Problemen

uit de cursus ‘Praktische bewustwording’ 1958-1959

Bij een streven naar een meer praktische geestelijke bewustwording ontdekken wij dat er vele problemen bestaan van zeer verschillende ge­aardheid. De grootste moeilijkheid is vaak gelegen in het feit dat men zelf de geaardheid van zijn probleem en de oorsprong daarvan niet of onvoldoende zich realiseert. Daarnaast zijn er ettelijke problemen aan te wijzen die voortkomen uit een onvolledig begrip voor het leven of ook wel uit een onvermogen om in dit leven tot een zelfstandig streven te komen. Ik ben mij ervan bewust dat enkele van de punten die ik thans ga aanroeren, door velen van de hoorders en later ook de lezers wat onaangenaam gevonden zullen worden. Maar ik meen dat wij niet kunnen slui­ten zonder juist ook bepaalde problemen van bv. sociale en seksuele ge­aardheid, van religieuze geaardheid, verschillende vormen van hysterie en de projecties daarvan, ook te belichten. Want het gaat ons bij een praktisch streven naar geestelijke bewustwording niet alleen om mooie stellingen te verkondigen, maar ook om tot de kern van de zaak door te dringen en ons te realiseren, waarom wij streven en hoe het komt dat wij bin­nen dit streven een bepaalde richting inslaan.

Om dan te beginnen met het misschien minst aangename (de sociale en seksuele problemen) stel ik allereerst dit: in de moderne maatschappij is de seksualiteit enerzijds zozeer geprikkeld, anderzijds zozeer teruggedrongen van haar normale vlak, dat een aantal energieën in de mens geen of geen voldoende uitlaat kunnen vinden. De natuur zal trachten deze energieën op een andere wijze te doen ontladen. Het gevolg is dat wij een soort sublimatie daarvan krijgen en wij kunnen in vele gevallen stellen, dat zogenaamd “vergeestelijkt” zijn met seksuele aberraties en deviaties verknoopt is.

Wij moeten wel begrijpen dat de mens, die zich van de stof terugtrekt, daarvoor een reden moet hebben. De mens die zich werkelijk helemaal uit de stof zou willen terugtrekken in een geestelijk leven, heeft zijn eigen probleem gevonden in een voor hem of haar niet aanvaardbaar zijn van omstandigheden. En juist waar wij te maken krijgen met een opvoeding, die enerzijds ‑ zoals ik reeds zei ‑ seksualiteit, waardering in gezelschap, schoonheid van gestalte, aanvaardbaarheid van intellect als primaire eisen stelt, maar anderzijds de mens niet in staat stelt de aanwezige kwaliteiten op een voor hem of haar aanvaardbare wijze uit te leven, zien wij vanzelf dat deze mensen komen via een verdringingscomplex tot wat zij noemen “geestelijk streven”. In de plaats van de geliefde, die men begeert, treedt de geestelijke meester of de geestelijke leider. In de plaats van de rijkdom, die men op aarde niet kan bereiken of misschien bereikt heeft, zonder dat zij bevrediging kon schenken, stelt men geestelijke rijkdom. In de plaats van het scherp verstandelijk denken, waartoe men voelt niet in staat te zijn, stelt men een vage mystieke filosofie die dan op de duur ontaardt in een ontvluchting van alle werkelijke waarden. Ik stel deze problemen natuurlijk in het extreme. Maar enigszins zijn deze problemen te vinden bij praktisch elke mens die op jeugdige leeftijd ‑ dat moet ik erbij zeggen ‑ zich reeds aan het geestelijke werk wijdt met verwaarlozing van meer stoffelijke aspecten.

Toch moet ook voor degenen die door deze problemen gedreven worden, een oplossing bestaan. Die oplossing kan nooit gezocht worden in een onthullen van de waarheid, omdat dit hun leven waardeloos maakt. Wij komen er niet verder mee, wanneer wij ons realiseren dat al ons vergeestelijkt “gedoe” ten slotte niets anders is dan een innerlijk onbevredigd zijn en dat nog op zeer lichamelijke gronden. Wij moeten integendeel, waar de zaken nu eenmaal zo liggen, trachten te komen tot een verantwoord en praktisch geestelijk streven dat ons bewustzijn vergroot en daarnaast onze lichamelijke en geestelijke waarden in een zo goed mogelijke harmonie achterlaat.

Gezien hetgeen ik voorgaand stelde, meen ik dan als volgt te kunnen constateren: het is uit den boze, wanneer men het stoffelijke begint te verwer­pen, omdat men in dit geestelijke een grotere bevrediging vindt. Men moet zoveel mogelijk de normale stoffelijke wereld blijven zien en waarderen. Elk verwerpen van de wereld waarin je bestaat, bete­kent een verloochenen van jezelf, van je problemen en daardoor ook van je innerlijke bewustwording. Daarentegen is het zeer goed ons te reali­seren dat sommige tekorten in het leven ‑ mits niet leidend tot een vervreemding ‑ van eigen wereld en bestaan ‑ gebruikt kunnen worden om een praktische geestelijke bewustwording op een ander terrein mogelijk te maken en te vergroten. Eenvoudige raadgevingen daaromtrent zijn de volgende.

In de eerste plaats: het is noodzakelijk dat u zich geestelijk een doel kiest. Dat doel kan nooit liggen boven uw begripsvermogen. Het is niet verstandig het te stellen op meer occult of paranormaal terrein. Stel u dit doel in een begrip. Een begrijpen en een kennen van hetgeen waarover u zo graag praat, een vast gevormde en vast omschreven overtuiging die nooit een ander op de wereld veroordeelt en ook nooit het “ik” in een minderwaardig of meerwaardig postuur wil zien. Doet u dit, dan vloeit voor degenen die dus speciaal dit probleem hebben hieruit voort, een gemakkelijker aanpassing en omgang in de wereld.

In de tweede plaatst: een intensifiëring van het gedachteleven, waarbij het gevoelsleven zeker zijn deel krijgt en als stimulans kan dienen, maar waarbij het totale gevoelsleven niet meer wordt omgeven door fantasieën die in feite alleen een ontvluchting zijn van een niet gemakkelijk te dragen werkelijkheid.

Het tweede punt dat ook al niet erg plezierig is, is eveneens van sociale origine. De mensen zijn langzaam maar zeker gegroeid tot kuddedieren. Deze gemeenplaats is helaas maar al te waar. Om goed te kunnen denken moet een mens in staat zijn, zijn gedachten uit te spreken. Om dit goed te kunnen doen, heeft hij een begrijpend gehoor nodig. Om in zijn le­ven iets te kunnen betekenen, moet een mens de waardering van anderen voelen. Om tevreden te zijn, moet de mens zich enigszins benijd weten door anderen. En zo kan ik doorgaan. Het is logisch dat een mens die op een of andere wijze in de gemeenschap zelf niet geheel past (hetzij door de omstandigheden, de familie waartoe men behoort, het beroep dat men uitoefent, hetzij door andere misschien minder voorkomende oorzaken), altijd weer zal trachten om in de plaats van dit teloorgegane verband met de gemeenschap een ander verband te stellen. Ook hier krijgen wij te maken met mensen die vele schijnbare normale begaafdheden hebben. Wij krij­gen te maken met mensen die wat wereldvreemd worden en wier wijze van doen hen in eigen ogen tot ingewijden, in de ogen van de wereld meestal tot dwazen maakt. Er zijn o.m. te noemen: mensen die voortdurend stemmen horen en die stemmen begeren te horen. Mensen, die voortdurend zien wat een ander niet ziet, mensen die voortdurend ingevingen hebben, inspiratie, of wier wegen voortdurend geleid worden door geestelijke krachten. U zult zeggen: “Maar die dingen komen toch werkelijk voor.” Zeker… Maar een groot gedeelte daarvan is het resultaat van een sociale aberratie, waarbij men ‑ zich niet volwaardig voelend in de gemeenschap of zich verlaten gevoelend in de gemeenschap ‑ tracht het gevoelde tekort aan te vullen door al dan niet imaginaire geestelijke vrienden.

Het is duidelijk dat u op aarde leeft om met de mensheid te leven, niet om bij voorkeur met geestelijke vrienden om te gaan. De geest mag een aanvulling zijn van de stoffelijke wereld, zij kan en mag echter nooit in de plaats treden van de stoffelijke wereld. Gebeurt dit toch, dan ontstaat een grote bewustwordingsfout, waar men in de eerste plaats niet zelfstandig leeft (men laat zich leven door de leiders, de stemmen, de vrienden), in de tweede plaats beschouwt men de wereld en de gebeurtenissen daarin niet meer zoals een mens die behoort te verwerken en te beschouwen. Het resultaat is duidelijk. Scherpe vertekening in de bewustwording, remming bij de ontwikkeling van eventueel werkelijk aanwezige capaciteiten. Het is daarom voor de mensen die dit in enigerlei mate erkennen als hun eigen probleem, wel allereerst een noodzaak dat zij leren zich te bewegen tussen andere mensen. Daar moet vaak een zekere weerzin voor overwonnen worden. Men zal moeten leren praatjes aan te horen die men misschien leeghoofdig vindt. Men zal zich moeten gewennen aan een drukte, die men ‑ in het begin althans ‑ zeer oncomfortabel vindt. Men zal zich moeten dwingen met mensen om te gaan, die men niet sympathiek vindt. Maar het is nu eenmaal nodig dat u contact hebt met een redelijk aantal medemensen. Zonder dat kunt u als mens niet volledig leven.

In de tweede plaats is het nodig dat u de normale mensen op tenminste gelijk vlak stelt als uw waarnemingen. “Waarnemingen” bedoel ik hier dus in meer paranormale zin. Het kan heel goed zijn dat er vrienden uit de geest zijn die zich aan u tonen of die tot u spreken. Maar zij mogen en kunnen niet in de plaats treden van de werkelijke wereld. Eerst door dit te beseffen en daarnaar te handelen kan men komen tot een vergroting van bewustwording.

Een volgend probleem als derde punt: bij zeer vele mensen vinden wij bij een zoeken naar geestelijke bewustwording enkele remmingen die voortkomen uit hun religieuze opvoeding. Men is strenggelovig opgevoed en kan zich onderbewust van de voorstelling die men als kind leerde, niet vrijmaken. Men beoordeelt de wereld ‑ zowel van de stof als van de geest ‑ aan de hand van deze religieuze maatstaven die men in het bewustzijn zelf ontkent. Het gevolg is een strijdigheid tussen hetgeen u meent te moeten zeggen en hetgeen uit uw innerlijk opwelt. Duidelijke tegenstrijdigheid is alleen te overwinnen door bewust dit geloof dat nog zolang bij u doorwerkt als basis te nemen van uw verdere ontwikkelingen op geestelijk terrein. Ook wanneer dat geloof, bijgeloof was. Ook wanneer dat geloof absoluut onredelijk was. Indien het u voortdurend blijft beïnvloeden, is het beter het gevaar in de ogen te zien dan door vaagheden, ingevingen en irrationele handelingen aan het probleem te ontvluchten.

De mens heeft behoefte aan geestelijke vrijheid, maar hij kan zich niet altijd vrijmaken van de invloeden die in zijn jeugdjaren zijn opgetreden. Het gevolg is dat de behoefte naar vrijheid moet zijn aangepast aan de mogelijkheden van het eigen wezen. Iemand met een streng katholieke opvatting, die door zijn opvoeding ook nu nog een katholiek standpunt inneemt (of wat dat betreft bv. gereformeerd is opgevoed), zal voor zichzelf moeten voorkomen dat hij of zij in het openbaar mediamieke kwaliteiten naar buiten brengt. Ge zult zeggen: “Dat is dwaas.” Toch niet. Want innerlijk gebruikt. Ge beschouwt deze dingen met twijfel. Door deze twijfel en onzekerheid bestaat zowel voor de uiting gevaar als ook voor het ontstaan van schuldgevoelens die weer van de werkelijkheid afbuigen en dus de bewustwording in een verkeerde zin doet plaatsvinden.

Natuurlijk zijn deze problemen wel de meest onaangename. Zij liggen nl. enigszins buiten het kader van hetgeen u waarschijnlijk hier hebt verwacht. Om u gerust te stellen: mijn volgende punten liggen dan meer in de lijn van hetgeen u kent, overweegt en verwacht. Dan wil ik allereerst een zojuist te berde gebracht punt hier verwerken.

Punt vier zegt: Het is noodzakelijk zich een geestelijk doel te kiezen. Maar hoe, waar en op welk vlak? Het antwoord op deze vraag is niet te geven voor iedereen. Want een gemeenschappelijk antwoord zou onjuist zijn, waar het bij allen een gelijke graad van bewustzijn en een gelijke mo­gelijkheid tot verdere bewustwording zou veronderstellen. Maar het sim­pelste geestelijke doel dat iedereen zich stellen kan is: de innerlijke wetenschap dat iets “goed” is. Dat is het eerste doel dat u zich gees­telijk kunt stellen, want goed is voor u de identificatie met God. Zo is voortdurend streven naar goeddoen, goed-zijn in feite niets anders dan een versterken van de innerlijke relatie die men heeft met het Goddelij­ke. En als zodanig brengt het met zich een steeds grotere erkenning van goddelijke waarden in het totale leven.

Maar wanneer wij wat verder komen, willen wij meer dan alleen naar het goede streven. Wij willen redenen en oorzaken kennen. En dan is er wederom een regel, die ons helpt naar eigen gedachten en eigen ontwikkeling ons een doel te nemen. Wij erkennen allen bepaalde goddelijke wetten. Laat ons als doel stellen deze wetten te erkennen.

Niet alleen is dit voor de bewustwording zeer bevorderlijk, maar het brengt ook de mogelijkheid met zich mee juist door de kennis van deze wetten te komen tot een geestelijke en stoffelijke activiteit, die ook de zgn. para­normale gebieden omvat.

Voelen wij echter deze wetten als bekend in onszelf, dan zullen wij nog een stap verder moeten gaan. Wij kiezen ons geestelijk doel dan in de richting van erkenning van hogere werelden. Dat houdt in dat wij trach­ten voortdurend te erkennen waar de hogere wereld ingrijpt (en dat kun­nen wij alleen doen wanneer wij eerst de goddelijke wetten kennen), en wan­neer wij dit beseffen, trachten wij ons eigen standpunt te bepalen en vol­gens eigen beste weten en bewustzijn mee te werken met de geestelijke krachten die wij als goed erkennen. Binnen deze drie door mij geciteerde voorbeelden kan eenieder zich een weg kiezen.

Ik vermoed dat het voor de meesten al moeilijk zal zijn om de afdeling A. geheel te volbrengen en dat er slechts weinigen zijn, die zich boven de afdeling B. kunnen verheffen.

Een ander probleem ‑ het vijfde punt van mijn betoog ‑ is er speciaal één van degenen die het paranormale verschijnsel al wat nader hebben le­ren kennen. Zij hebben een geleide-geest, zij doen waarnemingen, zij spreken of schrijven mediamiek, kortom zij werken op enigerlei wijze samen met gees­telijke krachten. En nu vragen zij zich af: is dit nu wel betrouwbaar? Een probleem dat moeilijker is dan velen op het ogenblik misschien beseffen. Want enerzijds is de mens misschien geneigd om de “hogere leiding” volledig te accepteren. Anderzijds is diezelfde mens geneigd om de ver­antwoordelijkheid van zich af te wentelen, maar de gevolgen voor zichzelf voortdurend te beoordelen. Het is hieruit dat hoofdzakelijk de vraag komt: heb ik dit nu goed gehoord, heb ik dit nu goed gezien?

Het spijt mij zeer dat ik u daar geen altijd passende proef voor kan geven. Ik kan u alleen een raad geven en dat is deze: wanneer u op enigerlei wijze geïnspireerd wordt of u geholpen voelt, vertrouw dan allereerst op uw eigen middelen en mogelijkheden. Wanneer die waarschuwing aan uzelf is gericht, houd er rekening mee. Wanneer u een waarschuwing voor een ander wordt gegeven of een opdracht, tracht na te gaan of die opdracht juist is. Begin niet met een vol enthousiasme te vertellen wat de geest u heeft opgedragen, maar onderzoek voor zover het mogelijk is. En wanneer u niet zeker bent, wanneer u enigszins twijfelt, zeg liever: Ik meen dat ik zus of zo heb gehoord, gezien, ontvangen, dan dat men dit tegenover de buitenstaander met grote zekerheid geeft, gelijktijdig innerlijk door twijfels gekweld. Voor de bewustwording is deze handelwijze de enig juiste, waar juist eigen vermogen en middelen plus de gebeurtenissen u steeds scherper zullen doen zien waar geestelijke invloeden zuiver en juist zijn en waar ze falen. Op de duur brengt dit met zich mee dat u met de geestelijke wereld kunt leven, niet als slaaf of slavin, niet als meerdere, maar als gelijke die vanuit een ander standpunt komende raadgevingen heel graag aanvaardt, er rekening mee houdt en toch zijn eigen leven leeft.

Het zesde punt voert ons weer naar de meer stoffelijke problemen. En misschien ook wel naar de problemen die wat minder aangenaam klinken. Wij kennen allen het woord hysterie. Door misverstanden wordt het wel eens zuiver op het seksuele of op het gemoedsleven betrokken. Dan begrijpt men niet dat daarnaast nog vele andere vormen bestaan. Laat ons zeer eenvoudig stellen dat hysterische verschijnselen in verband staan met bepaalde klierafscheidingen en dat door deze verschijnselen een niet normale reactie op de omgeving en op de wereld plaats kan vinden. In sommige gevallen kan hysterie de gevoeligheid zeer vergroten of wel de suggestibiliteit van de persoon tot haast ongekende hoogten opvoeren. Van jezelf weet je zelden of nooit of je regelmatig aan deze kwaal lijdt. Komt echter incidenteel een vlaag van deze stemmingen voor, dan zult u meestal in staat zijn ze te erkennen.

De grote vraag is nu: zijn tijdens dergelijke hysterische toestanden ontvangen visioenen, beelden, boodschappen, opdrachten e.d. waardevol. Kunnen zij betekenis hebben? Het antwoord op dit probleem is betrekkelijk eenvoudig. Hysterie voert o.m. ‑ zoals ik reeds zei ‑ de gevoeligheid maar ook de suggestiviteit zeer sterk op. Een hysterisch persoon kan door de omgeving bewogen worden tot het constateren van paranormale feiten die eigenlijk niet bestaan en via het astrale vlak dat vanuit elke mens bereikbaar is, zelfs tot het produceren van paranormale ver­schijnselen die niets maar dan ook niets met de wereld van de geest te maken hebben.

Het is voorgekomen dat innerlijke gedachten en verlangens zich juist in dergelijke ogenblikken van hysterische spanningen openbaarden als een woord Gods of een opdracht van engelen. In de geschiedenis kunnen wij vele voorbeelden vinden van personen die juist tijdens een dergelijke toestand (dus eigenlijk een overprikkeling) kwamen tot het stellen van daden op het gezag van goden. De daden lopen betrekkelijk ver uiteen. Er bestaan nl. mensen die onder een dergelijke invloed komen tot moorden en mensen die in een dergelijke toestand komen tot ongelooflijke daden van zelfopoffering. Wij kunnen niet zeggen dat de toestand als zodanig kwaad is, maar wel dat boodschappen die tijdens een dergelijke toestand of door een praktisch voortdurend zo zijn, persoonlijk worden ontvangen, alleen dan waardevol kunnen worden geacht, wanneer ze voor ons volkomen verstande­lijk en redelijk volgbaar en begrijpelijk zijn. Dat betekent niet dat het een Aap‑Noot‑Miesboekje moet zijn, het kan heel goed dat het een formule is, waarover wij moeten nadenken. Maar eerst wanneer dit werkelijk zin heeft en mogelijk lijkt ook volgens stoffelijke maatstaven, is men gerechtigd dit volledig te aanvaarden.

Ter geruststelling van degenen die misschien met deze problemen worstelen, wil ik erbij vertellen dat de beste vormen van mediumschap maar ook van martelaarschap, heldenmoed, ja, zelfs leven als heiligen of asceten, vaak uit dergelijke impulsen voortkomen. Onbeheerst mediumschap is praktisch 99 ten 100 te wijten aan hysterie, beheerst mediumschap toch al­tijd nog voor ongeveer 25 %. Boodschappen in die toestand ontvangen, kunnen dus zeer wel redelijk en betrouwbaar zijn. De visioenen die men aanschouwde, zijn niet zinloos zonder meer maar kunnen een grote in­houd hebben. De mens, niet in staat zijnde hierover zelf te beslissen, zal echter zonder de gegevens daarom minder waar te achten, deze rede­lijk moeten bezien en datgene wat daaruit redelijk aanvaardbaar naar voren komt volgens zijn eigen ervaring en kennis in praktijk moeten brengen.

Er zijn natuurlijk nog veel meer punten. Ik kan mij voorstellen dat iemand zich afvraagt: ja, maar moet ik dan niet geboren zijn voor het gebruik van geestelijke gaven? Kan eenieder die verkrijgen?” Wanneer ik hier zonder meer “ja” op zou zeggen, zou de doorsnee mens, die, die ga­ven niet bezit, zich ongetwijfeld minderwaardig achten, indien hij deze begeert. Toch is het antwoord eigenlijk wel “ja”, maar er hoort iets bij, een beperking. Elke mens kan en zelfs in sterke mate, paranormale eigenschappen in zichzelf bevorderen en stimuleren. Men kan leren deze te gebruiken en te beheersen. De training die hiervoor nodig is, is echter betrekkelijk groot en intensief. Zodra men dit half doet, zijn de resultaten nul. Alleen een volledige inzet van de gehele persoonlijkheid gedurende een langere tijd garandeert dus een dergelijke ontwikkeling. Degenen die erfelijk gepreconditioneerd zijn voor grotere gevoeligheden, hebben het iets gemakkelijker. Zij zullen vaak schijnbaar zonder enige moeite begaafdheden demonstreren, die een ander na veel strijd verwerft. Men vergeet echter niet dat hier niet alleen stoffelijke maar ook geestelijke inhouden meespreken. Zodat degene, die geen occulte of paranormale begaafdheden bezit en deze wel begeert, maar daar niet vijf jaren van zijn leven aan wil geven, zich zeker niet minderwaardig behoeft te achten t.o.v. de wel paranormaal begaafden, maar zich moet realiseren dat de beperkte poging ook alleen een zeer beperkt resultaten kan baren.

Er zijn veel problemen, inderdaad. Wij horen de vraag: “kan iedereen dan genezen?” Ja, iedere mens kan geestelijk genezen. Maar om dit werkelijk te kunnen, moet je een volmaakt vertrouwen in jezelf hebben, in de kracht waarop je je beroept en in de patiënt een soortgelijk vertrouwen weten te wekken. Dan ‑ maar ook alleen dan ‑ is het mogelijk alle voorkomende ziekten langs geestelijke weg te genezen. En zelfs hier treedt soms traagheid op. Een volmaakt geloof en een volmaakt zelfvertrouwen bezitten weinigen. Verbaas u dus niet, wanneer uw resultaten nul zijn of althans in uw eigen ogen onbelangrijk. Maar realiseer u wel dat u door juist bij onschuldige gevallen te oefenen, door daar te oefenen waar u uw resultaten kunt toetsen (bv. door medisch onderzoek), meer zelfvertrouwen kunt krijgen en zo langzaam maar zeker kunt komen tot een directe praktijk van geestelijk genezen door middel van magnetisme, handoplegging ed. Deze dingen zijn geen waanzin. Ze bestaan zeer zeker.

Maar….dit punt hangt dus wel van maren aan elkaar…men kan nooit de verantwoordelijkheid op zich nemen voor anderen, voordat men een volmaakt zelfvertrouwen heeft, terwijl men niet blind is voor eventuele mislukking. Het heeft geen zin mislukkingen weg te praten. Eerst wanneer men deze erkent voor wat ze zijn en dan toch nog zelfvertrouwen genoeg behoudt om verder te gaan, kan men werkelijk op dit terrein iets bereiken.

Een laatste punt, voordat ik meer uw eigen problemen aan het woord laat komen ‑ zo u deze althans reeds nu wilt stellen ‑ is dit: de praktische geestelijke bewustwording berust op een zeker weten. Is weten nood­zakelijk? Moeten wij grote kennis hebben om geestelijk verder te komen? Neen. In vele gevallen kan een te veel aan kennis zelfs verwarrend en daar­door vertragend werken op een geestelijke bewustwording. Kennis heeft al­leen dan zin, wanneer ze gebruikt kan worden binnen het kader van een wereldomvattend beeld, volgens hetwelk men zelf reageert, zonder zich daarbij aan zijn eigen wereld en de consequenties daarvan te onttrekken. Wanneer u aanvoelt wat waar is en wat niet waar is, dan reageert u net zo selectief, vaak even betrouwbaar en zeker voor uzelf bevredigender en juister dan de mens, die alles uitpluist en redelijk overweegt. Wanneer uw geaardheid dus niet zo is, dat dit laatste voor u een noodzaak is, wees dan tevreden met hetgeen u begrijpen kunt. Maar ontloop de kennis niet. Zeg niet: “Voor mij is dit niet noodzakelijk.” Verwerf de kennis op uw eigen wijze desnoods in stilte, zonder dat iemand anders er iets van weet. Maar zorg dus dat uw begrip voor geestelijke waarden zowel als stoffelijke mogelijkheden zich voortdurend uitbreidt.

Zorg dat u niet vervreemdt van uw eigen wereld. Het is niet noodzakelijk om elke dag de krant te spellen. Het is wel noodzakelijk dat u weet wat er in uw wereld nu eigenlijk gaande is. En dat geldt zowel de wetenschap, de ontdekkingen, misschien uit de oudheid, als de nieuwste politieke ontwikkeling. Eerst wanneer u een begrip hebt van de wereld, waarin u leeft, zult u een praktische geestelijke bewustwording met goed resultaat kunnen doorvoeren en zult u ‑ ongeacht de uitgebreidheid van uw kennis ‑ door een aanvoelen van juiste waarden de juiste handeling op het juiste ogenblik leren stellen en daarmede dus beantwoorden aan de kosmische kracht die u op deze aarde heeft gesteld

Na deze opsomming komen wij onwillekeurig tot problemen, die zich niet laten definiëren en onderbrengen, omdat ze zo met elkaar vervloch­ten zijn en ons heel vlak zouden misleiden, wanneer wij ze alleen zouden willen bezien. Het is een feit dat mens zowel als geest tijdens hun be­wustwording in een vaste verhouding staan t.o.v. de kosmos. Die verhou­ding kan men slechts wijzigen door verandering in bewustzijn. Bewust­zijn, kosmische harmonie plus plaats in de kosmos zijn dan ook van een directe samenhang en voor elkaar van een grote en niet te vervreemden belangrijkheid. Wanneer wij ‑ zoals ik reeds heb getracht te doen ‑ ver­schillende problemen uit elkaar rafelen en afzonderlijk bezien ‑ dan komt de vraag: hoe kan ik deze dingen bij mijzelf ontdekken? Hoe kan ik eigen­lijk weten hoe ik tegenover God sta? Hoe kan ik weten wat mijn werkelijke plaats en mijn werkelijk doel is in de wereld? En een direct antwoord daarop moet noodgedwongen uitblijven. Want niemand kan u zeggen wat uw plaats is in de wereld. Dat kunt u alleen zelf. Niemand kan u precies vertellen, of u in harmonie of disharmonie leeft met uw omgeving. En niemand kan u vertellen welke krachten er op u inwerken. Dat zult u zelf moeten ontdekken.

Er zijn echter wel weer bepaalde aanwijzingen te geven, die misschien behulpzaam kunnen zijn. Er zijn nl. proeven. Probeer eens vast te stellen, wanneer u met een ander praat, of u ook over hetzelfde praat. Heel vaak spreekt men gelijke woorden, maar verbergt men daarachter zo differente inhouden, dat het haast onmogelijk is tot een begrip te komen. Als u met de mensen spreekt en u bemerkt na enig nadenken dat ze niet antwoorden op hetgeen u hebt bedoeld te zeggen, dan bestaat er een gebrek aan communicatie tussen u en de wereld. En dat betekent dat er op enigerlei wijze een scheiding moet zijn tussen u en die wereld, die overwonnen moet worden. Te definiëren van welke geaardheid ze is, zal voor sommigen moei­lijk zijn. Zoveel te moeilijker vaak, omdat men zelf geremd is en niet tot uiting wil brengen wat men in feite aanvoelt, wat men in feite meent. Iets, wat onder ons gezegd eigenlijk vaak de beste weg zou zijn. Wij moeten dus wanneer wij bemerken dat onze medemensen ons niet begrijpen, zoals wij het bedoelen of niet willen begrijpen, zoals wij het bedoelen, ons afvragen: waarom dit verschil. Ligt het aan mij, of ligt het aan de ander. En als we dan onszelf altijd     50 % schuld geven, ook al vinden wij dat de ander eigenlijk helemaal schuld heeft, dan leren we zo de wereld benade­ren en komen door een perfectie van begrip in en tegenover de wereld vanzelf tot een grotere harmonie met die wereld.

Hetzelfde is het met de verplichtingen want wij hebben een plaats. Maar wat is die plaats? Soms meen je dat je geschapen bent om grote dingen te doen. En in feite ben je alleen maar een stijgbeugeltje, waardoor een ander zich op het paard kan werken. Dus je weet heel vaak niet waarvoor je dient. En eerst heel langzaam word je, je ervan bewust, wat je leven eigenlijk betekent. Meestal wanneer het al bijna voorbij is. Maak je niet te druk over de plaats die God je geeft in de wereld of dat wat je in de kosmos betekent. Want daaraan kun je zelf niets veranderen tenzij door een bewustwording, die gelijktijdig een juiste omschrijving van je doel en je plaats in de wereld mogelijk maakt. Accepteer alleen dit: er kan op de wereld niets gebeuren, wat niet krachtens Gods wil (dus de plaats, waarop God u heeft gesteld) en uw eigen handelen tot stand kwam. Ook die windhoos die u misschien getroffen heeft en u van uw bezittingen beroofde. Die overstroming, waarop u niet gerekend had. Die aanrijding of die massabeweging, die u te laat deed komen. Al deze dingen staan in direct verband met uw eigen plaats in de wereld, in direct verband met een kosmische harmonie. Zij zijn er niet om ontkend of verdreven te worden. Wel om te worden aangepast aan uw eigen begrip van juist en goed op een zo goed en zo snel mogelijke wijze.

Probeert u dit dus. Tracht steeds in overeenstemming te komen met de gebeurtenissen. Verzet u niet tegen datgene, waaraan u niets kunt doen. Wees niet bitter over wat u overkwam, indien het niet uw eigen schuld was en dus zelfverwijt kan optreden. Aanvaard het gebeuren waarin u staat zoals het is. Tracht niet de wereld te verbeteren, maar tracht voor uzelf binnen die wereld steeds meer te beantwoorden aan ’t in u levende ideaal van de bewuste en de goede mens. Doe dit zonder u van die wereld te verwijderen en u zult een goed resultaat boeken.

En dan hebben wij natuurlijk ook nog dat grote probleem van God. Is er een God, bestaat er een God? Is God voor mij bereikbaar? In feite komt dat probleem heel vaak voort uit de behoefte een autoriteit of een medestander te kennen in het leven. Maar hoe het zij, wij moeten voor onszelf het Gods-probleem oplossen. En nu kunnen wij wat dat betreft naast dat Gods-probleem meteen een ander stellen. Is er een hiernamaals? Is er een geest en bestaat er een geest, zoals men zegt? Zal ik voortbestaan? En hoe zal ik voortbestaan? En ook deze problemen komen onder hetzelfde hoofd.

Het is moeilijk daarvan een uitleg te geven. Maar mens, wanneer je in een God kunt geloven, wees er dan gelukkig mee en vertrouw op die God. Wanneer je er niet in kunt geloven, geloof dan in het goede, in het beste wat je je kunt voorstellen. Dan benader je op deze wijze ongetwijfeld de kosmische werkelijkheid méér dan een mens die aan een God zegt te geloven, maar handelt alsof er geen God ware.

Met dat hiernamaals is het al precies hetzelfde. Natuurlijk, er bestaat een wereld na de dood. Dat weten wij, maar dat weet u niet. Dat is voor u altijd nog een vraag. Een vraag waarop u met een innerlijke zekerheid “ja”, kunt antwoorden misschien, maar waarvoor u geen feitelijke bewijzen kunt aanvoeren. Evenmin als voor het bestaan van een God. Indien u gelooft in een wereld in het hiernamaals, dan is het logisch dat u wat gemakkelijker leeft. Want u hebt alle tijd, het leven gaat verder, ook wanneer u sterft. Aan de andere kant zult u ‑ juist omdat dat leven voortgaat ‑ minder opzien tegen de ongemakken, die in deze wereld bestaan. Wanneer u dus geloven kunt in een hiernamaals, wees er gelukkig mee. Maar handel alsof deze wereld de enige wereld ware waarin u op dit ogenblik iets zou kunnen doen. Het is heel mooi wanneer u wilt zorgen voor de broeders en de zusters in de geest, die lijden. Maar het is belangrijker dat u zorgt voor de mensen die lijden op de wereld. Dat andere komt vanzelf wel wanneer het noodzakelijk is. Dat behoeft u niet te zoeken. Wanneer u en met uw zoeken naar God en met uw zoeken naar een hierna­maals rekening houdt met deze wereld waarop u nu moet leven en voor­al deze wereld nooit prijsgeeft voor iets waarvan u misschien niet eens zeker bent, maar waarop u alleen hoopt, dan zult u daardoor een maximum aan bewustwording kunnen opdoen. Daarmee ben ik wat mijn problemen betreft eigenlijk zowaar uitgesproken. Wat ik hier nog verder zeg, hoort dan ook niet geheel bij het eigenlijke onderwerp.

Mijne vrienden, in die praktische bewustwording hebben wij niet alleen gezocht naar een paranormaal bereiken, hoop ik. Niet alleen gezocht naar een verder komen in datgene, wat ons interesseert. Ik hoop dat wij in de praktische bewustwording het belangrijkste hebben leren beseffen van het hele leven op aarde of elders. Het vermogen om in harmonie met het totaal van alle werelden te werken. Het totaal van alle werelden, maar dan zoals ze bestaan, geopenbaard worden of kenbaar worden in uw eigen wereld. Want daar gaat het om.

Het is helemaal niet zo belangrijk of we nu helderziend worden of niet. Dat kan voor onszelf misschien aardig zijn. Maar aan de wereld verandert het weinig en voor onszelf kan het zeker niet meer uitmaken dan een betrekkelijk kleine reeks van ervaringen. Waar het om gaat is dit: kunnen wij in een stoffelijk leven alle invloeden, die van buitenaf bestaan (invloeden uit de kosmos, invloeden van geesten, een gevoeligheid van ons eigen wezen, dat op verscheidene vlakken gelijktijdig ervaart misschien), samenbrengen tot één harmonisch geheel. Kunnen wij de strijd die in ons bestaat tussen stof en geest, niet eindelijk delgen?

In de reeks betogen, die u heeft gehoord, hebben wij zeker niet getracht u te verwijderen van uw eigen werkelijkheid en uw eigen wereld. Wij hebben alleen getracht u een inzicht te geven in de mogelijkheden die bestaan. We hebben getracht u iets te tonen van wat je kunt zijn en wat je kunt doen. De twee jaren dat wij nu over deze onderwerpen gesproken hebben, brengen deze cursus a.h.w. tot een einde. Natuurlijk, wij gaan verder. Want er is altijd méér te zeggen. En wat gezegd moet worden, kan duizendvoudig op andere wijzen worden herhaald, totdat het in u is doorgedrongen en daar onwrikbaar met u één is geworden. Maar we hebben in deze tijd geprobeerd, u te laten zien, hoe de wereld van de geest in uw eigen wereld ingrijpt. We hebben getracht u aan te tonen hoe er invloeden zijn, waar u niet tegen op zou kunnen. En hoe u zich tegen andere invloeden daarentegen betrekkelijk eenvoudig kunt verweren. We hebben getracht u aan te tonen hoe u uw hele wezen actief moet maken en niet alleen maar een klein deel daarvan ‑ alleen maar het stoffelijk deel daarvan – moet gebruiken.

Wanneer ik nu ‑ na dit spreken over enkele problemen ‑ alles tracht samen te vatten, grijp ik onwillekeurig toch naar de taal van de esoterie, ofschoon ik u zo-even nog de raad gaf: blijf dicht bij de grond, grijp niet te ver en grijp niet te hoog. Dat ligt aan mijn wezen, niet aan u. Want zo kan ik een uitdrukking geven aan datgene wat wij allen die aan deze cursus hebben meegewerkt, beoogden.

Er is een kosmos, eeuwig en onveranderlijk. In die kosmos bestaan wij. In een tijdseffect dat misschien een waan is, maar voor ons een voortdurend beleven noodzakelijk maakt. Van wereld tot wereld zullen wij gaan en in elke wereld zullen wij opnieuw datgene beleven, wat voor ons is: God, goddelijke wil, goddelijke kracht. Telkens anders en toch altijd weer gelijk. Wij zullen uit de vele verschillende waarden ten slotte de les moeten trekken dat alles gelijk is. God spiegelt zich in zijn schepping en de schepping, spiegelt zich in God. Er is geen verschil. Wanneer wij ons bewust worden van de eenheid die wij hebben met de Schepper, zal de Schepper Zich bewust zijn van de eenheid met ons en zal er geen scheiding meer bestaan.

Wij moeten realist zijn in elke wereld, omdat die wereld, zoals ze is en met de waarden die ze brengt, ons in staat stelt iets meer omtrent God te leren. Maar om de les goed te verstaan zullen wij ons vooropgezet oordeel terzijde moeten stellen, erkennende dat niets kan bestaan buiten de kosmische Werkelijkheid, buiten het Al-scheppend Vermogen. Daarin zullen wij alle dingen terugvinden. En onze houding en ons oordeel en veroordelen kan nooit betekenen: dit is goed of dat is kwaad; maar slechts zo definieer ik mijn plaats binnen de Schepper. Laat ons dan die plaats zo goed definiëren dat wij in ons de vreugde kennen die uit een harmonie met onze Schepper voortvloeit. Dat is het wat wij hebben getracht uiteindelijk voor u mogelijk te maken. Dat is de lering die ligt achter al hetgeen wij u zeiden. Wij hopen dat u daar iets aan hebt gehad.