Psychokinese en helderzienheid

uit de cursus ‘Occulte praktijk’ (hoofdstuk 2) – november 1965

Psychokinese en helderzienheid

Wij weten dat zeer vele geheimen en tempelgeheimen uit de oudheid toch in directe overeenstemming zijn met verschijnselen, die wij vandaag occultisme noemen.

Zeer bekend zijn de z.g. vroege priesters van Isis geweest. Maar vooral wat psychokinese betreft, waren de priesters van de tempels en de school van Thoth zeer beroemd. Ook elders in de oudheid kunnen wij in de geheimen (vaak omschreven als magie) deze occulte waarden en hun gebruik terugvinden.

Het heeft weinig zin u die oude inwijdingslessen hier door te geven. Zoals reeds in de eerste les werd opgemerkt: een geheim heeft alleen macht, zolang het een geheim blijft; en dat heeft men in de oudheid zeer wel begrepen. Zelfs vandaag zijn er vele mogelijkheden, die wij toch wel onder occultisme zouden kunnen rekenen, die angstvallig worden geheim gehouden, bv. door enkele hiërarchisch ingedeelde kerken.

Laat ons dan allereerst psychokinese nemen, aangezien dat één van de verschijnselen is, die over het algemeen alleen onbewust wordt voortgebracht.

Onder psychokinese verstaat men: het aanraken of beroeren, het behandelen of hanteren of verplaatsen van voorwerpen op afstand.

Als een mens in normale toestand naar iets wijst, dan zal hij dit niet werkelijk beroeren. Hij blijft geconcentreerd op zichzelf en op de realiteit van zijn wereld. Op het ogenblik echter, dat om de een of andere reden zijn wil of zijn voorstellingsvermogen deze begrenzingen van het “ik” zou kunnen doen wegvallen, is het mogelijk dat hij desnoods over een afstand van vele meters een voorwerp beroert of verplaatst.

Dit wordt toegeschreven aan een uitstraling: het ectoplasma. Dat is natuurlijk maar een naam. Om te begrijpen wat zich hierbij afspeelt, moeten wij bedenken dat het totaal van de processen, dat zich in de mens afspeelt (dus zenuwreacties, gedachteprocessen zowel als ook de zuiver lichamelijke omzettings‑, afbraak‑ en opbouwprocessen) een bepaalde hoeveelheid energie vrijmaakt. Normalerwijze wordt een groot gedeelte van deze energie enerzijds in de vorm van warmte, anderzijds in de vorm van spierbewegingen verbruikt. Als ik in een toestand verkeer, waarin ik deze bewegingen niet maak en mijn bewustzijn het voortbrengen van deze bewegingen niet in het “ik” erkent, zal de totale energie, die zich in het lichaam bevindt (dus ook inhoudende de energie van het spierstelsel), kunnen worden afgevoerd via de kanalen van het denken. Om in moderne termen te spreken: U kunt hier de wil, de gedachte of de begeerte beschouwen als een draaggolf, terwijl de werkelijke energie, die dus via deze draaggolf wordt uitgezonden, de spierkracht‑ en omzettingsprocessen en ook de warmtegeneratie van het lichaam inhoudt. Het geheel zien wij dan over het algemeen als een soort massa op astraal terrein, wat het zeker niet helemaal is.

Deze massa kan als energie elk ander energieveld aantasten. Het kan daarmee o.a. de zwaartekrachtverhoudingen wijzigen. Het kan be­paalde voorwerpen beroeren (dus plaatselijk energie ontketenen). Het heeft verder de mogelijkheid tot ingrijpen, zelfs in bepaalde organismen, indien er een voldoende voorstelling van het inwendige bestaat. Hiermee hebben wij dan de kracht gedefinieerd. Maar hoe ontstaat zij? In 9 van de 10 gevallen zullen psychokinetische uitingen voorkomen bij pubers of bij mensen, die nog een zekere mate van deze kinderlijke driften hebben behouden. Wanneer zij iets willen of zich iets voorstel­len, dan verandert voor hen de werkelijkheid. Zij realiseren zich niet wie of wat zij zijn, zij weten alleen dat het leuk zou zijn als dat bord of dat schilderij zou vallen, die deur zou dichtslaan e.d.. Door de voor­stelling, die zij zich maken, voeren zij dus de energie af. Het proces is ‑ ook indien het niet bewust uit het “ik” wordt georigineerd – kennelijk afhankelijk van de sterkte of de diepte van het voorstellingsleven. Ik stel:

  1. Alle psychokinetische verschijnselen staan in direct verband met het voorstellingsleven van een mens of denkende entiteit, waar­ in gedachtekracht en gedachte-uitzending op ongeveer gelijke sterkte, gelijke frequentie als bij de mens plaatsvindt.
  2. Als energie werkt primair: omzetting van normale, als hitte‑uitstraling bestaande energieën, of van als warmte in materiaal bestaande energieën.
    Secundair ook eventuele zenuwkracht.
    Tertiair de directe krachten, die worden opgewekt door de dwarsgestreepte spieren, zoals het hart.
  3. Willen wij deze energie kunnen beheersen, dan zullen wij in de eerste plaats ons voorstellingsleven moeten beheersen. Hij die in staat is zich een zo intense voorstelling te maken, dat deze voor hem in de plaats treedt van de werkelijkheid, zal elke actie – mits liggend binnen mijn eigen reële wereld en daarin geprojecteerd als een persoonlijke handeling ‑ op afstand kunnen verrichten.
  4. Psychokinese moet worden geleerd. Het is als met het spiergebruik. De potentiële kracht van de doorsneemens heeft ongeveer  een hefvermogen van een à anderhalf gram. Voor een getraind persoon zal de hanteringsmogelijkheid gaan tot ruim 1000 à 1200 kilo. Dit wil dus zeggen, dat een gewicht van die grootorde kan worden gehanteerd als een eigen lichaamsdeel. Zo sterk is de beheersing.

Conclusie: training is noodzakelijk. Men moet hier uitgaan van het voorstellingsvermogen plus een vastgesteld doel. Emoties, emotionele geladenheid zullen vooral in het begin bijdragen tot het bereiken van re­sultaten.

Hiermede hebben wij het een en ander verteld over psychokinese en de wijze waarop wij haar kunnen benaderen. De vraag is echter, of zij inderdaad bruikbaar is.

Een verstandig mens zal begrijpen dat de energie, die er nodig is om op deze wijze bv. een stoel te verplaatsen, ongeveer twintigmaal de krachtsinspanning vraagt die een normale lichamelijke handeling met hetzelfde doel en dezelfde verrichting zou kosten. Normalerwijze heeft het dus weinig zin om psychokinese te gebruiken. Zij kan echter door de getrainde worden gebruikt daar, waar het eigen lichaam zich niet snel genoeg kan bewegen. Iemand, die voldoende oefening heeft, kan over het algemeen de actie‑radius van zijn psychokinetische arbeid uitstrekken zover de ogen kunnen zien of waar er een concrete en alomvattende voorstelling van de omgeving bestaat.

Als er op 100 meter afstand een steen valt die een mens dreigt te verpletteren, dan kan dus iemand met deze gave die steen een zo­danige duw geven, dat hij naast in plaats van op de persoon valt. Hij kan iets, wat dreigt om te vallen, een ogenblik stutten; indien hij zeer getraind is, misschien zelfs terugbrengen op zijn oorspronke­lijke plaats. Hij kan daardoor ongevallen voorkomen. Zelf kan hij boven­dien in vele gevallen leren hoe hij een medemens kan helpen en steunen. U kunt dan iemand helpen om bv. een trap op te gaan, zonder dat dit opvalt, zonder dat dit werkelijk verschrikkelijk moeilijk wordt. Is men zo ver gevorderd, dat men de lichamelijke functies van een ander kan aanvoelen, dan bestaat de mogelijkheid om via psychokinese bv. delen van de bloedsomloop tijdelijk stil te leggen; om bepaalde kleine afwijkin­gen in de spieren te herstellen; om bij eventuele verdrinkingsgevallen een regelmatige druk op hart en diafragma uit te oefenen, zodat ademhaling en bloedsomloop in stand worden gehouden, totdat op meer rationele wijze hulp kan worden geboden. Het is zelfs mogelijk om bepaalde vreemde voorwerpen (bv. iets wat men heeft ingeslikt) te verwijderen, althans te voorkomen dat het zich vasthecht. Men zou ook bepaalde ontstekingen aanmerkelijk kunnen vereenvoudigen. Er zijn dus voldoende toe­passingsmogelijkheden.

Maar psychokinese ‑ al wordt zij nog zo goed beheerst ‑ is over het algemeen waardeloos, mits er andere gaven aanwezig zijn. Eerst als men een zeer sterk aanvoelings‑ en invoelingsvermogen heeft verkregen en als het voorstellingsvermogen tevens berust op een redelijke en reële kennis van aanwezige toestanden, mogelijkheden, lichaamsbouw e.d., heeft men aan deze kracht werkelijk iets.

Ik zou daarom degene, die zich in het occultisme wil bewegen, niet willen aanraden de psychokinese als eerste te ontwikkelen. Ik zou hem of haar zelfs willen aanraden experimenten als dansende tafels met rust te laten. In 9 van de 10 gevallen is het uw eigen psychokinetische kracht die hier werkzaam is; ook als misschien de impulsen, die daartoe aanleiding geven, van elders komen. Het heeft weinig zin op deze wijze te communiceren. Het vraagt veel kracht en het kan uw gezondheid aanmerkelijk schaden, zeker indien u geen beheersing over het verschijnsel kunt uitoefenen.

Gelukkig ligt het met andere gaven een klein beetje prettiger. Helderziendheid, bijvoorbeeld. Ook hier moeten wij geloof ik een definitie geven. Want helderziendheid wordt maar al te vaak beschouwd als het zien van dingen in de letterlijke zin van het woord. Men zou kunnen spreken van helderschouwen, want het geschouwde, het geziene, is in 9 van de 10 gevallen niet buiten u kenbaar. Het zal meestal geheel of grotendeels in uzelf ontstaan. Het is een vorm van gedachteresonantie, waarbij een elders bestaande gedachte in u een beeld of een indruk oproept. Er kan ook sprake zijn van een tot u gerichte gedachte, die door u wordt gezien. Denk hierbij aan stervenden, die op het laatste ogenblik, vaak over grote afstand, hun familie bezoeken, entiteiten, die nog een laatste taak komen vervullen e.d.

Begrijp dus goed: helderziendheid is altijd voornamelijk een kwestie van een innerlijke resonantie met een bestaand beeld of een bestaande gedachte, ongeacht de bron ervan. Het zien kan net zo goed zijn het innerlijk aanvoelen van een voorstelling als een pseudo‑visueel waarnemen. Wie helderziendheid beheerst, zal leren dat hij of zij deze gevoeligheid kan verhogen of afzwakken. Verhoogt men de gevoeligheid of wordt zij door omstandigheden verhoogd, dan treden waarnemingen op. Van deze waarnemingen heeft slechts een klein gedeelte reële waarde. Als u over de straat gaat en u kijkt om u heen, dan zult u heel veel dingen kunnen zien, maar slechts enkele zijn voor u van werkelijk intrinsieke waarde.

Wat doet dus helderziendheid? Wat kan men ermee bereiken?

Ten eerste: In helderziendheid kunnen gedachte-impulsen worden opgevangen uit het verleden en de toekomst. Er is dus geen beperking van tijd; en de waarneming kan buiten het heden liggen.

Ten tweede moet worden gesteld, dat bij helderziendheid alle verschijnselen te herleiden zijn tot van buiten ontvangen impulsen. Is dit niet het geval, dan ontbeert het beeld een zekere diepte, een zekere werkelijkheid. Ik verwijs u naar de kentekenen, die ik u reeds gaf, omtrent reële en in het “ik” ontstane beelden bij dromen.

Vervolgens wil ik nog opmerken, dat bij alle helderziendheid de waarneming wel belangrijk is, maar dat het vermogen tot interpretatie daaraan eerst de werkelijke betekenis kan geven. Wie in de toekomst ziet, heeft doorgaans niet de mogelijkheid de tijd nauwkeurig te bepalen. Daarom moeten toekomstbeelden ‑ alleen indien zij in een vastliggende reeks optreden en daarbij de tijdselementen steeds nauwkeuriger bestemd kunnen worden – beschouwd worden als bepalend voor een gebeuren op een vastgestelde tijd. Indien een helderziende waarneming ontwikkelingen of gebeurtenissen op de eigen wereld behelst, dan zullen wij over het algemeen eerst moeten nagaan, of zij misschien reeds hebben plaatsgehad. Blijkt dit niet het geval te zijn, dan mag worden aangenomen dat zij in de toekomst liggen. Hiervoor kan men eenvoudigheidshalve een praktische regel toepassen.

Dromen, die zeer sterk gedetailleerd zijn en vaak a.h.w. een geheel hoofdstuk van een gebeuren bevatten (vooral bij het z.g. dagdromen, dus niet in een volledige slaap), kunnen worden beschouwd als beelden van een zeer nabije toekomst.

Beelden, die vaag zijn, doordat daaraan figuren of achtergrond schijnen te ontbreken, zijn doorgaans beelden die op een verder‑liggende tijd duiden, dus een toekomst. Bij een herhaling nemen wij aan, dat de droom inderdaad een juist beeld geeft, maar een tijdsbepaling kunnen wij nog steeds niet vinden. Wel kan worden aangenomen, dat het beeld of de droom, naarmate zij dichter komt bij het moment van verwerkelijking, ook meer achtergrond en detail krijgt. In de praktijk kan gelden:

Zodra het visioen sterk gedetailleerd is (dus figuren en achtergronden bevatten) zal het binnen ongeveer 30 à 40 da­gen worden verwezenlijkt. Hoe vager het is, hoe langer het duurt. Ziet men figuren zonder achtergrond die toch op een toekomst duiden, dan is het geziene zeer waarschijnlijk tenminste 10 tot zelfs 100 jaar van het heden verwijderd. Het is dan van weinig belang. Zien wij de achtergronden en de figuren afzonderlijk, dan wordt aangeno­men dat het gaat om een nog niet volledig vaststaande gebeurtenis en dat er een tijdsspanne bestaat van tenminste 5 jaren tussen het moment van waarneming en het moment van verwezenlijking.

Gaan wij nu proberen om contact met een andere wereld te krijgen, dan blijkt dat hier de helderziendheid zich op bijna gelijke wijze manifesteert. Degene, die in de visioenen werkelijk ziet, zal ook hier zien. Degene, die in zich het beeld voelt ontstaan, zal ook bij de helderziende waarneming van geesten de beschrijving en het beeld in zich voelen ontstaan. Hij ziet het niet werkelijk.

Bij de geest kunnen wij rekening houden met een aantal verschillende beelden, die wij – indien wij bewust met de helderziende gave willen werken – zeer zeker moeten leren onderscheiden.

Daar zijn dan allereerst de gedachtebeelden.

Gedachtebeelden van personen bv. zullen altijd volledige weergaven zijn van bestaande voorstellingen. Als u een persoon helderziend waarneemt, tot zelfs in details van de kleding, dan is dit gelijk aan een portret dat er van deze persoon bestaat. Er kan dan worden aangenomen dat dit een gedachtebeeld is. Het is uit de stof voortgekomen. Deze waargenomen gedachte heeft voor de geest geen enkel belang. Zij komt niet uit de sferen voort en de hierbij eventueel gegeven boodschappen zijn weergaven van vaak onbewuste gedachteflarden van mensen en geen  mededelingen uit de geest.

Is er sprake van een waarneming die op astraal vlak ligt (een vorm van helderziendheid, waarbij de visuele impressie over het algemeen zeer sterk is), dan kunnen wij te maken hebben met schijnvormen en met reële projecties. Is er sprake van een schil of schijnvorm (een beeld, dat dus niet door een werkelijke persoonlijkheid wordt bezield.), dan geldt als kenteken:

  1. De ogen zijn meestal duister. Ze bevatten weinig leven of glans of een vreemde flonkering. Het zijn geen natuurlijke ogen.
  2. Bij een werkelijke persoonlijkheid wordt over het algemeen hoog­stens een lichte aura waargenomen, die gewoonlijk gaat van lichtblauw via zilver en goud tot wit. Is daar een donkere mantel omheen, dan zal dit een astraal beeld zijn dat niet de werkelijke per­soon weergeeft, maar één van zijn schillen, gehanteerd door een an­der of zelfs een schil die in wezen niet meer bezield is.

Dan krijgen wij de projectie, die vanuit de sferen geschiedt. Helderziende waarneming van personen kan niet plaatsvinden, indien dezen zich bevinden in sferen boven Zomerland. Elke projectie van figuur en gestalte, die wordt waargenomen vanuit hogere geestelijke sferen, moet dus vanuit de Zomerlandsfeer zijn geschied. Het kenteken is hiervoor gewoonlijk: een neiging tot wat vreemde gewaden. De mens weet nl. geen raad met het meer vloeiende en steeds veranderende beeld dat in de lichte wereld bekleding zou kunnen worden genoemd; hij beschouwt dit dus als een vreemd gewaad. Wij horen heel vaak over witte kleding, gouden kleding of bv. rode of blauwe kleding met gouden en zilveren ornamenten. Hierin zijn dan vaak symbolen aangebracht en deze geven dus aan, dat hier bepaalde lichtwaarden werkzaam zijn.

Een zo waargenomen persoon heeft gewoonlijk rond zich een lichtere uitstraling. Hij wordt niet gezien tegen een donkerder maar tegen een lichtere achtergrond, soms alleen tegen een verwazen van de werkelijke achtergrond, maar dan alsof er veel licht is, waardoor de rest wat in het duister is. De ogen, de eventuele gebaren (als er wordt gesproken ook de lipbeweging) zijn volkomen natuurlijk en menselijk. Dergelijke figu­ren dragen vaak een symbool bij zich, zoals bv. een boek, een spinrok en dergelijke.

Als wij dit onderscheid kunnen maken, zijn wij ook in staat de waarde van de waarneming vast te stellen; want dit helderschouwend ervaren kan zeer gevaarlijk zijn. Indien men het verschil niet weet tussen een gedachtevorm, een aardgebonden geest of een astraal wezen of verschijning en een geest uit de lichte sfeer (eventueel een geest uit een duistere sfeer, die overigens afsteekt tegen iets wat het best als zwart licht kan worden omschreven), dan zal men ook niet in staat zijn te weten welke waarde er aan gebaren, mededelingen e.d. moet worden gehecht.

Wie een voorbeeld wil hebben van de vele astrale schillen en gedachtebeelden, zou dat bv. op een Allerzielendag kunnen zien in een seance. Dan hoort u steeds weer: “Daar staat iemand die u bloemen geeft”. Dat is de wens van de aanwezigen en de wens van degene die schouwt. Het gedachtebeeld is daaruit opgebouwd.

Kijken wij naar de figuren zelf, dan zien wij vaak dat zij levenloos zijn. Zij ontberen dimensie. Zij zijn wat kleurloos. Hun gebaren zijn marionetachtig. Wij weten dan wel zeker dat dit alleen maar verwachtings‑ en gedachtebeelden zijn. Soms zien wij figuren, die zich afwijkend gedragen en die vaak ‑ al wordt er gezegd dat zij bloemen aanbieden ‑ eerder onwelvoeglijke gebaren maken. Let op de ogen! Let op de kleding! Is die kleding aangepast aan dat wat er op aarde op dit ogenblik ongeveer wordt gedragen en zijn de ogen leeg, dan is hier sprake van spotgeesten of eenvoudig van ledige schillen. Iemand, die van zo’n schil of van een door een andere, misschien ook lelijke geest, gehanteerde schil een boodschap krijgt en deze zonder meer als zuiver en goed zijnde doorgeeft, kan daarmede veel verwarring stichten. Hij kan er ongelukken door veroor­zaken.  Bij helderziendheid mag daarom als gebruikswaarde wel een paar regels worden gesteld:

  1. Overtuig u eerst van de juistheid van de waarneming. Niet door er nadrukkelijk en scherp naar te kijken, zij pleegt dan te verdwijnen, te veranderen of te vervagen, maar door u af te vragen wat u ziet. Eerst indien u ervan overtuigd bent, dat u met een werkelijke geest te maken hebt – en niet eerder! – mag u desnoods zeggen wat u ziet. Indien dit echter emoties zou uitlokken, is het beter het niet te doen. De dan loskomende gedach­ten vertroebelen over het algemeen datgene wat wordt aangeduid of medegedeeld. Men wacht in een dergelijk geval tot het verschijnsel is opgehouden, eerst dan geeft men commentaar of doet men de mededeling.
  2. Het is niet goed om helderziendheid te begeren. Ze kan vele onaangename nevenverschijnselen met zich brengen voor degene die ziet. Leer uzelf niet eerst zien, leer uzelf eerst beheersen. Alleen degene die zich kan afsluiten voor een dergelijke beïnvloeding, heeft ook de mogelijkheid om van de gave gebruik te maken.
  3. Onthoud dat bij alle helderschouwende waarnemingen de mogelijkheid van nevenverschijnselen niet is uitgesloten. Ook als er geen onmiddellijke helderhorendheid optreedt en men dus de geest of het verschijnsel niet hoort spreken, kan het zijn dat de nadruk wordt gelegd door gebaren, terwijl woorden worden gesproken door mensen in uw omgeving. Wanneer de nadruk van het gebaar ritmisch strookt met bepaalde woorden, ligt hierin vaak wederom een mededeling verborgen.

Hoe ontwikkelt men dit alles. Om die indrukken te kunnen ontvangen moet de eigen gevoeligheid groot zijn. Die gevoeligheid ligt in de eerste plaats weer in een zekere flexibiliteit van het voorstellingsvermogen. Men mag niets afwijzen, omdat het niet mogelijk is of omdat het er niet is. Bedenk, dat niet alleen zien, maar ook het in u ontstaan van een beeld of het gevoel van een aanwezigheid helderziendheid is. Om een voorbeeld te geven: U gaat in de lievelingsstoel van een overledene zitten. Op dat ogenblik schrikt u en zegt: “Ik dacht dat er iemand zat.” Dit is in feite een vorm van helderziendheid. We houden dus rekening met alle waarnemingen die zich voordoen. De waarnemingen doen we over het algemeen het best in een ruimte waarin het rein is: d.w.z. zonlicht en frisse lucht moeten daar vrije toegang hebben gehad. Er mag eventueel wierook gebrand zijn, maar zeker geen zware wierook. Het licht mag gedempt zijn, maar het mag zeker niet zo gedempt zijn, dat de gelaatstrekken van eventuele aanwezigen, de details in het vertrek (van het ameublement e.d.) niet meer zichtbaar zijn. Als u bv. van een schilderij aan de wand de lijst nog goed kunt zien en ook iets van de voorstelling in de lichtere kleuren, dan is de verlichting doorgaans juist genoeg. Ga niet uit van het standpunt: ik wil met alle geweld zien… Dit voert tot zelfsuggestie en zelfmisleiding. Houdt u bij deze geringe verlichting rustig met iets bezig, desnoods door een wat scherper licht op een bepaalde plaats te doen schijnen (een leeslamp bv.) en dan wat te lezen, te borduren of wat u ook wilt doen. Wees daarbij ontspannen.

Als de verschijnselen optreden, heeft u vaak het idee dat er iets naast of achter u gebeurt. Kijk dan niet. Tracht niet te kijken. Probeer ook niet uw aandacht in het bijzonder daarop te vestigen. Laat het zich ontwikkelen. Houd wel op met gedachten die niet stroken met de waarneming. Wees dus a.h.w. een ogenblikje rustig van binnen en laat het denkbeeld zich ontwikkelen.

Stel u in het begin met dit denkbeeld tevreden. Dat is meer dan voldoende. Door u dit aan te wennen en die denkbeelden, zonder daaraan veel belang te hechten, voorlopig als waar aan te nemen schept u innerlijk een steeds grotere bereidheid tot het aanvaarden van het fenomeen. Kunt u door wat ademhalingsoefeningen of door te zorgen dat u vrij bent van zorgen, van grote spanningen zelf komen tot een bijzondere innerlijke rust, zo zal dit ongetwijfeld bijdragen tot succes van uw waarnemingen.

Onthoud verder, dat niet altijd waarnemingen optreden. Ze treden soms juist zeer onverwacht op.

Als u oefent, mag een dergelijke oefening daarom ten hoogste één tot anderhalf uur duren, nooit langer. Ook indien er verschijnselen aanwezig zijn, lijkt het mij goed na deze tijd eenvoudig alle contact af te breken; dit leert u ook beheersing te gewinnen. U doet dit o.m. door frisse lucht toegang te verschaffen en een licht te maken dat veel helderder is dan het oorspronkelijk aanwezige.

Hebt u dat enige tijd gedaan of bent u op andere wijze spontaan ontwikkeld, dan krijgt u impressies die zich overal kunnen voordoen, dus gewoon tijdens uw activiteiten.
U komt bv. een kamer binnen om een bloemetje te geven en u ziet ineens een gestalte, of u voelt dat er iemand aanwezig is. U loopt op straat. U denkt, dat daar iemand bij die lantaarnpaal staat. U kijkt nog eens ‑ er is niemand.

Dit soort indrukken behoeven lang niet altijd belangrijk of interessant te zijn. Hecht er niet al te veel waarde aan, maar constateer ze. Op den duur ontstaat er een gevoeligheid, zo groot dat u dit regelmatig overkomt. Zodra dit het geval is, moet u zich voornemen op bepaalde dagen en zo nodig eerst op bepaalde uren, geen enkel verschijnsel te aanvaarden. U reageert er niet op. U ontkent het bestaan ervan. Op deze wijze krijgt men een beheersing. Want men kan op den duur door die ontkenning de beelden wegdrukken en de impressies uit het “ik” verwijderen. Eerst als die beheersing is ontstaan, kan men weer verdergaan en dan is de volgende stap, die men doet:

Als u een beeld ziet of er een beeld in u rijst (dat kan vaak dus ook een schouwen zijn in plaats van een visueel ervaren), dan vraagt u door sterk gerichte gedachten of zo dit mogelijk is, desnoods door zacht gesproken woorden. “Wie bent u? Wat wilt u?” Krijgt u geen reactie, sluit u dan af voor het beeld. Is er een reactie in gebaar of een poging tot spreken e.d., ga dan verder met de beschouwing. U zult vaak bepaalde symbolen zien en u mag dan nagaan of u er iets uit kunt opmaken. Beschouw dit nog steeds niet als belangrijk. Opdrachten in deze periode verkregen behoren alleen dan te worden uitgevoerd, indien men ook persoonlijk van de juistheid ervan is overtuigd. Risico’s moet men in deze periode niet nemen.

Heeft men deze fase voldoende volbracht, dan lijkt het mij goed met een groepje mensen samen te komen (bij voorkeur gelijkgestemden) en bv. na een gebed of meditatie bewust ogen en geest te openen voor waarneming. U zult ontdekken dat u over het algemeen dan eerst lichtverschijnselen ziet, later gestalten. Deze dingen kunt u dan met de aanwezige groep een ogenblik bespreken. U kunt zeggen: Ik heb dit en dat gezien. Of: Ik meen dat en dat gehoord te hebben. Men herhaalt deze oefeningen een aantal malen, totdat men met zekerheid weet: ik heb het werkelijk gehoord; het is er werkelijk. Zodra dit gevoel voor werkelijkheid bestaat, kan worden begonnen met de werkelijk helderziende waarneming. Door te verzoeken, als er een opdracht wordt gegeven, om deze bij voorkeur op een bepaalde tijd, maar zonder aanduiding van plaats te herhalen, kan men ook langs deze weg opdrachten verkrijgen en is de uitvoering daarvan over het algemeen wel gerechtvaardigd.

Als u niet bewust schouwt, sluit uzelf af. Verwijs al wat u benadert terug naar een onwerkelijkheid. Zo ontstaat er een vorm van helderzien, waarbij het niet alleen maar mogelijk is geesten te zien, maar op den duur ook de aura van mensen, de uitstraling van dieren, planten en voorwerpen kenbaar worden. Want de gevoeligheid, die u heeft voor de verschijnselen uit de geest en de astrale wereld, zal zich ook openbaren voor alle normaal bestaande stralingen in uw eigen wereld. Leer ook hier bewust te schouwen.

Als u bv. iemand voor het eerst ziet en u wilt weten wat voor een persoon dit is, tracht bewust de aura te zien. Niet door te kijken waar die aura zich zou moeten bevinden, maar door uw geest daarop in te stellen. U zult ontdekken dat dit veel bijdraagt tot uw mensenkennis.

Indien u te maken hebt met de plantenwereld, moet u onthouden dat alle kleuren, waarin purper of paars in de uitstraling voorkomen, aangeven dat die planten voor u althans, en meestal voor de meeste mensen, niet goed of zelfs giftig zijn. Is de uitstraling groen, dan kan worden aangenomen dat de plant kan worden gebruikt. Is er in dit groen een element van geel of van roze aanwezig, dan heeft de plant meestal ook een genezende werking. Heeft het voor u persoonlijk een genezende kracht, dan zijn voor u witte stippen in die uitstraling kenbaar.

Ziet men naast de plant een tolletje dat sterk draait, dan is dit in zijn kleur en wezen geen uiting van de eigenschap van de plant, het is alleen de uitstraling die wij rond de plant zelf zien. Het tolletje is een deel van de levenskracht, die bij planten soms ook buiten het eigenlijke wezen wordt geprojecteerd.

U ziet dus dat met helderziendheid zeer veel te doen valt en veel kan worden bereikt. Maar zoals voor alle dingen in het occulte geldt ook hier: leer schouwen. Leer beheersen. Schuw niet een langzame ontwikkeling.

“Wie een inwijding zoekt,” – zo zegt men in de oude geschriften ‑ “en zich niet terdege voorbereidt, vindt de dood waar hij het leven wilde vinden.”

Dit geldt voor alle gaven.

Indien u een gave begeert en haar ontwikkelt, dan moet u dat langzaam doen. U moet bereid zijn afstand van die gave te doen op bepaalde ogenblikken, opdat u een beheersing mogelijk zal zijn.

Misschien mag ik hier nog bij opmerken: Geen enkele geest of entiteit  is in staat of ‑ en wat dat betreft, als hij goed is ‑ ook bereid om uw leven geheel voor u te regelen. U bent de uitvoerende kracht. Als men u bevelen geeft, die u helderziend schouwt, onthoud dan dat zij hoogstens raadgevingen of verzoeken kunnen zijn. Dat zij nimmer een bevel zijn dat zonder kritiek of nadenken moet worden gehoorzaamd.

Ik heb reeds de historie aangehaald. Ik heb erop gewezen dat bepaalde gaven en capaciteiten tot de geheimen van de oude priesters behoorden. Naar ik meen, zullen wij ook in het praktisch occultisme niet veel bereiken, indien wij ons de achtergronden niet voldoende realiseren.

De bron van het grootste gedeelte van het occultisme op deze wereld, zo niet alles, is gelegen in de beschaving van Mu. Vanuit het keizerrijk Mu en vanuit het fabelachtige Atlantis heeft zich een bepaalde vorm van denken en geloven verbreid over de wereld. In sommige gevallen wordt deze een magisch, in andere vormen wordt zij een esoterisch occultisme. Maar de mysteriën die eraan ten grondslag liggen zijn altijd dezelfde.

Wij zien bv. de Pythagoreën en vooral Pythagoras zelf als grootmeesters in eigen recht. En wij vergeten dat Pythagoras zijn kennis en leringen dankt aan zijn Orphische inwijding; hij volgde zijn grote meester Orpheus.

Wij denken aan Jezus alleen als aan de openbarende kracht zonder meer, maar wij vergeten dat hij ingewijd is geweest bij de Essenen. Wij vergeten dat hij bepaalde machtwoorden bezat.

Wij denken aan Mozes als aan een wonderdoener Gods en vergeten dat hij ‑ zeker in zijn eerste manifestatie met slangen ‑ niet veel meer is dan een gewone goochelaar. Want dat trucje om van een slang een schijnbare staf te maken door te drukken op een bepaald deel van de schedel, is ook nu nog bekend.

Laat ons dus a.u.b. niet denken dat wij ons kunnen vrijmaken van het verleden. Wij kunnen ons zelfs niet altijd vrijmaken van iets, wat eerder op goochelarij lijkt dan op reëel occultisme. Want voor de mens is eigen instelling, gedachte-invloed, het domineren van anderen onder omstandigheden, van groot belang.

De middelen, die worden gebruikt, zijn ten slotte maar bijkomstig. Als u een koude auto wilt starten en u gebruikt het trucje van een beetje alcohol in de cilinders, dan is dat een trucje, want de starter doet het eigenlijke werk niet helemaal, het is de alcohol; maar daardoor komt de motor op gang.

Bij de occultist zien wij heel vaak bepaalde riten, bepaalde gebruiken en denkwijzen, die op zichzelf zinloos zijn of stammen uit een oud bijgeloof. Wij zien geheimzinnigheden, die eerder kolderiek dan werkelijk mystiek zijn. Maar zij zijn het middel om de motor aan de gang te krijgen, om de instelling van de mens te reguleren.

In die oude inwijdingen werd altijd heel veel nadruk gelegd op de liefde in zeer vele vormen. Maar wij moeten ook deze dingen weer juist begrijpen. Die liefde is nimmer een onbeheerste liefde. Zelfs daar, waar wij schouwspelen zien, waarbij de paringsdaad een grote rol speelt, is het nog ergens een beheerst element; hetzij het element van tijdsbeheersing (pas op een bepaald ogenblik mag men zover gaan), in andere gevallen en bij de meer bewusten vooral ‑ is het de uitbeelding van bv. het samenkomen der goden. Het wordt dan ook werkelijk als zodanig beleefd; dus religieus en niet zinnelijk.

In de beste vormen en voor het westen meestal ook aanvaardbare vormen echter heeft men die liefde omgezet in iets anders. Men heeft dus de menselijke seksualiteit uitgeschakeld en men komt tot het brengen van offers ‑ wij zien dit o.m. in de diensten van Thebe ‑ van vruchten of vruchtensappen, graankorrels en bloemen. En dat wordt soms regelmatig binnen een bepaalde rite herhaald. De gave, waarvoor men niets terugeist, waarvoor men niets vraagt: de liefdegave.

De liefdegave wordt o.a. in Memphis, maar later ook in bepaalde mysteriën van Griekenland, in het vroege christendom, in de z.g. witte Isis‑diensten, zoals die zelfs in de begraven steden als Pompeï nog bekend waren, gegeven.

Daar had men ook de liefdemaaltijd, waarbij men trachtte om anderen iets te geven zonder te vragen. Voor ons is het allemaal een beetje vreemd, waarom er een gezamenlijke maaltijd noodzakelijk zo u zijn en men interpreteert het dan vaak verkeerd. Men zegt; “Ja, we leggen wat geld bij elkaar en laten een goed maal aanrukken.” Maar daar gaat het helemaal niet om. De gedachte, de achtergrond is: het scheppen van harmonische waarden.

Die harmonieën zijn belangrijk, omdat zij via uiterlijkheden, die over het algemeen emoties met zich brengen ‑ zoals het eerbiedig offeren aan God een emotie is, het gebed een emotie is, het aanzitten in een gemeenschap van geestverwanten een emotie is ‑ en daardoor een instelling wordt bereikt, die niet zonder meer een absolute overgave is, maar een open zijn. En alle occultisme, welke vorm wij ook kiezen, van het meest mystieke en esoterische zoeken af tot de meer grove magie misschien, is niets anders dan via het middel komen tot de juiste harmonieën. En daar ik aanneem dat gij met het occultisme zeker geen duistere krachten wilt oproepen, mag ik u daarom wel zeggen:

Op grond van al hetgeen in de oude mysteriën (de Orphische, de Delphische, de oude mysteriën van Egypte en Indië) naar voren komt, is voor de occultist steeds weer noodzakelijk het offer: de liefde, die zich uit in ontzegging, zonder dat daarbij echter sprake is van een terzijde stellen van eigen initiatieven.

Wanneer ik op die manier een instelling verkrijg, moet ik ook betekenissen kunnen lezen. Een groot gedeelte van de geheimen uit de oudheid was eigenlijk het kennen van de tekens, waarmee men zich kon beschermen. Voorbeeld: de magische cirkel, die bv. in vroeg‑Egypte en Babylon heel veel verwantschap had met de Chinese; de mogelijkheden om machtwoorden te schrijven; het Noorse runenschrift; de IJslandse methode om bij de Ting (volksvergadering) bepaalde runen te griffen in de stenen of in de boom van de plaats van samenkomst. Kortom, de machtnaam.

Nu zult u zeggen: Een machtnaam roept toch zeker niet altijd een entiteit op. U hebt volkomen gelijk. Maar de occultist wil niet een bepaalde god regeren of beheersen. Dat zijn de primitieve magiërs geweest, die dat hebben geprobeerd. De occultist wil zich één voelen met een hogere waarde. Om deze kennis, dit inzicht, deze harmonie, dit helderzien en desnoods het telekinetisch vermogen te verkrijgen dat noodzakelijk is, moet men zich kunnen één voelen met grotere krachten. Men moet een zelfverzekerdheid weten te verwerven, die verre het eigen normale zijn te boven gaat. Er moet een vrijdom van angst en zelfs van begeren zijn om iets bepaalds te constateren. Daartoe worden al die riten gebruikt.

Als wij dus willen proberen om het occultisme in de eerste plaats in de praktijk bruikbaar te hanteren, dan zullen wij er toch ook over moeten nadenken op welke wijze wij een bepaalde rite kunnen gebruiken. Hoe wij dus iets kunnen doen, waardoor diezelfde zelfverzekerdheid (het machtwoord) voor ons ontstaat; waardoor die openheid, die aanvaarding, de liefdegave, het offer, voor ons ontstaat.

Nu blijkt dat dit niet aan voorschriften is gebonden. We zien schijnbaar volledig tegengestelde riten, die volkomen gelijke resultaten geven, omdat de bestrevingen gelijk zijn; en de bestreving is bepalend. Maar wij zien ook, dat het symbolisch offer niet in de plaats kan treden van het werkelijke offer. Met andere woorden: wanneer de priester iets offert, dat hij als offergave heeft verkregen en waar hij geen belang bij heeft, dan zal de priester geen deel hebben aan de harmonieën die uit het offer voortkomen. Dat is o.m. de ondergang geweest van zovele altaren in de oudheid. Wanneer echter de priester ook iets, wat van hem is geeft en offert, dan ‑ omdat hij iets, wat voor hem waardevol en bruikbaar is, afstaat zonder iets ervoor terug te vragen ‑ ontstaat de juiste harmonie wel.

Voor een modern mens kan dit offer dus zijn: een gave aan anderen. Het kan een offer van tijd zijn. Het kan een offer van geduld zijn. Ook het aanhoren van iemand, die zo zeurt bv., kan onder omstandigheden gelijktijdig een offer zijn, maar ook een mogelijkheid om ‑ het als offer beschouwende ‑ de juistere harmonieën voor dit “ik” te doen ontstaan.

Het gebed kan ons in vele gevallen dienen als machtwoord. En of wij nu bidden tot een bepaalde godheid of tot een abstracte god, desnoods alleen maar tot de levende kracht van de wereld zelf, dat maakt geen verschil. Als wij bidden, als wij ons dus verbonden en één voelen met die hogere kracht en wij kunnen dit voor onszelf erkennen, wij kunnen zeggen: Ik bid, totdat ik die eenheid gevoel, dan bezitten wij ook de zelfverzekerdheid, waarmee wij alle verschijnselen op occult terrein aankunnen. Er is niets om te vrezen. Er is niets waarvoor wij terugdeinzen.

Ik heb dit derde gedeelte toegevoegd om u duidelijk te maken, dat bij het occultisme oefening een rol speelt, maar dat vóór alles ook het afstemmen van je wezen, het bereiken van een juiste gesteldheid, van belang is. De weg, die u daartoe volgt, nogmaals, is niet zo belangrijk. Belangrijk is, dat u het resultaat, dat noodzakelijk is, produceert.

Daar u hier van mij geen praktische raadgevingen mag verwachten, aangezien dit een zuiver persoonlijke zaak is, die men voor zichzelf moet uitzoeken en voortdurend moet corrigeren, totdat men voelt: nu is er in mij harmonie, nu voel ik mij met het hoogste verbonden, meen ik dit onderwerp voor heden te mogen besluiten.

Het verleden

De achtergronden van het occultisme en alles wat met het occultisme in verband staat, ligt nu eenmaal in een tijd die heel ver achter u ligt. En toch zult u ook in deze dagen een beter begrip hebben voor wat u doet en voor de mogelijkheden die er bestaan, indien u dat verleden beter kent en dus beter beseft. Ik zou willen voorstellen om dus gewoon te praten over het verleden.

Als men zich met occultisme bezig houdt, dan is vaak de eerste vraag: Is dat eigenlijk geen modern gedoe? Dat ligt natuurlijk aan de definitie die men geeft van “modern”. Het is echter te bewijzen, dat rond 40.000 jaar geleden er al tempels bestonden, waarin occulte praktijken plaatsvonden. We kunnen ook nog aantonen, dat er ‑ al zijn het er niet veel, ‑ overblijfselen bestaan van ongeveer 70.000 tot 100.000 jaar geleden, waaruit blijkt dat men ook in die dagen al een zeker begrip had omtrent goden, magie en ongetwijfeld ook omtrent occultisme.

Als men in dat verre verleden gaat kijken, dan wordt men geconfronteerd met een mens, die aanmerkelijk verschilt van de mensen van vandaag. Hij leeft anders, is vaak veel meer verwant met de natuur en juist in zijn protest tegen de gebondenheid aan de natuurwetten gaat hij die beter begrijpen dan de doorsneemens van heden zal kunnen doen. Want een natuurwet en de krachten der natuur zijn niet alleen dingen die men ondergaat of die men vastlegt in een regel. Het zijn ervaringen, waarin men zichzelf opgenomen voelt. En als u vandaag de dag nog sprookjes hoort over de wilde jacht, dan moet u zich dat niet alleen maar voorstellen als een verhaal of als spoken in de lucht. Dat is een hele stemming. Het is de bezieldheid van het element, waarin de mens opgaat.

De primitieve mens ‑ hoe ver hij misschien op menig terrein ook al was ‑ stond nu eenmaal zo dicht bij die natuur, dat voor hem de rivier a.h.w. een eigen sfeer, een eigen stemming meebracht; dat de zee a.h.w. tevoren zei: Ik word dadelijk nijdig. En dat de lucht niet alleen maar iets is, dat zich zo nu en dan van een depressie of van een hogedrukgebied af verplaatst met donderend geweld en de nodige regenbuien, maar dat het werkelijk iets is wat men beleeft. Het is, of elke verandering in temperatuur, in de luchtvochtigheidsgraad die mens iets te vertellen had. Er was communicatie met de natuur. En die communicatie berustte op gevoeligheden, die de meer beschaafde mens van vandaag ongetwijfeld helemaal heeft verloren.

Het was voor de mens in de oudheid heel normaal om – wij zouden zeggen telepathisch – aan te voelen waar een andere stam was. En het was helemaal niet zo dwaas om als gevoelig mens aan te voelen waar een kudde was, het bewust en onbewust gebruik van gedachtekracht om op de jacht of op de prooidieren invloed uit te oefenen.

De methode om zelfs in de landbouw bepaalde elementen levend te zien, om daarmee in contact te treden, daarmee te praten, die is eigenlijk bepalend voor de hele verdere ontwikkeling van de mensheid. Per slot van rekening zijn de steden nog niet zo oud. Een grote stad als Parijs was, als Lutetia een duizend jaar geleden, een mesthoop vergeleken bij nu, een dorpje. En de volheid, die u zich op het ogenblik schijnbaar in welvaart kunt permitteren, was vroeger zelfs onvoorstelbaar. De wereld was betrekkelijk leeg en daardoor had de natuur een veel grotere zeggenschap.

Voor de mens was die verbondenheid zo natuurlijk, dat hij eigenlijk pas toen hij werd losgerukt uit dit meer natuurlijke, vaak ook trekkend bestaan, moest komen tot een formulering.

En dan krijgen we de eerste goden. Voor die tijd waren er de tovenaars, de sjamanen. Er zijn verklaringen omtrent voorouder‑goden. Maar eerst als die mens wat loskomt van het werkelijk in de natuur leven, moet hij de dingen gaan formuleren. Hij moet er een zin aan geven, omdat ordening voor zijn eigen leven belangrijk wordt.

En zo ontstaat dus de eerste formulering van het occultisme. Dat is zeker nog geen magie. Het is bv. een poging om een heel pantheon op te bouwen, waarin de aarde en de wateren een grote rol spelen; waarin zon en maan als mannelijke en vrouwelijke waarden tegenover elkaar staan. Maar het is in wezen nog steeds de omschrijving van de gevoelens van de mens.

Als men gaat kijken hoe men bv. in Babylon de kleuren associeert met de goden (Sin bv. met zilver, Bel met goud), dan gaat men begrijpen dat hier de kosmische kleuren al vertegenwoordigd zijn als een afgestemd zijn dat de mens associeert met de zon, met de maan, met water, met aarde, met de winden en met de elementen. Stemming, emotie en het daaruit ontstaand begrip is de kern.

En nu kunnen wij wel zeggen, dat de mens van tegenwoordig niet meer gevoelig is voor een naderend onweer (vooral de dagjesmensen komen daar aan besef nog wel eens tekort), maar een aardbeving wordt ook nu nog aangevoeld, en meestal uren, soms dagen van te voren. Men weet niet meer wat het is, dat ben ik met u eens, maar men voelt het nog steeds. De mens heeft nog dezelfde instrumenten die hij eens bezat.

In de oudheid, in dat verre, verre verleden, was het heel gewoon te zeggen: Dit stamhoofd is verslagen en nu is hij daar en daar geboren. Reïncarnatie was toen heel normaal. Niet zoals u misschien denkt in een heldenverering of in een idee van een voortbestaan in een hiernamaals, maar als een normaal constateren.

Wanneer wij vele opeenvolgende geslachten zien (in het namenregister van de bijbel ziet u er heel wat), dan komt het voor, dat 4, 5 of 6 men­sen dezelfde naam dragen en als één persoon worden beschouwd. Het is allemaal zo natuurlijk. En het leven in het hiernamaals, ach, dat ziet men eigenlijk niet. Er is geen hemel en geen directe hel. Die dingen komen pas als de mens werkelijk beschaafd is. Maar een leven dat verder gaat is er en daardoor ook een voortgaande verplichting in het leven.

Het hoofddoel van de primitieve mystici is zeker niet om door te dringen tot God. God is iets, wat ver weg is. Hun doel is. om bewust te blijven van zichzelf; om als kind geboren te worden en toch nog te weten wat ze vroeger geweten hebben. Hun denkbeelden zijn helemaal niet gericht op een veroveren van de aarde of een beheersen der natuur, maar wel op een contact ermee.

Wij zien dat verschillende landen in Atlantis bv., langzaam maar zeker ertoe overgaan te pogen om met de goden te handelen. En dan wordt de mens een leugenaar. Dat is heel eigenaardig. Zodra de mens dat gevoel van verbondenheid, van één‑zijn met het andere gaat verliezen, gaat hij doen alsof. Dan roept hij in de oude gebeden: “Ik ben de machtige. Ik ben de sterke en onoverwinnelijke …..”, en dan noemt hij maar een naam. “En ik beveel u mij te gehoorzamen. En zo gij dit niet doet, dan bedreig ik u met de kwellingen van dit en met het zegel van dat.” Kolder! Een leugen. Want die man is dat niet. Die bedreigingen, die kwellingen kan hij niet opleggen en het zegel kan hij niet hanteren. Maar hij werkt zich op. Hij staat tegenover de natuur en moet nu zijn grootheid gaan bewijzen.

In de oudheid doe je dat nog door jezelf op te zwepen. Een modern mens kan dat niet meer. Die heeft daarvoor het gevoel niet meer. De razernij van de ouden is tegenwoordig ondenkbaar. Als men zelfs ziet hoe primitieve negers uren lang schuifeldansen, vaak zo anarchistisch dat er in de hele dans geen patroon te vinden is, dan zegt men: Nu ja, dat zijn primitieve kerels. Maar ze begrijpen niet dat daar een soort trance wordt bereikt, een toestand van verrukking, van verloren‑zijn; en dat in die toestand voor die mensen alles optreedt wat wij onder occultisme samenvatten. Zij ervaren beelden van andere werelden. Ze spreken met hun voorouders. Zij voelen hun lot aan. Zij erkennen noodzaken. Ze leren handigheidjes, wetjes, trucjes. Ze bereiken er iets mee.

Dan kan men wel zeggen: Dat is alleen maar bedrog. Neen. Dat is toch een terugkeer tot een innerlijke harmonie ‑ primitief misschien – maar een harmonie, waarin de hele natuur, de hele kosmos een rol speelt.

Ik zou verkeerd doen, indien ik u alleen deze zeer primitieve dingen zou voorhouden, want in die oudheid was men toch niet zo dom als men tegenwoordig wel eens pleegt te denken.

Lang voordat Europa zijn grote wijsheid had ontwikkeld, wist men in China of in Egypte al meer over de sterren dan men er hier eigenlijk vanaf weet. En in 1200 v. Chr. wordt er al gesproken over iets, wat die naam dan nog niet draagt (de Grieken zijn nog niet groot genoeg), maar wat wij atomen en moleculen kunnen noemen. O, zeker, men praat daar primitief over. Dat is geen wetenschap, zegt men. Maar men voelt het aan.

Als een Egyptenaar werkt met het bloed van een mens, dan moeten wij ons niet voorstellen dat hij precies een kaart heeft van de bloedsomloop. Dat weet hij niet. Hij voelt echter dat bloed aan. Hij voelt dat bloed als het leven. Hij herkent waar het in het lichaam optreedt en voelt waar het ontbreekt. Zijn diagnostiek is grove magie, zegt men. Neen, helemaal niet. Het is een aanvoelen, dat dus niet uitgaat van zichtbare symptomen, maar van symptomen van onderbrekingen, die men in een lichaam voelt.

En als die mensen met een geest spreken, ach, dan is het ook helemaal niet zo ontstellend, zo vol bezweringen als men zich dat nu voorstelt. Er zijn heel veel voorbeelden van koningen ‑ zelfs Saul heeft dat gedaan – die naar een tovenaar of tovenares gaan en een geest oproepen.

Maar wat is eigenlijk hetgeen daar gebeurt? Iets als spiritisme. Er gaat iemand in een soort trance, een soort verrukkingstoestand en er komt een stem, die wordt herkend. Die noemt men dan vader, of Samuel of een groot vorst of een groot held en deze zegt iets. Ziet men die persoon? Neen, men voelt hem aan.

Maar voor die primitieve mens is aanvoelen en zien nog precies hetzelfde. Voor die primitieve mens is het erkennen van een macht in jezelf en het hanteren van die macht nog precies hetzelfde. Hij maakt geen onderscheid tussen realiteit, zoals men dat tegenwoordig doet, en een per­soonlijke werkelijkheid. Persoonlijke werkelijkheid en menselijke werkelijk­heid zijn één. En als u de stelregels van het vroegste occultisme gaat bezien, dan  valt dat ook op. Er wordt eenvoudig geen verschil gemaakt tussen wat echt en wat niet echt is. Iemand kan de grofste leugens vertellen en een ieder spreekt erover alsof het de waarheid is. Maar het vreemde is, dat zij in heel veel gevallen door te handelen, alsof het de waarheid is, dingen bereiken die men niet van hen zou verwachten.

Als er verteld wordt over de een of andere vreemde stam, die edelstenen vinden, dan komt er een koning op het idee: Ik kan wel eens gaan kijken waar die eigenaardige beesten zijn, die die stenen maken. Want zo denken zo er nog over. Zij denken dat het eieren zijn. Maar hij vindt inderdaad een plaats waar die beesten zijn. Hij laat daar graven en vindt wat hij eieren noemt; hij vindt de blauwe pijpaarde. Zo zijn de beroemde kopermijnen van Salomo gevonden.

Die hele kwestie is, teruggebracht tot het meer moderne, dus als volgt te formuleren:

Voor de primitieve mysticus, de primitieve occultist, is er maar één werkelijkheid. Die werkelijkheid omvat al het denkbare, al het voorstelbare en niet alleen maar de wereld die hij ziet of de wereld die hij hanteert. Omdat hij handelt naar de totale wereld, bereikt hij redelijk gezien onverwacht of door schijnbaar toeval resultaten, die stroken met zijn verwachtingen.

Ik zou zeggen, wat is meer occultisme dan dit: langs een schijnbaar niet‑redelijke weg redelijk kenbare resultaten bereiken.

U hebt allen ongetwijfeld gehoord van het net van telepaten, dat eens in Egypte heeft bestaan. Dat waren meestal de Priesteressen van Isis en later ook de tempelslavinnen van o.m. de Amon‑Re‑dienst, een priesterorde overigens die meer politiek begaafd was. Die telepathie bestaat eigenlijk al heel lang en ze wordt niet alleen gebruikt voor communicatie op verre afstand. In vele gevallen wordt ze eigenlijk meer gebruikt als een soort gedachtepolitie.

Het komt voor dat een vorst (Farao bv. of Assurbanipal) eenvoudig in zijn hof zit. Dat is meestal een groot ommuurd plein met een galerij er omheen. Hij heeft daar 3 of 4 mannetjes zitten, die alleen maar kijken naar iedereen die binnenkomt. Zo nu en dan maakt er één een gebaar en dan kan de man die binnenkomt niet verder. Men heeft afgelezen dat die man niet betrouwbaar is; men moet dus voorzichtig zijn. Natuurlijk, misbruiken komen voor, maar op die manier hebben heel veel vorsten hun leven gered. Want een vorst werd toen niet met “oranje‑boven” begroet. Hij verkeerde voortdurend in levensgevaar. Want wie de vorst doodde, werd in de praktijk zelf vorst, als hij maar voldoende mensen achter zich had.

Dus men gebruikte die telepaten voor spionage en heel vaak ook om een reisdoel te bepalen. Er waren handelsschepen, die in die tijd langs de kust voeren van Nippon tot Madagascar en die hun doel en richting bepaalden dank zij een ziener. (Magneetstenen waren er toen nog niet. Die worden pas later gebruikt, ongeveer 300 jaar v. Chr.). Zij voelden bv. aan waar land was. Zij voelden waar een bepaalde stof was te krijgen en ze vergisten zich maar zelden. Het was een normaal deel van het leven.

Het denkbeeld, dat iemand die een reis gaat maken naar een God toegaat en zegt: Ik geef U iets God en nu komt het in orde, klinkt tegenwoordig krankzinnig. Je mag God bidden, maar je mag God niet omkopen. Vroeger was dat normaal.

Als je vroeger naar een sjamaan toeging, dan moest hij iets van je hebben als hij iets voor je deed; ook al was het nog zo weinig. Al was het maar een afgekloven knook van een of ander beestje, maar hij moest iets hebben. Er zijn trouwens stammen die dat bewaard hebben.

U kent misschien allen het gezegde van de z.g. Egyptische of zigeunerwaarzegster: “Ik zal u in de hand lezen, indien u mijn palm met zilver hebt gekruist.”. En dat gaat heus niet alleen om het geldstuk. Het is de relatie die men heeft. Het voor iets hoort iets. Dat is een evenwichtigheid, die eigenlijk het hele verleden beheerst.

De occultist in het verleden ontvangt iets en geeft iets. Hij geeft iets en dus ontvangt hij iets. Dat is voor hem de normale wisselwerking. Het bovennatuurlijk staat daar niet buiten. Dat bovennatuurlijke is betrokken in de totale gang van zaken: de handel van geven en nemen.

En dan horen wij misschien met verschrikking dat iemand zijn zoon offerde. Maar dat offer was heel vaak maar symbolisch. Dat was zoiets als tegenwoordig een oudste zoon bestemmen om priester te worden, al komt ook dat niet zo veel meer voor. Hier is een relatie geschapen met de gedachtewereld, de wereld van de geesten, de wereld van de goden en de mens, die volkomen reëel is. En omdat zij als volkomen reëel wordt beschouwd, bestaan de dingen die wij nu onmogelijk, sagen, legenden of wonderen noemen, maar die daar een normale oorzaak‑en‑gevolg‑kwestie zijn. En daarom mag een ieder, die zich bezighoudt met occultisme wel de grondregels volgen, die eigenlijk in dat verleden te leren zijn.

Oorzaak‑en‑gevolg beheersen niet alleen de wereld, die rond mij als mijn wereld bekend is, maar alle werelden en alle zijn, dat in mij wordt aanvaard en erkend.

Oorzaak‑en‑gevolg beheersen de werelden van de geest en de wereld van de stof; en er is tussen deze werelden in oorzaak‑en‑gevolg geen grens.

Mijn stemming bepaalt zeker tot welk deel van de kosmos ik mij  zal wenden. Maar als ik dat doe in een erkenning van de volledige werkelijkheid daarvan, dan zal voor mij alles ook werkelijk worden.

Als u dat eenmaal begrepen hebt, dan wordt voor u die hele kwestie van inwijding en van geheimscholen ook veel begrijpelijker: Want wat is er kostbaarder dan het geheim van een contact met de geest? Het zien in de verte? De kennis van kruiden? De kennis van chemicaliën? Er is niets kostbaarders. Om zoiets te verkrijgen moet je iets opgeven; dat is je huidige leven. Je krijgt er iets voor terug: een nieuw leven, waarin die geheimen een rol spelen. Maar je moet eerst het oude leven opgeven.

En nu wordt het misschien ook begrijpelijk waarom die mensen bepaalde geheimen nooit hebben neergeschreven.

Er zijn koningen geweest, die magische bibliotheken hebben gehad om van te rillen. Er zijn er verscheidenen geweest, die werkelijk overal vandaan alle boeken over magie lieten komen. Maar de werkelijke geheimen daar kwamen ze niet achter. Logisch. Die werden overgeleverd van mens tot mens; en er zat ook een zekere verplichting aan vast.

Zo is het bv. in India een hele tijd geweest (bij de Brahminen) dat: Degene, die u een geheim gaf, daarvoor van u alle aandacht kreeg, die een goed zoon voor zijn vader moest hebben en vooral na de dood. Zolang de ziel van die overgegane nog geen nieuw voertuig had, werd hij a.h.w. gesteund door de aandacht, door de erkenning van wat hij was geweest in de materie. Hij zou zichzelf dus niet zo snel verliezen. Hij zou zijn kennis en bewustzijn bij een incarnatie voor een groot gedeelte kunnen meenemen. Dat was het hoofddoel. En daarvoor gaf je die geheimen. Je gaf ze niet om ze aan een ander te geven, maar om ze zelf te kunnen behouden.

Op die manier heeft zich langzaam maar zeker een hele literatuur ontwikkeld, o.m. van de oudste geschriften, die hoofdzakelijk bestaan uit formules, gebeden en aanroepingen. Wij vinden bv. aanroepingen, die geschreven zijn in heel oud Assyrisch, dat niemand meer sprak, met de vertaling ernaast, omdat men dan ook nog wist wat men zei. We vinden dat zelfde terug in India, waar ook nog dode talen, die niemand meer begrijpt, worden gesproken. We zien het zelfs nog in het opdreunen van de teksten uit bepaalde heilige boeken, wat de boeddhisten nu nog doen. Het ging niet om de woorden, maar om de kennis van de stemming. Het begrip was niet nodig, maar wel het afgestemd zijn. En het was niet nodig dat men een groot of een klein offer bracht. Neen, het offer op zich was onbelangrijk, dat bepaalde de stemming, waarmee men een ander kon benaderen. En had je nu het idee: Ik heb veel gegeven, dan kon je dus ook veel terugverwachten.

Zo kon het zijn dat in die oudheid gaven, die nu zijn uitgestorven of waarvan men weinig meer van hoort, hoogtij vierden. De beheersing van dieren, bijvoorbeeld. Tegenwoordig een moeizame dressuur, vroeger begrip. Het eerste dierentemmen was niet de dieren onderdanig te maken aan de wil van de mens, maar de dieren zozeer te begrijpen dat ze je in hun eigen wereld als leider gingen aanvaarden.

Het eerste zoeken naar vruchtbare grond, daarvoor hadden ze geen landbouwkundig laboratorium, maar ze hadden gevoel voor de goedheid der aarde. En als het gevoel voor de goedheid der aarde en de goedheid van het zaad gelijk waren, dan kon men op een ruime oogst rekenen.

Zo was er bv. ook het zien. Men zei rustig: Over zoveel dagen gaat die en die dood. Of: Ik heb gezien dat we voorzichtig moeten zijn met dat meisje, nu nog maagd, want zij brengt grote strijders voort. Tegenwoordig zou men zeggen: Dat is een legende. Neen. Dat werd werkelijk gezien. Het kwam ook voor dat een slavenmeisje de gade werd van een vorst, alleen omdat men had gezien dat ze goed nageslacht zou voortbrengen.

Er zijn tijden geweest dat men van allerhande eigenaardige krachten ge­bruik heeft gemaakt om steden te verplaatsen: bv. de priesters die Stone­henge hebben gebouwd. Zij hadden geen dommekrachten bij de hand, maar wel een stelletje andere trucjes. Er kwam ook wat geestelijke kracht en telekinese bij te pas. Dat was normaal. Als je priester was, dan moest je dat kunnen.

Dichten. Eén van de typische verschijnselen, die men tegenwoordig in het occultisme kent, is dat mensen in een trance‑toestand in rijm gaan spreken. Dat was vroeger heel gewoon. De meeste barden kenden de methode om zich in te stellen; en ze improviseerden ellenlange verzen over het een of ander in perfect metrum en componeerden er meteen een melodie bij. De mensen waren daarin verwant met de natuur, met de ritmen, met die andere werelden.

Wie in het occultisme wat wil bereiken, zal ‑ al behoeft hij niet tot die primitieve staat terug te keren ‑ iets van diezelfde verwantschap met alle leven moeten terugvinden. En hij zal ook het idee van “voor wat hoort wat” ook weer moeten krijgen. Niet omdat het belangrijk is dat wij aan God of aan een geestelijke kracht iets schenken, maar omdat het feit dat wij schonken in ons het idee van het teruggeven aanvaardbaar, groot en sterk maakt. Op die manier kunnen wij wat bereiken.