Psychologie van heden

image_pdf

22 januari 1965

Wij, sprekers van deze groep, zijn niet alwetend of onfeilbaar. Vandaag zullen wij, uitgaande van tijdsverschijnselen als de griezelmop e.d., ingaan op: Psychologie van heden.

Wie de mensheid van vandaag gadeslaat, ontdekt daarin vele vreemde aspecten. Er zijn neigingen, die in het dagelijkse leven niet zo erg kenbaar tot uiting komen, maar waarin wij de inhoud van een zekere vorm van humor aantreffen. Wat bv. te denken van het volgende grapje – schrik niet, dit wordt als grap op aarde verteld; ik vertaal haar alleen in uw taal: Pietje is bezig de hond te mishandelen, waarop moeder reageert: “Pietje, schei uit de hond te slaan, anders gaat hij dood. En wij kunnen niet iedere keer een nieuwe hond voor je betalen.” Wat bedoelt men met deze sick jokes eigenlijk? Er zijn namelijk vele anderen als bij voorbeeld het grapje van twee mensen in een stad in oorlog. De een merkt op, dat er geen wolken zijn. De ander antwoord: “Fijn. Dan kunnen wij, wanneer wij gebombardeerd worden, tenminste de atoompaddenstoel mooi zien. Wat beweegt de mensen tot dergelijke grappen? Ik meen, dat de mens van heden ontzaglijk bang is. Zijn humor kent dan ook niet meer het genoeglijke, het bespottelijke, maar een soort Hitchcock-gruwel, uitgedrukt in de termen van de alledaagse mensen.

Men is bang, maar waarvoor? In de eerste plaats waarschijnlijk, omdat men zoveel te verliezen heeft. Hoe welvarender een maatschappij wordt, hoe belangrijker de stoffelijke aspecten worden voor degenen, die er deel van uitmaken. Er zijn tijden geweest, dat mensen graag hun gehele bezit opofferden om bv. naar het heilige land te kunnen trekken, om een bedevaart te kunnen maken. Tegenwoordig ziet men er tegenop naar een bepaalde kerkdienst te gaan, omdat men vreest daardoor een aardig tv.-programma te missen. En toch was er eens een tijd, waarin de mensen hun leven regelmatig riskeerden om alleen maar een voorlezing van christelijke lessen te horen. Nu riskeert men zijn leven kennelijk alleen, wanneer men daardoor een goede plaats bij een interland kan krijgen. Dit klinkt misschien wat cynisch, maar is niet geheel onwaar. Men ziet immers alles steeds meer in de verhouding: Ik en mijn vermaak, mijn gemak en mijn bezit. En juist omdat men in wezen betrekkelijk veel bezit, vreest men ook meer dit te moeten verliezen. Juist omdat het leven voor jou zo kostbaar is, omdat er nog zoveel te genieten is, spot je met de dood. Juist omdat men in deze dagen meer dan normaal angst heeft voor pijnen, spot men met lijden.

Tegen de achtergrond van de geciteerde, wat vreemde humor, tekent zich dan ook een wat ontredderde mensheid af. Nu is het ellendige van de sick-humor wel, dat zij soms, ondanks alle ellende en harteloosheid, die zij uitbeeldt, het geheel nog geestig blijft, en men door de aardigheid, die er in zit – iets wat ik wil vermijden, al geef ik u ook voorbeelden – men de onverschilligheid, zelfzucht en wreedheid over het hoofd ziet, die er achter schuilt. Om duidelijk te maken, hoe zeer alle bestaande waarden worden ontkend, citeer ik een van de ook hier te lande meer bekende voorbeelden: Moeder: “Pietje, blijf van oma af. Pietje, pulk niet aan Oma’s neus. Pietje, trek niet aan oma’s haren. Pietje, nu nog een keer en ik maak de doodkist dicht hoor….”

Dit klinkt aardig, er zit climax in. Maar de dood wordt tot speelgoed, de eerbied voor ouders een “geen rommel willen maken”. Indien het hier alleen zou gaan om de oneerbiedigheid van een kind tegenover de dood, zouden wij geen bezwaar hoeven te maken. Een kind kan zich de dood niet indenken. Ofschoon het wel somber is, dat kinderen in deze dagen zo vaak reeds zeer jong aan de dood en de aanblik van doden moeten gewennen. De verwerping van de eerbied voor de dood komt in deze grap en blijkt uit deze grap echter voornamelijk vanuit de volwassenen te komen.

Laat ons nu de feiten zien, die met deze zieke vorm van humor gepaard gaan. Jonge mensen die zonder enige werkelijke reden gezamenlijk een oude man doodslaan. Opstandige mensen, tussen de 20- en 30 jaren, die gezamenlijk twee echtparen door spiegelruiten gooien met bijna fatale gevolgen. Vraag je dergelijke jongelui, waarom zij dit eigenlijk deden, dan weten zij geen goed antwoord te geven. Hun verklaringen komen neer op een: “Nou ja, zomaar…” Maar hun antwoord geeft de werkelijkheid niet weer. Het leven behoort een zeker strijdelement te kennen, onzekerheden, angst ook. Men moet voortdurend in het leven iets kunnen overwinnen.

Deze overwinningen geven je het gevoel groot te zijn. Als je in levensgevaar verkeert en in staat bent door eigen ingrijpen dit gevaar te ontgaan, dan leert men snel innerlijke trillingen en onzekerheden te overwinnen. Dan voelt men zich sterk en zegt bij zichzelf: “Dood, ik ben je te sterk geweest!” Dan voelt men zich een ogenblik oneindig, meester van eigen leven, meester misschien van het Al. Wanneer men deze mogelijkheid tot overwinnen niet meer vindt binnen de maatschappij, dan zoekt men haar op andere wijze toch nog te ondergaan.

Wij zien vele verschijnselen, die dit bevestigen. Jongeren, die hun leven wagen door met krankzinnige snelheden op motoren over de wegen te razen, die met bromfietsen, bewust gevaarlijk, door het verkeer gieren, zonder met iets of iemand rekening te houden, zijn de minder felle symptomen. Wanneer men echter nog iets verder gaat, wil men door geweld overwinnen. En omdat men innerlijk toch angstig is, zoekt men iets uit, dat zwakker is en mishandelt dit, slaat dit dood. Want daardoor heb je het gevoel, dat je werkelijk iets betekent.

Dan voel je je viriel, een echte man of pas een echte, fatale, slechte vrouw, die iets te betekenen heeft in het leven. In een wereld, waarin alle positieve dingen geregeld en afgevlakt zijn, blijft op een bepaald ogenblik voor de mens, die persoonlijk wil beleven, zich uiten, ervaringen wil ondergaan, alleen nog de negatieve weg over.

Zolang je nog vechten kunt om meer te zijn dan een ander, om meer te betekenen, om nood te overwinnen, binnen de normale perken van de maatschappij, geeft deze strijd zekere rijkdom. Men bereikt er iets mee, men ziet resultaten van zijn strijd en hoeft het niet voor de voldoening alleen te doen. Dan streeft men heus wel in het dagelijks bestaan. Op het ogenblik echter, dat je het zonder strijd ook goed hebt en men, of men nu hard werkt, langzaam werkt, of bijna niet werkt, toch wel dezelfde rechten en verdiensten krijgt, is het strijdelement uit het dagelijkse bestaan verdwenen en zal de natuurlijke agressiviteit van de mens op een andere wijze afgereageerd worden.

Denk niet, dat ik overdrijf. Misschien hebt u de arbeidsintensiteitsonderzoekingen van de laatste tijd wel gehoord? Een metselaar in Duitsland legde 30 jaar geleden per dag 1050 tot 1100 stenen per dag. Op het ogenblik ligt de topprestatie bij rond 450. In Nederland vroeger 1000 stenen per dag, nu 300. In Engeland – omslaande over de werkdagen – komt men tot rond 220.

Maar dat komt ook, omdat er zoveel stakingen per jaar voorkomen, zodat het gemiddelde tempo per gewerkte dag ligt rond 320 tegen vroeger rond 800. Misschien ziet u dergelijke dingen alleen maar als een bewijs, dat de arbeiders van vandaag minder bekwaam, brutaler en luier worden. Maar neen. Je wordt van harder werken niet wijzer, je krijgt er zelfs geen werkelijk dank je, geen echter erkenning voor. Waarom zou je het dus doen? Er bestaat geen motief meer om harder te werken: Daarmede kun je anderen al lang niet meer bewijzen, wie je bent. En als je dan van het werk afkomt, waar je de gehele dag wat gelummeld hebt, wil je toch laten zien, dat je iets betekent. Misschien werk je dan ‘s avonds, en veel harder dan je overdag deed, voor eigen rekening. Of je gaat een glas bier drinken en slaat een kroeg in puin, slaat er op, scheldt, daag je iedereen uit. Is dat zo onbegrijpelijk?

En als je daar te intelligent, te lui, of te melig voor bent, vertel je elkaar grappen. Maar dan griezelige grappen. Zoals: “Ik signeer altijd mijn werk”, sprak de kunstenaar tijdens het messengevecht. En zo spaarde hij angstvallig een stukje van de huid van zijn slachtoffer, om diens dode huid van zijn handelsmerk te kunnen voorzien. Noem dergelijke praat sinister, bedreigend.

Maar zeg niet, dat het onbegrijpelijk is, dat men dergelijke dingen als grap beschouwt. Want in de maatschappij zijn nu eenmaal bepaalde instincten niet meer te uiten en toch zoeken dezen een uitweg. Wees liever blij, dat het bij de sick-joke blijft en men niet de courage en de drift heeft, om dergelijke dingen in de praktijk om te zetten; er zijn mensen genoeg, die dit toch reeds doen.

Nu de laatste tijd zoveel gesproken is over het werken van de Meesters, over de veranderingen en vernieuwingen, die er op de wereld plaats zullen vinden, meen ik, dat wij ook aan deze aspecten van deze tijd wel enige aandacht verschuldigd zijn. En er zijn regels, die dit alles duidelijk maken, let maar eens op.

Zolang ik in staat ben mij zelf te bewijzen, dat ik iets beteken, dat ik iets bereik in en met mijn bestaan, ben ik gelukkiger en zal ik meer mij wijden aan het bewijzen van mijn waarde.

Naarmate ik echter minder in staat ben mijn eigen waarde te bewijzen aan de wereld en mijzelf, zal ik minder voor de gemeenschap gevoelen, geneigd zijn mij meer buiten die gemeenschap te plaatsen en zal ik ofwel alleen voor eigen genoegen gaan leven – hoe gering of laag deze genoegens dan ook in de ogen van anderen ook zijn – of mij willen wreken op de gemeenschap, die mij de mogelijkheid onthoudt te bewijzen, wie ik ben.

Kwaad misschien, maar daarom niet minder waar. Er zijn vele punten die men vooral door te vergelijken met het verleden kan zien. Vroeger was huisvrouw zijn een veel zwaardere taak dan nu. Het was een taak, die de vrouw van de vroege morgen tot de late avond in beslag nam. Het eigenaardige is nu, dat het verleden, dat de vrouw toch zozeer aan haar huishouden en gezin bond, in verhouding meer sterke en edele vrouwen, meer trouw en zelfs ook meer verstandige vrouwen heeft opgeleverd dan de dagen van heden. Zeker, in deze tijd zijn er veel meer dames met vrijheid en kennis. Maar wanneer zij bevrediging zoeken, zullen zij moeten gaan concurreren met de man op zijn eigen terrein. Dat is voor hen de enige manier, waarop zij zichzelf nog bevredigend schijnen te kunnen bewijzen, dat zij betekenis hebben, dat zij werkelijk iemand zijn. Om dit te kunnen doen, moeten zij iets van hun werkelijke persoonlijkheid, van hun vrouwelijk bestaan, verloochenen en achterlaten.

Op het normale huiselijke niveau maakt de vrouw het zich steeds gemakkelijker, omdat er toch geen eer meer te behalen is aan een vlekkeloos huishouden: Je hoeft immers geen water meer van de pomp te halen, brandhout binnen te slepen, te koken op onbetrouwbare kolen of houtfornuizen, of zelfs op open vuren. Alles is zindelijk, eenvoudig en gemakkelijk geregeld.

Schoonhouden en boenen doet men niet meer: een stofzuiger erover en je bent klaar. Je houdt in feite tijd over. Niet veel tijd natuurlijk, want hoe meer je de tijd hebt, hoe minder tijd je overhoudt. Dat is een heel eigenaardig verschijnsel. Daardoor worden de vrouwen van heden ontevreden. Het heeft weinig zin meer voor de meesten van hen, te stellen: Ik heb nu eens buitengewoon lekker en goed gekookt. Dat betekent niet veel meer, wanneer alles toch uit een busje of pakje kan komen met hetzelfde resultaat. En waarom, zou je je kamers nog poetsen en vlekkeloos schoon maken. Het wordt toch zo weer vuil. Als het maar wat lijkt nietwaar? Waarom zou je meer doen? Ook zij zoeken naar een methode, om zichzelf belangrijk te maken en gelijktijdig bezig te houden, soms doen de dames inderdaad iets nuttigs, maar in de meeste gevallen resulteert alles, net als bij de mannen, in nutteloze prietpraat onder het mom van verenigingswerk.

Er is ook hier eenvoudigweg geen voldoende uitdaging meer. Vroeger moesten bv. je meubels een leven lang meegaan; je kon geen andere meer kopen waarschijnlijk. Nu zegt men eenvoudig: “Wat geeft het? Als je over vijf jaar ze niet meer mooi vindt, koop je eenvoudig nieuwe.” Wanneer er geen werkelijke uitdagingen meer te vinden zijn en het leven en de geestelijke uitdagingen, die er nog zijn, je te ver of te abstract lijken, dan moet je wel terugzakken in een sfeer van moedeloosheid, een sadisme, of een fantasiewereldje, waarbij je in de praktijk steeds meer tracht te leven op kosten van anderen.

Denkt nu niet, dat dit alleen het geval is bij een deel van de hedendaagse jeugd. Zelfs bij mensen op de hoogste plaatsen zien wij hetzelfde gebeuren. Vroeger betekende bv. voor een president: Het regeren van een land dit land werkelijk in je hand hebben, zeggen: “Zo gaat het”, en dan ook zien, wat er van terecht komt. Tegenwoordig is zo iemand eenvoudig een persoon, die zijn fiat moet geven aan een ambtelijk apparaat, dat desnoods, ondanks de politici, toch nog wel doet, wat het zelf wil; aan regelingen en een regelmaat, waarin hij misschien met veel werk en moeite nog een heel kleine wijziging aan kan brengen, maar meer niet. Ook voor de politici dreigt een zekere nutteloosheid steeds meer duidelijk te worden en wat er dan nog overblijft is: Waar je de kans hebt, vooral laten zien, dat je toch betekenis hebt. Juist daardoor zien wij in deze dagen steeds meer grote staatslieden, knappe koppen, die hun gehele leven verdoen met het houden van toespraken, het ondernemen van nutteloze reizen “met bevredigende resultaten” en het sluiten van verdragen, die uiteindelijk weinig of geheel niets uithalen. Ook hier gaat het al lang niet meer om resultaten. Het gaat er om te laten zien, dat je iets betekent, om populariteit en aanzien.

Er zijn zelfs staatslieden, die voortdurend dreigen oorlog te verklaren, om de wereld vooral te laten zien, dat zij iets betekenen. Zij doen dit, omdat zij niet weten, wat zij aan de werkelijke problemen zouden kunnen en moeten doen. Vergelijk dit met grote staatslieden uit het verleden, bv. Abe Lincoln. Een waarlijk fantastische man, die niet alleen maar een held was volgens het beeld, dat men in deze dagen van hem ontwerpt, maar iemand, die wist, wat hij bereiken wilde en zag, dat het ook gebeurde. Een man, die niet te oud was om zelf de hand aan de ploeg te slaan en mee te slepen met de eenvoudigste, wanneer hem dit noodzakelijk leek, alleen maar om te zien, dat men iets bereikte. Hij was in staat om zijn wereld te vernieuwen… .

Maar wat moet bij voorbeeld een Johnson doen? Kan hij zijn wereld vernieuwen? Hij krijgt er eenvoudig de kans niet toe. Hij heeft er ook de moed niet toe. Hij durft geen burgeroorlog meer te riskeren, voor wat hij recht acht en zo hij dit zou willen doen, dan zou men hem eenvoudig uitlachen.

Ook overal anders kunt u rondkijken, of het nu Rusland is of Nederland. Overal ziet u het zelfde patroon: Men durft niets meer te veranderen, men wordt geregeerd door regels, men wil dit in wezen ook en weet het heel goed. Om toch nog groot te kunnen lijken, geeft men dan voor, onnoemlijk veel te doen, terwijl men in wezen niets van werkelijke betekenis presteert.

Misschien geeft de sick-joke op politiek terrein daarvan getuigenis. Wanneer men een minister-president na zijn aftreden tijdens een interview op de vraag; heeft u tijdens uw ambtsperiode nog iets belangrijks volbracht, laat antwoorden: “Zeker. Ik heb 10 doodvonnissen getekend.” De vraag is alleen, of een dergelijke grap nog humor mag worden genoemd, of zij niet in wezen een aanklacht is.

Ook bij de geestelijkheid, de geestelijk voorlieden van heden, zien wij soortgelijke ontwikkelingen. Vroeger moest je een geloof beleven, moest je vechten om te bewijzen, dat je leer juist was, om te bewijzen ook dat degenen die van de instellingen van het geloof misbruik maakten, niet de representanten van je kerk, je geloof waren. Toen ging het er om, om ten koste van vele offers en desnoods van je leven en gezondheid, je boodschap aan de mensen te brengen.

Tegenwoordig gaat het ook hier er allereerst om het gezag, dat je eenmaal bezit, of meent te bezitten, te handhaven, en vooral niet te veel veranderingen aan te brengen opdat de heerlijke situatie, waarin je aanzien en macht bezit, niet teloor zou gaan. Maar gelijktijdig betekent dit, dat men niet meer kan zeggen, wat men werkelijke gelooft, dat men niet meer mag spreken, zoals de geest het ingeeft. Als geestelijke mag men tegenwoordig zijn geloof niet meer brengen, zoals men het beleeft, maar dient men het te brengen, oprecht of niet, op een wijze, die voor alles “passend” is. Dan is de geest verdwenen uit prediking en plechtigheid. Dat is ook de reden, dat het geloof in zovele opzichten de laatste tijd achteruit gaat.

Ook voor de politiek geldt hetzelfde. Voor een partij die vecht, heeft men belangstelling. Er zijn altijd weer mensen, die daarvoor alles over hebben. Maar niemand heeft werkelijk belangstelling voor een groepering, die veel grote woorden gebruikt om haar bijzonderheid aan te tonen en dan uiteindelijk precies hetzelfde doet als elke andere partij. Laat ons eerlijk zijn: Of u nu geregeerd wordt – neem aan, dat zij een volledige meerderheid weten te bereiken – door de PvdA, de KVP, of de VVD, denkt u, dat dit in wezen veel uit zou maken? Misschien zal de PvdA haar sociale maatregelen wat socialer formuleren, maar zij zal op dezelfde wijze tegemoet komen aan de werkelijke eisen van de gemeenschap als de KVP en de VVD. Het enig belangrijke is voor deze groepen in wezen, dat zij macht bezitten en dat hun prestige niet kan worden aangetast. Voor verschillen in formulering heeft de doorsnee burger weinig interesse en om lege beloftes gaat het hem ook niet. Het gaat de burger er alleen om, dat er iets bereikt wordt. En voor de burger geldt ook hier: Wanneer je niet werkelijk iets kunt bereiken, waarom zou je werken?

Ik wil niet zeggen, dat dit nu de psychologie is van elke mens in deze dagen. Het is de overheersende psychologische achtergrond van het gehele leven. Waar je ook gaat kijken, ziet men een zich baseren op hetgeen er is, een zoveel mogelijk met alle kracht handhaven van wat er is, en verder een reeks handigheidjes, waarbij het niet gaat om een zich waardig tonen, een bereiken, maar om verwerven, bezitten en, desnoods door een soort wreedheid tegenover anderen, vooral bewijzen, dat je ondanks het niet zelf bereiken van iets, wat werkelijk van belang is, je nog meetelt ook.

Het is vaak moeilijk een juiste weg te vinden. En de problemen, waar men voor staat zijn juist in deze dagen vaak groot. Denk bv. eens aan de problemen, waarvoor Zuid-Afrika in deze dagen staat: Een kleine, maar belangrijke blanke minderheid staat hier immers tegenover een ‘barbaars’ of in dit werelddeel nog barbaarse zwarte meerderheid. Het is niet gemakkelijk hier een juiste weg te vinden. Om de gehele blanke maatschappij open te gooien voor althans een deel der meer beschaafde kleurlingen zou een breken zijn met alle heersende machten en posities en beseft misschien wel, dat het beter zou zijn, maar durft het eenvoudigweg niet aan.

Men durft vooral aan de kleurlingen niet de rechten en bovenal de liefde te geven, die voor hen noodzakelijk zijn. Zo kweekt men de haat. Dit voert aan beide zijden tot onredelijkheid. In Zuid-Afrika betekent dit nu nog, dat veel van hetgeen de kleurlingen op kunnen bouwen, nodeloos wordt afgebroken of verboden.

In Kongo zien wij het omgekeerde. Hier heeft men alle beschaving en alle kennis, die voor een zelfstandig bestaan in deze wereld nu toch noodzakelijk zijn, te danken aan de missies. Maar de eerste gebouwen, die steeds weer vernietigd en verbrand worden, blijken juist de scholen en de missies te zijn. Waarom? Omdat deze mensen beseffen: Wij bezitten nog niet voldoende kennis.

Wij zijn ergens nog niet volwaardig. Zij stellen dus niet: Wij zullen zo hard gaan leren en studeren, dat wij na enige tijd tegen de blanken kunnen zeggen; wij hebben gelijke kennis als u, wij hebben u niet meer nodig, maar branden eenvoudig de scholen en missies af. Dan zijn zij weg en kan men tenminste weer doen, alsof men reeds geheel volwaardig is, ook binnen het kader van een moderne wereld en een nationale ontwikkeling. Zou dit niet haast overal het geval zijn?

De psychologie van vandaag is een psychologie der angst. De angst vooral, dat er eisen gesteld kunnen worden, waaraan men niet zal kunnen beantwoorden, de angst ook, dat men verantwoordelijk zal moeten zijn voor dingen, waarvoor men de verantwoordelijkheid niet wil dragen. Men verwijt bv. het Duitse volk – of verweet in het verleden het Duitse volk – dat zovelen daar stellen over de ellende en wreedheden van een vorig regime: “wir haben es nicht gewuszt”.

Maar wie van degenen, die hiervoor vallen, heeft de moed zelf alles na te gaan, wat zijn regering doet? Wie van u kan uit eigen weten stellen, dat alles wat de Nederlandse regering doet goed is?

Wie kan zeggen in enig ander land, dat alles in orde is? Draai de zaak eens om. Stel dat Indonesië weer zou gaan spreken over de wreedheden en onmenselijkheden, die daar tijdens de z.g. politionele actie van Nederland zijn begaan; daarover werd indertijd, zij het zeer eenzijdig, voldoende gepubliceerd. Zal men als Nederlander echter ook niet zeggen: Dat hebben wij niet geweten? Maar men kon het weten nietwaar? Men wil deze dingen eenvoudig niet weten, men wil niets weten buiten dat ene: Hoe kan ik het met zo weinig mogelijk moeite zo goed mogelijk hebben en bovendien nog bewijzen, dat ik een flink mens ben? Er gebeuren, dankzij het ingrijpen van Amerika en Engeland, in Zuid Azië vele onnodige wreedheden. Onmenselijkheden. Dat er een politieke noodzaak bestaat tot het ingrijpen aldaar, weet bijna iedereen in die landen. Maar wanneer gesproken wordt over de wreedheden, die er het gevolg van waren, wanneer later iemand rekenschap zou vragen voor het vele onnodige lijden, dat veroorzaakt werd, zullen de burgers van deze staten echter ook zonder twijfel antwoorden: “Wij hebben daarvan niets geweten”. Men zou het kunnen weten. Maar men wenst geen verantwoordelijkheid. Men wil eenvoudig niet weten, wat de resultaten zijn van wat men doet of anderen toelaat te doen. Men vreest alles, zelfs verantwoordelijkheid. Men eist alles, weelde, bestaan zonder onzekerheden en verantwoordelijkheden, maar vreest deze waarden, zo men ze al ten dele bezit, te verliezen, wanneer men begint iets te veranderen aan het bestaande, hoe slecht het ook is; hoe zeer men ook beseft, dat de bestaande toestanden onhoudbaar zijn en zelfs tot een vernietiging van mensheid en wereld gelijktijdig zou kunnen voeren.

Dat is de reden, dat ik spreek over de psychologie van de angst als de voornaamste achtergrond van vandaag. Dit klinkt alles nogal negatief. Nu meen ik, dat het niet juist is de negatieve waarden naar voren te halen, wanneer daar tegenover ook geen positieve waarden of ten minste mogelijkheden gesteld kunnen worden. Wanneer wij geloven, kunnen wij door dit geloof soms meer bereiken dan anderen door hun weten, maar dan moeten wij ook de moed bezitten, ons geloof op de proef te stellen. Hebben wij die moed? Een moeilijke vraag. Uit het voorgaande volgt wel, dat zeer vele mensen zich op een geloof, een instelling, of zelfs een esoterische bereiking beroemen en verheugen, zonder deze waarden ooit op de proef te stellen; zij zouden dit misschien wel willen maar durven eenvoudig niet. Maar wanneer je de uitdaging aan durft nemen, wat dan? Er blijkt dan wel, dat er geestelijke krachten en gaven zijn, waarmede men veel kan bereiken. Dan blijkt opeens ook, dat er een wereld is vol uitdagingen, welke de mens niet machteloos maakt, maar hem op de proef stelt en aan de schijn van hulpeloosheid, nutteloosheid, sleur, een geheel nieuwe inhoud geeft. Het vreemde is, dat wij daarbij bij schijnbare nihilisten, anarchisten op het gebied van godsdienst en menselijke regels dit besef vaak sterk terug vinden.

Want als wij spreken over de mentaliteit, die vernietigt, die mensen dood pijnigt, en alleen maar uit aardigheid en nuchter voor eigen aanzien of plezier het levensgeluk van anderen in puin trapt, zo zullen wij ook moeten spreken over de mensen, die, vaak geheel los van alles in de maatschappij en de menselijke waarderingen, trachten iets nieuws, iets positiefs op te bouwen.

Deze mensen trachten niet alleen maar met een scherpe tong of met een botte pen en korte woorden iets te beweren, zij zijn ook niet altijd kunstenaars. Soms zijn het mensen, die in een klein hoekje en met onvoldoende middelen jaren lang bezig zijn met het uitwerken van een uitvinding – al beseffen zij, dat de wereld hun vondsten waarschijnlijk zal afwijzen, omdat zij bestaande belangen zou kunnen schaden. Mensen ook, die geestelijk opgaan in hogere waarden, die voor vele anderen niet te begrijpen zijn en daarin krachten en mogelijkheden vinden voor zich, waardoor zij voor anderen iets kunnen betekenen, zelfs als de wereld ze uitlacht. Het zijn bv. niet de “rechtgelovigen” van deze tijd, die God op aarde doen leven. Het is eigenaardig, dat vaak twijfelaars en halfgodsdienstige mensen op dit terrein vaak meer tot stand brengen dan de “vromen”.

Het zijn vaak de eigenzinnige, die niet mee wensen te lopen in het spoor van anderen, die het christendom op aarde doen leven. Vraag dat maar aan Albert Schweitzer die, hoewel gelovig, zeker niet orthodox genoemd kan worden in geloof, inzichten en gewoonten en zich omringd ziet door vele mensen, die zeker niet “vroom”, of zelfs maar godsdienstig waren, ja, die zijn werk kan voortzetten dankzij de daadwerkelijke hulp van velen, die zelfs nu misschien nog niet in het bestaan van een God kunnen geloven. Mensen, die misschien niet geloven, zoals dit volgens de wereld en haar kerken wel behoort, maar die toch iets hogers hebben gevonden, iets anders, dat aan hun leven inhoud en zin geeft, dat hen vrijer maakt in hun leven en streven. Er is veel duister en negatief op de wereld, het zou dwaas zijn dit te ontkennen. Maar er zijn ook overal kleine lichtpuntjes. Er is onmetelijk veel aan positieve waarden in de mensheid en op de aarde aanwezig.

Waar ik het negatieve met voorbeelden van humor illustreerde, wil ik ook het positieve toelichten aan de hand van een voorbeeld van wat eigenaardige humor: Een man was bezig een zwakzinnig kind te leren lezen. Op het ogenblik, dat hij aan dit kind met veel moeite reeds een groot deel van het alfabet heeft weten te leren, komt er een engel tot hem, die zegt: “God heeft u geroepen. Haast u, want u mag nu in de hemel komen.” Waarop de man antwoordde: “Vraag aan God of hij even kan wachten, want ik ben bezig”.

De humor hiervan zouden vele gelovigen waarschijnlijk niet kunnen waarderen, maar ook zij is kentekenend voor deze dagen: wij vinden soms iets, wat zo zeer leven betekent, wat zo gewichtig en belangrijk is, dat wij zelfs tot God zouden zeggen: “Wacht maar even, wij hebben geen tijd”. Het blijft een verhaaltje. Maar het geeft aan, hoe ook in deze dagen vele mensen door een zelfopgelegde taak, die geen erkenning en waardering schijnt te brengen, gedreven kunnen worden. Dit is misschien wel de grootste strijdigheid, die wij in de psychologie van deze dagen kunnen vinden. Aan de ene kant de angst, zo groot, dat zij tot vernietigen voert, indien men maar hoopt hiermede eigen bestaan te kunnen bevestigen en aan de andere kant een zozeer opgaan in het schijnbaar onbelangrijke, dat men bereid is daaraan zijn geluk, zijn leven en alles te offeren, om daarmede iets te bereiken. In het eerste geval is het de angst die de mensen drijft, in het tweede geval is het juist de vrijheid van angst, is het een begeerte, zoals de gehele wereld op het ogenblik op het scherp van het mes balanceert tussen angsten en begeerten.

Wanneer wij als grap horen vertellen, dat iemand, die een knipmes kocht, onmiddellijk daarmede de verkoper doodstak om later tegen de politie te verklaren, dat hij toch moest weten, of het mes, dat hem verkocht was, ook goed was, dan klinkt ons dit krankzinnig in de oren. Toch is er een terrein, waarop ik wel zou willen, dat de mensen van vandaag deze schijnbaar negatieve benadering zouden gebruiken. Als iemand je een wet geeft, tracht dan allereerst die wet en haar gevolgen eens toe te passen op degenen, die deze wet gemaakt hebben, als is het maar om te zien, of die wet nu werkelijk wel zo goed is. Wanneer er een belofte wordt gedaan – bv. dat de woningnood in 1970 voorbij zal zijn – kijk dan eens, wat degene, die belooft, zelf van zijn beloften houdt. Vraag bv. degene die die verklaring gaf omtrent de woningnood, of hij bereid is zijn eigen huis – hij kan toch voorlopig in een ambtswoning leven, niet waar – aan een woningzoekende te verhuren tot 1970. Dit is ook een soort omkeren van wapens, maar ik geloof toch, dat wij een dergelijke benadering van het leven en de werkelijkheid zeker niet alleen negatief mogen zien. Ik meen, dat de positieve kant van deze tijd op iets dergelijk berust, weliswaar niet om te vernietigen en af te breken, maar in het besef, dat wij alles, wat wij bezitten, wat wij zijn, wat ons gezegd en beloofd wordt, wel degelijk op de proef mogen stellen.

Zo God ons het leven geeft, zo hebben wij, naar ik meen, zelfs het recht, dit leven in onze beide handen te nemen en te zeggen: God, bewijs ons, dat dit leven iets waard is. Zeker, dat is sacrilege. Natuurlijk. Maar hebben wij dit recht dan niet? Zijn wij geschapen ” met een vrije wil” om alleen maar stom en duldend te aanvaarden, om alleen maar lijdzaam alles te ondergaan zonder besef of oordeel? Als God zegt: “Zo kun je je leven iets waard maken”, doe dan wat Hij zegt. Maar als Hij zwijgt en niets zegt, dan mogen wij ook zeggen: “God, of ik ben in wezen niets, of U deugt niet.” Wat natuurlijk weer sacrilege zal worden genoemd door degene, die een geloof verkondigen, waar zij zelf niet eens naar durven leven en hun eigen belangen zonder meer de wil van God plegen te noemen.

Maar als je in deze dagen eerlijk God op deze wijze durft uit te dagen, krijg je eigenaardig genoeg ergens een antwoord. Dat antwoord is niet gelegen in de heerlijke verklaringen en voorschriften, die men in deze dagen zo graag schijnt te horen. Er zijn mensen, die God zien als een soort politicus, die een ieder de hand schudt en zegt: “Kom in mijn koninkrijk der hemelen, maar denk er vooral wel om; de belasting is 90% van je leven”. God is een vrijbuiter. Dat begint in deze dagen hier en daar tot de mensen door te dringen. God is geen pietpeuterig ambtenaartje met een aantal registrerende engeltjes naast zich, die als een hemelse accountant alles registreert en afweegt om uiteindelijk vanuit de dorheid van zijn cijfer de vruchteloosheid van zijn eigen schepping te moeten erkennen. God is een levende kracht. Het besef, dat deze God een levende kracht is, dat je die God mag uitdagen, maar dat je dan ook de consequenties zult moeten aanvaarden, is wel een van de belangrijkste erkenningen van deze tijd.

De psychologie van deze dagen verwerpt bv. een groot deel – zeker de werkelijke en onafhankelijke waarde – van inspiratie, magie, esoterie. Men verwerpt al datgene wat zo mystiek is, dat er geen redelijk of filosofisch betoog over is op te zetten; al datgene, wat zich niet wil storen aan de menselijke begrippen van redelijkheid en de menselijke behoefte, om alles vanuit eigen weten en denken te controleren en in vakjes in te delen. Maar zijn het niet juist deze oncontroleerbare dingen, die werkelijke inhoud aan het leven geven, zijn het juist niet deze mystieke waarden, die waarheid zijn voor degene, die ze willen en kunnen beleven?

Is God een schoolboek, is de eeuwigheid een wetboek van het leven in dode letters, of is God de Kracht, die schept in een mateloosheid, die door de mens, maar ook door vele hogere wezens niet eens beseft kan worden? De vraag is misschien wel: Is God een boekhouder ver weg, of is Hij een Kracht, die in schichten van vele verschillende kleuren doordringt in de mensen? Is God iemand, die aan “wetenschap” doet, of iemand die vanuit zich voortbrengt en schept?

Op deze vragen zal men in deze dagen een antwoord moeten vinden. Ik, voor mij geloof, dat het meest juiste antwoord voorlopig dit is: Waar wij de moed hebben om in het positieve te zeggen: “Leven, hier ben ik, ik wil dit leven”, zal God zeggen: “goed”. God is zijn eigen wet, Hij kent geen menselijke wetten, interpretaties, hiaten. Daarom zal Hij alles geven, wat men vraagt op de juiste wijze.

Wanneer je als mens zegt: God, maak mij rijk, dan antwoordt Hij, “mens, wat doe je daarvoor?”

Zeg je: “Ik heb daarvoor alles over, mijn kracht, mijn tijd, mijn leven en streven, dan krijg je je rijkdom. Dit kost je dan ook alles en je gehele leven. Maar je kunt krijgen, wat je wilt.

Vraag je God: “Geef mij bewustzijn van de eeuwigheid”, zo luidt volgens mij het antwoord: “Goed. Maar vergeet dan ook de tijd, waarin je leeft.” Het antwoord is, ook voor deze tijd, eenvoudig en logisch. Niets is werkelijk onmogelijk. Alles kan.

In deze dagen begint men dit ook ergens innerlijk te geloven, zoal niet te beseffen. Alleen, men meent nog steeds, dat dit alleen voor anderen geldt en niet voor het ik. Wanneer je de mensen spreekt over het gevaar van het atoom, dan mompelen zij “atoombommen”, en vinden het verschrikkelijk. Maar ergens menen zij toch ook weer: Ons zal dit niet gebeuren. Anderen ja, maar ons niet. Is er een vliegtuigramp, dan vindt men het verschrikkelijk, maar vliegt zielsrustig kort daarna naar zijn bestemming, “die dingen zijn natuurlijk verschrikkelijk, maar ons overkomt dit niet”. Spreek over ongelukken in het verkeer; men vindt het verschrikkelijk, onverantwoordelijk enz. Maar wanneer men naar huis gaat, kan men, naar men meent, wel enig risico nemen. Zo erg is dat uiteindelijk niet, want mij gebeurt toch niets. Onbewust doen de meeste mensen, op deze en andere wijzen, toch voortdurend een beroep op die Vrijbuiter God.

Al is het alleen maar om, terwijl zij voor alle anderen goddelijke en menselijke wetten als waar en nuttig erkennen, gelijktijdig te vergen, dat zijzelf een uitzondering op de regel zullen vormen.

En men verwijt het vaak aan God, dat hij deze verwachting, deze stille eis niet zonder meer inwilligt. Maar men vergeet, dat men eerst zelf een uitzondering zal moeten zijn, zover men dit kan, voor de Goddelijke Kracht een verder gaan van die uitzonderingspositie mogelijk zal maken.

Er bestaat bv. op aarde een hele reeks van oude en natuurlijk belachelijke incantaties en bezweringen, belachelijke dingen. Waanzin. Wie meent nu werkelijk, dat er hele groepen geesten zitten te wachten, bv. op de maan en de zon, die steeds maar wachten tot het iemand op aarde zal believen hen op te commanderen? Krankzinnig! Maar waarom zou het niet zo zijn?

Moet dan de gehele schepping alleen maar volgens menselijke logica bestaan? Is er dan niets mogelijk, dat niet door mensen gedacht, gevoeld, begrepen kan worden?

Wanneer ik de moed heb om te zeggen: “God van Kracht en Licht, hier ben ik, maak mij tot Licht”, mag ik niet daaraan toevoegen: geef mij maar even de regels en voorschriften daarvoor.

Want dan krijg je niets; maar wanneer ik dit zeg en waarlijk Licht wil zijn, alle duister uit mij zelf wil uitwerpen, denkt u dan werkelijk, dat er niets zal gebeuren? O, u heeft het wel eens geprobeerd en het gelukt niet zo gemakkelijk? Natuurlijk, u verwacht, dat u het Goddelijk Licht kunt krijgen op aanvraag, tegen betaling, met 10% en betere waarde, plus nog een spaarzegel voor een reis naar het Heilige Land op de koop toe; maar zo is het niet.

Goddelijke kracht vinden, is een manier van leven. Het is een wijze van leven, die volgens de normen van heden zelfs onmaatschappelijk is, laat mij dat maar even vaststellen. Het is een wijze van leven, die niets meer met de gewone normen te maken heeft, een leefwijze, waarin geen wet, geen recht en voorschrift bestaat buiten dat ene: het bereiken van het Licht, het bereiken van God.

Juist omdat de mensen in deze dagen aan de ene zijde negatief zo ver afwijken van alle normen en openlijk gebruikelijke opvattingen, is er ook een neiging om af te wijken naar de andere, de positieve zijde. Het Licht van deze dagen ontstaat in mensen die zich misschien excentriek, of zelfs belachelijk aanstellen, maar zich een doel weten te kiezen en af durven wijken van de algemeen aanvaarde normen. Zij durven weer het ongelofelijke te proberen, geloven ergens in mogelijkheden, die niemand anders ziet. Zij draaien de sick-joke om en zegden niet meer: Anders doe ik de doodkist dicht, maar stellen; ik wek oma weer tot leven. Zij zeggen, dat zij het dode levend zullen maken en zij kunnen het.

Zij zijn zich nu nog niet voldoende van hun krachten bewust, waardoor het geestelijk leven van deze dagen vaak een wat tweeslachtig karakter krijgt, maar ook de positieve ontwikkeling is er al. Wij mogen dan, ook niet zeggen, dat de psyche en psychologische aspecten van deze tijd alleen negatief zijn, maar dienen wel te erkennen dat het een tijd van uitersten is.

Bovenal moeten wij beseffen, dat de normen, die men uiterlijk nog ziet een lege façade zijn. Leef als een filmdecor, omdat er geen kamer, geen huis achter ligt. Uiterlijkheden, meer niet. Achter dit alles echter begint zich reeds nu een nieuw leven, een nieuwe wijze van bestaan op aarde te ontwikkelen. Achter de uiterlijkheden van deze dagen bouwt men nieuwe wijzen van goed – en van kwaad – leven op. Wij dienen te beseffen, dat een beroep op God, voor wij zelf geen besef verworven hebben en een keuze gedaan hebben, geen resultaten zal kunnen hebben. Vandaar, dat zoveel nog hopeloos lijkt.

Ik weet, dat er mensen zijn, die uitroepen: “De kanker is een zo verschrikkelijke kwaal, die zoveel lijden betekent voor zoveel mensen, geef ons een middel daartegen, God, want het is er toch.” Zij hopen, zo een oplossing te vinden, die verder alles bij het oude laat. Dat komt, omdat zij niet beseffen, hoe het antwoord zal luiden: Neem dan elke door u geschapen oorzaak daarvan weg. Geef de mens weer rust, vrede, zuiver zijn atmosfeer, voorkom de verontreiniging van de wateren, bevrijd uw voeding van schadelijke chemische bijvoegingen. Leer de mens terug te keren tot een natuurlijker bestaan. En zo men zegt: “Maar dat kunnen wij niet”. Dan antwoordt God: “Dan maar kanker!”

Hopeloosheid komt vaak ook voort in deze dagen door een verkeerd begrip voor waarden. Ik hoorde mensen reageren: “De geest spreekt over de mogelijkheid van een derde wereldoorlog, dus nu zullen wij het hebben!” Zij vergeten dat het noemen van een gevaar altijd weer betekent, dat een andere weg mogelijk is. Men zou moeten zeggen: dan zal ik vrede brengen waar ik maar kan, niet alleen met een demonstratie en later lekker de smerissen op hun kop slaan voor de vrede – dat gebeurt ook – maar door werkelijk vrede te zoeken en te vinden, door te weigeren enige haat te kennen, enig geweld te gebruiken, wat het ook kosten moge. En dat niet alleen in politiek en staatkunde, maar ook tegen de naasten. Wees vredig in uzelf en er kan vrede komen op aarde. Een wereldoorlog is niet noodzakelijk, misschien niet eens waarschijnlijk.

De psychische ontwikkeling van deze tijd bevordert het ontstaan van angsten. Men wordt dan misschien zo bang voor het gevaar van een oorlog, dat men er een veroorzaakt. Maar wanneer men die angst overwint, als je de vrijheid vindt, die nu reeds aan alle kanten groeit, dan maak je van het griezelige en wrede het glorieuze, van de mop, die uit de diepten van de hel schijnt te stammen, iets, waarin een tikje van de hemel doorschemert. Dan kan de jeugd, die nu met fietskettingen gewapend er op los wil slaan, omdat dit de enige wijze is waarop men iets schijnt te kunnen betekenen, weer zien zo als zij is: Een jeugd die ook oude mensen wil en kan verzorgen, die voor kleine kinderen een onwillige tederheid en veel geduld op kan brengen, die in wezen zo heel goed kan zijn.

Wees niet bang en vind vrede. Vrede kunt u alleen bezitten, wanneer u met uzelf redelijk tevreden bent. Weet steeds, dat je het beste doet, wat je meent te kunnen doen; dat je zo goed bent, als voor jou maar mogelijk is; dat je jezelf bent en niet alleen maar een marionet van een maatschappij, waarachter de verwrongen en lijdende gedaante van een werkelijke mens schuil moet gaan.

Vrede vinden in jezelf is niet zo moeilijk als je denkt, wanneer je maar ophoudt met de wereld te willen veranderen, de wereld ofwel lijdzaam te ondergaan, dan wel leiding te willen geven, en in de plaats van dit alles leert jezelf te zijn, steeds vrede te zoeken zonder haat en zonder angsten.

Deze oplossing is er niet een, waarvan men kan zeggen: Dat komt er toch nooit van. Nu reeds begint dit alles te werken; meer en meer bv. brokkelen de regerende instanties en vormen af; steeds meer wordt het openbare leven een schil zonder vrucht, zonder werkelijke bezieling door de mensheid, omdat de mensen zelf reeds zoeken naar een andere uitweg. Helaas zoeken nog velen een uitweg door hun fantasie te laten prikkelen en uit de werkelijkheid weg te vluchten naar een fantasiewereld, wanneer zij maar kunnen. Maar er zijn reeds voldoende mensen die anders zijn, meer positief zijn.

Daarom zou ik willen besluiten met de opmerking, dat de mensheid staat op de grens van een bereiking die bovenmenselijk lijkt óf een val tot het hels demonische. De keuze is aan de mens, en de mens begeert het goede. Misschien is daarom de laatste grap, die ik vanavond wil geven – werkelijk gebeurd – symptomatisch: twee jeugdgangs hadden gevochten en enkelen van hen werden verminkt, een van hen voor het leven. Vanaf dit ogenblik werkten de gangs samen om te zorgen, dat de slachtoffers er niet onder zouden lijden, vormen een grotere en sterkere gang, maar zijn zo druk met de zorg voor hun slachtoffers, dat zij eindigden als een afdeling van de christelijke – jongemannen – vereniging. Deze grap stamt uit het gebied van Hoboken en leert ons: De mens doodt soms veel, maar beseffende, wat hij deed, zal hij vaak meer tot stand brengen en tot leven brengen, dan wat door hem te loor is gegaan. Deze mogelijkheid ligt in de toestand van de menselijke geest. Daarom stel ik: Het is een vreemde tijd, een grote tijd, waarin de mensheid, zoals zij was, ten onder moet gaan, omdat op aarde, of alleen dieren, of alleen met God verwante mensen over kunnen blijven, wanneer de problemen van deze tijd zijn opgelost. Omdat ik God altijd sterker acht dan het duister, tip ik op het laatste.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen.

  • Ik heb uw wijze van benadering met belangstelling gevolgd en zou deze verhandeling, waarmee ik het in grote lijnen eens kan zijn, voer voor psychologen willen noemen. Er zijn bepaalde gedachten, die voor ons in de stof nog onbereikbaar zijn. Op het gebied van het carcinoom is men het in de wetenschap wel eens met wat u hebt gezegd. De moeilijkheid is, dat deze dingen hieraan debet zijn. Maar door de grote bevolking en groei van de wereldbevolking, kunnen wij niet anders. Wanneer het door u aangestipte middel niet voorhanden zou komen, zullen de komende 100 jaren dus wel moeilijk zijn. Mag ik hierover eens iets horen?

Wanneer u zegt, voer voor psychologen, dan lijkt mij dit mild uitgedrukt. Ik heb mij van dergelijke populaire term verre willen houden. Anders had ik wel gesproken van voer voor psychiaters, want in het behandelde liggen de psychische trauma’s, de dwangneurosen van deze tijd.

Wat de kwestie van toekomstige staatsvormen en mogelijkheden betreft: De Wereldleraar kan daarover zijn inzichten en stellingen wel geven, maar wij zitten met wat er is. Wel is er als een leidsnoer voor de toekomst zijn lering, zijn inzichten, maar voorlopig blijft alles nog zoals het is.

U stelt: “wij weten wel, dat wat u stelt juist is, maar wij kunnen het niet.” Ik vraag mij af of dit nu werkelijke waar is. Wanneer men namelijk zou durven beginnen – ik weet geen eenvoudige voorbeelden – om voor alle bevolkingsagglomeraties alleen elektrische tractie toe te laten en elektrische verwarming te bevorderen, zou een groot deel van doe luchtverontreiniging daar reeds verdwijnen. Men kan op het ogenblik voldoende elektrische energie opwekken om aan alle vraag, die uit deze vergroting van behoeften voort zou komen, te voldoen. Bovendien blijkt men reeds nu in staat te zijn elektrische voertuigen te vervaardigen, die per lading van hun batterijen ongeveer 350 km kunnen afleggen, terwijl hun snelheid tussen de 60 en 80 km per uur ligt. Dit voorstel is dus reeds met nu bestaande middelen te verwezenlijken. Maar wanneer men dit zou doen, zou eenieder, die nu een auto heeft, zijn bezit praktisch waardeloos zien worden. De grote industrieën, die zich op gemotoriseerd wegvervoer hebben gebaseerd, zouden zich onder grote kosten aan moeten passen. Daar privévervoer op deze wijze althans voorlopig duurder zou komen dan nu het geval is, zou van het openbaar vervoer meer gevergd worden. De regelingen, die daarin nu bestaan, de combines, die dit in feite in de meeste landen beheersen, zouden hun monopolie dan prijs moeten geven. Wat ook al moeilijkheden baart. Maar het kan heus wel.

U stelt: gezien de grote wereldbevolking en de bevolkingsaanwas moeten wij wel verder gaan met het gebruik van chemicaliën, bespuitingen enz. Heeft men zich al eens gerealiseerd, dat er een direct verband bestaat tussen de feitelijke bevolkingsaanwas en het beschikbare voedsel?

Hoe slechter het voedsel is, dat men – in grote hoeveelheden weliswaar – maakt, hoe minderwaardiger de lichamen worden van de mensen, die op de wereld gaan komen. Hoe verder u dus gaat om u voor te bereiden op een grote toename van het bevolkingsaantal in de toekomst, hoe ongelukkiger u dus deze mensen van de toekomst lichamelijk ook maakt. Anders gezegd: het is belangrijker de problemen van nu, nu op te lossen, dan te spreken over problemen, die over vele jaren zullen bestaan en daarop het uitstellen bij het oplossen van de bestaande problemen te baseren, zoals helaas maar al te vaak gebeurt.

En dan uw industrieën. Ik weet wel dat vele hiervan op het ogenblik zeer belangrijk zijn. Maar zij vergiftigen de lucht aardig. Denk bv. aan de petroleumindustrie. Overigens zou het invoeren van elektrische tractie in alle steden hier al een gedeeltelijke oplossing betekenen. Verder kennen wij de chemische industrieën die voor vele vergiftigingsverschijnselen aansprakelijke zijn. Men zou hen eenvoudig moeten dwingen, hun giftige producten ten koste van alles geheel – dus niet slechts ten dele, zelfs al zou dit betekenen dat het bedrijf niet meer rendabel te maken is – uit zowel rook als afwater te verwijderen. De producten uit kunststof zouden daardoor duurder worden, zodat andere, natuurlijke producten, die nu duurder, maar veel beter zijn, weer meer algemeen aan de markt zouden komen.

De weelde, waarin velen zich op het ogenblik baden, zou daardoor wel iets afnemen; daartegenover staat, dat de producten, waarover men dan zou kunnen beschikken beter, duurder, maar ook duurzamer zouden zijn. Het dieet van de doorsnee mens zou wat magerder zijn, maar daardoor zou men ongetwijfeld ook kwalen als hartinfarct zien verminderen bij de delen van de bevolking die haar zakelijk zo noodzakelijke bezigheden vaak in overvloed van voeding en te kort aan beweging pleegt te volbrengen. Door het verminderen van de vele kwalen van deze tijd, – het verminderen van de geluidshinder – elektrische voertuigen maken minder lawaai dan heerlijke stadsdiesels – zou de gemeenschap door minder prestatieverlies en andere ziektekosten zelfs een deel van haar bestedingen terug winnen.

Ik predik u geen terug naar de natuur; dat kan de mens van vandaag niet meer. Maar ik mag wel pleiten, dat de mens terug moet keren tot de oude wet, dat de mens meester over zijn milieu moet trachten te blijven, indien hij mens wil blijven. Mens, beheers je milieu, maak het dienstig aan jou, je gezondheid en je werkelijke behoeften – dus niet de door reclame en dergelijke geschapen behoeften. Dan alleen zal men als mens ook verder nog goed, menswaardig en redelijk gelukkig op de wereld kunnen leven. Men heeft deze laatste regel verloochend om winst en aanzien te gewinnen en verloochent deze stelling vandaag nog steeds.

Men is bang om bv. te zeggen, dat veel kinderen in de maatschappij op het ogenblik in wezen ongewenst zijn. Er zijn maar enkele landen, die hiertoe de moed vonden; Rood-China is één van die landen. Daar is de “pil” waarover hier nog zoveel strijd heerst, algemeen en goedkoop verkrijgbaar, terwijl gezinsplanning wel heel actief wordt bevorderd.

Wanneer men de mensen voor hun kinderen zelf geheel aansprakelijk zou stellen, zouden er reeds vanzelf minder kinderen komen; men zou voorzichtiger worden. Wanneer men de mensen van de mogelijkheden en hun verantwoordelijkheden voortdurend op de hoogte zou stellen en niet alleen maar zou verkondigen, dat het krijgen van kinderen iets moois is – al is dit op zich ook waar – zou vanzelf te grote toename van de bevolking afvlakken. Dit zou zelfs reeds het geval zijn, wanneer men zou stellen, dat geen enkel gezin meer dan vijf kinderen mag hebben, zonder aan de staat zware lasten voor alle verdere kinderen te betalen; dan zou reeds een groot deel van de problemen opgelost zijn. De oplossing van de problemen is niet moeilijk, maar zij tast alle bestaande verhoudingen aan. Want degene, die de moed heeft om te zeggen: “noodzaak tot beperking van het kinderaantal”, en maatregelen hiertoe zou willen doorvoeren, zou bv. in het christelijke Nederland al zonder meer politiek onmogelijk zijn.

En iemand die zou durven zeggen: In de steden alle auto’s van de weg af, zou alle automobilisten tegen zich krijgen plus alle gemeentelijke en streekvervoersbedrijven, die zich op de heerlijk lucht vervuilende dieselbussen geworpen hebben. En degene, die zou zeggen, dat alle fabrieken ten koste van alles elke verontreiniging van lucht en water moeten voorkomen op straffe van sluiting, zou protesten der vakbonden horen en van de fabrikanten te horen krijgen, dat zij wel elders hun heil zullen gaan zoeken. Dit is alles waar. Maar dan is de moeilijkheid van de problemen niet gelegen in hun feitelijke onoplosbaarheid, maar in de angst die men koestert iets te zullen verliezen. En is dat juist niet de negatieve trek in de hedendaagse psychologie, die wij hebben behandeld? Is dat niet een deel van ons voer voor de psychiaters? Is dit eigenlijk niet ergens hetzelfde als de innerlijke houding als die van die twee jongens, die een oude man beroofden en vermoordden, omdat het de gemakkelijkste weg was en zij wel eens wilden weten, wat het is te doden en geld te hebben?

Is iemand met gezag, die, om welke zakelijke of maatschappelijke reden dan ook, een verdere ontwikkeling van het gevreesde carcinoom toelaat, eigenlijk niet hetzelfde op grotere schaal? En wanneer hij vreest, dat het hem in ieder geval onmogelijk gemaakt zal worden iets in die richting te doen, laat zo iemand dan tenminste de moed hebben om zijn stelling duidelijk te maken en terug te treden. Wanneer allen, die verantwoordelijkheidsgevoel hebben, zo handelen, zal er een ogenblik komen, dat men beseft, hoezeer de anderen onverantwoordelijk handelen en zal er iets aan een oplossen der problemen gedaan worden. Niemand heeft de moed de verantwoordelijkheid voor zijn weten te dragen. Om de aangroei van eigen gemeente, de vastheid van eigen valuta of de politieke belangrijkheid van eigen persoon te bevorderen, offert men de mens van heden, zowel als komende geslachten aan deze dingen op en zegt, dat men het uiteindelijk niet weet, dat men er niets van heeft geweten, dat men reeds lang geleden gestreden heeft voor de maatregelen, die – eens te laat – onvermijdelijk en noodzakelijk blijken.

Vergeet niet, dat in het betoog de vraag was: Waarom God tegen deze kwaal – en andere kwalen – dan niets doet. Ik meen dat het antwoord duidelijk is: God doet aan deze dingen niets, de Geest mag er niets aan doen, omdat de mensheid zelf het vertikt om er iets aan te doen en blijft steken bij lapmiddelen, die, hoe goed bedoeld dan ook, in feite de toestand erger maken, omdat hoewel zij nu een uitwijkmogelijkheid geven, later zeker tekort zullen blijken te schieten. Denk over dit laatste niet te licht; wanneer er vandaag een geleerde een eenvoudig en oraal toe te dienen middel uitvindt, waarmede men alle woekeringen tot inkapselen kan brengen, zal men morgen aan alle kanten horen, dat het dan toch niet noodzakelijk is om zoveel dure en economisch schadelijke maatregelen voor de reiniging van lucht en water te treffen. En dan is het: Arm nageslacht, bestaande uit ziekelijke afzichtelijkheden. Want zo ontstaat er op de duur een vergiftigde mensheid, die niet meer normaal kan denken en leven, een psychotische massa, die uiteindelijk tot zelfvernietiging moet komen.

Ik stel het misschien wat erg scherp. Maar heeft u hier niet het antwoord op uw opmerking? Het is niet: Wij moeten werken, met wat wij bezitten, zonder het nu bestaande aan te tasten. Wel: Wij moeten werken met alle middelen, een oplossing vinden ten koste van alles, desnoods van ons eigen belang. Wanneer u het zo eens beziet, zal u ook duidelijk worden, waarom je in de wereld van heden zo weinig bemerkt van God en zijn ingrijpen. De mens wil van God alleen maar een boodschappenjongen maken, die de brokken, welke door de mensen worden gemaakt, zonder schade op moet ruimen, zonder dat die mensen zich daarvoor ook maar iets hoeven te veranderen. En onder ons gezegd en gezwegen: Als u een God was, zou u zich dat dan van uw schepselen laten welgevallen?

  • a. De mensheid is op het ogenblik eenvoudig niet in staat om te doen wat noodzakelijk is, dus zal er ingegrepen dienen te worden. b. Al wat de Orde in de laatste jaren heeft verteld, maakt toch wel duidelijk, dat er zal worden ingegrepen op een wijze, waardoor anderen voor de mensheid wel het noodzakelijke doen.

Een klein misverstand. Er is op gewezen, dat alle krachten in de Geest werkzaam zijn om een dergelijke verandering tot stand te brengen. Dat is heel iets anders dan een ingrijpen zoals u dit bedoelt. Dit zou ook tegen de wil van de mensheid in kunnen geschieden, zelfs tegen de menselijke waarden in. Ik mag u er dan ook aan herinneren, dat u in de laatste jaren ook steeds sterker en duidelijker te horen hebt gekregen: Maar denk er om, u moet reageren, u moet handelen, u moet werken. Want alleen wanneer u de eerste stap zet, kunnen wij u helpen om de rest van de weg te gaan. Hierin ligt voor mij voldoende duidelijk het feit uitgedrukt, dat de mensheid zelf zal moeten beginnen met een oplossing van haar problemen te zoeken. Ook al zal het dan gemakkelijker gaan, dan zij nu denkt. De mensheid zal echter de vernieuwing, zij het door schade en schande wijs geworden, dan wel uit een ontwakend innerlijk besef, zelf moeten beginnen. Wat begrijpelijk is, want een ingrijpen tegen de mensheid in zou betekenen, dat voor die mensheid een adempauze wordt geschapen, waarna zij weer dezelfde ongewenste toestanden en geesteshoudingen zal doen ontstaan. Wanneer u iemand genezen kunt van een ernstige nicotinevergiftiging, maar dat deze, wanneer u dit nu reeds doet, alle door u gegeven moeite en krachten alleen maar zal gebruiken om zo snel mogelijk nog zwaarder te gaan roken dan eerst, wat doet u dan?

  • Laten gaan.

Juist, en net zo lang, tot zo iemand zo ziek en ellendig is, dat hij alles wil doen om er van af te komen en er alles voor over heeft, om een herhaling te voorkomen. Dan pas kun je zo iemand werkelijk helpen. Dan pas is hij bereid, om de bron van het kwaad, het geurige kruid, af te zweren.

  • De mensheid omvat toch ook u allen in de geest? Waarom betrekt u hierbij dan alleen de mensen op aarde?

Omdat het woord mensheid werd gebruikt in de zin van alle geesten, die in de stof in menselijke gedaante op dit ogenblik bestaan of er zullen bestaan; naar ik meen, is dit een antwoord op uw vraag.

Wat het deel van de kosmische mensheid, dat in de geest vertoeft, betreft, kan ik alleen stellen: Ongeacht de ellende of bewustwording, die op aarde plaats vindt, zal de geest altijd wel bewusten hieruit gewinnen. Zou de mensheid echter ten gronde gaan aan haar dwaasheden, dan zou een ogenblikkelijke gelegenheid tot verdere bewustwording in de stof voor velen teloor kunnen gaan. Vandaar de moeite, die de Geest zich getroost. Overigens werd alles, wat omtrent het toekomstige lot en de toekomstige vorm van de mensheid werd gezegd, voorwaardelijk gesteld, hetgeen betekent dat de aangestipte mogelijkheden alleen tot werkelijkheid zullen worden, wanneer de mensheid voortdurend in haar huidige dwaasheden en koppigheid blijft volharden. En in het ergste geval, dus het uitsterven van het menselijke ras en de ondergang van uw wereld, betekent het voor het geheel van de mensheid in de geest alleen, dat men vakantie heeft, tot opnieuw een stoffelijke mogelijkheid tot verdere bewustwording is gevonden en men dus, waar noodzakelijk, opnieuw met een menselijk leven ergens in de stof zal kunnen beginnen. Voor degenen, die nog een tijdsbesef hebben – en dus nog niet ver genoeg in de geest gestegen zijn, zou het erge hiervan zijn, dat zij zo lang ergens moeten blijven in ‘n eigen sfeertje, met hun geestelijke werk en leren op de duur niet meer verder kunnen, omdat men wel anderen kan brengen tot een besef van de noodzaak tot hernieuwde stoffelijke incarnatie, maar eerst weer over een wereld en passende stoffelijke voertuigen zal moeten kunnen beschikken, voor de bewustwording verder voortgang kan vinden.

Ik neem aan, dat wij hiermede aan het einde zijn gekomen. Ik dank u voor uw aandacht en hoop, dat u niet al te pessimistisch zult zijn omtrent de toekomst, in het besef, dat de mens juist door de druk van op zich misschien minder aangename gebeurtenissen en ontwikkelingen, tot een beslissing en tot het Licht gedreven wordt.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterie:  Ons werk in de geest.

In de weinige tijd, die ons rest, zou ik graag iets zeggen omtrent ons werk in de Geest. Wij geven beschouwingen over moderne psychologie, het werk van de Meesters enz. Ik zou echter puntsgewijs ons eigen werk in dit verband willen bezien.

Wanneer je ziet, dat er bepaalde gevaren bestaan, ben je altijd weer geneigd dergelijke gevaren met grote nadruk te vermelden en aan deze gevaren meer dan de noodzakelijk aandacht te besteden, omdat je maar al te vaak van het standpunt uitgaat dat je, door het waarschuwen voor bestaande gevaren en mogelijkheden, een zekere preventieve werking tot stand brengt.

Dit blijkt niet altijd het geval te zijn, omdat je zelden degenen bereikt, die de werkelijke gevarenfactor in hoofdzaak vormen.

In de tweede plaats tracht je vanuit de Geest de mensheid op aarde zo goed mogelijk te benaderen. Daartoe tracht je ook steeds van het menselijk denken, de menselijke logica, het menselijke standpunt uit te gaan. Je betrekt hierbij de geestelijke waarden wel, maar tracht ze zo op te bouwen, dat zij voor de mens in zijn wereld geheel redelijk en aanvaardbaar zullen zijn.

Nu blijkt, dat je hierdoor vaak te kort doet aan de feitelijke waarden van het geestelijke werk en de mogelijkheden van het geestelijke werk, terwijl je door het populair stellen de toehoorder wel beter kunt boeien, maar gelijktijdig veel ongezegd zult laten, dat toch van belang is.

In de derde plaats ga je steeds meer beseffen, dat een spreken tot de mensen, evenals het geven van inspiratie e.d., nimmer een eenzijdige kwestie kan zijn: Je kunt als geest niet tot de mensheid spreken, zonder ook een antwoord van die mensheid uit te lokken. Het eindresultaat van de prestatie, of het nu het geven van krachten, inspiratie of ander werk betreft, moet dan ook worden gezien als een resultante van het samentreffen tussen wat wij in de geest willen zeggen en geven, en het antwoord, dat daarop in de mensheid leeft. Dit impliceert vaak, dat je de dingen verkeerd zegt. Niet dat je iets verkeerd zegt of uitlegt, maar dat je de belangrijkste punten vaak overslaat, omdat je je door het menselijke antwoord te veel laat beïnvloeden.

Vervolgens blijkt, dat ons werk zich uitbreidt en belangrijker wordt, naarmate meer mensen op aarde gevoeliger worden. Maar een dergelijke vergroting van de taak brengt vaak met zich, dat men in de uitvoering daarvan oppervlakkiger wordt. Dit ligt wel niet in de bedoeling, maar je tracht te veel de dingen te combineren: Sprekende tot de mens, denk je aan de kracht, die hij nodig heeft; kracht gevende aan de mens, denk je aan het argument, dat je even later in een mondeling contact moet gaan gebruiken; op deze wijze komen er wel verwarringen tot stand.

Dit is wel niet geheel te vermijden en zal dus ook in ons werk wel op de voorgrond treden, maar m.i. kunnen deze onnodige verwarringen wel aanmerkelijk beperkt worden, wanneer wij de moed hebben terug te keren tot de zuiver geestelijke waarden en het stoffelijk oordeel daarover meer en meer buiten beschouwing laten.

Dan vinden wij ook de mogelijkheid nog, dat hetgeen door jou wordt gezegd, verkeerd wordt begrepen: Het is een zeer moeilijke zaak voor ons om tot de mensen te spreken, wanneer zij in wezen alleen hun eigen meningen en oordeel door ons bevestigd willen ziens. We worden door hun antwoord, gedacht dan wel gesproken, vaak beïnvloed omdat dergelijk reacties zeer sterk plegen te zijn en men moet toch voorkomen, dat men je domineert. Deze mensen kunnen immers de woorden zo draaien in je mond, dat het zegt, – voor hen – wat zíj denken en wij niet meer de mogelijkheid krijgen duidelijk te stellen, wat we in feite wilden zeggen. Dit betekent, dat men in dergelijke gevallen soms meer dan normaal agressief zal zijn. Niet omdat je dus iets tegen de mensen hebt, maar om te voorkomen, dat men je woorden in de mond legt, die jij eigenlijk niet wilde zeggen, alleen om daarmede in de mensen bestaande meningen of stellingen te onderstrepen.

Dit zijn enkele van de moeilijkheden, waarmede wij zoal te kampen hebben. Ik meen, dat deze ongeveer parallel lopen met de moeilijkheden, die een mens ondervindt, wanneer hij in zich zijn eigen geestelijke weg gaat.

Wanneer je in jezelf begint een zekere ontwikkeling door te maken, is daar ook de stof, met zijn regels, inzichten en wensen. De samenwerking met de stof maakt het de geest onmogelijk geheel duidelijk alles, wat zij is en wil, weer te geven in uw wezen. Het resultaat is, dat uw bewustzijn steeds enkel een synthese tussen stof en geest weergeeft. En dat is nog wel een gunstige ontwikkeling. Wanneer je iets op mystiek terrein beleeft, word je al snel genoopt het aan te passen aan de beelden en bestrevingen van de materie. Je wil dit a.h.w. populair doen, het binnen de beperkingen van stoffelijk leven en denken houden, met als gevolg het verloren gaan van vele innerlijke en geestelijke waarden. Je wilt vaak kracht en inzicht aan anderen geven en gaat je daardoor steeds meer met leven, werken en behoeften van anderen bemoeien.

Je word daardoor steeds onverschilliger, maar gelijktijdig in je pogen ook steeds onvollediger.

En dit is in het werken en bewustzijn van de mens al een even groot gevaar als bij ons tijdens ons werken voor de mensheid. Ik zou zo door kunnen gaan, omdat het innerlijk pad dezelfde belemmeringen kent, die de geest ontmoet in haar zoeken naar samenwerking en begrip met de mensheid. Volgens mij is de kern van de zaak terug te brengen tot het volgende: Een stoffelijke wereld is gebaseerd op stoffelijke waarden. Wanneer men vooruit ziet in de materie, zal men nimmer de werkelijke toekomst zien, maar slechts een beeld ontwerpen, dat voortvloeit uit de denkbeelden en ervaringen, die men in het heden heeft. Omdat men tegenover de toekomst verantwoord wil handelen, faalt de mens vaak in het heden. Zoals wij, wanneer wij begrepen willen worden, vaak falen door de belangrijke punten die in ons leven, terug te houden, omdat dit voor de toekomst misschien aanvaardbaarder zou zijn. Dit moet veranderen. Voor een mens kan het moeilijk zijn. Maar wanneer de geest in haar benadering van de stof dreigt te falen, door belangrijke geestelijke waarden achterwege te laten, of uit angst voor een op eigen wijze gebruiken en misbruiken van de geestelijke waarheid, kan zij een andere weg volgen.

Bij ons werd gesteld te dien aanzien: wij moeten terug keren tot de zuiver geestelijke waarden en contacten, meer afstand nemen van de stoffelijke werkelijkheid en niet bang zijn om voor onredelijk gehouden te worden. Wij kunnen in deze dagen niet logisch en redelijk optreden en toch onze geestelijke taak totaal vervullen. De belangrijkste geestelijke taken worden daarom tot één geheel samengevat, zodat in de eerste plaats steeds de ware kracht van de geest en pas in de tweede plaats de stoffelijk vertaling van de geestelijke werkelijkheid wordt uitgedragen.

Dit betekent ook, dat wij onze cyclus over de tijd van heden en de dingen die komen, beëindigen, en iets nieuws beginnen. Dit nieuwe zal volgens geestelijke logica de consequente voortzetting moeten vormen van al, wat wij tot op heden hebben gedaan.

Door een van onze belangrijke prekers werd gezegd: Juist op de ogenblikken, dat de mensheid aarzelt en niet weet hoe te gaan, zal de geest mits zij uitgaat van haar eigen krachten en de erkende goddelijke waarden, zoals zij voor haar bestaan, die mensheid ten goede kunnen voeren. Naarmate de mens meer verzonken is in eigen doelstellingen, zal het voor de geest moeilijker zijn hem te benaderen. Laat ons daarom van de onzekerheden gebruik maken en de mensen een nieuwe wereld, een nieuwe leer voorleggen – niet in stoffelijke beelden, maar uitgaande van geestelijke waarden. Het is immers niet mogelijk de stoffelijke wereld op korte termijn te veranderen. Laat ons dan de geest van de mens zo snel mogelijk veranderen. Want waar de geest en bewustzijn voorgaan zal de stoffelijke ontwikkeling moeten volgen.

image_pdf