Problemen van de overbevolking

image_pdf

 12 april 1968

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Ons onderwerp van heden is een discussie, waarop ik allereerst een inleiding zal geven: Problemen van de overbevolking.   Er is eigenlijk niemand, die u precies kan zeggen, wat overbevolking in feite is – hoe vreemd u dit ook in de oren moge klinken. Is er sprake van overbevolking, wanneer er te weinig ruimte per levende persoon op aarde beschikbaar is? Of mag men dit woord gebruiken op het ogenblik, dat men niet meer de mogelijkheid heeft allen voldoende te voeden? Of mag men misschien reeds over overbevolking gaan spreken, wanneer men met minder leefruimte en accommodatie per persoon genoegen moet gaan nemen, dan nu gangbaar is?

Kortom, zolang geen criterium voor het begrip overbevolking algemeen is aanvaard, kan men daarvan in feite moeilijk in concreto spreken. Wat ons onderwerp enigszins op losse schroeven schijnt te zetten. Ik wil dan ook niet gaan spreken over de vraag, wat men nu als overbevolking kan beschouwen en wat niet, maar wil vooral aandacht wijden aan enkele psychologische en psychische aspecten, die optreden bij een te sterke groei van het bevolkingsaantal. Volgens mij mag je namelijk ook van overbevolking gaan spreken op het ogenblik, dat de gemiddelde mentaliteit het leven in de bestaande massaliteit niet meer aan kan. Waarbij ik graag toegeef, dat dit een zuiver persoonlijk criterium is, zodat u er rustig anders over moogt denken.

Uitgaande van de wijze, waarop de mens ook in het verleden heeft gereageerd op bepaalde ontwikkelingen, concludeer ik, dat altijd weer wanneer de bevolkingsdichtheid zich ongeveer vertwee- of verdrievoudigd had in een bepaald gebied, vanuit dit gebied onrusten ontstonden, oorlogen werden gevoerd, of, bij het uitblijven van strijd en expansie naar buiten toe, er opstanden, natuurlijke oorzaken als ziekten, rampen enz. – door het maken van zeer grote aantallen slachtoffers in de ontwikkelingen -, ingrepen. Er is een overzicht samen te stellen – ik doe dit niet voor u, maar indien u dit interesseert, kunt u dit zelfs reeds doen met het materiaal, dat gemeenlijk in openbare leeszalen ter beschikking staat – van bevolkingsaanwas in bepaalde gebieden en het tijdstip dat oorlogen in of vanuit dit gebied ontstonden. U zult ontdekken, dat de agressie van bv. Rome eerst werkelijk vorm kreeg, toen in dit gebied een zekere bevolkingsdichtheid werd bereikt. Zelfs de grote Mongolenstorm onder Dzengis Khan blijkt als oorzaak een te sterke aanwas van meerdere stammen – en daarmede het ontstaan van een te grote macht – bereikt te hebben. Hierdoor wordt het meer en meer noodzakelijk de onderlinge strijd, die veel kost, weinig oplevert enz. te beëindigen in een bondgenootschap, maar gelijktijdig naar buiten toe tot agressie over te gaan om zo het voor allen belangrijke gezag, de nodige bezittingen en leefruimten te gewinnen.

Men zal misschien willen tegenwerpen, dat de mens van heden veel meer dan vroegere mensen en volkeren aan het leven in de massa gewend is. Maar wanneer ik de mentaliteit bezie, die in de laatste 50 jaren is ontstaan, zo meen ik bij velen te mogen constateren dat op het ogenblik, dit bij een veel groter bevolkingstal, de gemiddelde mentaliteit – niet uiting dus – nog weinig verschilt van de denkbeelden, eisen, verlangens, die de doorsnee mens kende in de jaren 1900 tot 1910. Ondertussen hebben de aantallen bewoners van vele gebieden op de wereld zich echter verdubbeld of meer. Het resultaat is dan ook, dat wij te maken krijgen met een veel sterkere reeks van tegenstellingen in de maatschappij, dan uit de uiterlijke vormen blijkt. De spanning tussen verschillende gebieden onderling is eveneens meer toegenomen, terwijl het isolement van de eenling temidden van de massa haast onvoorstelbaar is gegroeid.

Leven in een gemeenschap is nog iets anders dan leven in een massa, hoe goed deze laatste ook geregeerd wordt enz. Beziet men de moderne steden als leefgemeenschappen, dan valt onmiddellijk op, dat de stadsmens slechts in zeer kleine groepen nog zodanige banden kent, dat van een werkelijk gemeenschappelijk leven en werken in de ware zin van het woord nauwelijks kan worden gesproken. Natuurlijk kennen de mensen elkander wel oppervlakkig en werken zij bv. wel samen in een bedrijf, maar daarmee is het contact dan in wezen vaak ten einde. Na de arbeid begeeft de meerderheid zich naar eigen woning – waarbij men de buren meestal nauwelijks kent, – neemt zo nu en dan contact op met enkele vrienden, die over de gehele stad verdeeld wonen en waarvan men feitelijk ook niet al te veel weet.

Van een werkelijk besef omtrent de noden, noodzaken, plichten, behoeften, mogelijkheden en moeilijkheden van de anderen komt men in wezen niet. Steeds meer mensen blijven temidden van de massa in wezen alleen staan. Hoe groter dit gevoel van isolement in de massa wordt, hoe meer men in de gemeenschap, zover deze nog bestaat, af gaat zien van de werkelijk menselijke relaties en alles zoekt op te lossen door middel van techniek en specialisten. Al is het bijna plagiaat, zo wil ik hier toch opmerken, dat de technieker, de specialist van deze tijd, zo sterk opgaat in zijn eigen theorieën en technieken, dat hij maar al te vaak vergeet, dat deze bestaan om de mens te dienen en dus de mensen niet alleen bestaan om een slagen van een technische ingreep of het toepassen van een bepaalde stelling mogelijk te maken. Maar u zult moeten toegeven, dat het er in zeer vele gevallen in de maatschappij op lijkt, of deze stelling juist kan zijn.

Wanneer u ziet naar bv. moderne woonwijken, zo ziet u daar een opzet en bouw, die vele technische voordelen biedt, ordelijk is, ruimte schijnt te geven enz., maar psychologisch gezien geheel verkeerd werkt. Er is een te grote eentonigheid. Er is een gebrek aan werkelijke ontmoetings- en communicatiecentra. Werkelijk gezellige winkels zijn er niet. Toch heeft men behoefte aan een punt, vanwaar men op eenvoudige wijze met zijn medemensen en buurtgenoten contact op kan nemen, een soort winkel van Sinkel, waar men heen kan gaan met een reden, maar bij het potkacheltje gelijktijdig via een gesprek of desnoods een even luisterend naar anderen, zichzelf kan hervinden. Zoiets bestaat meestal gewoonweg niet meer. U kunt nu wel spreken van he buurtraden, de buurtverenigingen enz., maar dezen blijken slechts een bepaald type mensen aan te trekken.

Wie eerlijk wil zijn, zal moeten toegeven, dat vooral in de z.g. nieuwe en doelmatige woonwijken gesproken kan worden over een bijna ontstellende verarming van de menselijke relaties. U meent, dat dit alleen in de grote steden het geval kan zijn. Dit was echter slechts een voorbeeld. De groei van de bevolking heeft in andere landen natuurlijk weer andere problemen geschapen, maar ook hier zien wij een verarming van de menselijke communicatie en als gevolg daarvan een toename van agressiviteit. Laat ons als voorbeeld India bezien. In India is de bevolking zozeer toegenomen, dat men op de gangbare wijze niet meer voorzien kan in de huisvesting en voeding van de massa. Het gevolg is, dat men een technische oplossing zoekt en uiteindelijk tot een aantal werkwijzen is gekomen, die o.m. industrialisatie, wegenaanleg, nieuwe landbouwmethoden enz. omvat. Daarnaast heeft men getracht het kinderaantal af te doen nemen door bv. onvruchtbaarheid te bevorderen enz. Hierbij ging men echter verkeerdelijk niet uit van een op basis van de bestaande mores aanleren van zelfbeperking.

Zoals men ook niet kwam tot het scheppen van een redelijk milieu voor de jongeren, al gaf men dezen vele mogelijkheden tot opvoeding en het verwerven van kennis, die voor hen vroeger niet bestonden. De oplossing van de tekorten aan welvaart zocht men in het stichten van fabrieken. Het resultaat is een toenemend aantal van industrieën, opvoedingscentra, die de mensen losmaken uit hun feitelijke achtergrond: het dorps milieu en de patriarchale verhoudingen van het familieleven.

Toch is deze vorm van gemeenschappelijk werken en leven voor de mensen van India veel belangrijker, dan men zich hier ook maar kan voorstellen. Degenen, die het contact met dit milieu verliezen, zijn er misschien uiterlijk wat beter aan toe, maar in wezen zijn zij losgeslagen. Geen wonder, dat zij de opstandigen vormen, die in dit land zo vaak – en zo verkeerdelijk – ingrijpen. Hun streven is echter negatief, daar het ontbreken van achtergrond, en menselijk contact, door deze mensen zelf niet erkend wordt – kan worden zelfs. Zij zoeken een vervanging te vinden voor iets, waarvan zij zichzelf niet eens toe durven geven, dat zij het missen.

Dergelijke personen zijn degenen die het normaal functioneren van een maatschappij, het bestaan van  gezagsverhoudingen e.d. aan gaan tasten, vaak hun agressie achter aanvaardbaar schijnende leuzen verbergende, maar in feite steeds meer ontmenselijkt reagerende op de wereld en haar problemen. Denk niet, dat dergelijke toestanden alleen in Azië voorkomen. Ik kan u wijzen op de armoedige wijken rond alle grote steden in Z-Amerika, waarin soortgelijke processen zich afspelen. Ook hier wast het bevolkingsaantal te sterk aan, om nog de oude feodale maatschappijvorm te handhaven en gelijktijdig voor eenieder nog tot een redelijk levensniveau – volgens de daar geldende standaard – te komen.

Steeds meer mensen, vooral jongeren, trekken daarom naar de steden. Deze steden bieden inderdaad enige werkgelegenheid en kunnen een aantal mensen een redelijk levensonderhoud bieden, maar zij zijn in structuur en werkgelegenheid zeker niet in staat een zo grote toevloed van mensen uit het platteland op te vangen. Hierdoor ontstaat een geheel eigen maatschappijtje van verworpelingen, die onderling door hun armoede misschien nog enige loyaliteit kennen, maar toch de intermenselijke relatie snel zien verminderen.

Een gangsterwezen ontwikkelt zich in alle soortgelijke bidonvilles. De verhoudingen in dergelijke wijken kunnen voor u misschien het best worden uitgedrukt door te wijzen op de gebieden, waar de mensen leven onder de druk van een maffia. In de favella’s leeft men in de schaduw van groepen van geweldenaars. Men gaat zijn eigen weg, zal onderling zorgen voor een zo goed mogelijk samenwerken, zolang er voldoende is, en elkander aanvallen, zodra er te kort is. Met de maatschappij buiten deze vreemde wijken heeft de bewoner daarvan weinig gemeen en trekt zich dan ook weinig van de regels aan, zoals die in de stad gelden. Hij kent zijn eigen bazen en vertrouwensmannen in de gemeenschap en voor hem hebben alleen dezen het voor het zeggen. Dergelijke bazen zullen in vele gevallen de armen uitbuiten of misbruiken, om daardoor tot grotere winsten te komen. Een toestand, die vooral bij de jongeren een toenemend verzet wekt en voert tot aanvallen op het wettelijk gezag, plundering en, kortom, een toenemende onzekerheid ook in andere delen van een dergelijke stad.

Ik zou hier kunnen wijzen op de toestanden in bv. de USA, waar getto’s en wijken van kleurlingen soortelijke reacties hebben doen ontstaan en een ontmenselijking in de hand hebben gewerkt. Ik zou u kunnen wijzen op de manier, waarop men in de USSR, maar vaak ook in de USA, pleegt uit te gaan van het standpunt, dat kennis macht is. Dit laatste is niet geheel onwaar. Wanneer echter de bevolking snel aanwast en daarmede een toenemende behoefte ontstaat aan technici, academici enz. zal een in wezen te grote toevloed naar de universiteiten ontstaan. Hierdoor zal tussen het denken en reageren van de normale mens, en degenen, die deze universiteiten bezoeken, een kloof ontstaan.

In de Oostblok – staten blijken deze verschillen, hoofdzakelijk van ideologische aard te zijn, in het westen zijn zij meer direct, sociaal en politiek. De acties van studenten zijn meestal direct of indirect gericht tegen de maatschappij, omdat deze jonge mensen eenvoudig geen begrip hebben van de werkelijke verhoudingen en noodzaken in die maatschappij. Het studentenverzet in bv. Polen of Italië is dan ook niet in de eerste plaats een verzet tegen de maatschappij in haar huidige vorm, maar eerder een verzet tegen de uitoefening van macht in die maatschappij. Wij mogen dan ook stellen, dat bij snelle toename van de bevolkingsaantallen een toename van spanningen op allerlei terrein optreedt, gepaard gaande met een gelijktijdig en progressief toenemende vervreemding van de eenling van de maatschappij waartoe hij behoort. Loyaliteitsgevoelens zullen steeds minder tellen, grotere groepen, landen enz. kunnen niet meer op hun aanhang rekenen. Kleine clubs of gangs zullen echter als nieuwe vorm van een maatschappelijk contact voor velen, maar vooral de jongeren, een steeds toenemende aantrekkingskracht krijgen.

Dergelijke groepen zullen hun aantrekkingskracht echter voornamelijk ontlenen aan het feit, dat zij een mogelijkheid tot gezamenlijk verzet tegen de massa betekenen. Ik wil hier even opmerken, dat bepaalde vormen van normaal voorkomend verzet in het leven juist door verarming van menselijke contactmogelijkheden, eveneens in dit schema passen. De puber van vandaag weet heel goed, dat hij met een verzet tegen zijn ouders weinig bereikt. Of hij vindt bij toegevendheid of zelfs onderdanigheid – in plaats van bij het gezag en de saamhorigheid, die hij zoekt, – dan wel veel praat en weinig begrip. Daarom vervalst ook de puber steeds meer zijn protest tegen het leven tot een protest tegen, en zelfs een haat tegen  de maatschappij. Vaak bang om alleen iets te ondernemen, zoekt ook de puber meer en meer de anonimiteit van de grote massa, waarin hij, gezien door een groepje bekenden, zijn wraak op de maatschappij kan nemen en zijn protesten kan uitbraken en brullen. Wat overigens maar een nevenaspect is.

Wanneer wij ons afvragen, of de aarde de gehele mensheid nog zal kunnen voeden, wanneer de huidige wereldbevolking verdrievoudigd of zelfs vertienvoudigd wordt, zo moeten wij antwoorden dat dit zeer zeker mogelijk is. Er zijn zoveel manieren, waarop men technisch nieuwe voedingstoffen kan bereiden, er zijn zoveel gebieden onontgonnen, waarin de mens voeding en energie kan vinden, dat daar zeker het gevaar van gebrek niet in kan liggen. Zoals ik reeds opmerkte, ligt het grootste gevaar voor de mensheid in het feit, dat de meeste mensen leven met maatstaven, die niet meer passen binnen de nu bestaande mogelijkheden.

Om u een eenvoudig voorbeeld te geven, dat dicht bij huis ligt: de doorsnee woning, die op het ogenblik voor het doorsnee gezin wordt gebouwd, heeft in doorsnee rond 1/3 tot 1/2 aan ruimte te kort, om aan de bestaande behoeften van dit gezin volgens de daarin nog aangelegde normen tegemoet te komen. Een ander facet is het feit, dat men bouwt volgens oude normen van veiligheid, degelijkheid enz., en vooral nieuwe systemen of denkbeelden niet kan aanvaarden. Het gevolg is, dat men steeds meer woningen moet bouwen voor steeds meer mensen en gelijktijdig steeds meer achterblijft bij de bestaande behoeften. Hierdoor is de feitelijke woonruimte, die per bestaand gezin beschikbaar is, heel wat kleiner dan gesuggereerd wordt door degenen, die een woning hebben. Burenoverlast, strijd bij samenwoning of inwoning, komt dan ook steeds meer voor. U kunt natuurlijk, en niet ten onrechte, nu stellen, dat dergelijke problemen altijd op aarde hebben bestaan. En u hebt gelijk, want in de woonkazernes van het oude Rome bestonden burenruzies over ongeveer gelijke onderwerpen, als men op het ogenblik aan kan treffen in huizen, waarin meerdere gezinnen samenwonen: de rumoerigheid van de kinderen, de wijze waarop afval verwijderd wordt, enz. Maar ook daar was sprake van een – in verhouding zelfs nog veel grotere – toename van bevolkingsdichtheid, ook al betrof dit in Rome voornamelijk bepaalde wijken.

Het losgeslagen zijn, het loskomen van de gemeenschap, het ontbreken van lust tot werken enz. speelden daarbij een rol, zoals nu. Het is voor de mens geestelijk van groot belang, dat hij tot een groep behoort. In deze groep, vindt hij niet allen een rechtvaardiging van zijn bestaan en leefwijze, maar ook het genoegen van een wederkerige erkenning, banden, die men nodig heeft om zich zeker en veilig te gevoelen. In dergelijke groepen vindt de mens tevens de voor zijn bestaan noodzakelijke niet redelijk logische waarden – als godsdienst, ideologie enz. – waarden, die in het emotionele bestaan van de mens altijd weer een zeer grote rol zullen spelen. Het gevolg van een vervreemden uit de groep betekent voor steeds meer mensen dan ook, dat de betekenis van geloof e.d., weg gaat vallen. In de plaats van geloof enz., waarin de erkenning van een hogere macht en een hoger doel ligt, hetwelk een compensatie vormt voor de oneffenheden van eigen levensweg, komt nu een meer rationeel begrip, een rationele godheid, die in feite eerder een vorm van rechtsbegrip is, dan het besef van een bovennatuurlijke macht. Deze rationele godheid is niet meer de kracht, die de mens met een groep vindt, maar een kracht, die hem tot actie beweegt.

U zult in de komende dagen nog genoeg horen over bv. black power en helaas te weinig over white power, de clan en alles wat daarbij behoort. Voor dergelijke bewegingen is het kentekenend, dat zij vooral voortkomen uit een onzekere, niet in zijn groep geheel geïntegreerde mensheid. Wanneer de kleurling niet meer, zoals eens, geheel geloven kan in een God, die hem zal compenseren voor al zijn lijden en hij zich dus minder over zal kunnen geven aan het gevoel, dat er een eeuwige rechtvaardigheid is, die alle zaken uiteindelijk zal regelen, zal hij meer geneigd zijn over eigen rechten, het aan hem begane onrecht, en het recht steeds meer in eigen handen willen nemen. Naarmate de neger jonger is – en dus verder af staat van de wijze van leven en denken uit het verleden, – zal hij stuurlozer zijn en meer verbeten reageren. Naarmate de verbeten levenshouding meer zijn bestaan gaat kentekenen, zal hij in wezen ook meer asociaal zijn en, vanuit dit gevoel van onrecht en onmacht, zich met alle kracht in de eerste plaats richten tegen de blanken – zoals soortgelijke jonge blanken zich allereerst tegen de neger zullen  richten -, maar indirect zich ook tegen de behoudzuchtigen, de sociaal voelenden in eigen groep richten.

Wanneer u al denkt over de moord op Martin Luther King zult u het waarschijnlijk heel gewoon vinden, dat hij door een blanke werd neergeschoten. Eigenlijk is dit echter toeval. De moordenaar had even goed een neger kunnen zijn, want King was een man met een geloof, en een geloof in God, dat geweld als machtsuitdrukking evenzeer afwijst als daadloosheid, is voor alle blanke en zwarte machtsgroepen evenzeer onaanvaardbaar. Een denken, dat geweld verwerpt en gelijktijdig recht beschouwt als iets, wat men ten koste van alles moet kenbaar maken, is voor beide zijden een gevaar.

Zoals Vietnam als probleem voor beide zijden een gevaar kan worden, zodra men over het geheel onpartijdig gaat nadenken. Het zal u wel zijn opgevallen zijn, dat met de groei van de wereldbevolking de conflicten eveneens zijn toegenomen. Ik bedoel hier niet zozeer de aantallen, maar vooral de intensiteit en daarbij in het bijzonder de voor deze conflicten steeds meer kenmerkende onmenselijkheid. In vroegere jaren verminkte of verbrandde men iemand zonder neer om godsdienstige redenen. Maar zodra het een dappere vijand betrof, die in het vuur dreigde om te komen, was men bereid eigen leven te riskeren om deze vijand van een dergelijk verschrikkelijk lot te redden. Tegenwoordig is een dergelijk hard optreden tegen degenen, die zondigen tegen de gemeenschap, eenvoudig ondenkbaar geworden. Maar wanneer iemand alleen maar in staat zou kunnen zijn een vijand steun te verlenen, laat staan dus de vijand zelf, ziet men er geen been in een paar vaatjes napalm uit te storten, zonder zich af te vragen, of misschien onschuldigen hierdoor een verschrikkelijke dood moeten sterven. Men bombardeert steden zonder zich ooit af te vragen of het doden van honderden burgers tegen één enkele soldaat nu wel gerechtvaardigd kan heten. Onmenselijkheid kan steeds meer worden geconstateerd in alle kwesties, waarbij macht een rol speelt.

In oorlog en gezagsuitoefening blijkt men steeds minder de menselijkheid van de ander, de tegenstander, te kunnen beseffen of waarderen. Naarmate de bevolkingsdichtheid toe gaat nemen en daardoor de maatschappelijke organisatie en machtsuitoefening straffer moet worden, kan men erop rekenen, dat het onmenselijke reageren op de mens toe zal gaan nemen. Er zijn in dit probleem van bevolkingstoename nog meer dingen, waarmee men rekening zal moeten houden. Zo heeft men kinderen altijd als een zegen Gods beschouwt, een soort statussymbool. Deze denkwijze is begrijpelijk. In het verleden was elke uitbreiding van het aantal leden van een stam een toename van mogelijkheden en een grotere zekerheid voor de ouderen, zodat zij niet zouden verhongeren. Bij de volkeren waren kinderen eveneens geliefd, omdat een volk, dat de meeste kinderen voortbrengt, ook de meeste strijders in het veld zal kunnen brengen. Bij de kerken gold hetzelfde, omdat een groot aantal kinderen van gelovigen betekent, dat het aantal gelovigen toeneemt en daardoor de invloed en de macht van de kerk. Door dit alles is er een verheerlijking ontstaan van het kinderen krijgen, een verheerlijking, die in de christelijke moraal op een gegeven ogenblik zelfs zover ging, dat men meende, dat seks op zich zondig en verwerpelijk is en in het leven van de mens niets mag betekenen, tenzij er kinderen uit voortkomen.

Zelfs dan was de seks op zichzelf zo vies, dat men volgens de denkwijze van de vromen seksueel verkeer het beste door een gaatje in een gordijn zou kunnen plegen. Want het voortbrengen van kinderen is het enige doel. Daarvoor heeft God deze mogelijkheid aan de mens gegeven en om geen enkele andere reden. U lacht hierom? Maar zelfs nu wordt het door sommigen nog zo gezien. Vele mensen in deze dagen beschouwen seksuele gevoelens en genoegens nog steeds als verwerpelijk en zondig, als iets, wat alleen te rechtvaardigen is door de wil kinderen voort te brengen. Daar de seksuele drang met dergelijke stellingen geen rekening houdt, blijken dergelijke mensen zich vaak genoopt te voelen, kinderen en gros voort te brengen, zelfs indien zij daarvoor niet behoorlijk kunnen zorgen. Dit is een kwestie van moraal, die zeker niet alleen bij de christenen een rol speelt. Bij zeer vele volkeren en stammen is ook nu nog het kind een godsgave, een statussymbool, een menselijke plicht zelfs, zodat degene, die geen kinderen voortbrengt, niet op de achting van zijn medemensen kan rekenen.

Al bewijzen de feiten vaak het tegendeel, toch zal men bv. in India ook vandaag nog uitgaan van het standpunt, dat het goed is zoveel mogelijk kinderen voort te brengen, omdat je dan, wanneer je ouder bent, meer gezag zult hebben en  beter zult kunnen leven. In andere landen beschouwt men kinderen op het ogenblik nog vaak als een soort lijfrente, die begint uit te keren, zodra de kinderen groter worden. Hoe meer kinderen, hoe groter de uitkering zal worden; gezien de sociale toestanden is een dergelijke moraal nog wel begrijpelijk. Maar een dergelijke moraal zal steeds minder met de feiten stroken, naarmate de aantallen mensen op de wereld toenemen. Maar hoe moet je de mensen nu duidelijk maken, dat dergelijke stellingen, waarover zij en hun voorouders tot in een ver verleden toe, filosofieën erover hebben opgebouwd, waar men zelfs een belangrijk deel van zijn godsdienst op heeft gebaseerd, waarop men zijn gehele opvatting omtrent leven, maatschappelijke waarde enz. heeft gebaseerd, nu opeens niet meer bruikbaar zouden zijn? Zeker, in India weet men armere mensen er soms toe te bewegen zich onvruchtbaar te laten maken. Zij krijgen daarvoor een premie en hebben dan tenminste wat te eten en kunnen zich voor een kort ogenblik zich enige luxe permitteren. Maar dergelijke mensen verkopen iets en hebben vaak in feite het gevoel, dat zij hun eigen eeuwigheid verkopen.

Abortus provocatus is in de meeste landen op het ogenblik nog niet werkelijk toegestaan, tenzij misschien om de moeder in leven te houden. In landen, waar men op dit terrein toch mag gelden als zeer ruimdenkend, bv. Rood-China of Japan, worden de mensen echter toch vele moeilijkheden in de weggelegd, zij het door hoge prijzen of vele formaliteiten. Slechts landen, die niet bang zijn voor, of van plan zijn om een oorlog te voeren, kunnen het zich kennelijk permitteren iets ruimer te denken op dit terrein. En zelfs dan spelen sociale en religieuze taboes een zo grote rol, dat men er in feite toch maar betrekkelijk weinig aan doet.

Er lijkt een soort blindheid te bestaan, zodra men over dergelijke dingen spreekt. Zelfs de westerse maatschappij, die zich toch op het ogenblik beschouwt als het criterium van beschaving en cultuur, blijkt niet in staat om te zien, wat er op de wereld in feite aan de gang is. Men schept daar aan de ene kant een voortplantingsdrang, die steeds toeneemt, terwijl men anderzijds niet bereid blijkt te zijn een scheiding tussen begrippen als seksualiteit en voortplanting tot stand te brengen en uit deze scheiding de nodige consequenties te trekken. Men is wel bereid degenen, die kinderen voortbrengen, toelage te geven of faciliteiten te verschaffen, maar blijkt ondanks de toenemende moeilijkheden bij een verdere aanwas van de bevolking, niet bereid de mens openlijk de mogelijkheid te geven, zwangerschap te voorkomen, of deze tijdig te doen beëindigen, wanneer de mens zelf dit wenst.

Men meet met twee maten en dwingt in feite velen kinderen voort te brengen, terwijl zij zelf dit liever niet of nog niet zouden doen. Aan de andere kant predikt men zozeer de heiligheid van het kind zodat steeds meer mensen zo dadelijk, wanneer er geen ruimte en maatschappelijke wenselijkheid meer bestaat, kinderen zullen willen voortbrengen ten koste van alles. Want ook nu nog predikt men, zij het wat minder luid, dat het voortbrengen van kinderen binnen een wettig huwelijk, de enige mogelijkheid is om Gods zegen te ontvangen en eigen voortbestaan te verzekeren, tenzij men van alle seksualiteit geheel afstand zou willen doen, dit, terwijl pessimisten reeds nu beelden ontwerpen van een wereld, waarin de gehele wereld een gelijke of grotere bevolkingsdichtheid heeft dan de randstad Holland, terwijl de overblijvende mensen moeizaam ruimte vinden in subcity’s onder de oceanen. Wat een aardige fantasie is maar m.i. niet tot de werkelijke mogelijkheden kan behoren.

Wanneer dergelijke steden ontstaan, welke gehele landen bedekken, zullen daarin steeds grotere spanningen ontstaan. Zodra die spanningen te groot worden, zullen dergelijke gebieden niet meer regeerbaar zijn. Wat wil zeggen, dat gezag steeds minder mogelijkheden krijgt om ordening in stand te houden. Het gevolg zou een anarchie zijn, die voert tot het tot stand komen van kleine, zeer egoïstische groepen, die anderen eenvoudig zullen uitroeien. De in de mens levende noodzaak ergens bij te behoren, plus de in elke mens nog ergens levende eerbied voor het recht van de sterkste, zal voeren tot toestanden, waarbij dergelijke groepen elkander uitroeien en, bij het wegvallen van gezag en openbare diensten, ziekten in steeds grotere mate de mensheid zullen gaan decimeren.

Men is nog niet zo ver, dat dergelijke groepen een bedreiging voor de mensheid vormen, maar in randstad Holland komt de onregeerbaarheid reeds steeds verder op de voorgrond. In steden als Londen en New York blijkt voornoemde  groepsvorming een steeds meer kenbaar feit te worden. Het zal bv. de meesten onder u niet bekend zijn, dat zelfs in een gezag minnend land als Japan in de grote steden steeds meer “gangs” ontstaan, die in feite los staan van de maatschappij en niet slechts, zoals gangsters bv. doen, op de maatschappij parasiteren, maar er zelfs een eer in stellen, allerhande dingen te ontwrichten en kapot te maken. Welk gedrag zelfs hier wijst op de neiging van de mens te streven naar de vernietiging van de massa, waarin men niet meer leven kan. Dit zijn reeds nu kenbare gevolgen van overbevolking. Daarom is het beeld van een enkele grote stad, die de wereld omvat, eenvoudig ondenkbaar, zolang de huidige mentaliteit van de mens – inbegrepen zijn instincten – de mensheid nog beheersen.

Machtsuitoefening in een overbevolkte maatschappij is alleen denkbaar, wanneer men rond 50 ten honderd van de mensen tot fanatieke leden van een geheime politie zou kunnen maken. En tegen de tijd, dat een dergelijke instantie zo groot wordt, zijn haar eigen aspiraties eveneens zo belangrijk, dat zij zelf geweld zal scheppen en uitlokken. Reeds nu zijn daarvan enkele voorbeelden te vinden. Denk hierbij bv. aan de CIA. Terreur en het verloren gaan van alle vertrouwen in de regerende zal dan op de duur een bloedige interne oorlog onvermijdelijk maken, waarbij men bovendien moet rekenen met de steun van enkele groepen van een dergelijke geheime politiek, die hierin een middel zien eigen macht te bevestigen of invloed te verwerven. Ik meen dan ook, dat men dergelijke sombere dromen, evenals beelden van een langzaam verhongerende mensheid, rustig mag vergeten. De werkelijke problemen der overbevolking komen m.i. voort uit het onvermogen van de mens – als maatschappelijk wezen dan – zich aan te passen aan de eisen, die een steeds groter wordende bevolkingsdichtheid hem stelt. Naarmate de bevolkingsexplosie, waarvan men spreekt, voortschrijdt, zal het verzet van de ouderen tegen de ontstane noodzaken steeds groter worden.

Laat ons daarbij niet vergeten, dat het merendeel van de machtsdragers op deze wereld ouderen zijn. Er zijn niet veel invloedrijke politici, generaals enz., die onder de 50 jaar oud zijn. Velen van de meest invloedrijke zijn zelfs reeds ver in de 60 jaar oud. Wat beteken, dat zij gemiddeld psychisch en in moreel besef rond 50 jaar ten achter lopen bij de feitelijke noodzaken van de wereld op dit ogenblik. Deze staatslieden werken met maatstaven en waarden, die zij in hun jeugdjaren hebben leren kennen. Zij beseffen wel, dat de wereld veranderd is, maar zullen altijd weer geneigd zijn, middels vele compromissen en misleidende acties, hun eigen beelden van wat juist of belangrijk is, door te zetten. Een voorbeeld hiervan mag Frankrijks politieke benadering van dringende economische problemen in Europa heten. In verhouding neemt echter het aantal jongeren op de wereld toe. Dat betekent, dat de ouderen steeds meer naar geweld zullen grijpen om hun oude idealen en de compromissen, die zij aanvaardbaar achten, te handhaven.

In vele steden heeft u reeds de resultaten van het toenemen ven de jeugdigen als pressie en invloed groep kunnen constateren. Het is niet voor niets, dat knuppel, traangasbom en zelfs de karabijn steeds meer geliefd blijken te zijn als middel tot het handhaven van de openbare orde. Zelfs in een rustig land zoals Nederland dit is, blijkt de slag-, schiet- en ranselgraagheid bij het gezag in de laatste 20 jaar onrustbarend te zijn toegenomen. Anders gezegd, de maatschappelijke en sociale structuur, zoals deze op het ogenblik bestaat en beheerst wordt door de ouderen – wat op zich niet zo onlogisch lijkt – zal nimmer in staat zijn aan de werkelijke behoeften van de maatschappij tegemoet te komen, zodat de feitelijke wanorde en de vele anarchische tendensen in de maatschappij voortdurend toenemen – dit laatste ongeacht de uiterlijke verschijningsvormen, die door geweld en overmacht nog worden gehandhaafd.

Zo dreigt in vele landen een strijd van groep tegen groep te ontstaan, een strijd van mens tegen mens. De gezagsdragers weten voor zoiets maar één enkele oplossing: deze agressiviteit over te brengen op een strijd van land tegen land, of werelddeel tegen werelddeel. Maar een dergelijke strijd gaat, gezien de beschikbare wapens, steeds meer een vorm van zelfvernietiging betekenen voor allen, die daarbij betrokken zijn en misschien zelfs voor de gehele wereld. Men zal dit trachten te voorkomen door stilzwijgend de strijd te beperken tot bepaalde gevechtszones. Maar daarin zal de strijd zo absoluut zijn, dan zij neer komt op het uitroeien van mensen. In Nederland bv. heeft men zoveel ambtenaren, niet alleen omdat zij noodzakelijk zijn, maar ook omdat men op deze wijze een aantal noodzakelijke arbeidsplaatsen kan scheppen. In vele landen  worden de legers uitgebreid, omdat men op deze wijze althans voor enige tijd de jongeren onder appel krijgt en hen enige discipline hoopt bij te brengen – dus eerbied voor het gezag. Ziet u het verschijnsel?

De conclusie moet dan zijn: de enige logische benadering van het probleem der overbevolking is op dit ogenblik het verminderen van de bevolkingsaanwas met zo weinig mogelijke pressie, maar met een openlijk en vrijelijk ter beschikking stellen van alle daarvoor belangrijke middelen en mogelijkheden. Dus niet alleen middelen verschaffen, maar ook het scheppen van een mogelijkheid om de geldende moraal te herzien en tot een andere opvatting van moraal te komen. Dat klinkt velen misschien niet aangenaam in de oren, maar lijkt mij noodzakelijk.

De tweede vraag in dit onderwerp luidt: wat kunnen wij verder met zekerheid verwachten? Het antwoord is: weinig. Men kan in Nederland, dat reeds nu met een te talrijke bevolking heeft te kampen en over rond 20 jaren waarschijnlijk tot één enkele grote stad is geworden, niets doen t.a.v. – om eens een voorbeeld te noemen – de kinderbijslag. Waarom dit niet mogelijk is? Omdat de massa niet beseft – zo zij al de mogelijkheid krijgt tot beseffen – van hetgeen goed is voor het geheel en zo vecht voor eigen voordeel ten koste van alles. De leiders van de massa danken aan deze strijd voor het eigenbelang van de groepen hun invloed en kunnen dus geen verstandiger politiek voeren, zelfs indien zij dit zouden willen. Dit gaat van kinderbijslagwetten tot een kwartier arbeidstijdverkorting.

Het doet in feite niet ter zake, wat de massa als waar beschouwt. Het is altijd in de eerste plaats het eigen belang en het belang van eigen groep, dat men dient. En men mag niet over het hoofd zien, dat in de meeste moderne staten de macht voor ongeveer 50%, maar veelal een veel hoger percentage, in de handen van de arbeiders is. Deze arbeiders zijn wel geschoold in eigen beroep, maar zijn zeker niet wat men “intellectueel” noemt. Zij hebben een zeer beperkt begripsveld, vaak daarbij een beperkt begripsvermogen en een zeer beperkte belangstelling, welke gebreken eventueel met een grotere emotionaliteit worden gecompenseerd. Dergelijke mensen zullen in hun beschouwingen vooral hun zekerheden, de beloning van hun prestaties en hun genoegens betrekken. Het gevolg is, dat een ingrijpen door staatslieden niet eens goed mogelijk is. Van een reform van bovenaf kan geen sprake zijn, zolang de machthebbers gebonden blijken te zijn aan de massa.

De enige oplossing hiervan zou zijn een nieuwe vorm van emancipatie, van de eenvoudige arbeider te beginnen, en wel door hem niet alleen zijn materiële rechten te geven, maar hem a.h.w. aan te zetten ja, eigenlijk zelfs te dwingen, zich steeds intenser bezig te houden met de problemen van de gemeenschap als geheel. Dit zal men niet kunnen bereiken via z.g. politieke belangstelling. Deze kan niet meer zo intens worden gewekt, dat het zin heeft hieraan aandacht te besteden, dit spel is uitgespeeld. Men heeft geen behoefte aan de vaak holle retoriek van politici, waarvan men meer en meer het gevoel heeft, dat die een gebrek aan overtuigende argumenten moet verhullen. Dergelijke dingen wekken eerder wantrouwen en maken de eenvoudige man te zeer bewust van de afstanden, die er liggen tussen hem en een dergelijke spreker. Hij begrijpt dergelijke argumenten niet en verwerpt ze zonder meer.

Dit blijkt o.m., wanneer u kamerleden hoort spreken tot de massa. Bij de ouderen zou een dergelijke emancipatie weinig uitwerking meer hebben. Men zal dus moeten beginnen de jonge mensen, vooral ook de minder intellectuelen, op te voeden op een geheel nieuwe wijze. Men zal deze jongeren moeten confronteren met de gemeenschap en de problemen van de gemeenschap, zonder te menen, dat zij te jong zijn om daarvan iets te begrijpen. Dit houdt immers ook het geven van bv. godsdienstonderricht op scholen niet tegen, ofschoon de kinderen daarvan vaak even weinig begrijpen en in de praktijk voor hun vorming veel minder hebben dan aan een confrontatie met de meer actuele problemen van de samenleving. Men zou de kinderen moeten leren hierover een eigen mening te vormen en steeds minder aandacht te schenken aan de uitspraken van bv. kerk, vakbonden etc. als alles bepalend element. Dit is zeker niet onbereikbaar, maar zal voorlopig wel stranden op het felle verzet van de leiders, die tot nu toe hun macht zo heerlijk konden ontlenen aan de mensen, die hen door dik en dun volgden en zelfs geen kritiek durfden hebben op hun voorstellen en uitspraken.

Naar ik meen, ligt een belangrijk deel van het probleem der overbevolking in de  noodzaak tot het geven van een nieuwe opvoeding aan de jongeren. Dit lijkt mij zelfs van veel meer belang dan het bevorderen van een afname in de bevolkingsgroei door andere middelen. Een derde en misschien onmiddellijk van het meest belang zijnde punt is het feit, dat in landen als bv. Nederland en België of dergelijke dicht bevolkte gebieden, de algehele leefwijze van de mensen binnen 10 à 15 jaren een ingrijpende verandering zal moeten hebben ondergaan, wil men in staat zijn de samenleving nog in de hand te houden. Wil men daarbij een persoonlijk leven behouden en niet zijn toevlucht zoeken in bv. gemeenschapslokalen met kantines, die als een soort huiskamer moeten fungeren, dan zal men allereerst wel moeten beginnen de woningbouw op geheel andere wijze aan te passen aan de behoeften. De stedenbouw zal moeten worden aangepast aan de werkelijke behoefte van de mens, niet slechts aan de bestuurderlijke behoefte om de mensen op te kunnen bergen.

Zelfs de opvoeding, – de wijze, waarop scholen werken enz. – zal moeten worden aangepast aan de mogelijkheden van de bestaande huisvesting en worden afgestemd op een overwinnen van de gebreken van de bestaande huisvestingsmogelijkheden. Recreatie zal steeds meer buitenshuis gezocht moeten worden, daar de moderne woning daartoe geen voldoende mogelijkheid meer bieden kan. Men kan dit bereiken door af te stappen van bv. de exploitatie van zalen door ondernemingen – en instanties – maar zal men zaalruimten moeten bouwen, die door de staat gratis ter beschikking worden gesteld voor het vertonen van films, toneelstukken enz. Degenen, die dergelijke voorstellingen en bijeenkomsten organiseren, zullen dan moeten volstaan met het vragen van een zeer geringe bijdrage van allen, die de bijeenkomsten willen bezoeken. Hierdoor zal een betere selectie van het door de massa gewenste amusement mogelijk zijn. Dit zou ook moeten gelden voor stadions, e.d. Bij de productie van literatuur zal men de keten van degenen die aan de publicaties verdienen moeten bekorten door vervaardiging van boeken in staatsdrukkerijen, waarbij uitgevers kleine risico’s hoeven te nemen, maar ook slechts een zeer kleine winst kunnen maken, terwijl de verdeling van de boeken plaats zal moeten vinden langs alle daarvoor geschikte wegen en niet door afspraken, enz. van uitgevers en boekverkopers mag worden beperkt.

Geen censuur, maar het integraal uitgeven van alle werken waarvoor vraag bestaat, of waarin iemand iets ziet, die de – geringe – risico’s van een eerste uitgave in kleinere oplage wil aanvaarden. Lage prijzen zouden een aanwezig zijn van een voor iedereen bereikbaar, geschikt en voldoende leesmateriaal moeten verzekeren. Muziek zal men niet slechts mechanisch weer moeten geven, maar overal, waar dit mogelijk en passend is, door musici doen weergeven. Om een voorbeeld te geven: de aantrekkingskracht van uw amusementscentra te Scheveningen zou veel groter worden, wanneer er bij voortduring – en niet slechts incidenteel – door redelijke ensembles op vrij toegankelijke plaatsen muziek zou worden voortgebracht. Dit zijn slechts enkele punten die de recreatie betreffen, maar die in toenemende mate van belang zullen blijken te zijn, omdat de mens, of hij dit nu wenst of niet, anders zal moeten gaan leven.

Zeer belangrijk is bij een steeds sneller groeiende bevolking ook het verdwijnen van het denkbeeld, dat arbeid, loon en mogelijkheid tot leven een vaste relatie zijn. Men zal ook dit, op een verouderde moraal gebaseerd standpunt, steeds meer los moeten laten gaan. Loon naar werken wordt een dwaasheid in een tijd, die aan alles een overvloed kan voortbrengen, wanneer maar begrippen als loon naar werken, rendementen, gerechtvaardigde winstneming e.d. het verbruik niet zouden remmen en zelfs de productie op steeds onrendabelere wijze – concurrentie – zou doen plaats vinden. Vrije consumptie naar noodzaak en vermogen zou de leuze va een nieuwe tijd moeten zijn. Hierbij is het niet van belang steeds nieuwe behoeften te scheppen, maar aan alle bestaande behoeften steeds zo snel en juist mogelijk tegemoet te komen.

Wat een geheel ander inzicht in de werking van bv. de industrie zou moeten betekenen. Men zou bv. van alles zoveel mogelijk een enkele kwaliteit, de beste, moeten vervaardigen. Dit zou ook het verbruik van grondstoffen op redelijker peil brengen. Op het ogenblik wordt meer dan de helft van de grondstoffen waarover men kan beschikken, verknoeid door het produceren van slechte kwaliteiten, onnodige duplicatie van bepaalde stoffen onder andere naam terwille van de concurrentie, en het scheppen van z.g. verschillende prijsklassen, die in vele gevallen niet veel meer zijn dan een commercieel volksbedrog. Bij een steeds groeiende bevolking kan men een dergelijke verspilling van energie, kracht en materialen niet meer toelaten. Dan moet men eenvoudig de zaken anders op gaan zetten. Het verdeelsysteem, zoals dit op het ogenblik bestaat, is in wezen voor elk logisch denkend mens een krankzinnigheid. U eet bv. margarine, met vele andere volkeren, omdat de boter duur moet blijven, om de productie daarvan rendabel te maken. Maar men blijft de boter wel produceren – met subsidies, die de margarinemaker kan betalen – op een voor de producent rendabele wijze, ofschoon velen zich de consumptie daarvan niet meer kunnen permitteren.

Waarvoor zij gestraft worden met extra belastingen, waaruit dan de subsidie moet worden gegeven…. Anders gezegd: men dwingt de mens tot het eten van margarine en straft hem dan voor het feit, dat hij de door de producent redelijke geachte prijs voor boter niet kan betalen. Verder belast men hem met de kosten van het bewaren en eventueel vernietigen van de boter, die hij maar al te graag zelf geconsumeerd zou hebben. Dat is uw huidige maatschappelijke logica. Een redelijke en ook bij toenemende bevolking hanteerbare logica zou voorlopig zijn: eenieder, die produceert, heeft recht op een vaste, maar kleine minimumvergoeding en deze vergoeding wordt berekend aan de hand van een zo rationeel mogelijke productie bij een gemiddelde opbrengst. Alles, wat men meer produceert en kan afzetten betekent – voorlopig dan – een beter inkomen. Daarbij zou dus niet de waarde, of kostprijs van het product zelf in het geding komen, maar de vergoeding zou moeten worden bepaald aan de hand van het werk, dat wordt verricht.

Hierdoor zal men zich vanuit de gemeenschap kunnen voorzien van alle basisbehoeften. Men zal daarbij uit moeten gaan van het standpunt, dat de consumptie even noodzakelijk is als de productie. Meer en meer zal men moeten gaan beseffen, dat geld geen werkelijke betekenis heeft, maar slechts een soort speelgoed is, dat men gebruikt om aan te geven dat men aan iemand – of iemand aan u – een verplichting heeft. Geld is geen levensnoodzaak. Uw modern giraal verkeer is het bewijs hiervoor. Het toont aan, dat de mensen ook op een fictie kunnen leven. Het grootste deel van het geld, dat giraal wordt overgeschreven, is er niet werkelijk en zal er ook nooit zijn. Het eenvoudige feit, dat men de verplichting, bestaande middels getallen, aanvaardt als werkelijk, maakt het mogelijk, zelfs zonder ooit werkelijk geld en goud te hanteren, aan een handelsverkeer deel te nemen enz. Zelfs uw banknoten zijn in feite een soort bedrog, omdat de volle waarde, die zij pretenderen te bezitten, maar zelden geheel aanwezig zal zijn. Dit hindert niemand, zolang men maar een verrekening systeem heeft.

Waarom zou men in een steeds vollere wereld niet een stap verder gaan en geld grotendeels of zelfs geheel afschaffen? Want het is duidelijk, dat het huidige systeem niet lang meer kan blijven bestaan. De toenemende eisen van bevolking en productieapparaat maken het op de duur onmogelijk, dat bijvoorbeeld de middenstander nog aan alle gestelde eisen qua omzet, kapitaal, vaardigheid enz. zelfstandig kan voldoen. Men kan nu pleiten voor het steunen en behouden van de middenstand. Maar logisch is dit niet: de behoefte is bepalend, niet de nu bestaande belangen of werkwijzen. Dan moet die middenstander zich maar aanpassen en anders gaan reageren. Overigens doen vele middenstanders dit in feite reeds nu, wanneer zij deel uit gaan maken van de z.g. vrijwillige filiaalbedrijven. De belangen van de verbruiker liggen bij een zo snel, goedkoop en juist mogelijk reagerende verdeelorganisatie. Waarom zouden de middenstanders van de mensen mogen eisen, dat zij hun bedrijven in stand blijven houden, terwijl zij niet in staat zijn aan een werkelijke behoefte te voldoen?

In uw dagen hoort u reeds meer en meer over fusies enz. U meent misschien, dat het hierbij voornamelijk gaat om het verwerven van een zo groot mogelijke marktinvloed. In feite gaat het echter nog meer om een zo groot mogelijke rationalisatie van de productie met het uitschakelen van onnodige variëteiten in het verkoopspakket. In uw dagen hoort men al meer en meer spreken over het recht op arbeid. Maar dit betekent, dat men in de toekomst steeds meer arbeidsplaatsen zal moeten gaan scheppen, die geen werkelijke betekenis hebben en zo de arbeider geen arbeidsvreugde, maar hoogstens ergernis bereiden. Een andere bestaanswaardering lijkt mij dan ook onvermijdelijk. De wereld van heden zal zich op korte termijn moeten wijzigen, wil men een ten onder gaan van de mensheid kunnen voorkomen.

Dit zou het eenvoudigst bereikt kunnen worden door ingrijpende veranderingen in het bestaande systeem en een aanpassing van de geldende mores. Dat dit tot nu toe niet gebeurde komt voort uit het feit, dat zovele belangen gemoeid zouden zijn met een dergelijke aanpassing. Sociale reformen, die noodzakelijk zijn en zelfs als zodanig worden beseft, blijven achterwege, omdat machtige en grote belangen ermee gemoeid zijn. De groei van het bevolkingsaantal zal dan ook in steeds meer gebieden voeren tot reeksen van gewelddadigheden, daar datgene wat niet via een logisch proces van aanpassing kan worden bereikt, op een andere wijze tot aanzien zal moeten komen. De periode, die met deze spontane aanpassingen gemoeid is, zal de wereld een voortdurend grotere anarchie te zien geven, vol van strijd, vernietiging. Eerst na een decimering van de aantallen op aarde zal dan het vormen van een aangepaste en normale maatschappij mogelijk worden. Gezien vanuit de geest hebben wij er dan ook alle belang bij, dat de mensen hun zienswijzen wat veranderen. Wij willen de mensen niet progressief maken of conservatief houden, maar eenvoudig doen leven als mensen. En dit bereik je niet, wanneer er steeds minder mogelijkheden komen voor steeds grotere aantallen.

  • In de natuur wordt het evenwicht gehandhaafd, doordat het zieke en zwakke wordt geëlimineerd door het gezonde en sterke. In Sparta paste men deze regel ook in de mensenwereld toe. De christelijke levensbeschouwing heeft hierin verandering gebracht. Is dit afwijken van de natuurwet nu een voordeel of een nadeel geweest voor de mensheid als geheel?

Een antwoord is moeilijk. Wanneer u bv. de vooraanstaande geleerden eens nagaat, blijken velen van hen lichamelijk gebreken te hebben of soms zelfs misvormd te zijn, terwijl zij toch bijzonder goede hersenen hebben. Misvormden blijken ook vaak goede kunstenaars te zijn. In Sparta zouden die allen zijn omgebracht. Trouwens, Sparta zelf is ook ten gronde gegaan. Dit terwijl de misvormden of minder gezonden, die gespaard bleven, de mensheid zeker vaak verrijkt hebben. Het criterium van sterk en gezond, zoals dit in de natuur werkt en door u wordt geciteerd, zou daarom volgens mij nooit een juist criterium kunnen zijn voor de mensheid. Overigens, is er wel iets anders. In de christelijke samenleving – die zoals u weet overigens maar zeer weinig met de werkelijke leer van Christus te maken heeft – treffen wij de neiging aan het zwakke te bevoordelen ten koste van het sterkere. Dit komt m.i. voort uit verkeerde sociale opvattingen.

Enerzijds stelt men, dat de maatschappij een vorm van strijd is, terwijl men aan de andere kant poneert, dat eenieder, ongeacht eigenschappen en waarde voor die gemeenschap, daarin bepaalde voorrechten moet kunnen genieten. Dit betekent, dat men, naarmate men zwakker is, meer van de gemeenschap krijgt. Dit voert tot een mentaliteit, die niet bevorderlijk mag heten voor de prestatie van de misschien wat zwakkeren, die toch voor een goed functioneren van de maatschappij eveneens noodzakelijk kunnen worden geacht. M.i. zou het recht binnen de gemeenschap en de eisen, die men terecht in de gemeenschap kan stellen, afhankelijk moeten zijn van de waarde, die men heeft voor die gemeenschap. Hierdoor zou men een steeds meer voorkomend beroep op zwakte, onvermogen, recht enz., dat schadelijk is voor deze maatschappij, volgens mij kunnen beperken en zeker een niet noodzakelijk zich daarop beroepen van velen kunnen voorkomen. Eenieder heeft echter recht om te leven, ik meen, dat de gemeenschap verplicht is voor het werkelijk levensminimum van de zwakkeren zorg te dragen. Men kan immers nooit weten, wie van deze als zwakkeren beschouwden op een gegeven ogenblik waardevol zou kunnen zijn? Daarom heeft men m.i. niet het recht eenvoudig de zwakkeren geheel uit de maatschappij te bannen, gekkenhuizen te vervangen door crematoria enz. Anderzijds acht ik het vertroetelen van de abnormalen, lichamelijk zowel als geestelijk, ten koste van de mogelijkheden van anderen, uit den boze.

Ik meen dan ook, dat men niet mag stellen dat, naarmate iemand zwakker en meer hulpbehoevend is, hij meer rechten heeft op de steun van de maatschappij, maar wel moet stellen: de maatschappij moet, in overeenstemming met haar gemiddelde peil,  redelijke zorg aan de zwakkeren besteden. Op deze wijze blijft de menswaardigheid gehandhaafd en voorkomt men het kweken van een klasse van zwakkeren en minderwaardigen, die in feite parasiteren op de gemeenschap en bij een sterke toename van hun aantal het aanpassingsvermogen van de maatschappij en daarmede zelfs de mogelijkheden van het menselijk ras als geheel zouden kunnen schaden of tenietdoen.

  • Consumptie naar behoefte en vermogen doet mij denken aan Bellamy of het communisme. Gezien de onvolmaaktheid van de mens zou m.i. echter het meest volmaakte stelsel aan corruptie moeten vervallen. Hoe kan prestatie gehandhaafd blijven, indien de consumptie verstrekt wordt naar behoefte en vermogen?

U denkt, dat de voornaamste prikkel in uw maatschappij het verwerven van bezit is. Dit is niet geheel juist, het gaat om prestige dat op het ogenblik aan bezit wordt ontleend. Zonder dit zou menigeen zeker met minder inkomen genoegen nemen en zich veel moeiten besparen, daar hij zonder extra inkomen toch wel redelijk goed zou kunnen leven. Op het ogenblik, dat iets anders dan bezit als maatstaf voor prestige gaat gelden, zal hierdoor de door mij gestelde consumptie naar behoeven een mogelijkheid geworden zijn. Daarbij zou in de consumptieve sfeer dus niet meer in de eerste plaats gelden: “wat heb ik, wat een ander nog niet heeft?” maar “wat heb ik nodig?” In de consumptieve sfeer zou dit maatschappelijk veel voordeliger zijn, terwijl een rationeler samenhang tussen consumptie en productie bereikt zou worden.

Bovendien zou een maatschappij op deze basis een veel eenvoudiger en minder voorkomend geregeld ingrepen t.a.v. consumptie en productie vereisen. Er zou een grotere persoonlijke vrijheid ontstaan. Bij Bellamy – en bij verschillende communistische ideologen – treffen wij dan ook de dienstbaarheid aan de gemeenschap en de prestatie binnen de gemeenschap aan als het werkelijke statussymbool. Het thema is steeds weer: hoe meer verantwoordelijkheid je mag dragen voor de gemeenschap, hoe meer ik waard ben. Het gaat er dus om, wat men is en niet, wat men heeft. Het zal langere tijd vergen, om de mensen geheel in deze geest te leren denken en streven. Dit neemt niet weg, dat, volgens mij, de enige oplossing ligt in het vervangen van bezit als norm van aanzien, noodzakelijk is. Alleen dan zal men zich op aarde kunnen ontwikkelen in de richting van een voor allen voldoende productie en een voor allen bevredigende verdeling daarvan.

  • Dan kan dus iemand, die alles doet om de maatschappij te dienen, naast zich iemand hebben die er rustig de kantjes afloopt, maar toch dezelfde consumptiemogelijkheden behoudt.

Daar is m.i. geen bezwaar tegen. Zo iemand zal niet veel aanzien genieten en niet veel vrienden hebben, denk ik. Maar dan moet hij maar met alle andere soortgelijke varkentjes leven en zullen wij hopen, dat hij gelukkig is daarmede. Het geluk van de werker wordt hierdoor immers niet meer aangetast, daar deze zijn geluk vindt in het feit, dat hij mag produceren.

  • Dus degene die ploetert, moet dan maar voor die ander meer werken, die er zijn gemak van neemt? Dat is leuk, zeg!

Vanuit de nu geldende denkbeelden is dit misschien niet zo eenvoudig te begrijpen. Maar iemand, die niet werkt voor de gemeenschap, telt niet en wordt in een maatschappij, die dienst aan de gemeenschap als prestige beschouwd, nog minder geacht dan in uw wereld de dames, die een horizontaal beroep uitoefenen en de heren, die weer op hen parasiteren. U ziet over het hoofd, dat het niet alleen om bezit gaat. In uw maatschappij is bezit symbool van zekerheid en aanzien. Wanneer echter de gemeenschap door haar productievermogen als geheel tot symbool van de zekerheid wordt en status bereikt wordt door de wijze, waarop men in die productie deelheeft, dan vervallen uw huidige normen.

Vele onzekerhedenvallen weg, overbodige inspanningen vallen weg. Men zal in betrekkelijk korte tijd kunnen komen tot een productie, die voldoende is voor iedereen. Men zal zelfs de tijd, dat men – vrijwillig dus – mag werken, op de duur moeten beperken, omdat eenieder als mens in die gemeenschap mee wil tellen en daarom werkzaam wil zijn, zelfs wanneer dit dus niet noodzakelijk is.  De getallenwaan, die tegenwoordig “prestige” inhoudt, is overigens ook niet afgestemd op koopkracht. De mens van heden haalt soortgelijke dwaasheden uit: hij wil steeds meer hebben en trekt zich er niets van aan, dat hij in feite voor dit meer in geld – getal – minder kan kopen in waarde.

Dit is de dwaasheid van uw dagen. Niet het verdienen, maar de vreugde in het werk en de mogelijkheid om redelijk te leven; niet het verdienen van “grote getallen”, die weinig betekenen, zijn van belang. En wanneer de toenemende automatisering u de kans op productief werk in de gemeenschap gaat ontnemen – wat niet denkbeeldig is – zal men op andere wijze zich verdienstelijk willen maken, door bv. voor de buren te witten en te behangen, kunstwerken te vervaardigen, met de hand producten te vervaardigen die niet machinaal zo en in die kwaliteit, vervaardigd kunnen worden enz.

Kortom, het gaat er dan niet meer om, dat u verdient, dat u in een arbeidsproces zonder meer bent ingeschakeld, maar het zal er om moeten gaan, dat u in de gemeenschap bent ingeschakeld en daarin iets weet te doen en te betekenen. Nu zal men dit misschien nog niet geheel kunnen verwerken, zelfs hier niet. Maar naarmate het aantal mensen op de wereld toeneemt en de technische mogelijkheden beter worden gebruikt, zal er steeds minder werk voor steeds minder mensen zijn in de algemene productie. Het aantal mensen, waarvoor geen werk is te vinden, of die onnuttig werk verrichten, zal dus steeds toe gaan nemen. Denk aan toestanden, zoals in Japan hebben bestaan: kranten werden door drie mensen tezamen uitgeven. De eerste schiep bijvoorbeeld: Tokio Shimbun De tweede droeg de dagbladen en vouwde deze, terwijl de derde aan de klanten een krant overhandigde en het geld in ontvangst nam. Gedrieën deden zij zo een werkje, wat door een eenvoudige automaat beter kan worden gedaan.

Dergelijke in feite onwaardige bezigheden werden de mensen opgelegd, omdat men nu eenmaal meent, dat eenieder moet werken voor zijn brood. Ik vind dergelijke dingen mensonterend, evenals het mensen met een schop in de hei aan het werk zetten om geheel overbodige taken te volbrengen, die een enkele man met een machine juister en sneller zou kunnen doen, alleen maar, omdat zo iemand toch geen genadebrood mag eten en voor zijn brood moet werken? Ik meen, dat dergelijke mensen zich thuis nuttiger zouden kunnen maken, wanneer zij en de andere mensen eindelijk eens af zouden zien van de ellendige relatie, die wordt gelegd tussen werken en eten.

  • Maar dan zou eenieder wel niets willen doen?

Doe eens een week lang werkelijk helemaal niets. U bent er ziek van. Kijk naar de mensen, die met pensioen gaan. Het eerste jaar willen zij misschien nog wel uitrusten, maar daarna lopen zij tot gek wordens toe achter moeder de vrouw aan of zoeken bezigheid, zelfs wanneer deze arbeid niet betaald wordt.

  • Welk optreden van de politie t.a.v. de recalcitrante jeugd – die veelal dagwerk maakt van demonstraties, welke lang niet altijd gemeend zijn – acht u gewenst en praktisch uitvoerbaar, rekening houdende met de mentaliteit van de handhavers van het gezag en de demonstranten?

Indien ik uit zou moeten gaan van de mentaliteit bij vele gezagsdragers, zou ik zeggen sla ze maar dood, maar zo, dat het niet opvalt. Dan heb je er geen last meer van. Want de mentaliteit van vele gezagsdragers benadert deze wat overdreven stelling toch wel zeer. Uitgaande van de demonstrantenmentaliteit zou ik zeggen: het beste middel is het afstropen van het broekje in het openbaar, een vernederend pak op de billen en uitgelachen en wel naar huis toe sturen. De meest juiste en meest praktische oplossing is echter eenvoudiger?

Doe niets, zolang deze jongeren niemand lastigvallen. Gebeurt dit toch, tracht dan duidelijk te maken, dat dit niet past bij hun leuzen, bij voorkeur als man tegen man. Praat liever een half uur met hen en laat hen de mogelijkheid hun denkbeelden te spuien, dan een half uur met hen op de vuist te gaan. Richten zij schade aan, neem eerst een foto, waarop men de daders of meerderen van hen kan identificeren, laat hen – of hun ouders – de gehele schade dan zonder genade betalen. Is er geen geld, dan kunnen de jongelui door karweitjes als bv. het reinigen van straten e.d. het nodige bedrag verdienen.  Kortom, wees gemoedelijk, laat ze wat hun gang gaan. Want wanneer u wat lachend, maar nooit hatelijk hun kinderlijkheid gadeslaat, zal er voor velen de aardigheid af zijn. Velen protesteren immers alleen om de ouderen te ergeren. Indien u hen deze schijnbaar onschuldige uitlaat gunt, zullen zij ofwel er snel genoeg van krijgen, dan wel overgaan tot handelingen, die zelfs voor hun soortgenoten duidelijk kenbaar een aanval zijn op de gemeenschap en haar belangen.

En in dat geval: niet slaan, oppakken met zo weinig mogelijk schade, maar zeer snel en zeer streng straffen, bij voorkeur niet met geldboete, maar wel door enige tijd verplichte arbeid, al dan niet gepaard gaande met dwang. Maar je moet nooit menen, dat je met een flink pak slaag zonder meer iets bereikt en zeker niet, zoals sommige geërgerde politiemensen wel doen, met een gummistok eigen ergernis uitleven en iemand, die je te hard naar je zin heeft laten lopen, in het geniep een paar flinke opdonders verkopen. Zoiets ruikt naar terreur en geeft m.i. blijk van een fascistische mentaliteit. Men bedenke verder, dat het gezag er niet is om ten koste van alles zichzelf en eigen aanzien te handhaven, maar slechts om er zorg voor te dragen, dat binnen de gemeenschap een redelijk samenleven mogelijk is.

Ik meen, dat bij vele demonstraties en “stunts” in feite niet de orde in de gemeenschap ernstig wordt verstoord, maar dat men ingrijpt uit drang tot machtshandhaving. Dit is het grootste gevaar m.i. Stuur de politie bij voorkeur dus zonder gummiknuppel en wapens op dergelijke rellen af. Maar als er eenmaal wapens bij de pas moeten komen, doe het dan meteen goed, grijp naar traangas e.d., waterkanonnen. Voorkom echter, dat de handhavers van het gezag de tegenpartij even lekker proberen af te rossen. Dit is m.i. het gezag onwaardig, onjuist tegenover de demonstrant en geeft aanleiding tot steeds grotere spanningen.

  • Zonder voortplantingsdrang zou de mensheid niet bestaan. Zij is m.i. een natuurlijk instinct, waar men niet tegen opgewassen is. Wat bepaalt deze voortplantingsdrang, die volgens mij de hoofdoorzaak van de overbevolking is?

Ik acht het onjuist, dat men spreekt van een voortplantingsdrang, implicerende de lust tot voortplanten. Indien dit waar zou zijn, zou u niet bestaan, daar men in het verre verleden lange tijd niet wist, dat geslachtelijk verkeer iets met de voortplanting te maken had. Men kan beter van een seksuele drang spreken. Daarbij gaat het niet om de voortplanting pour soi, maar om een genots- en prikkelingsorgie, waarbij men gelijktijdig zichzelf bewijst aan zichzelf en aan een ander. Dit laatste is de basis van de mentale prikkels. Nogmaals, indien er werkelijk van een voortplantingsdrang op meer bewust vlak sprake was, zou men de pil niet gebruiken, zouden fabrieken van bepaalde gummiwaren geen welvarend bestaan voeren etc. De mens kent een seksuele uitdrukking en noodzaak, die echter niet noodzakelijkerwijs en zonder meer aan het voortbrengen van nageslacht verbonden hoeft te zijn. De mens van heden is echter grotendeels nog opgevoed in de denkbeelden als dat alleen voortplanting de rechtvaardiging is voor elke uiting van seksualiteit. Hier schuilt de fout; zie verder mijn inleiding.

Om te besluiten: Te veel blijft men hangen hij het oude. De mentaliteit van tegenstellingen tussen arbeiders en werkgevers, het verzet tegen de pil enz. komen daaruit voort. Men zal een erkenning van de werkelijke noodzaken en morele waarden van deze tijd moeten vinden, voor men tegenover het probleem der overbevolking iets kan doen. Ik weet wel, dat kerken en partijen een dergelijke vernieuwing der maatschappij vol schrik afwijzen zich beroepend op eeuwige waarden, menselijkheid e.d. Maar in feite belazeren zij de zaak: hen gaat het om het behouden van hun invloed en macht, die onder andere morele normen en sociale inzichten wel eens zeer zou kunnen lijden.

Ten laatste nog iets over de dood van Martin Luther King. Deze mens geloofde in de mogelijkheid, – ook zonder anderen door geweld onnodig leed aan te doen -, met vasthoudendheid en durf, met zekerheid van het gerechtvaardigde van eigen streven, te bereiken wat noodzakelijk was. Deze mens is gestorven, zoals allen sterven, die  tegen de gevestigde orde en belangen in schijnen te gaan. Wij hebben dat gezien, toen Gandhi werd vermoord, toen Jezus werd vermoord. Er zijn dan wel leerlingen en volgelingen, maar die hebben niet meer het gevoel, dat zij vanuit zich dit kunnen doen. Zij offeren zich misschien wel op, maar niet in het besef van de belangrijkheid van hun daad, maar om hun meester na te volgen.

Wanneer de meester, de voorman, gedood is, ontstaat een organisatie, die een macht wordt en dogmatisch denkt: wij gaat vechten. Want u, mensen, hebt in wezen nog niet eens geleerd, met elkaar te leven. Daardoor kon de dood van een King plaats vinden. Denk nu niet, dat hetgeen daaruit voortkomt nu opeens ontstellende wereldomvattend zal zijn. Het is tragisch, het zal slachtoffers eisen. Het betekent de dood van meerdere duizenden Amerikanen, wit en zwart dooreen, het betekent geweld en dwaasheid, destructie, maar bovenal een zelfverwijt bij degenen, die dit hebben toegelaten, degenen die aansprakelijk zijn. Juist daarom zullen zij meer mensen gaan doden. Want iemand, die eenmaal een moord pleegt, brengt vaak zijn geweten tot zwijgen door voort te gaan op dezelfde weg. Denk ook niet, dat een enkele geestdrijver aansprakelijk is voor deze moord; het zijn de behoudzuchtige machten, die hier in wezen aansprakelijk zijn, zoals zij aansprakelijk waren voor de dood van Kennedy.

Dezelfde groepen spelen hier weer een rol op de achtergrond. Wanneer men deze groepen niet ontmaskert, zullen zij het waarschijnlijk zijn, die in de volgende 10 jaren uw wereld naar een oorlog drijven. Niet, door de dood van King, niet door het geweld, dat in toenemende mate hieruit voort zal komen. In de volgende maanden in geheel de USA, wordt uw wereld bedreigd door groepen, die niet aarzelen goede mensen te doden, wanneer zij menen, dat door dezen, hun goede plaats, hun gezag, hun bezit bedreigd wordt. Wanneer zij vrezen hun gezag en greep op de massa te verliezen, zijn zij zelfs tot gruwelijker dingen in staat. Voor hen is dienstbaarheid aan de gemeenschap een leuze, die alles goed praat. Maar de dienst aan de gemeenschap is voor hen het bevorderen van eigen belangen.

image_pdf