niet geoorloofd is of tot ergernissen voert, wanneer men daarover op voor anderen geheel duidelijke en begrijpelijke wijze iets zou zeggen.

Er zijn dus wel degelijk vele punten van overeenstemming te geven tussen de mensen uit het stenen tijdperk en de mensen in deze dagen; het grootste verschil is wel gelegen in de snelheid, waarmede kennis en waarden in deze wereld kunnen veranderen. In het verre verleden hadden de mensen vele duizenden, ja, soms bijna 100.000 jaren nodig om een eenvoudige vooruitgang meer algemeen te bereiken. In deze dagen duurt een de maatschappij algemeen treffende verandering tussen de 10 en 15 jaren. Over een dergelijke periode kan men dus grote veranderingen plaats zien vinden.

Wat is de reden van dit laatste? Ik weet wel, dat er nu mensen zijn, die zullen zeggen, dat hiervoor bepaalde geesten of bovennatuurlijke wezens in de eerste plaats verantwoordelijk zijn.

Er is echter hiervoor een andere, m.i. evenzeer aanvaardbare theorie te geven. Stel, dat de mensen, die in de oertijd als mens incarneerden, nog geen menselijke vorm voordien hadden bekleed en zich dus langzaam moesten ontworstelen aan een dierlijk gedragspatroon. Er zijn aanwijzingen te over – o.m. in Mu – waaruit kan blijken, dat voor de mensen van het verre verleden vooral het instinct de overheersende factor is geweest. Nemen wij reïncarnatie als een feit aan, dan zal men ook kunnen begrijpen, dat het voor een dergelijke mens, levende in een omgeving, die evenzeer door instincten werd geregeerd, het vele levens geduurd kan hebben, voor men zich van deze drang vrij zou kunnen maken. Zelfs dan blijft er nog steeds een mens, die geneigd is alle verschijnselen in de natuur als onbeheersbaar te beschouwen en te nemen, zoals zij nu eenmaal zijn. Hij is daarbij sterk gebonden aan zijn verleden en zal daarom, ook wanneer hij reeds meer inzicht krijgt in de mogelijkheden van het mens-zijn, toch zeer behoudzuchtig handelen.

Wanneer een geest meerdere levens heeft doorgemaakt, zal zij voor een deel ook bij het incarneren in de stof kunnen beschikken over hetgeen in vorige levens werd geleerd en zal men dit dus op eenvoudige wijze om kunnen zetten in stoffelijke bekwaamheid en besef. Zo iemand heeft dus een grotere achtergrond, waardoor zijn begrip toeneemt, zijn observatievermogen toeneemt en zijn ontwikkeling ook in verstandelijk en technisch opzicht sneller zal gaan verlopen, naarmate meer mensen in een en dezelfde omgeving een aantal incarnaties achter zich hebben. Naast het praktische leren om in leven te blijven, komt nu de overlevering, meestal door de oudsten van de stam aan de jeugd medegedeeld. De ontwikkelingen versnellen zich aanmerkelijk.

Zo zien wij, dat sommige stammen er toe komen boomstammen op het water als voertuig te gebruiken. In verhouding is de tijd kort, tussen het eerste gebruik van drijvend hout als voertuig en het maken van vlotten, die meer kunnen vervoeren dan de mens alleen met al, wat hij aan zijn persoon vast weet te maken. Reeds kort daarna zien wij, hoe men in streken, waar geen hout aanwezig is, mensen vlotten uit bundels biezen weten te maken. Naarmate de gebruikte middelen ingewikkelder worden, neemt ook de neiging, verbeteringen aan te brengen, toe.

Vooral bij vlotten uit biezen of onregelmatig drijfhout maakt men al snel platforms, waarop men min of meer droog kan blijven. Dan is er een tijd van stilstand. Op sommige plaatsen worden bomen uitgehold door branden, maar eerst rond 30.000 jaren geleden zien wij bv. lege vaten, uitgeholde boomstammen en zelfs opgeblazen dierenhuiden als basis voor platforms gebruiken. Maar elke fase telt toch honderden, ja, duizenden jaren.

Stellen wij de ontwikkelingen van de laatste tijd hier tegenover, dan kan men zeggen dat in 2000 jaren vele mensen kwamen van bv. kleine, onzeewaardig en vaak alleen of hoofdzakelijk door roeiers en stromingen voortbewogen voertuigen – waarbij zeilen een uitzondering was, al zal men, wanneer de wind geheel gunstig was, daarvan wel eens gebruik hebben gemaakt – men kwam tot vaartuigen, die geheel van de richtingen van de wind onafhankelijk zich mechanisch voortbewegen en van het weer in zeer grote mate onafhankelijk zijn geworden. In de zelfde tijd komt men van een varen langs de kusten tot een varen uit zicht van de kust, waarbij men zich oriënteert door het “schieten” van sterren en zon, terwijl men zelfs op gegist bestek in staat is vele dagen uit zicht van het land te varen en toch nauwkeurig zijn bestemming te bereiken. Natuurlijk is hier sprake van een zeer grote prestatie. Maar toch hoeven wij dit alles niet alleen te verklaren uit de technische en verstandelijk vooruitgang van de mensheid; de mens zal zelden theorieën op de proef gaan stellen en nieuwigheden uitproberen, wanneer er in hem geen gevoelens zijn, die hem daartoe nopen. Er moet dus langzaamaan bij vele mensen een gevoel van verwantschap met de zee zijn gegroeid, waardoor zij van alle middelen gebruik wilden maken, om hun geliefd element maar verder te kunnen beheersen.

Ofschoon de eerste Atlantiërs al zeevaarders en grote reizigers zijn, zal het toch naar schatting rond 40.000 jaren duren, voor de mens zich met een gevoel van heerschappij en zekerheid op de zee durft gaan bewegen. Vergeet hierbij niet, dat een werkelijk zich vrij gevoelen op de zeeën eigenlijk nog niet eens bestaat, wanneer Columbus Amerika gaat ontdekken. Men maakt in die dagen wel reeds grote reizen, maar zeilt toch nog steeds zoveel mogelijk langs de kusten en waagt eigenlijk geen “vrije oversteek” van meerdere dagen. Eerst rond 1700 vestigen de zeelieden van vooral Engeland voor de heersende beschaving een traditie in deze zin. De Viking-koningen maken wel reeds dergelijke reizen, maar alleen, omdat zij “door de goden” geleid worden. Hun ontdekkingsreizen hebben een enigszins religieuze betekenis. Zodra zij rovers worden, blijken zij weer kustvaarders te worden, die alleen bij bekende punten aan de kust soms een oversteek wagen, die hen een tot twee dagen varen kost.

Om op het voorgaande terug te komen: Wanneer een geest, die meerdere levens als mens achter zich heeft, op het verleden een beroep kan doen, om zo lichamelijk en ook verstandelijk bepaalde dingen sneller te leren en te begrijpen, zo zal met het eerste kennen van bepaalde technische en andere mogelijkheden, het algemene inzicht en daarmede de mogelijkheid tot verdere vernieuwingen eveneens toenemen. Ik wil stellen, dat, zo wij de jaren 1400 – 1600, dan tot 1800 en daarna tot 2000 vergelijken, de vooruitgang in een steeds verdubbelend tempo toeneemt. De algemene kennis en het algemene begrip, dat rond 1600 bestaat, zal dus rond 1800 in het kwadraat aanwezig zijn enz. In feite is de progressie nog groter. Elke toename van het algemeen begrip betekent een grotere mogelijkheid tot kennen en denken voor komende geslachten. Toch zijn er wel tekenen te bespeuren, waaraan men de stelling kan ontlenen, dat veel uit de oertijd in deze dagen in steeds sterkere mate hernieuwd op gaat treden. Als oorzaak daarvoor zie ik allereerst wel het zeer grote aantal mensen, dat in deze tijd incarneert. Ik zal proberen u duidelijk te maken, hoe dit ongeveer samenhangt.

In de oudheid werd een ontwikkeling over een zeer lange tijd uitgestreken. De vooruitgang was betrekkelijk gering. Dit betekende, dat ook de tijd tussen verschillende incarnaties gemiddeld langer was dan nu. Bij een nieuwe incarnatie was men dus in wezen reeds geestelijk grotendeels met de wereld geïntegreerd.

Nu echter worden in korte tijd zovele nieuwe mogelijkheden tot denken, bereiken, beleven geschapen en zovele nieuwe behoeften gevormd, dat er nu in 40 jaar meer veranderingen zijn, dan vroeger in 8000 jaar. Men mag hiermede blij zijn, maar het betekent ook, dat zelfs bij een betrekkelijk snelle her-incarnatie de geest vreemd staat tegenover de wereld, die zij aantreft.

Hierdoor zal zij meer op de in het menselijke lichaam nog aanwezige instincten terugvallen, dan in het verleden noodzakelijk was. De algemene neiging tot snelle reïncarnatie zal verder bevorderen, dat ook de minder bewuste geesten steeds sneller zullen willen reïncarneren; het feit, dat zij steeds meer mogelijkheden tot genot en zekerheid vinden, zal hieraan zeker niet onschuldig zijn.

Nu zijn er oude wijsheden, die van Atlantis stammen. Tussen de 80.000 en 40.000 jaren geleden vinden wij hier het eerste ontstaan van de Grote Witte Broederschap op aarde. De mens van heden zal dit ook nog als “oertijd” zien, maar toch was er toen reeds een behoorlijk hoog menselijk peil bereikt. In die dagen probeert de mens voor het eerst te formuleren, wat de verhouding van zijn ego is t.a.v. de onbekende Godheid. Het is jammer, dat u weinig of geen mogelijkheid meer hebt, kennis te nemen van de toen ontstane oude – en volgens u misschien primitieve – wijsheden. Indien ik enkele van de toen geldende opvattingen samenvat, zo doe ik dit niet, omdat ik deze ook voor het heden geheel juist acht, maar eerder om u een mogelijkheid tot vergelijken te geven.

Men stelt bv.: Het is beter moedig te sterven dan moedig te leven. Zou men dit in deze dagen nog aanvaarden, dan zouden vele mensen beter doen zelfstandig naar het hiernamaals te verhuizen, want zeer vele mensen op deze wereld leven voortdurend in angst en weten niet of durven niet tot een verzet daartegen te komen, wat hun begrip van eigenwaarde althans laat voortbestaan.

De moed is in de oudheid zo belangrijk, omdat men de uiting daarvan ziet als de enige mogelijkheid tot uiting en erkenning van de werkelijke en meer blijvende waarden van de persoonlijkheid. Het levensverschijnsel geldt als afzonderlijke waarde in die dagen veel minder.

Een mens, die slaaf is, moet niet gek kijken, wanneer hij niet meer als mens wordt geteld. Hij had immers kunnen sterven en vrij kunnen blijven? Nu kan hij alleen nog betekenis hebben in het leven en voor zichzelf, wanneer hij zijn aanzien ontleent aan zijn meester. Zelfs indien men de slaaf is van de machtigste meester, is men echter geen werkelijk mens meer, men leeft a.h.w. verder als een hogere dierlijke vorm.

In deze dagen zou men zeker tegen een dergelijke opvatting protesteren. Maar de wijzen van die dagen zeiden: “Alleen die mens heeft recht de vrijheid van het leven en de gang naar de goden – wij zouden zeggen naar de hemel – te kennen, die in vrijheid en bewustzijn zijn leven voert met een aanvaarding van alle persoonlijke risico’s en zonder ooit van erkende taak of persoonlijke erkenning af te wijken.” Dat is een vreemde verklaring. Want een mens in deze dagen zal verder zeggen, dat men een compromis moet sluiten, dat men moet proberen het zo gezellig en prettig mogelijk te maken onder elkaar, en denkt nu in de zin van: Beter, dat wij allen leven, dan dat enkelen van ons goed en vrij leven en de anderen in wezen dood zijn.

Ik kan deze stellingen wel begrijpen. Zij vloeien voort uit de moraliteit van deze tijden. Maar om zover te komen, dat men het leven heilig gaat heten,- zoals in deze dagen mogelijk is en ook geschiedt – moet er in de mensheid toch wel heel wat gebeurd zijn. Typische veranderingen daarbij zijn: Eerst de oude stelling, dat het leven een korte tijd van bestaan is, waarop uitblussing volgt. Slechts enkele mensen kunnen zich een werkelijk voortbestaan veroveren. Om het ‘hiernamaals’ te kunnen betreden, moet je volgens hen sterk zijn, dapper, rijkdommen bezitten. Volgens de opvattingen van de doorsnee mens heeft men geen verplichtingen tegen het geheel van de mensheid, maar tegenover de eeuwigheid waartoe je kunt gaan behoren en die een begeerlijk bestaan betekent als tegenstelling tot een geheel niet meer zijn. Het is duidelijk, dat men volgens deze wijze van denken niet aarzelen mag om desnoods 100.000 slaven op te offeren, indien men hierdoor in het hiernamaals een vorst kan zijn, terwijl anderen sparen voor de mensen van toen vaak gelijk kwam aan een zelf blijvend sterven. De angst voor het onbetekend zijn en de angst voor de dood zijn in wezen identiek.

Ook in meer historische tijden treffen wij dan ook in de graven van vorsten hoofdlieden, dapperen zelfs, de slaven en dienaren, die met hen de dood in gingen – en zo deel hadden aan de eeuwigheid, die de vorst of dappere voor zich verworven had. Daarnaast vinden wij in die graven steeds weer werkelijke of in symbolen weergegeven rijkdommen, werktuigen en zelfs dienaren.

Het leven heeft alleen waarde, zolang je er iets meer mee kunt doen dan alleen bestaan. Het doden van mensen, die oud en nutteloos zijn, is een logisch gevolg hiervan. Ook het doden of aan hun lot over laten van zwakkeren is hierdoor voor de mens van de oudheid een verantwoorde levenshouding geworden. De mens van heden denkt over dit alles anders. Maar hij heeft hiermede niet alleen gewonnen, doch ook iets verloren. Rond 47.000 jaren geleden treffen wij bv. de filosofen van het Atlantische rijk in een wat eigenaardige stemming; zij zijn op dat ogenblik namelijk erg boos op de meer materialistisch georiënteerde stadbewoners en hun priesters, die – via orakels – vooral de stoffelijke belangen van hun gelovigen schijnen te dienen.

Zij stellen dan ook, nors maar definitief: Hij die zich hecht aan het aardse – de materie – en daarin de hoogste waarde zoekt, zal alles verliezen – want hij sterft door zijn onbegrip. En enkelen voegen daaraan nog toe; en zal herboren worden in een lagere vorm. Dit denkbeeld, dat een mens in een lagere vorm herboren kan worden treffen wij ook nog veel later aan, o.m. bij de Hindoes en enkele Afrikaanse stammen. Onlogisch is het niet dat wij juist in deze gebieden dergelijke geloofswaarden aantreffen, want via deze gebieden zijn immers reeds Atlantische priesters gekomen, die uitweken kort voor de eerste Atlantische ramp.

De denkbeelden van vandaag zijn geheel anders. Het gaat nu juist wel om de materie. Het geestelijk leven bewaren en sterk maken, is iets, waarover men wel veel praat, maar veel doet men er niet aan. Wanneer het erop aan komt, vindt men een geslaagde collectie van veel groter belang en zal men iemand eerder willen verlossen van zijn armoede, reumatiek of t.b.c. dan hem willen verlossen van gewetensbezwaren en geestelijke problemen. Men vindt het belangrijker, dat iemand precies aan alle verkeersregels gehoorzaamt, dan dat hij in alles precies God gehoorzaamt. Ook dit is te begrijpen: Naarmate de kennis toeneemt en dus bij incarnatie degenen die op aarde komen, een groter begripsvermogen en grotere reserve aan bekwaamheden kunnen hebben, is de mogelijkheid van beheersen der materie steeds groter geworden. De mensen worden stoffelijk rijker en, ofschoon die rijkdom sterk kan verschillen in verschillende fasen van de moderne tijd – in Rome is rijkdom bv. te meten aan de arbeidskrachten waarover men kan beschikken, plus het bezit aan land, terwijl op het ogenblik rijkdom het best kan worden geformuleerd als een in staat zijn de behoeften en bezitszucht van anderen zo te bevredigen, dat zij voor jou werken en je wil uitvoeren op een wijze, waaraan jij kunt verdienen – speelt het beeld van bezit een hoofdrol in alle overwegingen, zelfs de kerkelijke, zowel in Rome als in alle andere delen van de wereld.

De denkbeelden, die in deze dagen gekoesterd worden, zeggen in wezen – wanneer ik het even mag herleiden op het gevaar af, dat tegen deze uitspraak geprotesteerd wordt -: Hoe meer ik heb, hoe belangrijker ik ben. Men gaat zelfs nog verder en schijnt te denken: Hoe meer ik op aarde beteken, hoe dichter ik ook bij God zal staan, zodat het beeld van de eeuwigheid in de moderne mens wel sterk is gereleerd met stoffelijk bestaan en bezit in de materie. Daarmede is de mens van heden, al uit zich dit op een wat andere wijze, geestelijk net zover als bv. de groten en vorsten uit Egypte en de vroegere helden, die zelfs hun stoffelijk bezit bepalend achtten voor hun status in het hiernamaals.

Atlantis brengt ons nog verdere leringen, waarover wij wel eens na kunnen denken. Zo stelt men bijvoorbeeld, het is wreed te laten leven, of in leven te houden, wat niet waarlijk zelf kan leven. Het zal zich immers gewennen aan een staat, die de ondergang gelijk komt en bij elk volgend leven afhankelijker worden. In deze dagen zegt men daarentegen: alle leven is heilig en vooral de zwakkeren moeten wij beschermen. Waarom dit verschil? Wel, de Atlantische priesters komen voort uit de oude sjamanen en wijzen van de vroegere rondtrekkende stammen, of stammen uit degenen die, nog geleid door rassengeesten in meer kenbare vorm, optraden als priesters in het keizerrijk Mu. Zij hebben daarbij het lot van alles, wat lichamelijk onvolwaardig is gezien en hebben geconstateerd, dat ook de verstandelijke en vooral geestelijke ontwikkeling van dergelijke mensen daarbij vele belemmeringen ondergaat.

Let wel, deze priesters ontkennen nooit uitdrukkelijk, dat de mogelijkheid geheel ontbreekt, om dergelijke belemmeringen te overwinnen. Maar, zo zeggen zij, dit is een zeer zware taak.

Wanneer je op stoffelijk gebied op enigerlei wijze onvolwaardig bent en de middelen eenvoudig niet hebt zelfstandig te leven, maar in stand gehouden moet worden door anderen, zul je er aan gewennen van anderen afhankelijk te zijn. Hoe afhankelijker van anderen je leven van nu is, hoe sterker je eenzelfde afhankelijkheid ook geestelijk tegenover anderen zult gaan tonen. In deze dagen lijkt het mij toe, dat er zeer vele mensen leven, die reeds in een vorig bestaan niet direct volwaardig zijn geweest: De wijze waarop men zich afhankelijk toont van anderen en zelfs met zekere brutaliteit op anderen een beroep pleegt te doen, daarbij sprekende van de plicht van die anderen, en eigen zwakheid gebruikende als een wapen, om zo de ander voor het eigen ik te doen presteren, dan vind ik deze mentaliteit ook onder de condities van de moderne wereld toch wel ontstellend.

In de oertijd is er een relatie tussen mensen en goden, stamgeesten of de geest van de voorouders. Altijd weer is daarbij het criterium het innerlijk: Eigen gedrag, eigen kracht. Er is in de oertijd geen enkele godsdienst of vorm van magie te vinden, die enigszins rationeel genoemd mag worden. Elke godsdienst – zover wij hier reeds deze naam mogen gebruiken, is gebaseerd op een innerlijk één worden met iets. Zelfs de oude jachtdansen, die in de oude grotten werden gedanst, om de stam in staat te stellen goede buit te maken, zijn eerder het opwekken van een telepathisch en op gevoel gebaseerd contact met een bepaalde soort, waardoor de jagers kunnen weten, in welke richting de gezochte prooi te vinden zal zijn, dan een werkelijk magisch gebeuren volgens de huidige opvattingen omtrent dit woord. De oermens leeft grotendeels op basis van zijn gevoelens. Zijn goden, wanneer zij eenmaal gestalte krijgen, zijn geen wezens, die aan het menselijke bestaan vreemd zijn, maar wezens, die ergens op de mens gelijken en met hem alle dingen van het leven delen. Deze goden zijn voor de mensen echter een werkelijkheid, die, zij het niet verstandelijk, wordt beleefd.

De god is een innerlijke waarde en, zo deze innerlijke waarde dan voeren mag tot orgieën, waar tegen men in deze tijd met een neus ophalen zegt: Primitief heidendom – iets wat je in de film wel graag laat zien, maar waarbij het natuurgetrouwe slechts zover gaat als een filmkeuring dit toelaat, moet men zich toch wel realiseren, dat deze voor de mens van heden vreemde en onaanvaardbare gebruiken, voor de mensen van die tijd voerden tot een werkelijk innerlijk beleven van god. Voor hen lag dan ook in dit alles een mogelijkheid, om zichzelf te leren kennen en grote geestelijke waarden in en voor zich te ontdekken.

Men mag nu wel de ontwikkeling, die het christendom in Europa tot stand heeft gebracht roemen, maar een werkelijke ontwikkeling in Europa i.v.m., het christendom zien wij toch eerst rond 1200 ontstaan en dan is een zeer groot deel van die ontwikkeling nog ontleend aan de arme heidenen van de kalifaten, waarmee men als ware – de naaste minnende en god erende – christenen gevochten heeft. De ontwikkeling van het christendom heeft sindsdien in vele gevallen geleid tot een verenging van het gevoelsleven, een aanmerkelijke beperking van het persoonlijk denken en persoonlijke beslissingen in het bestaan; en heeft daarnaast nog indirect gevoerd tot een steeds materialistischer wordend denken en beleven van de godheid, waarbij de emotie steeds meer plaats heeft moeten maken voor het spitsvondige – en zo mogelijk ook winstgevende – betoog, terwijl de waarheid Gods in te vele gevallen plaats heeft moeten maken voor de vaak holle retoriek van de theoloog.

Ik hoor al protesterend roepen: Maar in deze tijd is er toch ook veel goeds! Ik zal dit niet ontkennen, maar wijs u er alleen op, dat er in deze tijd ook veel teloor is gegaan. In deze dagen kan de mens verstandelijk nu eenmaal veel verder gaan dan in het verleden. Elke jongere generatie heeft in zich begrippen en ken mogelijkheden, die de ouderen haast onbegrijpelijk voorkomen. Indien u mij niet gelooft, spreek eens met een jongetje van 6 à 8 jaar over een vliegtuig, dat overvliegt. In vele gevallen zal dit kind u reeds kunnen vertellen welk type van vliegtuig dit is, en, wanneer er enige interesse daarvoor aanwezig is, zal het jongetje van een jaar of 8 u daarbij nog kunnen vertellen, wat het motorvermogen, de grootte van de bemanning is en veel meer.

Kinderen van vandaag vinden het doodgewoon te spelen met een doosje, waarmede je zelfs een radio of een elektrisch seinapparaat kunt bouwen, terwijl in de dagen, dat velen van u jong waren, radio een onbereikbaar raadsel was en een elektrische installatie iets was, waar je vooral altijd met je vingers af moest blijven, omdat zoiets wel levensgevaarlijk moest zijn. Er is een enorme progressie. Maar deze progressie heeft gelijktijdig veel voor een intens en geestelijk waardevol stoffelijk bestaan noodzakelijke gevoelswaarden afgestompt of zelfs gedood. Ik wil als verdere stof tot vergelijking nu kort een scène uit de verre oudheid omschrijven en stellen naast een scène uit de moderne tijd.

Het stamhoofd is dood, gestorven in een tweestrijd, waarin hij zijn recht tot regeren heeft willen bewijzen. Hij wordt begraven of verbrand, men roept de geesten op en stelt, dat het oude opperhoofd in een of andere geestenwereld zal voort bestaan en zijn stam vandaar uit zal volgen en blijven helpen. Dan komt de grote scène. Degene die het opperhoofd heeft overwonnen, stelt zich voor de gemeenschap en roept uit: Wie is er sterker of wijzer dan ik, ik wil mijn krachten met hem meten, laat hij zich bewijzen of zwijgen zolang ik leef. Daarop ontstaat een reeks van gevechten en worden raadsels opgegeven en opgelost.

Sommigen gaan hiermede door tot zij gedood worden, anderen lopen weg voor het zover is. De gehele stam zit er bij. Zij kan ingrijpen. Op het ogenblik, dat niemand meer de uitdagingen aanneemt, oordeelt de stam, door de vorst plechtig te erkennen en gelijktijdig de geesten van alle voorgaande hoofdlieden aan te roepen, opdat hun wijsheid en kracht steeds met de nieuwe hoofdman zal zijn. Wenst men de overwinnaar echter om enigerlei reden niet als opperhoofd te erkennen, dan valt men hem gemeenschappelijk aan en dood hem of verdrijft men hem. Na deze “verkiezing” is men dan ook geheel trouw aan de hoofdman of vorst. Men kent daarbij geen enkel voorbehoud; hij is meester van alle dingen. Indien hij nemen wil van de kudden van de stam, niemand zal het hem beletten. Wanneer hij vrouwen of meisjes opeist, zal niemand daarin iets kwaads zien of zijn eisen weigeren; hij is tot de geest, de vertegenwoordiger van allen, van de gehele stam, geworden.

De vorst, het opperhoofd, vertegenwoordigt geen rationeel element, maar is a.h.w. de vergaarbak, waarin alle wijsheid, alle raad van de gehele stam – levenden zowel als doden – samen kan vloeien. Hij is degene, waarin de kracht van de stam ligt. Hij is de stem van de stam.

Nu de moderne tijd. Bijvoorbeeld rond 1967: Verkiezingen. Overal borden met beloften, geen uitdagingen, maar beloften, een poging de kiezer om te kopen. Dan komt het ogenblik, dat men – gedwongen – de stemlokalen zal moeten betreden. Degenen, die daarvoor vrij kunnen krijgen, doen het langzaamaan om wat vrije tijd er aan over te houden. Anderen gaan terug en halen hun schouders op. Een enkeling bekvecht misschien wat over de vraag, wat nu beter is, socialisten, christelijke of katholieke partijen, maar druk maakt men zich niet en meestal gelooft men zelf niet geheel in het belang van het gebeuren. Dan gaan de leden van de gemeenschap weer hun eigen wegen na en er is niets veranderd. Is men soms trouw aan degenen, die men gekozen heeft? Wel neen. Men heeft en kruisje gezet of een stipje ingevuld, maar veranderd is er daardoor niets. De gekozenen spreken niet waarlijk met de stem van het volk, zij zijn niet werkelijk stem, kracht en geweten van de natie, zoals eens de hoofdman, de vorst. Zij doen vaak eerder denken aan ezels, die doelloos balken boven op een rots, terwijl beneden hen het dorp rustig verder slaapt.

Dit beeld is misschien niet er vleiend, maat het staat dichter bij de waarheid dan het beeld van de gekozene, die spreekt voor het volk, met de stem van dit volk, ofschoon zelfs nu er soms wel een uitzondering zal zijn. Maar die wordt dan ook door alle andere parlementariërs uitgelachen en niet au sérieux genomen. Er is geen werkelijke binding meer tussen volk en bestuur en zelfs wanneer er een probleem rijst als bv. dat van de Oranjes, is het opvallend, dat de trouw aan de vorstin niet algemeen is, dat de vorst of vorstin niet meer iets heiligs is, een symbool van het gehele volk, maar een gewoon wezen. Men reageert in de stijl van: Het is een heel goed mens en wij hebben niets tegen haar, maar dat zij dat kind nu met een Duister laat trouwen is onuitstaanbaar. Dan maar liever een republiek….

Ik nam een voorbeeld uit Nederland, maar zou dergelijke voorbeelden ook uit andere landen kunnen nemen. Waar is de trouw aan dat, wat men zelf aanvaard heeft? Waar is het beeld van gezamenlijk leven en streven, dat een stam rond zijn vorst placht op te bouwen, een schijngestalte misschien, maar ook een kracht, gedachten, waarin de totaliteit van alle wetten en alle geestkracht van het volk dan toch maar aanwezig zijn? Die dingen bestaan eenvoudig niet meer.

De mensen zijn vandaag meer geïnteresseerd in de beursberichten of de uitslagen van de voetbaltoto dan in regering en regeerders. Waarom? Misschien wel, omdat de mens steeds meer is gaan putten uit datgene, wat hij gekregen heeft hij de geboorte: Zijn ervaring uit het verleden. Steeds meer heeft hij daarmede voor zichzelf een belangrijkheid opgebouwd en deze belangrijkheid laat hij rustig verder gaan en trekt zich daarom niets meer aan van wat anderen zijn of anderen doen. Hij vindt alleen zichzelf belangrijk, en van een zich invoegen in het geheel, een gezamenlijk strijden, maar ook van een zekere hardheid zowel tegenover zichzelf als tegenover anderen is praktisch geen sprake meer.

Wanneer ik deze twee beelden tegenover elkander plaats, zo is dit slechts een voorbeeld. Ik zou dergelijke beelden evengoed kunnen geven op het terrein van economie, werkkracht, godsdienst. Want met deze beelden heb ik iets zeer belangrijks gelijktijdig willen constateren en illustreren: De mens uit de oertijd was misschien veel eenvoudiger, dom. Zijn tempo van vooruitgang was zeer gezapig en niet te vergelijken net de snelle ontwikkelingen van deze dagen. Maar hij leefde werkelijk zichzelf en beleefde vanuit zich ook werkelijk de gemeenschap, het geheel, waartoe hij behoorde. Broederschap, trouw, een zekere vorm van eerlijkheid en besef van eer was in het verleden meer, veel meer vormend en bepalend voor de staat van de geest dan in deze dagen.

Hierdoor waren de uitvindingen van het verleden in de eerste plaats dienend voor de mens. Het is opvallend, dat, nadat de middelen om zich tegen een woeste omgeving te verdedigen er waren, allereerst de slede wordt uitgevonden. Men vindt niet middelen uit om zoveel mogelijk mensen opeens neer te maaien – dat beschouwde men zelfs als strijdig met de goede zeden – maar wel een rad, een wagen. Men denkt er, als het vuur eenmaal ontdekt is, niet over na, hoe men daarmede anderen kan pijnigen of vernietigen, maar begint allereerst te ontdekken, hoe men via gloeiende stenen voedsel kan koken. Men getroost zich meer moeite om sierlijke en bruikbare potten te maken, dan om een bom te vervaardigen. O ja, bommen zijn oud. De bom is in het deel van de wereld rond de Middellandse Zee meer dan 9000 jaren oud.

Maar wanneer je dit alles zo bekijkt, dan kun je als mens van heden wel zeggen: Die prehistorie, waar wij zo graag op neer zien, kan ons ook nog veel leren. Er is in die dagen bv. veel meer dan nu sprake van een directe observatie van de werkelijke verschijnselen van het leven. Er is eenvoud, naar vooral ook een grote intensiteit van bestaan. Er is geen vals sentiment, maar wel een emotionele gebondenheid, die alle redelijkheid van deze dagen te boven gaat. Er is een kracht, die niet ontleend wordt aan rang of positie, aan het gebruik van wapens alleen, maar een kracht, die vooral bestaat dankzij de algehele erkenning zonder voorbehoud van verplichtingen. Ieder draagt in het verleden de totaliteit van de gemeenschap. De ene jager, die wegtrekt van de stam, of zij nu 6, 20, of 100 leden telt, representeert het geheel van die stam.

Met hem gaan de geesten en krachten van die stam, die stam in haar geheel staat a.h.w. voor hem in en hij gevoelt zich als zodanig ook verplicht zelfs in de jacht de stam als geheel te vertegenwoordigen, de stam deel te geven in zijn buit en niet alleen voor zichzelf te jagen. In uw dagen spreekt haast een ieder woorden van gemeenschapszin. Vroeder was deze zo vanzelfsprekend, dat men er niet over sprak. Nu spreekt een ieder over de noodzaak tot samenwerking en de belangrijkheid van vrede. Maar niemand doet er zelf iets aan. Ieder is geneigd voor het geheel van het noodzakelijk geachte, of voor een groot deel daarvan, de verantwoordelijkheid op anderen af te schuiven. De mensen van deze dagen zijn zo gelukkig met hun vermogen om snel te leren en te ontdekken, dat zij zelfs geneigd zijn geheel te vergeten om ook werkelijk als mens te leven. Wanneer ik een tegenstelling zoek tussen oertijd en de moderne mens, is de tegenstelling wel in de eerste plaats: In het verleden leefde men zelf, in de tijd van heden laat men zich meestal leven. De tweede tegenstelling is: In het verleden was het leven alleen belangrijk door de betekenis, die de levende had voor de levenden. In deze dagen is men eerder geneigd om te denken, dat het leven belangrijker wordt, naarmate de kracht, het vermogen tot zelf leven en presteren zwakker wordt.

Ik zou verder kunnen gaan met het opsommen van verschillen, maar dezen zijn wel de meest belangrijke. Laat ons daarom proberen, ook enkele overeenstemmingen te vinden. Wanneer het erop aan komt, is in de oertijd de baas altijd degene, die het sterkste is, de meeste macht bezit.

Ondanks alle stellingen in deze tijd, die dit trachten te ontkennen, regeert het recht van de sterkste nog steeds. In tijden van oorlog, hongersnood en gevaar laat men zich in de oudheid vaak leiden door mensen, die volgens huidige normen praktisch krankzinnigen zijn. In de moderne tijden komt iets dergelijks ook nogal eens voor, want ook daar zoekt men leiders, die allen inzicht in normale verhoudingen en alle werkelijke aanpassing aan de gemeenschap schijnen te ontberen. In de oudheid zijn de goden dingen, die je gebruikt tot nut van de gemeenschap. In de modernere tijden is het begrip God maar al te vaak geworden tot iets, wat men vooral gebruikt – bewust of onbewust- om daarmede de gemeenschap te regeren en te overheersen. Wat alweer een zekere overeenkomst betekent. En ook hier kan ik nog vele andere overeenkomsten opsommen.

Ik wil nu nog enige conclusies uit dit alles trekken, zonder daarbij alle details afzonderlijk te vergelijken met verleden of toekomst. Velen, die nu op aarde leven, hebben reeds meerdere incarnaties achter zich. Zij zijn daardoor sneller van begrip, kunnen meer kennis bevatten en kunnen hun voertuigen op juistere wijze leiden. Qua denkvermogen zullen de meeste mensen van vandaag inderdaad wel hoger staan dan de mensen uit een ver verleden. Maar in deze dagen is de waardering voor het denkvermogen vaak zo groot geworden, dat er voor werkelijke prestaties weinig of geen waardering over schijnt te blijven. Daarom blijft zeer veel steken in theorie en denkbeeld. De wereld is als gevolg hiervan steeds meer de werkelijkheid gaan ontkennen, zich beroepende op het denken en zo in illusies vlucht voor de werkelijkheid. De broederschap, de innerlijke en lichamelijke verwantschap, die tussen mensen bestaan moet wanneer zij in gemeenschappen leven, gaat langzaam maar zeker te niet, omdat een ieder meent, dat hij ook zonder de anderen wel zal kunnen bestaan; zo wordt de band tussen mens en mens steeds losser en zal ook het geestelijke gevoel van verbondenheid waaraan men in de oudheid de kracht tot grote bereikingen kon ontlenen, langzaam maar zeker verdwijnen. De mens van heden wordt steeds meer een geïsoleerd levend wezen, omdat hij geen werkelijke broeders, geen werkelijke vrienden meer heeft, maar alleen bewonderaars en toevallig tijdelijk gelijkgestemden.

De geestelijke wijsheid, die in emoties, in een roes of orgie reeds in de oudheid voor de mens bereikbaar was, heeft langzaam maar zeker plaats moeten maken voor een, hoofdzakelijk verstandelijke aanvaarding en realisatie van het hogere, maar naarmate het intellect in de mens groeit en voor hem belangrijker wordt, zal hij meer op zichzelf letten en zo de kans, om waarlijk in zich God te ontmoeten, kleiner maken. De inwijdingen en de innerlijke weg van het verleden waren voor een ieder en overal toegankelijk. De leer was verborgen, maar een ieder streefde er naar, deel uit te maken van de ingewijden en zo ook vrijelijk toegang te verkrijgen tot het hem passende deel der verborgen kennis. In deze dagen zijn de waarheden openbaar voor een ieder, die ze begrijpen kan. De kennis van de innerlijke weg en de waarden van de inwijding zijn voor elke mens in deze dagen met weinig moeite te bereiken, zelfs indien zij niet tot een geestelijke school behoren en niet ingewijd zijn. Maar de meesten van hen hebben eenvoudig geen interesse meer hiervoor. Hoe jammer is het dan ook, dat juist de grootste innerlijke en geestelijke waarheden in deze tijd, waarin zij openbaar zijn, ongebruikt dreigen te blijven.

Ten laatste: in al zijn eenvoud zag de mens van vroeger zichzelf altijd ergens in verband met goden en eeuwigheid. Zijn gehele leven was een pogen zichzelf bewust eeuwig te maken. In deze dagen neemt de doorsnee mens het eeuwig zijn van zijn wezen als iets vanzelfsprekends aan en juist daardoor getroost men zich de moeite niet meer om waarlijk en desnoods ten koste van gevoelens van eigenwaarde of bereiking, de innerlijke weg tot de eeuwigheid te leren kennen.

Het is jammer, dat dit alles zo is en zelfs te betreuren. Maar toch wil ik aan het einde van dit korte onderwerp nog het volgende zeggen: De mensheid beschikt nu over mogelijkheden, die zij in het verleden nimmer heeft gekend. Ik doel hierbij zeker niet alleen op materiële mogelijkheden, maar vooral ook op het bestaan van bijzondere geestelijke krachten en mogelijkheden in deze dagen. Dit schept de mogelijkheid om alles, wat eens alleen onbewust kon worden gebruikt, of alleen via een emotionele weg voor het ik beleefbaar was, langzaam maar zeker te maken tot iets, wat de mens in zich bewust kennen, begrijpen en beheersen kan, wanneer hij zich maar de moeite daartoe wil getroosten.

De mensheid van vandaag, de moderne mens, staat, zoals eens ook de mens uit de oertijd, aan het begin van een geheel nieuw tijdperk. Een tijd, waarin zeker de ontwikkelingen ook eerst traag zullen zijn, om dan sneller en sneller voort te gaan. De tijd, waarin de geestelijke en innerlijke waarde, die nu nog onder materialisme en redeneerkunst verborgen zijn en ongeuit

blijven, in het algehele bestaan van de mens, steeds sterker naar voren zullen komen. Ik ben er van overtuigd, dat men eens op deze dagen, waarin u nu leeft, zal terug zien als op een oertijd, waarin “primitieve mensen” wel wisten, hoe voor zich eten, drinken en allerhande gemakken te maken, maar niet wisten, hoe zij waarlijk en bewust moesten leven.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen.

  • I.v.m. hetgeen u zei over hernieuwde incarnaties de volgende vragen.
  1. Komen nog steeds nieuwe zielen, die nog geen mens geweest zijn, als mens op aarde?
     2. Wanneer is dit proces eigenlijk begonnen?

U bedoelt het proces van eerste incarnatie als mens? Dat is wel enigszins afhankelijk van de definitie, die men gebruikt voor het genus homo. Indien wij echter stellen, dat niet alleen homo sapiens, maar ook zijn voorganger, die over een zelfstandig denken konden beschikken, als mensen beschouwd kunnen worden, mag wel worden gezegd, dat de eerste incarnatie in een enigszins menselijke vorm en met de eerste menselijke mogelijkheden, zij het dat dit wezen nog sterk aan instincten gebonden bleef, plaats vond ongeveer 1.200.00 jaren geleden. Ook in deze dagen worden echter nog menselijke lichamen op aarde geboren, waarin zich een geest vestigt, die wel reeds als dier bv., of elders dan op aarde geleefd heeft, maar voor de eerste maal hier als mens leeft. Volgens schatting zal echter ongeveer 68% van degenen, die nu op aarde leven, echter reeds een of meerdere malen als mens geleefd hebben.

  • Wat is het gemiddeld aantal incarnaties, dat een mens behoeft om niet meer genoodzaakt te zijn tot een verder incarneren in de stof?

Een gemiddelde is altijd een leugen t.a.v. de waarheid van het individu. Het door u gevraagde gemiddelde zal liggen tussen de 80 en 90 menselijke levens. Voor de meer bewuste, de meer bewust en ijverig strevende, zal er echter eerder sprake zijn van een aantal van 5 tot 7 incarnaties als mens, onbewusten kunnen echter honderden, zelfs vele honderden incarnaties als mens leven, zonder dat hen dit nu ook geestelijk veel verder brengt. De persoonlijke benadering van het leven is hier dus wel van zeer groot belang. Daarnaast is ook belangrijk, wat door het ik in de sferen – dus na de dood en vóór een nieuwe incarnatie – gerealiseerd wordt omtrent het zijn en de conclusies, die het daaraan voor zich weet te verbinden. Een voor begrip bruikbaar gemiddelde is dus niet te geven. Maar als iemand zich trots tot u richt met de verklaring, dat hij aan zijn 100e of 1000e incarnatie toe is, schudt dan maar meewarig uw hoofd en zeg: “Tjonge jonge. En nog maar zover?”

  • Welke tijd ligt er tussen twee incarnaties? Gaat dit steeds sneller?

Dit is geheel afhankelijk van de bewustzijnstoestand. Een dierlijke incarnatie zal na de dood als dier reeds in kunnen gaan na 3 of 4 dagen. Een mens, staande op praktisch dierlijk vlak zal incarneren – waarbij de mogelijkheid van een incarnatie als dier niet geheel uitgesloten zal zijn – in enkele maanden. Gaan wij uit van het gemiddelde menselijk bewustzijn, dan is de tijd veel langer en wel van 150 jaren ongeveer tot ongeveer 900 jaren. De eersten zijn meestal de meer bewusten; degenen die langer wegblijven zijn vaak dommere, die in de geest echter bij weten te leren. Een uitzondering vormen de bewusten, die alleen zichzelf – het duister – zoeken. Hierbij komen incarnatietijden van rond 5000 jaren voor. De maximumtijd tussen incarnaties zal betrekking hebben op ingewijden, zij het van Licht of duister en kan zelfs ruim 21.000 jaren bedragen. Persoonlijk bewustzijn en streven zal dus de tijd tussen twee incarnaties in hoofdzaak bepalen. Een vrijwillige incarnatie van een bewuste – waar dus geen noodzaak meer bestaat, maar vaak nog een taak vervuld moet worden – kan binnen enkele dagen plaats vinden en zal gemiddeld van dood tot het leggen van een claim op een wordende vrucht ongeveer 7 dagen bedragen.

0-0-0-0-0-0-0-0

 Esoterie: Het kruis als symbool.

Indien ik in dit tweede deel van onze bijeenkomst een eigen onderwerp mag aansnijden, zo zou ik gaarne enige aandacht wijden aan: Het kruis als symbool.

Het kruis is nu natuurlijk vooral het symbool van de christenheid, een herinnering aan het lijden en de dood van Jezus. Zeer weinigen in het westen zijn er zich van bewust, dat dit kruis op vele andere plaatsen en bij vele andere volkeren voorkomt. Zij beseffen ook niet, dat het kruis daar een geheel andere betekenis kan hebben en als symbool geldt van geheel andere waarden. Toch kan men weten, dat reeds lange tijd voor het kruis een symbool voor Jezus dood kon worden, ja, voor er zelfs maar van een Messias gesproken werd, het kruis al bestond als symbool. Hierbij doel ik niet op enigszins afwijkende vormen als bv. het Ankhkruis, zoals dat in Egypte bestond, het zogenaamde levenskruis e.d. De afwijkende vormen wil ik, althans voor heden, buiten beschouwing laten.

Het gelijkarmig kruis gaf eens de vier windrichtingen aan, te midden waarvan de hoofdgodheid woont. Of, om het nog anders te zeggen, het heelal is verdeeld in de twee delen van de bovenwereld en de twee delen van de beneden wereld. De horizontale balk van het kruis geeft hier de betrekkelijk kleine wereld aan, waarop de mens te midden van onder- en bovenwereld leeft. De verticale balk geeft weer, hoe de begrenzing van het hoogste tot het laagste door alle sferen heen gaat en de uiting, de tegendelen doet ontstaan. Zij is het “middenpad” en toont de weg aan, die de mens tot bovenwereld en tot god kan gaan. Verder blijkt er sprake te zijn van een spiegeling. Ook de spiegeling der sferen wordt namelijk door het gelijkarmige kruis weergegeven – ofschoon men het als symbool hiervoor meestal in een cirkel zal plaatsen. Wanneer u een kruis zet in een cirkel, zult u ook zelf kunnen zien, dat de segmenten ten aanzien van elkander geheel gelijk zijn, maar voor de beschouwer deze gelijkheid alleen bezitten, wanneer zij tegenover elkaar liggen. Voor de beschouwer is er hij een vergelijk met andere segmenten van 90° wel sprake van een kenbare gelijkheid van oppervlak, maar zal door de positie een tegenstelling in vorm kenbaar zijn. Op deze wijze is het kruis een symbool geworden, dat niet alleen maar geldt voor het christendom, maar ook nu nog esoterisch van zeer groot belang is. Wanneer ik denk aan het kruis, zoals het eens gebruikt werd door de z.g. maan- en zonaanbidders, dan zie ik daarin wel zeer in het bijzonder een esoterische les. Wat zei men immers hier over het kruissymbool?

De weg van de zon is die van de verticale balk en geeft de kracht van het leven en het bewustzijn weer. De horizontale balk geeft de gang van de maan weer, de vorming. Zon is geest, bezieling; de maan is de moeder, de vormende kracht, die alles in de wereld gestalte geeft. Als wij dit in onze eigen termen vertalen, zo kunnen wij bij het beschouwen van dit symbool zeggen: Onze geest rijst uit het niet omhoog en komt tot het allerhoogste. De materie is slechts de begrenzing van de vormenwereld, waarin wij ons bevinden.

Ook als levensboom wordt het kruis gebruikt. Wij vinden dit bij de vroege kaste van ingewijde priesters behorende tot de dienst o.m. van Bel, van Isis en ook de priesters van Kusumbu  die, naar ik meen, in deze dagen geheel in vergetelheid is geraakt. Alle drie deze inwijdingsgroepen gebruiken het kruis als symbool, dat in de meeste gevallen gelijkarmig is. Sommigen onder hen zetten het kruis gekanteld. Voor hen beeldt het dan de wereld van de mensen aan, onderste hoek, en de wereld van de godenwereld, bovenste hoek, die elkander beroeren. De vlakken opzij tonen dan aan, hoe rond de wereld van mensen en goden andere gebieden bestaan, die aan beide werelden gelijktijdig grenzen.

Eigenaardig is, dat deze zelfde vorm van kruis in Arabië de naam van de “zandloper” zal krijgen. Daar stelt men dan, dat het leven slechts de overgang is van krachten naar de mensenwereld vanuit het hogere, en de terugweg van deze kracht vanuit de mensenwereld naar de werelden van het Hogere. Dit heen en weer gaan van de levenskracht – niet te verwarren met menselijke ziel of geest – bepaalt dan volgens hen het zijn van de tijd.

Onder meer treffen wij ook dergelijke denkbeelden aan bij Avicenna. En ook hier volgt vaak de conclusie, dat rond de tijd – en dus niet als deel daarvan – werelden van lichtende en boze geesten zich uitstrekken. Er is sprake van een oneindigheid van mogelijkheden, die toch weer het leven voor ons zal begrenzen volgens de wil van de Almachtige.

De priesters van Bel zien het weer wat anders, ofschoon ook zij het kruis als symbool gebruiken; het is een staand kruis, dat evenals alle voorgaande voorbeelden, gelijkarmig van uitvoering is.

Voor deze denkers is het geheel een symbool van de kracht. Men zegt dan ook: In de mens woont het leven – dat dus niet als een functie van het hart wordt beschouwd, maar eerder een vreemde boven stoffelijke waarde is, die in de materie toch mede verweven is. Zoiets als prana. Naast deze kracht bezit de mens uithoudingsvermogen, daadkracht, vaardigheid. De algemene levenskracht en de levensuiting in de mens worden nu gescheiden door de inwerking van de vormende goden. Men stelt zich voor, dat de goden steeds weer in de materie kunnen nederdalen in een hen eigen vorm, als bv. Bel, die als een bliksemschicht zich op tempels en wereld pleegt te storten. Zo vormen de goden een soort van wezens, die, ofschoon levende buiten de wereld, daarin af plegen te dalen en dank zij dit afdalen ook daadkracht kunnen bezitten, daar zij zich dan aan de vorm en de beperking onderwerpen.

Bij de Isispriesters van de vroegste inwijding vinden wij een kruis, dat meer aan het christelijke doet denken: De laagste arm is driemaal de lengte van top en zij armen elk. Bij het symbool, dat dit kruis voor hen vormt, wordt o.m. gezegd: het totaal der ontwikkeling wordt geleid door de goden tot wij bereiken. De inwerking enerzijds van de rechtvaardige – de wijsheid – en anderzijds de inwerking van de vorst der duisternis – het kwade, de heer der onderwereld, begrenst het pad der mogelijkheden. Eerst wanneer de ziel zich tussen deze beiden bevindt en in zich beiden tot evenwicht weet te brengen, heeft zij de mogelijkheid verworven om eeuwig te worden. De eeuwigheid van haar zijn is dan maar een derde van het geheel, dat zij kent als stoffelijk bestaan. Dit laatste klinkt misschien even wat vreemd. Maar indien u zich realiseert, dat men daar ook reeds sprak over de drie voertuigen, waarvan er slechts één na de dood het werkelijke leven bevatte, terwijl de anderen eerder schijnvormen of woningen zijn, waarin het werkelijke leven zich kan uiten, zo zult u ook begrijpen, hoe juist dit volgens hun leer gesteld is.

Immers, alleen dat ene deel van het wezen, dat wij nu ziel noemen, was waarlijk onvergankelijk. Al het andere zou teniet gaan op den duur.

Met dit alles heb ik natuurlijk nog niets gezegd over de vele min of meer christelijke uitleggingen, die men aan het kruis geeft. Toch hebben wij reeds met het voorgaande aangetoond, dat het kruis een algemeen gebruikte kosmische aanduiding van het leven is, en als zodanig bruikbaar is om haast alle verhoudingen, waarin het natuurlijke en stoffelijke, plus het bovennatuurlijke of geestelijke, tot uiting komen, te omschrijven en vast te leggen.

Nu is de waarde van een symbool nimmer in de voorstelling zelf gelegen, maar wordt bepaald door de associaties, die het in de beschouwer wekt. Bij de christenen is helaas de associatie, die rijst bij het zien van het kruis maar al te vaak: “Onze Heer en Meester heeft voor ons geleefd en is voor ons gestorven. Hij heeft aan het kruis geleden en verloste ons door Zijn dood.” Volgens mij zou men er beter aan doen, het eerder te zien als de openbaring, waarbij het goddelijke zich vanuit zijn drie-eenheid aan de mens openbaart en het de mens mogelijk maakt op te gaan tot het goddelijke, tot hij zich in het midden van de drie-eenheid, al kennende en beseffende, in het ware koninkrijk Gods bevindt. Maar ja, men is in het christendom zelf nu eenmaal niet zo heel erg gul met esoterische uitleggingen. Want in het christendom, zoals in menige andere godsdienst, is de esoterie niet een weg, waardoor je beter beseft, wat God is, maar eerder een bijna verborgen en mystieke waarde, die alleen voor ingewijden geschikt is en waarvan men vooral het gewone volk verre moet houden.

Nu kan ik het de leiders van de godsdiensten niet kwalijk nemen, want op de wereld is een godsdienst over het algemeen ook een vorm van gezag. En waar eenmaal een gezag zichzelf tracht te handhaven, is een vrije uitlegging en beleving niet meer aanvaardbaar, omdat zij verbrokkeling en verdeeldheid brengt, waardoor de bestaande wereldlijke macht uiteenvalt in verschillende kleine groepen, die in machteloosheid t.a.v. de wereld en elkander, blijven strijden over de vraag, wie nu het meeste gelijk heeft.

Toch moeten wij de mystiek en het mysterie van het kruis in het christendom zeker niet geheel over het hoofd zien. Het kruis wortelt in de aarde, of beter gezegd in de oerrots. Of deze rots nu de naam Golgotha draagt of materie wordt genoemd, maakt in vele gevallen geen verschil. Dat kruis rekt zich omhoog. Wanneer wij Jezus zien, die in vele gevallen hangende aan dit kruis wordt afgebeeld, dan valt ons op, dat Hij staat op en soort blokje of aan de stam van het kruis zelf is vastgenageld, maar altijd op enige hoogte – meestal een derde van de onderste stam, boven de rots, de materie. Wij zien verder, dat de armen schuin omhoog zijn gestrekt, maar toch enigszins de indruk geven, dat zij gelijktijdig de wereld willen omhelzen. Bij een verder bezien, treffen wij boven het hoofd, dat veelal gebogen is naar de wereld, de naam, het inschrift; meestal is dat het bekende rolletje met de eerste letters van de spreuk: Jesus Nazarenus, Rex Judeorom – Jezus de Nazerener, koning der Joden – het inschrift dat Pilatus, wat spottend vooral met de priesters, die de dood van Jezus eisten, op het kruis zou hebben laten aanbrengen.

Proberen wij ook hierin de mens te zien, dan kunnen wij zeggen: zodra de mens zich verheft boven het materiële, vindt hij steun in de smart. Het is zijn conflict met leven en wereld, waardoor hij in staat wordt gesteld de armen enerzijds tot god omhoog te richten en anderzijds toch de wereld te blijven aanvaarden. Er is hier sprake van een bewuste aanvaarding van het kruis, zegt dan ook de christenheid in wezen. Wanneer gij in uzelf de liefde kunt bewaren, terwijl gij, ontrukt aan het zuiver materieel denken, toch het lijden van het leven aanvaardt omdat het u verheft, zo zijt gij gekroonde, koning. Gij verheft u dan boven de materie en kent de eeuwigheid. Ofschoon dit zeker geen algemeen gangbaar beeld is, krijgt toch een voorstelling als deze in delen van het christendom wel degelijk gestalte. Er zijn kloosters, waarin het zogenaamde kruisgebed een betrekkelijk belangrijke plaats inneemt bij de devoties. Deze kruisigen als het ware zichzelf door in de kruishouding op de vloer te gaan liggen. Zij trachten hierdoor een mystieke eenheid tot stand te brengen met Jezus, die immers – staande op de wereld – zich verhief tot in het Koninkrijk der Hemelen en één was met God de Vader.

Een zeer interessante kwestie dus. Nu is het volgens mij niet mijn taak om hier vergelijkingen te gaan maken en gelijkenissen uit te gaan spinnen. Maar wanneer u eens een conventioneel kruis neemt en daarop de 5 puntige ster legt, zo wordt u duidelijk, dat ook dit de mens voorstelt, liggende op- of hangende aan het kruis. Een dergelijk symbool heeft lange tijd bestaan en was het kenteken van een zeer oude esoterische groep, een geheimschool. Wat later zien wij bij groepen, die hiervan zijn afgeleid, op het snijpunt van de kruisbalken de roos afgebeeld, de roos, die de eeuwige, de goddelijke werkelijkheid weergeeft, waarvan alle stoffelijk bestaan alleen maar een afspiegeling vormt.

Elders in christelijke scholen en voorstellingen treffen wij versierselen rond het kruis aan. Meestal zijn dit lettertekens, naar ook wel voorstellingen als speer, ladder, spons, nagelen enz. Wanneer u de plaatsing van deze tekens beziet, zult u ontdekken, dat zij wederom een pentagram vormen. En het pentagram is in wezen het symbool van de mens. De mens mag dan ook, in de goede zin van het woord, proberen de armen ten hemel te strekken, het hoofd omhoog, zijn wereld te omarmen en, voeten wortelende in de chaos, daaruit op te rijzen. Maar de mens zal, geestelijk zowel als stoffelijk, zichzelf in dergelijke voorstellingen alleen werkelijk kunnen vervullen, wanneer er niet alleen van een besef of geste sprake is, maar deze ook een zin krijgen, een eigen betekenis. Het kruis is hiervoor te gebruiken, daar het de eenheid van lijden, dood en herrijzenis weergeeft volgens het christelijke denken.

De zin van het kruis is niet alleen maar het offer, het zou eerder een symbool moeten zijn van werkelijke naastenliefde, van werkelijke broederschap, die geen grenzen kent. Mystiek gezien betekent het: Eenheid en gelijkheid in en met al het zijnde.

Het is een absolute aanvaarding van de goddelijke schepping, uitgebeeld in een kosmisch symbool, dat menselijk geestelijke nevenwaarden heeft gekregen.

Wij kunnen dan verder zeggen, dat het kruis ons aantoont, dat wij een lange weg moeten gaan, voor wij een werkelijk menselijke wereld kunnen betreden. Het geeft weer, dat, zo wij die wereld eenmaal weer verlaten, de afstand tot een volledige vervulling niet zo groot meer is. Ver en niet ver zijn hier natuurlijk maar relatieve waarden.

Het besef, dat wij het grootste deel van de weg achter ons hebben, kan echter in de beproevingen van het leven een grote troost betekenen.

Het kruis is niet alleen voor ons een teken van naastenliefde, aanvaarding en broederschap, maar toont ons ook, dat wij juist door deze zelfde waarden vanuit het goddelijke worden bedacht. Het geeft ons troost en schenkt ons het besef, dat wij, zelfs indien wij als mens en geest nog veel moeten bereiken, voor wij verder kunnen gaan, toch reeds gestegen zijn langs de trappen der bewustwording.

Daarom juist noemt men in andere groepen het kruis ook wel eens “de verkorte levensboom”. De levensboom wordt, zoals u zult weten, opgebouwd uit drie “hoofdpaden”, twee aan de kanten en een in het midden. Nu is de middenweg juist de werkelijke weg van de mens, de weg van liefde, aanvaarding, die ligt tussen de grote, maar voor een mens haast niet begaanbare wegen van rechtvaardigheid en schoonheid. Op deze middenlijn treffen wij een punt of pad aan, dat wij ook wel Messias noemen. Je zou dit het punt van de verlossing kunnen noemen, want indien wij op dit punt staan, zien wij, dat naar de goddelijke uiting vanuit dit punt der verlossing twee lijnen schuin omhoog gaan, terwijl de middenlijn zich verheft tot in Kether.

Dit kruis doet, door zijn licht geheven armen, denken aan de levensrune der Germanen, die doet denken aan een mens, die staat met de handen omhoog gestrekt. Men zou zowel deze rune als ook de doodsrune als kruisvarianten mogen beschouwen. In beide gevallen geeft men daarmede het zijn, de mens, weer in de verticale lijn, terwijl de lijn in het horizontale vlak hier naar boven wordt afgebogen om het ontvangen van kracht, leven weer te geven, terwijl bij de doodsrune de armen naar beneden zijn afgebogen en zo een afgeven van kracht, een krachteloosheid, wordt uitgedrukt. De stervende immers gaat onder in de wereld en wordt opgenomen in de totaliteit van het zijn. Kerende tot eenheid met de aarde wordt hij tot plant, bloem, tot regen, of deel van de stromende rivieren.

Maar de mens, die nog stoffelijk leeft, moet zijn geest “opwaarts” zenden en zal daarin de kracht van het leven vinden. Afbeeldingen als de runen zijn door christenen vaak als heidens gediskwalificeerd. Ik wijs er daarom nogmaals op dat, lang voor het kruis in Rome, naast de vis, als symbool voor Jezus werd gebruikt, het in de gehele wereld in gebruik was. Wij vinden het kruis, ook het runenkruis, bv. in Indië en zelfs nu nog als bestanddeel van bepaalde Chinese lettertekens, waar het teken “mens” schijnt te beduiden, terwijl een soortgelijk teken in het z.g. wampum beeldschrift van de indianen in Noord-Amerika voorkomt. In het zuiden van Amerika vinden wij het vaak terug als een symbool, dat kennelijk met de goden in verband staat, als bv. de gevleugelde slang, die strijd en eeuwig leven betekent. Het kruis is dus waarlijk algemeen zeer oud.

Maar wat is het ware kruis? Uzelf. De mystiek van het kruis wordt eerst werkelijkheid, wanneer wij  de krachten, die het kruis uitbeeldt, bij onszelf ervaren. Ik besluit dan ook mijn betoog met opmerkingen over de mystieke betekenis van de mens in het kruis.

Wij stijgen met het hoogste deel van ons ik tot aan de grenzen van de goddelijke werkelijkheid.

Zeker, wij zijn slechts de spiegeling, de schaduw van iets, wat in de eeuwigheid voortdurend bestaat, maar dat neemt niet weg, dat wij in ons huidige wezen reeds tot aan de grenzen van deze werkelijkheid reiken. Daarom rijzen wij vanuit de materie, het gestolde wezen van de chaos, tot aan de Kracht, die alles vormt en tot stand brengt. In onszelf zijn wij echter gehouden, alles wat in die goddelijke werkelijkheid erkend wordt, uit te drukken.

Wij kunnen dit slechts, wanneer in ons bewustzijn de verbinding tussen stofbestaan en het hoogste bestaan voortdurend in stand wordt gehouden.

De motivering van onze gedachten en daden moet gelegen zijn in de erkenning van een goddelijke waarheid, een werkelijkheid. Gelijktijdig mogen we de wereld niet ontkennen. Wij zullen de krachten, die wij vanuit het goddelijke verkrijgen en in onszelf en onze wereld erkennen, van ons moeten doen uitgaan naar die goddelijke werkelijkheid.

De mens als kruis krijgt dan de vorm van het z.g. graalkruis, gebruikt in de middeleeuwen, dat er ongeveer uitziet als een 3-armige kandelaar, waarbij de middelste kaarsdrager slechts iets hoger staat als beide buitenste armen. In bewustzijn en wereld moet immers de mens de goddelijke werkelijkheid a.h.w. afbeelden. Hij kan dit niet alleen in eigen wezen, doch zal tevens besef van eigen wereld moeten bezitten. De mensenwereld is voor een groot deel waan. Maar voor de mens is deze waan een beheersbare werkelijkheid.

De mens kan in de wereld zien, wat hij wil: Het goede en Lichtende of het slechte. Iedere mens reikt vanuit materie tot God. In het punt van eigen bestaan – het snijpunt van de kruisbalken – zal hij een afbuiging tot stand moeten brengen naar God. Wanneer ik God zie in mijn wereld, wordt God voor mij wezenlijk. Mijn wereld wordt dan voor mij een steeds concretere weergave van de Goddelijke Werkelijkheid, die ik bereik.

image_pdf