Priesterschap

image_pdf

20 november 1966

Aan het begin van deze bijeenkomst wil ik nogmaals duidelijk stellen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ons onderwerp voor heden is: Priesterschap.

Priesterschap is, maatschappelijk gezien niet alleen een zeer typisch, maar ook een zeer belangrijk verschijnsel. De mens heeft namelijk de behoefte te communiceren met iets, wat hoger is dan hijzelf. Hij voelt zich getrokken tot het onbekende en wil in dit onbekende een zekerheid verwerven, die hij zelf niet bezit en naar hij meent ook hem niet door zijn eigen wereld gegeven kan worden. Hij zoekt bescherming tegen onzekerheid en het onbekende bij een God of een stelling, die beiden door hem verheven worden boven alle menselijke denken en boven alle redelijkheid. Om deze dingen voor zich meer waar te maken, stelt men dan verkondigers aan, die anderen eveneens van de waarheid van het gestelde of de macht van de God moeten overtuigen. Ik weet wel, dat vele priesters in deze dagen menen door God tot hun werk geroepen te zijn. Maar hun aanstelling en macht danken zij in ieder geval aan de mensen. Vandaar dat wij het priesterschap ook kunnen bezien als een maatschappelijk verschijnsel, waarbij geldt, dat de priester een evenwicht gevende factor is door het scheppen van zekerheden en compensaties, via zijn verkondiging van een God als machtiger dan de wereld der mensen zelf.

Het is echter moeilijk het priesterschap precies te omschrijven. Wanneer het werkelijk goed is, moet een mens, die priester is, geladen zijn met de “Kracht Gods”. Hij moet een verbondenheid gevonden hebben met het Hogere – waarbij het dan verder nog niet eens zo belangrijk is, of die verbondenheid nu echt is of niet-. Het is slechts belangrijk, dat degenen, die tot de priesterstand behoren, zozeer van hun band met een God overtuigd zijn, dat zij deze zekerheid kunnen overdragen op de mensen rond hen. Om dit te kunnen doen, heeft de priester echter weer behoefte aan vormen van magie, aan riten, een kerkelijk gezag en bronnen, waaruit hij gezag en leer kan putten.

Het allereerste priesterschap, dat wij tegenkomen op aarde, doet de moderne mens vreemd aan. Het is een vorm van sjamanisme, waarin de priester zijn macht niet ontleent aan geschriften, maar vooral gezag heeft, omdat hij een soort buitenbeentje van de stam is. De eerste eis tot het uitoefenen van macht was wel ‘gescheiden zijn’ van de verdere gemeenschap. De priester was dan ook in die dagen iemand, die buiten de gemeenschap stond, meestal afgezonderd van de stam leefde en alleen op de voorgrond trad, wanneer er problemen rezen, die met louter kracht niet op te lossen waren. Waar kracht nodig was, waren er de sterksten van de stam, die tevens de stamhoofden waren. Maar wist men geen raad meer en meende men met louter kracht niets te bereiken, dan ging men naar de sjamaan, die sprak met de voorvaderen of de geesten der natuur, die geesten van de jacht op wist te roepen en kon ruiken in welke richting men de kudden kon vinden, waarop men wilde jagen. Door deze gaven stond de sjamaan gelijktijdig boven en buiten de maatschappij, waarvan hij deel uitmaakte.

Dit nu heeft een blijvende indruk gemaakt en bepaalt zelfs nu nog enigszins de relatie tussen de mens en zijn priesters. Waar je ook gaat, van het verre verleden tot de priesterarbeiders uit het Frankrijk van heden, er blijft ergens een geheimzinnige kloof bestaan tussen de gewone mensen en de priesters, die voor hen een contact met god moeten maken. Wanneer je ziet, hoe groot zelfs nu nog de afstand tussen priester en leek is, vraag je je wel eens af waarom. In het verleden weten wij, dat priesters opzettelijk een grote afstand schiepen tussen zich en het volk. Dit was voor hen noodzakelijk, indien zij zich onafhankelijk wilden maken van het gezag van de stamhoofden en later, van de kleine vorsten, legeraanvoerders en dergelijke. Want om hun taak, ook voor de mensen, naar behoren te kunnen volbrengen en ook te kunnen studeren, hadden priesters een status nodig, waardoor zij zich aan een al te strenge controle konden onttrekken.

Hier ligt, naar ik meen, de grote moeilijkheid voor het moderne priesterdom. De macht, het meer zijn dan anderen, berust voor elke priester grotendeels op een pretentie, een onbewijsbare wetenschap en macht. Denk nu niet, dat de priester zijn aanspraken kan bewijzen, wanneer hij maar wil. Telkenmale weer horen wij, ook in de oudheid: “ik zou de waarheid van mijn leer en de macht van mijn God wel kunnen bewijzen, maar mijn God of de goden zijn genadig en verbieden mij dit te doen.” In Alexandrië waren eens een aantal filosofen, die met dit antwoord geen genoegen namen. Zij werkten in het Serpenteum en probeerden uit oude boeken en eigen denken te bewijzen, dat de God van de priesters niet kon bestaan. Zij daagden de priesters uit met een wonder de waarheid van hun leer te bewijzen. Het gevolg was, dat de priesters, onder leiding van hun bisschop, met vele soldaten kwamen en het gehele Serpenteum met alle kostbare boeken, verbrandden en vele filosofen doodden.

Een andere uitvlucht is de volgende. “Ik, priester, zou u de waarheid van mijn leer wel kunnen bewijzen, maar uw ongeloof maakt het mij onmogelijk dit te doen.” Alsof nog bewijzen nodig zijn, wanneer iemand eenmaal gelooft. Overigens is het geen wonder, dat de priesters hun pretenties niet geheel waar kunnen maken. Zelfs Jezus kon dit niet. Hij was een zeer uitzonderlijke figuur en, zo wij over priesterschap spreken, zou ik Hem toch wel aan de top van alle priesters der wereld willen plaatsen. Die Jezus verkondigt de Vader, verkondigt God. Maar nooit levert hij een bewijs, dat het contact, dat Hij met die God zegt te hebben, reëel is. Hij doet wonderen maar een menselijk aanvaardbaar bewijs, dat nu ook alles, wat hij zegt en leert waar is, kan hij niet leveren.

Kan niet. Want een dergelijk bewijs zal, om aanvaardbaar te zijn, moeten passen binnen het kader van de menselijke samenleving en begrijpelijk moeten zijn voor het merendeel van de mensen in de gemeenschap en tijd, waarin het bewijs gegeven wordt. Het moet logisch en onaantastbaar zijn, maar toch aan alle boven gestelde eisen voldoen. Een dergelijke bewijs is haast niet te leveren. Jezus kon de mensen nog door wonderen duidelijk maken, dat hij meer was dan zij en zo aanvaarding van zijn leer door de erkende meerderheid van zijn persoonlijkheid afdwingen. Vele priesters schieten hierin echter zeer tekort. Wonderen kunnen zij niet doen. Zij kunnen praten, maar zelfs dat is vaak niet al te overtuigend. Hun enige uitweg, willen zij gezag blijven bezitten, is wel zich in de plaats van God te stellen.

Menige priester doet dit. Allereerst kerkelijk, waar men krachtens zijn priesterschap zonden vergeeft, mensen toelaat tot het koninkrijk der hemelen of hellestraffen oplegt. Er waren eens zelfs priesters, die tegen redelijke prijs korting aanboden op alle straffen, die men in hel of vagevuur zou moeten uitboeten – mits de betaling contant was-. Van de achtste tot de 14de eeuw waren dergelijke mensen net een soort reizende geestelijke de Gruyter, want zij adverteerden eveneens 10% korting en betere waar voor een ieder, die zo snel mogelijk een aflaat kocht en contant betaalde. Ofschoon dergelijke excessen niet meer voor zullen komen, mag men toch wel stellen, dat de priesterstand langzaamaan haar wezen en taak gewijzigd heeft. De priesters zijn niet meer in de eerste plaats de enige verbinding met het Andere, zoals in de primitieve tijden, maar een klasse op zich, die in de plaats van het Andere treedt en zich vaak zelfs vermeet in de plaats van God als heerser over de mensheid op te treden. Juist deze geesteshouding, die bij vele priesters nog bestaat en zeker ook zijn stempel heeft gedrukt op de houding van de vele kerken, is de kern van de godsdienstige problematiek van deze dagen. Want een priesterklasse, die eenmaal macht heeft geproefd, zal haar gezag zeker niet beperken tot zaken, die alleen met de godsverering te maken hebben. Zij willen regeren, hun haan koning zien kraaien. Zij gaan in de politiek.

Er bestaat een aardig verhaaltje, waarvan ik u enkele fragmenten weergeef. Er waren eens drie koningen, drie wijzen uit het westen. De eerste, koning heette Marx. Hij schudde met het hoofd voortdurend van neen. De tweede droeg de naam Fac. Hij knikte immer van ja en eiste, dat al zijn onderdanen evenzo zouden doen. De derde was de oude koning Demos, die steeds probeerde gelijktijdig van ja en van neen te schudden. Een van hun gesprekken in het verhaal gaat over de rechtvaardigheid, waarmede elk meende zijn land te besturen. Marx sprak: Ik heb mijn leringen en de leerstellingen van mijn geëerde voorvaderen doen vastleggen. Wat immers daarin staat, is zo goed en onaantastbaar, dat alles op aarde zich daaraan moet aanpassen. En als er eens iets of iemand is, dat niet daarin past, wel dan hakken wij eenvoudig zoveel er van weg, tot het wel past.

Ik, sprak koning Fac, voel daarvoor niet zoveel. Het is geen kunst om alles in een vorm te persen, wanneer hij het eerst verminkt; we moeten het weten te versmelten tot het niets eigens meer heeft, tot het alleen nog maar een uiting van de juiste leer is. Ik heb een openbaring ontvangen en daaruit weet ik zeker, dat alles, wat ik doe, voor mij en mijn volk het meest juiste is. Ik vorm nu alle onderdanen door voorzichtigheid en kracht zover om, dat zij dit erkennen en mij gehoorzamen zonder aarzelen en zonder angst. Maar Koning Demos sprak: wij zijn wijzer. Bij ons is het dan ook anders. Iemand, die geheel zeker is van iets, past niet in mijn rijk. Alleen degenen, die overal een voorbehoud weten te maken en steeds weer een compromis weten te sluiten, passen in mijn volk . En wie dat niet doet, zal ik niet wegjagen of verminken, daarvoor ben ik en is ook mijn volk te fijnzinnig. Wij maken het zo iemand eenvoudig onmogelijk nog tussen ons te leven en te werken. Waarheen hij dan wil gaan, is zijn eigen zaak. Want wij geloven in vrijheid…

Wanneer het gaat om de verhouding tussen de mens en God, blijkt haast een ieder een waardig volgeling van Demos te zijn: Men zegt gelijktijdig ja tegen de priesters en neen tegen God. Men erkent de priester en zijn pretenties, omdat men vreest, dat er iets van hetgeen hij zegt, toch wel eens waar zou kunnen zijn. Gelijktijdig houdt men zich niet aan alles, wat volgens geloof een priester eist in het leven van ons, omdat de priester immers voor zijn pretenties geen bewijs kan geven en het dus zo een vaart wel niet zal lopen. Kijk eens naar de staten, die hun grenzen afschermen met rode draperieën, soms van roestig ijzer gemaakt. Hier geldt altijd weer, dat, wat niet uitdrukkelijk is toegestaan, eigenlijk verboden is. Iets is alleen maar toegelaten, wanneer het geheel past in het systeem en het de macht van de heersers niet aantast.

Schijnbaar is dit een groot verschil met het systeem van een godsdienst, maar in feite is het hier precies hetzelfde. De leer van de kerken is suprême. Daarin moet alles, zelfs de priesters, passen. Ook hier eist men, dat alles à priori en zonder redeneren wordt aanvaard, dat de leer onaantastbaar en juist zal blijven. Men is zelfs bereid daarvoor de feiten te ontkennen en de bewijzen der wetenschap te verdraaien of te vernietigen.

U vraagt zich af, of ik juist doe kerken te vergelijken met marxistische staten? Wel, misschien zijn sommige kerken meer fascistisch. Maar democratisch? Neen. Indien u een andere omschrijving verlangt, kunnen wij hoogstens zeggen, dat de kerken theocratisch zijn in die zin, dat zij zich in de plaats stellen van God, zich beschouwen als de grootvizier op aarde van de goddelijke heerser en uit diens naam op aarde wensen te regeren, zonder verder ook maar enige rekening te houden met de werkelijkheid. Tegen dit laatste zou u, op grond van de recente ontwikkelingen, misschien willen protesteren, zeggende: De kerken passen zich toch wel aan en de priesters doen toch ook wel hun best om modern te zijn, om te passen in deze moderne maatschappij. Mijn antwoord is, dat zij dit doen, maar niet vrijelijk. Men geeft toe aan de moderne mens en zijn denken en behoeften op de zelfde manier als men in Oost-Duitsland kwam tot het bouwen van de muur in Berlijn, omdat er anders te veel belangrijke mensen weglopen.

Anders gezegd: De toegevendheid en moderniteit der kerken is eerder een poging zich te verdedigen in een wereld, die hun gezag niet geheel meer wenst te erkennen en waarin het onmogelijk is de pretenties van eens waar te maken en eigen eisen met bewijzen te staven.

Maar als u even achter het masker van toegevendheid en moderniteit kijkt, zult u zien, dat in wezen nog steeds dezelfde letterlijke en kritiekloze aanvaarding van de leer en het gezag, dezelfde discipline – zij het, dat de vorm daarvan milder is geworden – van de gelovigen blijft eisen. Zelfs de dreiging met de hel en het verloren gaan van zieltjes is nog niet van het toneel verdwenen, al is deze vorm van afpersing en afdreiging tegenwoordig veel verfijnder dan in het verleden.

Als je priester bent, onverschillig of men dit uit roeping geworden is dan wel om andere redenen, is men aan dit alles gebonden. Vrij en zelfstandig God beleven en beseffen, is zelfs voor de priester moeilijker dan voor de leek. Want vanaf het ogenblik, dat men eenmaal priester is geworden, heeft men in feite geen recht meer op zijn eigen gedachten. Dit klinkt vervelend en lijkt in tegenspraak met de feiten, maar bevat waarheid. Men mag als priester eigen gedachten niet meer uitspreken, als daardoor leergezag van de kerk en het priesterdom zouden worden aangetast. Is er iemand, die het toch doet, zo wordt hij uitgeschakeld, hetzij door disciplinaire maatregelen binnen de kerk, hetzij door een uitwijzing uit de kerkelijke gemeenschap.

Daarbij gaat het niet alleen om ongeloof, twijfels e.d. Wanneer er een priester is, die zich zozeer één gevoelt met zijn God, dat hij evenals de oude profeten en de apostelen, in de naam van God wonderen doet, zal ook met hem afgerekend worden. Een voorbeeld daarvan is wel, hetgeen gebeurde met een bekende pater in Italië. Deze goede man genas vele zieken door het opleggen van handen. Hij werd dan ook in de hele streek als een heilige vereerd. Dat was de overheden, waaraan hij gehoorzaam moest zijn, niet welgevallig. Hij werd naar een ander klooster overgeplaatst. De gelovigen wisten echter zijn nieuw verblijf te ontdekken en al spoedig verzamelden zich ook daar de zieken en bedroefden om hulp te vinden. Prompt werd de goede pater naar een derde klooster overgebracht, kreeg verbod om nog iemand te genezen – want dit is slechts het werk van de duivel, die u tot hovaardigheid wil brengen – en een verbod zich nog zonder geleide buiten het klooster te vertonen. In feite werd dus deze pater gevangen gezet op welwillende manier, en wel, omdat hij intenser geloofde, en de kracht van dit geloof beter demonstreerde, dan voor zijn mede priesters aanvaardbaar was. Overigens hoeven wij niet te twijfelen aan de goede bedoelingen van degenen, die hem op deze vrome wijze verwijderden.

Want men zou op de duur aan andere priesters misschien dergelijke eisen gaan stellen. En die konden – daarvan was men wel zeker – geen “wonderen” doen. Dit zou het ongeloof bevorderen en een kritische houding tegenover de kerk kunnen veroorzaken, nietwaar?

Wat ons tot de vraag brengt, of men als priester wel een God kan prediken en zich gezag aan mag matigen op grond van deze verkondiging, zonder dat men in staat is zijn woorden met bewijzen te ondersteunen en de macht van de gepredikte God aan te tonen. Men kan natuurlijk het bestaan van God nimmer menselijk redelijk aantonen. Maar als prediker van een dergelijke God kan men toch tenminste laten zien, dat men meer is dan een ander. Jezus bewijst niet, dat de Vader, zoals hij hem predikt, werkelijk leeft en bestaat. Maar Jezus bewijst in ieder geval, dat hij de meerdere is van gewone mensen, die dit geloof niet of niet in voldoende mate bezitten.

Hij geneest zieken, wekt doden op, drijft duivelen uit. Als bewijs lijkt mij dit heel iets anders dan aan komen dragen met een nieuwe catechismus of theologische argumenten.

De priester van heden zou dergelijke bewijzen van eigen met God verbonden zijn moeten kunnen geven. Maar hij kan het niet. Wat nog bitterder wordt, omdat er leken zijn, die het wel kunnen, die wel voldoende op God betrouwen, om dergelijke onredelijke dingen te proberen. Het is voor een priester wel eens moeilijk het feit te verwerken, dat hij medicijnen moet studeren om andere lichamelijk te kunnen helpen, terwijl er doodeenvoudige mensen, nog niet eens echte tovenaars zijn, het zonder al die kennis, onwetenschappelijk ook kunnen. Nog moeilijker is het voor hem, dat in primitieve landen dergelijke genezingen al te vaak worden volbracht in de naam van een concurrerende godheid. Men kan proberen aan te tonen, dat die tovenaars en heidense priesters eigenlijk zwendelaars zijn, maar er blijft genoeg over aan vreemde en onloochenbare verschijnselen, zodat er in de meeste priesters een innerlijk conflict ontstaat.

Langzaam maar zeker zie je in het moderne priesterschap dan ook iets eigenaardig gebeuren.

De priesters nemen, vooral in de missielanden, steeds meer afstand van hun verkondigingstaak. Zij zijn niet meer in de eerste plaats de machtige vertegenwoordigers van God, maar representanten van het mens-zijn geworden. Het is ook begrijpelijk. Men kan God nu eenmaal aan anderen moeilijk kenbaar maken met woorden alleen. Alle verhalen uit evangelie en bijbel zijn voor een neger, of iemand uit de binnenlanden van Brazilië wel aardig, maar dan als sprookjes. Wanneer er voordeel in zit, of als men iemand die men hoogacht, daarmede een plezier kan doen, wil men nog wel doen alsof men gelooft maar innerlijk blijft men eigen goden trouw, die hun macht niet alleen met woorden, maar ook metterdaad kenbaar schijnen te maken.

Wij zien, dat steeds meer de priesters zichzelf als mens waardig moeten tonen, voor men geneigd is het vertegenwoordiger zijn van God ook maar serieus te nemen, laat staan op grond daarvan macht toe te kennen en gehoorzaamheid te betonen. Een probleem, dat steeds meer en niet allen in missielanden, op de voorgrond zal gaan treden. Begrijpelijk overigens. Indien iemand stelt, dat bepaalde economische regels onverweigerlijk juist zijn en dan geen crisis kan voorkomen door de toepassing ervan, zo zal de leek immers zeggen, dat de economie niet deugt en dat ook de economie niets waard is. Moeten wij dan wel verwachten dat een priester iets mag prediken en mag falen bij elk bewijs, zelfs in eigen leven, in de waarheid van hetgeen zij (=dit bewijs) zegt aan te tonen en toch algemeen aanvaard zal worden.

Het is een probleem, dat zeker niet voor de eerste maal op de voorgrond komt. Indien ik n.l. ga zien naar de geschiedenis van de eerste christenen, zo word ik geconfronteerd met mensen, die zich wel christenen noemen, maar die toch wel heel anders redeneren, dan de mensen tegenwoordig doen. Men noemt deze groepen meestal de gnostici, omdat zij uitgaan van gnosis.

Daaronder zien wij b.v. de Orphieten. Deze mensen aanbidden de duivel. Hun redenering is daarbij nog logisch ook. Zij zeggen: Het is de duivel, die ons tot de kennis heeft gebracht, het is hierdoor, dat de Verlosser op aarde kon komen. Zo danken wij het de duivel eigenlijk, dat Jezus ons verlost heeft en deze dank vergt, dat wij de belangrijkheid van de duivel erkennen. Zij vereerden dan ook de slang als een zaligmakend wezen. Anderen stelden, dat Jezus mens was en geen God. Indien hij de drager is van goddelijke krachten, zo is dit op dezelfde wijze gebeurd, zoals dat oude koningen “goden” waren. Jezus was mens, zo stelden zij. En juist omdat hij mens is en toch zo sterk verbonden was met God, maakt hij voor ons waar, dat het goed is als christen te leven.

De kerk meende echter, dat dit niet aanvaardbaar was. Nu had de kerk van Rome wereldlijke macht en hierdoor was men in staat, de Noord-Afrikaanse en Arabische gelovigen en diakenen, ouderlingen en bisschoppen, uit de kerk te zetten en te vervolgen. De Kopten worden bv. zwaar vervolgd door hun christelijke geloofsgenoten, die aan andere rite en formulering gebruiken. En over de strijd tussen Byzantium en Rome zwijg ik maar, daar weet u alles van. Grote christengemeenschappen in N. Afrika werden vervolgd en deels zelfs uitgeroeid – met als gevolg, dat de overblijvenden overlopen naar de islamieten. De islam dankt een groot deel van zijn vroege wetenschappen en zelfs waarschijnlijk veel, van het christelijk element, dat vooral Hussein verbindt aan de uitleg van de koran aan deze eerste overlopers.

De christenen bewijzen niet, dat zij gelijk hebben, maar wel dat zij macht bezitten in deze wereld. De macht van soldaten, niet van de geest. Indien iemand aan kon tonen, dat hij op geestelijk of occult gebied meer waard was, zo erkende men hem eenvoudig niet meer als lidmaat van de kerk, maar vervolgde en doodde hem als “tovenaar”, en verzon na de verdwijning of dood van zo iemand verhalen, waardoor hij ontluisterd werd. Een goed voorbeeld is het verhaal van Simon, de tovenaar. Deze was leerling van Petrus. Hij wilde graag christen worden, maar daarnaast wenste hij de kracht, die, naar men hem zeide, in het geloof lag, ook zelf gebruiken. Hij leerde zo te leviteren. Of dit verhaal geheel waar is, laat ik buiten beschouwing. Zeker is, dat iemand, die meer presteerde dan Petrus, door deze werd neergeslagen, “door gebed”, zodat de duivelen, die Simon door de luchten droegen, wegvluchten en hem lieten neerstorten. Maar indien dit juist is, is Jezus een dwaas geweest. Want Simon, de tovenaar, was christen en deed zijn wonder in de naam van de Vader. Jezus nu zegt tegen de apostelen, die zich luid komen beklagen, dat anderen wonderen doen in de naam van Jezus en van de Vader: “verheugt u dan daarover”.

Maar de apostelen zijn het kennelijk daarmee niet geheel eens en beschouwen de wonderen van die anderen als een soort unfaire concurrentie. Jezus echter wil geen onderscheid maken. Voor Hem is de kracht er voor alle mensen en is gezag geen deel van de leer.

Maar reeds in de eerste 400 jaren van het christendom nemen de wonderen af, terwijl aan alle kanten wordt gestreden om wereldlijke macht. Wij spreken dan nog maar niet over de strijd, tussen de bisschoppen, de tegenpausen in latere tijd, en de rest. Voldoende is het om vast te stellen, dat de leer als zodanig niets meer te maken heeft met de praktijk, dat wereldlijke macht, status, belangrijker zijn dan naastenliefde, geloof en het werken in de naam van God. Zelfs de pauzen trekken uit om zich een rijk te veroveren en doden mensen, om aan hun bisschopsmuts een kroon te kunnen bevestigen. De priesters werden in die tijd binnen het christendom meer strijders, soldaten, dan verkondigers van de naastenliefde. Zij zijn de vertegenwoordigers van een stoffelijke macht, die ergens in Italië haar nederzettingen kent in de stof, maar overal ter wereld onaantastbare dependances heeft. Wanneer men nu ergens in moeilijkheden zit, zal men vaak trachten uit te wijken in de een of andere ambassade. Vroeger zocht men zijn wijkplaats in een kerk. Daar had de wereldlijke macht niets te vertellen. Dat was deel van het koninkrijk Gods en als zodanig extraterritoriaal gebied.

De priesterkasten hebben eeuwen lang – en dit niet alleen in het christendom – het denkbeeld gekoesterd, dat zij meer waren dan andere mensen. Nu kunnen zij eenvoudig niet meer loskomen van dit gevoel, anders en meer te zijn dan een gewoon mens. Misschien dat zij nu stellen, dat het anders zijn niet in hun persoonlijkheid ligt, maar alleen in de wijding, die zij ontvangen hebben, of zij menen, dat hun anders zijn het gevolg is van de theologische kennis die zij hebben opgedaan, maar bewust of onbewust blijven zij zichzelf en de wereld voorhouden: Ik ben anders…

Nu kan men spreken over een priesterdom in de branding. Een priester van vandaag kan zijn mensen haast nooit meer werkelijk bereiken. Of hij nu dominee, pastoor of bisschop is, hij staat ergens buiten de wereld van de gewone mensen. En dit in een wereld, die steeds meer een wereld van de massagemeenschappen begint te worden. De kleine groepen vallen uiteen. Enige tijd geleden konden de verkondigers van de leer nog gezag ontlenen aan het feit, dat zij met de notabelen gezamenlijk aan tafel plachten te zitten. Maar ook dit is voorbij. De priester van heden staat als eenling in een grote groep, waarin hij weinig of niets te betekenen zou hebben – althans in merendeel – wanneer hij zich niet zou kunnen vasthouden aan zijn exceptioneel zijn, zijn anders zijn. Het gevolg is echter, dat hij ook steeds meer verleert de taal te spreken van degenen, die deel zijn van die massa. Ik heb mij laten vertellen, dat hier te lande niet zolang geleden iemand op christelijke wijze heeft getracht te spreken met een groep provo’s. Hij en de zijnen konden echter geen afstand doen van hun gevoel van meerwaardigheid, hun behoefte om, zonder te bewijzen, te onderwijzen. Hierdoor – is de proef wel zeer eigenaardig verlopen. Wat begrijpelijk is. Want de christelijke leraar, die met de provo wil spreken over christendom, moet niet alleen priester, verkondiger, maar ook …. provo zijn. Zoals de priester, die spreken moet met de arbeiders, om verstaan te worden, arbeider zal moeten zijn. Zoals een priester, die wil spreken met regeerders, in de eerste plaats een staatsman zal moeten zijn. Want zodra men zich buiten en boven de gemeenschap plaatst, wordt men niet meer begrepen.

Er is, ook in het priesterdom, behoefte aan een steeds grotere specialisatie, want er is, indien men zijn leer aanvaardbaar wil maken en zo de mensen wil brengen tot het volgen van de leer in hun gedrag etc., wel zeer veel te doen. Men is echter niet in staat te overtuigen. Men tracht nu dit tekort op te heffen door zich meer en meer in de politiek te begeven en zo macht uit te oefenen. Hierbij komt nog, dat politiek en godsdienst veel gemeen hebben. Je kunt van een hoop vaagheden uitgaan en kunt veel beloven, zonder genoopt te worden de beloften ook onmiddellijk waar te maken, terwijl men daarnaast zeer veel kan verkondigen, zonder dat onmiddellijk ook geëist zal worden, dat men zijn stellingen bewijst. En de voornaamste parallel voor velen: Je kunt daarmede macht uitoefenen. Wij zien langzaam aan een verschuiving bij zeer vele priesters in de richting van de sociale werkzaamheden of de politiek. 60, 70 Jaar geleden was, zo er al politiek door priesters werd bedreven, dit een zich aansluiten met alle macht bij de machtigen, de bezitters. De enkele uitzondering hierop trachtte toch met de bezitters op goede voet te blijven, door als bemiddelaar op te treden. Nu is de politiek van de kerkelijken in de eerst plaats wel gericht op het verwerven van aanhang bij, en gezag bij de eenvoudige mensen; het politieke streven echter is geen doel in zichzelf, het is een machtsmiddel, waarbij op de achtergrond de wens schuilt het gedrag van de mens zozeer te bepalen, dat men hem ook geestelijk kan vangen. Dit klinkt onaangenamer dan het is. De christenen proberen immers met alle middelen, hun eigen leef en denkwijze op te leggen aan anderen. Een voorbeeld van een dergelijke maatschappij kunt u aantreffen in het Spanje van deze tijd.

Hier domineert de kerk het geestelijk, sociale, politieke en zelfs economische leven grotendeels. Zo er daar veranderingen komen, zal dit uit de kerk zijn en niet uit de staat of de massa. In Italië begint de kerk steeds socialer te denken en steeds vrijzinniger te handelen, ofschoon zij ook hier geen meerderheid heeft. Haar vrijzinnigheid is het gevolg van het feit, dat zij hier zeer sterke communistische groeperingen tegenover zich vindt. Ook hier gaat het in wezen om de macht. Uit dit alles kunt u wel begrijpen, hoe moeilijk het voor de kerk en de priester is geworden zich zonder politiek te redden. Zij heeft macht nodig om haar stellingen aanvaardbaar te maken, die zij op geen andere wijze voldoende en overtuigend kan bewijzen. Als een pastoor in Italië te weinig doet, te weinig actief is, lopen zijn gelovigen naar de communisten over, die ook wel veel meer zeggen dan zij doen, maar tenminste nog actief zijn en een redelijk aanvaardbaar systeem stellen in de plaats van geloof. Dit alles is een feit.

Nu ik de toestand geschetst heb, wil ik terugkeren tot de essentie van het priester-zijn volgens de geldende opvattingen. Een priester is een door God geroepene. Hij zal niet noodzakelijk als mens buiten de mensheid en haar gemeenschap hoeven te staan, maar zal een bijzondere verbondenheid met God moeten bezitten, waardoor hij in staat is uit die God te presteren. Maak hier een vergelijking met de profeten. Ook van hen kan worden gezegd, dat zij vaak politici en handige kerels waren. Maar zij hadden iets, een kennis, een macht, die anderen niet hadden.

Zij dreigden niet allen met een strafgericht Gods, maar zagen hun profetieën ook altijd weer waar worden. Dit is wel de eerste reden, dat Jonas zo boos wordt, wanneer Ninevé gespaard wordt voor de ondergang, die hij net verkondigd had – in eigenland zowel als in Ninevé. Hij had het gevoel, dat hij in zijn hemd stond, dat God hem in de steek gelaten had, dat zijn gezag weg zou zijn.

Ook de heidense priesters deden eveneens voorspellingen, brachten tijdingen, voor iemand anders er van kon weten In Egypte zien wij, dat de priesterschappen van verschillende goden hun roep baseren op de wetenschappelijke kennis, die zij bezaten. Priesters in de oudheid waren altijd weer mensen, die meer konden dan anderen – al was het ook alleen maar lezen en schrijven. De genezers waren priesters. De sterrenkundigen: priesters. De bouwkundigen waren voor 99% priester. De kunstenaars waren voor 60% priesters. Dergelijke mensen waren dus reeds vanuit zichzelf en door eigen kunnen iets bijzonders in hun maatschappij. Dit gezag was dan over te dragen op de goden en de tempels. De priesters hadden een sociaal belangrijke functie en konden die allen bekleden – in de ogen van de eenvoudige mensen – dank zij de godheid, die achter hen stond. Nu worden echter alle mensen onderricht. Nu zijn leken specialisten op wetenschappelijk terrein.

De eerste christenen, vooral hun priester, waren ook door hun buitengewone moed bekend. Zij namen grote risico’s en deden vaak kleine wonderen. Het is hierdoor, dat zij de patriciërs konden overtuigen, zelfs al moesten zij hierdoor rijkdom en zelfs het leven vaak verliezen. De nuchtere Romeinen, zeker de rijken, zouden dergelijke priesters nooit gevolgd zijn alleen op grond van enkele woorden. De verkondigers van het christendom brachten in die dagen veel meer dan woorden: Zij brachten overtuigende gebeurtenissen, zij brachten een vrede des harten. De priesters van heden echter bezitten deze mogelijkheden niet. In de middeleeuwen waren de priesters de geleerden. Zij waren het, die genezing brachten, die door hun landbouwexperimenten de mensen in staat stelden betere oogsten te verkrijgen. Zij waren de leermeesters, de beheerders van alle scholen. De priesters van heden bezitten een dergelijke uitzonderlijke positie niet meer.

De priester van heden staat zonder dit reeds à priori en met redenen aanwezige gezag in de wereld. Hij moet prediken. Maar wonderen kan hij niet doen. Hij kan de mensen alleen nog overtuigen door het vuur, dat er in hem brandt, door de kracht, die hij uitstraalt. De priester van heden kan alleen nog zijn taak vervullen, wanneer hij er in slaagt, zelfs zonder riten en uitzonderlijke kleding, alleen door het bewust dragen van God in zich, indruk te maken op de mensen. Daarom is het niet de taak van de priester zichzelf buiten en boven de mensheid te stellen, maar om God in zichzelf boven alles te stellen. Dit is een van de moeilijkste opdrachten, die men een mens kan geven. De priesters falen daarin dan ook steeds weer. Toch zijn er vele mensen, die tenminste de poging zouden willen wagen. Maar het aantal priesters neemt steeds af, er is een steeds groeiend tekort aan priesters. Dit is alleen te verklaren voor het feit, dat men aan de priesters verkeerde eisen stelt, omdat men eenieder, die een dergelijke taak zou willen proberen te volbrengen, geheel los wil weken van het mens-zijn. Maar je kunt een mens niet tot een god maken. De priester, die toch probeert zich van de mensen los te maken, zweeft als een kerstengel in een oude pantomime hulpeloos aan een koord van leerstellingen boven de mensheid, zonder ooit de wolken te kunnen bereiken, waarin hij eigenlijk zou moeten verdwijnen.

Zo iemand weet soms geen raad meer met zichzelf. Om zichzelf te redden van een gevoel van nutteloosheid, wordt men dan strijdvaardig en wil de massa onder zich bewijzen, dat men meer is, meer weet, meer waard is. Dan komt men tot verbluffende uitspraken, dan bedelt, men voor de missies in oost en west, collecteert men voor arme kinderen, melaatsen, mensen in hongersnoodgebieden. En men doet zeer veel goed. Maar zo iets overtuigt niet van de noodzaak van het priester-zijn. Uiteindelijk wordt door zovele anderen gebedeld, wordt alles, wat de priester doet om zichzelf zijn bestaan te rechtvaardigen door duizenden niet christelijke instanties ook gedaan. Wanneer een priester begint te strijden voor de rechten, die volgens de naastenliefde, mensen aan mensen moeten geven, zo is hij wederom geen uitzondering. Vele mensen, die misschien, niet eens tot een kerk behoren, hebben de zelfde noodzaken gezien, begrepen, en hebben evenzo gestreden voor wat hen juist lijkt. De priester is zelfs niet meer de bron van genade, de uitzonderlijke verdediger van een hoger recht. Het enige wat hij nog kan doen, is de mensen te paaien, opdat zij hem aardig zullen vinden, of de mensen aan te vallen om ze zijn eigen, desnoods dwaze, wil en inzichten en wil op te dwingen uit angst voor de hel, die hij predikt. Alleen zo kan een verkondiger, een priester, in deze dagen het gevoel nog hebben, iemand van belang te zijn.

Onder u zijn ongetwijfeld zowel mensen, die priesters haten als mensen, die priesters aardig en zelfs noodzakelijk vinden. Maar hebt u er wel eens over nagedacht, hoe moeilijk het zal zijn voor deze mens om ergens buiten de mensheid te staan en er toch deel van te moeten zijn? Beseft u hoe moeilijk het is met een schijn van zekerheid naar buiten toe God te moeten verkonden, met Gods woord allen te troosten en te raad te geven, en gelijktijdig in jezelf uit te roepen: God, waar ben je? Dat is een moeilijk leven. Daarom moet men volgens mij groot respect hebben voor deze mensen en soms zelfs enig medelijden. Maar boven al zal men toch moeten constateren dat het moderne priesterschap te kort schiet. Er is in de wereld geen behoefte aan vrome woorden, zegeningen en het pseudo-mirakel van de transsubstantiatie bij de mis. Er is geen behoefte aan uiterlijke teken als het water van de doop, waardoor, naar de woorden van de priesters, een zieltje wit gewassen zou worden. Dat zijn mooie gebruiken, die enkel binnen de kerk misschien nog hun betekenis hebben.

De wereld van heden heeft echter behoefte aan iets anders. Aan een priester, die de mensen God kan laten ervaren. De mensen hebben behoefte aan God, niet aan priesters. En dit geldt bij ons zo goed als elders. Onze behoefte in de geest is eveneens een behoefte aan God, aan beleving, niet een behoefte aan explicaties. Wij hebben behoefte aan de overtuiging van het wonder, niet aan de redenering. Daarom kan ik dit onderwerp kort besluiten door te zeggen: Wanneer de mensen niet leren, dat zij moeten werken met de kracht in zichzelf, dat zij moeten werken met de God, die zij in zichzelf vinden, zullen zij aan hun eigen worden ten gronde gaan.

Want vrome woorden kunnen tot een gif worden, dat de ziel wegvreet, wanneer er niet iets achter staat. De woorden maken je dood voor de werkelijkheid, voor de werkelijke God, die bestaat en laten je niets anders over dan een uiterlijk geraamte, een soort chitinepantser van menselijkheid, waaruit alle besef van eeuwig leven en zijn verdwenen is.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

De Heilige Geest

De heilige geest is geen mannetje en ook geen duifje. Tussen haakjes: Wanneer hij werkelijk een duifje zou zijn, zou het in menige grote stad langzaamaan erg gevaarlijk voor hem worden.

Neen. De H. Geest is eigenlijk een goddelijke emanatie. De mens gaat uit van God als de drie-eenheid: De Vader, de Zoon en de H. Geest. Maar is die H. Geest nu werkelijk een aparte persoonlijkheid, zoals hierdoor wordt gesuggereerd?

Indien men echter een juister beeld van de Drievuldigheid en de H. Geest wil hebben, zal men dit kunnen vinden in sommige afbeeldingen van Indische goden. Daar zie je bv. Vishnoe. Maar loop je er om heen, dan zie je opeens boven dit zelfde lichaam het aangezicht van Brahma en ga je verder, dan zie je het aangezicht van Shiwa. Er zijn 3 gezichten, maar het is één en dezelfde figuur. Naarmate je jezelf verplaatst, verandert het uiterlijk, zie je een ander. Op deze wijze zie ik nu de H. Drievuldigheid. Ik meen dan ook, dat de H. Geest slechts één aangezicht Gods is. De Vader is voor ons het beeld van God, het gezicht van een god, die schept, tot stand brengt, de machtige. De Zoon is voor ons God, zoals hij in ons leven merkbaar zou kunnen worden, voor ons bruikbaar en begrijpelijk zou kunnen zijn. De Heilige Geest is die zelfde God, wanneer wij Hem in onszelf ontmoeten.

Daarvoor zijn m.i. geen wonderen nodig, geen stormwinden en geen vurige tongen, al zijn dergelijke verschijnselen natuurlijk wel een aardige feestverlichting voor een Pinksteren. Maar die dingen maken de H. Geest niet uit. Wat was er op dit pinksterfeest aan de hand? De mensen worden losgeslagen van hun remmen, zij spreken in vreemde talen, zij vinden moed, waar zij die niet bewust bezaten. Hun persoonlijkheid schijnt daarom voor de beschouwer te veranderen.

Maar is dit nu werkelijkheid? Die mensen hebben geen van allen een taal gesproken, die zij nog nooit ergens gehoord hadden. Zij hebben, ook geen moed gevonden, terwijl zij hun gehele leven te voren kruipende lafaards geweest waren. Deze mensen werden anders, omdat alles, wat in hun wezen positief was, opeens tot uiting kwam. Misschien kun je daarom de H. Geest het beste als volgt omschrijven? Hij is het aangezicht Gods. Dat, wanneer wij het in onszelf beleven – onverschillig hoe of waar -, al het positieve in ons wakker roept en tot uiting brengt. Vandaar, dat deze Heilige Geest zovele dingen doet. Hij komt in een mens tot uiting en laat de mens profiteren. Is het de geest van die mens, die daarvan allereerst profiteert? Volgens mij niet, het is allereerst zijn stoffelijk wezen. Haar het is de ontmoeting met die Kracht, welke hem in staat stelt, van alles, wat in zijn eigen wezen aanwezig is, te profiteren.

Men zegt, dat de H. Geest neerdaalt. Mij doet dit vreemd aan. De stoffelijke voorstelling van deze dingen past mij ergens niet. De H. Geest is voor mij overal tegenwoordig, zoals men van God zelf zegt zonder beperkingen, overal. Want de begrippen God en H. Geest zijn volgens mij één en hetzelfde. Maar wanneer wij God innerlijk ontmoeten, zo noemen wij hem de H. Geest, omdat het iets is, wat zich schijnt te mengen met onze eigen geest, een heiliging van ons wezen door een kracht, die zich schijnt te vermengen met ons weten, ons denken, met de levenskrachten zelfs, die in ons zijn. De naam H. Geest is toepasselijk, omdat de innerlijke ontmoeting met God een sleutel is, die ons in staat stelt de kamers van verborgen herinneringen in ons wezen te openen en ons deelgenoot maakt van een werkelijkheid, die wij misschien reeds eerder hadden kunnen kennen, maar die wij niet durfden te aanvaarden. Misschien zou je het zelf zo kunnen zeggen: De H. Geest is voor ons de moed, die wij in onszelf vinden, wanneer wij innerlijk een kort ogenblik de eeuwigheid leren kennen.

Wat niet betekent, dat u niet op een andere wijze over de geest kunt denken en spreken, wanneer u dit wilt. U kunt er over spreken in vele beelden, sarcastisch of met eerbied. Maar verandert dit een jota aan het feit, dat de Geest niet thuis geeft, wanneer er alleen naar uiterlijkheden zijn, die naar hem reiken? Als je in jezelf God zoekt en gevoelt, dan erken je God in jezelf, of je nu God roept of niet. Dan is de H. Geest er. Iets wat ook in het spiritisme, naar ik meen, belangrijk is.

Het is natuurlijk leuk wanneer een geest je komt waarschuwen. Dan zeg je: “dank je” en vind je het leuk, dat zij zich de moeite neemt tot je te gaan en te zeggen: “Pas op, dat je niet valt over het drempeltje”. Maar wanneer wij God in ons hebben, kunnen wij niet vallen. Dan zijn wij positief, dan zijn wij harmonisch ingesteld. Dan worden dergelijke waarschuwingen overbodig.

Dan kan er niets meer gebeuren, dat ons waarlijk schaden kan. Het is natuurlijk prettig, wanneer je dokter uit de geest kunt consulteren, wanneer je onverklaarbare pijnen in je achterhoofd hebt. Maar wanneer je de H. Geest kent in jezelf – of je nu zelf ziek bent, of een ander wilt helpen – dan weet je, dan kun je. Dan heb je de geest niet meer nodig. In feite heb je alleen God nodig.

En daarmede mag ik deze korte toegift dan besluiten. Onthoud a.u.b. één ding: het contact met de geest is voor u een soort overbruggingsgeld, dat wordt uitgekeerd, tot u God in uzelf hebt gevonden. Meer niet. De geest kan u niet tot God brengen. Zij kan het u hoogstens mogelijk maken God in uzelf te beseffen. De geest kan u niet brengen tot de waarheid. U kunt hoogstens een waarheid vinden in uzelf. Wat de geest voor u doet, kan er toe bijdragen, dat dit sneller en gemakkelijker gebeurt. Maar eigenlijk is het werken van de geest toch maar bijkomstig. Want wanneer je het goed beziet, zijn wij, of wij het weten en willen of niet, een soort profeten van de H. Geest. Wij zeggen: “Hij komt.” Maar wanneer hij komt, moet u hem ontvangen. Wij kunnen het voor u niet doen. En daarin schuilt vaak de moeilijkheid.

0-0-0-0-0-0-0-0

Vragen

  • Is de H. Geest hetzelfde als de persoonlijke God?

Neen. De persoonlijke God is iets, wat wij aanbidden. Het aangezicht Gods, dat wij beleven kunnen, is meestal weer iets anders. Maar er kan een ogenblik komen, dat uw persoonlijke God zozeer in overeenstemming is met de kosmos, zo harmonisch met het Al waarin u leeft, die in u erkent, dat deze persoonlijke God voor u tot de uitdrukking wordt van het werken van de H. Geest in u. Zelfs dan is het beeld echter niet de Geest, maar wel de kracht, die u uit dit beeld verkrijgt.

  • Kunt u iets zeggen over gevoelsleven en verstandsleven in het ervaren van God?

Ik zou zeggen, dat de ervaring van God nooit verstandelijk kan zijn. Wat ook begrijpelijk moet zijn. Het verstandelijk denken en beleven van de mens is gebaseerd op zijn ervaring, kennis en wereldvoorstelling. Nog niet eens op de werkelijkheid van de wereld, waarin hij leeft dus, maar zijn voorstelling daarvan. Wanneer de mens God verstandelijk zou moeten ervaren, zou hij Hem niet kunnen erkennen en aanvaarden, wanneer die God niet zou passen binnen zijn kader van denken, binnen het systeem, volgens hetwelk hij zijn wereld beschouwt.

God moet in zijn voorstellingswereld passen, met het verstand kun je dus geen werkelijke God aanvaarden of beleven. Het enige, wat je met het verstand kunt beleven en aanvaarden – of je het God noemt of niet – is de mens en dan nog een mens, die jou gelijk geeft.

De emotie is iets geheel anders. Wanneer je de redelijkheid verliest, verlies je wel een bepaald gebruik der verstandelijke vermogens, maar gelijktijdig word je van vele beperkingen bevrijd. Wanneer God voor jou een emotie is, verandert Hij u. Hij maakt u door de emotie tot een ander.

Het wonderlijke daarbij is, dat wij door een dergelijke beleving onze verstandelijke erkenning en redeneringen aan gaan passen aan de waarde van deze emotie. Onthoudt a.u.b. dit: verstandelijke beleving en beredenering is altijd weer een voortvloeisel van, een rationalisatie van de emotionele beleving en ervaring.

Hiermede is uw vraag, naar ik meen, beantwoord. God beleven is een emotie, maar een emotie, die ons tot een nieuw besef brengt, dat in ons verstandelijk denken wordt ingepast en onze maatstaven en beredenering veranderen zal. Daarmede is niet gezegd, dat deze beredeneringen daarmede meer waar worden – dat is iets anders. Voor onszelf worden echter de verstandelijke vermogens tot het middel, waardoor wij de emotioneel beleefde band met God kunnen uitdrukken en zo als bewuste mens in eigen wereld blijven bestaan. Dit geldt voor de mensheid. In de geest liggen de zaken iets anders.

  • Ik meen, dat je de emotie in de ratio moet laten opgaan. Hoe kun je anders God in je dagelijkse leven inpassen? Emotie blijft vaag.

Emotie werkt wel door op het verstandelijke vlak, maar neemt daar bepaalde beperkingen en uitwijkmogelijkheden weg. Dit heeft kort geleden nog een van uw politici moeten ervaren. Hij werd boos en sprak de waarheid, zoals hij die zag. Hij heeft zijn woorden later, toen het verstand weer de bovenhand kreeg, natuurlijk terug genomen. Maar het blijft een feit, dat deze man onder inwerking van een emotie – en niet eens een emotie van goddelijke oorsprong – de waarheid sprak , die hij kende en daarbij dingen naar voren bracht, die hij bewust nog niet beseft had, daar zijn verstand hem eenvoudigweg had verboden dergelijk sporen van denken te volgen. De emotie maakte dus in hem dingen wakker, die hij wel bezat, maar nog niet bewust kende en hanteerde.

Denk nu na over hetgeen ik u reeds zei over de H. Geest. Zij ontsluit vele dingen, zelfs de verborgen kamers der herinnering. Nu is de emotie, zover zij zuiver stoffelijk is, wel een zaak van instincten, maar zodra zij geestelijk wordt, is zij eerder een onredelijke beleving. De ratio kunnen wij alleen gebruiken, wanneer wij de beleving hebben gerationaliseerd. Waarbij ik uitdrukkelijk wijs op het feit, dat rationalisering niet betekent: redelijk maken, maar slechts een aanpassen inhoudt aan eigen begrippen van redelijkheid. Het verstand komt dus op de tweede plaats staan. Ik kan u misschien een goede raad geven, waardoor u beter zult begrijpen, wat ik bedoel: Als mens moet je emotioneel leven, dus de emotie tot het belangrijkste maken. Maar uw daden zult u te allen tijde door de ratio moeten laten bepalen.

De zin en inhoud van uw bestaan liggen niet in uw rede, maar in de emoties. Ook om God te vinden, zal men allereerst de emotie van node hebben. Neem de emotie, laat haar uw wezen vormen en vervormen, maar, voor u tot uiting overgaat, dient u dit in te passen in de ratio, zodat u voor uzelf redelijk kunt blijven in alle uitingen en toch emotioneel betrokken kunt blijven in alle beleving. Dat is de oplossing, die ik u, moeilijk als zij is, daar zij veel beheersing vergt, voor dit alles meer praktisch kan geven.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterie:  Godsbegrip

Voor mij is de esoterie niet slechts het innerlijk erkennen, maar ook wel degelijk het onderzoek van een innerlijke wereld. Wanneer wij de macrokosmos bezien, is daarin de kenbare uiting van een Scheppend Vermogen. Indien wij doordringen tot de microkosmos, tot de kleinste werelden, vinden wij er een soort spiegelbeeld van het grote. Want zoals reeds in de oude geschriften werd gesteld: “Voorwaar, dit is waarlijk en te allen tijde waar; wat boven is, zo het beneden is, en dat, wat beneden is, zo het boven is.” Er is een overeenkomst. De wereld van de sterren verschilt weinig van de wereld van het atoom. Maar in ons worden de denkbeelden opgezameld, die voortkomen uit de totaliteit van waarneming en erkenning in vele werelden en misschien vele tijden. Wij bouwen in onszelf dan een wereld, die dit alles omvat.

Wie doordringt in zichzelf, wordt niet alleen maar geconfronteerd met God. Allereerst wel wordt hij geconfronteerd met zijn eigen schepping. Het zijn jouw denkbeelden, jouw voorstellingen, die een wereld maken; in het begin klein, een soort dorp bevolkt met wat mensen en geesten, met wat werkende krachten en demonen. Maar naarmate je verder in jezelf doordringt, verwijdt zich dit alles. Zoals een mens, die opstijgt van de aarde, langzaam de steden klein ziet worden en het land tot een grauwe massa ziet vergaan, waarin een enkele witte streep, een enkele glinsterende lijn aangeeft, dat er wegen en wateren zijn, zo wordt alles klein, wat eerst belangrijk scheen. De grote demonen van eens zijn uiteindelijk kleine, bewegende stippen geworden, als watervlooien, die schaatsen ergens op het oppervlak van het onderbewustzijn. En de engelen, die eens zo hoog in de hemel stonden, zijn mensen geworden als wij, wezens, waarmede je spreken kunt. Waar eens boven je de wolken van het geheim zweefden, is nu een illusie van oneindige ruimte vol sterren, die je uitnodigt tot een reis naar ongekende verten.

Het is moeilijk om in die wereld een bestemming en een gerichtheid te vinden, een doel te kennen; alles, wat in je is, vormt zich even zo zwaar en even zo traag als alles, wat buiten je is.

Er zijn wat onverwacht te kleine impulsen Maar een werkelijk doel, een werkelijke bestemming, droom je je ook in je innerlijke wereld. Die droom noem je God. Het is niet de ware God, die je zoekt. Het is allereerst de erkenning van jezelf. Je moet eerst die kosmos, die je bent, doorgronden, de wetten erkennen, die de loop der sterren regeren, de draaiing van de nevelen erkennen, voor je kunt spreken over de Kracht, die dit alles in stand houdt en voortbrengt.

Je moet leren het onbelangrijke van het belangrijke te scheiden. Je moet de schijnbaar zo intense vlugge en kleine gebeurtenissen en bewegingen ter zijde leren schuiven, om de grote, steeds voortgaande processen in hun werkelijke belangrijkheid te beschouwen, zoals je de wereld en haar bewegen een ogenblik moet uitschakelen en geduldig schouwen om te zien, hoe een ster haar baan trekt langs de hemelen en de sterren gezamenlijk spelende een hemelschrift vormen, waarin vreemde tekens schijnen te verkondigen, wat ongekende schrijvers eens hebben neergeschreven.

De noodzaak is zelferkenning. Zelferkenning ligt in de erkenning van de wetten, die je regeren.

Zelferkenning bereik je door de stromingen te beseffen, die in je eigen wezen bestaan.

Zelferkenning wordt meer waar door de erkenning van alles, wat in jou concreet is, wat ster, lichtende materie is, en wat slechts een ongevormde duisternis blijft, of zelfs wordt tot een trage, glansloze, zelfs de sterren verduisterende stofwolk.

Pas wanneer je dit alles van jezelf weet, kun je misschien verder gaan op het pad. Misschien kun je dan verder komen, tot de schijn van oneindigheid eens doorbroken wordt en de gehele kosmos met al zijn beeldenwerelden en tijden voor jou verschrompelt tot een soort knikker, waarmede je spelen kunt.

Dan, in de totale eenzaamheid, zie je misschien jezelf. Of misschien ontdek je eerst dan werkelijk je eenzaamheid. Want jezelf erkennen betekent nog niet altijd, waarlijk jezelf ontmoeten. Afstand nemen van wat je bent, wat je weet van jezelf, jezelf leren zien, alsof je een vreemdeling bent, die je wat aarzelend en toch vreugdig ontmoet, is moeilijk te bereiken, toch lijkt mij dit de eerste beloning te zijn van al dit innerlijk streven.

Dan gaat de mens echter verder. Je hebt jezelf ontmoet, je kent jezelf. Daar sta je nu, in een onbekende ruimte zonder grenzen, een ruimte die ledig is, waarin alleen de voeten gehuld zijn in een wat onbestemde nevel. Een ledige ruimte, waarin de enige klank de nauw gedempte echo is van je eigen stem. Totale eenzaamheid. Absolute verlatenheid, waarin niets schijnt te bestaan.

Dit ervaren, zonder te vluchten, zelfs een eenzaamheid kunnen aanvaarden, lijkt mij wel de volgende fase.

Door deze eenzaamheid moet je opnieuw heen breken. Je moet gaan beseffen dat dat, wat duisternis lijkt te zijn, in feite levend en tintelend is, intenser van tinteling dan het zonlicht, wanneer het de grond doet trillen van hitte op een warme dag. Licht dat, verborgen in het duister nog, toch een golving van leven is als de weerkaatsing van de ondergaande zon in de golvingen van rijpend graan, wanneer de herfst gaat komen.

Je moet het Licht proeven, ademen, tot je vergeet, wie je bent. Licht en duister moeten versmelten. Want pas als het Ik, als de wereld, die je met zoveel moeite hebt gevonden, ja, zelfs de God die je meent te kennen, zijn opgelost in deze trillende onbekende totaliteit van leven, zal je misschien voor het eerst een deel van je werkelijke God ontmoeten.

Mensen denken, dat je zo maar voor God kunt treden. Maar God is zo onmetelijk veel. Binnen dringen in de levende essentie, die Hij is, is een binnen treden in een kosmos die groter is dan die innerlijke wereld. Het wil weer zeggen, dat je in die grote werkelijkheid allereerst de kleine en schichtige dingen gaat erkennen. Ook hier begin je weer in een kleine wereld, een mierenstaat. Langzaam misschien word je bekwaam tot beter zien, tot het gewinnen van meer overzicht. Dan gaat je besef misschien tot een tuin, misschien leer je zelfs de huizen erkennen, die er omheen staan.

Groter en groter wordt je erkenning, tot je beseft, dat ook God een wereld is, een wereld met eigen krachten en wetten. Zo leer je haast onbewust van jezelf, in die goddelijke wereld, tot dat het besef van de daar heersende totaliteit rijpt en je één begint te worden met alle afzonderlijke beelden, deel van een geheel, een weten dat alle Zijn begint te ademen. Dan ben je rijp om de totale God voor het eerst te ontmoeten en een kosmos van ideeën te beseffen, die toch kan worden uitgedrukt in één enkele gedachte, een kosmos van ideeën, die toch tot uiting kan worden gebracht met één enkel Woord.

U ziet, dat het innerlijk denken tot vele beschouwingen aanleiding kan zijn. Maar zo ik inga in mijn verborgen innerlijke werelden, zo ik herbeleef daarin, wat ik eens droomde, lang gelegen, zo zal het voor u misschien anders zijn. Want er is geen vaste weg. Er is geen vaste, voor allen gelijke band met God te vinden. Er is alleen maar dat ene onzegbare: De liefde, de aanvaarding van een bescherming misschien, maar gelijktijdig ook een vrijwillige aanvaarding, erkenning en onderwerping aan iets, wat je nog niet begrijpt.

Wanneer ik aan mijn eigen ervaren denk, begint de relatie met God als die van een kind met zijn ouders. Een kind, dat gelijktijdig de ouders absoluut vertrouwt en zelfs op zijn wijze lief heeft, maar die ouders gelijktijdig ook haat boven alle dingen in de wereld… Ik meen, dat op elk pad wel het moment zal komen, dat je je God haat met alle haat, die in je is, de toestand, waarin je zou willen sterven en vergaan, zelfs in de diepste duisternis zou willen dwalen en in ondergaan, alleen maar om te laten zien: God, je bent tegenover mij tekort geschoten. Er zijn ook ogenblikken, dat je in diepe dankbaarheid aan niets anders denkt dan aan die God en de gedachte zelf reeds en streling voor je wordt.

Maar dat zijn uitersten. Dat heeft weinig te maken met de normale, alledaagse aanvaarding.

Zoals het kind zich niet afvraagt, waarom de ouders er zijn, hoe goed de ouders zijn. Voor het kind zijn de ouders er voor het kind. Zo vraag je je ook niet af, waarom God er is, of hoe goed God is. Je moet leren met Hem te leven, zoals het kind in zijn relatie met de ouders zich zeker niet bezig houdt met het bestuderen van die ouders en hun werken. Zo weet ik voor mijzelf, dat ik, ondanks mijn vele beden en mijn zoeken, uiteindelijk mijzelf heb gezocht. Ik denk zo, dat, ofschoon een ieder een andere weg gaat, elk toch deze kinderlijke relatie met God van node heeft.

Verbonden zijn met God, maar ook gelijktijdig God als zo vanzelfsprekend zien, dat de wereld open ligt voor je experimenten, terwijl God de zekerheid in de achtergrond vormt. Dit lijkt mij noodzakelijk. Dit is m.i. de relatie met God, waarzonder je niet kunt, ook wanneer je niet altijd aan die God gehoorzaam bent. Je aanvaardt en eert een God, dat is waar. Maar als ik uit mijn eigen ervaren moet putten, menen wij toch die God op een stille en handige wijze te kunnen bedriegen.

Ook dat is esoterie. Wie op God wil gaan gelijken, zal Hem nooit bereiken, dat is wel zeker. En wie tot God wil kruipen als een slaaf, zal misschien zijn God wel bereiken, maar hij zal Hem niet herkennen. Maar wie zijn God durft aanvaarden, aanvaarden terwijl hij nog doolt in de geheimzinnige werelden van zijn eigen wezen, die God aanvaardt als natuurlijk deel van het bestaan, zelfs wanneer hij soms opstijgt in fantastische werelden, zal tijdens het gaan door eigen wereld en eigen weg zijn eigen duivels en leermeesters ontmoeten. Hij zal daardoor in staat zijn de waarheid omtrent zichzelf te leren kennen, de wijdheid van eigen wezen te ontdekken. En eens zal hij dan ook bewust de God kennen, die hij eens kinderlijk heeft aanvaard en zelfs meende te kunnen bedriegen.

Ziet u, dit is mijn wijze, om esoterie te brengen. Ik tracht iets te laten voelen van de waarheid, die in mij leeft, al is dat moeilijk. Hoe kun je immers een innerlijke erkenning, die gevoelens en herinneringen omvat, een beleving, die 10.000 woorden omvat in een flits uitdrukken, uitdrukken met mensenwoorden, weergeven in een enkel beeld? Maar misschien heb ik u kunnen doen begrijpen, wat voor mij esoterie is. De dooltocht door je eigen wereld en wezen. De dooltocht, waarop je voor jezelf de synthese vindt van macrokosmos en microkosmos. De dooltocht, die je uiteindelijk moet voeren tot de eenzame erkenning van jezelf, waarbij God je gezel is, maar zeker niet je bewust gekozen doel. Maar als je jezelf kent, dan kun je ook je Vader kennen.

image_pdf